Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 30 september 1983

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verzoek van de man bevel te geven tot openbare verkoop van de voormalige
echtelijke woning, die deel uitmaakt van de ontbonden en nog niet verdeelde
huwelijksgemeenschap van partijen. De vrouw wil dat de pensioenrechten
onmiddellijk worden verrekend, dit is mogelijk door haar de eigendom van de
woning toe te delen. De HR is van mening dat alle omstandigheden bekeken
moeten worden onder andere het tijdstip waarop het pensioen zal worden
uitgekeerd. De HR is het eens met de opgelegde voorwaardelijke uitkering

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 1 juli 1983

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het verzoek van de vader (erkenner) tot het treffen van een
omgangsregeling tussen hem en zijn kind is ontvankelijk. Het recht op omgang
van gescheiden ouders is analoog van toepassing op de erkenner.

Een jonge vrouw woont samen met haar vriend. Op 20-jarige leeftijd raakt
zij in verwachting. Het kind wordt in januari 1981 geboren en door de vriend
erkend. Wanneer het kind net een jaar oud is wordt de relatie tussen de moeder
en de vader verbroken; het is dan 25 januari 1982. Inmiddels is de moeder
meerderjarig geworden en heeft zij de voogdij over haar kind gekregen. Tot
toeziend voogdes is de grootmoeder van moederszijde benoemd.

Op 10 mei 1982 wendt de man zich tot de kinderrechter te ‘s-
Hertogenbosch met het verzoek een omgangsregeling te treffen. Het verzoek
wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof

‘s-Hertogenbosch acht in hoger beroep het verzoek wel ontvankelijk en
wijst het verzoek tot omgang toe. De moeder gaat in cassatie. In het
cassatiemiddel wordt gesteld dat het voor het op-een-lijn-stellen van een
buitenechtelijk gezinsverband met een gezinsverband tijdens huwelijk
noodzakelijk is, dat dat gezinsverband ook na de geboorte van het kind zo lang
wordt voortgezet, dat ook voor wat het kind betreft van een gezinsverband
gesproken kan worden en dat dat kind de vader als zijn vader is kunnen gaan
beschouwen, zulks temeer wanneer de vader ook niet met de toeziende voogdij is
belast.

Volledige tekst

Hoge Raad

3. Beoordeling van het middel

Het middel berust op de opvatting dat voor een analoge toepassing van
artikel 1:161 lid 5 BW na het uiteenvallen van een samenleving in
gezinsverband waaruit een kind is geboren dat bij de geboorte-aangifte door de
vader is erkend, geen plaats is als niet is voldaan aan de in het middel
gestelde voorwaarden. Deze opvatting vindt geen steun in het recht. ’s Hofs
oordeel dat de gezinsband welke volgens de feitelijke vaststelling van het hof
tussen partijen bestond zozeer geleek op die welke tijdens een huwelijk tussen
echtgenoten bestaat dat er reden is voor zodanige analoge toepassing, behoefde
ook geen nadere motivering.

Het middel faalt derhalve.

Opmerking verdient dat omstandigheden als in het middel gereleveerd wel
kunnen meewegen bij de beantwoording van de vraag of contacten als door de
vader gewenst, in strijd zijn met het belang van het kind en op die grond
moeten worden afgewezen.

4. Beslissing: de Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Drion, Royer, Van den Blink, Verburgh, Snijders; A-G Ten Kate

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 24 juni 1983

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap wat betreft militair
ouderdomspensioen van de man en weduwenpensioen van de vrouw. Verrekening
van ouderdomspensioen kan volgens Hoge Raad 27-11-1981 vaak slechts
plaatsvinden door een voorwaardelijke uitkering op te leggen, afhankelijk van
de opeisbaarheid van het pensioen. De man hoeft niet op korte termijn te
betalen. De berekening van de waarde van de pensioenaanspraken is niet
juist, daarom vernietiging van het arrest van het Hof

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Drion, Snijders, Royer, van den Brink, Verburgh

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 3 juni 1983

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Ontucht met minderjarige. Vergoeding immateriele schade. Art. 1407
BW. Voor de vraag of de pleger van ontucht met een minderjarige (negen
jaar) voor de schade (psychisch leed) aansprakelijk is, is niet relevant of
dit leed is veroorzaakt door de daad zelf dan wel (mede) door de reacties
daarop van de directe omgeving van de minderjarige. Schadevergoeding ex
aequo et bono vastgesteld op ƒ 5.000,– (vijfduizend)

Volledige tekst

Rechters

Mrs. De Bruin, De Groot, Westermann-van Rooyen

Instantie: Kantonrechter Leiden, 1 juni 1983

Instantie

Kantonrechter Leiden

Samenvatting


Marokkaanse vrouw ondertekende een brief waaruit een accoord met haar
ontslag kon worden afgeleid. Zij wist echter niet precies wat zij
ondertekende omdat zij de nederlandse taal niet goed beheerste en haar werd
medegedeeld dat het ging om een “briefje voor de WW”

De procedure bij de kantonrechter is reeds gevoerd en verloren

BESLISSING RECHTENVROUW: Van met name veel buitenlandse vrouwen wordt
misbruik gemaakt door bedrijven die bekend staan om hun slechte
arbeidsvoorwaarden. Het bedrijf in casu had alleen turkse en marokkaanse
vrouwen in dienst

Afloop: er is hoger beroep ingesteld

Jaarverslag 1984 no. 2

Volledige tekst

OVERWEGENDE TEN AANZIEN DER FEITEN:

Eiseres stelt bij introductief request zoals wordt weergegeven op de
hieraan gehechte fotocopie daarvan en heeft ter dienende terechtzitting
conform de inhoud van dat request geconcludeerd voor eis, zulks onder
overlegging van 2 producties

Gedaagde heeft hierop geconcludeerd voor antwoord (met 1 productie),
waarna bij rolbeschikking een comparitie van partijen is bepaald

