Instantie: Centrale Raad van Beroep, 31 mei 2007

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting

Als de arbeidsongeschiktheid is ontstaan in een periode waarin betrokkene geen betaalde arbeid verrichtte mag als maatman voor vaststelling arbeidsongeschiktheid gelden de langdurige werkloze die is aangewezen op voltijdse arbeid tegen het wettelijk minimumloon.

Volledige tekst

UITSPRAAK

op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 5 juli 2005, 04/801 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant en [betrokkene] (hierna: betrokkene).

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. F.A.C. Klaassen, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting op 19 april 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R.W. Nicolaas. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. F.A.C. Klaassen, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene ontving sedert oktober 1999 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW), aanvankelijk omdat zij na het overlijden van haar echtgenoot een ongehuwd kind had dat jonger was dan achttien jaar en vanaf 1 mei 2001 op de grond dat zij arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 11 van de ANW.
Bij besluit van 17 juni 2004 heeft appellant de uitkering van betrokkene met ingang van 1 juli 2004 beëindigd onder overweging dat zij niet meer arbeidsongeschikt in de zin van de ANW was. Bij het bestreden besluit van 12 oktober 2004 heeft appellant zijn besluit van 17 juni 2004 na bewaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft betrokkenes beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Zij heeft overwogen dat betrokkene medisch gezien geschikt moet worden geacht tot het voltijds verrichten van arbeid en dat de aan haar voorgehouden functies overeenstemmen met het opgestelde belastbaarheidspatroon. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat appellant dient aan te tonen dat deze functies ook in deeltijd op de arbeidsmarkt voorkomen, nu de maatman van betrokkene de gedurende 15 uren per week werkende thuishulp is.
Appellant heeft zich in hoger beroep nader op het standpunt gesteld dat de maatman van betrokkene niet de thuishulp voor 15 uren per week is, doch dat, nu betrokkene voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid langdurig niet werkzaam is geweest, als haar maatman dient te worden aangemerkt degene die is aangewezen op arbeid tegen het wettelijk minimumloon. Daarom kon naar de mening van appellant bij de conclusie dat betrokkene niet arbeidsongeschikt in de zin van de ANW is, worden volstaan met verwijzing naar voltijdse functies.
Betrokkenes gemachtigde heeft zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank dat de thuishulp voor 15 uren per week als de maatman moet worden aangemerkt, Voorts heeft hij opgemerkt dat betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld omdat zij niet over gegevens beschikt die het oordeel van de rechtbank over haar medische geschiktheid voor de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde functies in twijfel kan trekken.
Het betoog van appellant treft doel.

Artikel 11 van de ANW luidt:
“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, LJN BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheids- verzekering zelfstandigen en de inmiddels ingetrokken Algemene arbeidsongeschikt- heidswet (tezamen: de arbeidsongeschiktheidswetten) en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschikt¬heid in de arbeidsongeschiktheidswetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de ANW voor een dergelijke afwijking geen basis kent. Voorts dient bij de toepassing van artikel 11 van de ANW doel en strekking van deze wet als uitgangspunt te gelden.
Bij de toepassing van de arbeidsongeschiktheidswetten dient volgens vaste jurisprudentie in beginsel als maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde functie vervult als de verzekerde laatstelijk vervulde voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
Betrokkene heeft in 1983 in verband met de geboorte van haar zoon haar werkzaamheden beëindigd. Haar psychische klachten zijn ontstaan in verband met opvoedingsproblemen van haar zoon en zijn verergerd door het overlijden van haar echtgenoot in 1999. Vanaf augustus 2001 is betrokkene gedurende 15 uren per week werkzaam geweest in de thuiszorg. Uit dit alles blijkt dat betrokkene arbeidsongeschikt is geworden in een periode waarin zij geen arbeid verrichtte. Volgens vaste jurisprudentie ten aanzien van de toepassing van de arbeidsongeschiktheidswetten moet in deze omstandigheden als haar maatman gelden de langdurig werkloze die is aangewezen op (voltijdse) arbeid tegen het wettelijke minimumloon. De Raad ziet geen aanleiding daarover in het kader van de toepassing van artikel 11 van de ANW anders te oordelen.

Nu de voltijds werkende als maatman geldt, heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van betrokkenes arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 11 van de ANW kon plaatsvinden aan de hand van voltijdse functies.

Gezien het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en moet het inleidend beroep ongegrond worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

M.M. van der Kade, T.L. de Vries en H.J. Simon

11 mei 2007 – Werkconferentie Seksuele Intimidatie

Werkconferentie Seksuele Intimidatie

11 mei 2007
Op 22 juni 2007 organiseert de Vereniging voor Vrouw en Recht een werkconferentie, waarin de recente ontwikkelingen in wetgeving en jurisprudentie op het terrein van seksuele intimidatie centraal staan.

Meer informatie

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 10 mei 2007

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting

 

Een man met borstkanker klaagt erover dat een bedrijf, dat geneesmiddelen tegen borstkanker produceert en op de markt brengt, niet in de bijsluiter vermeldt welke bijwerkingen zich specifiek bij mannen kunnen voordoen en het geneesmiddel op de markt te brengen zonder dat onderzoek is verricht naar bijwerkingen bij mannen.

De vraag van de man is gesplitst in de volgende deelvragen:

Maakt het bedrijf jegens de man onderscheid op grond van geslacht door:

– het aanbieden van het betreffende geneesmiddel niet te beperken tot groepen die systematisch zijn betrokken bij het voorafgaande medisch-wetenschappelijk onderzoek?

– niet in de bijsluiter te vermelden welke bijwerkingen zich bij gebruik door mannen bij mannen kunnen voordoen?

– niet in de bijsluiter te vermelden dat het medicijn niet op mannen is getest?

Het bedrijf heeft op alle drie de punten geen onderscheid op grond van geslacht gemaakt. Aanbevolen wordt echter dat het bedrijf moet nagaan of, en zo ja op welke wijze, in de bijsluiter vermeldt kan worden bij welke specifieke groep(en) personen de veiligheid en effectiviteit van de geneesmiddelen is getest.

 

Volledige tekst

 

1 Procesverloop

 

1.1

 

Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoeker de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, gevraagd om te beoordelen of verweerste in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling door niet in de bijsluiter van het door haar geproduceerde geneesmiddel Tamoxifen te vermelden welke bijwerkingen, zich bij gebruik door mannen kunnen voordoen en door Tamoxifen op de markt te brengen zonder dat onderzoek is verricht naar bijwerkingen bij mannen.

 

1.2

De Commissie sprak op 7 december 2006 in een tussenoordeel (2006-242) uit dat:

– zij bevoegd is over de bovengenoemde vraag te oordelen; en

– zij de behandeling van de zaak aanhoudt in afwachting van een deskundigenadvies.

1.3

De Commissie heeft daarop prof. mr. M.D.B. Schutjens verzocht advies uit te brengen over de voorgelegde materie. Op 12 januari 2007 ontving de Commissie dit advies. Het advies is aan dit oordeel gehecht.

1.4

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op het advies te reageren. De reactie van verzoeker is ontvangen op 14 februari 2007. De reactie van verweerster is ontvangen op 23 februari 2007.

1.5

De Commissie heeft besloten het verzoek vereenvoudigd te behandelen conform artikel 31, eerste lid, van het Besluit werkwijze Commissie gelijke behandeling. Dat wil zeggen dat geen zitting is gehouden en het oordeel is uitgesproken op basis van het advies en de door partijen overgelegde schriftelijke stukken.

 

2 Feiten

 

2.1

Verzoeker heeft borstkanker. Hij gebruikt in verband hiermee het door verweerster geproduceerde en op de markt gebrachte geneesmiddel Tamoxifen. Tamoxifen is slechts verkrijgbaar op recept.

2.2

Borstkanker komt substantieel vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Anders dan bij mannen is over het ontstaan, de diagnose, prognose, therapiemogelijkheden en mortaliteit van borstkanker bij vrouwen inmiddels veel wetenschappelijke kennis vergaard. De behandeling van borstkanker bij mannen – onder wie sprake is van een zeer lage prevalentie – pleegt te zijn afgeleid van de standaarden en behandelprotocollen ontwikkeld bij vrouwen met borstkanker.

2.3

Verweerster heeft in 1999 een handelsvergunning (‘registratie’) gekregen voor Tamoxifen van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, hierna: het College, als generieke variant van het merkgeneesmiddel Nolvadex. Tamoxifen behoort tot de groep antihormonen. Het vermindert de werking van het vrouwelijke geslachtshormoon oestradiol en remt daardoor de werking van kankercellen, in het bijzonder tumoren die gevoelig zijn voor deze vrouwelijke hormonen.

2.4

Bij de aanvraag van een handelsvergunning voor een voor menselijk gebruik bedoeld geneesmiddel waarvan de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling en de bereidingswijze gelijk zijn aan die van een geneesmiddel waarvoor reeds een handelsvergunning is verstrekt en dat met dezelfde analyse- en andere controlemethodieken wordt onderzocht, wordt krachtens het Besluit registratie geneesmiddelen dispensatie verleend voor wat betreft het overleggen van opgaven van met mensen uitgevoerde proeven zodra de producent bio-equivalentie heeft aangetoond. Dat betekent onder meer dat de producent van generieke geneesmiddelen niet is gehouden tot het opnieuw verrichten van onderzoek met mensen, maar kan volstaan met verwijzing naar de onderzoeksdossiers van de producent van het oorspronkelijke geneesmiddel. Als gevolg van deze verwijzing is verweerster, ingevolge het Besluit Etikettering en Bijsluiter Farmaceutische Producten, gehouden haar bijsluiter conform de bijsluiter van het merkgeneesmiddel op te stellen.

2.5

De tekst van de (Nederlandse) bijsluiter van Tamoxifen is derhalve identiek aan de tekst van de (Nederlandse) bijsluiter van Nolvadex.

De door het College goedgekeurde bijsluiter van Tamoxifen vermeldt dat gebruik is geïndiceerd bij tumoren die gevoelig zijn voor hormonen, zoals borstkanker. In de bijsluiter wordt vermeld dat het medicijn niet moet worden gebruikt bij overgevoeligheid voor Tamoxifen of een van de (andere) bestanddelen van dit geneesmiddel, bij zwangerschap en tijdens het geven van borstvoeding. Voorts wordt in de bijsluiter benadrukt dat kinderen die Tamoxifen gebruiken goed in de gaten moeten worden gehouden.

Verschillende van de bijwerkingen die in de bijsluiters worden vermeld kunnen zich uitsluitend bij vrouwen voordoen. De bijsluiter bevat geen informatie over bijwerkingen die specifiek bij mannen kunnen optreden.

2.6

Nolvadex is tevens in de Verenigde Staten geregistreerd en wordt op de markt gebracht krachtens de voorschriften van de Food and Drug Administration. Deze voorschriften wijken af van de (op EG-recht gebaseerde) Nederlandse regelgeving. In de “Professional Information Brochure” wordt met betrekking tot Tamoxifen – voor zover relevant voor dit oordeel – het volgende vermeld. “Male breast cancer:

Nolvadex is well tolerated in males with breast cancer. Reports from the literature and case reports suggest that the safety profile of Nolvadex in males is similar to that seen in women. Loss of libido and impotence have resulted in discontinuation of tamoxifen threapy in male patients. Also, in oligospermic males treated with tamoxifen, Lh, FSH, testosterone and estrogen levels were elevated. No significant clinical changes were reported.”

Tevens wordt de volgende toelichting gegeven:

“Published results from 122 patients (119 evaluable) and case reports in 16 patients (13 evaluable) treated with Nolvadex have shown that Nolvadex is effective for the palliative treatment of male breast cancer. Sixty-six of these 132 evaluable patients responded to Nolvadex which constitutes a 50% objective response rate.”

 

3 Beoordeling van het verzoek

 

3.1

Verzoeker heeft de vraag voorgelegd of verweerster onderscheid op grond geslacht heeft gemaakt door in de bijsluiter van Tamoxifen de bijwerkingen die zich bij gebruik door mannen mogelijk kunnen voordoen niet te vermelden en, subsidiair, door Tamoxifen op de markt te brengen, zonder dat systematisch onderzoek is verricht naar de veiligheid en effectiviteit van het middel bij mannen. De Commissie zal deze vraag beoordelen door hem te splitsen in de volgende deelvragen.

1. Maakt verweerster jegens verzoeker onderscheid op grond van geslacht door het aanbieden van Tamoxifen niet te beperken tot groepen die systematisch zijn betrokken bij het voorafgaande medisch-wetenschappelijk onderzoek?

2. Maakt verweerster jegens verzoeker onderscheid op grond van geslacht door:

a) niet in de bijsluiter te vermelden welke bijwerkingen zich bij gebruik door mannen bij mannen kunnen voordoen?

b) niet in de bijsluiter te vermelden dat het medicijn niet op mannen is getest?

