5 maart 2009 – Gezocht: beeldmateriaal vrouw en recht

Gezocht: beeldmateriaal vrouw en recht

5 maart 2009

Voor een boek dat 5 jaar na het sluiten van het Clara Wichmann Instituut uit zal komen in oktober 2009 is de redactie op zoek naar allerlei beeldmateriaal.

In oktober 2009 zal een boek verschijnen over Vrouw en Recht: de beweging, de mensen, de issues. Het boek verschijnt vijf jaar na de sluiting van het Clara Wichmann Instituut. Het moet een beeld geven van vrouw en recht in Nederland, nu en in de afgelopen decennia. Voor dit boek zijn we op zoek naar illustraties. Foto’s van acties, van (meer of minder beroemde) vrouwelijke advocaten aan het werk, van hoogleraren en studenten juridische vrouwenstudies, van vrouwenrechtswinkels. Affiches, logo’s. Maar ook krantenknipsels en kopieën van opruiende stencils zijn welkom. En andere plaatjes over vrouw en recht die je ooit hebt bewaard, omdat je ze zo treffend vond.
Als het kan ontvangen we het materiaal rechtenvrij. Ben je zelf de maker van foto of illustratie (of ken je deze persoonlijk): vermeld dan even dat we de foto zonder vergoeding mogen gebruiken. Ben je niet zelf de maker, vermeld dan zo mogelijk wel naam en adres van de maker, of geef aan dat de maker onbekend is.
Wanneer je heel mooi materiaal hebt waarvoor wel een vergoeding betaald moet worden: toch graag opsturen. Er is een klein budget hiervoor.

Opsturen naar:
Margreet de Boer,
Nieuwe Herengracht 18,
1018 DP Amsterdam

Schaduwrapportage VN-Vrouwenverdrag 2009: Women’s Rights – Some Progress, Many Gaps

Link naar PDF

28 februari 2009 – ‘Knelpunten na partnergeweld’

‘Knelpunten na partnergeweld’

28 februari 2009

In het boek worden de knelpunten die slachtoffers van geweld door hun partner of ex-partner in de praktijk tegenkomen systematisch gepresenteerd. Aan de hand van concrete verhalen van slachtoffers worden wetgeving en uitvoeringspraktijk kritisch tegen het licht gehouden. De knelpunten zijn per onderwerp geordend. Er zijn hoofdstukken over onder meer het familierecht; veiligheid, politie en strafrecht; financiële gevolgen. Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met een nabeschouwing van een deskundige. Het boek bevat een groot aantal aanbevelingen voor verbeteringen.
Stichting Zijweg: Uit het veld geslagen, knelpunten na partnergeweld ISBN 978 90 8666 088 9
Het boek is te bestellen via de website van Zijweg: www.stichtingzijweg.nl

28 februari 2009 – Alimentatie: Rechters bevoordelen mannen

Alimentatie: Rechters bevoordelen mannen

28 februari 2009

De Vereniging ontving het proefschrift ‘Rechters normeren de alimentatie hoogte’ van Bregje Dijksterhuis. In het boek wordt het ontstaan en de ontwikkeling beschreven van de Werkgroep Alimentatienormen, een rechterlijke werkgroep die verantwoordelijk is voor de zogenaamde Tremanormen. Naast een beschrijving van de ontwikkelingen gaat Dijksterhuis ook in de de sterke en zwakke kanten van de coördinatie door de Werkgroep Alimentatienormen en de vraag hoe de rechterlijke samenwerking zich verhoudt tot de taken van de wetgever.
Een van de conclusies is dat het resultaat van de ontwikkelingen binnen de Werkgroep Alimentatienormen is dat er te weinig aandacht is voor de alimentatie-gerechtigden, in relatie tot de aandacht die er uitgaat naar de alimentatie-plichtigen. De sterke verfijning in de draagkracht-normen maken het systeem te ‘manvriendelijk’.
B.M. Dijksterhuis: Rechters normeren de alimentatiehoogte. Een empirisch onderzoek naar de rechterlijke samenwerking in de Werkgroep Alimentatienormen (1975-2007).
ISBN 978 90 8728 045 1
Leiden University Press, 2008

28 februari 2009 – 12 mei: Colloquium Vrouwenrechten versus religie/traditie/cultuur

12 mei: Colloquium Vrouwenrechten versus religie/traditie/cultuur

28 februari 2009

Vrouwenrechten versus religie/traditie/cultuur

Op 12 mei 2009 zal er in Den Haag een colloquium plaatsvinden over Vrouwenrechten versus religie/traditie/cultuur. Het colloquium wordt gesubsidieerd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en vindt plaats in het kader van de uitwerking van het Nederlandse mensenrechtenbeleid ten aanzien van vrouwen. De organisatie is in handen van Prof. Cees Flinterman (Universiteit Utrecht en lid CEDAW-Commité) en Prof. Rikki Holtmaat (Universiteit Leiden) – beiden lid van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann.

In de ochtend zijn er inleidingen door experts op het terrein van internationale vrouwenrechten (met name het VN-Vrouwenverdrag). Sprekers zijn ondermeer prof. Frances Raday (Hebrew University of Jerusalem) Dr. Beate Schöpp Schilling (Member of CEDAW 1989-2008), Prof. Marsha Freeman (University of Minnesota Law School) en Dr. Jane Connors (Office of the UN High Commissioner for Human Rights, Geneva). In de middag zijn er vier workshops:
1) The right to physical integrity: the case of female circumcision;
2) The right to be protected from violence: the case of cultural defense in criminal cases;
3) The right to family life: the case of marriage, divorce and/or inheritance;
4) The right to political participation: the case of the SGP.

De voertaal is Engels. Het aantal plaatsen is beperkt. U kunt zich opgeven per email bij Francine Oldenhof:
f.p.oldenhof@law.leidenuniv.nl

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 26 februari 2009

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting

Uitlooptermijn in geval van intrekking WAO-uitkering mag niet starten tijdens bevallingsverlof.
Besluit tot intrekking of vermindering WAO-uitkering mag tijdens bevallingsverlof genomen worden, omdat de verzekeringsarts in staat moet worden geacht een inschatting te maken van de beperkingen die wel en niet aan de zwangerschap gerelateerd zijn. De uitlooptermijn, waar de uitkeringsgerechtigde zich moet oriënteren op het vinden van werk, mag pas starten na afloop bevallingsverlof.

Volledige tekst

Uitspraak
06/6330 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2006, 05/554 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J. Dennekamp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nog nadere stukken aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Dennekamp voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen ten einde nadere vragen voor te leggen aan het Uwv.

Bij brief van 13 oktober 2008 heeft het Uwv de vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 23 oktober 2008. Namens appellante is verschenen mr. Dennekamp, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van ’t Oor, voornoemd en mr. M.C.F.M. Mollee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum], is in oktober 1996 uitgevallen voor haar werk als verkoopster damesmode als gevolg van een whiplash syndroom. In verband hiermee is aan haar een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 10 juli 2004 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WAO-uitkering per 27 juli 2004 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% zou bedragen. Aan dit besluit ligt een rapportage d.d. 9 februari 2004 van de verzekeringsarts ten grondslag waaruit blijkt dat de medische situatie van appellante verbeterd is en dat haar beperkingen, met name op energetisch en psychisch gebied, ten opzichte van het laatste onderzoek zijn afgenomen. Wat betreft de fysieke belastbaarheid van appellante heeft de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) met name beperkingen vastgesteld ten aanzien van het langdurig in dezelfde houding zitten en lang staan of lang achter een beeldscherm zitten, alsmede voor werken boven schouderhoogte omdat dan de nekklachten kunnen opspelen. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens op 26 mei 2004 gerapporteerd dat appellante niet geschikt kan worden geacht voor haar eigen werk, maar dat zij met inachtneming van de vastgestelde beperkingen geschikt is voor een aantal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 0%. Bij schrijven van 26 mei 2004 is aan appellante aangezegd dat haar arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 27 juli 2004 (zijnde twee maanden en één dag na datum dagtekening van deze brief) dient te worden beëindigd.

1.3. Naar aanleiding van het namens appellante tegen dit besluit aangevoerde bezwaar heeft het Uwv een nader onderzoek laten verrichten door een bezwaarverzekeringsarts die, na kennisneming van de namens appellante overgelegde medische informatie, tot de slotsom is gekomen dat er aanleiding bestaat tot herziening van de medische grondslag waarop het besluit van 10 juli 2004 berust, in die zin dat de FML nog dient te worden aangevuld met enkele beperkingen met betrekking tot de nekklachten. De nadere arbeidskundige beoordeling heeft geleid tot een verlies aan verdiencapaciteit van 6,8% zodat het besluit van 10 juli 2004 wordt gehandhaafd.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 13 december 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

1.5. Naar aanleiding van het tegen dat besluit ingestelde beroep bij de rechtbank heeft het Uwv, onder intrekking van het besluit van 13 december 2004, een nieuwe beslissing op bezwaar van 2 juni 2005 genomen waarin op grond van een gewijzigde berekening van het maatmaninkomen de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per 27 juli 2004 wordt herzien en nader vastgesteld op 25 tot 35%.

2). De rechtbank heeft het beroep van appellante op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen het besluit van 2 juni 2005. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 13 december 2004 niet-ontvankelijk geacht en het beroep tegen het besluit van 2 juni 2005 gegrond verklaard. Het besluit van 2 juni 2005 is vernietigd omdat het niet voldoet aan de motiveringsvereisten die ingevolge de vaste jurisprudentie van deze Raad aan het besluit gesteld moeten worden. Hierbij is tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft hiertoe – kort gezegd – overwogen dat het medisch onderzoek dat aan het besluit van 2 juni 2005 ten grondslag is gelegd zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de arbeidskundige beoordeling, zoals deze in beroep nader is voorzien van een adequate motivering en/of toelichting, eveneens de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank heeft het Uwv voorts veroordeeld in de proceskosten van appellante en bepaald dat het griffierecht dient te worden vergoed.

3). Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij niet geschikt is de haar voorgehouden functies te vervullen. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts op 9 februari 2004 zeven maanden zwanger was en dat de verzekeringsarts om die reden geen reële inschatting van haar arbeidsmogelijkheden heeft kunnen maken. Voorts had appellante tijdens haar bevallingsverlof niet opgeroepen mogen worden door de arbeidsdeskundige omdat zij recht heeft op een ongestoord genot van haar bevallingsverlof. Dienaangaande heeft appellante tevens betoogd dat de uitlooptermijn van twee maanden eerst had mogen aanvangen na haar bevallingsverlof van tien weken, te weten op 12 juni 2004, zodat de uitkering eerst per 13 augustus 2004 had mogen worden herzien. Van de zijde van appellante is in dit verband verwezen naar Richtlijn 79/7/EG en Richtlijn 76/207/EG alsmede naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof van Justitie) van 30 juni 1998 (Mary Brown, C-394/96). Naar het oordeel van appellante is er in haar geval sprake van ongeoorloofde discriminatie omdat de beoordeling van de WAO-aanspraken en daarmee gepaard gaande keuringen gelijkelijk op iedereen worden toegepast, terwijl appellantes situatie tijdens de herbeoordeling een andere is en zij hierdoor ongunstiger is behandeld.