Op 23 december 1982 werd de comparitie van partijen gehouden, waarbij
geen regeling tot stand is gekomen

Hierna hebben partijen nog nadere conclusies genomen, de gedaagde onder
overlegging van 1 productie

De inhoud van de bovengenoemde stukken wordt geacht hier te zijn
ingelast en de uitspraak vervolgens bepaald op heden

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Tussen partijen staat het volgende als erkend of niet weersproken vast

Eiseres is op 19 april 1982 in dienst getreden van gedaagde met een
proeftijd van 8 weken. Tot haar werkzaamheden behoorde onder andere het
opsteken van sate en/of shaslick en staan voor het overige omschreven in de
schriftelijk aangegane arbeidsovereenkomst

Op 22 september 1982 werd het dienstverband door gedaagde beeindigd

Eiseres, die de marokkaanse nationaliteit bezit en geen Nederlands noch
Marokkaans kan lezen, heeft op 23 september 1982 een in de Nederlands taal
gestelde verklaring ondertekend, volgens welke zij met de beëindiging van het
dienstverband op 22 september 1982 instemt. Daaraan voorafgaand heeft een
werknemer van de bedrijfsvereniging voor het bakkersbedrijf (de heer V.),
welke vereniging de buitendienst werkzaamheden voor de bedrijfsvereniging “De
Samenwerking” verricht, in de Nederlands taal uitleg gegeven over de te
ondertekenen geschriften (de ontslagverklaring en het formulier tot het
verkrijgen van een werkloosheidsuitkering)

Een vrouw van Turkse nationaliteit heeft de mededelingen, die namens
gedaagde werden gedaan, in het Turks vertaald

Eiseres spreekt noch verstaat Turks

Eiseres is van oordeel, dat zij voor onbepaalde tijd in dienst van
gedaagde is getreden en dat het haar gegeven ontslag nietig is en stelt dat
zij beslist niet heeft geweten en ook niet heeft kunnen weten, dat de op 23
september 1982 door haar ondertekende verklaring een akkoord met een ontslag
zou inhouden

Gedaagde meent daarentegen, dat het ontslag nietig is en heeft in
verband daarmede aangevoerd, dat bij het opstellen van het contract een fout
werd gemaakt alsmede dat eiseres wist dat zij voor het seizoen was aangenomen

Gedaagde is van mening, dat de ondertekening van de ontslagverklaring
niet ontkracht kan worden door achteraf te stellen, dat de inhoud daarvan
niet aan haar duidelijk was

Volgens gedaagde beheerst eiseres de Nederlandse taal in voldoende mate
en heeft zij begrepen, dat zij een ontslagverklaring heeft ondertekend

Omtrent het geschil overwegen Wij het volgende

Volgens de schriftelijk aangegane arbeidsovereenkomst werd tussen
partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan

Gedaagde stelt wel, dat mondeling werd overeengekomen dat de
overeenkomst voor een bepaalde tijd (een seizoen) werd gesloten, doch zij
heeft zulks niet aannemelijk gemaakt. Een dergelijke aanvulling mondelinge
overeenkomst lijkt overigens niet logisch, indien men een schriftelijke
overeenkomst voor onbepaalde tijd sluit

Wij zullen aan die stelling dan ook voorbijgaan

Aan de door eiseres op 23 september 1982 ondertekende verklaring valt
waarde toe te kennen indien het eiseres duidelijk was wat zij ondertekende.
Indien zij de Nederlandse taal echter niet in voldoende mate spreekt en
begrijpt – de Nederlandse, Marokkaanse en Turkse taal kan zij niet schrijven,
terwijl zij het Turks niet verstaat – kan er geen waarde aan de door haar
ondertekende verklaring worden toegekend

Eiseres zal dienen te bewijzen, dat zij door onbekendheid met de
Nederlandse taal de door haar ondertekende verklaring niet heeft begrepen en
evenmin de daaraan voorafgaande mondelinge uiteenzetting in de Nederlandse
taal door de heer V. en eventueel anderen

Eiseres kan tot het bewijs worden toegelaten

RECHTDOENDE:

Alvorens te beslissen

Laten eiseres toe tot het vorenomschreven bewijs, hetwelk door alle
middelen rechtens, speciaal door getuigen zal kunnen worden bijgebracht ter
buitengewone civiele terechtzitting van 12 juli 1983 te 09.30 uur

Houden iedere verdere uitspraak aan

Rechters

Mr. J.I. van Dijke, kantonrechter en W. Bezemer als griffier

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 17 mei 1983

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Mislukte Sterilisatie. Aansprakelijkheid gynaecoloog voor door moeder
geleden schade. Geen vergoeding van onstoffelijke schade. De ingeval van
een beroepsfout aan te merken mislukte sterilisatie, geschonden norm: het
zorgvuldig verrichten van een medische ingreep, strekt tot bescherming tegen
de door de moeder geleden schade. Het gaat hier – anders dan appellanten
aanvoeren – om schade in een rechtmatig belang welke schade niet wordt
gecompenseerd door de voordelen van het moederschap en op vergoeding waarvan
niet van invloed is de zorgplicht van art. 1:245 BW. Het laten plegen van
abortus komt niet in aanmerking als schadebeperkende maatregel. Afwijzing
van de eis tot schadevergoeding van smartegeld, geen anticiperende werking van
art. 6.1.9.11 NBW (aantasting in de persoon: cfm. HR 4 febr. 1983, RvdW 1983,
461)

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Van Haren, Van Benthem, Van der Velden