Bevoegdheid

3.2

De Commissie heeft in haar tussenoordeel 2006-242 geoordeeld dat het aanbieden van een geneesmiddel en de wijze waarop dit plaatsvindt, valt onder de reikwijdte van

artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) en dat zij derhalve bevoegd is om over het verzoek te oordelen.

3.3

In aanvulling hierop merkt de Commissie het volgende op over haar bevoegdheid. Verweerster is een bedrijf dat generieke geneesmiddelen ontwikkelt en op de markt brengt. Derhalve is zij te beschouwen als een aanbieder van goederen in de zin van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, AWGB. Het feit dat verzoeker Tamoxifen niet rechtstreeks bij verweerster afneemt, maar dit middel via een arts en apotheek betrekt, doet hierbij niet ter zake. Verweerster heeft als aanbieder van Tamoxifen een zelfstandige verantwoordelijkheid om daarbij niet in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving te handelen. Dat deze verplichting eveneens op de behandelend arts en apotheker rust, doet niet af aan het vorenstaande.

Ook de omstandigheden dat een handelsvergunning voor het geneesmiddel is verkregen, dat het College de bijsluiter heeft goedgekeurd en dat de bijsluiter voldoet aan de eisen van Europese regelgeving, laten onverlet dat verweerster tevens een eigen verantwoordelijkheid heeft voor het op de markt brengen van het geneesmiddel en het verstrekken van informatie daarover op een wijze die verenigbaar is met de geneesmiddelenwetgeving.

 

Onderscheid door het gebruik van Tamoxifen niet te beperken tot groepen die systematisch zijn betrokken bij eerder medisch-wetenschappelijk onderzoek?

 

3.4

Verzoeker is van mening dat hij door verweerster ongelijk wordt behandeld op grond van zijn geslacht. Daartoe heeft verzoeker aangevoerd dat het door verweerster op de markt gebrachte geneesmiddel Tamoxifen slechts is getest op vrouwen terwijl het middel ook wordt voorgeschreven aan mannen met borstkanker.

3.5

De Commissie heeft eerder de vraag beantwoord of opdrachtgevers tot en uitvoerders van medisch-wetenschappelijk onderzoek onderscheid maken als zij kandidaat-proefpersonen van deelname uitsluiten op grond van hun geslacht, ras of seksuele voorkeur (vergelijk CGB 18 januari 2005, oordeel 2005-5 en CGB-advies/2006/08, 1 september 2006). De Commissie oordeelde dat het uitsluiten van deelname als proefpersoon aan een medisch-wetenschappelijk onderzoek op een door de AWGB beschermde grond leidt tot (direct of indirect) onderscheid, in de zin van de gelijkebehandelingswetgeving. Direct onderscheid op een door de AWGB beschermde grond is altijd verboden, tenzij er een wettelijke uitzondering voorhanden is. Indirect onderscheid is verboden tenzij voor het gemaakte onderscheid een objectieve rechtvaardiging bestaat.

3.6

De onderhavige vraag is een wezenlijk andere. Het gaat thans niet om deelname aan onderzoek, maar om de groep personen die in aanmerking komt voor op basis van onderzoeksresultaten geproduceerde, op de markt gebrachte en geïndiceerde geneesmiddelen. Maakt een producent van een geneesmiddel jegens toekomstige gebruikers onderscheid indien hij de proefpersonenpopulatie van een geneesmiddelenonderzoek niet zodanig samenstelt dat daarbij alle mogelijke groepen toekomstige gebruikers worden betrokken?

3.7

De Commissie beantwoordt deze vraag ontkennend. Immers, de gelijkebehandelingswetgeving heeft primair tot doel het tegengaan van uitsluiting en (ongerechtvaardige) ongelijke behandeling. In het eerste geval worden deelnemers uitgesloten van de mogelijkheid om te participeren in medisch-wetenschappelijk onderzoek ter vergroting van de kennis en ter bevordering van het medisch-wetenschappelijk inzicht. Afhankelijk van de context, de gehanteerde criteria, en de nagestreefde doelen, kan een dergelijke uitsluiting aanvaardbaar zijn. In dit geval wordt verzoeker echter niet uitgesloten van het gebruik van Tamoxifen, nu het geneesmiddel door middel van wetenschappelijk verantwoorde extrapolatie ook voor mannen geschikt is verklaard. Maar ook indien het gebruik van Tamoxifen niet was geëxtrapoleerd naar mannen, was nog geen sprake geweest van onderscheid in de zin van de gelijkebehandelingswetgeving. De gelijkebehandelingswetgeving schrijft immers niet voor dat aanbieders van producten ertoe zijn gehouden te zorgen dat het product door iedereen kan worden gebruikt. Een fabrikant van herenfietsen (fietsen met stang) is niet verplicht (daarom) ook damesfietsen te produceren. Een dergelijke verstrekkende positieve verplichting ligt niet besloten in de gelijkebehandelingswetgeving en zou ook onwerkbare effecten hebben (vgl. ook CGB 12 januari 2006, oordeel 2006-5, waar de Commissie oordeelde dat het een verzekeraar in beginsel vrijstaat om zich op een specifiek marktsegment te richten). De fabrikant mag echter niet weigeren zijn fietsen aan dames te verkopen. Dat ligt in het onderhavige geval in zoverre anders dat verweerster juist moet weigeren zijn producten aan bepaalde groepen personen ter beschikking te stellen, wanneer daarvoor geen vergunning is afgegeven, vanwege het ontbreken van voldoende gevalideerde gegevens over de effecten van dat product op een bepaalde groep dan wel andere contra-indicaties. In dat geval moet echter worden aangenomen dat de positie van degenen die van gebruik worden uitgesloten niet vergelijkbaar is met de positie van degenen voor wie het gebruik wel is toegelaten.

3.8

Onderzoeksgroepen worden samengesteld op basis van wetenschappelijke criteria om verantwoorde en voor de praktijk bruikbare conclusies te kunnen trekken. De onderzoeksgroep zal over het algemeen zoveel mogelijk homogeen moeten zijn, opdat goed zichtbaar is wat de veiligheid en het effect zijn van de te onderzoeken stoffen. Het samenstellen en testen van een geneesmiddel op een dergelijke wetenschappelijk verantwoordelijk samengestelde onderzoekspopulatie is op zichzelf niet in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving, ook niet wanneer dat ertoe zou leiden dat het middel door bepaalde groepen patiënten niet kan worden gebruikt. De Commissie roept hierbij in herinnering dat Tamoxifen is gericht op het afremmen van vrouwelijke hormonen.

3.9

Indien een geneesmiddel, zoals Nolvadex, uitsluitend is getest op een (specifieke) groep vrouwen wil dat niet zeggen dat het geneesmiddel per definitie minder veilig of effectief is voor mannen dan voor andere groepen vrouwen, dan die waarop het middel is getest. Zo is aannemelijk dat vrouwen boven een bepaalde leeftijd, zwangere vrouwen en vrouwen die een andere ziekte onder de leden hebben, niet bij het onderzoek naar veiligheid en effectiviteit van Nolvadex zijn betrokken, zodat voor vrouwen die tot deze groepen behoren net zo min als voor mannen uit de testresultaten kan worden opgemaakt of er specifieke bijwerkingen te verwachten zijn.

3.10

Het College heeft eerder op basis van overgelegde onderzoeksrapportages, wetenschappelijke publicaties en de uitkomsten van post-marketing surveillance geconcludeerd dat er, gelet op de werking en veiligheid van het merkgeneesmiddel Nolvadex en daarvan afgeleide generieke middelen zoals Tamoxifen, geen aanleiding was aan de handelsvergunning beperkingen te stellen met betrekking tot de gebruikersgroep van het geneesmiddel. Dit gegeven heeft ertoe geleid dat de gebruikersgroep van Nolvadex, en daarmee ook van Tamoxifen, geëxtrapoleerd is naar mannen. Het daadwerkelijke gebruik door mannen heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat deze extrapolatie niet op goede gronden is geschied.

3.11

De Commissie constateert dat medicijnen die op een homogeen samengestelde groep mensen zijn getest, ook aan andere groepen mogen worden aangeboden wanneer de veiligheid en effectiviteit van dat gebruik voldoende wetenschappelijk zijn aangetoond. Dit is niet strijdig met de gelijkebehandelingswetgeving. In dit verband merkt de Commissie op dat een andere conclusie mogelijk juist tot nadeel zou leiden voor groepen die niet bij het onderzoek zijn betrokken. Immers, indien een verplichting zou bestaan om een geneesmiddel voor iedere groep apart te testen (zo dit mogelijk zou zijn), dan zou dit geneesmiddelenfabrikanten ertoe kunnen brengen om zich uitsluitend te richten op de meest voorkomende groep gebruikers (in het geval van borstkanker: vrouwen), en hen ervan kunnen weerhouden medicijnen voor een zo breed mogelijke groep te produceren en op de markt te brengen, vanwege de hoge kosten die hieraan zouden zijn verbonden.

3.12

Op grond van het vorenstaande is de Commissie derhalve van oordeel dat verweerster geen onderscheid op grond van geslacht jegens verzoeker maakt door het aanbod van het door haar op de markt gebrachte geneesmiddel Tamoxifen niet te beperken tot groepen die systematisch zijn betrokken bij eerder medisch-wetenschappelijk onderzoek naar het merkgeneesmiddel.

 

Onderscheid door niet in bijsluiter te vermelden welke bijwerkingen zich bij mannen kunnen voordoen?

 

3.13

Verzoeker heeft gesteld dat de bijsluiter alleen melding maakt van algemene bijwerkingen en van bijwerkingen die zich uitsluitend kunnen voordoen bij gebruik door vrouwen. De bijsluiter vermeldt geen bijwerkingen die specifiek bij mannen kunnen optreden. In de Amerikaanse tekst van de bijsluiter van Nolvadex wordt gemeld dat gebruik door mannen kan leiden tot libidoverlies en impotentie. Verzoeker is daarom van mening dat verweerster door deze bijwerkingen niet te vermelden onderscheid jegens hem maakt.

3.14

De Commissie constateert allereerst dat verweerster, als producent van generieke geneesmiddelen, ingevolge het Besluit Etikettering en Bijsluiter Farmaceutische Producten gehouden is haar bijsluiter conform de bijsluiter van de merkgeneesmiddelen op te stellen. De bijsluiters, waaronder die van Tamoxifen, vermelden slechts wetenschappelijk gevalideerde informatie. De onderzoeksgegevens van Nolvadex geven geen, althans onvoldoende, wetenschappelijk onderbouwde en gevalideerde informatie over de bijwerkingen van Tamoxifen bij mannen. De gegevens over bijwerkingen voor mannen van Nolvadex in de Verenigde Staten, zoals onder 2.6 vermeld, zijn van andere aard dan de gegevens over de vermelde algemene en specifiek voor vrouwen te verwachten bijwerkingen. Bij de Amerikaanse gegevens over gebruik door mannen gaat het om aanwijzingen die worden afgeleid uit literatuur en uit door artsen en gebruikers gemelde ervaringen. Dergelijke aanwijzingen voldoen niet aan de eisen die worden gesteld aan de gegevens die ingevolge bovengenoemd Etiketteringsbesluit moeten worden vermeld op bijsluiters. In dit opzicht is de Europese en Nederlandse wet- en regelgeving niet vergelijkbaar met de Amerikaanse. Dit brengt mee dat, nu slechts wetenschappelijk gevalideerde informatie over de algemene bijwerkingen en bijwerkingen specifiek voor vrouwen beschikbaar is, aan verweerster niet kan worden verweten dat zij slechts deze informatie in de bijsluiter vermeldt.

3.15

Op verweerster rust ingevolge artikel 19c Besluit Registratie Geneesmiddelen echter wel de verplichting zorg te dragen voor het systematisch verzamelen en ordenen van gegevens over bijwerkingen, die door gebruikers en artsen worden gemeld. Deze informatie dient verweerster door te geven aan het College. Verweerster heeft in dit verband verklaard dat bij haar geen bijwerkingen zijn gemeld die zich specifiek bij mannen kunnen voordoen, zodat het aanpassen van de bijsluiter niet aan de orde is. Het College heeft tot op heden geen aanleiding gevonden om de handelsvergunning op dat punt aan te passen.

3.16

Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat verweerster geen onderscheid op grond van geslacht maakt jegens verzoeker, door in de bijsluiter geen melding te maken van bijwerkingen die zich specifiek bij mannen kunnen voordoen.

 

Onderscheid door niet in de bijsluiter te vermelden dat Tamoxifen niet op mannen is getest?