3.1. In hoger beroep heeft het Uwv nog een door de bezwaarverzekeringsarts uitgevoerde correctie op de FML – in verband met de zogeheten verborgen beperkingen – in het geding gebracht, hetgeen na onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige niet heeft geleid tot een wijziging van het besluit van 2 juni 2005 (hierna: bestreden besluit).

3.2. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv desgevraagd medegedeeld dat een intern beleid is ontwikkeld, vastgelegd in een niet-gepubliceerd uitvoeringsbericht van 10 januari 2006, waarin onder meer is neergelegd dat de herbeoordeling van een zwangere vrouw niet plaatsvindt gedurende de zwangerschap en wordt uitgesteld tot tien weken na de vermoedelijke bevallingsdatum. Dit beleid heeft directe werking gekregen en is niet van toepassing geacht op lopende zaken waarin de beslissing op bezwaar vóór 10 januari 2006 is genomen.

3.3. Naar aanleiding van dit ter zitting overgelegde uitvoeringsbericht van 10 januari 2006 heeft de Raad bij brief van 24 september 2008 nadere vragen aan het Uwv gesteld. In reactie op deze vraagstelling heeft het Uwv – samenvattend – geantwoord dat bedoeld beleid niet is ontwikkeld op grond van een verplichting uit het gemeenschapsrecht waardoor de positie van zwangere vrouwen wordt beschermd, doch meer is ingegeven door de grote aSB-herbeoordelingsoperatie waarin het Uwv regelmatig werd geconfronteerd met herbeoordelingen tijdens zwangerschap, hetgeen vorming van een uniform beleid voor deze groep vrouwen wenselijk maakte. Het Uwv heeft voorts gemotiveerd bestreden dat het bestreden besluit niet in overeenstemming zou zijn met gemeenschapsrecht. Voor zover Richtlijn 92/85/EG al van toepassing zou zijn, is hierop, naar het oordeel van het Uwv, geen inbreuk gemaakt. Ook is in het geval van appellante geen sprake van ongeoorloofde discriminatie. Tot slot is betoogd dat het Uwv de bevoegdheid heeft te bepalen wanneer nieuw beleid wordt toegepast en in hoeverre hieraan terugwerkende kracht wordt gegeven.

4). De Raad overweegt als volgt.

4.1. Appellante is tijdens haar zwangerschap opgeroepen voor een herbeoordeling en onderzocht door de verzekeringsarts op 9 februari 2004 toen zij zeven maanden zwanger was. Appellante is op 3 april 2004 bevallen. Acht weken na haar bevalling is appellante op 26 mei 2004 opgeroepen voor een gesprek met de arbeidsdeskundige. Vervolgens heeft ook op laatstgenoemde datum de aanzegging plaatsgevonden dat de uitkering wordt ingetrokken, later gewijzigd in een herziening van de uitkering, met ingang van 27 juli 2004. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien aan het uitvoeringsbeleid van 10 januari 2006, waarin is neergelegd dat zwangere vrouwen tot tien weken na de bevalling niet voor een herbeoordeling worden opgeroepen, in het geval van appellante gevolgen te verbinden.

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

4.2. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat de verzekeringsarts een onjuist medisch beeld heeft gekregen van haar belastbaarheid, enkel vanwege het feit dat de medische keuring tijdens de zwangerschap heeft plaatsgevonden. Met het Uwv acht de Raad een verzekeringsarts voldoende in staat een inschatting te maken van de beperkingen die wel en niet aan de zwangerschap gerelateerd zijn. Dat de vaststelling van de arbeidsmogelijkheden en beperkingen tijdens een gevorderde zwangerschap per datum in de toekomst niet altijd goed mogelijk is en het Uwv dienaangaande in verband met de gewenste uniformiteit nieuw beleid heeft geformuleerd waarin van keuring tijdens de zwangerschap wordt afgezien, brengt de Raad niet tot een ander standpunt. In het geval van appellante is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet op bedenkingen stuit. De verzekeringsarts heeft beperkingen aangegeven ten aanzien van hoge en langdurige concentratie en ten aanzien van de nekbelasting, welke door de bezwaarverzekeringsarts nog zijn aangescherpt. Appellante heeft geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen voor de datum in geding, medio 2004.

Het arbeidskundig onderzoek

4.3. Eveneens kan de Raad appellante niet volgen in haar betoog dat appellante niet tijdens haar bevallingsverlof opgeroepen had mogen worden voor een gesprek met de arbeidsdeskundige. De Raad heeft hierbij in ogenschouw genomen de doelstelling van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, namelijk de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap alsmede de bescherming van de bijzondere relatie tussen moeder en kind tijdens de periode na de zwangerschap en de bevalling. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat die bescherming niet zo ver gaat dat in het onderhavige geval een bezoek aan de arbeidsdeskundige, acht weken na de bevalling, niet verenigbaar is met het beoogde rustig en ongestoord genot van het bevallingsverlof, dan wel anderszins niet gevergd kon worden van appellante. De Raad heeft hierbij tevens van belang geacht dat een gesprek met de arbeidsdeskundige niet per definitie de betrokkene in een ongunstiger positie hoeft te brengen, en in ieder geval de veelal gewenste zekerheid verschaft omtrent de WAO-aanspraak van de betrokkene. De Raad heeft ook binnen het gemeenschapsrecht in samenhang met de jurisprudentie van het Hof van Justitie geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel.

De uitlooptermijn

4.4. In de brief van 26 mei 2004 heeft de arbeidsdeskundige de beslissing aangezegd dat de uitkering ingevolge de WAO met ingang van 27 juli 2004, twee maanden en een dag na de datum van de brief, zal worden ingetrokken (later gewijzigd in een herziening naar 25 tot 35%). Namens appellante is dienaangaande naar voren gebracht dat de zogenoemde uitlooptermijn niet tijdens appellantes bevallingsverlof, in casu 8 weken na de bevalling, een aanvang had mogen nemen. Het Uwv heeft hier tegen ingebracht dat appellante als WAO-gerechtigde geen recht had op een vaste periode van bevallingsverlof. Desalniettemin heeft het Uwv appellante gedurende een tijdvak van 15 weken rond de bevalling niet benaderd en is de verlaging van de WAO-uitkering ruim 16 weken na de bevalling ingegaan. Appellante is, naar het oordeel van het Uwv, hierdoor geenszins benadeeld.

4.5. De Raad merkt allereerst op dat in de Wet Arbeid en Zorg voor vrouwelijke werknemers een recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof is neergelegd van totaal 16 weken, waarvan in ieder geval 10 weken aaneengesloten na de bevalling. Hoewel appellante als WAO-gerechtigde, niet zijnde een werkneemster in de zin van de Wet Arbeid en Zorg, niet binnen de directe werkingssfeer van die wet valt, kan naar het oordeel van de Raad appellante een recht op een bevallingsverlof van 10 weken niet worden ontzegd, omdat zij van de met het zwangerschaps- en bevallingsverlof beoogde bescherming niet uitgesloten kan worden geacht. De stelling van het Uwv dat ten tijde in geding in Richtlijn 92/85/EG (de zogenoemde zwangerschapsrichtlijn) “slechts” is voorzien in een recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof van ten minste veertien aaneengesloten weken en het Uwv deze termijn ruimschoots in acht heeft genomen, kan aan het voorgaande niet afdoen, nu in die richtlijn slechts een minimumniveau van bescherming is gewaarborgd en het aan de lidstaten vrij is gelaten om een hoger niveau van bescherming vast te stellen. Nu de nationale wetgever blijkens de Wet Arbeid en Zorg een hoger beschermingsniveau aangewezen heeft geacht, gaat de Raad in het kader van de onderhavige beoordeling uit van een recht op bevallingsverlof van appellante van 10 weken. De Raad ziet zich overigens in deze zienswijze gesteund door eerdergenoemd beleid van het Uwv geldend vanaf 10 januari 2006 waarin de herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de zwangere vrouw is uitgesteld tot 10 weken na de vermoedelijke bevallingsdatum. Op grond van bovenstaande kan worden vastgesteld dat de uitlooptermijn een aanvang heeft genomen tijdens het bevallingsverlof van appellante.

4.6. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de aanvang van de uitlooptermijn tijdens het bevallingsverlof rechtens ongeoorloofd moet worden geacht.

4.7. De Raad stelt voorop dat ingevolge vaste jurisprudentie de bij een intrekking of herziening van een uitkering in acht te nemen zorgvuldigheid met zich brengt dat aan de betrokkene na het gesprek met de arbeidsdeskundige waarin is meegedeeld dat zij geschikt is voor passend werk, een zogeheten uitlooptermijn wordt gegund. In deze periode wordt de betrokkene de tijd gegund om zich in te stellen op de na de intrekking of herziening van zijn uitkering nieuw ontstane situatie, waarbij de betrokkene zich dient te oriënteren op de arbeidsmarkt en op zijn verdienmogelijkheden en waarbij allerlei activiteiten moeten worden verricht, zoals het inschrijven als werkzoekende bij het CWI, de aanvraag van een WW-uitkering en solliciteren. Daarbij is een termijn korter dan twee maanden vanaf de dag waarop de betrokkene met voormelde opvatting van het Uwv is geconfronteerd en op de hoogte is gebracht van de voor haar bestaande arbeidsmogelijkheden en de dag met ingang waarvan de intrekking of herziening plaatsvindt niet in overeenstemming met een zorgvuldige wetstoepassing.

