Instantie: President Rechtbank Den Haag, 25 september 1984

Instantie

President Rechtbank Den Haag

Samenvatting


Eiseres vordert wijziging van de maatregel werkgelegenheidsprojecten
Onderwijs wegens directe discriminatie bij de toegang tot het
arbeidsproces en voorts verbod tot uitvoering van de maatregel zolang deze
niet is gewijzigd. Gedaagde stelt dat eiseres niet-ontvankelijk is wegens
gebrek aan belang. Toewijzing van de vordering zou de situatie van de
werkende vrouw in het onderwijs niet verbeteren. De President oordeelt dat
de vorderingen in overeenstemming zijn met de doeleinden van eiseres,
waaronder: a) de toegang voor vrouwen tot de arbeidsmarkt groter maken;
b) die toegang gelijk te doen zijn aan die van de man. Toewijzing van de
vorderingen brengt -ondanks de offers op de onderwijsdeelmarkt-
verwezenlijking van de beide doeleinden op de totale arbeidsmarkt
dichterbij.

Volledige tekst

1. De bestreden maatregel en de uitvoering daarvan De Minister van
Onderwijs en Wetenschappen heeft in juni 1984 aan de daarvoor in
aanmerking komende onderwijsinstellingen een circulaire doen toekomen
betreffende de maatregel Werkgelegenheidsprojecten Onderwijs (WPO). Inhoud
en doel van die maatregel worden in de inleiding van de circulaire als
volgt samengevat: “Evenals in 1983 heeft het kabinet ten aanzien van het
overheidspersoneel besloten dit jaar geen prijscompensatie uit te betalen.
In ruil daarvoor zijn aan het overheidspersoneel twee extra vrije dagen
toegekend. Het deel van de prijscompensatie dat beschikbaar is voor
herbezettingsdoeleinden heeft voor de onderwijssector geresulteerd in vier
maatregelen die in alle ten doen hebben de werkgelegenheid in het
onderwijs te behouden dan wel te verbeteren. Een hiervan is de maatregel
Werkgelegenheidsprojecten Onderwijs (WPO). De Werkgelegenheidsprojecten
(WPO) kunnen worden gefinancieerd uit de herbezettingsgelden. Daarnaast
zijn uit de rijksbegroting middelen beschikbaar gesteld. Bij de bepaling
van de omvang daarvan is rekening gehouden met de te verwachten
besparingen op de uitkeringsgelden. Zij hebben een duur van maximaal twee
jaar, uiterlijk tot 1 augustus 1986. Na 1 augustus 1986 zullen
herbezettingsgelden opnieuw ter beschikking komen voor een meer
definitieve vorm van herbezetting die dan naar verwachting wenselijk is
in verband met een nagestreefde algemene arbeidsduurverkorting. Deze
projecten hebben in het bijzonder tot doel de startkans van jonger
onderwijspersoneel dat (reeds geruime tijd) werkloos is, te verbeteren.
Naar verwachting zullen degenen die op de tijdelijke extra arbeidsplaatsen
worden benoemd als gevolg van de op deze wijze geboden verhoogde startkans
op gewone formatieplaatsen kunnen worden benoemd die in de periode 1985-
1986 zullen vrijkomen als gevolg van natuurlijk verloop onder het zittend
personeel. Met de voor de WPO beschikbare gelden worden tijdelijk
arbeidsplaatsen gecreeerd op scholen voor kleuteronderwijs, gewoon lager
onderwijs (vanaf 1 augustus 1985/speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs), voortgezet onderwijs en hoger beroepsonderwijs, alsmede op
verzorgingsinstellingen, organen van het leerlingwezen en
vormingsinstituten. De tijdelijke arbeidsplaatsen worden op aanvraag voor
tenminste 1 schooljaar en ten hoogste 2 schooljaren toegekend en komen
naast de reguliere formatie.

Deze arbeidsplaatsen zijn bestemd voor het oplossen van tijdelijke
knelpunten -d.w.z. waarvoor de reguliere formatie geacht wordt onvoldoende
soelaas te bieden- die zich in de genoemde onderwijssoorten voordoen. Het
is dus niet de bedoeling dat de reguliere formatie (voor 1 of 2 jaar)
wordt verruimd. Het ministerie stelt in overleg met de
personeelsorganisaties per onderwijssoort vast welke arbeidsplaatsen
kunnen worden toegekend. In totaal zijn beschikbaar voor het schooljaar
1984/85 ca. 8400 en voor het schooljaar 1985/86 ca. 8000 arbeidsplaatsen,
waarop uitsluitend werklozen dan wel personeelsleden die met ingang van
1 augustus 1984 wegens terugloop van het aantal leerlingen worden
ontslagen (zowel onderwijsgevend als voor wat betreft het voortgezet
onderwijs niet-onderwijsgevend personeel) kunnen worden benoemd die
aanspraak hebben op een werkloosheidsuitkering (hetzij een
ontslaguitkering ten laste van het departement, hetzij een WWV-uitkering,
hetzij een RWW-uitkering, zie punt 4). Deze tijdelijke extra
arbeidsplaatsen zijn in beginsel bedoeld voor personen van 32 jaar of
jonger (zie punt 4, onder a).”

De aanvraagtermijn voor arbeidsplaatsen sloot op 1 september 1984, die
voor voorrangs- en voorkeursbehandeling op 7 september 1984. Toekenning
van de extra-arbeidsplaatsen zou geschieden voor 15 september 1984, doch
is door gedaagde opgeschort tot de dag van uitspraak van dit vonnis.

2. De vordering, de gronden daarvan en het verweer. Eiseres vordert
primair dat aan gedaagde wordt bevolen om de maatregel-WPO binnen een bij
het vonnis te bepalen termijn zodanig te wijzigen dat hij in
overeenstemming komt met: -artikel 1 van de Wet Gelijke Behandeling van
Mannen en Vrouwen in de Burgerlijke Openbare Dienst; -artikel 1637ij van
het Burgerlijk Wetboek; -artikel 3 van de Wet Gelijke Behandeling van
Mannen en Vrouwen; en dat aan gedaagde wordt verboden de maatregel uit te
voeren gedurende die termijn. Subsidiair vordert eiseres dat aan gedaagde
wordt verboden tot (verdere) uitvoering van de maatregel-WPO over te gaan.
De grondslag van deze vordering is de stelling dat uitvoering van de
maatregel-WPO, zoals die luidt, onrechtmatig is wegens strijd met genoemde
wetsartikelen.