 

3.17

De Commissie heeft onder 3.6 en verder geoordeeld dat uit de gelijkebehandelingswetgeving geen positieve verplichting voor verweerster voortvloeit om geneesmiddelen eerst te testen op mannen alvorens deze aan mannen aan te bieden. Nog los van de omstandigheid dat kan worden betwijfeld of het niet vermelden dat de veiligheid en effectiviteit van een geneesmiddel niet systematisch is onderzocht bij één of meer bepaalde groepen nadeel oplevert in de zin van de AWGB, merkt de Commissie hierover het volgende op. Medisch-wetenschappelijke criteria zijn bepalend voor toelating tot de onderzoekspopulatie in de verschillende fasen voorgaand aan een verzoek om registratie. Deze criteria mogen niet strijdig zijn met de gelijkebehandelingswetgeving. Hieruit volgt echter niet dat, indien deze criteria tot onderscheid leiden naar een van de beschermde gronden, er dus sprake is van verboden onderscheid. Zo kunnen aan handelsvergunningen restricties worden verbonden, bijvoorbeeld ten aanzien van de groepen voor wie het middel geïndiceerd wordt geacht. De Commissie acht voldoende aannemelijk dat er in dit geval valide medisch-wetenschappelijke criteria aanwezig waren om het onderzoek naar de veiligheid en effecten van het geneesmiddel toe te spitsen op dan wel te beperken tot vrouwelijke proefpersonen.

3.18

Op grond van het vorenstaande is de Commissie van oordeel dat verweerster geen onderscheid op grond van geslacht jegens verzoeker heeft gemaakt door niet in de tekst van de bijsluiter te vermelden dat Tamoxifen niet op mannen is getest.

4 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat de

….. jegens de heer … geen onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.
5 Aanbeveling

Gegeven de voorstelbare zorg van verzoeker over het gebruik van een geneesmiddel waarvan de veiligheid en effectiviteit niet systematisch bij mannen is getest, terwijl bekend is dat stoffen soms naar geslacht verschillende effecten kunnen hebben, beveelt de Commissie verweerster aan om na te gaan of, en zo ja op welke wijze, zij in de bijsluiters bij geneesmiddelen, zoals Tamoxifen – zonder in strijd te komen met Europese of nationale regelgeving – kan vermelden bij welke specifieke groep(en) personen de veiligheid en effectiviteit van het geneesmiddel is getest.

Aldus gegeven te Utrecht op 10 mei 2007 door prof. mr. A.C. Hendriks, voorzitter,

mr. M. van den Brink en mr. A.B. Terlouw, leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. N. Günes, secretaris.

 

Rechters

prof. mr. A.C. Hendriks, voorzitter,
mr. M. van den Brink en mr. A.B. Terlouw

Instantie: Rechtbank Haarlem, sector kanton, 2 mei 2007

Instantie

Rechtbank Haarlem, sector kanton

Samenvatting

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een gewichtige reden, na een klacht over seksueke intimidatie, zonder toekenning van een vergoeding.

Volledige tekst

De feiten

a. [verweerder], 35 jaar oud, is sinds 6 mei 2005 bij Transavia in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, laatstelijk in de functie van purser tegen een salaris van E 2.038,71 bruto per maand exclusief vakantiegeld (en overige emolumenten). Daarvoor is hij op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in dienst van Transavia geweest sedert 4 december 2000. Hij heeft vanaf die datum – met uitzondering van de periode van 31 oktober 2003 tot 12 januari 2004 – onafgebroken voor Transavia gewerkt. In genoemde periode was er geen werk voor hem.

b. Op 5 juni 2006 heeft [verweerder] gewerkt op een vlucht van Groningen via Eindhoven naar Tenerife en weer terug naar Amsterdam. Van zijn crew maakten de Cabin-Attendants [XXX] (hierna: [XXX]) en [YYY] (hierna: [YYY]) deel uit. Op 22 juni 2006 heeft [XXX] bij Transavia een klacht ingediend, welke klacht – voor zover hier relevant – als volgt luidde:
?(…)Later op de avond, toen we weer in het hotel waren, haalden hij en een co-piloot mij over om op hun kamer nog even na te kletsen. Ik ging er van uit dat ik niet het enige meisje zou zijn, maar het tegenovergestelde bleek waar te zijn. Toen ik merkte dat de twee heren al snel op het bed gingen liggen, ben ik weggegaan. In mijn eigen kamer aangekomen, kleedde ik me om en net op dat moment werd er op de deur geklopt. Het was [verweerder]. Van collega’s had ik reeds vernomen wat het betekend als er ’s nachts op je deur wordt geklopt, dus ik zei hem dat ik ging slapen. De volgende middag waren [verweerder] en ik als eerste in de lobby en ik voelde een spanning van zijn kant, aangezien hij over de avond ervoor begon en zijn acties goed praatte onder het mom van ‘ik wilde je alleen even knuffelen’.(…)
(…)Pas toen [verweerder] met zijn hand over mijn benen ging wrijven, tot aan mijn kruis toe, heb ik zijn hand gepakt en weggehaald. Tot tien keer toe moest ik dit herhalen aangezien hij niet wilde luisteren. Ook heb ik gezegd dat ik dit liever niet wilde. Ik ben maar wat gaan rondlopen om dit te vermijden en heb het er met enkele crewmembers over gehad.(…)
(…)Ik hoop dat hier iets mee gedaan wordt.’

c. Naar aanleiding van deze klacht heeft Transavia een onderzoek ingesteld. [verweerder] is in dit onderzoek gehoord. Hij heeft de beschuldiging van de hand gewezen en ontkend dat hij zich aan seksuele intimidatie heeft schuldig gemaakt.

d. Bij brief van 29 juni 2006 heeft Transavia het volgende – voor zover van belang – aan [verweerder] bericht:
(…)Transavia heeft besloten u geen disciplinaire maatregel op te leggen, conform Bijlage 23, lid 1 CAO Cabinepersoneel. Aan dit besluit ligt de volgende overweging ten grondslag:
– Ons onderzoek en uw mondelinge toelichting biedt ons onvoldoende grond om een disciplinaire straf te rechtvaardigen. Hiermee verklaren wij de klacht formeel ongegrond.

Ui ons onderzoek zijn wel een aantal zaken naar voren gekomen die wij niet onbenoemd willen laten, te weten:
– De beschrijving van het voorval aan boord, zoals vermeld in de klachtenbrief, komt niet overeen met uw beschrijving. Opmerkelijk is dat uw eigen beleving een geheel andere is dan die van uw collega. Uw handelswijze geeft wel aanleiding tot twijfels maar wij kunnen dit niet rechtvaardigen.
– Vanuit uw leidinggevende functie aan boord is uw rol zoals beschreven in het voorval zeker niet gepast. U vervult een voorbeeldfunctie en dient zich daar ook als zodanig naar te gedragen.(…)

e. Op 18 juli 2006 heeft Transavia een klacht ontvangen van [YYY], welke klacht eveneens betrekking had op de vlucht van 5 juni 2006. In de desbetreffende e-mail heeft [YYY] het volgende vermeld, voor zover van belang:
(…)Zoals beloofd , stuur ik u de e-mail met korte en zakelijke informatie betreffende de Purser met code BBB.
Tijdens het stopje:
Masseren, midden in een vol caf? en dan via de schouderbladen naar de voorkant tot onder m?n ribben (de rest werd tegengehouden d.m.v. mijn armen strak tegen mezelf te houden) Vervolgens doorgaan via de onderkant van mijn rug naar mijn heupen/billen toe.(…)
(…)Tijdens start en landing aan mijn benen zitten met de handen (…)
(…)Hij pakte m’n hand vast en ging dan heel irritant aan de binnenkant van mijn handpalm aaien tot mijn pols en terug(…)
(…)Hij wilde ook elke keer een knuffel hebben en had op een gegeven moment door dat dat niet in de smaak viel bij me. (…)
(…)Dit is kort en zakelijk wat er bij mij elke keer aan de hand was. Ik heb het als bijzonder vervelend ervaren(…)
(…)Misschien dat de vraag aanwezig is, waarom ik dit niet eerder heb gemeld: dit is puur om het feit van dat ik nog in mijn proefperiode zat, hij purser is en ik ca1 en dat mijn invliegvluchten niet het resultaat geleverd hadden, wat nodig was, waardoor mijn begin bij trans niet denderend positief was en verder wil ik niemand erbij ‘naaien'(…)

f. Transavia heeft hierop [verweerder] opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. [verweerder] heeft ontkend zich aan seksuele intimidatie schuldig te hebben gemaakt. Bij brief van 27 juli 2006 heeft Transavia, voor zover van belang, het volgende aan [verweerder] bericht:
(…)De aanleiding voor ons gesprek betreft je functioneren als Purser. Wij hebben wederom een klacht ontvangen van een collega Cabin Attendant waarin melding wordt gemaakt van handtastelijkheden aan boord tijdens een vlucht van 5 juni jl. en tijdens een stop voorafgaand aan deze vlucht. Recentelijk is een soortgelijke klacht over jou door ons onderzocht. Het betrof dezelfde vlucht van 5 juni jl. De conclusie van dat onderzoek was dat de klacht weliswaar onvoldoende grond bood om een disciplinaire straf op te leggen, maar dat je handelswijze wel aanleiding gaf tot twijfels. Je hebt zelf ook aangegeven dat je gedrag vanuit je functie van Purser niet gepast was en toegezegd dat dit soort gedrag niet meer voor zal komen. Aangezien de nieuwe klacht betrekking heeft op dezelfde vlucht, zullen we niet overgaan tot het opstarten van een nieuw onderzoek. In ons gesprek van 27 juli jl. hebben wij heel duidelijk gesteld dat wij ervan uitgaan geen enkele klacht meer te ontvangen van collega?s en/of anderen over jouw functioneren, zowel aan boord als tijdens de stops. Mocht dit toch gebeuren dan zal ons verdere vertrouwen in een goede samenwerking ernstig worden beschaamd en zullen wij maatregelen nemen, waarbij wij maatregelen gericht op be?indiging van je dienstverband niet uitsluiten. (…)

g. Op 5 maart 2007 heeft Transavia een klacht over [verweerder] ontvangen van [ZZZ] (hierna: [ZZZ]), eveneens Cabin-Attendant. Haar klacht bevatte, voor zover van belang, het volgende:
(…)Op 4 maart jl. had ik een vlucht de HV 5585 naar Nice met de volgende collega?s: Purser [verweerder] (BBB), (…)
(…)Tijdens de heenreis ben ik door [verweerder] tot 2x toe onzedelijk betast.(…)
(…)In plaats van dat [verweerder] me vroeg om even opzij te gaan, pakte hij me bij mijn zij en duwde mij opzij. Bij het opzij zetten ging hij met zijn handen onder mijn jasje, wreef over mijn rug en ging met zijn hand onder mijn bh bandje door opzij richting mijn borsten. De tweede keer was bij het instappen toen ik als CA3 naast hem stond en hij wederom onder mijn jasje ging met zijn hand en weer met zijn hand over mijn rug onder mijn bh bandje ging en daarbij zei ,,Oh, wat ruik je lekker ohh?. Ik liet duidelijk merken dat ik hier niet van gediend was door hem met mijn schouders weg te duwen.(…)
(…)Ik zie dit incident als pure sexuele intimidatie.(…)

h. Transavia heeft naar aanleiding van de klacht van [ZZZ] opnieuw een onderzoek ingesteld. In dat kader heeft op 8 maart 2007 een gesprek met [verweerder] plaatsgevonden. In het van dat gesprek opgemaakte verslag is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
(…)[verweerder] krijgt het woord en geeft toelichting(…)
(…)na aankomst in Nice was [ZZZ] erg overstuur, ze had inmiddels ook met de captain gesproken. Ze beschuldigde mij van het ‘aanraken van haar BH bandje’ Ik begreep hier helemaal niets van, ik weet echt niet wat er gebeurd is. Ik heb de hele weg niets gemerkt.(…)
(…)Het enige wat ik mij bij de hele situatie kan voorstellen is dat je in de kleine ruimte aan boord elkaar moet passeren en het bijna onmogelijk is om elkaar niet aan te raken. Je ontkomt er niet aan dat je elkaar aanstoot. Ik zou niets anders hebben kunnen bedenken.(…)

i. Bij Transavia is van kracht een handleiding ‘ongewenste omgangsvormen’ waarin medewerkers er onder meer op worden gewezen welk gedrag onder seksuele intimidatie kan worden begrepen en waarin is vermeld dat Transavia geen ongewenste omgangsvormen tolereert en een vertrouwenspersoon heeft aangesteld om eventuele signalen of klachten van medewerkers te behandelen. Daarnaast, zo beschrijft de handleiding eveneens, heeft Transavia een klachtencommissie, die klachten van medewerkers over ongewenste omgangsvormen behandelt.

Het verzoek

Transavia verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair wegens een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden.

Ter toelichting stelt Transavia – samengevat – het volgende. [verweerder] heeft zich in tien maanden tijd drie maal schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie ten opzichte van drie medewerkers, aan wie hij leiding geeft. Transavia is van mening dat de handelwijze van [verweerder] op zich een dringende reden is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In elk geval meent Transavia dat er sprake is van een verandering van omstandigheden, omdat [verweerder] door zijn handelwijze het in hem gestelde vertrouwen heeft geschaad.