4.8. Gezien aan de ene kant de in overweging 4.3 genoemde doelstelling van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, waaraan kan worden toegevoegd dat het bevallingsverlof met name is bedoeld om de vrouw te garanderen dat zij zich in de weken na de bevalling aan haar kind kan wijden, en de hierboven vermelde doelstelling van de uitlooptermijn aan de andere kant, is de Raad van oordeel dat een samenloop van deze twee periodes een cumulatie van lasten met zich brengt, waardoor afbreuk wordt gedaan aan beide doelstellingen. De Raad heeft voor dit oordeel tevens steun gevonden in het gemeenschapsrecht en de ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Hof van Justitie, in het bijzonder waar het betreft de bescherming van de vrouw bij zwangerschap en moederschap (vergelijk de arresten van 27 oktober 1998, Boyle, C-411/96, LJN AD2954, van 18 maart 2004, Gómez, C-342/01 en van 20 september 2007, Kiiski, C-116/06, LJN BB7073). Hoewel deze jurisprudentie betrekking heeft op de positie van werkneemsters tijdens hun zwangerschaps- en/of bevallingsverlof, ziet de Raad voldoende aanleiding om deze jurisprudentie te betrekken bij de invulling van de bij een intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in acht te nemen zorgvuldigheid. Dit leidt tot het oordeel dat van appellante tijdens haar bevallingsverlof niet gevergd kan worden zich te oriënteren op de arbeidsmarkt en op haar verdienvermogen. Dit heeft tot gevolg dat appellante door het samenvallen van een deel van de uitlooptermijn met het bevallingsverlof, een kortere periode dan de vereiste twee maanden overhoudt waarin zij zich kan instellen op haar nieuwe inkomenspositie, hetgeen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat de aanzegging van de herziening van de uitkering had moeten plaatsvinden na het bevallingsverlof, in het onderhavige geval met ingang van 13 augustus 2008. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuiste grondslag.

4.9. De Raad voegt hier – ten overvloede – nog aan toe dat bij ongewijzigde omstandigheden op de ingevolge deze uitspraak in acht te nemen effectueringsdatum, de vaststelling van de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid zoals dat is geschied bij het bestreden besluit, de rechterlijke toets van de Raad zou kunnen doorstaan.

4.10. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, behoudens voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5). De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 805,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

IA

Rechters

T.L. de Vries, H.J. Simon, H.J. de Mooij

Instantie: Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 9 februari 2009

Instantie

Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

Samenvatting

Machtiging tot voorlopig verblijf vrouw afgewezen.
Dat aan haar twee minderjarige kinderen wel een mvv is verleend is niet zodanig bijzonder dat hieruit een positieve verplichting voortvloeit hun moeder verblijf toe te staan.
Voor zover art. 3 lid 1, 9, 10 IVRK en art. 5 lid 5 Gezinsherenigingsrichtlijn al een direct toepasbare norm inhouden, hebben zij geen verdere strekking dan dat rekening moet worden gehouden met belangen van betrokken kinderen. Dat is in casu gebeurd, maar leidt niet tot toekennen mvv aan moeder. Moeder is analfabeet en kan daardoor niet aan inburgeringsvereiste voldoen.

Volledige tekst

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2007 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister), voor zover thans van belang, een aanvraag van A.(hierna: de vreemdeling) om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna:mvv) te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 25 april 2007 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak, tegelijkertijd met zaak nr. 200806120/1, op 24 september 2008 ter zitting behandeld, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de minister dat – samengevat weergegeven en voor zover thans van belang – de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet bevoegd is om voormelde aanvraag af te wijzen op de enkele grond dat de vreemdeling niet heeft voldaan aan het, uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voortvloeiende, inburgeringsvereiste (hierna: het inburgeringsvereiste). De minister voert hiertoe, onder verwijzing naar artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000, artikel 3.71a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) en de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepalingen, aan dat de rechtbank aldus niet heeft onderkend dat uit het stelsel van wetgeving volgt dat opname van het inburgeringsvereiste in de artikelen 3.13 tot en met 3.22 van het Vb 2000 niet nodig is om voor de afgifte van een mvv met als doel gezinshereniging of gezinsvorming de eis te kunnen stellen dat aan het inburgeringsvereiste is voldaan.

2.2. De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (bij uitspraak van 2 december 2008 in zaak nr. 200806120/1; www.raadvanstate.nl) beantwoord. Uit rechtsoverweging 2.1.2 van die uitspraak vloeit voort dat de grief reeds hierom slaagt. Hetgeen daarin overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

2.4. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat zij van het inburgeringsvereiste dient te worden ontheven, aangezien zij analfabeet is en
daarom nimmer in staat zal zijn het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen. De vreemdeling heeft hiertoe gewezen op een door haar overgelegd vragenformulier met hierop een verklaring, gedateerd 10 april 2007, van een arts (hierna: het vragenformulier). Voorts heeft zij, ter onderbouwing van haar stelling dat zij analfabeet is, in beroep een verklaring van de “Président de la Commune Rurale d’ijarmaouas, Province de Nador” van 5 juni 2007 overgelegd.

2.4.1. Ingevolge artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 – ten tijde van belang – wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen op grond van het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste, indien de desbetreffende vreemdeling ten genoegen van de minister van Justitie heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn het basisexamen inburgering, bedoeld in artikel 3.98a, af te leggen. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000) legt de desbetreffende vreemdeling die door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering, bedoeld in artikel 3.98a van het Vb 2000, af te leggen, een verklaring over van het model dat als bijlage 19 bij het VV 2000 is gevoegd, dat is ingevuld en ondertekend door een door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts of deskundige. In paragraaf B1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) – ten tijde en voor zover thans van belang – is een vaste gedragslijn van de minister weergegeven, blijkens welke de basiskennis, die de desbetreffende vreemdeling reeds voor komst naar Nederland in het buitenland moet hebben verworven, in het buitenland aan de hand van het basisexamen inburgering wordt beoordeeld, tenzij deze vreemdeling niet inburgeringsplichtig is of van deze plicht is vrijgesteld; de resultaten van het basisexamen worden door de minister bij de aanvraag om verlening van een mvv betrokken. Volgens paragraaf B1/4.7.2 – ten tijde en voor zover thans van belang – is een vreemdeling, indien hij een ernstige lichamelijke en/of geestelijke belemmering heeft, van het examen inburgering buitenland ontheven. De desbetreffende vreemdeling dient zelf aan te tonen dat hij voor de ontheffing in aanmerking komt.

2.4.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wettelijke bepalingen over het inburgeringsvereiste (Kamerstukken II 2004/2005, 29 700, nr. 6, blz. 40-41) komt naar voren dat het ook voor analfabeten in beginsel mogelijk moet worden geacht om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen. Met het oog hierop en in het licht van artikel 3.71a, tweede lid, onder c, van het Vb 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.10 van het VV 2000, paragraaf B1/4.7.2 van de Vc 2000 en de in paragraaf B1/4.7 van de Vc 2000 weergegeven vaste gedragslijn, heeft de minister in het door de vreemdeling gestelde analfabetisme niet ten onrechte geen aanleiding gezien om haar van de inburgeringsplicht te ontheffen. De verwijzing van de vreemdeling naar het vragenformulier maakt dit niet anders, aangezien hierin slechts is
aangegeven dat zij analfabeet is en overigens niets is vermeld over lichamelijke of geestelijke belemmeringen als hiervoor bedoeld. Ditzelfde geldt voor voormelde verklaring van 5 juni 2007.

2.4.3. De beroepsgrond faalt derhalve.

2.5. De vreemdeling heeft in beroep voorts betoogd dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daartoe heeft de vreemdeling erop gewezen dat aan haar twee minderjarige kinderen wel een mvv is verleend.

2.5.1. Deze beroepsgrond faalt eveneens. Inmenging in de zin van voormelde verdragsbepaling doet zich niet voor. De weigering om aan de vreemdeling een mvv te verlenen strekt er ook niet toe haar een verblijfstitel te ontnemen die haar tot uitoefening van familie- of gezinsleven hier te lande in staat stelde. De minister heeft de omstandigheid dat geen bezwaar meer bestaat tegen de overkomst van de twee minderjarige kinderen niet ten onrechte niet zodanig bijzonder geacht dat uit het recht op respectering van familie- of gezinsleven van de vreemdeling voor hem de positieve verplichting voortvloeit haar verblijf hier te lande toe te staan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de vreemdeling niet
aannemelijk heeft gemaakt dat een objectieve belemmering bestaat om het familie- en gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen, alsmede dat, nu zij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zij blijvend niet aan het inburgeringsvereiste zal kunnen voldoen, het niet vrijstellen hiervan niet betekent dat zij hier te lande nimmer familie- en gezinsleven zal mogen uitoefenen.

2.6. Verder heeft de vreemdeling in beroep, onder verwijzing naar de hiervoor in 2.5 weergegeven omstandigheid, aangevoerd dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met de artikelen 3, eerste lid, 9 en 10 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) en met artikel 5, vijfde lid, van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de richtlijn).

2.6.1. Voor zover de ingeroepen bepalingen al een direct toepasbare norm inhouden, hebben zij geen verdere strekking dan dat bij procedures als de onderhavige rekening moet worden gehouden met belangen van daarbij betrokken kinderen. In het besluit van 25 april 2007 is de situatie van de twee minderjarige kinderen van de vreemdeling uitdrukkelijk bij de beoordeling betrokken. Nu de ingeroepen bepalingen wat betreft het gewicht dat in een concreet geval aan het belang van een kind moet worden toegekend, geen norm bevatten bestaat geen grond voor het oordeel dat die bepalingen zijn geschonden.

2.6.2. De beroepsgrond faalt derhalve.

2.7. De vreemdeling heeft in beroep voorts betoogd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht bij de behandeling daarvan van horen kan worden afgezien.

2.7.1. Van het horen mag slechts met toepassing van voormeld artikelonderdeel worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen
twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kan leiden.

2.7.2. In het besluit van 19 januari 2007 heeft de minister aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat – samengevat weergegeven – de vreemdeling het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd, dat geen aanleiding bestaat haar van het inburgeringsvereiste te ontheffen en dat de afwijzing van de aanvraag geen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert.
In het aanvullend bezwaarschrift van 12 februari 2007 heeft de vreemdeling betoogd dat zij op medische gronden niet in staat is het
basisexamen inburgering af te leggen, waarvoor zij heeft verwezen naar een door haar overgelegde – onvertaalde – verklaring van een arts van 4 januari 2007, en dat het meer in de rede ligt dat zij in Nederland inburgeringscursussen volgt.
Verder heeft ze erop gewezen dat geen bezwaar meer bestaat tegen de overkomst van haar twee minderjarige kinderen. Voorts heeft ze een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM, de richtlijn en artikel 3, eerste lid, van het IVRK.
Bij brief van 13 maart 2007 heeft de minister, voor zover thans van belang, de vreemdeling in de gelegenheid gesteld nader te onderbouwen dat zij door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering af te leggen.
Bij brief van 12 april 2007 heeft de vreemdeling het vragenformulier overgelegd.