Instantie: Raad van State, 31 januari 1983

Instantie

Raad van State

Samenvatting


X. heeft ten behoeve van haar minderjarige dochter een verzoek tot
naamswijziging ingediend. Hierop is afwijzend beslist. Aan een
minderjarig wettig kind kan de naam van de moeder toegewezen worden indien het
huwelijk van de ouders is ontbonden en vervolgens de moeder het kind ten
minste vijf jaar alleen heeft opgevoed en wijziging van deze situatie is niet
aannemelijk. Op dit moment is er geen sprake van vijf jaar opvoeding door
de moeder alleen, dus kan er geen sprake zijn van naamswijziging. Hiertegen
is de moeder in beroep gegaan

De Afdeling meent dat de periode wel aan de lange kant is maar meent dat
deze voorwaarde niet onredelijk is. De bestreden beslissing komt daarom
niet voor vernietiging in aanmerking

Vervolgens dient te worden nagegaan of verweerder het verzoek buiten de
richtlijnen om voor inwilliging in aanmerking had behoren te brengen

De Afdeling is van oordeel dat verweerder bij het nemen van het
bestreden besluit heeft gehandeld in stijd met het in het algemeen
rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur dat een beschikking
dient te worden gedragen door een deugdelijke daaraan ten grondslag gelegde
motivering. De leeftijd van het kind is geen reden om geen nadere
motivering toe te voegen

Volledige tekst

Rechters

Mr. L.A. Barendsen-Vleveringa, voorzitter, mr. K. Wiersma en Mr. P.J.Verdam, leden i.b.d

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 25 oktober 1982

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Mevr. S. wil dat haar ontslag nietig wordt verklaard. Zij is
ontslagen omdat zij bij het sollicitatiegesprek over haar zwangerschap heeft
gezwegen. Er is een proeftijd van twee maanden. Eiseres stelt dat het
ontslag in strijd is met art. 1639 lid 4 en 1637ij BW, de Wet Gelijke
Behandeling. De kantonrechter is van mening dat de werkgever bevoegd is de
dienstbetrekking te eindigen op grond van 1639n lid 1 BW. Er is geen sprake
van een nietig ontslag. Er is geen onderscheid gemaakt tussen mannen en
vrouwen omdat een algemene eis was dat kontakten met clienten voortgezet
moesten worden

Volledige tekst

Rechters

Mr. H.G. Schoonhoven

Instantie: Raad van State, 8 juli 1982

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Appellante heeft bezwaar tegen het besluit van verweerders een overlast-
en nering- vergunning te verlenen aan de Stichting exploitatie en beheer Eros-
en Vermaakcentrum te Rotterdam ten behoeve van een op een schip te vestigen
vermaak- annex sex-inrichting.

De Raad van State vernietigt de besluiten van verweerders waarbij de
bezwaren van appellante ongegrond zijn verklaard.

Volledige tekst


Ten aanzien van het Poortgebouw hebben wij bestuurlijk de conclusie
getrokken dat er onvoldoende steun in de gemeenteraad te verkrijgen zou zijn
voor het doorzetten van de plannen. Wij hebben de term maatschappelijk
draagvlak derhalve gebezigd in relatie tot de politieke verhoudingen in de
gemeenteraad. Uitgaande van de steun die de gemeenteraad aan de plannen voor
de sexboten heeft gegeven, hebben wij gemeend na afweging van de betrokken
belangen in redelijkheid tot onze besluiten te kunnen komen, zoals de
commissie terecht opmerkt.

5. Tegenover het vermelde voorstel inzake een evaluatie van de effecten
staan wij niet afwijzend. Wij hebben die in onze eerdergenoemde nota ook
toegezegd. Het in het vooruitzicht stellen van een schadeloosstelling wegens
waardevermindering van onroerend goed en/of een immateriele schadevergoeding
achten wij op zijn minst prematuur. Immers bij voldoende maatregelen om
uitwaaiering tegen te gaan zal niet van waardevermindering die de gemeente kan
worden tegengeworpen sprake behoeven te zijn. Voor vergoeding is naar onze
mening slechts plaats voor zover door een rechtmatige bestuursdaad de
gelijkheid van de burgers ten aanzien van de algemene lasten ten behoeve van
een algemeen belang wordt aangetast en verstoord en deze aantasting de normale
in beginsel voor ieder bestaande en door ieder te aanvaarden lasten, verbonden
aan het leven in een geordende maatschappij, te boven gaat.

6. In het advies wordt de beschikking van de voorzitter van de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State op de schorsingsverzoeken genoemd. Zoals
bekend heeft de voorzitter op 20 november 1980 de vergunningen geschorst.
Daarmee is voor ons ook de verdere uitvoering van het beleid ter concentratie
van de overlastgevende prostitutie voorlopig van de baan.

Het is hier niet de plaat om op de consequenties van de beschikking van
de voorzitter inhoudelijk in te gaan. Wij volstaan met de opmerking dat wij
het met de beschikking, noch met de motivering eens zijn.

7. De passage over het internaat voor schipperskinderen Robbenoord bevat
geen nieuwe argumenten op grond waarvan wij bij heroverweging tot een ander
besluit zouden kunnen komen, dan wij in eerste aanleg hebben genomen.

8. Van een overeenkomst in de zin zoals de commissie bedoelt (niet
handelend optreden tegende prostitutie vergezellende overlast) is ons niets
bekend. Wij hebben slechts een en andermaal vastgesteld dat het bestrijden van
overlast ten gevolge van prostitutie niet effectief mogelijk is zonder dat er
een alternatief voor handen is waar de openlijke prostitutie zich kan
manifesteren. Het advies suggereert dat dit anders zou kunnen, maar de
commissie draagt daarvoor geen argumenten aan.

Wij distantieren ons dan ook van deze passage.

9. De commissie gaat in op de betekenis die de motie Vermeulen heeft
voor de mate waarin overleg met betrokkenen heeft plaatsgevonden. De commissie
vindt in meerderheid dat op basis van deze motie vooraf overleg met de
betrokken wijken had moeten plaatsvinden. Wij zijn het daarmee niet eens. In
de eerste plaats heeft de motie betrekking op de locatie Poortgebouw. In de
overwegingen wordt een aantal mogelijkheden opgesomd waarmee uitwaaiering over
de wijk Feijenoord-Noordereiland had kunnen voorkomen worden. De motie
verzoekt het college bij de nadere uitwerking daarvan wijkbewoners en andere
belanghebbenden te betrekken. Een dergelijke toezegging is ook gedaan tijdens
het raadsdebat over de sexboten aan de omliggende wijken.