Eiseres heeft die stelling als volgt toegelicht. -Een van de voorwaarden,
waaraan een werkloze moet voldoen wil een arbeidsplaats in het kader van
de maatregel-WPO worden toegekend is dat de werkloze in het bezit moet
zijn van of recht moet hebben op een uitkering terzake van ontslag dan wel
werkloosheid, dus van een wachtgeld ten laste van het departement dan wel
een uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers
(RWW) dan wel een uitkering op grond van de Wet werkloosheidsvoorziening
(WWV). -Voor deze beide uitkeringen komen gehuwde vrouwen-niet kostwinners
niet, maar gehuwde mannen-niet kostwinners wel in aanmerking. -Het gevolg
is directe discriminatie bij de toegang tot het arbeidsproces: voor wat
betreft de werklozen-niet wachtgelders staat de toegang tot
arbeidsplaatsen in het kader van de WPO open voor gehuwde mannen-niet
kostwinner, doch niet voor gehuwde vrouwen-niet kostwinners. -Toepassing
van het kostwinnerscriterium leidt bovendien tot indirecte discriminatie;
er zijn immers nog steeds veel meer mannen kostwinner dan vrouwen.
-Voorzover de Rijksoverheid zelf optreedt als werkgever handelt zij
ingevolge het voorgaande rechtstreeks in strijd met genoemde wetsartikelen
bij de uitvoering van de maatregelen-WPO, en derhalve onrechtmatig.
-Voorzover de Rijksoverheid niet zelf optreedt als werkgever brengt zij
de respectievelijke werkgevers (gemeenten, particuliere
onderwijsinstellingen, vormingsinstituten enzovoort) via de
subsidievoorwaarden in een positie, waarin zij slechts met inachtneming
van met genoemde wetsartikelen strijdige voorwaarden tot benoeming in het
kader van de maatregel-WPO kunnen overgaan, hetgeen al even onrechtmatig
is.

Gedaagde heeft niet weersproken dat de uitvoering van de maatregel-WPO,
zoals die thans luidt, in botsing komt met bovenbedoelde wetsartikelen.
Hij heeft echter gesteld dat de gevorderde voorzieningen desondanks niet
voor toewijzing in aanmerking komen.

Gedaagde heeft deze stelling in de eerste plaats onderbouwd met het betoog
dat eiseres de doeleinden die zij nastreeft – het werken van vrouwen
mogelijk te maken onder voorwaarden die de werkende vrouwen gelijk doen
zijn aan de werkende mannen- niet kan bereiken met de door haar thans
gevraagde voorzieningen en derhalve bij gebrek aan belang niet
ontvankelijk is in haar vorderingen. Dat betoog is als volgt opgebouwd:
-De maatregel-WPO houdt in dat degenen, die tussen 1 augustus 1984 en 1
januari 1985 ontslagen zijn of worden, een voorrangsbehandeling krijgen
bij het toewijzen van WPO- arbeidsplaatsen. Aangezien het hier personen
betreft, die op zijn vroegst per 1 augustus 1984 zijn ontslagen, gaat het
hier uitsluitend om personen die een wachtgelduitkering van het
departement ontvangen. In het kader van deze voorrangsbehandeling zijn in
augustus 1984 reeds 2.300 arbeidsplaatsen toegewezen, waarvan ongeveer
1.150 aan vrouwen. Resteren dus 8.400 – 2.300 = 6.100 toe te wijzen
arbeidsplaatsen voor het schooljaar 1984/85. -Toewijzing van de primaire
voorziening zou betekenen dat voorwaarde betreffende de RWW/WWV-uitkering
niet meer zou mogen gehanteerd. Het wegvallen van dit “inverdien-element”
zou echter betekenen dat van het voor de maatregel beschikbare budget
tenminste ƒ 135,7 miljoen oftewel 25,1% zou wegvallen. Dat zou verlies
van 2.700 arbeidsplaatsen betekenen, zodat thans niet nog 6.100
arbeidsplaatsen, doch nog slechts 3.400 arbeidsplaatsen in het kader van
de WPO voor het jaar 1984/1985 zouden kunnen worden toegekend. En dat
terwijl er thans nog ongeveer 8.000 aanvragen resteren. -Aangezien in het
onderwijs sprake is van ongeveer evenveel werkloze mannen als vrouwen,
brengt het voorgaande mee dat toewijzing van de primaire vordering de
situatie voor de werkende vrouw in het onderwijs er niet beter en in vele
gevallen zelfs slechter op maakt. -Toewijzing van de subsidiaire vordering
zou voor de werkende vrouwen in het onderwijs tot een nog veel nadeliger
resultaat leiden. Alsdan zouden immers voor het huidige schooljaar 8.400
arbeidsplaatsen in hun geheel verloren gaan. Gedaagde heeft ter
ondersteuning van bovengenoemde stelling voorts nog aangevoerd dat hij bij
toewijzing van de gevraagde voorzieningen gedwongen zou worden eenzijdig
een inmiddels op 17 september 1984 met de vakcentrales bereikt akkoord
over de toewijzing van de nog resterende 6.100 WPO-arbeidsplaatsen te
doorbreken.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van eiseres 3.1. Blijkens artikel
2, aanhef en onder c, van haar statuten heeft eiseres onder meer tot doel
het steunen van acties die er op gericht zijn het werken van vrouwen
mogelijk te maken, onder voorwaarden die de werkende vrouw gelijk doen
zijn aan de werkende man. Ter zitting heeft eiseres voorts onweersproken
gesteld dat zij in het raam van dit statutaire doel feitelijke
activiteiten ontplooit, die er onder meer op gericht zijn: a. de toegang
voor vrouwen tot de arbeidsmarkt groter te maken; b. die toegang gelijk
te doen zijn aan die van de man.

3.2. De vorderingen van eiseres passen duidelijk in het kader van het
onder b genoemde doel. Daarmee is het belang van eiseres bij die
vorderingen gegeven. Dat belang valt niet weg doordat bij toewijzing van
de primaire vordering het risico bestaat dat het totaal van de aan vrouwen
toewijsbare WPO- plaatsen kleiner wordt dan thans het geval is en daarmee
afbreuk wordt gedaan aan het sub a genoemde doel. Bedoeld belang valt
zelfs niet weg doordat bij toewijzing van de subsidiaire vordering de
zekerheid bestaat dat alle aan vrouwen toewijsbare WPO-plaatsen zouden
verdwijnen. Het is immers niet onverdedigbaar dat toewijzing van de
vorderingen ondanks die op de onderhavige onderwijsdeelmarkt gebrachte
offers de verwezenlijking van beide doeleinden op de totale arbeidsmarkt
dichterbij brengt.

3.3. Nu ook overigens geen omstandigheden zijn gesteld, die tot een andere
conclusie zouden moeten leiden, moet eiseres ontvankelijk worden geacht
in haar vorderingen.

4. Beoordeling van de vorderingen 4.1. Door eiseres is gesteld en door
gedaagde is niet betwist dat de maatregel-WPO niet kan worden uitgevoerd
zonder dat het bevoegd gezag de gehuwde vrouw-niet kostwinner
discrimineert en aldus handelt in strijd met een of meer van de hierboven
onder 2 genoemde wetsbepalingen. Daarmee staat de onrechtmatigheid van die
uitvoering in dit geding vast.