2.7.3. Gezien voormelde motivering van het besluit van 19 januari 2007 en de door de minister bij brief van 13 maart 2007 geboden gelegenheid heeft hij zich in het besluit van 25 april 2007, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.2, 2.5.1 en 2.6.1 is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat de bezwaargronden niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden, zodat deze beroepsgrond eveneens faalt
.
2.8. Het inleidende beroep van de vreemdeling is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage,
nevenzittingsplaats Amsterdam, van 15 juli 2008 in zaak nr. 07/18932;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, leden, in
tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Schuurman
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2009
282-565.
Verzonden: 9 februari 2009
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak

Rechters

Lubberdink, Van Wagtendonk, Parkins-de Vin

Rikki Holtmaat (e.a.): Het toelaten van symbolische meisjesbesnijdenis: een slecht teken, NJB 6 februari 2009

Link naar PDF

Instantie: Rechtbank Leeuwarden, Sector straf, 5 februari 2009

Instantie

Rechtbank Leeuwarden, Sector straf

Samenvatting

Moeder is veroordeeld omdat zij de omgangsregeling die eerder in hoger beroep door het gerechtshof is vastgesteld niet naleeft en de zoon niet meegeeft aan de vader. De moeder is veroordeeld tot 100 uur werkstraf, waarvan 40 uur voorwaardelijk.

Volledige tekst

Uitspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],
wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 22 januari 2009.
Verdachte is niet verschenen; wel zijn verschenen mr. M.M.E. Rietjens en mr. T.C. ten Rouwelaar-Hoogland, beiden advocaat te Amsterdam, die verklaard hebben uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:
– veroordeling voor het telastegelegde;
– oplegging van een werkstraf voor de duur van 100 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Ambtshalve overweging

De rechtbank heeft zich ambtshalve gebogen over de vraag of deze situatie, te weten het niet afgeven van het kind ter uitvoering van een door de rechter opgelegde omgangsregeling, valt onder de reikwijdte van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Meer specifiek is de vraag of onder “onttrekken” in de zin van dit artikel ook kan worden begrepen het niet meegeven van het kind door een met het wettig gezag beklede ouder aan de andere, eveneens met wettig gezag beklede ouder.
In 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie, naar aanleiding van de vraag of het niet nakomen van een omgangsregeling bij een apart wetsartikel strafbaar moest worden gesteld, nog verklaard dat strafrechtelijke vervolging van een ouder niet in het belang van het kind zou zijn (brief van 11 februari 2000 bij wetsontwerp 25 451).
Op 15 februari 2005 (NJ 2005, 218, LJN AR8250) heeft de Hoge Raad echter overwogen dat degene die mede het gezag over een minderjarig kind uitoefent, dit kind desondanks aan het gezag en/of het opzicht van een ander kan onttrekken, bijvoorbeeld door zich niet te houden aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde omgangsregeling. In dit arrest betrof het een situatie waarbij de vader het kind niet volgens de omgangsregeling terugbracht bij de moeder bij wie het kind zijn hoofdverblijf had. De Hoge Raad achtte strafrechtelijke vervolging op grond van artikel 279 mogelijk.
Het onderhavige geval heeft betrekking op de omgekeerde situatie, namelijk dat de moeder, bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, zich niet houdt aan de vastgestelde omgangsregeling door het kind niet met de vader mee te laten gaan. De strekking van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht is om degenen die het wettig gezag uitoefenen over een minderjarige in staat te stellen hun taak uit te oefenen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank ook te gelden voor de met het ouderlijk gezag belaste niet-verzorgende ouder, zoals hier de vader. De bescherming van het kind staat hierbij centraal.
Gelet op deze strekking en de bewoordingen van het hiervoor genoemde arrest, is de rechtbank van oordeel dat artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht ook op een situatie als de onderhavige van toepassing is.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft op de gronden als in haar pleitnota aangegeven, bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het haar telastegelegde nu er geen sprake is geweest van opzet bij verdachte bij het niet naleven van de omgangsregeling.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de hieronder weergegeven bewijsmiddelen (met name de onder 4. en 5. genoemde stukken) blijkt dat verdachte zich vanaf het begin verzet heeft tegen een omgangsregeling en dat diverse gerechtelijke procedures noodzakelijk waren om haar te dwingen daaraan mee te werken. Vervolgens blijkt dat in de telastegelegde periode geen enkele maal de opgelegde omgangsregeling is uitgevoerd. Zo heeft verdachte, zoals blijkt uit haar hieronder onder 3. weergegeven verklaring, een aantal malen besloten niet thuis te zijn. Daarmee heeft zij willens en wetens de omgangsregeling niet nageleefd. Dat dit, zoals verdachte stelt, is gebeurd op advies van de politie en/of jeugdzorg, doet hier niet aan af. Het is verdachte zelf geweest die heeft besloten weg te gaan en de omgangsregeling niet na te komen.
De stelling van de raadsvrouw dat [de vader] zelf is weggegaan toen bleek dat zijn zoon niet meteen mee ging, doet hier eveneens niet aan af. [de vader] kwam om zijn zoon mee te nemen en toen hem duidelijk was dat hij hem niet meekreeg, kon niet van hem worden verwacht dat hij de volle duur van de omgangsregeling voor de woning van verdachte door zou brengen met pogingen om alsnog zijn zoon mee te krijgen.
Desgevraagd heeft de raadsvrouw meegedeeld dat er door verdachte geen beroep op een schuld- of strafuitsluitingsgrond wordt gedaan.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot het telastegelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe:

  1. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [de vader] (pag. 13-16 van het proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2007057754) onder meer inhoudende
    -zakelijk weergegeven- als zijn verklaring:
    In 2001 ben ik gescheiden van [verdachte]. Wij hebben samen een zoon, [naam zoon], geboren op [geboortedatum]. Mijn ex-vrouw heeft letterlijk tegen mij gezegd dat ik mijn zoon nooit meer zou zien. Het gerechtshof in Leeuwarden heeft op 27 maart 2007 een omgangsregeling uitgesproken met ingang van 6 mei 2007. Uit een schrijven van haar advocaat bleek dat mijn ex-vrouw hieraan niet mee wilde werken. De voorzieningenrechter heeft op 4 mei 2007 uitspraak gedaan, inhoudende dat mijn ex-vrouw moest meewerken aan de omgangsregeling. Op 6 mei 2007 heb ik mij gemeld bij het adres van mijn ex-vrouw in Franeker. Zij wilde mijn zoon niet meegeven. Op 20 mei 2007 heeft dit zich herhaald en ik kreeg wederom mijn zoon niet mee. Op 3 juni 2007 heeft zich hetzelfde afgespeeld waarna de heer [naam] van de politie een bemiddelingspoging heeft gedaan maar mijn ex-vrouw wilde wederom geen medewerking verlenen.

  2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [de vader] (pag. 17-18 van het proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2007057754) onder meer inhoudende
    -zakelijk weergegeven- als zijn verklaring:
    Alle keren dat ik, van 17 juni 2007 tot 15 november 2007, bij mijn ex-vrouw ben geweest om mijn zoon op te halen, gaf zij hem niet mee of waren zij zelfs niet thuis.

  3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte, [verdachte] (pag. 22-28 van het proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2007057754), wonende te Franeker, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven- als haar verklaring:
    Op 10 mei 2001 ben ik gescheiden van [de vader]. Wij hebben beiden het ouderlijk gezag over zoon [naam zoon]. De verstandhouding is vanaf die tijd slecht geweest. Het gerechtshof heeft besloten dat [de vader] recht had op omgang met zijn zoon. Op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007 kwam [de vader] om [naam zoon] op te halen. [naam zoon] is niet meegegaan en [de vader] is vertrokken. Hierna ben ik gebeld door de politie. Op 14 juni 2007 is er een zitting geweest en mijn verzoek om een begeleide omgangsregeling is afgewezen. Op 17 juni 2007 heb ik ervoor gekozen niet thuis te blijven. Op 1 juli 2007 is [de vader] vermoedelijk ook aan de deur geweest. Op 15 juli 2007 heb ik besloten niet aanwezig te zijn. Bureau Jeugdzorg heeft de Raad voor de kinderbescherming verzocht onderzoek te doen naar een ondertoezichtstelling omdat wij er op vrijwillige basis niet uitkwamen. Op 23 september 2007 ben ik weggegaan omdat ik niet wil dat [de vader] langs komt in het bijzijn van de politie. Op 7 oktober 2007 was ik niet thuis. Op 20 oktober 2007 belde de vrouw van [de vader]; ik heb opgehangen.

  4. een afschrift van de beschikking van het gerechtshof van 27 maart 2007 (pag. 32-39 van het proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2007057754) in de zaak van [de vader] tegen [verdachte], onder meer inhoudende als overweging van het gerechtshof:
    Niet is gebleken dat contact tussen de vader en [naam zoon], ten gevolge van gedragingen van de vader, nadelig zou zijn voor [naam zoon]; de omgang stuit uitsluitend af op het feit dat de ouders niet met elkaar overweg kunnen en, met name, de halsstarrige, weigerachtige houding van de moeder. Gelet op het uitsluitend door de moeder gefrustreerde verloop van het door de rechtbank vastgestelde proefcontact is er geen reden om aan te nemen dat de moeder tot andere gedachten kan worden gebracht.

Stelt tussen de vader en de minderjarige [naam zoon] een omgangsregeling vast in die zin dat hij gerechtigd is de minderjarige bij zich te ontvangen met ingang van 6 mei 2007 voor de duur van twee maanden: éénmaal per twee weken; met ingang van 1 juli 2007 voor de duur van één maand: éénmaal per twee weken; met ingang van 12 augustus 2007 voor de duur van twee maanden: éénmaal per twee weken en vervolgens met ingang van 7 oktober 2007: een weekend per twee weken.

  1. een afschrift van het vonnis in kort geding van de rechtbank Leeuwarden (pagina 40-44 van het procesverbaal met OPS-dossiernummer 2007057754) van 4 mei 2007 in de zaak van [de vader] tegen [verdachte] onder meer inhoudende als overweging van de voorzieningenrechter:
    De inzet van dit geding is de niet nakoming door de vrouw van de omgangsregeling zoals die is vastgesteld bij beschikking van het gerechtshof van 27 maart 2007. De vrouw heeft de man doen weten dat zij de door het gerechtshof vastgestelde omgangsregeling niet zal nakomen. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw buiten staat is, dan wel dat het haar onmogelijk is de omgangsregeling na te komen. Het is niet onbegrijpelijk dat [naam zoon] juist bij de vrouw, die vanaf de aanvang al erg veel moeite heeft gehad met en zich verzet heeft tegen een omgangsregeling van [naam zoon] met zijn vader en dit al zes jaar heeft weten tegen te houden, vertelt dat hij niet naar zijn vader wil. De vrouw heeft desgevraagd verklaard niet vrijwillig bereid te zijn de omgangsregeling na te komen. Veroordeelt de vrouw haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling zoals beschreven in de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 27 maart 2007, bepaalt dat de vrouw voor iedere dag dat zij weigert haar medewerking te verlenen aan de man een dwangsom verbeurt; machtigt de man dit vonnis zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen.

Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte het hierna bewezenverklaarde feit heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

zij in de periode van 6 mei 2007 tot en met 14 november 2007, te Franeker, meermalen, telkens opzettelijk, een minderjarige, te weten [naam zoon], geboren op [geboortedatum], telkens heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag (te weten het gezag van de vader van de minderjarige, genaamd [de vader]), door telkens, op de data en tijdstippen zoals genoemd in de omgangsregeling (beschikking van het Gerechtshof d.d. 27 maart 2007 betrekking hebbende op de minderjarige met de gezaghebbende ouder [de vader]),
de minderjarige niet af te geven aan die [de vader] en die [de vader] niet in staat te stellen de minderjarige bij zich te ontvangen, en aldus de minderjarige telkens buiten bereik van die [de vader] en bij die [de vader] weg te houden, zulks terwijl de minderjarige telkens beneden de twaalf jaren oud was.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op het misdrijf:

Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:
– de aard en de ernst van het gepleegde feit;
– de omstandigheden waaronder dit is begaan;
– de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;
– de vordering van de officier van justitie;
– het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van haar destijds negenjarige zoon [naam zoon] aan het wettig gezag. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij beschikking van 27 maart 2007 een omgangsregeling vastgesteld tussen [naam zoon] en zijn vader. De vader was evenals verdachte belast met het gezag over [naam zoon]. Het Hof heeft, rekening houdend met het feit dat [naam zoon] en zijn vader elkaar lange tijd niet hebben gezien, een opbouw in de regeling opgenomen. Verdachte heeft echter aangegeven deze omgangsregeling niet te zullen nakomen en heeft het arrest van het hof en, in het verlengde daarvan, het vonnis in kort geding van 4 mei 2007 eenvoudigweg naast zich neergelegd. [naam zoon] en de vader hebben elkaar ongeveer zeven jaar niet meer gezien en verdachte heeft hierbij een kwalijke rol gespeeld.

In dit verband verwijst de rechtbank naar de overwegingen in het arrest van het hof:
(rechtsoverweging 17:) “.. is het hof van oordeel dat de moeder geen relevante gronden heeft aangevoerd, laat staan gesubstantieerd, die de conclusie rechtvaardigen dat de vader de omgang met zijn zoon moet worden ontzegd. Niet is gebleken dat contact tussen de vader en [naam zoon], ten gevolge van gedragingen van de vader, nadelig zou zijn voor [naam zoon]; de omgang stuit uitsluitend af op het feit dat de ouders niet met elkaar overweg kunnen en, met name, de halsstarrige, weigerachtige houding van de moeder. Het vaststaande feit dat [naam zoon] daardoor in een ernstig loyaliteitsconflict verzeild raakt, is onvoldoende reden om hem het contact met zijn vader te ontzeggen.
(…)
(rechtsoverweging 18:) Het aanbod van de raad ter zitting om alsnog proefcontacten ten kantore van de raad te laten plaatsvinden, waarna (de gedragdeskundige van) de raad nog nader kan rapporteren en adviseren, passeert het hof, mede gelet op deze uitlatingen en toevoeging dat zij zich “never nooit” voor dit doel naar de raad zal begeven. Gelet op het uitsluitend door de moeder gefrustreerde verloop van het door de rechtbank vastgestelde proefcontact is er geen reden om aan te nemen dat de moeder tot andere gedachten kan worden gebracht.”

Het hof liet er geen misverstand over bestaan: het is verdachte die de omgangsregeling frustreert en tegenwerkt. Verdachte heeft [naam zoon] als instrument gebruikt in het conflict met haar ex-partner. De bezorgdheid over [naam zoon] die duidelijk in de aangehaalde rechterlijke beslissingen is verwoord, vond bij verdachte geen enkele weerklank.

Verdachte lijkt zich thans te willen verschuilen achter de weigerachtige houding van [naam zoon], waarmee zij haar verantwoordelijkheid als verzorgende ouder uit de weg gaat. Van verdachte als verzorgende ouder mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspant om de omgang met de niet verzorgende ouder voor het kind zo plezierig mogelijk te laten plaatsvinden, dat zij haar kind goed op het verblijf bij de vader voorbereidt en laat merken dat zij het hem gunt dat hij eindelijk weer zijn vader ontmoet. Daarbij had verdachte te vermijden dat zij zich naar [naam zoon] toe in negatieve zin over de vader uitliet. Het persoonlijk conflict tussen de ouders diende ondergeschikt te worden gemaakt aan het belang van het kind. Het tegendeel was echter het geval. De opmerking van verdachte dat [naam zoon] geroepen zou hebben dat hij zijn vader haatte, geeft geen blijk van een stimulerend optreden door verdachte, gelet op het feit dat [naam zoon] zijn vader nog maar nauwelijks heeft ontmoet. Het lijkt eerder zo te zijn dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat er bij [naam zoon] een negatieve beeldvorming is ontstaan over de vader. Dat de belangen van [naam zoon] in ernstige mate te kort worden gedaan door hem het recht op contact met zijn vader te ontzeggen, acht de rechtbank uiterst kwalijk. Dat daarmee ook het recht van de vader op omgang met zijn minderjarige zoon tekort gedaan wordt, acht de rechtbank eveneens uiterst kwalijk. Het is de rechtbank weliswaar bekend dat het hof onlangs de omgangsregeling heeft opgeschort, maar dat was in het belang van [naam zoon] en maakt de laakbaarheid van het gedrag van verdachte in de telastegelegde periode er niet minder op.

Het mag duidelijk zijn dat beslissingen van rechterlijke colleges nageleefd dienen te worden. In aangehaald arrest en vonnis in kort geding is getracht een rustig begin te maken met de omgangsregeling, nu verdachte daartoe zelf niet in staat was. Desalniettemin bleef verdachte een geheel eigen koers varen, niet gehinderd door gerechtelijke uitspraken die haar niet bevielen. Het feit dat de raadsvrouw van verdachte ter zitting heeft verklaard dat bovenaangehaalde uitspraak van het hof onjuist zou zijn, is juridisch gezien opmerkelijk en zal verdachte zeker niet bewogen hebben daaraan het gezag toe te kennen dat bij een rechterlijke beslissing hoort.
Nu het negeren van de beslissing van het hof met zich meebrengt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, zal de rechtbank haar een straf opleggen. Gelet op de aard van de onderliggende materie en het feit dat verdachte geen strafblad heeft, zou in beginsel nog overwogen kunnen worden om met een geheel voorwaardelijke straf te volstaan. Nu echter via de civielrechtelijke weg meerdere malen geprobeerd is om verdachte tot andere gedachten te brengen maar verdachte volhardend blijft in haar weigering, acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke straf op zijn plaats. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een werkstraf voor de duur zoals hierna te bepalen. De proeftijd zal, anders dan de officier van justitie heeft geëist, worden bepaald op twee jaar gezien artikel 14b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 100 uren onbetaalde arbeid.

Bepaalt, dat van deze werkstraf een gedeelte, groot 40 uren, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.
Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Rechters

Mrs A.H.M. Dölle, H. van der Werff en M. van der Bosch

Instantie: Europese Hof voor de Rechten van de Mens, 3 februari 2009

Instantie

Europese Hof voor de Rechten van de Mens

Samenvatting

De weigering om Women on Waves toegang tot de Portugese wateren te verlening was schending van Art. 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). In 2004 plande Women on Waves in Portugal informatie over reproductieve rechten en abortus te geven op haar boot de Borndiep. Met oorlogsschepen verhinderde Portugal de Borndiep toegang. Dit was onrechtmatig, zo oordeelde het EHRM unaniem. Met Women on Waves procedeerden twee Portugese vrouwenorganisaties.
The European Court held the interference to be disproportionate. It noted that nothing indicated that the NGOs had wanted to administer abortion medicines. The aim rather was to inform people. The Strasbourg judges re-emphasized that not only the content but also the form in which information is conveyed are protected by the European Convention. Thus although meetings on land were held in Portugal eventually, the preference of the NGOs to hold the sessions on the ship as they had always done should have been respected. It also noted that the use of a war vessel to stop the ship in itself may have a chilling effect.

Volledige tekst

PROCÉDURE

1). A l’origine de l’affaire se trouve une requête (no 31276/05) dirigée contre la République portugaise et dont une fondation de droit néerlandais, Women On Waves, et deux associations de droit portugais, Clube Safo et Não te Prives, Grupo de Defesa dos Direitos Sexuais (« les requérantes »), ont saisi la Cour le 18 août 2005 en vertu de l’article 34 de la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales (« la Convention »).

2). Les requérantes, qui ont été admises au bénéfice de l’assistance judiciaire, sont représentées par Me P. Fernando, avocate à Coimbra (Portugal). Le gouvernement portugais (« le Gouvernement ») est représenté par son agent, M. J. Miguel, procureur général adjoint.

3). Les requérantes alléguaient notamment que l’interdiction d’entrée dans les eaux territoriales portugaises prononcée contre le navire affrété par la première requérante portait atteinte à leurs libertés d’association et d’expression.

4). Le 12 février 2007, la présidente de la deuxième section a décidé de communiquer la requête au Gouvernement. Comme le permet l’article 29 § 3 de la Convention, il a en outre été décidé que seraient examinés en même temps la recevabilité et le fond de l’affaire.

5). Informé de la requête, le gouvernement néerlandais, par une lettre du 1er mai 2007, a fait savoir à la Cour qu’il n’avait pas l’intention d’exercer le droit que lui reconnaît l’article 36 § 1 de la Convention.

EN FAIT

I. LES CIRCONSTANCES DE L’ESPÈCE

6). La première requérante est une fondation de droit néerlandais ayant son siège à Amsterdam. Les deuxième et troisième requérantes – Clube Safo et Não te Prives, Grupo de Defesa dos Direitos Sexuais – sont des associations de droit portugais ayant leur siège à Santarém (Portugal) et Coimbra, respectivement.

7). Les trois associations requérantes ont pour but, entre autres, de promouvoir le débat sur les droits reproductifs. Dans ce contexte, les deuxième et troisième requérantes invitèrent la première requérante au Portugal pour œuvrer en faveur de la dépénalisation de l’interruption volontaire de grossesse dans ce pays. A cet effet, la première requérante affréta un navire, le Borndiep, qui quitta Amsterdam à destination du port portugais de Figueira da Foz. Une fois sur place, le but des requérantes était d’organiser à bord du Borndiep des réunions, des séminaires et des ateliers pratiques en matière de prévention des maladies sexuellement transmissibles, de planning familial et de dépénalisation de l’interruption volontaire de grossesse. Ces activités devaient se dérouler du 30 août au 12 septembre 2004.

