Instantie: Hoge Raad, 10 juli 2009

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting

Volgens de Hoge Raad moet een gedraging niet als seksuele intimidatie worden aangemerkt alleen omdat degene jegens wie die gedraging is gericht zich seksueel geïntimideerd voelt. Ook relevant is of verweerder seksuele lading beoogde. Feiten en omstandigheden zijn van belang.

De directeur heeft tijdens een kerstborrel, bij het binnentreden van de slechts met kaarslicht verlichte recreatiezaal, de werknemer in de billen geknepen en het woord “dark room” gebruikt. Nadat de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is ontbonden met toekenning van een vergoeding, heeft de werknemer de werkgeefster en de directeur in rechte betrokken. Hij vordert een schadevergoeding wegens de vroegtijdige beëindiging van zijn dienstverband. Aan zijn vordering heeft hij onder meer ten grondslag gelegd dat de directeur met zijn seksueel intimiderende handeling onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De kantonrechter en het hof hebben de vordering afgewezen.

De Hoge Raad overweegt als volgt. De klacht die kennelijk steunt op de opvatting dat een gedraging zonder meer als seksuele intimidatie moet worden aangemerkt indien degene jegens wie die gedraging is gericht zich seksueel geïntimideerd voelt, faalt omdat die opvatting onjuist is. Het hof heeft kunnen oordelen dat de feiten en omstandigheden niet het oordeel rechtvaardigen dat de directeur zich aan seksuele intimidatie heeft schuldig gemaakt. Het hof kon ook, voor de inhoud van het begrip “seksuele intimidatie” aansluiting zoekend bij de omschrijving van art. 7:646 lid 8 BW, gevoeglijk in aanmerking nemen dat de werknemer onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen oordelen dat de gedraging van de directeur tot gevolg heeft gehad dat de werknemer in zijn waarde is aangetast, waarbij het hof heeft betrokken dat geen bedreigende, vernederende of kwetsende situatie is gecreëerd.

Over deze zaak berichtte NRC-Handelsblad. Zie weblog met NJB.

Volledige tekst

Uitspraak
10 juli 2009
Eerste Kamer
07/13308
RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

  1. NEDERLANDSE STICHTING VOOR LEPRABESTRIJDING,
    gevestigd te Amsterdam,
  2. [Verweerder 2],
    wonende te [woonplaats],
    VERWEERDERS in cassatie,
    advocaat: mr. R.A.A. Duk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser], Leprastichting en [verweerder 2].

1). Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploot van 7 april 2005 Leprastichting en [verweerder 2] gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en, na wijziging van eis in hoger beroep, gevorderd, kort gezegd, en voor zover in cassatie nog van belang, Leprastichting en [verweerder 2] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van de vroegtijdige beëindiging van zijn dienstverband bij Leprastichting geleden (en door hem op € 266.730,– bruto begrote) materiële schade, alsmede tot vergoeding van de door [eiser] geleden immateriële schade (door hem begroot op € 5.000,– netto), met rente en kosten.
Leprastichting en [verweerder 2] hebben de vorderingen bestreden.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 8 maart 2006 de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 5 juli 2007 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter deels vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Leprastichting en [verweerder 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,–, te vermeerderen met de wettelijke rente, ter zake van vergoeding van immateriële schade. Het hof heeft voorts het vonnis waarvan beroep voor het overige bekrachtigd en het meer of anders in hoger beroep gevorderde afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2). Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Leprastichting en [verweerder 2] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van Leprastichting en [verweerder 2] en de advocaat van [eiser] hebben bij brieven van onderscheidenlijk 20 en 25 mei 2009 op die conclusie gereageerd.

3). Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiser], geboren op [geboortedatum] 1943, is op 1 juli 1974 bij Leprastichting in dienst getreden.
(ii) Tijdens de kerstborrel van Leprastichting op 19 december 2002 heeft [verweerder 2], directeur van Leprastichting, bij het binnentreden van de slechts met kaarslicht verlichte recreatiezaal [eiser] in de billen geknepen en het woord “darkroom” gebruikt.
(iii) Nadat Leprastichting en [verweerder 2] in januari 2003 vergeefs hadden getracht het tussen partijen gerezen conflict rond dit kerstborrelincident op te lossen, heeft het bestuur van Leprastichting een klacht van [eiser] over dit incident in behandeling genomen. Het bestuur oordeelde de klacht gegrond en heeft [verweerder 2] bij brief van 19 maart 2003 onder meer het volgende bericht:
– Het bestuur spreekt zijn afkeuring uit over de door u op 19 december 2002 jegens [verweerder 2] gepleegde handeling en het daarbij gebezigde woordgebruik;
– Het bestuur neemt in aanmerking dat u uw verontschuldigingen hebt aangeboden aan [verweerder 2];
– Niettemin tekent het bestuur voor alle duidelijkheid aan dat een herhaling in enigerlei vorm uw positie van directeur onhoudbaar maakt;
– Het bestuur vertrouwt erop dat u uw verantwoordelijkheid zult nemen in het, voor zover in uw vermogen ligt, actief streven naar het herstel van goede werkverhoudingen tussen u en [verweerder 2].
(iv) Op 8 april 2003 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Door de Arbo-dienst werd vastgesteld dat het ging om een situationele arbeidsongeschiktheid.
(v) Op verzoek van [eiser] heeft de kantonrechter te Amsterdam bij beschikking van 24 december 2003 de arbeidsovereenkomst tussen Leprastichting en [eiser] ontbonden met ingang van 1 februari 2004 wegens het blijvend komen te ontbreken van de goede verstandhouding tussen partijen, met toekenning aan [eiser] van een ontbindingsvergoeding van € 100.000,– bruto. In de beschikking werd [eiser] tot 15 januari 2004 in de gelegenheid gesteld zijn ontbindingsverzoek in te trekken. [Eiser] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
(vi) Op verzoek van Leprastichting heeft de kantonrechter te Amsterdam bij beschikking van 26 mei 2004 de arbeidsovereenkomst tussen Leprastichting en [eiser] ontbonden met ingang van 1 juli 2004, zulks (wederom) wegens het blijvend komen te ontbreken van de goede verstandhouding tussen partijen. Aan [eiser] is in deze beschikking een ontbindingsvergoeding toegekend van € 68.500,– bruto. In zijn beschikking heeft de kantonrechter uitdrukkelijk overwogen dat hij de eventueel door [eiser] geleden pensioenschade (schade wegens verminderde mogelijkheden of keuzemogelijkheden bij gebruik van de OBU-regeling daaronder begrepen) en de door [eiser] in verband met het incident geleden immateriële schade geheel buiten beschouwing heeft gelaten bij de vaststelling van de aan [eiser] naar billijkheid toekomende vergoeding. Leprastichting heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar ontbindingsverzoek in te trekken, zodat het dienstverband tussen partijen per 1 juli 2004 is geëindigd.
(vii) [Eiser] was voor Leprastichting werkzaam als Hoofd Voorlichting, in welke functie hij laatstelijk een salaris verdiende van € 5.288,– bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en bijkomende emolumenten.

3.2 [Eiser] heeft aan zijn vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat [verweerder 2] met zijn seksueel intimiderende handeling onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Het hof heeft ter beoordeling van die vorderingen onderzocht wat zich rond 19 december 2002 precies feitelijk heeft afgespeeld, nu partijen hierover van mening verschillen (rov. 3.2). Daarbij is het hof uitgegaan van hetgeen met betrekking tot het incident op 19 december 2002 reeds door de kantonrechter was vastgesteld, te weten het hiervoor in 3.1 (ii) vermelde, waartegen geen grief was gericht. Het hof heeft vervolgens enige bijkomende omstandigheden vastgesteld die het van belang achtte voor de beoordeling van de ernst van het incident van 19 december 2002 (rov. 3.5). Daarna heeft het hof geoordeeld dat de vastgestelde feiten en omstandigheden niet het oordeel kunnen dragen dat [verweerder 2] zich heeft schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie, waarbij het hof voor de inhoud van dat begrip aansluiting heeft gezocht bij de omschrijving van “seksuele intimidatie” van art. 7:646 lid 8 BW als geldende sedert 18 oktober 2006 (rov. 3.6).

3.3 Onderdeel 1.4 klaagt dat het hof, dat in rov. 3.5 als bijkomende omstandigheid in aanmerking nam dat de verweten gedraging voor [verweerder 2] geen seksuele lading had, miskent dat het niet relevant is of de verweten gedraging wel of niet een seksuele lading bevatte of behelsde, nu voor de toepassing van art. 7:646 lid 8 niet bepalend is hoe de aandacht is bedoeld, maar hoe deze is ervaren door [eiser] zelf. Deze klacht, die kennelijk steunt op de opvatting dat een gedraging zonder meer als seksuele intimidatie moet worden aangemerkt indien degene jegens wie die gedraging is gericht zich seksueel geïntimideerd voelt, faalt omdat die opvatting onjuist is. Het hof kon derhalve bij zijn beoordeling van de ernst van de aan [verweerder 2] verweten gedraging zonder enige rechtsregel te schenden rekening houden met de omstandigheid dat die gedraging voor [verweerder 2] geen seksuele lading had.

3.4 Onderdeel 1.4 klaagt voorts dat het hof in rov. 3.5 mede rekening heeft gehouden met de omstandigheden dat de gedraging van [verweerder 2] niet in het geniep maar openlijk plaatsvond en dat daarop, ook door [eiser], lachend is gereageerd, en dat het hof zich aldus schuldig heeft gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten en/of verweermiddelen, nu Leprastichting en [verweerder 2] die omstandigheden niet in hun conclusie van antwoord hebben aangevoerd of ten verwere hebben aangedragen. Ook deze klacht faalt.
Bij de beoordeling van de klacht dient tot uitgangspunt dat het door de verweerder overleggen van processtukken uit een andere procedure in het algemeen niet voldoende is om hetgeen in die stukken aan stellingen en feiten is te vinden, te beschouwen als aangevoerd in het geding waarin dat overleggen heeft plaatsgevonden, en aldus als mede aan het in dat geding gevoerde verweer ten grondslag gelegd. De partij die zulke stellingen en feiten wil inroepen, dient dit op een zodanige wijze te doen dat dit voor de rechter en de wederpartij duidelijk is (HR 17 oktober 2008, nr. C07/037, LJN BE7201). In dit geding heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk de processtukken van Leprastichting en [verweerder 2] aldus uitgelegd dat daarin mede het verweer werd gevoerd dat het incident, in zijn context bezien, minder ernstig is dan [eiser] doet voorkomen. Het hof heeft bij zijn beoordeling van dat verweer tevens mogen letten op de omstandigheden die zijn vermeld in de – door [eiser] zelf overgelegde en reeds (zonder dat daartegen in hoger beroep bezwaar was gemaakt) in het vonnis van de kantonrechter van 8 maart 2006 geciteerde – brief van [verweerder 2] aan Leprastichting van 24 januari 2003, zoals door het hof (wederom) geciteerd in rov. 3.4, alsmede op de omstandigheden die vermeld zijn in het door Leprastichting en [verweerder 2] overgelegde verweerschrift in de eerste ontbindingsprocedure en het verzoekschrift in de tweede ontbindingsprocedure.

3.5 Ook de klacht van onderdeel 1.5 dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden, de feiten en/of verweermiddelen heeft aangevuld en een verrassingsbeslissing heeft gegeven door rekening te houden met de feiten en omstandigheden die het hof in rov. 3.6 onder het tweede, derde en vierde gedachtestreepje heeft vermeld als (mede) redengevend voor het oordeel dat de vastgestelde feiten niet het oordeel rechtvaardigen dat [verweerder 2] zich aan seksuele intimidatie heeft schuldig gemaakt, faalt. Het stond het hof vrij om zijn beslissing dat de vastgestelde feiten en omstandigheden niet het oordeel rechtvaardigen dat [verweerder 2] zich aan seksuele intimidatie heeft schuldig gemaakt te doen steunen op een redengeving als in rov. 3.6 vermeld, waarbij het wat betreft het tweede en het derde gedachtestreepje gaat om feiten die het hof kennelijk heeft afgeleid uit de door het hof in rov. 3.4 weergegeven brief van [verweerder 2]. Het hof kon ook, voor de inhoud van het begrip “seksuele intimidatie” aansluiting zoekend bij de omschrijving van art. 7:646 lid 8 BW, gevoeglijk in aanmerking nemen (wat betreft het vierde gedachtestreepje) dat [eiser] onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen oordelen dat de gedraging van [verweerder 2] tot gevolg heeft gehad dat [eiser] in zijn waarde is aangetast, waarbij het hof heeft betrokken dat geen bedreigende, vernederende of kwetsende situatie is gecreëerd.

3.6 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4). Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Leprastichting en [verweerder 2] begroot op € 6.052,34 aan verschotten en € 2.200,– voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 juli 2009.
Conclusie
07/13308
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 8 mei 2009

CONCLUSIE inzake:

[Eiser],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,

tegen:

  1. de stichting Nederlandse Stichting voor Leprabestrijding,
  2. [Verweerder 2],
    verweerders in cassatie,
    advocaat: mr. R.A.A. Duk.

Deze zaak gaat over aansprakelijkheid van een stichting en haar directeur voor beweerdelijk door de laatste jegens een werknemer van de stichting gepleegde seksuele intimidatie.

1). Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan (vgl. rov. 2.1 van het arrest van het hof van 5 juli 2007 in verbinding met rov. B.1.1 t/m B.1.10 van het vonnis van de kantonrechter van 8 maart 2006):
(i) Eiser tot cassatie, hierna: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1943, is op 1 juli 1974 bij verweerster in cassatie sub 1, hierna: NSL, in dienst getreden.
(ii) Tijdens de kerstborrel van NSL op 19 december 2002 heeft zich het volgende incident voorgedaan: bij het binnentreden van de recreatiezaal heeft de directeur van NSL, verweerder in cassatie sub 2, hierna: [verweerder 2], [eiser] in de billen geknepen en het woord “darkroom” gebruikt.
(iii) Nadat NSL en [verweerder 2] in januari 2003 vergeefs hadden getracht het tussen partijen gerezen conflict op te lossen, heeft het bestuur van NSL naar aanleiding van een klacht van [eiser] de affaire tijdens de bestuursvergadering van 5 maart 2003 besproken. Het bestuur oordeelde de klacht gegrond en heeft [verweerder 2] bij brief van 19 maart 2003 (1) onder meer het volgende geschreven:
– Het bestuur spreekt zijn afkeuring uit over de door u op 19 december 2002 jegens [eiser] gepleegde handeling en het daarbij gebezigde woordgebruik;
– Het bestuur neemt in aanmerking dat u uw verontschuldigingen hebt aangeboden aan [eiser];
– Niettemin tekent het bestuur voor alle duidelijkheid aan dat een herhaling in enigerlei vorm uw positie van directeur onhoudbaar maakt, en
– Het bestuur vertrouwt erop dat u uw verantwoordelijkheid zult nemen in het, voor zover in uw vermogen ligt, actief streven naar het herstel van goede werkverhoudingen tussen u en [eiser].
(iv) Op 8 april 2003 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Door de Arbo-dienst werd vastgesteld dat het ging om een situationele arbeidsongeschiktheid.
(v) Op verzoek van [eiser] heeft de kantonrechter te Amsterdam bij beschikking van 24 december 2003 de arbeidsovereenkomst tussen NSL en [eiser] ontbonden met ingang van 1 februari 2004 wegens het blijvend komen te ontbreken van de goede verstandhouding tussen partijen, met toekenning aan [eiser] van een ontbindingsvergoeding van € 100.000 bruto. In de beschikking werd [eiser] tot 15 januari 2004 in de gelegenheid gesteld zijn ontbindingsverzoek in te trekken. [Eiser] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en zijn ontbindingsverzoek ingetrokken.
(vi) Op verzoek van NSL heeft de kantonrechter te Amsterdam bij beschikking van 26 mei 2004 de arbeidsovereenkomst tussen NSL en [eiser] ontbonden met ingang van 1 juli 2004, zulks (wederom) wegens het blijvend komen te ontbreken van de goede verstandhouding tussen partijen. Aan [eiser] is in deze beschikking een ontbindingsvergoeding toegekend van € 68.500 bruto. Van de mogelijkheid haar ontbindingsverzoek tot 15 juni 2004 in te trekken heeft NSL geen gebruik gemaakt, zodat het dienstverband tussen partijen per 1 juli 2004 is geëindigd.
(vii) [Eiser] was voor NSL werkzaam als Hoofd Voorlichting, in welke functie hij laatstelijk een salaris verdiende van € 5.288 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en bijkomende emolumenten.