4.2. Toch kan de primaire vordering niet ongewijzigd worden toegewezen.
Er zijn immers meerdere mogelijkheden om de door eiseres gewraakte
discriminatie op te heffen. Een daarvan is het laten vallen van het
kostwinnerscriterium voor gehuwde vrouwen in de regelingen van de WWV en
RWW ter uitvoering van de EEG-richtlijn van 19 december 1978 betreffende
de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid. Een andere
is de intrekkking van de maatregel-WPO. Alleen al omdat elk van die
mogelijkheden zijn eigen budgetaire gevolgen heeft behoort gedaagde de
vrijheid te behouden om daaruit een keuze te maken.

4.3. Om dezelfde reden kan ook de subsidiaire vordering niet zonder meer
worden toegewezen.

4.4. Er is echter wel plaats voor een voorziening in dier voege dat de
maatregel-WPO niet verder mag worden uitgevoerd zolang die maatregel
meebrengt dat de toegang tot de WPO- arbeidsplaatsen is geblokkeerd voor
(gehuwde en samenwonende bijstand)vrouwen, die geen
departementaal-wachtgeld genieten, die geen kostwinner zijn en die voldoen
aan de in de maatregel onder 4b tot en met de genoemde randvoorwaarden.
Daarbij is in aanmerking genomen dat de tot dusverre aan de maatregel
gegeven uitvoering naar de niet weersproken mening van gedaagde niet in
strijd is gekomen met de hierboven bedoelde wetsartikelen.

4.5. Aan zulks een voorziening staat niet in de weg dat gedaagde bij het
totstandbrengen van een maatregel als die van de WPO gehouden is tot
overleg met de centrales. Niets let gedaagde immers om, gegeven de
uitkomst van de in dit geding gevorderde rechtmatigheidstoetsing, het
overleg met de centrales over de verdere uitvoering van de WPO-maatregel
te heropenen.

4.6. De conclusie is dat de primaire vordering van eiseres behoort te
worden toegewezen in voege als na te melden en dat gedaagde als de in het
ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de kosten van dit
geding.

5. Beslissingen

De President:

Verbiedt gedaagde de maatregel Werkgelegenheidsprojecten Onderwijs (WPO)
verder uit te voeren zolang de in die maatregel bedoelde arbeidsplaatsen
niet kunnen worden toegekend aan gehuwde vrouwen: -die op de datum van
ingang van de benoeming niet in het genot zijn van of recht hebben op een
wachtgeld of op een lange of korte uitkering van het departement van
Onderwijs en Wetenschappen; -die niet in aanmerking komen voor een
uitkering WWV of RWW omdat zij geen kostwinner zijn in de zin van die
regelingen; -en die voldoen aan de randvoorwaarden, die in de maatregel
zijn genoemd onder 4b, c en d.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Wijst af hetgeen
meer of anders is gevorderd.

Veroordeelt gedaagde om aan de griffier van deze rechtbank te betalen de
kosten van dit geding, die aan de zijde van eiseres tot op heden worden
begroot op ƒ 1.301,25.

Rechters

Mr. J.J.R. Bakker

Instantie: Kantonrechter Eindhoven, 26 juli 1984

Instantie

Kantonrechter Eindhoven

Samenvatting


Een uitspraak van de HR van 4 mei 1984 is dat ouders na ontbinding van
het huwelijk de ouderlijke macht gezamenlijk kunnen blijven uitoefenen. In
dit geval doen man en vrouw, die ongehuwd met hun drie kinderen samenwonen, een
beroep op deze uitspraak om gezamenlijke ouderlijke macht te krijgen. De
kantonrechter beslist dat verzoekers niet ontvankelijk zijn omdat nog geen
wettelijke bepalingen tot stand zijn gekomen

Kanttekeningen hierbij van Prof. mr. J.E. Doek

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Kantonrechter Tilburg, 26 juli 1984

Instantie

Kantonrechter Tilburg

Samenvatting


Mevr. G. vordert dat gedaagde, de werkgever, de dienstbetrekking
herstelt en schadevergoeding betaalt omdat het ontslag in strijd is met de Wet
Gelijke Behandeling (art. 1637ij BW). De direkteur van het Arbeidsbureau
heeft een ontslagvergunning verleend. De Commissie Gelijke Behandeling
heeft vastgesteld dat er onderscheid is gemaakt. De werkgever heeft onder
andere gesteld dat hij meer mannen nodig heeft en daarom de (buitenlandse)
vrouwen wil ontslaan. Hij voert ook aan dat de vrouwen vaak afwezig zijn in
verband met ziekte en zwangerschap. De kantonrechter is van mening dat het
ontslag niet in strijd is met art. 1637ij. Wel heeft de werkgever een
discriminatoire motivering gebruikt. Het ziekteverzuim was hoog, dat gaf
organisatorische problemen. De vorderingen worden afgewezen

Pleitnotities en uitspraak Commissie Gelijke Behandeling aanwezig

Volledige tekst

Rechters

Mr. A.A.A.M. Rubbens

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 5 juli 1984

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Vrouw wordt op staande voet ontslagen omdat zij haar baby mee naar het
werk (nachtdiensten in een gezinsvervangend tehuis) nam teneinde hem
borstvoeding te kunnen geven. De stichting stelde dat zij voor oppas (‘s
nachts) moet zorgen die het kind zou komen brengen en halen

Vrouw vordert in kantongerechtsprocedure tewerkstelling met baby en
doorbetaling van haar loon. Daarnaast is zij een kort gedingprocedure
gestart. Beide zaken zijn verloren. Van het kort geding vonnis is hoger
beroep ingesteld. Aanvraag wordt ingediend terwijl procedures al lopen

BESLISSING RECHTENVROUW: Vragen voor de helft toegewezen wegens
opgewekte verwachtingen onzerzijds

AFLOOP: ook kort geding in hoger beroep is verloren

jaarverslag 1984 no. 3

Volledige tekst

1. Ingevolg de Arbeidswet 1919 moet de werkgever het verblijf van de
baby op de plaats van het werk slechts dulden in zover en zolang dit voor
het geven van borstvoeding op de bestemde tijden noodzakelijk is. Overigens
verschillen de omstandigheden waarin art. 11 tot stand minder dringend is
gekomen van de tegenwoordige, nu de noodzaak tot het geven van borstvoeding
thans minder dringend is als gevolg van het beschikbaar zijn van
alternatieven

2. Ook aan de bepalingen van het BW kan niet zonder meer een recht op
meeneming van de baby worden ontleend. Het zal in hoge mate afhangen van de
(beoordeling van de) concrete werksituatie, waarbij de werkgever een grote
mate van vrijheid moet worden gegund