In die zin is er analoog aan de motie-Vermeulen gehandeld.

In de tweede plaats is er ook met de wijk FeijenoordNoorderereiland niet
vooraf overlegd. Wel is de wijk vooraf ingelicht over het plan. Dat is
eveneens het geval geweest bij de wijken Delfshaven, Middelland en het
Scheepvaarkwartier toen het om de sexboten ging.

10. De schoonheidsfout die de commissie meent te moeten aanrekenen is in
het kader van de onderhavige bezwaren tegen de vergunningen minder relevant.
De motivering daarvoor berust ook op een onvolkomen vergelijking. Aan de wijk
FeijenoordNoordereiland is destijds financiele steun voor juridische bijstand
uitgekeerd omdat daarbij een belang aan de orde was dat ook aan onze zijde om
behartiging vroeg. Er bestond toen immers onzekerheid over de juridische
bestemmingsregeling. Dat laatste is bij de sexboten niet het geval. Wij laten
de bedoelde passage in het advies dan ook geheel voor rekening van de
commissie.

11. De alinea over de koppeling tussen de ligplaatsvergunning en de
neringvergunningen regardeert niet ons, maar de Havenmeester.

Tegen dit besluit heeft appellante bij schrijven gedateerd 2 maart 1981,
ingekomen bij de Raad van State op 4 maart 1981, beroep op grond van de Wet
administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen ingesteld bij de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State.

Appellante voert daarbij, onder verwijzing naar haar bezwaarschrift,
aan:

Volgens artikel 14, derde lid, van de Wet administratieve rechtspraak
overheidsbeschikkingen dient op een bezwaarschrift in de zin van deze wet een
beslissing te worden genomen binnen 30 dagen of – indien aan een commissie is
opgedragen advies uit te brengen inzake de te nemen beslissing dan wel op het
bezwaarschrift te beslissen – binnen 60 dagen na de ontvangst van het
bezwaarschrift.

Het bezwaarschrift dat namens appellante is ingediend, is ontvangen op
29 oktober 1980.

Weliswaar heeft het administratief orgaan dan wel de commissie de
bevoegdheid de beslissing voor ten hoogste 30 dagen te verdagen, waarbij dan
voor de verdaging voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk mededeling
gedaan wordt aan de indiener van het bezwaarschrift, maar van deze bevoegdheid
is in het onderhavige geval geen gebruik gemaakt. Een brief van de secretaris
van de Algemene beroepscommissie van de gemeente Rotterdam van 12 januari
1981, derhalve na het verstrijken van de termijn, is in dit verband niet
relevant. Verweerders hebben beslist bij beschikking die is verzonden op 3
februari 1981. Zij hebben dan ook de in artikel 14 van de Wet administratieve
rechtspraak overheidsbeschikkingen voorgeschreven termijn in ruime mate
overschreden.

Alleen al om deze reden zal de bestreden beschikking vernietigd moeten
worden.

Appellante is eigenares van de Euromast, gelegen aan de Parkhaven O.Z.
op zeer korte afstand van de voorgenomen lokatie van de sexschepen. Appellante
is daarmee bij uitstek belanghebbende bij de verleende vergunningen.

De door verweerders verleende vergunningen passen in het beleid ter
concentratie van overlastgevende prostitutie dat door verweerders op 26
februari 1980 aan de gemeenteraad is voorgesteld. Reeds in dat voorstel was
sprake van een mogelijke locatie aan de Parkhaven. Door de bij het voorstel
gegeven toelichting en voorts door de bij de vergunning aanvragen overgelegde
tekening is duidelijk, dat hier niet slechts sprake is van een gedogen van de
kant van de gemeente, maar dat de gemeente prostitutie bevordert op een plaats
waar geen prostitutie is. Daarmee handelen verweerders in strijd met artikel
250 bis van het Wetboek van Strafrecht. Gezien deze bepaling en gezien de
beschikking van de voorzitter van de Afdeling rechtspraak van 20 november
1980, nos. A-3.4973(1980)/S2444, A-3.5033(1980)/S445, A-3.4828(1980)/S2441,
A-3.4829(1980)/S2442, A-3.503(1980)/S2443 en A-3.5149(1980)/S2520, kunnen de
afgegeven vergunningen niet in stand blijven.

Verweerders zijn bezig met een prositutiebeleid en geven diverse
vergunningen af aan de Stichting Explotatie en Beheer Eros- en Vermaakcentrum
Rotterdam, zonder in die vergunningen te noemen dat het om een
prostitutiebeleid gaat.

Verweerders wenden hun desbetreffende bevoegdheden daarmee voor een
ander doel aan dan waarvoor deze zijn gegeven, terwijl zij hun ware oogmerken
niet noemen.

Dit is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.

Tegen de voorgestelde locatie aan de Parkhaven bestaan planologische
bezwaren. Voor het desbetreffende gebied is van kracht de
bebouwingsverordening voor handel- en industrieterreinen, vastgesteld door de
gemeenteraad van Rotterdam op 6 februari 1936 en goedgekeurd door gedeputeerde
staten op 21 december 1936. Deze verordening dient te worden aangemerkt als
een bestemmingsplan op grond van artikel 10 van de Overgangswet Ruimtelijke
Ordening.

In een bestemmingsplan is volgens artikel 10 van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening water onder grond begrepen. Dit betekent, dat de
bestemmingsbepalingen ook gelden voor het desbetreffende water. De bestemming
is handel, nijverheid en verkeer. Het exploiteren van sexschepen is met deze
bestemming niet verenigbaar.