Het verweer

[verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een vergoeding van E 77.036,40.

Ter toelichting voert [verweerder] – samengevat – het volgende aan. [verweerder] heeft ontkend dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie. Er is dan ook geen dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Evenmin is er sprake van een wijziging van omstandigheden.

De beoordeling van het verzoek

1. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW.

2. Transavia heeft naar het oordeel van de kantonrechter op basis van de drie onafhankelijk van elkaar ingediende klachten over het gedrag van [verweerder] voldoende aannemelijk gemaakt dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan gedrag dat aan te merken is als seksuele intimidatie. Ondanks het feit dat alle klachten op zichzelf staan, [verweerder] het door de klaagsters omschreven handelen heeft ontkend en er in elk van de klachten geen aanvullend bewijs is voor de juistheid van wat de klaagsters hebben verklaard, levert de omstandigheid dat drie vrouwen onafhankelijk van elkaar zodanig gedrag van [verweerder] hebben beschreven voldoende steun op voor de juistheid van de stellingen van Transavia. Niet in geschil is dat de drie medewerksters in hun klachten handelen van [verweerder] hebben beschreven en niet van een ander. Daar komt bij dat [verweerder] niet heeft weersproken dat hij tijdens een pauze in de vlucht van 5 juni 2006 een tijdje zijn hand op het been van [XXX] heeft gelegd, gedrag dat hem alleen al uit hoofde van zijn leidinggevende positie niet past. Gesteld noch gebleken is bovendien dat de betreffende medewerkers redenen zouden hebben gehad of meenden dat zij redenen hadden om [verweerder] een hak te zetten en daarom valse verklaringen tegen hem af hebben gelegd.

3. [verweerder] heeft aangevoerd dat de klacht van [XXX] geen grond kan zijn om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen omdat deze klacht ongegrond is verklaard. De kantonrechter deelt dit standpunt niet. De klacht van [XXX] is, zo blijkt uit de brief van 29 juni 2006 formeel ongegrond verklaard omdat er, afgezien van de verklaring van [XXX], geen bewijs was voor het door haar gestelde handelen van [verweerder]. Terecht is Transavia dan ook tot het besluit gekomen om [verweerder] niet op grond van een enkele verklaring een disciplinaire maatregel op te leggen. Enigszins anders werd het toen Transavia na enige tijd opnieuw een klacht van een andere medewerkster over dezelfde vlucht van 5 juni 2006 binnenkreeg. Het besluit van Transavia om niet opnieuw een onderzoek te gaan verrichten maar [verweerder] in een gesprek en in een brief andermaal op zijn verplichtingen te wijzen is op zichzelf ook begrijpelijk. Dat neemt niet weg dat er op het moment dat Transavia bij brief van 27 juli 2006 [verweerder] een ernstige waarschuwing gaf reeds twee klachten over zijn handelen bekend waren. Dat Transavia de klacht van [YYY] niet zorgvuldig ? [verweerder] bedoelt klaarblijkelijk ?zonder onderzoek? – heeft afgehandeld, moge zo zijn, maar is geen reden om deze klacht thans buiten beschouwing te laten. [YYY] heeft immers, zoals hiervoor al is weergegeven, beschreven wat zij [verweerder] verweet en haar verklaring maakt deel uit van de processtukken. Voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] in het gesprek dat hij naar aanleiding van deze klacht met [AAA] en [BBB] van Transavia heeft gevoerd – wellicht summier – op de hoogte is gesteld van de inhoud van deze klacht.

4. [verweerder] had derhalve vanaf 27 juli 2006 als een gewaarschuwd mens te gelden. Omdat er desondanks nadien opnieuw een klacht is gekomen betreffende gedrag van hem dat als seksuele intimidatie is aan te merken heeft Transavia zich terecht op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. De kantonrechter volgt [verweerder] niet in zijn stelling dat de klacht van [ZZZ] moet worden bezien tegen de achtergrond van haar lage emotionele drempel, wat er van de juistheid van die stelling van [verweerder] dan ook zij.

5. De stelling van [verweerder] dat hij in het vervolg op andere vluchten kan worden ingeroosterd dan de drie klaagsters wordt gepasseerd. Nog afgezien van de roostertechnische problemen die dit wellicht zou kunnen opleveren heeft Transavia aangevoerd, dat het er om gaat dat zij iemand die zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie niet kan handhaven vanwege het belang dat haar overige werknemers hebben bij werk in een omgeving waarin zij niet het risico lopen om onderworpen te worden aan dergelijk gedrag. Dit geldt te meer omdat [verweerder] een leidinggevende positie heeft bij Transavia. Het belang van [verweerder] bij behoud van zijn baan dient voor laatstbedoeld belang van Transavia te wijken.

6. Er zijn dus voldoende gewichtige redenen om de arbeidsovereenkomst op korte termijn te ontbinden, zodat het verzoek in zoverre toewijsbaar is.

7. Beoordeeld moet worden of aan [verweerder] in redelijkheid een vergoeding toekomt.
Dit is niet het geval. Voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] zich in tien maanden tijd drie keer heeft schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie van drie medewerkers die onder zijn leiding stonden. De laatste keer vond plaats nadat hij uitdrukkelijk door Transavia erop was gewezen dat zodanig handelen niet (langer) getolereerd zou worden. [verweerder] heeft een leidinggevende positie en van hem mag dan ook in het algemeen meer terughoudendheid in zijn contacten met medewerkers worden verwacht dan van anderen. Uit de verklaringen van de drie klaagsters valt met voldoende zekerheid af te leiden dat [verweerder] in dit opzicht de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden. Bij het voorgaande neemt de kantonrechter in aanmerking dat [verweerder] pas 35 jaar oud is en hij, mede gelet op zijn opleiding, naar verwachting niet veel moeite zal hebben met het vinden van een andere baan. De kantonrechter realiseert zich daarbij wel dat de aanleiding tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst de kans op een nieuwe baan mogelijk bemoeilijkt, doch dit is een omstandigheid die geheel voor risico van [verweerder] komt en derhalve zich niet in een vergoeding ten laste van Transavia dient te vertalen.

8. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

9. Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tegen 15 mei 2007;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Smits en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.

Rechters

mr. E.C. Smits

Leontine Bijleveld: Bussemaker torpedeert abortusboot

Bussemaker torpedeert abortusboot

Rond 21 april 2007 lekte uit dat staatssecretaris Bussemaker van VWS Women on Waves, beter bekend als de abortusboot, een vergunning zou geven voor haar mobiele abortuskliniek. Meteen schoten Christen Unie en SGP in de stress en sommeerden de staatssecretaris naar de Tweede Kamer. Het lek moet op het ministerie of bij politieke partijen worden gelokaliseerd, want Women on Waves reageerde aanvankelijk niet te kunnen reageren omdat ze de beschikking nog niet gezien hadden. Toen kennis genomen kon worden van de beschikking (d.d. 23 april 2007!) bleek dat in de praktijk geen sprake is van een vergunning. De werkzaamheden van Women on Waves lijken effectief getorpedeerd, althans voorlopig. Door staatssecretaris Bussemaker (PvdA), die overal stelt dat ze er voor zorgt zal dragen dat er in de praktijk niets ten nadele zal veranderen in de abortushulpverlening.

Women on Waves heeft al begin 2001 een abortusvergunning aangevraagd. Die werd een jaar later geweigerd (door Paars 2). Bezwaar leverde niets op, maar in juni 2004 vond de Rechtbank het beroep gegrond: de Minister moest een nieuw besluit nemen (LJN: AP1251, Rechtbank Amsterdam, AWB 02/3538). Dit keer vertraagde het departement niet (eerder werden allerlei termijnen overschreden): al in juli werd alsnog een vergunning verleend, maar onder de restrictie dat de behandelingen binnen een straal van 25 km van het ziekenhuis waarmee een overeenkomst was afgesloten zouden plaatsvinden. Die restrictie vloeit niet voort uit Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ) of Besluit Afbreking Zwangerschap (BAZ) – andere abortusklinieken hebben een overeenkomst met een verder weg gelegen ziekenhuis. Nu vond de rechtbank het beroep niet gegrond (maart 2005), maar de Raad van State wel in mei 2006 (LJN: AW7365, Raad van State, 200503100/1). De Minister moest opnieuw een besluit nemen, met in acht neming van wat de RvS vond.

Bijna een jaar later is het departement zover: de beperkende voorwaarde wordt veralgemeniseerd voor Women on Waves – altijd moet er een samenwerkingsovereenkomst zijn met een ziekenhuis binnen een straal van 25 km. Die vereiste samenwerkingsovereenkomsten gaan veel verder dan wat het BAZ voorschrijft. Daarnaast wordt de vergunning slechts verleend voor een abortus met behulp van de abortuspil voor zwangerschappen tot zeven weken. Zo wordt via de achterdeur een tot dusver niet bestaande categorie met beperkte abortusvergunning ingevoerd. Voorts worden nog enige beperkende voorwaarden gesteld (waar de pers nog geen aandacht voor had).

Ten opzichte van de nadagen van Paars 2 in 2002 is Women on Waves er slechter aan toe. Toen hadden ze de verzekering van de Minister dat ze weliswaar geen abortusvergunning kregen maar wel overtijdbehandelingen mochten uitvoeren (4 à 5 dagen korter dan de zeven weken grens in de huidige vergunning) waar dan ook de Nederlandse rechtsregels van toepassing zijn (dus ook buiten territoriale wateren). In de nabije toekomst moeten ze voor nagenoeg dezelfde behandeling een overeenkomst sluiten op allerlei gedetailleerde punten met een lokaal ziekenhuis in een ander land. Als dat kon hadden ze waarschijnlijk niet hoeven uit te varen. De mogelijkheid om hier in Nederland te gaan behandelen wordt ook verkleind, vanwege de beperking van zeven weken.

Met de nieuwe vergunning wordt geen recht gedaan aan de uitspraak van de Raad van State. Dat niet alleen zuur voor Women on Waves en voor de vrouwen die zij nu niet kunnen bijstaan. Het is ook een illustratie van het knagen aan de grondbeginselen van de rechtsstaat door bestuurders, die prioriteit geven aan politieke overleving boven die grondbeginselen. Diezelfde bestuurders die toelaten (en goedpraten) dat als burgers het wagen bezwaar en beroep aan te tekenen de Staat keer op keer voorgeschreven termijnen overschrijdt. Als de burger die termijnen overschrijdt wordt dat onmiddellijk aangegrepen om een niet-ontvankelijkheidsverklaring te krijgen.
Dat een staatssecretaris met de mond vol over niet veranderen van de abortuspraktijk, hiervoor tekent is veelzeggend. Haar lafheid staat in schril contrast met de moed van Minister Borst in 2002 toen die verklaarde dat Women on Waves overtijdbehandelingen mocht uitvoeren. Borst was toen demissionair en wie weet scheelt dat een slok op een borrel.
Dat neemt niet weg dat Bussemaker tekent voor allerlei beperkingen die niet noodzakelijkerwijs uit WAZ, BAZ of uit de jurisprudentie (of zelfs maar coalitieaccoord) voortvloeien. Waarom? Zou ze echt denken dat een kabinet kan vallen over abortus?

Leontine Bijleveld

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 14 april 2007

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting

Vrouw klaagt over de verzekeraar waarbij zij een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten. Hoewel zij haar eigen risicotermijn heeft verlaagd naar één maand, houdt de verzekeraar bij de toekenning van een zwangerschapsuitkering de (voorheen geldende) eigen risicotermijn van drie maanden aan. De reden hiervan is dat de wijziging binnen twee jaar voor de vermoedelijke bevallingsdatum plaatsvond. Omdat deze maatregel uitsluitend gericht is op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik door (zwangere) vrouwen, waarvan in dit geval geen sprake is, en niet tegen andere mogelijke vormen van misbruik, is sprake van verboden onderscheid op grond van geslacht.

Volledige tekst

Procesverloop


1.1

Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoekster de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht te beoordelen of verweerster jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht bij de wijziging van de polisvoorwaarden van haar arbeidsongeschiktheidsverzekering.


1.2

Verweerster heeft schriftelijk verweer gevoerd, waarin verweerster de stellingen van verzoekster heeft betwist. De gronden waarop het verweer rust komen, voor zover relevant voor de beoordeling van het verzoek, in de rubriek ‘beoordeling’ aan de orde.


1.3

De Commissie heeft een zitting gehouden op 12 januari 2007 waar partijen hun standpunten mondeling hebben toegelicht.


2 Feiten


2.1

Verzoekster is huisarts en werkt als zelfstandige. Zij heeft per 15 juli 2002 een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij verweerster, een verzekeringsmaatschappij.


2.2

Op grond van artikel 3 van de polisvoorwaarden biedt de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de verzekering) van verweerster dekking tegen het risico van inkomstenderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid, door een uitkering te verstrekken bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van arbeidsongeschiktheid. Op grond van hetzelfde artikel is sprake van arbeidsongeschiktheid indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan waardoor de verzekerde voor ten minste 25 procent beperkt is om de beroepsbezigheden verbonden aan het verzekerde beroep te verrichten.