Grief 1. Ten onrechte heeft de President Utrecht bij vonnis van 9
februari 1984 overwogen dat aan de bepalingen van de Arbeidswet noch aan het
BW door een werkneemster het recht kan worden ontleend haar baby in verband
met borstvoeding mee naar het werk te nemen tijdens haar nachtdiensten

Grief 2. Ten onrechte heeft de President geen rekening gehouden met de
veranderde maatschappelijke opvattingen ten aanzien van de werkende
vrouw/moeder en met de specifieke situatie waarin Bronkhorst als ongehuwde
moeder verkeert

Grief 3. Ten onrechte heeft de President slechts de belangen van
geintimeerde afgewogen en is bij aan het belang van Bronkhorst zowel als aan
de belangen van de bewoners van De Reiger, die het verblijf van de baby van
Bronkhorst toejuichen, voorbijgegaan

Grief 4. Ten onrechte heeft de President overwogen dat de door de
Stichting aangevoerde argumenten, te weten de grote verantwoordelijkheid die
het werk van Bronkhorst in met name de nachtdienst meebrengt en de mogelijke
calamiteiten die zich kunnen voordoen, haar beslissing om toestemming voor
medebrenging van de baby te weigeren voldoende kunnen dragen

Enz.

3. Van de vaststaande feiten zijn de volgende van belang (Red.):

a. Bronkhorst is op 1 januari 1980 bij gedaagde in dienst getreden als
groepsleidster bij het Tehuis voor geestelijk gehandicapten “De Reiger” te
Maarssenbroek

c. Bronkhorst werd in verband met de aard van de werkzaamheden geacht
regelmatig dienst te doen van 16.00 uur ’s middags tot 10.00 uur de volgende
ochtend. Tijdens zo’n dienst was zij, tesamen met een andere medewerker,
verantwoordelijk voor de 25 bewoners van “De Reiger”

d. Op 3 november 1983 is Bronkhorst, die niet gehuwd is noch in enig
ander samenlevingsverband samenwoont, bevallen van een zoon

g. Bij schrijven van 12 oktober 1983 had de secretaris van het Bestuur
van gedaagde aan Bronkhorst laten weten dat borstvoeding in diensttijd in het
tehuis gegeven zal kunnen worden als iemand van buiten het tehuis de baby
voor het moment waarop de voeding plaats moet vinden deze bij haar brengt en
na afloop van de voeding weer meeneemt

Als reden voor het afwijzen van het verderstrekkende verzoek werd in
genoemd schrijven ondermeer gewezen op ht volledig inzetbaar moeten zijn van
Bronkhorst, zonder dat zij door haar verplichtingen als moeder daarin
geblokkeerd zou worden

h. Bij brief van 8 december 1983 heeft Bronkhorst haar verzoek herhaald,
met dien verstande dat zij haar baby alleen wanneer zij slaapdiensten heeft
mee zou willen nemen, zulks in verband met gebrek aan mogelijkheden om de
baby in die tijd voor de voeding te laten brengen en halen, met name zou dat
onmogelijk zijn voor de voeding van 24.00 uur en 07.00 uur d.a.v

i. In antwoord hierop heeft de secretaris bij schrijven van 23 december
1983 Bronkhorst laten weten niet van het eerder ingenomen standpunt af te
wijken

k. Op 9 januari 1984 hoorde de directie van gedaagde dat Bronkhorst haar
baby vanaf 23 december 1983 wanneer zij slaapdienst had toch meegenomen had.
De Directeur van gedaagde heeft toen instructie gegeven dat aan Bronkhorst
de toegang tot het tehuis ontzegd diende te worden indien zij zich met de
baby voor dienst zou melden. De instructie is doorgegeven aan de medewerkers
en aan Bronkhorst en wel op 10 januari 1984

l. Op 11 januari 1984 heeft Bronkhorst met baby toch dienst gedaan: haar
is door de dienstdoende medewerkers de toegang niet ontzegd

m. Op 17 januari 1984 is de voorzitter van het bestuur van gedaagde, de
heer J., naar “De Reiger” gegaan om met Bronkhorst een gesprek te hebben over
haar handelswijze. Bronkhorst is toen ontslag op staande voet in het
vooruitzicht gesteld indien zou blijken dat zij de baby toch weer naar het
werk mee zou nemen

n. Op 18 januari 1984 is Bronkhorst met de baby weer op het werk gekomen

o. Op 19 januari 1984 heeft de heer J., nadat hij geconstateerd had dat
Bronkhorst toch haar baby naar het werk had meegenomen, namens gedaagde
Bronkhorst met onmiddellijke ingang ontslagen

4. Bespreking van de grieven

Grief 1

4.1. Het Hof is met de President van oordeel dat aan de bepalingen van
de Arbeidswet 1919 voor een werkneemster niet het recht valt te ontlenen haar
baby, in verband met het geven van borstvoeding, mee te nemen naar het werk
en daar, gedurende de diensttijd, te laten verblijven. Slechts in zover en
zolang zulks voor het geven van borstvoeding op de daar voor bestemde tijden
noodzakelijk is, zal de werkgever verblijf van de baby op de plaats waar het
werk wordt verricht moeten toestaan of althans dulden

4.2. Wat art. 11 lid 2 Arbeidswet in het bijzonder betreft merkt het Hof
– evenals de SER in zijn op 16 september 1983 uitgebracht “Advies combinatie
ouderschaps – en beroepstaken” – overigens nog op, dat de omstandigheden
waarin dit artikel is tot stand gekomen, verschillen van de huidige: de
noodzaak tot het geven van borstvoeding is, nu er alternatieven (met name
flesvoeding) beschikbaar zijn, minder dringend

4.3. Eveneens is het Hof met de President van oordeel dat aan de
bepalingen van het BW niet zonder meer een recht op de medeneming van de
baby kan worden ontleend. Wat in dezen ingevolg art. 1638z BW van een goed
werkgever kan worden verlangd, zal in hoge mate afhangen van de concrete
werksituatie en de beoordeling daarvan waarbij de werkgever daarbij een grote
mate van vrijheid moet worden gegund, Bronkhorst heeft voorshands niet
aannemelijk gemaakt dat de Stichting zich niet als een goed werkgever zou
hebben gedragen door haar geen toestemming te verlenen de baby tijdens de
nachtdienst op “De Reiger” te doen verblijven

4.4. De eerste grief is derhalve ongegrond

Grief 2-4

4.5. Deze grieven, die zich voor een gezamenlijke behandeling lenen,
betreffen de vraag of de President, gelet op de huidige opvattingen over de
plaats van de vrouw in het arbeidsleven en de bijzondere positie die de
ongehuwde moeder daarbij inneemt, de belangen van partijen wel voldoende
tegenover elkaar heeft afgewogen