In de bij de bestreden beschikking gevoegde stukken wordt gesteld, dat
de bebouwingsverordening voor handel- en industrieterreinen de aard van bouw
en gebruik van grond kennelijk niet heeft willen regelen. Waar verweerders dit
standpunt vandaan halen is niet duidelijk. In ieder geval geeft de
æ

ouwingsverordening zelf geen enkel argument voor dit standpunt.

De redenering dat er geen gebruiksregelen voor het desbetreffende gebied
gelden gaat niet op, omdat de gebruiksregeling is gegeven in artikel 352 van
de Bouwverordening van de gemeente Rotterdam. Bovendien zou ook zonder
gebruiksregelen de exploitatie van sexschepen ter plaatse niet geoorloofd
zijn, omdat de gemeente Rotterdam de desbetreffende locatie daarmee
ondergeschikt maakt om overeenkomstig de vigerende bestemming te worden
gebruikt. De eerste plicht van de gemeente ten aanzien van bestemmingsplannen
is om op te treden als handhaver van die plannen. Deze plicht wordt door
verweerders geschonden door het niet alleen toestaan, maar zelfs stimuleren
van een gebruikt in strijd met die bestemming.

In het voorstel van verweerders van 26 februari 1980 aan de gemeenteraad
wordt voorgesteld alsof voor het desbetreffende gebied geen planologische
regeling geldt en dat het daarom als een wezenlijk voordeel moest worden
beschouwd dat geen juridische procedures dreigen. Deze redenering acht
appellante in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur. Met name geldt dat
de argumentatie van verweerders dat het een wezenlijk voordeel zou zijn dat
belanghebbenden zich niet zouden kunnen verdedigen. Het is in strijd met de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur om te trachten via de gekunstelde
wet van concentratie van prositutie op schepen de burgers te versteken van de
rechten die hen normaal toekomen bij belangrijke planologische ingrepen.

Het beleid ten aanzien van het Scheepvaartkwartier is ook in zoverre
inconsistent dat er op het ogenblik in procedure is een door de gemeenteraad
reeds vastgesteld bestemmingsplan Scheepvaartkwartier waarin tot in details is
vastgesteld wat er wel en niet mag op planologisch gebied in het beschermd
stadsgezicht. Op enkele meters van de grens van dit bestemmingsplangebied is
de locatie van de sexschepen gedacht.

Bij het kiezen en propageren van die locatie menen verweerders niet
alleen een bestemmingsplanprocedure te kunnen overslaan maar zelfs beroepen
zij zich op het verouderd zijn van het vigerende bestemmingsplan (en het
beweerlijk ontbreken van gebruiksregelingen) om de keuze van deze locatie te
rechtvaardigen. De rechtszekerheid van de burgers komt aldus op onaanvaardbare
wijze in het gedrang.

De Verordening op inrichtingen van openbare vermakelijkheden en
sexinrichtingen bepaalt in artikel 4, tweede lid, dat burgemeester en
wethouders een vergunning slechts afgeven, indien de aanwezigheid van de
inrichting de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving niet op
ontoelaatbare wijze nadeling beinvloedt. Naar het oordeel van appellante wordt
de Euromast -een toeristische attractie van de eerste orde in Rotterdam-
zodanig nadeling beinvloed dat reeds om deze reden geen vergunning zou mogen
zijn afgegeven.

Volgens de vergunning op grond van de Verordening op inrichtingen van
vermakelijkheden heeft deze betrekking op het geven van floorshows en het
vertonen van sexsmalfilms, het verstrekken van eten en drinken en het
exploiteren van speelautomaten, alsmede het ten gehore brengen van muziek. Er
is echter een groot aantal kamertjes op deze schepen niet benoemd. Wat in die
kamertjes gebeurt laat zich raden. De verordening schrijft echter voor in
artikel 3, dat een nauwkeurige beschrijving van de inrichting moet worden
overgelegd. Deze nauwkeurige omschrijving ontbreekt. Op deze grond kan de
vergunning niet in stand blijven.

De locatie is voorts onaanvaardbaar omdat de uitwaaiering van
prostitutie in het nabij gelegen park niet zal zijn te voorkomen. In de bij de
bestreden beschikking gevoegde stukken wordt geen enkel concreet argument
gegeven op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat uitwaaiering
voorkomen kan worden. Verweerders vermelden slechts een vertrouwen in de
mogelijkheden voor de gemeente om uitwaaiering te verhinderen.

Uit de ervaringen in andere wijken van Rotterdam blijkt reeds, dat de
gemeente niet in staat is de uitwaaiering van prostitutie tegen te gaan. In
een open en kwetsbaar gebied als het park is doelmatige controle zeker
uitgesloten.

Tot slot wijst appellant op haar grote belang. De Euromast heeft
jaarlijks bijna 400.000 bezoekers. Daaronder bevinden zich ongeveer 100.000
kinderen beneden 14 jaar. Appellante acht het onaanvaardbaar deze bezoekers
met het prostitutiecentrum te confronteren voor een bezoek aan haar
etablissement.

Desgevraagd hebben verweerders op 30 november 1981 een verweerschrift
ingediend.

Het geschil is op 27 mei 1982 behandeld in een openbare vergadering van
de Afdeling, waarin appellante en verweerders bij monde van hun
vertegenwoordigers hun standpunten nader hebben uiteengezet.

In rechte:

Het bestreden besluit betreft de in hoofde dezes genoemde, door
verweerders verleende vergunningen krachtens respectievelijk artikel 4, tweede
lid, van de Verordening op inrichtingen van vermakelijkheden der gemeente
Rotterdam en artikel 40, aanhef en onder a, van de Havenverordening
Rotterdam.

De Afdeling zal allereerst ingaan op de vergunning verleend krachtens
genoemd artikel 4, tweede lid.