8). Le 27 août 2004, alors que le Borndiep s’approchait des eaux territoriales portugaises, le secrétaire d’Etat à la Mer rendit un arrêté ministériel interdisant l’entrée du navire dans ces dernières. Les parties pertinentes de cet arrêté étaient libellées ainsi :
« Considérant qu’il existe des indices sérieux, fondés sur des informations publiées dans la presse nationale et internationale, selon lesquels le navire Borndiep, à bord duquel se trouvent des membres de [la première requérante], compte entrer dans les eaux territoriales portugaises et mouiller dans un port portugais dans le but de mener (…) les activités suivantes :
– débarquer, distribuer ou promouvoir des produits pharmaceutiques non autorisés par les autorités sanitaires portugaises ;
– susciter ou encourager, lors de réunions publiques (…), la pratique de certains actes illicites au regard de l’ordre juridique portugais ;
– exercer des activités caractéristiques d’une unité de soins sans le contrôle ou l’autorisation des autorités portugaises (…), créant ainsi un danger pour la santé publique.
(…)
Considérant que les activités décrites ci-dessus portent atteinte aux dispositions de la Section 3 de la Partie II de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer ainsi qu’aux lois sanitaires portugaises ;
Considérant par ailleurs que le principe de bonne foi en droit international exclut qu’un groupe de citoyens, agissant de concert, puisse prétendre faire prévaloir, de manière abusive, la protection juridique conférée par des principes et des dispositions dudit droit afin de, sous couvert du droit interne de l’Etat dont il est ressortissant, priver l’ordre juridique d’un autre Etat souverain de tout effet utile ;
(…)
Considérant qu’aux termes des alinéas a) et j) du § 2 de l’article 6 du [décret-loi no 43/2002, du 2 mars 2002], la sécurité et le contrôle de la navigation ainsi que la protection de la santé publique sont des attributions des [autorités maritimes] ;
(…)
J’enjoins, sous couvert des dispositions des alinéas d) et e) de l’article 4 du statut de l’Institut portuaire et des transports maritimes, approuvé par le décret-loi no 257/2002 du 22 novembre 2002, ainsi que du no 1 de l’article 2 du décret-loi no 44/2002, du 2 mars 2002, ce qui suit :
1). Le passage du Borndiep par la mer territoriale portugaise n’est pas autorisé.
2). Eu égard au caractère urgent de l’affaire vu la proximité dudit navire des eaux territoriales portugaises, ainsi qu’à l’inexistence d’autres moyens adéquats permettant de sauvegarder l’intérêt général poursuivi par la présente décision, il n’y a pas lieu de procéder à l’audition des intéressés, conformément aux dispositions de l’article 104 § 1 a) du code de procédure administrative.
3). Cette décision doit être immédiatement notifiée, par tout moyen disponible, notamment ceux de la Marine portugaise, au capitaine du Borndiep, à l’armateur et/ou au propriétaire de celui-ci ainsi qu’au consul du Royaume des Pays-Bas à Lisbonne. »

9). Cette décision fut immédiatement portée à la connaissance du capitaine du Borndiep par télécopie. Le même jour, un navire de guerre de la marine portugaise prit position près du Borndiep pour l’empêcher d’entrer dans les eaux territoriales portugaises.

10). Le 1er septembre 2004, les trois requérantes – ainsi qu’un certain nombre de personnes physiques – déposèrent devant le tribunal administratif de Coimbra une injonction (intimação) visant à la protection de leurs droits fondamentaux. Elles demandaient notamment au tribunal d’ordonner à l’Institut portuaire et des transports maritimes ainsi qu’au ministère de la Défense, dont relevait ledit Institut, d’autoriser immédiatement l’entrée du Borndiep dans les eaux territoriales portugaises. Les requérantes voyaient dans ladite interdiction une atteinte à leurs droits à la liberté d’expression, de réunion et de manifestation, ainsi qu’une violation du principe du droit communautaire de libre circulation des personnes.

11). Par une décision du 6 septembre 2004, le tribunal administratif rejeta la demande. S’agissant des faits de la cause, il considéra comme un fait établi que, lors de sorties du navire Borndiep dans les eaux internationales, la première requérante avait l’intention de dispenser aux femmes portugaises qui le souhaiteraient la pilule abortive RU486, interdite à la vente au Portugal au moment des faits. Pour le tribunal administratif, l’entrée du navire dans les eaux territoriales portugaises n’était pas indispensable à la protection des droits des requérantes à la liberté d’expression et de réunion ; les requérantes semblaient en effet plutôt vouloir donner aux femmes portugaises la possibilité d’avoir accès à des procédures abortives interdites par la loi portugaise. Quant à la liberté de circulation, également invoquée par les requérantes, le tribunal administratif souligna qu’elle ne saurait faire obstacle à l’application de la réglementation sur l’entrée de navires dans les eaux territoriales d’un Etat. Le tribunal affirma qu’en tout état de cause, la liberté de circulation des personnes physiques concernées n’était pas affectée par l’interdiction d’entrée du Borndiep.

12). Les requérantes firent appel de cette décision devant le Tribunal central administratif du Nord. Le ministère de la Défense, partie défenderesse, et le ministère public, soulevèrent une question préalable concernant l’éventuel défaut d’utilité du recours, soulignant que le navire était retourné aux Pays-Bas le 10 septembre 2004 et que la question de son entrée dans les eaux territoriales portugaises était donc dépourvue d’intérêt. Les requérantes s’élevèrent contre cette position, et affirmèrent qu’elles conservaient un intérêt dans l’issue de la procédure ; elles indiquèrent ainsi leur intention de faire revenir le navire au port de Figueira da Foz, au cas où le tribunal statuerait en leur faveur.

13). Par un arrêt du 16 décembre 2004, le Tribunal central administratif du Nord rejeta le recours, l’estimant dépourvu d’utilité, dans la mesure où le navire avait quitté les eaux territoriales portugaises.

14). Les requérantes introduisirent un recours devant la Cour suprême administrative mais, par un arrêt du 16 février 2005, porté à la connaissance des requérantes le 19 février 2005, cette juridiction déclara le pourvoi irrecevable. La Cour suprême administrative estima que la question litigieuse était dépourvue d’une importance juridique ou sociale justifiant son intervention.

15). D’après les informations mises à disposition par la première requérante sur son site Internet (http://www.womenonwaves.org), près de 700 articles concernant la situation litigieuse parurent dans la presse écrite et audiovisuelle entre le 24 août et le 12 septembre 2004. Par ailleurs, au cours de cette période, la présidente de la première requérante participa à une émission télévisée de la chaîne généraliste SIC. Les 4 et 9 septembre 2004, des séminaires eurent lieu à Lisbonne et Figueira da Foz, auxquels prirent part des membres des trois requérantes, afin d’examiner plusieurs questions liées à l’interruption de grossesse. Enfin, toujours au cours de la même période, plusieurs manifestations de soutien aux requérantes se déroulèrent à Figueira da Foz et à Lisbonne.

II. LE DROIT ET LA PRATIQUE PERTINENTS

A. Le droit international

16). Les dispositions pertinentes de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer, approuvée à Montego Bay (Jamaïque) le 10 décembre 1982 et à laquelle le Portugal est partie depuis le 3 décembre 1997, sont les suivantes :
Article 19 (Signification de l’expression « passage inoffensif »)
« 1. Le passage est inoffensif aussi longtemps qu’il ne porte pas atteinte à la paix, au bon ordre ou à la sécurité de l’Etat côtier. Il doit s’effectuer en conformité avec les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international.
2. Le passage d’un navire étranger est considéré comme portant atteinte à la paix, au bon ordre ou à la sécurité de l’Etat côtier si, dans la mer territoriale, ce navire se livre à l’une quelconque des activités suivantes :
(…)
g) embarquement ou débarquement de marchandises, de fonds ou de personnes en contravention aux lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires ou d’immigration de l’Etat côtier ;
(…)
l) toute autre activité sans rapport direct avec le passage. »
Article 25 (Droits de protection de l’Etat côtier)
« 1. L’Etat côtier peut prendre, dans sa mer territoriale, les mesures nécessaires pour empêcher tout passage qui n’est pas inoffensif.
(…) »
B. Le droit interne

17). Le décret-loi no 44/2002 du 2 mars 2002 fixe les compétences et attributions des autorités maritimes. Le décret-loi no 257/2002 définit les compétences et attributions de l’Institut portuaire et des transports maritimes.

18). Le code de procédure des tribunaux administratifs prévoit, dans son article 109, une procédure d’injonction en vue de protéger des droits fondamentaux, qui est applicable lorsqu’il convient d’obtenir, dans un court délai, une action positive ou une absence d’ingérence de la part des autorités administratives visant à la protection des droits et libertés de l’intéressé.

19). Aux termes de l’article 140 § 2 du code pénal, toute personne qui pratique un avortement sur une femme avec le consentement de cette dernière est punie d’une peine d’emprisonnement allant jusqu’à trois ans. La même peine s’applique à la femme en question (article 140 § 3). En vertu de l’article 142, tel que rédigé au moment des faits et modifié depuis par la loi no 16/2007 du 17 avril 2007 à la suite d’un référendum, l’interruption volontaire de grossesse n’était pas punissable dans les quatre circonstances suivantes : a) si elle était le seul moyen de remédier à un danger de mort ou de lésion grave et irréversible pour la femme enceinte ; b) si elle était le moyen adéquat de remédier à un danger de mort ou de lésion grave et prolongée pour la femme enceinte et si elle était pratiquée dans les 12 premières semaines de grossesse ; c) s’il y avait des motifs de croire que l’enfant à naître souffrait d’une maladie incurable ou d’une malformation grave et incurable et si elle était pratiquée dans les 24 premières semaines de grossesse ; d) s’il y avait des indices sérieux permettant de penser que la grossesse était la conséquence d’un viol et si l’interruption était pratiquée dans les 16 premières semaines de grossesse.
La loi no 16/2007 a notamment ajouté à cette liste de situations non punissables l’interruption de grossesse suite au choix de la femme en question, si pratiquée dans les 10 premières semaines de grossesse (article 142 § 1 e).

EN DROIT

I. SUR LA VIOLATION ALLÉGUÉE DES ARTICLES 10 ET 11 DE LA CONVENTION

20). Les requérantes allèguent que l’interdiction d’entrée du Borndiep dans les eaux territoriales portugaises porte atteinte aux articles 10 et 11 de la Convention, ainsi libellés :
Article 10
« 1). Toute personne a droit à la liberté d’expression. Ce droit comprend la liberté d’opinion et la liberté de recevoir ou de communiquer des informations ou des idées sans qu’il puisse y avoir ingérence d’autorités publiques (…).
2). L’exercice de ces libertés comportant des devoirs et des responsabilités peut être soumis à certaines formalités, conditions, restrictions ou sanctions prévues par la loi, qui constituent des mesures nécessaires, dans une société démocratique (…) à la défense de l’ordre et à la prévention du crime, à la protection de la santé ou de la morale (…) »

Article 11
« « 1. Toute personne a droit à la liberté de réunion pacifique et à la liberté d’association (…).
2). L’exercice de ces droits ne peut faire l’objet d’autres restrictions que celles qui, prévues par la loi, constituent des mesures nécessaires, dans une société démocratique, (…) à la défense de l’ordre et à la prévention du crime, à la protection de la santé ou de la morale (…). »

21). Le Gouvernement combat cette thèse.