4.6. De President noch het Hof heeft tot taak de belangen van de
Stichting, Bronkhorst en de bewoners van “De Reiger” tegenover elkaar af te
wegen, doch de rechter dient slechts vast te stellen of voorshands voldoende
aannemelijk is dat de Stichting als goed werkgever in redelijkheid heeft
kunnen oordelen, dat aan Bronkhorst geen toestemming tot medeneming van de
baby tijdens de nachtdienst moest worden verleend

4.7. Met de President is het Hof voorshands van oordeel dat de door de
Stichting aangevoerde argumenten haar beslissing geen toestemming te verlenen
voldoen de kunnen dragen. Dat die argumenten niet op goede gronden zouden
berusten, komt het Hof voorshands onaannemelijk voor. Het Hof merkt overigens
nog op dat het toch allereerst tot de verantwoordelijkheid van de werkneemster
zelf behoort voorzieningen te treffen die het haar mogelijk maken tijdens de
nacht borstvoeding, zo zij daarvoor kiest, te geven

Enz

Volgt bekrachtiging van het vonnis

Rechters

Mrs Willems, Mijnssen, Schut

Instantie: European Commission of Human Rights, 14 mei 1984

Instantie

European Commission of Human Rights

Samenvatting


De verzoeker is de vader van het kind. Hij wilde met de moeder
trouwen, deze weigerde en is een jaar later met een andere man getrouwd. Er
was nog een kind dat drie jaar jonger was. De zoon van de verzoeker leeft
in het gezin van de moeder en beschouwt zijn stiefvader als zijn ‘echte’
vader. Tussen 1971 en 1973 mocht de vader zijn zoon af en toe zien, maar na
1973 weigerde de moeder dit. Een verzoek bij de Rechtbank voor een
omgangsregeling is afgewezen. Ook het hoger beroep is afgewezen. Het
bezoek van de vader aan zijn zoon bracht veel spanningen in het gezin teweeg
en de zoon staat onverschillig tegenover zijn vader. Ook het
cassatieverzoek is afgewezen

In het Duitse recht geldt dat de moeder van een buitenechtelijk kind het
recht op verzorging en ouderlijke macht heeft zo lang het kind minderjarig is
De vader van dit buitenechtelijke kind kan het recht tot verzorging en
ouderlijke macht alleen verkrijgen door de moeder te huwen, door het kind te
erkennen, door het kind te adopteren, of door voogdij aan te vragen. De
persoon die het recht tot verzorging en ouderlijke macht heeft beslist over de
relatie tussen de vader en het kind. Als een persoonlijke relatie met de
vader in het belang van het kind is, kan het ‘Guardianship Court’ beslissen om
de vader een omgangsrecht toe te kennen

De Commissie heeft al erkend in verscheidene uitspraken dat in principe
een ouder altijd het recht tot omgang met zijn/haar kind heeft volgens art. 8
EVRM. Meestal gaat het dan om klachten van gescheiden ouders die een
normale familie relaties hadden met hun kinderen tijdens het huwelijk, en die
het omgangsrecht is ontzegd na de scheiding. In veel gevallen bestaan er
geen normale familiebanden tussen het buitenechtelijke kind en de vader.
Daarom lijkt het twijfelachtig of de ongehuwde vader in alle gevallen het
recht op omgang heeft met zijn kind onder art. 8 EVRM. Zelfs al heeft de
vader een omgangsrecht dan nog is dit niet onbegrensd. Immers als het in
het belang van het kind is kan dit recht beperkt worden

Wat de onderhavige zaak betreft is het omgangsrecht afgewezen omdat het
bezoek van de vader spanningen in het huidige gezin van het kind teweeg
bracht. Daarnaast heeft het kind zelf niet de wens geuit om zijn vader te
zien. Gezien het voorgaande zijn de beperkingen ten aanzien van het
omgangsrecht gerechtvaardigd volgens art. 8 lid 2 EVRM omdat ze noodzakelijk
zijn in een democratische maatschappij voor de bescherming van de rechten en
vrijheden van anderen

Bij gescheiden ouders ligt de zaak anders omdat daar de voortzetting van
de persoonlijke relatie tussen vader en kind beschermd moet worden. Deze
persoonlijke relatie bestaat meestal niet tussen het buitenechtelijke kind en
zijn/haar vader. Mocht deze persoonlijke relatie wel bestaan dan dient ook
deze beschermd te worden. In de onderhavige zaak bestaat geen persoonlijke
relatie en daarom is het verschil in behandeling te rechtvaardigen

Volledige tekst

Rechters

C.A. Norgaard, president, G. Sperduti, F. Ermacora, J.E.S. Fawcett, M.A.Triantafyllides, E. Busuttil, T. Opsahl, G. Jurundsson, G. Tenekides, S.Trechsel, B. Kiernan, M. Melchior, J. Sampaio, J.A. Carrillo, A.S. Gozubuyuk,A. Weitzel, J.C. Soyer, H.G. Scher

Instantie: Kantonrechter Arnhem, 14 mei 1984

Instantie

Kantonrechter Arnhem

Samenvatting


Op de gronden als omschreven in het verzoekschrift heeft eiser gevorderd
een verklaring voor recht, dat het hem verleende ontslag nietig is en onder
voorbehoud van zijn aanspraken op latere salaristijdvakken, op grond van art.
1639 d BW, zijn brutosalaris per maand over het tijdvak van 10 oktober 1983
tot aan de dag waarop de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn
beeindigd

1. Tussen partijen staan de volgende feiten vast:

a. Eiser is vanaf 1 oktober 1976 voor onbepaalde tijd in loondienst
getreden als restaurantmanager

b. De werkgever heeft eiser op 5 oktober en wel tot en met 10 oktober
1983 geschorst

c. De werkgever heeft eiser bij schrijven van 10 oktober 1983 op staande
voet ontslagen zonder dat daartoe een vergunning van de directeur GAB was
afgegeven

d. De eiser heeft zich op 7 oktober 1983 ziek gemeld

e. De eiser heeft zich bereid verklaard de bedongen arbeid te verrichten
na het gegeven ontslag

2. Eiser stelt dat er geen dringende reden was om hem op staande voet te
ontslaan

3. De dringende reden -aldus de werkgever- bestaat hierin dat eiser zich
onoirbaar heeft gedragen tegenover de vier medewerksters van het bedrijf.
De gedragingen zijn omschreven in een viertal met de hand geschreven en
getekende verklaringen waarin wordt vermeld, dat eiser genoemde medewerksters
“in de kont kneep”, “hun borsten aanraakte” of “benen streelde”. Bovendien
kwam eiser over hen heenhangen bij het verrichten van hun werkzaamheden en had
hij een overeenkomstig deze gedragingen aangepast taalgebruik