1.2 [Eiser] heeft NSL en [verweerder 2] bij exploot van 7 april 2005 gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en, na eiswijziging in hoger beroep, uiteindelijk gevorderd hoofdelijke veroordeling van NSL en [verweerder 2] tot vergoeding van, voor zover in cassatie van belang, de door [eiser] als gevolg van de vroegtijdige beëindiging van zijn dienstverband bij NSL geleden en door hem op € 266.730 bruto begrote materiële schade, alsmede van de door [eiser] als gevolg van de (beweerdelijke) seksuele intimidatie geleden en door hem op € 5000 netto begrote immateriële schade (2). De materiële schade – door [eiser] aangeduid als ‘pensioenschade’- bestaat in het niet meer kunnen uitoefenen van prepensioen rechten uit de door het pensioenfonds PGGM aan de werknemers van NSL aangeboden ‘flex-pensioenregeling’, met als gevolg dat hij, bij gebreke van opbouw van flex-pensioen, niet in staat is de waarde van niet geconsumeerde flex-pensioenrechten bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd te gebruiken voor de verhoging van zijn ouderdomspensioen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft [eiser] aangevoerd dat hij de seksuele intimidatie als zeer kwetsend heeft ervaren, waardoor bij hem lichamelijke en psychische klachten ontstonden. Volgens eiser heeft de kantonrechter op zijn verzoek bij de bepaling van de ontbindingsvergoeding in de beschikking van 26 mei 2004 zowel de pensioenschade als de immateriële schade buiten beschouwing gelaten.

1.3 De aansprakelijkheid van NSL heeft [eiser], na verbetering en aanvulling van gronden in hoger beroep, uiteindelijk primair gebaseerd op art. 6:162 BW, subsidiair op art. 7:658 BW, en meer subsidiair op art. 6:74 jo. art. 7:611 jo. 6:248 BW (4). Voorts houdt [eiser] NSL aansprakelijk op de voet van art. 6:170 BW (5). Ter adstructie van het (eigen) onrechtmatig handelen van NSL heeft [eiser], voor zover in cassatie van belang, onder meer aangevoerd dat NSL haar integratieverplichting niet is nagekomen, verzuimd heeft een steeds verder escalerend probleem aan te pakken en het einde van het dienstverband heeft bewerkstelligd met pensioenschade tot gevolg (6). In het kader van de subsidiaire grondslag (art. 7:658 BW) heeft [eiser] aangevoerd dat NSL niet heeft voldaan aan diverse uit de Arbowet voortvloeiende verplichtingen tot voorkoming van en ter bescherming van werknemers tegen seksuele intimidatie (7).
De aansprakelijkheid van [verweerder 2] heeft [eiser] gebaseerd op art. 6:162 BW; door zijn seksueel intimiderende handeling heeft [verweerder 2] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld, op grond waarvan [verweerder 2] persoonlijk, naast NSL, aansprakelijk is voor de daaruit voor [eiser] voortvloeiende materiële en immateriële schade (8).
NSL en [verweerder 2] hebben (in hoger beroep: gezamenlijk) gemotiveerd verweer gevoerd.

1.4 Bij vonnis van 8 maart 2006 heeft de kantonrechter de vorderingen van [eiser] afgewezen.

1.5 [Eiser] is van dit vonnis met tal van grieven in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Bij arrest van 5 juli 2007 heeft het hof het vonnis gedeeltelijk vernietigd en, opnieuw rechtdoende, NSL en [verweerder 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500 ter vergoeding van immateriële schade, met bekrachtiging voor al het overige.

1.5.1 Het hof heeft eerst de vraag naar de aansprakelijkheid van [verweerder 2] behandeld. In dat verband heeft het hof als volgt overwogen:
“3.2. (..) Daartoe zal het hof onderzoeken wat zich rond 19 december 2009 precies feitelijk heeft afgespeeld. Partijen verschillen hierover immers van mening.
3.3. Volgens [eiser] heeft zich voorgedaan dat (citaat uit memorie van grieven, nr. 5)
“[Verweerder 2] [eiser] in zijn bil [heeft] gegrepen, waarna hij met zijn hand een paar maal taxerend de bil van [eiser] heeft geschud, en vervolgens zijn vinger in de bilspleet richting zijn anus heeft laten gaan. Deze handeling liet [verweerder 2] vergezeld gaan van de fluisterend in het oor van [eiser] uitgesproken opmerking: “Wat vind jij van de darkroom? Wat kun je hier al niet meemaken?”.”
3.4. De versie van [verweerder 2] is als volgt (volgt citaat uit brief van [verweerder 2] aan een bestuurslid van Leprastichting van 24 januari 2003, productie 3 bij conclusie van eis):
“Op donderdag 19 december 2002 om 16.30 uur vond de jaarlijkse kerstborrel plaats in onze vergaderzaal. De tl-verlichting was vervangen door enkele waxinelichtjes. Ik had de organiserende commissie al eens gevraagd een aantal schemerlampjes te kopen, maar daar waren ze nog niet aan toe gekomen. Toen ik vanuit de verlichte gang binnenliep, vond ik het erg donker. Ik moet iets gedacht hebben als ‘Vervelend dat we weer in het donker moeten staan’, maar was in een jolige bui en gaf [eiser] in het langslopen een tik op zijn bil, kneep er even in, vroeg hem lachend iets in de trant van ‘Zo [eiser], wat doe jij in deze darkroom?’, wij wisselen lachend en in alle openheid een paar opmerkingen uit en ik loop door naar de tafel met hapjes en drankjes. Afgezien van het maken van een geintje had ik daarmee niets in de zin, maar terugkijkend met mijn huidige kennis was het een zeldzaam domme actie. Dat ‘zeldzaam’ mag je letterlijk nemen want ik had daarvoor nog nooit een medewerker van de Leprastichting in de bil geknepen en je kunt er van op aan dat ik dat nooit meer zal doen.
In de afgelopen zeventien jaar is tussen [eiser] en mij een bepaalde manier van met elkaar omgaan en – dacht ik – vertrouwelijkheid en kameraadschap gegroeid. [Eiser] en ik, maar ook anderen op kantoor wisselen regelmatig moppen uit en die zijn regelmatig van het pikante soort. Ik ben er sterk voor dat in ons kantoor regelmatig gelachen wordt. Bij [eiser] had ik op dit punt nooit enig taboe bespeurd en ik sta daarin niet alleen. Mede daardoor viel, dacht ik, een lollig bedoelde kneep in de billen niet uit de toon. Zo zou ik er niets achter gezocht hebben, als hij zoiets bij mij had gedaan.
Op 24 december, vijf dagen na de borrel, lag het eerste memo van [eiser] in mijn postbakje. Ik vond – en vind – het een verbijsterend bericht en raakte er behoorlijk door van slag.
(..)
Toen ik na een kwartiertje van de eerste schrik bekomen was, ben ik naar hem toegelopen en heb hem gevraagd wat hij met dit memo beoogde. Het had toch niet te maken met het lopende meningsverschil betreffende uitbetaling van vakantiedagen? Ik vertelde hem dat ik verbijsterd was over de manier waarop hij het incident had ervaren en stelde met klem dat ik totaal niet geïnteresseerd was in wat hij noemde zijn ‘intieme delen’. Ik betoogde dat hij wellicht een punt had gehad als hij homoseksueel zou zijn, maar dat ik het in dat geval zeker niet had gedaan. Ik was aangeslagen en heb dat in de eerste vijf minuten niet goed weten te verbergen. Vervolgens vertelde [eiser] mij (…) dat hij op twaalfjarige leeftijd op het seminarie in Limburg een keer door een priester is betast en dat een kneep in de bil daarom op hem intimiderend overkomt. Uiteraard heb ik mij toen onmiddellijk en herhaaldelijk verontschuldigd en spijt betuigd over het gebeurde. Ik zei hem dat ik het zeker niet gedaan zou hebben, als ik deze achtergrond gekend had.”
3.5. De kantonrechter heeft als vaststaand aangenomen als weergegeven onder [1.1 (ii), A-G] Tegen deze vaststelling is geen grief gericht. Ook heeft [eiser] van zijn weergave van het gebeuren geen bewijs aangeboden. Evenmin heeft hij, althans, voldoende gemotiveerd, de weergave bestreden die [verweerder 2] heeft gegeven van de werkverhouding voorafgaand aan het incident op 19 december 2002 en hetgeen zich tussen [eiser] en [verweerder 2] heeft afgespeeld in de dagen daarna. Bij deze stand van zaken zal het hof uitgaan van de feitelijke vaststelling zoals gedaan door de kantonrechter, alsmede, als zijnde niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist, van de juistheid van vermelde mededelingen van [verweerder 2]. Wat betreft bijkomende voor de beoordeling van de ernst van het incident op 19 december 2002 van belang zijnde omstandigheden voegt het hof daaraan, als eveneens zijnde gesteld doch niet, althans niet gemotiveerd, betwist, toe
– dat de verweten gedraging voor [verweerder 2] geen seksuele lading had (zo is gesteld noch gebleken dat tussen [eiser] en [verweerder 2] in hun samenwerking van enige seksuele spanning sprake is geweest),
– dat de gedraging niet in het geniep maar openlijk plaatsvond ([verweerder 2] verrichtte zijn handeling terwijl [eiser] met twee collega’s stond te praten),
– dat op de gedraging van [verweerder 2], ook door [eiser], lachend is gereageerd;
– dat op geen enkele wijze is gebleken dat het feit dat [verweerder 2] als directeur van Leprastichting in functie meerdere was van [eiser], in het kader van het incident een rol heeft gespeeld.
3.6. Het hof ziet zich, mede in verband met hetgeen hierna met betrekking tot de zorgplicht van Leprastichting zal worden besproken, gesteld voor de vraag of de zojuist vastgestelde feiten en omstandigheden het oordeel rechtvaardigen dat [verweerder 2] zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie (voor de inhoud waarvan het hof aansluiting zal zoeken bij de thans geldende omschrijving in artikel 7:646, lid, 8 BW). Het hof beantwoordt de gestelde vraag – evenals de kantonrechter – ontkennend. Redengevend voor dit oordeel is
– dat zeker is dat [verweerder 2] bij zijn handelen geen enkele seksuele bijbedoeling heeft gehad,
– dat de handeling, hoe ongewenst ook, min of meer aansloot bij de wijze waarop [verweerder 2] en [eiser], wat betreft de grappen die zij onderling maakten, zich voorafgaand aan het evenement gedroegen,
– dat [eiser] niet behoort bij de groepen die, blijkens de door [eiser] als productie 2 overgelegde informatie over seksuele intimidatie, een groter risico lopen met seksuele intimidatie in aanraking te komen,
– dat weliswaar de handeling van [verweerder 2], al dan niet in combinatie met de door hem gebezigde woorden (vooral: de verwijzing naar de ‘darkroom’) moet worden aangemerkt als gedrag met seksuele connotatie, maar dat geconstateerd moet worden dat [eiser] niet, althans onvoldoende, heeft aangevoerd om te kunnen oordelen dat de handeling tot gevolg heeft gehad dat hij in zijn waarde is aangetast. In dit oordeel betrekt het hof dat zich niet heeft voorgedaan dat een bedreigende, vernederende of kwetsende situatie is gecreëerd. De ernst van de handeling is naar het oordeel van het hof, in de gegeven omstandigheden, slechts gelegen in het – aan [verweerder 2], ook na een zeer lange samenwerking, onbekende – gegeven dat [eiser] een traumatische jeugdervaring heeft gehad die hem heeft doen reageren op de wijze zoals hij heeft gedaan,
– dat daaraan onvoldoende kan afdoen dat het incident in de beleving van [eiser], gezien zijn jeugdervaring, als seksueel is ervaren en voor hem tot ingrijpende emotionele schade heeft geleid.”

1.5.2 Hoewel het handelen van [verweerder 2] naar het oordeel van het hof dus niet kan worden aangemerkt als seksuele intimidatie, is dat handelen volgens het hof, ook in de weergegeven omstandigheden, wel in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van (de persoonlijke integriteit van) [eiser] betaamt (rov. 3.8).
De gestelde pensioenschade kan naar het oordeel van het hof echter in redelijkheid niet worden toegerekend aan de onrechtmatig geachte handeling van [verweerder 2]. Daartoe acht het hof – samengevat – van belang dat [verweerder 2] lichte schuld treft, dat deze schade voor [verweerder 2] niet voorzienbaar was ([verweerder 2] kon immers in redelijkheid niet voorzien dat het incident uiteindelijk de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten gevolge zou hebben) en dat [eiser] zelf in aanzienlijke mate aan die beëindiging heeft bijgedragen (rov. 3.10).
Voor wat betreft de gestelde immateriële schade heeft het hof een bedrag van € 500 aan [eiser] toegewezen (rov. 3.11-3.12).

1.5.3 Vervolgens is het hof ingegaan op de vraag of er een grondslag is voor aansprakelijkheid van NSL jegens [eiser] (rov. 3.13).
In het kader van de primaire grondslag (art. 6:162 BW) oordeelt het hof de verwijten van [eiser] – zie hiervoor onder 1.3 – ongegrond. Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op de vaststellingen in rov. 3.19 dat, onder meer: het bestuur van NSL de door [eiser] ingediende klacht in behandeling heeft genomen en de (hiervoor onder 1.1. sub (iii) geciteerde) brief van 19 maart 2003 aan [verweerder 2] heeft geschreven, welke brief, gelet op het daarin gestelde, het hof een in de gegeven omstandigheden voldoende adequate reactie acht; NSL heeft voorgesteld dat tussen [verweerder 2] en [eiser] mediation zou plaatsvinden dan wel dat een psycholoog zou worden ingezet, en [eiser] zelf tijdens het mediation intake-gesprek heeft aangegeven dat mediation met re-integratie als doel voor hem is uitgesloten. Op basis van de vaststellingen in rov. 3.19 concludeert het hof, onder meer, dat het mislukken van de mediation niet, althans in zeer geringe mate, aan NSL verweten kan worden (rov. 3.20), dat NSL, door te onderzoeken of mediation of inschakeling van een psycholoog tot herstel van de betrekkingen kon leiden, voldoende heeft voldaan aan haar re-integratieverplichting (rov. 3.21), en dat NSL niet verweten kan worden zelf een ontbindingsverzoek te hebben ingediend, nu de arbeidsverhouding – na de berisping, de mediationpoging en het ontbindingsverzoek van [eiser] – reeds blijvend was verstoord, terwijl niet kan worden geoordeeld dat de reden daarvan in overwegende mate bij NSL is gelegen (rov. 3.23).
Het hof verwerpt ook de door [eiser] aangevoerde subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen (rov. 3.26 respectievelijk 3.27). Wel acht het hof de vordering tot vergoeding van immateriële schade jegens NSL toewijsbaar op grond van art. 6:170 BW (rov. 3.28).

1.6 [Eiser] is tijdig (9) van het arrest van het hof in cassatie gekomen met drie middelen, die door NSL en [verweerder 2] zijn bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun stellingen in cassatie schriftelijk doen toelichten, waarna nog is gerepliceerd en gedupliceerd. Beide partijen hebben (voor het eerst) in cassatie “ad informandum” de gedingstukken overgelegd met betrekking tot de twee tussen [eiser] en NSL op de voet van art. 7:685 BW gevoerde ontbindingsprocedures. Onduidelijk is wat partijen precies heben beoogd met het “ad informandum” overleggen van bedoelde stukken. Gelet op het bepaalde in art. 419 lid 2 Rv zijn de stukken bij de beoordeling van de cassatiemiddelen buiten beschouwing gelaten.

2). Beoordeling van de cassatiemiddelen

Middel I
2.1 Middel I telt 7 onderdelen. De middelonderdelen 1.1 en 1.7 bevatten geen zelfstandige klacht en behoeven derhalve geen bespreking.