A. Sur la recevabilité

22). La Cour constate que ces griefs ne sont pas manifestement mal fondés au sens de l’article 35 § 3 de la Convention. La Cour relève par ailleurs qu’ils ne se heurtent à aucun autre motif d’irrecevabilité. Il convient donc de les déclarer recevables.

B. Sur le fond

1). Thèses des parties

23). Les requérantes soutiennent que l’interdiction d’entrée du navire dans les eaux territoriales portugaises les a empêchées d’entreprendre les activités et de tenir les réunions qu’elles se proposaient d’organiser. Elles soulignent qu’elles n’ont jamais eu l’intention de contrevenir en quoi que ce soit à la législation sanitaire portugaise ou à celle sur l’avortement. Les requérantes revendiquent cependant le droit d’informer le public sur leur position à l’égard de l’interruption de grossesse et des droits des femmes en général ; or la manière dont un tel droit est exercé est également protégée par les articles 10 et 11 de la Convention.

24). Pour les requérantes, si le but des autorités nationales était de prévenir toute infraction à la loi nationale en matière d’interruption de grossesse, il y avait certainement des moyens plus raisonnables de le faire. Elles soulignent que le fait d’envoyer un navire de guerre contre un groupe de citoyens qui voulaient seulement manifester leurs opinions de manière pacifique est totalement disproportionné. Les requérantes exposent que dans d’autres Etats où la première requérante a mené des opérations similaires, comme par exemple la Pologne, les autorités nationales ont coopéré avec les intéressées afin de garantir qu’aucune législation nationale ne soit violée.

25). Le Gouvernement nie qu’il y ait eu ingérence dans les droits des requérantes, la mesure litigieuse concernant seulement l’entrée du navire dans les eaux territoriales portugaises. Selon lui, les requérantes elles mêmes ont bénéficié, sans aucune contrainte, de la liberté de réunion et d’expression.

26). A supposer cependant qu’une ingérence ait eu lieu, le Gouvernement soutient qu’elle était prévue par la loi et nécessaire dans une société démocratique. En effet, les articles 19 et 25 de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer offraient une base légale à l’ingérence en cause, sachant que l’entrée du navire en question dans les eaux territoriales portugaises aurait pu donner lieu à des infractions à la législation portugaise en vigueur à l’époque en matière d’avortement (voir le paragraphe 19 ci dessus). En outre, l’ingérence en question poursuivait les buts légitimes de défense de l’ordre et de protection de la santé, prévus par le paragraphe 2 des articles 10 et 11.

27). Quant à la proportionnalité de la mesure litigieuse, le Gouvernement souligne que les autorités se sont bornées à refuser le droit d’entrée au navire affrété par la première requérante en utilisant les moyens mis à leur disposition par la réglementation nationale en la matière. Il fait observer à cet égard qu’en tout état de cause, les personnes qui se trouvaient à bord du Borndiep ont pu descendre à terre et œuvrer librement en faveur de la dépénalisation de l’interruption volontaire de grossesse au Portugal. Le succès de l’initiative a d’ailleurs été souligné par la première requérante sur son site Internet. Se référant à l’affaire Appleby et autres c. Royaume-Uni (no 44306/98, CEDH 2003 VI), le Gouvernement estime que, dans de tels cas, aucune violation des articles 10 ou 11 ne peut être constatée.
2). Appréciation de la Cour
a) Sur la disposition applicable en l’espèce

28). La Cour note d’emblée que la question de la liberté d’expression est en l’espèce difficilement séparable de celle de la liberté de réunion. Les parties ont d’ailleurs soumis des arguments sous l’angle des deux dispositions. En effet, la protection des opinions personnelles, assurée par l’article 10, compte parmi les objectifs de la liberté de réunion pacifique telle que la consacre l’article 11 de la Convention (Ezelin c. France, arrêt du 26 avril 1991, § 37, série A no 202). Prenant en compte les circonstances particulières de l’affaire, et notamment le fait que les griefs des requérantes portent principalement sur le refus qui leur aurait été opposé au droit d’informer le public sur leur position à l’égard de l’interruption de grossesse et des droits des femmes en général, la Cour estime plus aisé d’examiner la situation litigieuse sous l’angle du seul article 10. Il n’y a donc pas lieu de considérer la question séparément sous l’angle de l’article 11. Toutefois, cela n’empêchera pas la Cour de faire, le cas échéant, appel à cette disposition lorsqu’elle examinera et interprétera l’article 10 (Karademirci et autres c. Turquie, nos 37096/97 et 37101/97, § 26, CEDH 2005 I ; voir également, sur la relation entre ces deux dispositions de la Convention, Djavit An c. Turquie, no 20652/92, § 39, CEDH 2003 III).
b) Sur l’observation de l’article 10 de la Convention

29). La Cour rappelle d’emblée l’importance cruciale de la liberté d’expression, qui constitue l’une des conditions préalables au bon fonctionnement de la démocratie. Elle vaut aussi et est particulièrement précieuse s’agissant de la communication d’« idées » ou « informations » qui heurtent, choquent ou inquiètent l’État ou une fraction quelconque de la population. Ainsi le veulent le pluralisme, la tolérance et l’esprit d’ouverture sans lesquels il n’est pas de « société démocratique » (Open Door et Dublin Well Woman c. Irlande, 29 octobre 1992, § 71, série A no 246 A).

30). La Cour considère en premier lieu qu’il y a eu ingérence dans les droits des requérantes au titre de la Convention. En effet, l’interdiction d’entrée du navire dans les eaux territoriales portugaises a empêché les intéressées de transmettre les informations et de tenir les réunions et manifestations programmées – qui étaient censées se dérouler à bord – de la manière qu’elles estimaient la plus efficace. Il convient de rappeler à cet égard que l’article 10 protège également le mode de diffusion des idées et opinions en question (Thoma c. Luxembourg, no 38432/97, § 45, CEDH 2001 III).

31). Reste à déterminer si une telle ingérence était « prévue par la loi », inspirée par un ou plusieurs buts légitimes au regard du paragraphe 2 des dispositions en question et « nécessaire dans une société démocratique ».
i. « Prévue par la loi »

32). Il ne prête pas à controverse entre les parties que l’ingérence en cause était prévue par la loi, à savoir l’article 19 – notamment l’alinéa g) de son paragraphe 2 – et l’article 25 de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer.

33). La Cour, quant à elle, n’estime pas nécessaire d’examiner plus avant la question et accepte par conséquent que l’ingérence incriminée était « prévue par la loi ».
ii. Buts légitimes

34). Pour les requérantes, il n’y avait aucune raison d’invoquer la défense de l’ordre ou la protection de la santé pour justifier l’ingérence dans leurs droits, dans la mesure où elles n’ont jamais eu l’intention de pratiquer des actes contrevenant à la législation portugaise en matière d’interruption volontaire de grossesse.

35). La Cour accepte quant à elle que l’ingérence litigieuse visait les buts légitimes de défense de l’ordre et de protection de la santé, invoqués tant par le secrétaire d’Etat à la Mer que par les juridictions administratives.
iii. « Nécessaire dans une société démocratique »

36). La Cour doit déterminer si la mesure litigieuse – et les restrictions ainsi apportées à la liberté des requérantes de communiquer des idées et des informations – répondait à un « besoin social impérieux » et si elle était proportionnée aux buts légitimes poursuivis (Open Door et Dublin Well Woman c. Irlande, précité, § 70).

37). Elle rappelle à cet égard que les Etats jouissent en cette matière d’une certaine marge d’appréciation pour déterminer si et dans quelle mesure une ingérence dans l’exercice de la liberté d’expression est nécessaire, notamment quant à la sélection des méthodes – raisonnables et appropriées – à utiliser par les autorités pour assurer le déroulement pacifique d’activités licites. Cette marge d’appréciation va toutefois de pair avec un contrôle de la Cour, qui doit s’assurer que l’ingérence était proportionnée au but légitime poursuivi, compte tenu de la place éminente de la liberté d’expression (Steel et autres c. Royaume-Uni, 23 septembre 1998, § 101, Recueil des arrêts et décisions 1998 VII). La Cour note également à cet égard qu’elle a déjà considéré, à l’égard de la liberté de réunion et de manifestation – question également soulevée par les requérantes –, que l’essence de ces droits est la possibilité pour tout citoyen d’exprimer son opinion et son opposition, voire de contester toute décision venant de tout pouvoir, quel qu’il soit. S’il est vrai que l’exercice de ces libertés n’est nullement lié à l’obtention d’un résultat donné (Çiloğlu et autres c. Turquie, no 73333/01, § 51, 6 mars 2007), il n’en demeure pas moins que toute ingérence, si indirecte soit-elle, attaquant leur substance même serait contraire à la Convention.

38). Comme la Cour l’a rappelé plus haut, le mode de diffusion des informations et idées que l’on prétend exprimer est également protégé par la Convention (paragraphe 30 ci-dessus). Aux yeux de la Cour, ceci est également valable lorsqu’il s’agit de déterminer la manière dont les intéressés prétendent exprimer leur idées et opinions : ils doivent notamment être en mesure de pouvoir choisir, sans interférences déraisonnables des autorités, le mode qu’ils estiment le plus efficace pour atteindre un maximum de personnes.

39). A cet égard, la Cour reconnaît en premier lieu que les requérantes n’ont pas été en mesure de communiquer leurs idées et informations de la manière qu’elles estimaient la plus adéquate en raison de l’interdiction d’entrée du Borndiep sur la mer territoriale portugaise. Il est vrai que, le Gouvernement le souligne, les membres des associations requérantes ont pu descendre à terre et organiser des réunions pour faire valoir leur opposition à la législation portugaise de l’époque sur l’interruption volontaire de grossesse. La Cour estime toutefois que dans certaines situations le mode de diffusion des informations et idées que l’on entend communiquer revêt une importance telle que des restrictions comme celles imposées en l’espèce peuvent affecter de manière essentielle la substance des idées et informations en cause. Tel est notamment le cas lorsque les intéressés entendent mener des activités symboliques de contestation à une législation qu’ils considèrent injuste ou attentatoire aux droits et libertés fondamentaux. En l’occurrence, ce n’était pas uniquement le contenu des idées défendues par les requérantes qui était en cause mais également le fait que les activités choisies afin de communiquer de telles idées – comme les séminaires et ateliers pratiques en matière de prévention des maladies sexuellement transmissibles, de planning familial et de dépénalisation de l’interruption volontaire de grossesse – auraient lieu à bord du navire en cause, ce qui revêtait une importance cruciale pour les requérantes et correspondait à une activité menée depuis un certain temps par la première requérante dans d’autres Etats européens.