2.3

Naast de uitkering voor derving van inkomen wegens arbeidsongeschiktheid biedt de verzekering op grond van het bepaalde in artikel 5 van de polisvoorwaarden voor de vrouwelijke verzekerde tevens een uitkering in verband met bevalling en zwangerschap. Hierbij is onder meer bepaald dat de uitkering wordt verstrekt over een periode van maximaal 16 weken onder aftrek van de periode van de eigen risico termijn (artikel 5, onderdeel b); indien de eigen risicotermijn in de twee jaren voorafgaande aan de vermoedelijke bevallingsdatum is gewijzigd zal de eigen risicotermijn met de langste duur worden aangehouden (artikel 5, onderdeel c).


2.4

Verweerster heeft verzoekster op 15 juli 2002 geaccepteerd onder de voorwaarden van een eigen risicotermijn van drie maanden (in plaats van een maand) en een premie die 20% hoger is dan de standaard premie.


2.5

Verzoekster heeft – nadat zij eerst telefonisch contact had opgenomen – verweerster op 7 september 2005 schriftelijk verzocht de beperkende voorwaarden te wijzigen in verband met een verandering in haar lengte-gewicht-verhouding (gewichtsvermindering). Hierna volgde een herkeuring die bestond uit het invullen van een vragenformulier en het ondergaan van een beperkt medisch onderzoek bij een huisarts die niet de eigen huisarts is (meten van bloeddruk en gewicht).

Verweerster heeft op 12 oktober 2005 schriftelijk laten weten dat de resultaten van het onderzoek aanleiding zijn om de premieverhoging te laten vervallen. Verzoekster heeft op 13 oktober 2005 telefonisch contact opgenomen met verweerster omdat het voorstel van verweerster alleen betrekking had op de verlaging van de premie en niet op de eigen risicotermijn. Verzoekster heeft verweerster gemeld dat ook de langere eigen risicotermijn te maken had met haar lengte-gewicht-verhouding en dat zij wilde laten beoordelen of deze termijn kon worden verlaagd naar één maand. Verweerster heeft vervolgens de eigen risicotermijn per 17 oktober 2005 teruggebracht naar één maand.


2.6

Verzoekster heeft verweerster na een mondelinge mededeling op 25 januari 2006 schriftelijk verzocht om in verband met haar zwangerschap te zijner tijd over te gaan tot een uitkering gedurende 16 weken minus de eigen risicotermijn.



2.7

Verzoekster is op 7 juni 2006 bevallen. Verweerster heeft haar – conform artikel 5 van de polisvoorwaarden – een uitkering verstrekt wegens zwangerschap en bevalling, onder aftrek van de eigen risicotermijn van drie maanden.


3 Beoordeling van het verzoek


3.1

In geding is de vraag of verweerster jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door overeenkomstig artikel 5, onderdeel c, van de polisvoorwaarden, een verkorting van de eigen risicotermijn niet eerder dan twee jaar na de wijziging te doen ingaan en in de tussentijd de langere eigen risicotermijn aan te houden.


Juridische achtergronden


3.2

In artikel 1 van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) is bepaald dat onder onderscheid in de zin van deze wet zowel direct als indirect onderscheid wordt verstaan. Direct onderscheid ziet onder andere op onderscheid tussen personen vanwege geslacht. Onder direct onderscheid op grond van geslacht wordt ingevolge het tweede lid van artikel 1 mede begrepen onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. In artikel 7, eerste lid, onderdeel a, AWGB bepaalt, in samenhang met artikel 1 AWGB, dat het is verboden onderscheid te maken op grond van onder meer geslacht bij onder andere het aanbieden van en het verlenen van toegang tot goederen of diensten, indien dit geschiedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Deze bepaling richt zich onder meer tot aanbieders van verzekeringen, zoals verweerster. Hoewel de Commissie onderkent dat verzekeraars de vrijheid hebben om zelf te bepalen met wie en waarover zij contracteren, wordt deze vrijheid beperkt door het bepaalde in het hiervoor genoemde artikel 7.


3.3

Voorts heeft de Commissie al eerder geoordeeld dat het op zichzelf is toegestaan om regelingen in verband met arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap en bevalling als eigensoortige regelingen aan te merken, maar dat deze dan niet aan ongunstiger voorwaarden mogen worden onderworpen dan andere onderdelen van de arbeidsongeschiktheidsregeling (onder meer CGB 24 november 2006, oordeel 2006-232 en CGB 10 mei 2001, oordeel 2001-39).


Jurisprudentie


3.4

Nadat de voorzieningenrechter van de Rechtbank Utrecht in twee uitspraken langs dezelfde lijn had geoordeeld als hierboven uiteengezet (op 15 november 2005, LJN: AU6168 en op 27 mei 2004, LJN AP0146), hebben de Rechtbank te Utrecht en het Hof te Amsterdam geoordeeld dat de verzekeraars niet in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving handelen (Rechtbank Utrecht 3 mei 2006, LJN: AW7505, Hof Amsterdam 19 oktober 2006, LJN: AZ0509, en Rechtbank Utrecht 10 januari 2007, LJN: AZ6602). Dit is voor de Commissie geen aanleiding haar oordelenlijn te herzien, zoals gemotiveerd in oordeel 2006-232 (CGB 24 november 2006).


Richtlijn 2004/113/EG


3.5

Richtlijn 2004/113/EG – die vóór 21 december 2007 door de lidstaten van de Europese Unie moet worden geïmplementeerd in nationale wet en/of regelgeving – betreft de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten. In overweging 20 van de preambule van deze richtlijn overweegt de Raad van de Europese Unie dat het ongunstiger behandelen van vrouwen wegens zwangerschap of moederschap een vorm van directe discriminatie op grond van geslacht is die moet worden verboden in verzekeringsdiensten en aanverwante financiële diensten. De kosten in verband met zwangerschap- en moederschaprisico’s mogen niet alleen op vrouwen worden afgewenteld.


3.6

Artikel 5 van Richtlijn 2004/113/EG heeft betrekking op actuariële factoren. De lidstaten moeten er voor zorgen – met betrekking tot nieuwe contracten die na 21 december 2007 worden gesloten – dat het gebruik van sekse als een factor bij de berekening van premies en uitkeringen in het kader van verzekeringsdiensten en aanverwante financiële diensten niet mag resulteren in verschillen in premies en uitkeringen van individuele personen (artikel 5 lid 1 richtlijn). In artikel 5, tweede lid van de richtlijn is een mogelijkheid geboden om hier een uitzondering op te maken. Ingevolge artikel 5, derde lid, van Richtlijn 2004/113/EG mogen kosten die verband houden met zwangerschap en moederschap, echter in geen geval leiden tot verschillen in premies en uitkeringen voor individuele personen. Nu heeft de onderhavige problematiek niet direct betrekking op de hoogte van de premie en de uitkering, maar indirect is dat wel het geval: het gaat immers om een maatregel die er toe leidt dat een verzekerde wel de volledige premie moet betalen maar tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof de bijbehorende uitkering tegen minder gunstige voorwaarden ontvangt.


Beoordeling van het verzoek


3.7

In het onderhavige geval hanteert verweerster na wijziging van de eigen risicotermijn de termijn met de langste duur indien de eigen risicotermijn in de twee jaren voorafgaande aan de vermoedelijke bevallingsdatum is gewijzigd.

De vraag moet worden beantwoord of verweerster door het hanteren van deze bepaling uit de polisvoorwaarden, hetgeen in feite neerkomt op een wachttijd van twee jaar alvorens de nieuwe eigen risicotermijn van een maand geldt, jegens verzoekster onderscheid maakt naar geslacht.


3.8

De Commissie gaat allereerst in op de suggestie van verweerster dat er een (theoretische) mogelijkheid is dat verzoekster wist dat zij zwanger was.


3.9
Ingevolge artikel 7:925, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een verzekering een overeenkomst waarbij de ene partij, de verzekeraar, zich tegen het genot van een premie jegens haar wederpartij, de verzekeringnemer, verbindt tot het doen van een of meer uitkeringen. Bij het sluiten van de overeenkomst dient er voor partijen geen zekerheid te bestaan dat het voorval zich voor zal doen, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet worden gedaan, of tevens hoe lang de overeengekomen premiebetaling zal duren. Eén van de essentiële onderdelen van een verzekeringsovereenkomst is derhalve dat er bij het sluiten van de overeenkomst voor partijen geen zekerheid bestaat over het moment waarop enige uitkering moet worden gedaan en tot welk bedrag, en evenmin zekerheid over hoelang de overeengekomen premiebetaling zal duren.


3.10

Het feit dat alleen vrouwen zwanger kunnen worden, brengt niet met zich dat een verzekeraar geen consequenties mag verbinden aan het ontbreken van het essentiële kenmerk van de verzekering, te weten onzekerheid (vergelijk CGB 13 oktober 2005, oordeel 2005-186). De Commissie heeft dan ook eerder vastgesteld dat een verzekeraar die weigert een zwangerschapsuitkering te verstrekken aan een vrouw die bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst al zwanger was, geen onderscheid maakt in de zin van de AWGB omdat dit besluit niet is gebaseerd op de zwangerschap, maar op het ontbreken van (voldoende) onzekerheid (CGB 17 maart 2006, oordeel 2006-44).


3.11

Deze situatie zou zich ook kunnen voordoen bij de wijziging van de verzekeringsvoorwaarden door verzoekster. De Commissie overweegt hierover het volgende. Verzoekster stelt dat zij nog niet wist dat ze zwanger was toen zij de wijziging aanvroeg. Verzoekster voert hierbij aan dat zij in de zomer van 2005 contact heeft opgenomen met verweerster om te overleggen over haar polisvoorwaarden. Toen zij vernam dat de hogere premie en de langere risicotermijn samen bleken te hangen met haar lengte-gewicht verhouding, bracht ze in dat ze was afgevallen.


3.12

Verweerster stelt niet dat verzoekster wist dat zij zwanger was, maar beroept zich wel op de theoretische mogelijkheid daarvan. Om calculerend handelen dan wel oneigenlijk gebruik van de verzekering door (toekomstig) verzekerden te voorkomen is de wachttijd in artikel 5 van de polisvoorwaarden gehanteerd. Immers, door met het oog op een beoogde – waarschijnlijke of zelfs reeds bestaande – zwangerschap de eigen risicotermijn te verlagen, kan een zwangerschapsuitkering ex artikel 5 worden verkregen gedurende een langere periode dan tussen partijen daarvoor was overeengekomen.


3.13

Nu verweerster haar verweer beperkt tot de (theoretische) mogelijkheid dat verzoekster wist dat zij zwanger was bij de aanvraag van de wijziging en bovendien de eerste actie van verzoekster ten aanzien wijziging van de eigen risicotermijn met zekerheid dateert van voor het moment dat sprake is van een theoretische mogelijkheid, is van misbruik of oneigenlijk gebruik in de onderhavige casus geen sprake. Derhalve zal de Commissie beoordelen of sprake is van onderscheid.


Onderscheid


3.14

Ingevolge artikel 10 AWGB dient degene die meent dat in zijn nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aan voeren die dat onderscheid kunnen doen vermoeden. Als hij daarin slaagt, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.


3.15

Verzoekster voert aan dat verweerster in artikel 5, onderdeel c, van de polisvoorwaarden in geval van een uitkering wegens zwangerschap een langere eigen risicotermijn aanhoudt dan in geval van uitkering wegens arbeidsongeschiktheid vanwege een andere reden. Zij wijst er op dat de Commissie al meerdere malen heeft uitgesproken dat er sprake is van verboden onderscheid op grond van geslacht als een verzekeraar ingeval van arbeidsongeschiktheid wegens zwangerschap, andere criteria hanteert ter bepaling van de aanspraak op en de hoogte van een uitkering dan ingeval van arbeidsongeschiktheid vanwege andere redenen. Verzoekster noemt in dat verband oordeel 2002-76 van de Commissie (CGB 25 juni 2002).



3.16

Verzoekster stelt verder dat verweerster misbruik kan bestrijden op dezelfde manier als waarop zij dat doet indien geen sprake is van zwangerschap. Zij vergelijkt de onderhavige casus met een fictieve casus, namelijk de situatie waarin een mannelijke verzekerde die vanwege zijn leeftijd een hogere kans heeft op prostaataandoeningen. Ook deze man is te zwaar en heeft daarom een hogere premie en een langere eigen risicotermijn. Als hij is afgevallen, doet hij, evenals verzoekster, in de zomer van 2005 een verzoek aan verweerster. Dit leidt tot een herkeuring, een poliswijziging, een lagere premie en een eigen risicotermijn van 1 maand. Als hij vervolgens arbeidsongeschikt wordt, geldt het bepaalde zoals in artikel 5, onderdeel c van de polisvoorwaarden niet. De nieuwe korte eigen risicotermijn geldt direct. Artikel 5, onderdeel c van de polisvoorwaarden stelt vrouwen daarom achter bij mannen. In beide gevallen gaat het om een goede verzekeringsnemer: ze hebben acties ondernomen ter verhoging van hun gezondheid en zijn daardoor in een gezondere categorie terechtgekomen.