4. Deze gedragingen zijn door eiser niet betwist. De kantonrechter is
van oordeel dat voldoende vaststaat dat deze gedragingen hebben
plaatsgevonden

5. Nu de werkgever eiser op 5 oktober 1983 heeft geschorst om de gerezen
bezwaren in alle objectiviteit te kunnen onderzoeken heeft zij gehandeld als
een zorgvuldig werkgeefster. Eiser stelt dat hij zich -voor ontvangst van
de ontslagbrief op of omstreeks 10 oktober- reeds op 7 oktober daaraan
voorafgaand ziek had gemeld. Deze ziektemelding kan de werkgever evenwel
niet worden tegengeworpen en desondanks stond het de werkgever vrij om eiser
op staande voet wegens dringende reden te ontslaan

De vorderingen van eiser worden afgewezen

Volledige tekst

Rechters

Kantonrechter mr. L.F.A. Husson

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 10 mei 1984

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Vrouw spande procedure aan tegen haar buurman, tevens adjunctdirecteur
van de Sociale Dienst. De buurman spioneerde het priveleven van de vrouw en
stuurde vervolgens interne memo’s rond bij de Sociale Dienst, wat tot
stopzetting van haar uitkering leidde

AFLOOP: Een kort geding in 1984 werd gewonnen; in het door de
tegenpartij ingestelde hoger beroep werd de vrouw in het ongelijk gesteld
De vrouw is met ondersteuning van Rechtenvrouw naar de Hoge Raad gegaan
Deze meende dat de adjunctdirecteur de privacy van de vrouw wel
geschonden heeft. Echter in bijzondere omstandigheden is het
gerechtvaardigd. De Hoge Raad vindt dat de lagere rechter nader moet
onderzoeken of de vergaande inbreuk op de privacy opweegt tegen het belang van
controle in verband met het recht op bijstand. Het nader onderzoek loopt
nog bij het Hof

Jaarverslag 1984 no. 5, 1986 no. 32, 1987 no. 31

Volledige tekst

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Ter terechtzitting van 4 mei 1984 heeft eiseres (verder ook Grumbeck)
gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotocopie aan dit vonnis gehechte
dagvaarding

Gedaagde (verder ook Van der Kaaij) heeft verweer gevoerd met conclusie
tot weigering van de gevraagde voorziening

Na verder debat, waarbij inlichtingen zijn ingewonnen van A. de Baat,
directeur van de Gemeentelijke Sociale Dienst te Edam (GSD), hebben partijen
de stukken, waaronder pleitnotities en produkties van weerszijden, overgelegd
voor vonnis

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1a. Eiseres, een gescheiden vrouw met drie minderjarige kinderen,
ontvangt sedert december 1977 een -aanvullende- bijstandsuitkering

b. Deze uitkering hebben B en W van Edam/Volendam bij beschikking van 11
oktober 1983 met ingang van 1 november 1983 ingetrokken, met als motivering:

“In uw situatie met de heer G.A. v.d. Eeckhout moet worden aangenomen
worden dat er sprake is van een samenwoning onder omstandigheden, die in
financieel-economisch opzicht niet wezenlijk verschillen van die van een
gezin als bedoeld in artikel 5 van de ABW .”

c. In de door eiseres tegen deze beslissing aangespannen
bezwaarschriftprocedure is zij -in beroep- bij beschikking van Gedeputeerde
Staten van Noord-Holland (GS), gedateerd 17 april 1984, in het gelijk gesteld

Uitkering van de bijstand is -met terugwerkende kracht- hervat

d. Ten tijde van voornoemde procedure, op 19 januari 1984, heeft eiseres
inzake gekregen in het, ingevolge artikel 7 van de Administratieve Regelen
Bijstand 1977, door de GSD omtrent haar aangelegde persoonsdossier. Hierin
trof zij onder meer de volgende stukken:

– een intern memo, gedateerd 3 april 1978, van gedaagde,
adjunct-directeur van de GSD, gericht aan een sociaal ambtenaar van de
buitendienst, met de volgende inhoud:

“Ontvangt periodieke bijstand in alg. bestaanskosten

Reeds enige weken is bij mw. B. een ongeveer 45-jarige man in huis, die
er ook slaapt. Gaarne heronderzoek, of dit een kostganger of “bijslaap” is.
Zij heeft geen kostganger op haar ink.br. vermeld .”

– een intern memo, gedateerd 9 januari 1979, eveneens van gedaagde en
gericht aan dezelfde sociaal ambtenaar, luidend:

“In april 1978 is mijnerzijds reeds per memo melding gemaakt van de
aanwezigheid van een plm 45-jarige man, die vrij regelmatig bij Mw. Grumbeck
“over de vloer” komt. Ook de nacht wordt ten huize van haar doorgebracht,
hetgeen aan de voor de deur staande auto is te zien

Het betreft de heer v.d Eeckhout, leraar aan de LTS te Edam, een
gescheiden man. Zij loopt reeds enkele maanden gearmd met deze man over
straat. M.i. is er sprake van een vaste relatie. Gaarne onderzoek in
hoeverre dit van invloed op de bijstandsverlening is .”

– een vijftal hercontrolerapporten, respectievelijk van 10 mei 1978, 25
maart 1979, 12 maart 1980, 2 april 1981 en 27 september 1983

In dit laatste rapport wordt geconcludeerd:

“Mede op grond van informatie van de heer van der Kaaij heeft het er
alle schijn van dat deze relatie niet wezenlijk verschilt van die van een
gezinssituatie als bedoeld in artikel 5 ABW. In dit geval dient de bijstand
te worden beeindigd met ingang van 1 november 1983 .”

Alle ander voorgaande rapporten leiden tot het advies de
bijstandsuitkering onverminderd te continueren

2. Eiseres voelt zich door gedaagde, haar buurman, bespied en vordert in
dit kort geding een verbod tot het bijhouden van aantekeningen over haar
gedrag en relaties en tot het, mondeling of schriftelijk, doen van
mededelingen daaromtrent aan derden

3. Gedaagden voert in hoofdzaak het verweer dat hij heeft gehandeld
conform zijn plicht als ambtenaar van de GSD, rechtstreeks belast met de
uitvoering van de Algemene Bijstandswet (ABW) en hij zijn bevoegdheden als
zodanig niet te buiten is gegaan