2.2 De middelonderdelen 1.2 en 1.3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De onderdelen zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.2-3.5 en betogen in de kern dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat partijen verschillen van mening over wat zich rond 19 december 2002 precies feitelijk heeft afgespeeld (rov. 3.2) en op die grond vervolgens zelf tot onderzoek is overgegaan (rov. 3.3-3.4) om uiteindelijk tot het oordeel te komen dat moet worden uitgegaan van de lezing van [verweerder 2] (rov. 3.5). Daartoe wordt verwezen naar het verweerschrift van NSL in de eerste, door [eiser] geëntameerde ontbindingsprocedure (10), welk verweerschrift door NSL in de onderhavige procedure is overgelegd als productie 25 bij haar conclusie van antwoord. Daarin wordt opgemerkt (p. 2) dat [betrokkene 1] (bestuurslid van NSL, A-G) in een aan [verweerder 2] en [eiser] gerichte brief d.d. 9 januari 2003 heeft gesteld “dat de door beide gegeven beschrijving van het incident in dier mate met elkaar overeenkomt (knijpen in de billen en het daarbij maken van een seksueel getinte opmerking) dat een verdere verheldering niet nodig is”. Deze passage heeft, aldus onderdeel 1.2, te gelden als een partij-erkenning waaraan niet alleen NSL (en [verweerder 2]) maar ook het hof gebonden was. Het hof heeft dan ook ten onrechte overwogen dat partijen van mening verschillen (rov. 3.2). Nu partijen zelf geen nadere verheldering meer nodig oordeelden was de exercitie van het hof in rov. 3.3 en 3.4 zinledig, behoefde [eiser] van zijn weergave geen bewijs meer aan te bieden en behoefde hij de door [verweerder 2] gegeven weergave van de werkverhouding voor 19 december 2002 en hetgeen zich tussen [eiser] en [verweerder 2] heeft afgespeeld in de dagen erna, niet te bestrijden (onderdeel 1.3 n.a.v. rov. 3.5). Het hof is dan ook op rechtens onjuiste althans onbegrijpelijke gronden tot het oordeel gekomen dat het zal uitgaan van de juistheid van de weergave van [verweerder 2], aldus nog steeds onderdeel 1.3.

2.3 Voorop moet worden gesteld dat naar het kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het hof in hoger beroep de vraag voorlag of het handelen van [verweerder 2] op 19 december 2002 al dan niet moet worden gekwalificeerd als seksuele intimidatie (11). Het is niet zonder meer duidelijk waarop de in onderdeel 1.2 bedoelde partij-erkenning, waaraan het hof bij de beantwoording van die vraag volgens het onderdeel gebonden zou zijn, precies betrekking heeft, nog daargelaten dat niet wordt aangegeven waar een stelling van de strekking dat sprake zou zijn van een partij-erkenning, in feitelijke instanties is aangevoerd. Voor zover het middel derhalve al voldoet aan de daaraan door art. 407 lid 2 Rv gestelde eisen, kan het volgende worden opgemerkt.
Indien met de onderdelen 1.2 en 1.3 wordt bedoeld te betogen dat – zoals elders in de cassatiedagvaarding expliciet wordt gesteld, waarmee aan de onderdelen 1.2 en 1.3 lijkt te worden gerefereerd (12) – tussen partijen ([eiser] en [verweerder 2]) vast staat dat sprake is geweest van seksuele intimidatie, maakt het middel niet duidelijk hoe zulks zou kunnen worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat [betrokkene 1] heeft vastgesteld dat de beschrijvingen van partijen in die zin overeenstemmen dat sprake is geweest van knijpen in de billen en het daarbij maken van een seksueel getinte opmerking, en dat hij (in dat stadium en in het kader van zijn taak, A-G (13)) een verdere verheldering niet nodig achtte.
Indien met de onderdelen enkel wordt bedoeld te betogen dat tussen partijen vast staat dat sprake is geweest van de in de brief van [betrokkene 1] genoemde feiten (te weten: knijpen in de billen en het daarbij maken van een seksueel getinte opmerking) lijken de onderdelen te miskennen dat het hof in rov. 3.5 is uitgegaan van de – in hoger beroep niet bestreden – feitelijke vaststelling van de kantonrechter van hetgeen zich op 19 december 2002 heeft voorgedaan, te weten dat [verweerder 2] bij het binnentreden van de recreatiezaal [eiser] in de billen heeft geknepen en het woord ‘darkroom’ heeft gebruikt (zie hierboven onder 1.1 sub (ii)), welke vaststelling zakelijk overeenkomt met die van [betrokkene 1]. Het hof heeft het voor de beantwoording van de vraag of deze feiten kunnen worden gekwalificeerd als seksuele intimidatie echter kennelijk en niet onbegrijpelijk noodzakelijk geacht om over meer feiten te beschikken betreffende het voorval en de context waarin dit plaatsvond. Het oordeel van het hof dat partijen op dit punt van mening verschillen, is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk.(14)
De verwijzing in onderdeel 1.3 naar enkele brieven en memo’s is onvoldoende specifiek (niet wordt aangegeven welke passages uit de documenten van belang worden geacht) en mist relevantie voor zover daarmee wordt onderstreept dat tussen partijen vast stond dat het incident, zoals in de brief van het bestuur van 19 maart 2003 vermeld wordt, inhield “een aanraking van c.q. knijpen in de bil(len) van [eiser] en het daarbij maken van seksueel getinte opmerkingen”.
De onderdelen 1.2 en 1.3 falen derhalve.

2.4 Middelonderdeel 1.4 komt op tegen enkele van de in rov. 3.5 vermelde bijkomende omstandigheden (hiervoor aangehaald onder 1.5.1) die het hof mede van belang heeft geacht bij de beoordeling van de ernst van het incident.

2.5 De eerste klacht komt op tegen de door het hof (eerste gedachtestreepje) van belang geachte omstandigheid dat de verweten gedraging voor [verweerder 2] geen seksuele lading had en betoogt dat het hof aldus heeft miskend dat niet relevant is of de verweten gedraging wel of niet een seksuele lading bevatte of behelsde, nu toch de ratio achter art. 7:646 lid 8 BW deze is dat niet bepalend is hoe de aandacht is bedoeld, maar hoe die aandacht is ervaren door [eiser] zelf.
De klacht faalt. In de wetsgeschiedenis bij art. 7:646 lid 8 BW is door de minister immers uitdrukkelijk te kennen gegeven dat in rechte niet gestreden moet worden over de innerlijke belevingswereld van betrokkenen. Op deze grond is door het kabinet ervan afgezien om, evenals in de definitie van de Richtlijn 2002/73/EG, in de definitie van seksuele intimidatie in art. 7:646 lid 8 BW na de woorden “enige vorm van” de term “ongewenst” op te nemen. Een belangrijk bezwaar voor het kabinet was de subjectieve lading die het begrip ongewenst heeft (15). Men zie T.M.J. Smits, die in dit verband opmerkt dat wat gewenst of ongewenst is, weliswaar in beginsel ter beoordeling staat van de persoon die aan dat gedrag wordt blootgesteld, maar dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat ongewenst gedrag naar subjectieve willekeur – dus per persoon verschillend – seksuele intimidatie oplevert (16).

2.6 De tweede klacht is gericht, zo begrijp ik, tegen het in aanmerking nemen door het hof van de omstandigheid (tweede gedachtestreepje) dat de gedraging niet in het geniep maar openlijk plaatsvond, bij welke omstandigheid het hof tussen haakjes heeft vermeld dat [verweerder 2] zijn handeling verrichtte terwijl [eiser] met twee collega’s stond te praten. De klacht verwijt het hof zich hiermee schuldig te hebben gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten en/of van de verweermiddelen van NSL en [verweerder 2], nu [eiser] dit feit niet heeft gesteld en NSL en [verweerder 2] dit feit niet aan hun conclusie van antwoord ten grondslag hebben gelegd. De derde klacht maakt het hof hetzelfde verwijt met betrekking tot de door het hof relevant geachte omstandigheid (derde gedachtestreepje) dat op de gedraging van [verweerder 2], ook door [eiser], lachend is gereageerd. De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.7 Het verbod op aanvulling van de feiten (art. 149 Rv) brengt mee dat de rechter in beginsel(17) geen andere feiten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen dan die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die zijn komen vast te staan. Het verbod ziet dus, kort gezegd, op feiten die geen grondslag vinden in de gedingstukken (18). Binnen deze grens bestaat voor de rechter – behoudens de hierna te noemen beperking van art. 24 Rv – betrekkelijk veel speelruimte voor de feitelijke onderbouwing van zijn beslissing. De feiten waaruit de rechter kan putten behoeven niet met zoveel woorden door (een der) partijen te zijn gesteld; voldoende is dat de feiten blijken uit de stukken van het geding, zoals deskundigenrapportages of het door partijen geproduceerde materiaal. De Hoge Raad formuleert de op dit punt aan de rechter toekomende vrijheid aldus dat deze bij de beoordeling van het voorliggende geschil(punt), binnen de grenzen van de rechtsstrijd, alle behoorlijk te zijner kennis gebrachte en ten processe gebleken feiten en omstandigheden in zijn beschouwingen mag betrekken en vrij is daaraan zijn eigen conclusies te verbinden, waarbij hij niet is beperkt tot de feiten en omstandigheden die door ieder van partijen voor het door haar ingeroepen rechtsgevolg zijn aangevoerd. (19)
Het zojuist bedoelde (eerste) vereiste dat de rechter de door hem aan zijn uitspraak ten grondslag gelegde feiten ontleent aan de stukken van het geding laat zich onderscheiden van het (tweede) vereiste dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering of verweer ten gronde hebben gelegd (art. 24 Rv).(20) Deze zogenoemde feitelijke grondslag ziet op de feiten die door een partij met het oog op een bepaald rechtsgevolg (vordering, ingebrekestelling, verjaring) zijn geselecteerd en ingeroepen.(21) Deze feitelijke grondslag moet zijn gesteld en vormt tevens de grondslag voor het onderzoek en de beslissing van de zaak. Het hieruit voortvloeiende verbod tot aanvulling van de feitelijke grondslag brengt mee dat de rechter deze niet mag aanvullen met feiten die de andere partij heeft gesteld of die hem ten processe zijn gebleken, noch zich mag baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke partijen daadwerkelijk aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd. (22) Zo is sprake van een verboden aanvulling van feitelijke gronden indien een omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 BW wordt aangenomen op grond van een brief die weliswaar tot de gedingstukken behoort maar waarop koper zich in dit verband niet heeft beroepen (23), een beroep van eiseres op eigen schuld van verweerder wordt verworpen op een niet door deze aangevoerde grondslag (24), of dwaling wordt aangenomen in verband met schending van een inlichtingenplicht van verkoper, terwijl een onjuiste mededeling aan het beroep op dwaling ten grondslag is gelegd. (25)
Dit betekent niet dat feiten die wel in het geding zijn komen vast te staan als bedoeld in art. 149 Rv maar die niet door partijen aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd in de zin van art. 24 Rv, niet in de beoordeling kunnen worden betrokken. Volgens de toelichting bij art. 24 Rv mag de rechter dergelijke niet-gestelde feiten en de feitelijke gevolgtrekkingen die hij daaruit maakt, gebruiken ter staving van de feitelijke grondslag. (26) Hieruit wordt afgeleid dat bedoelde feiten mogen worden gebruikt ter vaststelling en onderbouwing van de feitelijke juistheid van de feitelijke grondslag, bijvoorbeeld door daaruit door middel van vermoedens tot het bestaan van de gestelde rechtsfeiten te concluderen.(27) De hier bedoelde bevoegdheid wordt eveneens aangevoerd ter verklaring van jurisprudentie waarbij de rechter niet-gestelde feiten in zijn beoordeling betrekt zonder te handelen in strijd met art. 24 Rv. De grens van de hier bedoelde rechterlijke argumentatievrijheid zou daar liggen, waar de rechter ter staving van een gesteld rechtsfeit – bijvoorbeeld seksuele intimiteiten(28) – onderliggende stellingen zou moeten aanvullen die tot de stelplicht van de betreffende partij behoren. Wanneer dit het geval is, is afhankelijk van de vraag hoe algemeen dan wel geïndividualiseerd het gestelde rechtsfeit in kwestie is.(29)

2.8 Het hof heeft de in rechtsoverweging 3.5 genoemde omstandigheden in aanmerking genomen in het kader van de beoordeling van de vorderingen tegen [verweerder 2]. Voor zover de klachten betogen dat het hof ten onrechte de feitelijke grondslag van het verweer van NSL heeft aangevuld, berusten zij derhalve op een onjuiste lezing van het arrest van het hof en kunnen zij reeds op die grond niet tot cassatie leiden.

2.9 Met betrekking tot de beoordeling van de vordering jegens [verweerder 2] kan het volgende worden opgemerkt. Het hof heeft de in de tweede en derde klacht bedoelde omstandigheden kennelijk ontleend aan het als productie 25 bij conclusie van antwoord van NSL overgelegde verweerschrift van NSL van 12 december 2003 in de door [eiser] aanhangig gemaakte ontbindingsprocedure, en aan het als productie 26 bij conclusie van antwoord van NSL overgelegde verzoekschrift van NSL van 26 april 2004 in de door haar geëntameerde onbindingsprocedure. In bedoeld verweerschrift wordt door NSL op p. 6 over het incident gesteld dat “het een eenmalige en kortstondige handeling betrof, waarbij geen dwang is uitgeoefend, en de handeling niet heimelijk maar in alle openheid plaatsvond”. Deze stellingname is door NSL herhaald onder 16 in haar als productie 26 overgelegde verzoekschrift. Voorts wordt in die stukken op p. 5 respectievelijk 6 opgemerkt dat het in de optiek van [verweerder 2] ging “om een onschuldige grap, waar [eiser] zelf ook om moest lachen”, dat [eiser] in zijn memo van 5 januari 2003 aan [betrokkene 1] heeft geschreven dat hij op dat moment in gesprek was met drie collega’s, dat uit de verklaringen van deze personen niet blijkt dat zij zich aan de opmerking van [verweerder 2] over een ‘darkroom’ hebben gestoord en dat uit de verklaringen evenmin kan worden opgemaakt dat [eiser] was aangedaan door de gebeurtenissen.
Naar voormelde, als productie 25 en 26 bij conclusie van antwoord overgelegde processtukken uit de respectieve ontbindingsprocedures is door NSL – om proceseconomische redenen (30) – voor haar verweer verwezen in haar conclusie van antwoord onder 14, met het verzoek de inhoud van die stukken als daar herhaald en ingelast te beschouwen. De verwijzing betreft heel in het algemeen ‘haar verweer’ tegen ‘de stellingen van [eiser]’, zonder dat daarbij bepaalde stellingen of feiten worden aangeduid. Op zijn beurt heeft [verweerder 2] in zijn conclusie van antwoord (onder 2) de kantonrechter verzocht de inhoud van de conclusie van antwoord van NSL als herhaald en ingelast te beschouwen.

2.10 Volgens vaste rechtspraak is het overleggen van processtukken uit een andere procedure, met de afspraak of de verklaring dat deze als herhaald en ingelast hebben te gelden, niet voldoende om hetgeen in die stukken aan stellingen en feiten is te vinden te beschouwen als aangevoerd in het geding waarin dat overleggen heeft plaatsgevonden, en aldus als mede aan het in dat geding gevoerde verweer ten grondslag gelegd. De partij die zulke stellingen en feiten wil inroepen, dient dit op een zodanige wijze te doen dat voor de rechter en de wederpartij duidelijk is wat als grondslag voor het verweer ter beoordeling wordt voorgelegd.(31) In dit licht heeft het hof, door stellingen uit processtukken uit de ontbindingsprocedures in aanmerking te nemen zonder dat daar door [verweerder 2] specifiek naar wordt verwezen, in strijd met art. 24 Rv de feitelijke gronden van het verweer van [verweerder 2] aangevuld.