3.17

De Commissie concludeert dat verzoekster met haar verwijzing naar de polisvoorwaarden feiten heeft aangevoerd die onderscheid op grond van geslacht kunnen doen vermoeden. Het is nu aan verweerster om te bewijzen dat niet in strijd met de AWGB is gehandeld.


3.18

Verweerster stelt allereerst dat zij geen onderscheid maakt op grond van geslacht, aangezien de bijzondere voorwaarden in artikel 5 uitsluitend gelden voor de zwangerschaps- en bevallingsuitkering en derhalve alleen betrekking hebben op vrouwen. Het onderscheid dat wordt gemaakt is dan ook ‘slechts’ onderscheid tussen zwangere vrouwelijke verzekerden die in de twee jaar voorafgaande aan hun bevalling wel verandering hebben aangebracht in hun verzekering, en zwangere vrouwelijke verzekerden voor wie de verzekeringssituatie gedurende twee jaar voorafgaand aan hun bevalling ongewijzigd is gebleven.


3.19

De Commissie overweegt dat onder direct onderscheid op grond van geslacht ingevolge het tweede lid van artikel 1 mede wordt begrepen onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. De bijzondere voorwaarden die verweerster exclusief stelt voor de zwangerschaps- en bevallingsuitkering, benadelen vrouwen op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap.


3.20

De Commissie overweegt voorts dat de definitie van arbeidsongeschiktheid zoals die door de meeste verzekeraars wordt gehanteerd, in dit verband een belangrijke rol speelt. In de polisvoorwaarden is veelal bepaald dat uitsluitend sprake is van arbeidsongeschiktheid indien er in relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde beperkt is in zijn functioneren. De verzekeraars stellen dat zwangerschap niet valt onder deze definitie van ziekte of ongeval en derhalve is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid. Verzekeraars concluderen hieruit dat zij aan de toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling andere voorwaarden mogen stellen dan aan een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid.


3.21

Ook verweerster hanteert een definitie van arbeidsongeschiktheid (zie onder 2.2) waarmee zij – behoudens bijzondere omstandigheden die wel vallen onder arbeidsongeschiktheid in de zin van haar definitie – uitsluit dat in de periode rond de bevalling sprake is van arbeidsongeschiktheid (vergelijk CGB 17 maart 2006, oordeel 2004-44). Zowel ziekte als zwangerschap leiden echter feitelijk tot een situatie waarin een vrouw niet geschikt is om arbeid te verrichten. Het is moeilijk denkbaar dat vrouwen in de laatste fase van de zwangerschap, op het moment van bevallen en in de periode direct daarna, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, arbeidsgeschikt zijn. De uitkering in verband met zwangerschap en bevalling dient derhalve te worden gezien als onderdeel van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en te worden verstrekt onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de voorwaarden die gelden bij het verstrekken van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook het door verzoekster aangedragen voorbeeld komt hiermee overeen.


3.22

In de lijn van haar oordeel 2006-44, stelt de Commissie vast dat het particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraars niet is toegestaan een definitie van arbeidsongeschiktheid te hanteren, die zwangerschap uitsluit (CGB 17 maart 2006, oordeel 2006-44).


3.23

Voorts voert verweerster aan dat de bescherming die vrouwen genieten in het kader van de AWGB in verband met zwangerschap en bevalling, niet zo ver kan voeren dat zij leidt tot de mogelijkheid voor (zwangere) vrouwen om calculerend te handelen of door misbruik of oneigenlijk gebruik te maken van een verzekering, dan wel een evenement te verzekeren in strijd met de beginselen van het verzekeringsrecht zoals neergelegd in artikel 7:925 (zie onder 3.9)en 7:952 BW (de verzekeraar vergoedt geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt).
Volgens verweerster geldt dit temeer waar het gaat om een extra voorziening, die nu juist in de verzekering is opgenomen teneinde voor zwangere vrouwelijke verzekerden behalve in een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid ook te voorzien in een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling en derhalve ten gunste van vrouwen.


3.24

Voor zover verweerster bedoelt te zeggen dat vrouwen meer profijt hebben van de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan mannen, omdat alleen zij zwanger kunnen worden en alleen zij aanspraak kunnen maken op een zwangerschapsuitkering, overweegt de Commissie het volgende. Door het verstrekken van een zwangerschapsuitkering in het kader van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, voldoet een arbeidsongeschiktheidsverzekeraar aan de eisen die de gelijkebehandelingswetgeving stelt.
Wat betreft inkomenszekerheid hebben vrouwen immers een nadeel dat mannen niet hebben, namelijk het tijdelijk niet kunnen werken vanwege zwangerschap. Het toekennen van een zwangerschapsuitkering is dan ook niet te beschouwen als een extra voordeel, maar als het opheffen van een nadeel dat vrouwen in verband met inkomenszekerheid hebben (CGB 24 november 2006, oordeel 2006-232).


3.25

Verweerster wijst er verder op dat artikel 5, onderdeel c, van de polisvoorwaarden voor vrouwen gunstiger is dan artikel 18 van de polisvoorwaarden (onder meer situaties waarin sprake is van opzet of grove schuld) en artikel 7:928 BW (mededelingsplicht) op grond waarvan in het geheel geen geld wordt uitgekeerd. De Commissie kan verweerster hierin niet volgen, aangezien het de Commissie niet duidelijk is geworden wat het verband is tussen deze artikelen en de onderhavige zaak. Het voert te ver om bij een zwangerschap te spreken over opzet of grove schuld en artikel 7:929 BW heeft betrekking op de medelingsplicht die geldt vóór het sluiten van de overeenkomst. Nu het gaat om wijziging van de overeenkomst, is deze plicht niet aan de orde.


3.26

De gelijkebehandelingswetgeving staat er niet aan in de weg dat verzekeraars maatregelen nemen ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik (onder meer CGB 15 juli 1987, oordeel 1997-08; CGB 25 juni 2002, oordeel 2002-76; CGB 29 april 2004, oordeel 2004-44, CGB 24 november 2006, oordeel 2006-232). De onderhavige voorzorgsmaatregel bij wijziging in de voorwaarden is evenwel uitsluitend gericht op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik door (zwangere) vrouwen en niet tegen andere mogelijke vormen van misbruik. Zelfs zouden positieve acties ter verbetering van de gezondheidssituatie van de verzekeringnemer hierdoor kunnen worden ontmoedigd of in ieder geval niet worden gestimuleerd.


3.27

Tenslotte vergelijkt verweerster de wachttijd met de wachttijd die geldt bij levensverzekeringen als de verzekerde binnen twee jaar na het aangaan van de verzekering door zelfdoding overlijdt en de wachttijd die bij rechtsbijstandverzekeringen geldt voor het verlenen van rechtsbijstand bij arbeidsconflicten.


3.28

De Commissie overweegt dat het in beide gevallen echter gaat om de wachttijd bij sluiten van de overeenkomst en niet om een wijziging daarvan. In de onderhavige zaak gaat niet om het (opnieuw) sluiten van de overeenkomst maar om het wijzigen van de voorwaarden. Verweerster beroept zich immers op artikel 5, onderdeel c van de polisvoorwaarden en niet op de algemene wachttijd die zij na het sluiten van de overeenkomst hanteert voor een zwangerschapsuitkering.


Conclusie


3.29

Op grond van het voorgaande concludeert de Commissie dat verweerster er niet in is geslaagd om te bewijzen dat niet in strijd met de AWGB is gehandeld. Derhalve heeft verweerster jegens verzoekster onderscheid naar geslacht gemaakt in de zin van de AWGB, door een vorm van wachttijd te hanteren bij de wijziging van de polisvoorwaarde met betrekking tot de eigen risicotermijn. Gelet op de bepaling in artikel 1, tweede lid, AWGB moet dit worden aangemerkt als een vorm van direct onderscheid. Aangezien de AWGB voor dit onderscheid geen uitzonderingen kent, is het onderscheid dat verweerster heeft gemaakt verboden.

4 Oordeel


4.1

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat ….. onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht jegens mevrouw X door, overeenkomstig de polisvoorwaarden met betrekking tot de zwangerschapsuitkering, een verkorting van de eigen risicotermijn niet eerder dan twee jaar na de wijziging te doen ingaan en in de tussentijd de langere eigen risicotermijn aan te houden.


Aldus gegeven te Utrecht op 17 april 2007 door mr. M.M. van der Burg, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, secretaris.

Rechters

mr. M.M. van der Burg,

Instantie: Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 10 april 2007

Instantie

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Samenvatting

Het vernietigen van embryo’s na intrekking van wettelijk vereiste toestemming van één der genetische ouders levert geen strijd op met art. 2 EVRM, aangezien embryo’s naar Engels recht geen recht op leven hebben. Het absolute wettelijke vereiste van toestemming van beide genetische ouders tot het moment van terugplaatsen van embryo’s bij de vrouw laat geen onredelijke afweging zien tussen de rechten van de vrouwelijke en mannelijke donor onder art. 8 EVRM.

In 2000 werd bij mw. Evans kanker geconstateerd in haar eierstokken. Voor de verwijdering van haar eierstokken is een aantal eicellen verwijderd, die na de vereiste toestemming van haar toenmalige partner J. gekregen te hebben, zijn bevrucht en voor enkele jaren bewaard. Voordat het medisch mogelijk was om deze embryo’s terug te plaatsen bij Evans is de relatie verbroken. J. heeft daarop zijn toestemming tot het gebruik en het bewaren van de embryo’s ingetrokken en de kliniek verzocht deze te vernietigen. Gerechtelijke stappen leverden Evans niets op, aangezien de toestemming van beide partners wettelijk vereist was tot het moment dat de embryo’s teruggeplaatst waren. Evans klaagt nu over een schending van het recht op leven (art. 2 EVRM) en het recht op bescherming van het privé- en gezinsleven (art. 8 EVRM).
Het Hof overweegt onder art. 2 EVRM dat uit eerdere jurisprudentie blijkt dat er geen consensus bestaat over de vraag wanneer het leven begint en staten op dit punt een grote beoordelingsruimte toekomt. Naar Engels recht hebben embryo’s geen recht op leven en derhalve is art. 2 EVRM niet geschonden ( 56).
Het Hof herhaalt dat in casu art. 8 EVRM van toepassing is en dat het in deze zaak om de bescherming van het privéleven gaat ( 71). Daarbij benadrukt het Hof dat het om een botsing tussen twee art. 8 EVRM-rechten gaat die volkomen onverenigbaar zijn ( 73). Gezien het gebrek aan consensus en het feit dat het om een gevoelig moreel en ethisch onderwerp gaat, heeft de staat een ruime beoordelingsvrijheid ( 81). Het Hof acht de absolute aard van de regeling niet per definitie in strijd met art. 8 EVRM, aangezien deze ten doel had de rechtszekerheid te bevorderen en willekeur en inconsistentie bij een belangenafweging te vermijden. In de ogen van het Hof zijn dit legitieme doelen die niet strijdig zijn met art. 8 EVRM ( 89). Het recht van Evans om biologische moeder te worden weegt volgens het Hof niet zwaarder dan het recht van J. om geen vader te worden van Evans" kind ( 90). Wellicht had het parlement een andere wettelijke regeling aan kunnen nemen, maar dat is niet de vraag die het Hof moet beantwoorden. De vraag is of het Verenigd Koninkrijk de beoordelingsvrijheid heeft overschreden door deze grens te stellen ( 91). Het Hof concludeert dat er, mede gezien het gebrek aan consensus, in casu sprake is van een "fair balance" tussen de verschillende belangen, en derhalve geen schending van art. 8 ( 92).
Het Hof constateert ook geen schending van art. 14 jo. art. 8 EVRM, aangezien de rechtvaardiging onder art. 8 EVRM ook onder art. 14 EVRM als objectieve en redelijke rechtvaardiging aangevoerd kan worden ( 95).

Rechters: Rozakis, C.L.; Costa, J.-P.; Nicolas Bratza; Zupancic, B.M.; Lorenzen, P.; Tü rmen,; R.; Butkevych, V.; Vajic, N.; Tsatsa-Nikolovska, M.; Baka, A.B.; Kovler, A.; Zagrebelsky,; V.; Mularoni, A.; Spielmann, D.; Jaeger, R.; David Thó r Bjö rgvinsson; Ziemele, I.