40). Cette conclusion n’est pas affectée par la décision de la Cour dans l’affaire Appleby et autres, citée par le Gouvernement. Dans cette affaire, qui concernait le refus opposé aux intéressés d’autoriser le recueil de signatures pour une pétition dans un centre commercial privé, la Cour a considéré que l’on ne saurait inférer de l’article 10 de la Convention une obligation positive de la part de l’Etat de créer, de manière automatique, un droit de pénétrer dans des propriétés privées – ni même nécessairement dans l’ensemble des biens appartenant au domaine public (par exemple les administrations et les ministères) – afin de faire valoir le droit à la liberté d’expression, si les intéressés disposent de moyens alternatifs et efficaces de faire passer leur message (Appleby et autres, précité, §§ 47-49). La présente affaire se distingue de l’affaire Appleby et autres sur deux aspects importants. Premièrement, ce n’est pas un espace privé ou un bien appartenant au domaine public comme ceux visés par l’affaire Appleby et autres qui sont ici en cause mais la mer territoriale de l’Etat défendeur, qui est un espace public et ouvert de par sa nature même, contrairement aux locaux d’une administration ou d’un ministère. Deuxièmement, l’on ne se trouve pas en l’espèce sur le terrain des obligations positives, dans lequel l’étendue des responsabilités de l’Etat ne doit pas être interprétée de manière à imposer aux autorités un fardeau insupportable ou excessif (Özgür Gündem c. Turquie, no 23144/93, § 43, CEDH 2000 III) ; s’il est vrai que, dans les deux hypothèses – obligations positives et négatives – l’Etat jouit d’une certaine marge d’appréciation (voir, par exemple, Keegan c. Irlande, 26 mai 1994, § 52, série A no 290), la Cour estime que cette marge d’appréciation est plus étroite s’agissant des obligations négatives découlant de la Convention.

41). Dans la mesure où le Gouvernement a allégué que l’entrée du navire en question dans les eaux territoriales portugaises aurait pu donner lieu à des infractions à la législation portugaise de l’époque en matière d’avortement, la Cour ne décèle pas dans les faits de la cause des indices suffisamment sérieux permettant de penser que les requérantes avaient l’intention de violer de manière délibérée une telle législation. S’il est vrai que le tribunal administratif de Coimbra se réfère, dans son jugement du 6 septembre 2004, au fait que des médicaments prohibés – au moment des faits – au Portugal se trouveraient à bord du Borndiep, rien n’indique que les requérantes avaient l’intention, une fois arrivées dans les eaux territoriales portugaises, de les administrer aux femmes qui le souhaiteraient. En tout état de cause, la Cour observe que les autorités portugaises avaient, s’agissant de ce point particulier, d’autres moyens moins attentatoires aux droits des requérantes que l’interdiction totale d’entrée du navire : elles auraient ainsi pu, par exemple, saisir les médicaments en cause. La Cour rappelle à ce propos que la liberté d’exprimer des opinions au cours d’une réunion pacifique revêt une importance telle qu’elle ne peut subir une quelconque limitation dans la mesure où l’intéressé ne commet pas lui-même, à cette occasion, un acte répréhensible (Ezelin, précité § 53).

42). La Cour ne sous-estime pas l’importance accordée par l’Etat portugais à la protection de la législation en matière d’interruption de grossesse telle qu’applicable à l’époque ainsi qu’aux principes et valeurs qui la sous-tendent. Elle se doit cependant de souligner encore que c’est justement lorsqu’on présente des idées qui heurtent, choquent et contestent l’ordre établi que la liberté d’expression est la plus précieuse.

43). Enfin, la Cour estime que les Etats contractants ne sauraient prendre, au nom de la protection de « la sûreté publique », n’importe quelle mesure jugée par eux appropriée (voir Izmir Savaş Karşıtları Derneği et autres c. Turquie, no 46257/99, § 36, 2 mars 2006). En l’espèce, l’Etat disposait assurément d’autres moyens pour atteindre les buts légitimes de la défense de l’ordre et de la protection de la santé que le recours à une interdiction totale d’entrée du Borndiep dans ses eaux territoriales, qui plus est moyennant l’envoi d’un bâtiment de guerre contre un navire civil. Une mesure aussi radicale produit immanquablement un effet dissuasif non seulement à l’égard des requérantes mais également à l’égard d’autres personnes souhaitant communiquer des informations et des idées contestant l’ordre établi (Bączkowski et autres c. Pologne, no 1543/06, § 67, CEDH 2007 …). L’ingérence en question ne répondait donc pas à un « besoin social impérieux » et ne saurait passer pour « nécessaire dans une société démocratique ».

44). A la lumière de ce qui précède, l’ingérence en cause se révèle disproportionnée aux objectifs poursuivis. Il y a donc eu violation de l’article 10 de la Convention.

II. SUR LA VIOLATION ALLÉGUÉE DES ARTICLES 5 ET 6 DE LA CONVENTION ET DE L’ARTICLE 2 DU PROTOCOLE No 4

45). Les requérantes estiment que l’interdiction d’entrée du navire en cause fut prononcée de manière illégale car elle ne reposait sur aucune raison objective précise mais plutôt sur des « indices » et « informations parues dans la presse ». Pour les intéressées, l’interdiction litigieuse a ainsi porté atteinte à l’article 5 de la Convention et à l’article 2 du Protocole no 4.

46). Elles se plaignent par ailleurs du fait que les juridictions portugaises ont finalement refusé d’examiner le bien-fondé de leurs allégations ainsi que leur demande de renvoi préjudiciel de l’affaire devant la Cour de justice des Communautés européennes. Elles y voient une violation du principe du procès équitable et invoquent à cet égard l’article 6 de la Convention.

47). Eu égard au constat de violation auquel elle est parvenue pour l’article 10 de la Convention (paragraphe 44 ci-dessus), la Cour estime avoir examiné la question juridique principale posée par la présente requête (voir le paragraphe 28 ci-dessus). Compte tenu de l’ensemble des faits de la cause et des arguments des parties, elle considère qu’il ne s’impose pas de statuer séparément sur les autres griefs fondés sur les articles 5 et 6 de la Convention et 2 du Protocole no 4, également invoqués par les requérantes (voir, parmi d’autres, Kamil Uzun c. Turquie, no 37410/97, § 64, 10 mai 2007).

III. SUR L’APPLICATION DE L’ARTICLE 41 DE LA CONVENTION

48). Aux termes de l’article 41 de la Convention,
« Si la Cour déclare qu’il y a eu violation de la Convention ou de ses Protocoles, et si le droit interne de la Haute Partie contractante ne permet d’effacer qu’imparfaitement les conséquences de cette violation, la Cour accorde à la partie lésée, s’il y a lieu, une satisfaction équitable. »
A. Dommage

49). Les requérantes réclament, au titre du préjudice matériel, le remboursement des sommes engagées pour la préparation et la réalisation du voyage du Borndiep, lesquelles se monteraient à 49 528,38 euros (EUR). Elles demandent par ailleurs 5 000 EUR pour chacune d’entre elles au titre du préjudice moral qu’elles auraient subi.

50). Le Gouvernement conteste les sommes demandées.

51). La Cour n’aperçoit pas de lien de causalité entre la violation constatée et le dommage matériel allégué : les sommes en question ont été engagées pour le voyage et ne résultent pas de l’interdiction d’entrée litigieuse. La Cour rejette donc cette demande. En revanche, elle considère qu’il y a lieu d’octroyer aux requérantes des sommes au titre du préjudice moral. Elle rappelle à cet égard que les personnes morales sont susceptibles de subir un préjudice moral méritant réparation (Parti de la liberté et de la démocratie (ÖZDEP) c. Turquie [GC], no 23885/94, § 57, CEDH 1999 VIII et Comingersoll S.A. c. Portugal [GC], no 35382/97, § 35, CEDH 2000 IV). Elle alloue donc à ce titre 2 000 EUR à chacune des requérantes.

B. Frais et dépens

52). Les requérantes demandent également 3 309 EUR pour les frais et dépens engagés devant les juridictions internes et devant la Cour.

53). Le Gouvernement s’en remet à la sagesse de la Cour.

54). Selon la jurisprudence de la Cour, un requérant ne peut obtenir le remboursement de ses frais et dépens que dans la mesure où se trouvent établis leur réalité, leur nécessité et le caractère raisonnable de leur taux. En l’espèce et compte tenu des documents en sa possession et des critères susmentionnés, la Cour estime raisonnable la somme demandée et l’accorde aux requérantes, moins les 1 500 EUR déjà reçus au titre de l’assistance judiciaire du Conseil de l’Europe.

C. Intérêts moratoires

55). La Cour juge approprié de calquer le taux des intérêts moratoires sur le taux d’intérêt de la facilité de prêt marginal de la Banque centrale européenne majoré de trois points de pourcentage.

PAR CES MOTIFS, LA COUR, À L’UNANIMITÉ,

1). Déclare la requête recevable quant aux griefs tirés de l’interdiction d’entrée du navire Borndiep ;

2). Dit qu’il y a eu violation de l’article 10 de la Convention ;

3.) Dit qu’il n’y a pas lieu d’examiner séparément les articles 5, 6 et 11 de la Convention et l’article 2 du Protocole no 4;

4). Dit
a) que l’Etat défendeur doit verser aux requérantes, dans les trois mois à compter du jour où l’arrêt sera devenu définitif conformément à l’article 44 § 2 de la Convention :
i. 2 000 EUR (deux mille euros) à chaque requérante pour dommage moral, plus tout montant pouvant être dû à titre d’impôt ;
ii. 3 309,40 EUR (trois mille trois cent neuf euros et quarante centimes) pour frais et dépens, moins les 1 500 EUR (mille cinq cents euros) déjà versés par le Conseil de l’Europe au titre de l’assistance judiciaire, plus tout montant pouvant être dû à titre d’impôt par les requérantes ;
b) qu’à compter de l’expiration dudit délai et jusqu’au versement, ces montants seront à majorer d’un intérêt simple à un taux égal à celui de la facilité de prêt marginal de la Banque centrale européenne applicable pendant cette période, augmenté de trois points de pourcentage ;

5). Rejette la demande de satisfaction équitable pour le surplus.
Fait en français, puis communiqué par écrit le 3 février 2009, en application de l’article 77 §§ 2 et 3 du règlement.
Sally Dollé Françoise Tulkens
Greffière Présidente

Rechters

Tulkens, Cabral, Zagrebelsky, Jociene, Popovic, Sajo, Karakas