2.11 De vraag zou nog kunnen worden gesteld of zich hier het hiervoor (onder 2.7) besproken geval voordoet dat het hof de onder het tweede en derde gedachtestreepje vastgestelde omstandigheden slechts gebruikt ter staving van het verweer van [verweerder 2], zodat een verboden aanvulling van de feitelijke gronden in de zin van art. 24 Rv niet aan de orde is. Ik meen dat die vraag negatief moet worden beantwoord.
In de eerste plaats zou voor een positief antwoord vereist zijn dat de feiten in kwestie kunnen worden aangemerkt als behoorlijk ter kennis van de rechter gebracht en gebleken in de onderhavige procedure. Verwezen zij naar hetgeen in 2.7 is opgemerkt met betrekking tot art. 149 Rv. Ik acht het, gelet op de onder 2.10 aangehaalde rechtspraak met betrekking tot art. 24 Rv, minstgenomen zeer twijfelachtig of het verwijzen naar een overgelegd processtuk uit een andere procedure ertoe leidt dat hetgeen daarin is gesteld eveneens geldt als – kort gezegd – behoorlijk ingebracht in de onderhavige procedure in de zin van art. 149 Rv.
Wat hiervan zij, in de tweede plaats heeft [verweerder 2] in de onderhavige gedingstukken, tegenover de door [eiser] gestelde seksuele intimidatie (nader omschreven in MvG onder 5), voor zijn verweer volstaan met een globale ontkenning van die kwalificatie.(32) Nu het aldus ging om een tegen een geïndividualiseerd rechtsfeit gericht verweer(33), was dit verweer onvoldoende specifiek om aan te nemen dat de in het tweede en derde gedachtestreepje genoemde feiten daarin reeds besloten lagen en behoorden die feiten mitsdien tot de stelplicht van [verweerder 2] (zie hiervoor onder 2.7 slot). Door het in aanmerking nemen van de hier bedoelde feiten beperkt het hof zich dan ook niet tot het staven van het verweer van [verweerder 2], maar vult het de feitelijke grondslag van dat verweer aan.

2.12 Uit het voorgaande volgt dat de tweede en derde klacht van het middelonderdeel slagen.

2.13 De klacht in de laatste volzin van middelonderdeel 1.4, te weten dat de door het hof onder het tweede en derde gedachtestreepje vastgestelde omstandigheden, gelet op de volgens het onderdeel te hanteren subjectieve norm, niet relevant zijn bij de beoordeling van de ernst van het incident, bouwt voort op de eerste klacht en moet derhalve het lot daarvan delen.

2.14 In middelonderdeel 1.5 wordt in de eerste plaats geklaagd dat nu in hoger beroep tussen partijen vaststond dat sprake was van seksuele intimidatie, het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de vraag of [verweerder 2] zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie in de zin van art. 7:646 lid 8 BW in rov. 3.6 zelfstandig te beoordelen. Dit betoog stuit af op hetgeen hiervoor onder 2.3 werd opgemerkt.

2.15 Voorts wordt geklaagd dat het hof met het in aanmerking nemen van de onder het tweede, derde en vierde gedachtestreepje in rov. 3.6 weergegeven omstandigheden (zie hiervoor onder 1.5.1) feiten en/of de feitelijke gronden van het verweer van NSL en [verweerder 2] heeft aangevuld en buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.
Op het punt van de vermeende aanvulling van de feitelijke grondslag van het verweer van NSL berust de klacht op onjuiste lezing van het arrest en kan zij reeds op die grond niet tot cassatie leiden. (34)

2.16 Hetgeen het hof onder het tweede gedachtestreepje heeft overwogen – te weten dat de handeling, hoe ongewenst ook, min of meer aansloot bij de wijze waarop [verweerder 2] en [eiser], wat betreft de grappen die zij onderling maakten, zich voorafgaand aan het evenement gedroegen – betreft kennelijk een gevolgtrekking van het hof uit de in rov 3.5 aan de hand van de brief van [verweerder 2] van 24 januari 2003 vastgestelde feiten (geciteerd onder 1.5.1) omtrent – kort gezegd – de wijze waarop [verweerder 2] en [eiser] met elkaar plachten om te gaan. Het hof heeft deze gevolgtrekking zonder schending van art. 149 Rv in zijn oordeel kunnen betrekken.(35) Op de hier bedoelde omstandigheid heeft [verweerder 2] echter in feitelijke instanties geen beroep gedaan, zodat wel sprake is van schending van art. 24 Rv. Op dit punt slaagt het onderdeel derhalve.

2.17 De overweging van het hof (onder het derde gedachtestreepje) dat [eiser] niet behoort bij de groepen die, blijkens de door [eiser] als productie 2 overgelegde informatie over seksuele intimidatie, een groter risico lopen met seksuele intimidatie in aanraking te komen, betreft een – gelet op de gedingstukken – niet onbegrijpelijke gevolgtrekking uit door [eiser] zelf in het geding gebrachte gegevens.(36) In zoverre is geen sprake van een verboden aanvulling van feiten. Nu [verweerder 2] dit aspect echter niet aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd, heeft het hof door deze omstandigheid in zijn oordeel te betrekken in strijd met art. 24 Rv de feitelijke gronden van het verweer aangevuld. Ook in zoverre slaagt het onderdeel.

2.18 Met betrekking tot de klacht omtrent het vierde gedachtestreepje is van belang dat [eiser] zich ter onderbouwing van zijn vorderingen jegens [verweerder 2] heeft beroepen op seksuele intimidatie en dat het, mede gelet op de betwisting door [verweerder 2] (zie hiervoor onder 2.3), derhalve aan hem was om deze voldoende aannemelijk te maken. Het hof is blijkens zijn overwegingen in rov. 3.6, vierde gedachtestreepje, van oordeel dat [eiser] niet, althans onvoldoende, heeft aangevoerd om te kunnen oordelen dat, zoals art. 7:646 lid 8 BW eist, de handeling tot gevolg heeft gehad dat hij in zijn waarde is aangetast, in welk oordeel het hof heeft betrokken dat zich niet heeft voorgedaan dat een bedreigende, vernederende of kwetsende situatie is gecreëerd. (37) Ik begrijp deze laatste zinsnede aldus dat volgens het hof hetgeen is aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat sprake is van een bedreigende, vernederende of kwetsende situatie als bedoeld in art. 7:646 lid 8 BW. Met dit alles heeft het hof zich niet schuldig gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten of van de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerder 2]. ’s Hofs oordeel dat [eiser] seksuele intimidatie niet aannemelijk heeft gemaakt betreft een waardering van de door [eiser] ingenomen stellingen en de door [verweerder 2] gegeven beschrijving van hetgeen rond het incident is voorgevallen, in het licht van door de wetgever relevant geachte criteria, welke waardering niet onbegrijpelijk is en voor het overige is voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt. De omstandigheid dat [verweerder 2], aldus het onderdeel, niet heeft betwist dat [eiser] zich in zijn waarde aangetast heeft gevoeld, doet aan voorgaande niet af. Het hof is conform art. 7:646 lid 8 BW nagegaan of de handeling tot gevolg heeft gehad dat [eiser] in zijn waarde is aangetast, waarmee het hof, zoals hiervoor onder 2.5 is besproken, een objectieve maatstaf moest hanteren.
De slotsom is dat de klacht met betrekking tot het vierde gedachtestreepje faalt.

2.19 Middelonderdeel 1.6 berust wederom op de hiervoor (onder 2.3) onjuist bevonden stelling dat rechtens vast staat dat de handelwijze van [verweerder 2] als seksuele intimidatie moet worden aangemerkt. Het faalt dan ook.

Middel II
2.20 Middel II telt 5 onderdelen. De middelonderdelen 2.1 en 2.5 bevatten geen zelfstandige klacht en behoeven mitsdien geen bespreking.

2.21 De middelonderdelen 2.2 en 2.3 klagen dat hetgeen het hof in rov. 3.10 overweegt, berust op een verboden aanvulling van de feiten en/of van de feitelijke grondslag van het verweer van NSL en [verweerder 2]. De klacht is niet nader uitgewerkt (zo wordt niet vermeld op welke punten precies sprake zou zijn van een verboden aanvulling) en kan, nu zij niet voldoet aan de daaraan ex art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen, niet in cassatie in behandeling worden genomen. Hierbij heeft in de verhouding tot NSL nog te gelden dat de klacht feitelijke grondslag mist voor zover deze ervan uitgaat dat het hof het verweer van NSL heeft aangevuld, nu ook de overwegingen in rov. 3.10 in de sleutel van de beoordeling van de vorderingen jegens [verweerder 2] staan.
Overigens geldt dat de onderdelen rechtstreeks voortbouwen op het ook aan de middelonderdelen 1.5 en 1.6 ten grondslag liggende en hierboven (onder 2.14 en 2.19 i.v.m. 2.3) onjuist bevonden uitgangspunt dat tussen partijen vaststond dat sprake is geweest van seksuele intimidatie, zodat zij ook inhoudelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Hetzelfde geldt voor de aan het slot van onderdeel 2.2 opgenomen rechtsklacht tegen het oordeel van het hof dat [verweerder 2] zich terecht heeft beroepen op het ontbreken van (voldoende) causaal verband.

2.22 Middelonderdeel 2.4 heeft betrekking op het causaal verband tussen het gestelde onrechtmatig handelen van [verweerder 2] en de beweerdelijk daardoor ontstane schade. Het slagen van (enkele van) de klachten in middelonderdelen 1.4 en 1.5 brengt mee dat de onrechtmatigheid van het handelen van [verweerder 2] opnieuw moet worden beoordeeld. Dit brengt mee dat ook het causaal verband tussen dat handelen en de gestelde schade opnieuw zal moeten worden beoordeeld. In dit licht behoeft middelonderdeel 2.4 geen bespreking.
Mocht Uw Raad van oordeel zijn dat middelonderdelen 1.4 en 1.5 vergeefs zijn voorgesteld, dan geldt met betrekking tot het onderdeel het volgende. Anders dan het onderdeel kennelijk veronderstelt, heeft het hof in rov. 3.10 niet geoordeeld dat er geen sprake is van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband (38)) tussen het incident en de uiteindelijke, door [eiser] gestelde schade, doch is het van oordeel dat deze schade in redelijkheid niet aan de onrechtmatig geachte handeling van [verweerder 2] kan worden toegerekend, een en ander als bedoeld in art. 6:98 BW. Het onderdeel zal derhalve bij gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kunnen leiden.

2.23 Uit het voorgaande volgt dat middel II in zijn geheel faalt.

Middel III
2.24 Middel III is gericht tegen ’s hofs beoordeling van de op art. 6:162 BW gebaseerde vordering jegens NSL. De middelonderdelen 3.1 en 3.3 bevatten geen zelfstandige klacht en behoeven derhalve geen bespreking.

2.25 Waar middelonderdeel 3.2 voortbouwt op de middelen I en II deelt het het lot van die middelen voor zover zij falen. Voor het overige is de verwijzing naar die middelen niet uitgewerkt of toegelicht, zodat het onderdeel niet voldoet aan de op grond van art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen. Voorts gaat ook dit onderdeel uit van het onjuist bevonden uitgangspunt dat vast staat dat sprake is geweest van seksuele intimidatie. De klachten betreffende de rechtsoverwegingen 3.19 – 3.21 zijn niet uitgewerkt en voldoen evenmin aan de daaraan te stellen eisen. Daardoor faalt ook de daarop voortbouwende klacht betreffende ’s hofs verwerping van het bewijsaanbod.

3). Conclusie

Bij gedeeltelijke gegrondbevinding van de middelonderdelen 1.4 en 1.5 strekt de conclusie tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

  • 1) Overgelegd als productie 10 bij inleidende dagvaarding.
  • 2) In de inleidende dagvaarding vordert [eiser] een bedrag van € 15.000 van NSL en een bedrag van € 5.000 van [verweerder 2] als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade. Vgl. ook het vonnis van de kantonrechter van 8 maart 2006, rov. A.1.1.4 en A.1.3. Het hof maakt in zijn arrest van het eerstgenoemde, jegens NSL gevorderde bedrag van € 15.000 geen melding; slechts het bedrag van € 5.000 wordt door het hof in rov. 3.1.3 en rov. 3.9 genoemd. Uit de memorie van grieven valt niet af te leiden dat de eiswijziging, anders dan op het punt van de hoofdelijkheid van de veroordeling, tevens heeft bestaan in het niet langer vorderen van genoemd bedrag van € 15.000 aan immateriële schadevergoeding. Evenwel, bij gebreke van een daarop in cassatie toegesneden klacht, wordt in cassatie uitgegaan van het door het hof vermelde bedrag van € 5.000.
  • 3) Inleidende dagvaarding onder 5 en 6, met verwijzing naar de als productie 1 door [eiser] overgelegde beschikking van de kantonrechter van 26 mei 2004, onder 9 respectievelijk 10.
  • 4) [Eiser] heeft de grondslag van zijn vordering jegens NSL tot vergoeding van de pensioenschade voor het eerst in hoger beroep geëxpliciteerd; vgl. MvG onder 55 en onder 118, 132 en 136. Het hof heeft deze aanvulling van gronden kennelijk in die zin begrepen, dat zij ook geacht moeten worden ten grondslag te liggen aan de vordering tot vergoeding van de immateriële schade; in rov. 3.14 spreekt het hof immers in algemene zin van “de grondslagen van de jegens Leprastichting ingestelde vorderingen”.
  • 5) Vgl. rov 3.14 van het bestreden arrest in verbinding met MvG sub 60.
  • 6) Vgl. rov. 3.16 van het arrest. Zie ook MvG onder 119, sub 2 en 3.
  • 7) Vgl. rov. 3.25 van het arrest. Zie ook MvG onder 133 (in verbinding met 74-83) en 134.
  • 8) Vgl. rov. 3.1.3 van het arrest.
  • 9) De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 5 oktober 2007.
  • 10) Zie hierboven onder 1.1 sub (v).
  • 11) Zie grief 17 met toelichting alsmede MvG sub 6 en 71-73, waartegenover MvA p. 5 (n.a.v. grief 8), p. 6 (n.a.v. grief 9, 10 en 11) en p. 7 (n.a.v. grief 17).
  • 12) Zie cassatiedagvaarding sub 1.5 (3e volzin), 1.6 en 2.2 (3e volzin). Vgl. ook cassatiedagvaarding sub 2.3.
  • 13) De brief van [betrokkene 1] d.d. 9 januari 2003 wordt in het verweerschrift (prod. 25 bij CvA) vermeld in een opsomming van feiten in het kader van de afwikkeling van de klacht van [eiser].
  • 14) Zie voor een beschrijving van het voorval door [eiser] o.m. MvG sub 5 en 70, en voor de betwisting daarvan door [verweerder 2] o.m. MvA p. 3 (n.a.v. feitencomplex), p. 5 (n.a.v. grief 8) en p. 7 (n.a.v. grief 17).
  • 15) Kamerstukken II, 2005-2006, 30 237 (“Wijziging van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van Richtlijn 2002/73/EG”), nr. 6, p. 8. Zie ook Kamerstukken II, 2004-2005, 30 237, nr. 3, p.12.
  • 16) T.M.J. Smits, Seksuele intimidatie: de rechtspraak in perspectief geplaatst, SR 2008-4, p. 110, met verwijzing naar, onder meer, CRvB 15 mei 2003, TAR 2003, 153, waarin als objectieve norm wordt gesteld dat het moet gaan om “gedrag dat een normaal weldenkend mens heeft kunnen beleven als van seksuele aard”. Vgl. voorts Van der Grinten / Bouwens (bew.) / Duk (bew.), Arbeidsovereenkomstenrecht, 2008, p. 183, alwaar wordt opgemerkt dat de innerlijke belevingswereld van het slachtoffer bij seksuele intimidatie niet relevant is.
  • 17) Een uitzondering geldt voor feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels (art. 149 lid 2 Rv).
  • 18) Een voorbeeld van verboden aanvulling van feiten is het ambtshalve gebruik van een kadastrale tekening die zich bevindt in het griffiedossier van een eerder tussen partijen voor dezelfde rechter gevoerde procedure maar door geen van partijen in de onderhavige procedure is overgelegd (HR 2 mei 1997, NJ 1998, 315, m.nt. WMK.)
  • 19) Vgl. (onder meer) HR 15 september 2006, NJ 2006, 507, JBPr 2007, 4, m.nt. mr. drs. H.T. Verhaar; HR 24 september 2004, NJ 2004, 672; HR 30 juni 2000, NJ 2000, 675; HR 12 december 1997, NJ 1998, 224; HR 8 december 1995, NJ 1996, 274, en HR 17 september 1993, NJ 1993, 740.
  • 20) Zie over aanvulling van de feitelijke grondslag in het algemeen o.m. Snijders/Klaassen/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2007, nrs. 45, 205-206 en Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nrs. 240-249.
  • 21) Men spreekt in dit verband wel van de rechtsfeiten die een partij heeft moeten stellen, wil het door haar ingeroepen rechtsgevolg door de rechter erkend kunnen worden. Zie Burgerlijke Rechtsvordering (Wesseling-van Gent), art. 24, aant. 2 en Snijders/Wendels, a.w., nr. 240.
  • 22) MvT bij art. 24 Rv, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 161.
  • 23) HR 31 oktober 2008, RvdW 2008, 995.
  • 24) HR 24 november 2006, NJ 2007, 539, m.nt. HJS.
  • 25) HR 17 februari 2006, NJ 2006, 158. Zie voorts (onder meer): HR 24 juni 2005, NJ 2006, 46; HR 12 juli 2002, NJ 2003, 658; HR 8 februari 2002, NJ 2002, 266; HR 4 december 1998, NJ 1999, 269, en HR 29 maart 1996, NJ 1996, 421.
  • 26) MvT bij art. 24 Rv, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 161.
  • 27) T.F.E. Tjong Tjin Tai, De rechterlijke vrijheid en de feitelijke grondslag, TCR 2002, p. 33. Van Mierlo 2008 (T&C Rv), art. 24, aant. 2 spreekt in dit verband van gebruik van niet-gestelde feiten voor het uiteenzetten van het bewijs dat de rechter ziet voor zijn beslissing.
  • 28) Zie HR 17 december 1993, NJ 1994, 193: uit de stukken van het geding blijkt niet dat eiseres, die wederpartij (behandelend arts) beschuldigt van seksuele intimiteiten, in de feitelijke instanties aan door wederpartij in het geding gebrachte verklaring de gevolgtrekking heeft verbonden dat deze steun biedt aan haar stelling dat intimiteiten hebben plaatsgevonden, zodat het hof zich zou hebben schuldig gemaakt aan verboden aanvulling indien het te haren gunste deze gevolgtrekking aan zijn beslissing ten grondslag had gelegd.
  • 29) Tjong Tjin Tai, a.w., p. 33-35 en p. 36, r.k..
  • 30) Zie het verweer van NSL in haar CvD sub 2, door [verweerder 2] tot het zijne gemaakt in zijn CvD, p. 2.
  • 31) HR 17 oktober 2008, RvdW 2008, 953 (rov. 3.3.5); HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342, en HR 31 december 1993, NJ 1994, 387, m.nt. DWFV.
  • 32) MvA p. 5 (n.a.v. grief 8).
  • 33) Tjong Tjin Tai, a.w., p. 35, l.k., spreekt in dit verband van het ‘doorzakken’ van het verweer naar de feiten.
  • 34) Vgl. hiervoor onder 2.8.
  • 35) HR 15 september 2006, NJ 2006, 507 (rov. 3.4.4) en HR 24 september 2004, NJ 2004, 672 (rov 3.5.2).
  • 36) Het gaat hier om productie 2 bij inleidende dagvaarding, in het bijzonder de passage: “Wie zijn de slachtoffers van seksuele intimidatie. Er bestaat geen prototype slachtoffer. Wel blijken sommige groepen een groter risico te lopen: vrouwen die net in een nieuwe baan beginnen (..), allochtone vrouwen, lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, werknemers met een tijdelijk contract; jongere werknemers (m/v).”
  • 37) Zie over de relevantie van een vijandige of seksueel intimiderende en kwetsende omgeving Kamerstukken II, 2005-2006, 30 552 (“Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en enige andere wetten in verband met het vergroten van de verantwoordelijkheid van werkgever en werknemers voor het arbeidsomstandighedenbeleid”), nr. 3, p. 25-26.
  • 38) Ook uit het in onderdeel 2.2 gestelde, met name de zin “Zou immers [verweerder 2] deze handeling niet hebben gepleegd, zou hij deze handeling achterwege hebben gelaten, dan was deze schade niet opgekomen”, valt af te leiden dat het middel het hof verwijt het condicio sine qua non-verband te hebben miskend.