4. Vooropgesteld moet worden, dat op grond van de hierboven onder 1
geciteerde stukken alsook, met name, uit de brief van B en W van 8 november
1983 aan de voorzitter van GS en de beschikking van GS van 17 april 1984 moet
worden aangenomen dat de werkzaamheden van gedaagde met betrekking tot de
bijstandsverlening aan eiseres zich uitstrekten tot:

a. het, tot voor kort, met een zekere regelmaat doen van constateringen
omtrent het priveleven van eiseres;

b. het doorgeven van de aldus verzamelde gegevens aan de GSD;

c. het op eigen initiatief gelasten van (her)onderzoek binnen de GSD

5. Wat er ook zij van de ambtelijk bevoegdheid van gedaagde om jegens
eiseres aldus op te treden, uit hetgeen door de directeur van de GSD, de
Baat, ter zitting aangaande de functie van gedaagde is verklaard, is gebleken
dat de door gedaagde in deze zaak ondernomen, hierboven onder 4 a, b en c
beschreven, activiteiten niet behoren tot zijn normale werkzaamheden als, in
hoofdzaak, chef van de binnendienst, de administratieve afdeling

Met actieve opsporing is gedaagde niet in het bijzonder belast en het
entameren van hercontroles, los van de halfjaarlijkse, ligt slechts
sporadisch op zijn weg. Van enige specifieke opdracht van de GSD aan
gedaagde tot bemoeienis met eiseres is evenmin gebleken

6. Ter terechtzitting van de bijzondere aandacht die gedaagde aan de
zaak en de persoon van eiseres heeft besteed is slechts kunnen blijven van de
omstandigheden dat hij dicht bij haar in de buurt woont

7. Dit is echter onvoldoende reden om een handelwijze als de onderhavige
te billijken. Deze handelwijze strijdt immers met het beginsel van gelijke
behandeling van alle burgers, een beginsel dat gedaagde vanuit zijn functie
als ambtenaar ook in privecontacten heeft na te leven

8. Bovenstaande overwegingen geven aanleiding om gedaagde een verbod op
te leggen tot het verstrekken van inlichtingen omtrent eiseres aan derden.
Het daarbij nog gevorderde verbod tot het maken van aantekeningen is niet
toewijsbaar, daar mogelijke overtreding van een dergelijk verbod in praktijk
niet te controleren valt en daarom onuitvoerbaar is. Bovendien mist dit
verbod zelfstandige betekenis naast de hieronder getroffen voorziening. De
gevorderde dwangsom wordt gematigd als na te melden

9. Gedaagde zal als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde
partij de proceskosten hebben te dragen

RECHTDOENDE:

1. Verbiedt gedaagde om inlichtingen omtrent eiseres aan de GSD te Edam
of enige andere persoon of instelling te verstrekken, zulks op verbeurte van
een dwangsom van ƒ 500,– voor iedere overtreding van dit verbod

2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

3. Veroordeelt gedaagde tot betaling aan de griffier van deze rechtbank
van de kosten van het geding aan de zijde van eiseres, tot aan deze uitspraak
begroot op ƒ 1.039,50, de in debet gestelde daaronder begrepen, terzake van:

1. griffierecht ƒ 250,–

2. salaris en/of verschotten van:

a. de procureur van eiseres ƒ 700,– waaronder begrepen ƒ 50,– aan
eigen bijdrage van die partij

b. de deurwaarder Hennik te Amsterdam ƒ 89,50

4. Wijst het anders of meer gevorderde af

Rechters

Mr. R.C. Gisolf, vice-president

Instantie: Hoge Raad, 4 mei 1984

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Het gaat in deze zaak om de vraag of de Rechtbank een verzoek van
gescheiden ouders om gezamenlijk belast te worden met de voogdij over hun kind
heeft mogen afwijzen. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord.
De Hoge Raad vernietigt deze beschikking van het Hof. De Hoge Raad is van
mening dat er sprake is van inmenging in het gezinsleven (art. 8 Europees
Verdrag rechten van de mens). Inmenging is op grond van art. 161 lid 1 BW
toegestaan als dit in het belang van het kind is. Dit had door de Rechtbank
onderzocht moeten worden. Gezamenlijke voogdij is niet mogelijk maar de
Rechtbank had art. 161 lid 1 buiten toepassing kunnen laten op grond van art.
94 Grondwet, wegens strijd met art. 8 EVRM. Op grond van art. 161 lid 4
blijft dan het gezag bij beide ouders

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Drion, Snijders, Martens, Bloembergen, Boekman

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 4 mei 1984

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het gaat in deze zaak om de vraag of de Rechtbank een verzoek van
gescheiden ouders om gezamenlijk belast te worden met de voogdij over hun
kind heeft mogen afwijzen. Het Hof heeft deze vraag bevestigend
beantwoord. De Hoge Raad vernietigt deze beschikking van het Hof. De Hoge
Raad is van mening dat er sprake is van inmenging in het gezinsleven (art.
8 Europees Verdrag rechten van de mens). Inmenging is op grond van art.
161 lid 1 BW toegestaan als dit in het belang van het kind is. Dit had
door de Rechtbank onderzocht moeten worden. Gezamenlijke voogdij is niet
mogelijk maar de Rechtbank had art. 161 lid 1 buiten toepassing kunnen
laten op grond van art. 94 Grondwet, wegens strijd met art. 8 EVRM. Op
grond van art. 161 lid 4 blijft dan het gezag bij beide ouders

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Tussen verzoekers tot cassatie –
hierna te noemen de ouders – werd bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam
van 28 april 1982 echtscheiding uitgesproken. Nadat vervolgens ter
terechtzitting van het verhoor ter voorziening in het gezag over het uit
het huwelijk van partijen op 22 maart 1976 geboren kind I. de ouders
hadden verzocht gezamenlijk te worden belast met de voogdij na
echtscheiding, en de Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam, na overleg
met het Ministerie van Justitie, naar voren had gebracht, dat hoewel er
naar hun mening vanuit sociaal standpunt daartegen geen bezwaren bestaan,
art. 161 BW voor het voorstel van de ouders geen ruimte laat, heeft de
Rechtbank bij beschikking van 29 maart 1983 dit verzoek afgewezen als
zijnde in strijd met de wet, welke kiest voor het stelsel een ouder met
het voogdijschap te belasten, en vervolgens bepaald dat de voogdij zal
worden uitgeoefend door de moeder met benoeming van de vader tot toeziend
voogd. Tegen deze beschikking hebben de ouders hoger beroep ingesteld bij
het Hof Amsterdam. Bij beschikking van 26 oktober 1983 heeft het Hof, na
de ouders en de Raad voor Kinderbescherming te hebben gehoord, de
beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. De beschikking van het Hof is
aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof hebben de
ouders beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierequest is aan deze
beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van waarnemend
Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot vernietiging van de bestreden
beschikking en tot verwijzing van de zaak naar hetzelfde Hof ter verdere
behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtbank een na echtscheiding
gedaan verzoek van de ouders om gezamenlijk belast te worden met de
voogdij over hun minderjarig kind heeft mogen afwijzen, en in plaats
daarvan de moeder tot voogdes en de vader tot toeziend voogd heeft mogen
benoemen. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord en de
beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Tegen die beslissing keert zich
het middel met de stelling dat in dit geval ondermeer art. 8 EVRM in de
weg stond aan toepassing van art. 1:161 lid 1 BW door benoeming tot voogd
van slechts een van de ouders.