Ingevolge aritkel 2 van de Verordening op inrichtingen van
vermakelijkheden der gemeente Rotterdam is het, onverminderd het bepaalde in
artikel 30 van de Algemene Politieverordening, de eigenaar, gebruiker,
beheerder of houder van een inrichting verboden zonder vergunning van
burgemeester en wethouders, die inrichting te gebruiken, in gebruik geven of
te doen gebruiken.

Krachtens artikel 1A van de Verordening wordt onder inrichting verstaan:
alle al dan niet openbare toegankelijke lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of
gedeelten daarvan, zomede de daaraan grenzende en de daarmee gemeenschap
hebbende vertrekken, die niet uitsluitend als woning of winkel worden
gebruikt, voor zover daar:

a. gelegenheid wordt gegeven enigerlei eet- en/of drinkwaren te
verkrijgen en/of te verbruiken, dan wel

b. regelmatig en/of op gezette tijden amusement of ontspanning wordt
geboden, dan wel

c. voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard worden
gegeven dan wel door middel van automaten dergelijke voorstellingen, en/of
vertoningen kunnen worden gegeven.

Krachtens artikel 3 van de Verordening dient de belanghebbende de
vergunning schriftelijk aan te vragen, onder overlegging van een nauwkeurige
beschrijving van de inrichting.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regelen vaststellen omtrent de
inhoud, inrichting, vorm en wijze van indiening van de aanvraag. Indien de
aanvraag niet voldoet aan deze te stellen nadere regelen, wordt de
belanghebbende door of namens burgemeester en wethouders in de gelegenheid
gesteld om binnen twee weken de aanvraag aan te vullen.

Indien de belanghebbende van deze gelegenheid geen gebruik maakt,
verklaren burgemeester en wethouders hem in zijn verzoek niet-ontvankelijk.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Verordening geven burgemeester
en wethouders de vergunning slechts af, indien naar hun oordeel moet worden
aangenomen, dat de aanwezigheid van de inrichting de leef- en woonsituatie in
de naaste omgeving niet op ontoelaatbare wijze nadeling beinvloedt.

Bij schrijven gedateerd 16 juni 1980 heeft de Stichting Exploitatie en
Beheer Eros- en Vermaakcentrum Rotterdam vergunning gevraagd als bedoeld in
artikel 2 van de Verordening (hierna te noemen: overlastvergunning) voor: het
vertonen van sexfilms

het geven van floorshows

het exploiteren van speelautomaten

het ten gehoren brengen van mechanische muziek

ten behoeve van het exploiteren van een vermaak- annex sexinrichting op
een schip in de Waalhaven en op een schip in de Parkhaven.

Bij besluit van 19 september 1980 hebben verweerders de gewraakte
vergunning verleend.

Blijkens het bestreden besluit staan verweerders op het standpunt dat de
overlastvergunning een beperkt karakter heeft en niets meer veroorlooft dan
waarvoor zij werd afgegeven. De vergunning heeft -aldus verweerders- slechts
betrekking op die activiteiten welke de verordening noemt en die in de
vergunningaanvrage zijn vermeld. Daarbij hebben zij naar voren gebracht dat
prostitutie niet is te brengen onder enige rubriek van de verordening,
daaronder begrepen de rubrieken “amusement of ontspanning” in artikel 1A,
onder b.

Evenmin valt -volgens verweerders- prostitutie onder het uitoefenen van
een nering als bedoeld in artikel 40, aanhef en onder a, van de
Havenverordening Rotterdam.

De Verordening op inrichtingen van vermakelijkheden dient, blijkens haar
bewoordingen en strekking tot het afwenden van een ontoelaatbare nadelige
beinvloeding van de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving van een
inrichting, waarin bepaalde vermakelijkheden plaatsvinden.

De Afdeling kan verweerders niet volgen in hun opvatting dat zij bij het
vormen van hun oordeel over de vraag of voor het bieden van die
vermakelijkheden een vergunning behoort te worden verleend, slechts de aard
van de vermakelijkheden genoemd in de overlastvergunning, namelijk voor het
geven van vertoningen, het serveren van etenswaren en dranken, het exploiteren
van speelautomaten en het ten gehore brengen van muziek, in aanmerking hadden
te nemen.

De gevolgen voor de leefbaarheid worden, naar het oordeel van de
Afdeling bepaald door het totale gebeuren in de inrichting, waarvoor de
vergunning is aangevraagd, de plaats die de vermakelijkheden daarin innemen en
de uitstralende werking die van het geheel uitgaat.

Indien derhalve bij de beslissing omtrent het verlenen van de vergunning
niet het totale gebeuren wordt getoetst, kan noch door verweerders noch door
anderen worden vastgesteld welke de feitelijke en juridische effecten van het
besluit tot vergunningverlening zijn.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken,
dat de inrichting waarop de vergunning betrekking heeft, in hoofdzaak en op
grootschalige wijze zal dienen om gelegenheid te geven prostitutie te
bedrijven. De hierboven genoemde stichting steunt, zoals desgevraagd ter
zitting door de gemachtigde van verweerders is verklaard, op personen die
voorheen in de wijk Katendrecht bedrijfsmatig de prostitutie uitbaatten.

In het verweerschrift en ter zitting is van de zijde van verweerders
naar voren gebracht dat de vergunning is verleend in het kader van het
destijds door de raad der gemeente Rotterdam vastgestelde beleid inzake de
concentratie van de met name in de wijk Katendrecht overlast gevende
prostitutie op de onderhavige, zogenaamde Erosboten.

Ondanks het ontbreken van gegevens daaromtrent bij de aanvraag hebben
verweerders zich, naar hun zeggen, aan de hand van de in de loop der jaren in
de gemeenteraad gevoerde discussies, alsmede op basis van gesprekken die zij
met de vertegenwoordigers van de aanvragende Stichting hebben gevoerd, op het
tijdstip van vergunningverlening in voldoende mate een oordeel kunnen vormen
over de te verwachten overlast ten gevolge van de prostitutie die in de
inrichtingen zal plaats vinden, de uitwaaiering daarvan en andere daarmee
gepaard gaande nevenverschijnselen.