Rechters

Fleers, Van Buchem-Spapens, Van Oven, Bakels, Streefkerk

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 7 juli 2009

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting

Verwekker van kind , geboren na beëindiging van de relatie, wil omgangsregering. Man heeft contact- en straatverbod en is strafrechtelijk veroordeeld voor huiselijk geweld. Hof wijst vordering af omdat het in het belang van het kind is op te groeien in veilige en stabiele omgeving.

Volledige tekst

Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 7 juli 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.022.493/01 van:

[de man],
wonende te […],
APPELLANT,
advocaat: mr. E.A. Prins te Utrecht,

t e g e n

[de moeder],
wonende te […],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum.

en

[de man],
wonende te […],
APPELLANT in principaal hoger beroep,
GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. E.A. Prins te Utrecht,

t e g e n

MR. [X],
kantoorhoudende te […],
in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over [de minderjarige],
GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,
APPELLANTE in principaal hoger beroep.

  1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, geïntimeerde en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de man, de moeder en de bijzonder curator genoemd.

1.2. De man is op 14 januari 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 12 november 2008 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 373430 / FA RK 07-4707.

1.3. De moeder heeft op 25 februari 2009 een verweerschrift ingediend.

1.4. De bijzonder curator heeft op 25 februari 2009 een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5. De man heeft op 4 maart 2009 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de bijzonder curator ingediend.

1.6. De man heeft op 16 april 2009 aanvullende stukken ingediend.

1.7. De zaak is op 27 april 2009 ter terechtzitting behandeld.

1.8. Ter terechtzitting zijn verschenen:
– de man bijgestaan door zijn advocaat,
– de moeder bijgestaan door haar advocaat,
– de bijzonder curator.

1.9. Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting heeft de man een uitreksel justitiële documentatie aan het hof gezonden, met afschrift daarvan aan de moeder en de bijzonder curator.

2). De feiten

2.1. Partijen hebben vanaf begin 2004 tot eind 2006 een relatie gehad. Zij hebben vanaf eind 2005 samengewoond. Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2007. [de minderjarige] verblijft bij de moeder, zij heeft het gezag over hem.

2.2. De man is op 13 januari 2006 en op 11 oktober 2007 strafrechtelijk veroordeeld wegens mishandeling respectievelijk huiselijk geweld.

2.3. In het kader van de strafrechtelijke procedure is aan de man een contactverbod opgelegd als schorsingsvoorwaarde van de voorlopige hechtenis. Daarnaast is hem civielrechtelijk een contact- en straatverbod opgelegd.

2.4. Bij beschikking van 11 juli 2007 van de rechtbank te Amsterdam is mr. [X] benoemd tot bijzonder curator over [de minderjarige].

3). Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] alsmede tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige], inhoudende dat zij gerechtigd zijn omgang met elkaar te hebben in eerste instantie een dag per veertien dagen en later een weekend per veertien dagen, althans een omgangsregeling zoals het hof juist zal achten afgewezen.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidende verzoeken alsnog toe te wijzen.

3.3. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, – naar het hof begrijpt – met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

3.4. De bijzonder curator verzoekt het inleidend verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] alsnog toe te wijzen, met referte ten aanzien van de door de man verzochte omgangsregeling.

3.5. De moeder verzoekt het door de bijzonder curator ingestelde incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4). Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Uitgangspunt bij een verzoek tot verlenen van vervangende toestemming tot erkenning door de rechter in de zin van artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is, dat de verwekker en het kind er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en de belangen van dit kind. Van schade aan de belangen van het kind in de zin van voornoemd artikel is slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s zijn dat het belemmerd wordt in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft.

4.2. Het hof overweegt dat uit de stukken in het dossier en uit het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat de man tot nu toe geen rol van betekenis in het leven van [de minderjarige] heeft gespeeld. Zoals ook ter zitting is gebleken, is, ondanks het feit dat de man het afgelopen jaar afstand ten opzichte van de moeder heeft bewaard, de verstandhouding tussen hen slecht. De moeder heeft ter zitting laten weten ondanks haar angst voor de man afgelopen jaar in het belang van [de minderjarige] via haar familieleden enkele pogingen te hebben ondernomen om contact tussen de man en [de minderjarige] tot stand te brengen. De man heeft echter haar familieleden bedreigd en bleek nadien gedetineerd, waarna zij haar pogingen heeft gestaakt. De moeder ondervindt nog steeds hevige spanningen als gevolg van de eerdere gedragingen van de man, waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld. Zij heeft daarvoor hulpverlening ingeschakeld en wil rust voor haarzelf en voor [de minderjarige]. De man heeft ter zitting ontkend de familieleden van de moeder te hebben bedreigd. Hij erkent in het verleden fouten te hebben gemaakt en wil graag contact met [de minderjarige] zodat deze zijn achtergrond leert kennen.

4.3. Het hof oordeelt met betrekking tot het verzoek van de man tot verlenen van vervangende toestemming als volgt. Het is van groot belang dat [de minderjarige] kan opgroeien in een veilige en stabiele omgeving. Het huidige gezin van de moeder voldoet aan deze voorwaarden. Gelet op de slechte verhouding tussen de man en de moeder, de vele incidenten die zich tussen hen hebben afgespeeld, alsmede het strafrechtelijke verleden van de man bestaat, in het geval de man [de minderjarige] zou erkennen, een risico dat de moeder hierdoor in grote psychische problemen komt, hetgeen tot gevolg kan hebben dat [de minderjarige] in zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling wordt belemmerd. Onder deze omstandigheden dienen de belangen van de moeder en [de minderjarige] bij het voortduren van hun huidige gezinsleven zwaarder te wegen dan de belangen van de man bij erkenning.

4.4. Op 1 maart 2009 is de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking getreden. Deze wet heeft directe werking. Het verzoek van de man een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen dient derhalve te worden beoordeeld op grond van artikel 1:377a lid 2 BW. Daartoe dient allereerst beoordeeld te worden of de man in een nauwe persoonlijke betrekking tot [de minderjarige] staat. Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is. Daartoe wordt overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de biologische vader van [de minderjarige] is, en dat uit de gedragingen van partijen – zowel voor als na hun uiteengaan – valt af te leiden dat hun bedoeling was dat er omgang tussen de man en [de minderjarige] tot stand zou komen en dat de moeder daartoe pogingen heeft ondernomen.

4.5. Het hof zal bij de vaststelling van de omgangsregeling een zodanige beslissing nemen als hem in het belang van [de minderjarige] voorkomt. Het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling kan slechts worden afgewezen, indien de ontzeggingsgronden, zoals vermeld in artikel 1:377a lid 3 BW, zich voordoen.
Het hof is van oordeel, onder verwijzing naar hetgeen onder 4.2. en 4.3 is overwogen, dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige], zoals nader verwoord in artikel 1:337a lid 3 sub d BW. Daartoe wordt overwogen dat het thans opstarten van omgang tussen de man en [de minderjarige] een vooralsnog onaanvaardbaar groot risico met zich meebrengt dat de omgang een negatieve weerslag heeft op de thans ongestoorde verhouding tussen de moeder en [de minderjarige]. Het verzoek van de man een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen wordt derhalve afgewezen.

4.6. Er is onvoldoende aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten, zoals door de moeder is verzocht. Deze kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5). Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst zowel het principaal hoger beroep van de man als het incidenteel hoger beroep van de bijzonder curator af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E. van Zandwijk-Hillebrands, G.J. Driessen-Poortvliet en R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2009.

Rechters

M.E. van Zandwijk-Hillebrands, G.J. Driessen-Poortvliet, R.G. Kemmers

12 juni 2009 – Juridisch basis ontbreekt voor verbod abortuspil via huisartsen

Juridisch basis ontbreekt voor verbod abortuspil via huisartsen

12 juni 2009

De gynaecoloog Gunilla Kleiverda, de jurist Els Swaab en de directeur van Women on Waves, Rebecca Gomperts betogen vandaag in het NJB dat de juridische basis ontbreekt om huisartsen nog langer de toegang tot de abortuspil te ontzeggen om vrouwen een medicamenteuze overtijdbehandeling te geven.
Bij Besluit van 18 mei 2009 (Stbl. 230) is het Besluit Afbreking Zwangerschap (BAZ) gewijzigd. De auteurs stellen dat deze aanpassing van de BAZ alleen een politiek en publicitair doel dient, namelijk het verbloemen van het feit dat het kabinet er niet in geslaagd is de overtijdbehandeling onder de Wet Afbreking Zwangerschap te brengen.
De stellingname van het kabinet dat de overtijdbehandeling alleen plaats mag hebben in een kliniek of ziekenhuis met een vergunning voor het verrichten van abortus, is juridisch niet houdbaar.De overtijdbehandeling valt niet onder de abortuswet, noch onder het Wetboek van Strafrecht, zo valt te concluderen uit deze juridische analyse. Pas als een zwangerschap meer dan 16 dagen over tijd is, zijn deze wetten van toepassing.
Zie ook het persbericht van Women on Waves

12 juni 2009 – Tijdschrift voor Genderstudies

Tijdschrift voor Genderstudies

12 juni 2009

In het Tijdschrift voor Genderstudies stonden onlangs enige artikelen van leden van de vereniging. We plaatsten ze, met dank aan de auteurs en aan de uitgever, onder de rubriek Opinie, Commentaren van leden.

Instantie: Rechtbank Utrecht, 3 juni 2009

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting

Seksuele intimidatie geen onrechtmatige daad, zelfs als klachtencommissie klachten gegrond heeft verklaard. Een vrouwelijke politieambtenaar, werkzaam bij het Asielzoekerscentrum te Utrecht, heeft bij de Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen van de Politie Regio Utrecht een klacht ingediend over ongewenste fysieke en verbale gedragingen door een mannelijke collega, werkzaam als administratief medewerker. De klachtencommissie heeft de klachten op een aantal punten bewezen geacht en voor het overige hoogst aannemelijk. De vrouw heeft vervolgens de man persoonlijk aansprakelijk gesteld en € 2.500,- gevorderd aan immateriële schadevergoeding. De rechtbank Utrecht wijst deze vordering af. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de gedragingen van de man, ook als deze komen vast te staan, geen onrechtmatige daad op. De gedragingen zijn weliswaar ongepast, maar leveren geen schending van het persoonlijkheidsrecht van de vrouw op. Ter toelichting: het gaat onder meer om het omhoog trekken van het t-shirt van de vrouw en iets over haar rug laten rollen, het aanraken van haar been tijdens autoritten, het vertellen over seksuele avonturen tijdens autoritten, het over stoel heen gebogen staan als de vrouw aan het werk is en het in haar kuit knijpen nadat hij onder haar bureau is gekropen.

Volledige tekst

Uitspraak
vonnis
RECHTBANK UTRECHT
253306 / HA ZA 08-166227 mei 2009
Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 253306 / HA ZA 08-1662

Vonnis van 3 juni 2009

in de zaak van

[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. M.A.J. Kubatsch,

tegen

[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. A.R. van Roo.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1). De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 19 november 2008
het proces-verbaal van comparitie van 8 april 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2). De feiten

2.1. [eiseres] is van september 2001 tot april 2005 werkzaam geweest bij de afdeling Vreemdelingen­dienst van de Politie Regio Utrecht, laatstelijk in de functie van opsporings­ambtenaar bij het Asielzoekerscentrum te Utrecht.

2.2. [gedaagde] is van 18 november 2002 tot 23 augustus 2004 (feitelijk) werkzaam geweest bij het Asielzoekerscentrum te Utrecht, laatstelijk in de functie van administratief medewerker.

2.3. [eiseres] heeft op 3 augustus 2004 een klacht ingediend jegens [gedaagde] bij de Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen van de Politie Regio Utrecht (hierna te noemen: de klachtencommissie), omdat zij in de periode van juli 2003 tot juli 2004 in de werksituatie geconfronteerd is geweest met fysieke en verbale gedragingen van [gedaagde] die zij als ongewenst heeft ervaren.

2.4. De klachtencommissie heeft een onderzoek ingesteld en op grond daarvan geconcludeerd dat er sprake is geweest van ongewenste gedragingen van [gedaagde] jegens [eiseres]. De klachtencommissie heeft de door [eiseres] in haar klacht aangegeven ongewenste gedragingen op een aantal punten bewezen geacht en voor het overige hoogst aannemelijk geacht, omdat deze passen in het patroon van de bewezen gedragingen.

2.5. Bij brief van 18 november 2004 heeft de klachtencommissie de Korpsbeheerder van de Politie Regio Utrecht geadviseerd de klacht van [eiseres] gegrond te verklaren en passende maatregelen jegens [gedaagde] te nemen.

2.6. Bij brief van 31 januari 2005 heeft de Korpsbeheerder van de Politie Regio Utrecht het advies van de klachtencommissie overgenomen en de klacht van [eiseres] gegrond verklaard.

2.7. Bij brief van 30 januari 2008 heeft de advocaat van [eiseres] namens [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van zijn ongewenste gedragingen jegens haar en [gedaagde] verzocht te berichten over zijn bereidheid tot overleg over een regeling.

2.8. Bij brief van 11 februari 2008 heeft [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] bericht geen aansprakelijkheid ter zake te erkennen.

3). Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] op grond van de feiten zoals vastgesteld in het advies van de Klachtencommissie van de Politie Regio Utrecht van 18 november 2004 (kenmerk klachtdossier 0804 kloo 06), welk advies is overgenomen bij brief van 31 januari 2005 door de burgemeester van Utrecht in de hoedanigheid van korpsbeheerder;
b. bepaalt dat [gedaagde] deswege aansprakelijk is voor de hierdoor door [eiseres] geleden materiële en immateriële schade;
c. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van EUR 2.500,00 ter zake van de door [eiseres] geleden immateriële schade, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van volledige voldoening;
d. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van EUR 44,00, zijnde een onderdeel van de door [eiseres] geleden materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van volledige voldoening;
e. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de door [eiseres] geleden materiële schade bestaande uit het geleden verlies aan verdienvermogen, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van volledige voldoening;
f. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van de redelijke kosten voor het vaststellen van de onder punt e genoemde schade;
g. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en in de te maken kosten van de tenuitvoerlegging.
3.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] door zich ten opzichte van haar ongewenst te gedragen een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd, die hem volledig is toe te rekenen, waardoor zij materiële en immateriële schade heeft geleden.

3.3. [gedaagde] betwist gemotiveerd dat er sprake is geweest van de door [eiseres] gestelde ongewenste gedragingen van zijn zijde alsmede dat er sprake is van een causaal verband tussen de vermeende ongewenste gedragingen en de door [eiseres] gestelde geleden schade en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiseres] met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4). De beoordeling

4.1. [eiseres] stelt dat de klachtencommissie op grond van het onderzoek de navolgende ongewenste gedragingen van [gedaagde] jegens haar in de periode van juli 2003 tot juli 2004 bewezen of aannemelijk heeft geacht:
dat hij opeens haar T-shirt omhoog trekt en iets wat op een bal lijkt over haar ontblote rug laat rollen;
het opsteken van zijn vinger naar haar met de opmerking “kom hier maar zitten”;
het roffelen op zijn schoot met de woorden “kom hier maar zitten”;
dat hij tijdens autoritten met haar verhaalt over zijn seksuele avonturen;
het aanraken van haar been tijdens autoritten;
het in haar kuit knijpen, nadat hij onder haar bureau is gekropen;
dat hij haar bij haar nek heeft gepakt en opgetilt;
dat hij haar roept en, als zij opkijkt, zijn tong uitsteekt en deze heen en weer beweegt;
het over haar stoel heen gebogen staan, terwijl zij in de stoel zit en aan het werk is;
dat hij haar om een kapotte panty vraagt, omdat hij vindt dat je daar je schoenen zo mooi glimmend mee krijgt.
[eiseres] legt deze gedragingen aan haar vordering ten grondslag, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, omdat zij een gedragspatroon vormen. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat hetgeen door de klachtencommissie is vastgesteld of aangenomen als uitgangspunt kan gelden in deze civiele procedure, nu in de klachten­procedure is geprocedeerd volgens een tevoren opgesteld en goedgekeurd reglement dat waarborgen biedt die lijken op die van een gerechtelijke procedure, zoals het recht op bijstand van een advocaat en de mogelijkheid om op te komen tegen de beslissing.

4.2. [eiseres] stelt dat [gedaagde] door zijn ongewenste gedrag jegens haar een inbreuk heeft gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit en haar heeft aangetast in haar persoon, waardoor zij schade heeft geleden. [eiseres] voert daartoe aan dat zij als gevolg van de ongewenste gedragingen van [gedaagde] geruime tijd zeer grote hinder heeft ondervonden tijdens haar werk, hetgeen heeft geleid tot gederfde arbeidsvreugde. Daarbij heeft zij stress ondervonden, als gevolg waarvan zij thuis minder goed functioneerde. [eiseres] voert verder aan dat zij pas na verloop van tijd haar man durfde in te lichten over de feiten als vermeld in de klacht en dat dit tot een dusdanige vertrouwens­breuk tussen hen heeft geleid dat zij als gevolg daarvan zijn gescheiden. In het kader van de echtscheiding heeft zij zich vervolgens genoodzaakt gezien ontslag te nemen om voor haar kinderen te kunnen gaan zorgen. Volgens [eiseres] was zij daardoor in de periode van 1 oktober 2005 tot 15 mei 2007 aangewezen op een bijstandsuitkering. [eiseres] voert ten slotte aan dat zij zich vanwege de opeenstapeling van spanningen en problemen enige tijd onder behandeling van een psychiater heeft moeten stellen.

4.3. [gedaagde] stelt daarentegen dat de inhoud van het onderzoeksverslag van de klachtencommissie geheel onbruikbaar is en niet als uitgangspunt kan dienen in deze procedure. [gedaagde] voert daartoe onder meer aan dat het onderzoek op onzorgvuldige
wijze heeft plaatsgevonden. Zo zijn de getuigen/betrokkenen [getuige sub 1], [getuige sub 2] en [getuige sub 3] buiten zijn aanwezigheid en die van zijn toenmalige advocaat gehoord, was de klachtencommissie tweemaal niet compleet toen hij is gehoord en mocht zijn advocaat daar eenmaal niet bij aanwezig zijn. [gedaagde] voert tevens aan dat de inhoud van de verklaring van zijn leidinggevende [getuige sub 1] volledig strijdig is met de inhoud van de door [getuige sub 1] opgestelde verslagen betreffende zijn functioneren in de periode van 18 oktober 2002 tot 7 april 2004 (prod. 18 en 19), zodat de verklaring van [getuige sub 1] als ongeloof­waardig gepasseerd moet worden. [gedaagde] wijst erop dat uit de verklaringen van [getuige sub 2], [getuige sub 4] en [getuige sub 5] (prod. 20, 21 en 22) niet blijkt van enige gedraging van zijn zijde die naar algemeen maatschappelijke opvatting als ongewenst moet worden beschouwd. Daarbij kan, aldus [gedaagde], de uitkomst van het onderzoek door de klachtencommissie, niet als uitgangspunt dienen in een civiele procedure, nu de klachtenregeling niet tot doel heeft om civielrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen.

4.4. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde], voor zover relevant, nog het volgende verklaard:
“Ik heb niet het T-shirt van [eiseres] omhoog getrokken maar ik heb een balletje van bovenaf in haar kraag gegooid. Omdat [eiseres] op een gegeven moment in een isolement raakte op het werk en ik dat naar vond voor haar heb ik geprobeerd haar er meer bij te betrekken. Ik heb een keer in haar kuit geknepen om op die manier een grapje met haar uit te halen. Tijdens een lunchwandeling waar ook anderen bij waren heb ik haar een keer bij haar nek gepakt en geraden dat zij 68 kilo woog. Dat werd door iedereen geaccepteerd. Het kan zijn dat ik een keer mijn tong heb uitgestoken maar ik heb deze niet zo bewogen zoals zij heeft verklaard. Het kan zijn dat ik wel eens over haar schouder meekeek naar het computerscherm. Daarvan heeft ze nooit gezegd dat ze dat niet wilde. Ook aan andere collega’s heb ik om kapotte panty’s gevraagd. Alle andere gedragingen of omschrijvingen daarvan die door [eiseres] zijn genoemd in de klachtenprocedure ontken ik.”

4.5. De rechtbank overweegt op grond van het vorenstaande dat de door [eiseres] gestelde gedragingen van [gedaagde], die zij aan haar vorderingen ten grondslag legt, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde] vooralsnog niet zijn komen vast te staan.
Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust de bewijslast van deze feiten op [eiseres], nu zij zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde gedragingen beroept. De rechtbank is evenwel op grond van het hiernavolgende van oordeel dat in het midden kan blijven welke van de door [eiseres] gestelde gedragingen daadwerkelijk door [gedaagde] zijn verricht, zodat de rechtbank om proceseconomische redenen het door [eiseres] in dit kader gedane bewijsaanbod passeert.

4.6. De rechtbank overweegt dat zelfs indien alle onder 4.1. vermelde gedragingen van [gedaagde] jegens [eiseres] als vaststaand worden aangenomen, dit niet kan leiden tot toewijzing van de vorderingen van [eiseres]. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek is onder meer vereist dat er sprake is van een onrechtmatige daad. Onder handelen dat een onrechtmatige daad oplevert valt handelen dat een inbreuk vormt op een recht en/of in strijd is met een wettelijke plicht of de maatschappelijke betamelijkheid. De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar stelling dat hetgeen in de klachtenprocedure door de klachtencommissie bewezen of aannemelijk is geacht in deze civiele procedure als uitgangspunt kan dienen. De klachten­regeling heeft immers niet tot doel om civielrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen. In de klachtenregeling is weliswaar vastgesteld dat de gedragingen van [gedaagde] als ongewenste omgangsvormen worden beschouwd, maar daarmee is niet (duidelijk) gegeven welke norm is overtreden door [gedaagde] en of deze norm strekt ter bescherming tegen de schade zoals [eiseres] stelt te hebben geleden. Ook is door [eiseres] niet gesteld welke wettelijke, betamelijksheids- en/of zorgvuldig­heids­norm in deze door [gedaagde] is geschonden. Of er sprake is van een inbreuk op een persoonlijkheidsrecht, zoals [eiseres] stelt, hangt af van de strekking van het betreffende recht, waarbij de inhoud en de omvang van het recht beslissend zijn. In gevallen van misdrijven tegen de persoon, zoals ontucht en verkrachting, is een inbreuk op het recht op lichamelijke integriteit erkend. Een inbreuk op het recht op geestelijke integriteit is in gevallen van (stelselmatige) hinder en pesten onder omstan­dig­heden aangenomen. In dit licht bezien acht de rechtbank de aard en de ernst van de door [eiseres] gestelde gedragingen niet zodanig dat een inbreuk op het recht van lichamelijke integriteit kan worden aangenomen. De gedragingen kunnen weliswaar als ongepast worden beschouwd, maar anders dan [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen, noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien, een schending van dit persoonlijkheids­recht opleveren. Nu het door [eiseres] gestelde naar het oordeel van de rechtbank geen onrechtmatig handelen van [gedaagde] in de zin van voornoemd artikel oplevert, wordt niet voldaan aan het vereiste van onrechtmatige daad. Reeds om die reden dienen de vorderingen van [eiseres] afgewezen te worden en komt de rechtbank aan een verdere beoordeling niet toe.

4.7. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroor­deeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
– vast recht EUR 254,00
– salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)
Totaal EUR 1.158,00

5). De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.158,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Phaff en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2009.

w.g. griffier w.g. rechter

Rechters

mr. Phaff

2 juni 2009 – Studiedag Verplicht Ouderschapsplan

Studiedag Verplicht Ouderschapsplan

2 juni 2009

Op 18 juni 2009 is er een studiedag over het wettelijk verplichte ouderschapsplan bij scheiding. Kan de doelstelling van de wet in de praktijk worden waargemaakt?
De Vereniging voor Familie- en Jeugdrecht (FJR) en het Nederalnds Instituut voor Psychologie (NPS) organiseren deze studiedag samen. Sprekers zijn: mr. Lieke Coenraad, drs. Annelies Hendriks en dr. Ed Spruijt. Kosten, afhankelijk van lidmaatschap FJR resp. NIP, tussen de € 175 en € 50.
Aanmelding verplicht.

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 20 april 2009

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting

Ziekenhuis biedt geen IVF-behandelingen aan lesbisch paar. Indirect onderscheid op grond van seksuele gerichtheid, objectief gerechtvaardigd door beroep op wetgeving inzake gebruik van donorsperma. Mogelijk wel onderscheid op grond van seksuele gerichtheid in de dagelijkse praktijk: onderscheid bij de uitvoering van het beleid.

Volledige tekst

1 Procesverloop

1.1 Bij het voornoemde verzoekschrift hebben verzoeksters de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, gevraagd te onderzoeken of verweerster jegens hen onderscheid op grond van seksuele gerichtheid heeft gemaakt en haar oordeel daaromtrent kenbaar te maken.

1.2 Verweerster heeft schriftelijk verweer gevoerd. Verzoeksters hebben daarop een schriftelijke reactie gegeven.

1.3 De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten ter zitting van
4 november 2008 mondeling nader toe te lichten. De vertegenwoordigers van verweerster waren vergezeld van . . . . , coördinator IVF Polikliniek, afdeling gynaecologie.

1.4 Op 17 november 2008 hebben verzoeksters uit eigen beweging nieuwe informatie toegestuurd aan de Commissie en aan verweerster. De Commissie heeft naar aanleiding van deze informatie het onderzoek heropend en verweerster om een reactie gevraagd. Verweerster heeft bezwaar gemaakt tegen de heropening van het onderzoek. De Commissie heeft dit bezwaar niet gehonoreerd. De relevante overwegingen zijn weergegeven onder 3.12 – 3.15. Vervolgens heeft verweerster haar reactie gegeven. Verzoeksters hebben hierop gereageerd bij brief van 19 maart 2009, waarna de Commissie het onderzoek definitief heeft gesloten.

2 Feiten

2.1 Verzoeksters zijn gehuwd. Zij hebben sinds enige jaren een kinderwens. Zij hebben een mannelijk familielid van verzoekster 2 bereid gevonden hen te helpen bij het vervullen van die wens. Na een aantal mislukte pogingen tot zelfinseminatie is in januari 2008 een vruchtbaarheidstraject gestart in een ziekenhuis in Den Haag. Ook hierdoor kwam geen zwangerschap tot stand. In juni 2008 kreeg verzoekster 1 een medische indicatie voor in vitro fertilisatie, hierna: IVF.

2.2 Het Haagse ziekenhuis kent geen voorzieningen voor het uitvoeren van IVF-behandelingen. Daarom heeft dit ziekenhuis verzoeksters verwezen naar verweerster, een academisch ziekenhuis, waarmee zij een samenwerkingsverband heeft. Patiënten van het Haagse ziekenhuis kunnen bij verweerster terecht voor de bevruchting en de terugplaatsing van het embryo. Het eigen, Haagse ziekenhuis verzorgt de controles en de nazorg.

2.3 De behandelende arts in het Haagse ziekenhuis heeft verzoeksters op dezelfde dag dat zij hen had meegedeeld dat verzoekster 1 naar verweerster zou worden doorverwezen, teruggebeld met de mededeling dat verzoekster 1 niet voor behandeling bij verweerster in aanmerking komt, omdat zij gebruik maakt van donorzaad.

2.4 Verweerster beheerde tot 2005 een spermabank. Het bestuur van verweerster heeft besloten tot opheffing daarvan in verband met de aanscherping van de regelgeving voor het beheer van spermabanken.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1 Ter beoordeling liggen de volgende vragen voor:

1) Maakt verweerster verboden onderscheid op grond van seksuele gerichtheid door het beleid te voeren dat geen IVF-behandelingen worden aangeboden aan vrouwen die gebruik maken van donorzaad?
2) Maakt verweerster verboden onderscheid op grond van seksuele gerichtheid bij de feitelijke uitvoering van dat beleid?

Wettelijk kader

3.2 In artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB, is bepaald dat het maken van onderscheid op grond van onder meer seksuele gerichtheid is verboden bij het aanbieden van en het verlenen van toegang tot goederen of diensten, indien dit geschiedt door een instelling die werkzaam is op het gebied van de gezondheidszorg.

3.3 In artikel 1 AWGB is bepaald dat onder onderscheid zowel direct als indirect onderscheid wordt verstaan. Het begrip direct onderscheid ziet op onderscheid dat rechtstreeks verwijst naar of gebaseerd is op een van de door de AWGB beschermde gronden, waaronder seksuele gerichtheid. Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid dat het gevolg is van een ogenschijnlijk neutraal criterium, voorschrift of handelen dat bepaalde mensen in het bijzonder treft, vanwege een door de AWGB beschermde persoonsgebonden kenmerk.

Vraag 1: het beleid

Onderscheid

3.4 Verweerster ontkent onderscheid te maken op grond van seksuele voorkeur in haar beleid ten aanzien van de door haar aangeboden behandelingen. In dit verband wijst zij erop dat zij tot 2005 een spermabank beheerde en toen ook IVF-behandelingen aanbood aan lesbische paren die gebruik maakten van een anonieme donor. Sinds zij echter, in verband met de aangescherpte wetgeving, heeft besloten de spermabank op te heffen, is zij niet langer bevoegd om IVF-behandelingen uit te voeren waarbij gebruik wordt gemaakt van donorzaad. Dit is de enige beleidswijziging die zij heeft doorgevoerd en die staat geheel los van de seksuele voorkeur van de patiënt.