Uitspraak


Feiten en nationaal procesverloop
Op 12 juli 2000 begonnen mw. Evans en haar toenmalige partner J. aan een behandeling in de Bath Assisted Conception Clinic. In oktober van dat jaar, tijdens een bezoek aan de kliniek, kregen zij te horen dat Evans tumoren had in beide eierstokken en dat deze verwijderd moesten worden. Er werd uitgelegd dat het mogelijk was om voor de operatie enkele eicellen weg te nemen ten behoeve van IVF, maar hier was haast bij geboden. De bevruchte eicellen zouden twee jaar na de operatie teruggeplaatst kunnen worden. Evans en J. moesten beiden een formulier ondertekenen waarin zij toestemming gaven voor de IVF-behandeling en in overeenstemming met de Human Fertilisation and Embryology Act 1990 werd verteld dat beiden tot het moment van terugplaatsen van de embryo’s hun toestemming in konden trekken. Bij navraag door Evans bleek het niet mogelijk om eicellen onbevrucht in te vriezen, aangezien dit een lagere kans van slagen had en deze procedure niet werd uitgevoerd in de desbetreffende kliniek. J. verzekerde haar op dat moment dat dit niet nodig was, aangezien ze toch bij elkaar zouden blijven. Daarop gaven beiden de vereiste toestemming. In november 2001 werden 6 embryo’s gecreëerd en vlak daarna werden de eierstokken van Evans verwijderd. In 2002 werd de relatie tussen Evans en J. verbroken. Kort daarop trok J. zijn toestemming in en verzocht hij de kliniek om de embryo’s te vernietigen. Via de rechter probeerde Evans af te dwingen dat J. het intrekken van zijn toestemming terug zou draaien. Het Engelse High Court wees het verzoek van Evans af. Het achtte het niet onredelijk dat de wet toestemming van beide partners vereist en dat deze toestemming ingetrokken kan worden voor het terugplaatsen van de eicellen in de vrouw. Het intrekken van de toestemming van J. moest dan ook gerespecteerd worden. Ook bij het Court of Appeal werd de klacht van Evans afgewezen. De laatste overwoog daarbij dat het doel van de wet was om te verzekeren dat er continu toestemming was van beide partners om de behandeling door te zetten; sympathie en betrokkenheid met Evans waren niet voldoende om deze regeling disproportioneel te verklaren. Toestemming voor een beroep bij de House of Lords werd afgewezen.
Procesverloop bij het EHRM
Op 11 februari 2005 diende mw. Evans een klacht in bij het Hof waarin zij stelde dat het intrekken van de toestemming en de vernietiging van de embryo’s een schending van het recht op leven (art. 2 EVRM) en het recht op bescherming van het privé- en gezinsleven (art. 8 EVRM) opleverde. Op grond van Rule 39 werd door de president van de Kamer een interimmaatregel opgelegd aan het Verenigd Koninkrijk om er zorg voor te dragen dat de embryo’s niet vernietigd zouden worden voordat het Hof uitspraak had gedaan. Tegelijkertijd besloot de president van de Kamer om, in overeenstemming met Rule 41, de zaak voorrang te verlenen.
Op 27 september 2005 vond een hoorzitting plaats en op 7 maart 2006 deed de Kamer uitspraak. Met betrekking tot de klacht onder art. 2 stelde de Kamer dat in eerdere jurisprudentie (Vo t Frankrijk [GC], no. 53924/00, § 82, ECHR 2004 (NJ 2006, 52, m.nt. EAA)) was vastgesteld dat de vraag wanneer het leven begint op nationaal niveau beantwoord mag worden. De staten hebben hier een grote beoordelingsruimte vanwege het gebrek aan consensus op Europees niveau. In Engeland heeft een embryo geen zelfstandige rechten of belangen en kan dus geen beroep doen op het recht op leven. De Kamer kwam unaniem tot de conclusie dat er geen sprake was van een schending van art. 2 EVRM.
Onder art. 8 EVRM stelde Evans dat de wettelijke mogelijkheid voor J. om zijn toestemming in te trekken een inbreuk vormde op haar recht op bescherming van het privé- en gezinsleven. De Kamer stelde dat het in casu om bescherming van het privéleven ging. Privéleven is een breed begrip waar onder andere de fysieke en sociale identiteit van een individu onder valt, dit omvat ook het recht op persoonlijk autonomie, persoonlijke ontwikkeling en het recht om relaties met anderen aan te gaan en te ontwikkelen. Daarnaast valt hieronder het recht op respect voor de beslissing om wel of juist geen ouder te worden.
De Kamer constateerde dat er geen internationale consensus bestond met betrekking tot de regulering van IVF-behandelingen of het gebruik van embryo’s die met behulp van IVF-behandeling gecreëerd zijn. Over de vraag tot welk moment de toestemming ingetrokken mag worden bestond eveneens geen consensus. Gezien het feit dat het gebruik van IVF-behandelingen over gevoelige ethische en morele kwesties gaat en er geen consensus bestond, kwam aan de staten een grote mate van beoordelingsvrijheid toe.
De Kamer stelde dat de regeling in kwestie het resultaat was van uitgebreid onderzoek naar de sociale, ethische en juridische gevolgen van ontwikkeling op het gebied van bevruchting en embryologie. Het stellen van een bright-line rule, die geen ruimte laat voor een belangenafweging, achtte de Kamer niet in strijd met art. 8 EVRM, aangezien deze regel gebaseerd was op zwaarwegende beleidsoverwegingen die de rechtszekerheid dienen en het publieke vertrouwen in het recht op een zeer gevoelig terrein moeten bewaren.
De Kamer benadrukte, net als nationale hoven, grote sympathie voor Evans te hebben die, zonder de terugplaatsing van de bevruchte eicellen, elke kans op verloor om haar eigen kind te baren. Dit voorkwam echter niet dat de Kamer concludeerde dat het ontbreken van een mogelijkheid om het intrekken van toestemming van één der genetische ouders terzijde te schuiven de vereiste fair balance niet verstoorde.
De Kamer kwam dan ook, met 5 tegen 2, tot de conclusie dat in casu geen sprake was van een schending van art. 8 EVRM.
De klacht onder art. 14 jo. art. 8 EVRM achtte de Kamer unaniem voldoende behandeld onder art. 8 EVRM en concludeerde daarop dat er geen sprake was van een schending van art. 14 EVRM.
Op 5 juni 2006 verzocht klaagster om verwijzing naar de Grote Kamer. Dit werd op 3 juli 2006 toegekend. Tegelijkertijd werd de interimmaatregel die op grond van Rule 39 was uitgevaardigd verlengd.
EHRM:
The law
Alleged violation of article 2 of the convention
53. In her original application and in her observations before the Chamber, the applicant complained that the provisions of English law requiring the embryos to be destroyed once J withdrew his consent to their continued storage violated the embryos’ right to life, contrary to Article 2 of the Convention, which reads as follows:
1. Everyone’s right to life shall be protected by law. …"
54. In its judgment of 7 March 2006, the Chamber recalled that in Vo v. France[GC], no. 53924/00, § 82, ECHR 2004-VIII (NJ 2006, 52 m.nt. EAA; red.), the Grand Chamber had held that, in the absence of any European consensus on the scientific and legal definition of the beginning of life, the issue of when the right to life begins comes within the margin of appreciation which the Court generally considers that States should enjoy in this sphere. Under English law, as was made clear by the domestic courts in the present applicant’s case, an embryo does not have independent rights or interests and cannot claim – or have claimed on its behalf – a right to life under Article 2. There had not, accordingly, been a violation of that provision.
55. The Grand Chamber notes that the applicant has not pursued her complaint under Article 2 in her written or oral submissions to it. However, since cases referred to the Grand Chamber embrace all aspects of the application previously examined by the Chamber (K. and T. v. Finland [GC], no. 25702/94, § 140, ECHR 2001-VII), it is necessary to consider the issue under Article 2.
56. The Grand Chamber, for the reasons given by the Chamber, finds that the embryos created by the applicant and J do not have a right to life within the meaning of Article 2, and that there has not, therefore, been a violation of that provision.
Alleged violation of article 8 of the convention
57. The applicant contended that the provisions of Schedule 3 to the 1990 Act, which permitted J to withdraw his consent after the fertilisation of her eggs with his sperm, violated her rights to respect for private and family life under Article 8 of the Convention, which states:
1. Everyone has the right to respect for his private and family life …
2. There shall be no interference by a public authority with the exercise of this right except such as is in accordance with the law and is necessary in a democratic society in the interests of national security, public safety or the economic well-being of the country, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others."
A.
The Chamber judgment
58.
In its judgment of 7 March 2006 the Chamber held, in summary, that Article 8 was applicable, since the notion of "private life" incorporated the right to respect for both the decisions to become and not to become a parent. The question which arose under Article 8 was "whether there exists a positive obligation on the State to ensure that a woman who has embarked on treatment for the specific purpose of giving birth to a genetically related child should be permitted to proceed to implantation of the embryo notwithstanding the withdrawal of consent by her former partner, the male gamete provider".
59.
Given that there was no international or European consensus with regard to the regulation of IVF treatment, the use of embryos created by such treatment, or the point at which consent to the use of genetic material provided as part of IVF treatment might be withdrawn; and since the use of IVF treatment gave rise to sensitive moral and ethical issues against a background of fast-moving medical and scientific developments, the margin of appreciation to be afforded to the respondent State must be a wide one.
60.
The 1990 Act was the culmination of an exceptionally detailed examination of the social, ethical and legal implications of developments in the field of human fertilisation and embryology. Its policy was to ensure continuing consent from the commencement of treatment to the point of implantation in the woman. While the pressing nature of the applicant’s medical condition required that she and J reach a decision about the fertilisation of her eggs without as much time for reflection and advice as might ordinarily be desired, it was undisputed that it was explained to them both that either was free to withdraw consent at any time before the resulting embryo was implanted in the applicant’s uterus. As in Pretty v. the United Kingdom NJ 2004, 543 m.nt. EAA; red.), no. 2346/02, ECHR 2002-III and Odièvre v. France, no. 42326/98, ECHR 2003-III (NJ 2003, 587 m.nt. SW; red.), strong policy considerations underlay the decision of the legislature to favour a clear or "bright-line" rule which would serve both to produce legal certainty and to maintain public confidence in the law in a sensitive field. Like the national courts, the Chamber did not find, therefore, that the absence of a power to override a genetic parent’s withdrawal of consent, even in the exceptional circumstances of the applicant’s case, was such as to upset the fair balance required by Article 8 or to exceed the wide margin of appreciation afforded to the State.
B.
The parties’ submissions
1.
The applicant
61.
The applicant accepted that there should be a regulatory scheme determining the use of reproductive medicine, but submitted that it was neither necessary nor proportionate to permit of no exceptions in the provision of a veto on the use of embryos to either gamete provider.
62.
The female’s role in IVF treatment was much more extensive and emotionally involving than that of the male, who donated his sperm and had no further active physical part to play in the process. The female gamete provider, by contrast, donated eggs, from a finite limited number available to her, after a series of sometimes painful medical interventions designed to maximise the potential for harvesting eggs. In the case of a woman with the applicant’s medical history, she would never again have the opportunity to attempt to create a child using her gametes. Her emotional and physical investment in the process far surpassed that of the man and justified the promotion of her Article 8 rights. Instead, the 1990 Act operated so that the applicant’s rights and freedoms in respect of creating a baby were dependent on J’s whim. He was able to embark on the project of creating embryos with the applicant, offering such assurances as were necessary to convince her to proceed, and then abandon the project when he pleased, taking no responsibility for his original decision to become involved, and under no obligation even to provide an explanation for his behaviour.
63.
The impact of the consent rules in the 1990 Act was such that there would be no way for a woman in the applicant’s position to secure her future prospects of bearing a child, since both a known and an anonymous sperm donor could, on a whim, withdraw consent to her use of embryos created with his sperm. Part of the purpose of reproductive medicine was to provide a possible solution for those who would otherwise be infertile. That purpose was frustrated if there was no scope for exceptions in special circumstances.
64.
Whether the role of the State was analysed in terms of a positive obligation to take reasonable and appropriate measures to secure the individual’s Article 8 rights, or as an interference requiring justification, it was clear from the case-law that a fair balance had to be struck between the competing interests. There was no necessity for legislation which failed to recognise that exceptional situations, requiring different treatment, might arise. This was a conflict primarily between the respective rights of two private individuals, rather than between the State and an individual, and the proper way to determine a conflict between individuals was by recourse to a court for judicial assessment of the respective positions. In the present case, the clinic was ready and willing to treat the applicant, and should be permitted so to do. The Chamber had overstated the obligation for which the applicant contended: she did not go so far as to claim a duty on the part of the State to ensure that she be permitted to proceed.
65.
A fair appraisal of the Nachmani case (see paragraph 48 above) and the case-law from the United States of America (paragraphs 42-47 above) provided support for her argument. Nachmani was the closest case on its facts to her own, but the applicant’s case was stronger, since she wished to have the embryos implanted in her own uterus, not that of a surrogate. All the decisions from the United States appeared either to apply, or at least to recognise, a test whereby there was a balance of rights and/or interests in the embryos. Moreover, only one of these cases was decided on the basis of a conflict between public policy and private rights, and the case-law therefore supported the applicant’s contention that there was no public interest at stake. As for the position within the Council of Europe, the applicant pointed out that the Chamber appeared to have relied on material which was not available to the parties, although she accepted that there was no consensus in Europe as to whether, in the general run of cases, the man’s consent could be revoked either at any time before implantation, or only up to the point of fertilisation. However, the applicant invited the Court to consider what evidence there was as to how any Council of Europe State would determine a case with the same facts as the present dispute. Just how "bright-line" were the rules even within the four States recorded in the Chamber judgment as permitting withdrawal of consent at any time up to implantation?
66.