Bij de beoordeling van de onderhavige aanvrage zijn verweerders voorts
uitgegaan van de ervaringen die zij hebben opgedaan met het verlenen van
overlastvergunningen ten behoeve van inrichtingen waar eveneens prostitutie
plaatsvond.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerders verklaard dat in
tegenstelling tot de onderhavige situatie in die gevallen geen sprake was van
het instellen van een zogenaamde tippelzone nabij de betrokken inrichtingen.

Overigens is nog niet bekend hoe groot de genoemde zone in het
onderhavige geval zou worden. Ook de indeling van de inrichting staat nog niet
vast. De bij de aanvrage gevoegde tekening van de indeling van de boten moet
-aldus de gemachtigde van verweerders- als indicatief worden beschouwd.
Genoemde gemachtigde heeft verder verklaard dat zo nodig voor meer schepen
vergunningen zullen worden verleend.

Verweerders zijn van mening dat bij de afweging van belangen inzake de
bescherming van de leef-en woonsituatie in de omgeving een zwaar gewicht
toekomt aan de omstandigheid dat na concentratie in de onderhavige boten de
overlastgevende prostitutie in andere delen van de stad effectief kan worden
gekeerd.

Met het oog op de omstandigheid dat de effecten van de concentratie van
prostitutie ondanks de te nemen beschermende maatregelen in de praktijk moet
blijken, hebben verweerders de betrokken vergunning in eerste instantie voor
een termijn van tien maanden verleend.

De eventueel optredende overlast zal naar het oordeel van verweerders
door middel van politietoezicht, steunende op een stringente toepassing van de
ter zake geldende verordeningen en door het treffen van een aantal
-zogenoemde- fysieke maatregelen, waaronder het plaatsen van een scherm bij de
locatie aan de Waalhaven en het verplaatsen van de ter plaatse aanwezige
bushalte, worden tegengegaan.

De Afdeling stelt vast dat de uitstralende werking van de inrichtingen
ten opzichte van de naaste omgeving in hoofdzaak wordt bepaald door het feit
dat sprake is van een op grootschalige wijze uitbaten van prostitutie. De
werking daarvan zal worden versterkt door het toelaten van een zogenaamde
tippelzone. De vermakelijkheden in de vergunning genoemd dienen tot verhoging
van de aantrekkingskracht en leiden mitsdien tot versterking van de
uitstralende werking.

Naar het oordeel van de Afdeling hadden verweerders er niet aan mogen
voorbijzien dat zich door een en ander onvermijdelijk de situatie zal voordoen
dat ter plaatse openlijk en bij voortduring op grote schaal gedragingen
plaatsvinden die de misdrijven, genoemd in artikel 250 bis van het Wetboek van
Strafrecht, opleveren. Reeds de door dit effect van de aanwezigheid van de
inrichtigen veroorzaakte overlast is naar het oordeel van de Afdeling van dien
aard dat verweerders hadden moeten oordelen dat de naaste omgeving
ontoelaatbaar nadelig wordt beinvloed.

Nu verweerders aan een en ander zijn voorbijgegaan acht de Afdeling het
bestreden besluit voor zover het de verlening van de overlastvergunning
betreft in strijd met inhoud en strekking der verordening.

Het bestreden besluit dient derhalve voor wat betreft dit onderdeel, te
worden vernietigd op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van
de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen.

Wat betreft de zogenaamde neringvergunning, welke verweerders hebben
verleend met toepassing van artikel 40, aanhef en onder a, van de
Havenverordening Rotterdam, is de Afdeling van oordeel dat daaraan eveneens
het gebrek kleeft dat verweerders niet het totale gebeuren in de inrichtigen
op de onderhavige schepen in aanmerking hebben genomen. Onder het drijven van
nering verstaat de Afdeling het te koop aanbieden en verkpen niet alleen van
goederen maar ook van diensten. Alleen reeds om vast te stellen om welke soort
nering het gaat hadden verweerders het totale gebeuren in hun besluitvorming
moeten betrekken. Daar komt bij dat de Havenverordening onder meer strekt tot
de waarborging van de orde en veiligheid in de havens. In hoeverre te dien
aanzien een vergunning kan worden verleend wordt door het totale gebeuren in
de inrichting bepaald. Nu het verweerders duidelijk moet zijn geweest dat de
inrichtingen met name strekken tot het op grootschalige wijze uitbaten van
prostitutie, hadden zij deze omstandigheid niet buiten beschouwing mogen
laten.

In verband hiermede moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit,
voor zover het deze vergunning betreft, is gegeven in strijd met artikel 40,
aanhef onder a, van de Havenverordening Rotterdam.

Het bestreden besluit dient derhalve voor wat dit onderdeel betreft, te
worden vernietigd op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van
de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen.

Uitspraak:

De Raad van State, Afdeling rechtspraak;

Gezien de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen en de
Wet op de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de besluiten van verweerders van 27 januari 1981, A.Z.,
waarbij bezwaren tegen een besluit, strekkende tot het verlenen van overlast-
en neringvergunning ten behoeve van een op een schip te vestigen vermaak-annex
sex-inrichting, ongegrond zijn verklaard;

II. gelast dat het door appellante ten behoeve van de Staat gestorte
recht wordt terugbetaald.

Rechters

mr. A. Mulder, voorzitter, Mr. L.A. Barendsen-Cleveringa, lid en mr.L.G. van Reyen, lid i.b.d., in tegenwoordigheid van mr. H.C. Cusell, ambtenaarvan Staat

Instantie: Raad van State, 8 juli 1982

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Appellanten hebben bezwaren tegen het besluit van de havenmeester een
vergunning te verlenen aan de Stichting exploitatie en beheer Eros- en
Vermaakcentrum Rotterdam voor het innemen van vaste ligplaatsen. De Raad van
State vernietigt het besluit van verweerder waarbij de bezwaren van
appellanten ongegrond zijn verklaard.