3.5 Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat het gevolg van het door verweerster gevoerde beleid niettemin is, dat lesbische paren, anders dan man/vrouw-paren, per definitie zijn uitgesloten van het IVF-aanbod van verweerster. Verzoeksters vergelijken hun situatie, waarin zij gebruik maken van een bekende donor, met die van een heteroseksueel paar dat gebruik kan maken van het eigen sperma van de mannelijke partner. Ook dan is immers sprake van zaad dat ter plekke verzameld en gebruikt wordt ten behoeve van de behandeling. Het argument van verweerster dat donorzaad van anderen dan de echtgenoot of vaste partner van de vrouw eerst moet worden getest in verband met besmettingsrisico’s, gaat volgens verzoekster niet op. Verzoekster 1 is immers al diverse malen met hetzelfde zaad geïnsemineerd, zowel tijdens zelfinseminatie thuis als tijdens iui-behandelingen (intra uterine inseminatie) in het Haagse ziekenhuis.

3.6 De Commissie stelt vast dat verweersters besluit en het daaruit voortvloeiende beleid om geen spermabank te beheren als zodanig geen verband houdt met een bepaalde, door de gelijkebehandelingswetgeving beschermde grond, waaronder seksuele gerichtheid. Ook het uit dit besluit voortvloeiende gevolg, te weten dat geen IVF-behandelingen worden aangeboden waarbij gebruik wordt gemaakt van donorzaad, houdt geen (rechtstreeks) verband met seksuele gerichtheid. Daarom is er geen sprake van direct onderscheid. Echter, door dit beleid worden lesbische paren in het bijzonder getroffen omdat ze altijd aangewezen zijn op donorzaad. Dat sommige heteroseksuele paren ook aangewezen zijn op donorzaad maakt dit niet anders. Zoals verzoeksters signaleren is het enige verschil tussen de situatie van verzoeksters en die van een heteroseksueel paar dat gebruik maakt van eigen zaad van de man, het ontbreken van een partnerrelatie tussen verzoekster 1 en de (bekende) zaaddonor. Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat er sprake is van indirect onderscheid naar seksuele gerichtheid.

Objectieve rechtvaardiging

3.7 Indirect onderscheid kan onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn. Ingevolge artikel 2, eerste lid, AWGB, geldt het verbod van onderscheid niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel terwijl de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Ten aanzien van deze uitzondering geldt dat de partij die onderscheid heeft gemaakt (verweerster) feiten dient aan te voeren ter rechtvaardiging van dit onderscheid.

3.8 De Commissie stelt voorop dat het verweerster vrij staat al dan niet te kiezen voor het in stand houden van een spermabank. Ziekenhuizen mogen zelf beslissen welke accenten zij leggen in hun zorg. Echter, als een ziekenhuis besluit bepaalde zorg aan te bieden of juist niet aan te bieden, mag daarbij geen verboden onderscheid – dat wil zeggen: onderscheid dat niet is gerechtvaardigd – worden gemaakt op grond van één van de non-discriminatiegronden.

3.9 Verweerster stelt dat zij met haar beleid uitvoering geeft aan wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van lichaamsmateriaal. Ingevolge artikel 4, eerste lid van de Wet Veiligheid en Kwaliteit van Lichaamsmateriaal (WVKL) moet zij lichaamsmateriaal, waaronder ook geslachtscellen worden begrepen, aanbieden aan een orgaanbank. Het tweede lid van dit artikel zondert geslachtscellen ten behoeve van onder meer IVF-behandelingen onder voorwaarden uit van dit vereiste. Ingevolge artikel 1, onder c, 1e, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting geldt die uitzondering echter alléén voor sperma van echtgenoten, geregistreerde partners of andere ‘levensgezellen’.
Met deze bepalingen heeft de wetgever uitvoering gegeven aan Richtlijn 2004/23/EG van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen, alsmede Richtlijn 2006/17/EG van 8 februari 2006 ter uitvoering van Richtlijn 2004/23/EG wat betreft bepaalde technische voorschriften voor het doneren, verkrijgen en testen van menselijke weefsels en cellen. Artikel 1 van bijlage III bij Richtlijn 2006/17/EG, bepaalt dat ‘In geval van partnerdonatie van geslachtscellen voor direct gebruik […] de donorselectiecriteria voor donors en de laboratoriumtests [kunnen] vervallen.’ In artikel 1 van deze richtlijn wordt partnerdonatie gedefinieerd als ‘Donatie van geslachtscellen tussen een man en een vrouw die verklaren een intieme lichamelijke relatie te hebben.’
Verweerster meent dat er geen twijfel mogelijk is dat genoemde bepalingen uitsluitend voorzien in een uitzondering voor zaad van de mannelijke partner van een vrouw met een IVF-indicatie. Dat betekent dat zij – nu zij niet over een vergunning beschikt om een spermabank te beheren – niet bevoegd is om IVF-behandelingen met donorzaad van anderen dan de vaste partner uit te voeren.

3.10 De Commissie kan de opvatting van verweerster volgen dat voornoemde bepalingen geen ruimere interpretatie van het begrip ‘partnerdonatie’ toelaten, te meer nu het hier gaat om een uitzondering op een zeer strikt geformuleerd beleid dat besmettingsrisico’s beoogt te voorkomen. Dat betekent dat, wat er ook zij van de stelling van verzoeksters dat er kennelijk andere ziekenhuizen zijn die geen spermabank hebben, maar wél IVF-behandelingen met gebruik van donorzaad aanbieden, verweerster niet kan worden verweten dat zij de wettelijke voorschriften omtrent het handelen met lichaamsmateriaal naleeft.
De Commissie oordeelt dan ook dat het indirecte onderscheid op grond van seksuele gerichtheid dat het gevolg is van het beleid van verweerster, objectief gerechtvaardigd is.

3.11 In dit verband merkt de Commissie op dat uit de toelichtingen op de verschillende bepalingen die tezamen het relevante wettelijk stelsel met betrekking tot het gebruik en de behandeling van sperma ten behoeve van IVF vormen, niet blijkt wat de ratio is geweest van het onderscheid tussen sperma afkomstig van de partner en sperma afkomstig van een bekende donor. De Commissie zal daarom gebruik maken van haar bevoegdheid om dit oordeel ter kennis te brengen van de verantwoordelijke minister (zie hierna overweging ten overvloede onder 3.26 – 3.28).

Heropening van het onderzoek

3.12 Na de zitting hebben verzoeksters de Commissie nieuwe informatie toegezonden (zie 1.4). Dit betrof een bericht aan verzoeksters van een bezoekster van een internetforum waaraan ook verzoeksters deelnemen. Op dat forum wisselen mensen onder een pseudoniem ervaringen met IVF-procedures met elkaar uit. Verzoeksters hebben verklaard dat de vrouw, die met haar mannelijke partner bij verweerster een vruchtbaarheidsbehandeling ondergaat, hen schreef dat zij naar aanleiding van een radiobericht – waarin de behandeling van de zaak van verzoeksters door de Commissie aan de orde kwam – haar behandelend arts had gevraagd of de situatie van verzoeksters consequenties voor haar zou hebben, nu zij en haar man ook gebruik maakten van een bekende zaaddonor. De behandelend arts zou echter hun zorgen hebben weggewuifd en haar hebben meegedeeld dat dit geen betrekking had op hun situatie.

3.13 Deze informatie was voor de Commissie aanleiding het onderzoek te heropenen (artikel 26 Besluit werkwijze Commissie gelijke behandeling), omdat zij de informatie van belang acht voor de beantwoording van de in dit verzoek voorliggende vraag. Immers, verweerster heeft gesteld dat alle vrouwen met een medische indicatie voor IVF die gebruik willen maken van zaad dat niet afkomstig is van hun eigen partner, worden doorverwezen, omdat verweerster niet langer een spermabank beheert. Verder heeft verweerster verklaard dat de relevante wetgeving inzake spermabanken hierop geen enkele uitzondering toestaat en dat zij die daarom ook niet maakt. Het door verzoeksters overgelegde bericht behelst echter gedetailleerde en concrete aanwijzingen dat verweerster mogelijk toch uitzonderingen op haar eigen beleid maakt.
In het hier voorliggende geval geldt bovendien dat het gaat om informatie die pas na de zitting, meer in het bijzonder naar aanleiding van berichtgeving over de zitting, bekend was geworden. Verzoeksters hadden deze informatie derhalve niet eerder kunnen overleggen.

3.14 Verweerster heeft bezwaar gemaakt tegen de heropening van het onderzoek. Zij heeft in dat verband gesteld dat op grond van artikel 27, tweede lid, van het Besluit, in combinatie met artikel 19 van dit Besluit, heropening van het onderzoek slechts mogelijk is op basis van informatie waar door de Commissie om is gevraagd, en niet op basis van informatie die na sluiting spontaan door een der partijen wordt overgelegd.

3.15 De Commissie heeft dit bezwaar verworpen. Met genoemde artikelen wordt beoogd de beginselen van een behoorlijke procesvoering te waarborgen, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor. Dat beginsel is door het besluit van de Commissie tot heropening van het onderzoek op geen enkele wijze geschonden, of zelfs maar in gevaar gebracht, nu partijen kennis hebben kunnen nemen van alle stukken en ruimschoots de gelegenheid hebben gehad daarop te reageren.

Medisch beroepsgeheim

3.16 Verweerster heeft in reactie op het bericht van verzoeksters geantwoord dat zij geen uitzonderingen maakt op het beleid zoals in het verweer en ter zitting verwoord, ook niet in bijzondere omstandigheden. Voorts heeft verweerster verklaard dat de arts in kwestie “op belangrijke onderdelen een andere herinnering heeft aan haar mededelingen dan in het bericht van verzoeksters is weergegeven”. Welke mededelingen de behandelend arts heeft gedaan, wil verweerster evenwel niet prijs geven, omdat deze mededelingen zijn gedaan in het kader van een behandelgesprek tussen arts en patiënt en mitsdien onder het medisch beroepsgeheim vallen.

3.17 Verweerster heeft toegelicht dat zij het op zichzelf geen probleem had gevonden om de Commissie te informeren over de door de arts gedane mededelingen en de relevante bijzonderheden omtrent het paar in kwestie. Echter, verweerster meent dat verzoeksters via het internetforum relatief eenvoudig achter de identiteit van deze mensen kunnen komen en dat zij hen in ieder geval in abstracto kennen. Daarom kan de anonimiteit van deze patiënten, ook als verweerster geanonimiseerde informatie zou verstrekken, niet worden gewaarborgd. Verweerster heeft betrokkenen toestemming gevraagd de relevante gegevens geanonimiseerd aan de Commissie te mogen verstrekken, maar zij hebben dat geweigerd.

3.18 In artikel 19, tweede lid, AWGB is bepaald dat een ieder verplicht is de door de Commissie gevorderde inlichtingen en bescheiden te verstrekken, behoudens verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim. Het medisch beroepsgeheim ziet op gevoelige gegevens. Wat daar onder moet worden verstaan is neergelegd in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens: het gaat om – onder meer – persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven. Gegevens als hier aan de orde, dat wil zeggen gegevens betreffende de vruchtbaarheid van betrokkenen, moeten worden gekwalificeerd als gevoelige gegevens betreffende het privéleven van betrokkenen. Verweerster heeft gemotiveerd betoogd dat zij niet aan het verzoek van de Commissie om nadere informatie kan voldoen zonder haar medisch beroepsgeheim te schenden. Betrokkenen hebben immers verweerster geen toestemming gegeven de relevante gegevens geanonimiseerd aan de Commissie te verstrekken. Bovendien is het risico niet ondenkbaar dat de gegevens tot de personen in kwestie te herleiden zijn. Daarom honoreert de Commissie verweersters beroep op haar medisch beroepsgeheim.

Vraag 2: de praktijk

3.19 In artikel 10 AWGB is bepaald dat degene die meent dat in zijn nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de wet, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, de bewijslast verschuift naar de verwerende partij die moet aantonen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.

3.20 Verzoeksters hebben met de aanvullende informatie die zij de Commissie hebben toegestuurd, aanwijzingen naar voren gebracht die doen vermoeden dat verweerster in de praktijk, anders dan zij heeft verklaard, toch uitzonderingen maakt, althans één uitzondering heeft gemaakt, op het beleid dat geen IVF-behandelingen worden uitgevoerd met donorzaad. Volgens deze informatie biedt verweerster wel een IVF-behandeling aan een vrouw/man-paar terwijl zij ook gebruik maken van donorzaad. Op basis van deze informatie lijkt het enige verschil tussen de situatie van verzoeksters en die van het betreffende echtpaar erin te bestaan dat verzoeksters beide vrouw zijn, terwijl het paar uit een man en een vrouw bestaat.
Verweerster betwist weliswaar dat zij onderscheid zou maken, maar heeft bevestigd dat de informatie in ieder geval zodanig concreet is, dat haar op grond daarvan bekend is om welke patiënt(en) het gaat. De Commissie oordeelt dat verzoeksters hiermee aanwijzingen naar voren hebben gebracht die kunnen doen vermoeden dat verweerster in de praktijk onderscheid op grond van seksuele gerichtheid maakt.

3.21 Verweerster heeft dit vermoeden weersproken, door te verklaren dat zij geen uitzonderingen toelaat, maar zij heeft dit niet nader onderbouwd, onder verwijzing naar haar medisch beroepsgeheim.

3.22 De Commissie constateert dat de bewijslastverdeling in de gelijkebehandelingswetgeving (zie hierboven 3.19) in dit geval voor een bijzondere situatie zorgt. Het vermoeden is door verzoeksters gevestigd, maar verweerster verkeert vanwege haar medisch beroepsgeheim in de onmogelijkheid dit vermoeden te weerleggen.

3.23 De Commissie heeft verweerster nadrukkelijk gewezen op de bewijslastverdeling zoals die geldt in het gelijkebehandelingsrecht en heeft verweerster daarom bij herhaling gevraagd om daarom, eventueel in zeer algemene zin, toch op deze informatie van verzoeksters te reageren. Verweerster heeft verklaard zich bewust te zijn van de mogelijke consequenties van de bewijslastverdeling, maar geen manier te zien om daaraan te ontsnappen zonder haar beroepsgeheim te schenden.

3.24 De Commissie oordeelt dat het (proces)risico van verweersters verplichtingen in verband met haar beroepsgeheim, dient te liggen bij de partij die zich beroept op haar geheimhoudingsverplichting. Een ander oordeel zou afbreuk doen aan de effectiviteit van de gelijkebehandelingswetgeving. De Commissie zou dan immers geen oordeel kunnen geven over een situatie waarvan het vermoeden bestaat dat er verboden onderscheid wordt gemaakt. Wanneer het procesrisico bij verweerster ligt, kan van haar ten minste worden gevergd dat zij, met behulp van een oordeel van de Commissie, zelf zorgvuldig onderzoekt of haar beleid en praktijk conform de eisen van de gelijkebehandelingswetgeving zijn.

3.25 Ingevolge de systematiek van de gelijkebehandelingswetgeving leidt de conclusie dat een vermoeden van onderscheid niet gemotiveerd is weerlegd, tot het oordeel dat onderscheid is gemaakt, ook in het geval, zoals in het onderhavige, dat de Commissie wordt geconfronteerd met een feitelijke onmogelijkheid om te onderzoeken of dit daadwerkelijk het geval is. De Commissie is derhalve van oordeel dat verweerster direct onderscheid maakt op grond van seksuele gerichtheid bij de uitvoering van haar beleid.