3.2 Door de benoeming na echtscheiding van een van de ouders tot voogd
over hun minderjarig kind eindigt de tevoren bestaande toestand dat beide
ouders gezamenlijk de ouderlijke macht over het kind uitoefenen. Anders
dan het Hof heeft aangenomen, levert dit een inmenging in het gezinsleven
als bedoeld in art. 8 EVRM op. Een dergelijke inmenging is evenwel
krachtens het tweede lid van dat artikel in beginsel toegestaan, nu zij
bij de wet – nl. art. 1:161 lid 1 BW – is voorzien en in het algemeen, in
verband met de tussen de ouders bij ontwrichting van hun huwelijk te
verwachten spanningen zal worden gerechtvaardigd door de belangen van het
kind, op bescherming waarvan het recht heeft. Dit kan echter anders zijn
indien de ouders – zoals in dit geval is aangevoerd – zich in staat achten
het kind in een goede onderlinge verstandhouding te blijven verzorgen en
opvoeden en zij op die grond beiden verzoeken om gezamenlijk met het gezag
over het kind belast te blijven. In een dergelijk geval dient onderzocht
te worden of de beeindiging van de ouderlijke macht van de ouders
gezamenlijk door de benoeming tot voogd van een van hen met het oog op de
voormelde belangen van het kind nodig is. Rechtbank noch Hof heeft een
zodanig onderzoek ingesteld. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat
een zodanige noodzaak zich in het onderhavige geval niet voordeed.

3.3 Het voorgaande brengt echter niet mee dat de rechtbank het verzoek van
de ouders om gezamenlijk tot voogd over hun kind te worden benoemd, had
mogen of moeten toewijzen. Art. 1:161 lid 1 BW geeft de rechter niet de
mogelijkheid, na echtscheiding beide ouders tot voogd over een kind te
benoemen. Een dergelijke gezamenlijke voogdij past ook niet in het stelsel
van de wettelijke voogdijregeling. Aan art. 94 GW kan de rechtbank wel de
bevoegdheid ontlenen, het wettelijk voorschrift van art. 1:161 lid 1 BW
buiten toepassing te laten, indien toepassing ervan in het gegeven geval
niet verenigbaar is met art. 8 EVRM, maar niet de bevoegdheid om een niet
bij de wet voorziene en in het wettelijk systeem niet passende
voogdijregeling te treffen.

3.4 Krachtens art. 1:161 lid 4 blijft in geval van echtscheiding het gezag
over de kinderen bij degene(n) die dit tijdens het geding had(den), met
dezelfde bevoegdheden en dezelfde verplichtingen als hij (zij) toen
had(den). Door – met toepassing van art. 1:161 lid 1 BW – de moeder tot
voogdes te benoemen, heeft de rechtbank een einde gemaakt aan de
gezamenlijke rechten en verantwoordelijkheden van beide ouders met
betrekking tot hun kind, zoals die voortvloeien uit hun, op grond van art.
1:161 lid 4 gecontinueerde, ouderlijke gezag over het kind en, ondanks de
strekking van het gezamenlijk verzoek van de ouders, niet onderzocht of
het belang van het kind de beeindiging van de bestaande situatie door
benoeming van de moeder tot voogdes nodig maakte. Voor zover het middel
zich richt tegen de bekrachtiging door het Hof van de benoeming van de
moeder tot voogdes, met de klacht dat het Hof aldus onvoldoende rekening
heeft gehouden met de werking in dit geval van art. 8 EVRM is het dan ook
terecht voorgesteld. De rechtbank had zich ervan behoren te vergewissen
of beeindiging van de door beide ouders gewenste continuatie van een
gedeelde verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van hun
kind, in het belang van het kind nodig was, en had zich bij een
ontkennende beantwoording van die vraag moeten beperken tot niet-
ontvankelijkverklaring van de ouders in hun verzoek om beiden tot voogd
te worden benoemd. Het ouderlijk gezag van beide ouders zou dan op grond
van art. 1:161 lid 4 zijn blijven bestaan, met de mogelijkheid dat in een
later stadium met overeenkomstige toepassing van art. 161 lid 3 alsnog een
van de ouders tot voogd wordt benoemd, indien en zodra het belang van het
kind dit alsnog nodig zou maken.

3.5 Voor zover het middel er tevens over klaagt, dat de afwijzing van het
verzoek van de ouders om samen met de voogdij te worden belast, in strijd
is met art. 23 lid 4 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten, verliest het uit het oog dat an deze verdragsbepaling
blijkens haar bewoording geen rechtstreekse werking kan worden toegekend.

3.6 Uit het onder 3.4 overwogene vloeit voort dat de beschikking van het
Hof niet in stand kan blijven. Na verwijzing zal moeten worden vastgesteld
of het belang van het kind het nodig maakt om – met beeindiging van het
bestaande door beide ouders gedeelde ouderlijke gezag – een van de ouders
tot voogd te benoemen.

4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het Hof
Amsterdam van 26 oktober 1983; verwijst de zaak naar dat Hof ter verdere
behandeling van de beslissing.

Rechters

Mrs. Drion, Snijders, Martens, Bloembergen, Boekman; A-G Moltmaker

Instantie: Kantonrechter Arnhem, 26 maart 1984

Instantie

Kantonrechter Arnhem

Samenvatting


De werkneemster X., verzoekt de kantonrechter de sedert 2 juli 1979
tussen haar en haar werkgeefster P. bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden
met veroordeling van P. tot netto-netto aanvulling van haar inkomen tot 2
jaar na de ontbinding tot het bedrag wat zij zou hebben verdiend indien de
arbeidsovereenkomst niet ontbonden had moeten worden, alsmede tot betaling van
ƒ 10.000,– (tienduizend gulden) immateriele schadevergoeding voor de
psychische gevolgen van op haar uitgeoefende seksuele dwang van de
zijde van de werkgever

De kantonrechter is van mening dat er genoeg omstandigheden zijn in de
zin van artikel 1639w BW om de dienstbetrekking billijkheidshalve na korte
tijd te laten eindigen

De kantonrechter kent aan X. een vergoeding toe van ƒ 12.000,–
(twaalfduizend gulden) bruto, waarbij de kantonrechter rekening heeft gehouden
met de duur van het dienstverband tussen partijen, met het feit dat het voor
X. gelet op de huidige situatie op de arbeidsmarkt moeilijk zal zijn passende
arbeid te vinden alsmede met het door X. ondervonden leed als gevolg van de
aard en de frequentie van de gedragingen van de directie van P

De kantonrechter volhardt op 16 april 1984 in zijn beschikking van 26
maart 1984

Volledige tekst

Rechters

Mr. J.P.G. Poell