Volledige tekst

Bij besluit van 29 september 1980 heeft verweerder aan de Stichting
exploitatie en beheer Eros- en Vermaakcentrum Rotterdam (tijdelijk)
vergunningen verleend voor het innemen van vaste ligplaatsen met haar
binnenvaartuigen langs de van een steenglooiing voorziene oostelijke oever van
de Waalhaven, gerekend vanaf 100 m bezuiden pier 3 in zuidelijke richting
alsmede langs de van een kademuur voorziene oostelijke oever van de Parkhaven,
gerekend vanaf 290 m van de hoek Parkkade/Parkhaven in noordelijke richting.

Tegen deze besluiten heeft appellant G. bij schrijven gedateerd 25
oktober 1980 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend op grond van artikel
7, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen.

Bij besluit van 28 januari 1981 heeft verweerder de bezwaren ongegrond
verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij schrijven gedateerd 23 februari
1981, ingekomen bij de Raad van State op 26 februari 1981, beroep op grond van
de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen ingesteld bij de
Afdeling rechtspraak van de Raad van State.

Desgevraagd heeft verweerder op 30 november 1981 een verweerschrift
ingediend.

Het geschil is op 27 mei 1982 behandeld in een openbare vergadering van
de Afdeling, waarin appellanten en verweerder bij monde van hun
vertegenwoordigers hun standpunten nader hebben uiteengezet.

In rechte:

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder d, van de Wet administratieve
rechtspraak overheidsbeschikkingen staat geen voorziening als in deze wet
bedoeld, open tegen beschikkingen waartegen krachtens wettelijk voorschrift
een andere administratiefrechtelijke voorziening openstaat of voor de klager
heeft opengestaan.

De in het geding zijnde ligplaatsvergunningen zijn bij besluit van
verweerder van 29 september 1980 verleend op grond van de Verordening Kadegeld
van de gemeente Rotterdam. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van deze
verordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig daartoe
strekkende aanvragen ligplaatsvergunningen te verlenen.

Op grond van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel kunnen
burgemeester en wethouders de uitoefening van deze bevoegdheid opdragen aan de
havenmeester.

Bij besluit van 13 juni 1975 hebben burgemeester en wethouders de
uitoefening van genoemde bevoegdheid opgedragen aan verweerder.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder c, van de verordening staat, indien
burgemeester en wethouders krachtens deze verordening de uitoefening van
bepaalde bevoegdheden aan de havenmeester opdragen, gedurende 14 dagen na de
dagtekening dier beslissing beroep open op burgemeester en wethouders.

Ter zitting hebben partijen betoogd dat in gevallen als het onderhavige
vorenomschreven beroepsmogelijkheid slechts is bedoeld voor degenen op wier
verzoek om ligplaatsvergunning verweerder heeft beslist. In verband hiermee
heeft verweerder aan appellanten, die zijn inziens als derde-belanghebbenden
bij voornoemd besluit van 29 september 1980 zijn aan te merken, medegedeeld
dat zij tegen dit besluit op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet
administratieve rechspraak overheidsbeschikkingen een bezwaarschrift konden
indienen.

De Afdeling overweegt dienaangaande dat in genoemd artikel 3 geen steun
kan worden gevonden voor de opvatting dat het daarin omschreven beroep slechts
openstaat voor degene tot wie het desbetreffende besluit van de havenmeester
is gericht. Voor een zodanige beperking van het beroep op burgemeester en
wethouders kunnen evenmin gronden worden ontleend aan artikel 211 der
gemeentewet, krachtens welk voorschrift de onderhavige beroepsregeling in het
leven is geroepen.

In verband met het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het
onderhavige beroep op burgemeester en wethouders tevens openstond voor
derden-belanghebbenden bij het besluit van verweerder van 29 september 1980.

Gezien artikel 5, aanhef en onder d, van de Wet administratieve
rechtspraak overheidsbeschikkingen, heeft verweerder derhalve appellanten ten
onrechte in hun bezwaarschrift ontvangen.

De Afdeling overweegt ten slotte dat, nu de indiening van het
bezwaarschrift is veroorzaakt door onjuiste informatie van verweerder,
verweerder dit geschrift dient door te zenden aan burgemeester en wethouders
ter behandeling als beroepschrift op grond van artikel 3 van de verordening.
Aangezien het geschrift binnen de daartoe in de Wet administratieve
rechtspraak overheidsbeschikkingen gestelde termijn is ingediend, behoort
voornoemd artikel 3, aanhef en onder c, daarbij geen letsel te vormen voor de
ontvankelijkheid van appellanten in dit beroep.

Het bestreden besluit dient in verband met het vorenstaande te worden
vernietigd de in van artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet
administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen genoemde grond.

Uitspraak:

De Raad van State, Afdeling rechtspraak;

Gezien de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen en de
Wet op de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt het besluit van verweerder van 28 januari 1981, waarbij de
bezwaren tegen een besluit, strekkende tot het verlenen van vergunningen voor
het innemen van vaste ligplaatsen met binnenvaartuigen, ongegrond zijn
verklaard;

II. gelast dat het door appellanten ten behoeve van de Staat gestorte
recht wordt terugbetaald.

Uitgesproken in het openbaar, overeenkomstig artikel 74, eerste lid, van
de Wet op de Raad van State.

Rechters

Mr. A. Mulder, voorzitter, mr. L.A. Barendsen-Cleveringa, lid en mr.L.G. van Reyen, lid i.b.d., in tegenwoordigheid van mr. H.C. Cusell, ambtenaarvan Staat.