Ten overvloede

3.26 Ten overvloede overweegt de Commissie als volgt. Verweerster heeft verklaard dat zij, wanneer zij nog wel een spermabank zou beheren, ook niet zou werken met zaad van bekende donoren en dat zij dit ook niet deed toen zij nog wel een spermabank beheerde. Het is haar ervaring, onder meer gebaseerd op een situatie waarbij draagmoederschap aan de orde was, dat bekendheid van de donor tot medische en/of sociale problemen kan leiden. Zij verwijst in dit verband naar CGB-oordeel 2000-4, waarbij ook het beleid ter zake van IVF-behandelingen van onder andere verweerster aan de orde was. De Commissie heeft destijds echter de vraag centraal gesteld of de betreffende instellingen bij het aanbieden van IVF-behandelingen onderscheid maakten jegens (onder meer) lesbische paren. De vraag of de weigering om met bekende donoren te werken als zodanig tot (verboden) onderscheid kan leiden, is destijds niet aan de orde geweest.
Uit een door Movisie in opdracht van de Commissie gemaakte verkenning van het beschikbare wetenschappelijke onderzoek naar inschakeling van bekende en onbekende spermadonoren (gepubliceerd op www.cgb.nl), blijkt dat het meeste onderzoek naar het gebruik van bekende en onbekende spermadonoren is verricht onder lesbische paren. Heterostellen blijven in dergelijk onderzoek doorgaans buiten beschouwing. Uit het onderzoek blijkt echter tevens dat onderzoekers ervan uitgaan dat heterostellen de voorkeur geven aan gebruik van een onbekende (anonieme) donor. Dat geldt niet voor lesbische paren, zij maken doorgaans een weloverwogen keuze voor een bekende of onbekende donor. Dat betekent dat onderscheid naar seksuele voorkeur ten gevolge van het destijds door verweerster gevoerde beleid – niet werken met zaad van bekende donoren, ook wanneer ze een spermabank zou beheren – dan ook niet op voorhand kan worden uitgesloten.

3.27 Daarnaast overweegt de Commissie, zoals in 3.11 al aangegeven, omtrent de wettelijke regels inzake het gebruik van sperma ten behoeve van IVF-behandelingen nog het volgende.
Uit de parlementaire geschiedenis en de relevante wet- en regelgeving komen drie redenen naar voren waarom de uitzondering op de verplichting om donorzaad aan te bieden aan een spermabank is beperkt tot intieme of partnerrelaties. De wetgever noemt als motief de wens commerciële belangen uit te sluiten (Kamerstukken II 2005-06, 30 338, nr. 4, p. 5). Richtlijn 2004/23/EG bevat hiertoe geen verplichting, maar laat voor een dergelijke aanscherping wel ruimte: artikel 4, tweede lid van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaten ‘teneinde een hoog niveau van gezondheidsbescherming te waarborgen, kunnen [….] voorschrijven dat donaties vrijwillig en onbetaald moeten zijn’.
Een tweede reden komt naar voren in de vijfde overweging van de preambule van Richtlijn 2006/17/EG. Daar wordt als reden voor de uitzondering genoemd dat het risico van kruisbesmetting voor de ontvanger in geval van partnerdonatie kleiner zal zijn.
Een derde reden, ten slotte, lijkt gelegen te zijn in het feit dat in het geval van partnerdonatie veelal het zaad van de partner onmiddellijk, dat wil zeggen zonder noodzaak tot bewaren of bewerking van het zaad, wordt gebruikt. Voor situaties waarin dat niet het geval is en het zaad moet worden bewaard of behandeld, gelden strengere regels.

3.28 Deze redenen bieden op het eerste gezicht geen verklaring voor de uitsluiting van situaties als die waarin verzoeksters zich bevinden. Met verzoeksters acht de Commissie het aannemelijk dat, na de pogingen tot zelfinseminatie en iui-behandelingen, het risico voor verzoekster 1 om alsnog via IVF te worden besmet met een geslachtziekte vergelijkbaar is met de situatie van een vrouw die sperma van haar levenspartner gebruikt. Verder wordt ook in de situatie van verzoeksters, anders dan wanneer van een anonieme donor gebruik wordt gemaakt, het zaad direct na donatie gebruikt. En ten slotte lijkt de kans op commerciële belangen, met alle mogelijke risico’s voor de gezondheid van dien, niet groter wanneer de donor, zoals in dit geval, een naaste verwant is van de mee-wensmoeder, verzoekster 2, dan wanneer de donor de echtgenoot of partner van de wensmoeder is.

3.29 Het komt de Commissie voor dat niet is uit te sluiten dat bij de totstandkoming van de hier aan de orde zijnde wetgeving vooral is gedacht aan heteroseksuele relaties en anonieme donoren. Het – mogelijk onbedoelde – gevolg daarvan is dat voor alleenstaande en lesbische vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen minder behandelcentra beschikbaar zijn dan voor vrouwen met een mannelijke partner, ook wanneer eerstgenoemden gebruik willen maken van het sperma van een verwant of anderszins bekende donor. Omdat de ratio voor deze verschillende behandeling van, althans op het eerste gezicht, gelijke gevallen niet duidelijk is, terwijl de nadelige gevolgen voor lesbische paren die gebruik willen maken van een bekende donor aanzienlijk zijn, zal de Commissie dit oordeel ter kennis van de verantwoordelijke minister brengen.

4 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat . . . . jegens . . . . en . . . . :

  • geen verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van seksuele gerichtheid in haar beleid ten aanzien van het aanbieden van IVF-behandelingen;
  • verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van seksuele gerichtheid bij het aanbieden van IVF-behandelingen.

Aldus gegeven te Utrecht op 20 april 2009 door mr. M. van den Brink, voorzitter,
mr. D. Ghidei en mr. H.J. Vilters, leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. M. Graven, secretaris.

Rechters

mr. M. van den Brink, mr. D. Ghidei en mr. H.J. Vilters

Instantie: Rechtbank Arnhem, 15 april 2009

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting

Man niet biologisch vader van inmiddels meerjarige zoon uit huwelijk. Verzoek om moeder te veroordelen tot schadevergoeding afgewezen door rechtbank. Over deze zaak berichtte NRC-Handelsblad. Zie weblog met NJB

Volledige tekst

Uitspraak vonnis RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 168738 / HA ZA 08-567
Vonnis van 15 april 2009
in de zaak van

[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. P.A.C. de Vries,

tegen

[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. W.A.J. Hagen.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1). De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 11 juni 2008
– het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2). De feiten
2.1. De man en de vrouw zijn op 16 maart 1984 met elkaar gehuwd. Vanwege hun kinderwens gebruikten zij tijdens hun huwelijk geen anticonceptie. In het najaar van 1984 heeft de vrouw vanwege een onregelmatige cyclus een gynaecoloog bezocht. Deze heeft haar hormonen voorgeschreven. Ook de man heeft – al in 1978 – een behandeling ondergaan ter verbetering van de vruchtbaarheid. In 1985 is de vrouw zwanger geraakt van de man. Het bleek een buitenbaarmoederlijke zwangerschap te zijn, als gevolg waarvan bij haar een eileider is verwijderd. In 1986 is zij wederom zwanger geraakt. Op 13 maart 1987 is zij bevallen van een zoon, [zoon].

2.2. Het huwelijk tussen partijen is door middel van omzetting in een geregistreerd partnerschap en beëindiging daarvan op 7 juli 2005 geëindigd.

2.3. De man heeft in juni 2006 een DNA-onderzoek laten verrichten, waaruit bleek dat hij niet de biologische vader van [zoon] is. Hij heeft de vrouw met die uitslag geconfronteerd, waarna zij heeft erkend dat zij in 1986 een maal gemeenschap heeft gehad met een ander dan de man en dat zij daarna zwanger bleek.

2.4. De man is in juli 2006 door zijn huisarts naar een psychotherapeut verwezen voor hulp bij de verwerking van de uitslag van het DNA-onderzoek.

3). Het geschil en de beoordeling daarvan
3.1. De man heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de vrouw onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Verder heeft hij gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van € 15.000,00 wegens immateriële schade, € 4.421,00 wegens materiële schade (onder andere de kosten van het DNA-onderzoek, therapie- en cursuskosten, gederfde inkomsten en reiskosten) en voor het overige schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf maart 2006 en proceskosten.

3.2. Het onrechtmatige karakter van het handelen van de vrouw is volgens de man gelegen in het overspel en het daarna verzwijgen van de mogelijkheid dat het kind niet zijn biologische kind zou zijn. Daarbij heeft de man gewezen op het langdurige tijdsbestek waarin en de intieme relatie waarbinnen dit zwijgen heeft plaatsgevonden. Dit handelen is in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, zoals ingevuld door artikel 1:81 BW. Bovendien heeft de vrouw in strijd gehandeld met haar wettelijke plicht, voortvloeiend uit artikel 1:81 BW. Tenslotte heeft de vrouw door deze handelwijze inbreuk gemaakt op het zelfbeschikkingsrecht van de man, omdat hij daardoor zijn gezinsleven niet naar eigen inzicht heeft kunnen inrichten. De man had de wens een groot gezin te stichten, waarbij het verwekken van een eigen nazaat voor hem van groot belang was. Door te verzwijgen dat [zoon] zijn zoon niet was, heeft de vrouw hem de mogelijkheid ontnomen van haar te scheiden en met een ander een gezin te stichten, aldus nog steeds de man.

3.3. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft onder meer betwist dat hetgeen tussen haar en de man is voorgevallen grond kan zijn voor een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad.

3.4. Artikel 1:81 BW bepaalt: “Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen.” Weliswaar volgt uit deze bepaling dat echtgenoten elkaar huwelijkstrouw verschuldigd zijn, doch aangenomen moet worden dat het hier een ideële verplichting betreft die niet in rechte afdwingbaar is. Aan het niet nakomen van een dergelijke ideële, niet in rechte afdwingbare verplichting kan geen vordering tot schadevergoeding worden verbonden, al was het maar omdat deze verplichting daarmee – weliswaar via een omweg – toch in rechte afdwingbaar zou worden. Daarom kan niet worden aangenomen dat overspel onrechtmatig is op de grond dat sprake is van een doen in strijd met een wettelijke plicht in de zin van artikel 6:162 BW.
Hoewel kan worden aangenomen dat de norm van huwelijkstrouw binnen de maatschappij breed gedragen wordt, brengt dat niet mee dat een schending van die norm een handelen is in strijd met hetgeen jegens de echtgenoot volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt in de zin van artikel 6:162 BW. De beslissing met wie een mens al dan niet seksuele gemeenschap heeft is – mits binnen de grenzen van het (straf)recht wat betreft onder meer leeftijd en consensualiteit – uiteindelijk een hoogstpersoonlijke keuze, waaraan een ander geen rechtens afdwingbare aanspraken kan ontlenen, ook niet de echtgenoot. Dat wil zeggen dat het feit dat de vrouw in 1986 gemeenschap heeft gehad met een ander dan de man – kort gezegd: het overspel – op zichzelf bezien niet tot het oordeel kan leiden dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de man. Ook kan het overspel niet bijdragen tot het oordeel dat in samenhang met de overige omstandigheden sprake is van een onrechtmatige daad.

3.5. Dan rijst de vraag of het feit dat de vrouw de man in het ongewisse heeft gelaten van de mogelijkheid dat [zoon] niet zijn biologische zoon was, onrechtmatig jegens de man is geweest. Ook die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De afweging die de vrouw heeft gemaakt toen zij ontdekte dat zij in verwachting was, betreft een afweging van morele aard, waarbij zij niet alleen het belang van de man de waarheid te kennen (of juist: het belang de waarheid niet te kennen), maar ook de belangen van alle betrokkenen (onder wie het ongeboren kind) bij het instandhouden van de relatie had te betrekken. Hoe die afweging uitvalt, is veeleer een kwestie van morele opvattingen, persoonlijke overtuiging of een persoonlijke inschatting van de situatie, dan van een rechtens genormeerde beslissing. Er bestaat geen geschreven of ongeschreven rechtsregel die meebrengt dat een van de partners in een dergelijke situatie jegens de ander gehouden is eigener beweging de waarheid te vertellen. Daar komt bij dat de vrouw het dilemma waarvoor zij stond uit de aard der zaak niet met de man kon bespreken. De rechtbank volgt de man ook niet in zijn stelling dat de vrouw wist of had moeten begrijpen dat haar handelen schade kon berokkenen aan de man. In die situatie kon immers zowel spreken als zwijgen schade berokkenen aan de man. Het is niet evident dat zwijgen meer schade zou berokkenen dan spreken. Dat sprake is geweest van een langdurig tijdsbestek en een intieme relatie maakt het voorgaande niet anders. Die omstandigheden benadrukken slechts het gewicht van de – onomkeerbare – keuze om al dan niet de waarheid te vertellen.

3.6. De man stelt dat hij, indien de vrouw niet zou hebben gezwegen, van haar zou zijn gescheiden, waardoor hij de mogelijkheid zou hebben gehad met een ander een gezin te stichten. De vrouw wist dat hij graag een groot gezin wilde en dat hij grote waarde hechtte aan het voortzetten van de erfelijke lijn. Door te zwijgen heeft de vrouw inbreuk gemaakt op zijn zelfbeschikkingsrecht, hetgeen volgens de man onrechtmatig is. De man verwijst naar HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606.

3.7. In de zaak die heeft geleid tot het arrest HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606 stond in cassatie vast dat de gedaagde toerekenbaar tekort was geschoten in de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Daar rees vervolgens de vraag of de eisers aanspraak konden maken op vergoeding van immateriële schade, in welk kader aan de orde was of door de inbreuk op hun zelfbeschikkingsrecht sprake was van een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW, ook zonder dat sprake was van geestelijk letsel. Die vraag is een andere dan de vraag of een inbreuk op een zelfbeschikkingsrecht onrechtmatig is en zo ja, onder welke omstandigheden. Waar de man spreekt van ‘zelfbeschikkingsrecht’, doelt hij, naar de rechtbank aanneemt, op een recht het leven naar eigen inzicht in te richten. Het kan echter niet anders dan dat een dergelijk recht aan tal van beperkingen onderhevig is, en dat een feitelijke beperking op de mogelijkheid het leven naar eigen inzicht in te richten niet per se voldoende is voor het oordeel dat sprake is van onrechtmatigheid. In een concreet geval zal dan aan de hand van de concrete omstandigheden moeten worden geoordeeld of het handelen van de aansprakelijk gestelde persoon onrechtmatig is, bij welke afweging de beperking in de zelfbeschikking die daarvan het gevolg is, een rol kan spelen, maar niet doorslaggevend behoeft te zijn. In dit geval is het gegeven dat de man mogelijk andere keuzes had gemaakt indien hij de waarheid had gekend, op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de vrouw rechtens gehouden was te spreken. Daar komt bij dat niet aannemelijk is geworden dat juist bij hem sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die dat anders zouden maken. Ter comparitie heeft de man erkend dat hij aanvankelijk, aan het begin van de relatie, geen kinderen wilde en dat hij het nooit expliciet over een groot gezin heeft gehad. Ter toelichting van het belang dat hij hechtte aan een bloedband met zijn nazaten heeft de man erop gewezen dat [zoon] is vernoemd naar zijn vader en dat hij er aan hechtte dat de vrouw zijn achternaam aannam. De rechtbank is van oordeel dat uit dit alles niet is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die tot de conclusie moeten leiden dat de vrouw rechtens geen andere keus kon maken dan te spreken.

3.8. Tussen de partijen is ten slotte in geschil of aan de voorwaarden van artikel 6:106 BW voor toekenning van immateriële schade is voldaan. Die vraag komt echter pas aan de orde indien sprake is van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding (zie artikel 6:95 BW). Nu geen sprake is van een onrechtmatige daad, is er geen grondslag voor toekenning van schadevergoeding, materieel noch immaterieel. De vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet en of dat voldoende is in het kader van artikel 6:106 lid 1 sub a BW en de vraag of sprake is van een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW, behoeven dus geen behandeling.

3.9. Op het voorgaande stuiten de vorderingen van de man af.

3.10. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4). De beslissing
De rechtbank

4.1. wijst de vorderingen af,

4.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2009.

Rechters

mr. A.E.B. ter Heide

25 maart 2009 – Gendertoets plannen huiselijk geweld

Gendertoets plannen huiselijk geweld

25 maart 2009

Oud voorzitter Margreet de Boer heeft in opdracht van het Ministerie van Justitie bezien welke gender aspecten er zouden moeten zitten aan het Plan van Aanpak Huiselijke Geweld 2008-2011. U kunt haar analyse downloaden. Of een papieren versie bestellen voor 5 Euro: info@projectsonwomensrights.nl .

5 maart 2009 – Women on Waves krijgt gelijk van EHRM

Women on Waves krijgt gelijk van EHRM

5 maart 2009

Begin februari oordeelde het Europese Hof voor de Mensenrechten dat Women on Waves in 2004 ten onrechte de toegang tot de Portugese territoriale wateren was onthouden. Women on Waves en de Portugese vrouwenorganisaties die samen naar de rechter stapten (eerst in Portugal) kregen ook schadevergoeding toegekend. Zie het persbericht van Women on Waves en een blog van Antoine Buyse van het Instituut voor Mensenrechten van de Universiteit van Utrecht (SIM).