While the applicant accepted that, since the statutory maximum storage period had expired by the time of the hearing before the Grand Chamber, she was no longer the victim of J’s direction to the clinic to remove the embryos from storage, she submitted that it was neither necessary nor proportionate to give such a power to a single gamete provider. Human embryos were special: this was the underlying philosophy of the 1990 Act. Yet the Act permitted only one of the couple on a whim to destroy the embryos created by both; even a family pet enjoyed greater protection under the law.
2.
The Government
67.
The Government argued that the Chamber had been incorrect in referring to J’s having withdrawn the consent he had given to the use of his gametes or to the applicant’s having sought to hold him to that consent. In fact, J had never consented to the treatment which the applicant wished to receive, and his consent had always been limited to treatment of the applicant together with him; in practical terms, the consent was predicated on their relationship continuing. When the relationship broke down and the applicant wished to continue with the treatment by herself, the consent which J had given did not extend to the new situation.
68.
The Government contended that the 1990 Act served to promote a number of inter-related policies and interests – the woman’s right to self-determination in respect of pregnancy once the embryo was implanted; the primacy of freely given and informed consent to medical intervention; the interests of any child who might be born as a result of IVF treatment; the equality of treatment between the parties; the promotion of the efficacy and use of IVF and related techniques; and clarity and certainty in relations between partners.
69.
States were entitled to a broad margin of appreciation in this field, given the complexity of the moral and ethical issues to which IVF treatment gave rise, on which opinions within a democratic society might reasonably differ widely. There was no international or European consensus as to the point at which a sperm donor should be allowed effectively to withdraw his consent and prevent the use of his genetic material. Moreover, a wide margin should be applied since the national authorities were required to strike a balance between the competing Convention interests of two individuals, each of whom was entitled to respect for private life.
70.
The fact that the law allowing either party to withdraw his or her consent up until the point of implantation of the embryo did not permit of exception (a "bright line" rule), did not in itself render it disproportionate. If exceptions were permitted, the principle which Parliament legitimately sought to achieve, of ensuring bilateral consent to implantation, would not be achieved. Complexity and arbitrariness would result, and the domestic authorities would be required to balance individuals’ irreconcilable interests, as in the present case.
B.
The Court’s assessment
1.
The nature of the rights at issue under Article 8
71.
It is not disputed between the parties that Article 8 is applicable and that the case concerns the applicant’s right to respect for her private life. The Grand Chamber agrees with the Chamber that "private life", which is a broad term encompassing, inter alia, aspects of an individual’s physical and social identity including the right to personal autonomy, personal development and to establish and develop relationships with other human beings and the outside world (see Pretty, cited above, § 61), incorporates the right to respect for both the decisions to become and not to become a parent.
72.
It must be noted, however, that the applicant does not complain that she is in any way prevented from becoming a mother in a social, legal, or even physical sense, since there is no rule of domestic law or practice to stop her from adopting a child or even giving birth to a child originally created in vitro from donated gametes. The applicant’s complaint is, more precisely, that the consent provisions of the 1990 Act prevent her from using the embryos she and J created together, and thus, given her particular circumstances, from ever having a child to whom she is genetically related. The Grand Chamber considers that this more limited issue, concerning the right to respect for the decision to become a parent in the genetic sense, also falls within the scope of Article 8.
73.
The dilemma central to the present case is that it involves a conflict between the Article 8 rights of two private individuals: the applicant and J. Moreover, each person’s interest is entirely irreconcilable with the other’s, since if the applicant is permitted to use the embryos, J will be forced to become a father, whereas if J’s refusal or withdrawal of consent is upheld, the applicant will be denied the opportunity of becoming a genetic parent. In the difficult circumstances of this case, whatever solution the national authorities might adopt would result in the interests of one or the other parties to the IVF treatment being wholly frustrated (cf. Odièvre, cited above, § 44).
74.
In addition, the Grand Chamber, like the Chamber, accepts the Government’s submission (see paragraph 68 above) that the case does not involve simply a conflict between individuals; the legislation in question also served a number of wider, public interests, in upholding the principle of the primacy of consent and promoting legal clarity and certainty, for example (compare, again, Odièvre, § 45). The extent to which it was permissible under Article 8 for the State to give weight to these considerations is examined below.
2.
Whether the case involves a positive obligation or an interference
75.
Although the object of Article 8 is essentially that of protecting the individual against arbitrary interference by the public authorities, it does not merely compel the State to abstain from such interference: in addition to this primarily negative undertaking, there may be positive obligations inherent in an effective respect for private life. These obligations may involve the adoption of measures designed to secure respect for private life even in the sphere of the relations of individuals between themselves. The boundaries between the State’s positive and negative obligations under Article 8 do not lend themselves to precise definition. The applicable principles are nonetheless similar. In particular, in both instances regard must be had to the fair balance which has to be struck between the competing interests; and in both contexts the State enjoys a certain margin of appreciation (Odièvre, cited above, § 40).
76.
In the domestic proceedings, the parties and the judges treated the issue as one involving an interference by the State with the applicant’s right to respect for her private life, because the relevant provisions of the 1990 Act prevented the clinic from treating her once J had informed it that he did not consent. The Grand Chamber, however, like the Chamber, considers that it is more appropriate to analyse the case as one concerning positive obligations, the principal issue, as in the Odièvre case cited above, being whether the legislative provisions as applied in the present case struck a fair balance between the competing public and private interests involved. In this regard, the Grand Chamber accepts the findings of the domestic courts that J had never consented to the applicant using the jointly created embryos alone – his consent being limited to undergoing "treatment together" with the applicant (see paragraph 24 above). The Court does not find it of importance to the determination of the Convention issue, whether in these circumstances J is to be regarded as having "refused" rather than "withdrawn" his consent to the implantation of the embryos, as the Government argue (paragraph 67 above).
3.
The margin of appreciation
77.
A number of factors must be taken into account when determining the breadth of the margin of appreciation to be enjoyed by the State in any case under Article 8. Where a particularly important facet of an individual’s existence or identity is at stake, the margin allowed to the State will be restricted (see, for example, X. and Y. v. the Netherlands, judgment of 26 March 1985, Series A no. 91, §§ 24 and 27 (NJ 1985, 525 m.nt. EAA; red.); Dudgeon v. the United Kingdom, judgment of 22 October 1981, Series A no. 45; Christine Goodwin v. the United Kingdom[GC], no. 28957/95, § 90, ECHR 2002-VI; cf. Pretty, cited above, § 71). Where, however, there is no consensus within the Member States of the Council of Europe, either as to the relative importance of the interest at stake or as to the best means of protecting it, particularly where the case raises sensitive moral or ethical issues, the margin will be wider (X., Y. and Z. v. the United Kingdom, judgment of 22 April 1997, Reports of Judgments and Decisions 1997-II, § 44 (NJ 1998, 235 m.nt. JdB; red.); Frette v. France, no. 36515/97, § 41, ECHR 2002-I (NJ 2002, 553 m.nt. SW; red.); Christine Goodwin, cited above, § 85; see also, mutatis mutandis, Vo, cited above, § 82). There will also usually be a wide margin if the State is required to strike a balance between competing private and public interests or Convention rights (see Odièvre, §§ 44-49 and Frette§ 42).
78.
The issues raised by the present case are undoubtedly of a morally and ethically delicate nature, and in this connection the Court recalls the words of Lord Bingham in Quintavalle (see paragraph 34 above).
79.
In addition, while the Court is mindful of the applicant’s submission to treat the comparative law data with caution, it is at least clear, and the applicant does not contend otherwise, that there is no uniform European approach in this field. Certain States have enacted primary or secondary legislation to control the use of IVF treatment, whereas in others this is a matter left to medical practice and guidelines. While the United Kingdom is not alone in permitting storage of embryos and in providing both gamete providers with the power freely and effectively to withdraw consent up until the moment of implantation, different rules and practices are applied elsewhere in Europe. It cannot be said that there is any consensus as to the stage in IVF treatment when the gamete providers’ consent becomes irrevocable (see paragraphs 39-42 above).
80.
While the applicant contends that her greater physical and emotional expenditure during the IVF process, and her subsequent infertility, entail that her Article 8 rights should take precedence over J’s, it does not appear to the Court that there is any clear consensus on this point either. The Court of Appeal commented on the difficulty of comparing the effect on J of being forced to become the father of the applicant’s child and that on the applicant of being denied the chance to have genetically-related offspring (see paragraphs 25-26 above), and this difficulty is also reflected in the range of views expressed by the two panels of the Israeli Supreme Court in Nachmani and in the United States case-law (see paragraphs 43-49 above).
81.
In conclusion, therefore, since the use of IVF treatment gives rise to sensitive moral and ethical issues against a background of fast-moving medical and scientific developments, and since the questions raised by the case touch on areas where there is no clear common ground amongst the Member States, the Court considers that the margin of appreciation to be afforded to the respondent State must be a wide one (see X., Y. and Z, cited above, § 44).
82.
The Grand Chamber, like the Chamber, considers that the above margin must in principle extend both to the State’s decision whether or not to enact legislation governing the use of IVF treatment and, once having intervened, to the detailed rules it lays down in order to achieve a balance between the competing public and private interests.
4.
Compliance with Article 8
83.
It remains for the Court to determine whether, in the special circumstances of the case, the application of a law which permitted J effectively to withdraw or withhold his consent to the implantation in the applicant’s uterus of the embryos created jointly by them struck a fair balance between the competing interests.
84.
The fact that it is now technically possible to keep human embryos in frozen storage gives rise to an essential difference between IVF and fertilisation through sexual intercourse, namely the possibility of allowing a lapse of time, which may be substantial, to intervene between creation of the embryo and its implantation in the uterus. The Court considers that it is legitimate – and indeed desirable – for a State to set up a legal scheme which takes this possibility of delay into account. In the United Kingdom, the solution adopted in the 1990 Act was to permit storage of embryos for a maximum of five years. In 1996 this period was extended by secondary legislation to ten or more years where one of the gamete providers or the prospective mother is, or is likely to become, prematurely infertile, although storage can never continue after the woman being treated reaches the age of 55 (see paragraph 36 above).
85.
These provisions are complemented by a requirement on the clinic providing the treatment to obtain a prior written consent from each gamete provider, specifying, inter alia, the type of treatment for which the embryo is to be used (Schedule 3, paragraph 2(1) to the 1990 Act), the maximum period of storage, and what is to be done with it in the event of the gamete provider’s death or incapacity (Schedule 3, paragraph 2(2)). Moreover, paragraph 4 of Schedule 3 provides that "the terms of any consent under this Schedule may from time to time be varied, and the consent may be withdrawn, by notice given by the person who gave the consent to the person keeping the gametes or embryo …" up until the point that the embryo has been "used" (that is, implanted in the uterus; see paragraph 37 above). Other States, with different religious, social and political cultures, have adopted different solutions to the technical possibility of delay between fertilisation and implantation (see paragraphs 39-42 above). For the reasons set out above (paragraphs 77-82), the decision as to the principles and policies to be applied in this sensitive field must primarily be for each State to determine.
86.
In this connection the Grand Chamber agrees with the Chamber that it is relevant that the 1990 Act was the culmination of an exceptionally detailed examination of the social, ethical and legal implications of developments in the field of human fertilisation and embryology, and the fruit of much reflection, consultation and debate (see, mutatis mutandis, Hatton and others v. the United Kingdom[GC], no. 36022/97, § 128, ECHR 2003-VIII (NJ 2004, 207 m.nt. EJD; red.)).
87.

The potential problems arising from scientific progress in storing human embryos were addressed as early as the Warnock Committee’s Report of 1984, which recommended that a couple should be permitted to store embryos for their own future use for a maximum of ten years, after which time the right of use or disposal should pass to the storage authority. In the event that a couple failed to agree how the shared embryo should be used, the right to determine the use or disposal of the embryo should pass to the "storage authority". The subsequent Green Paper specifically asked interested members of the public what should happen where there was no agreement between a couple as to the use or disposal of an embryo, and the 1987 White Paper noted that those respondents who agreed that storage should be permitted were broadly in favour of the Committee’s recommendations, but that some rejected the idea that the "storage authority" should be empowered to decide the embryo’s fate in the event of conflict between the donors. The Government therefore proposed "that the law should be based on the clear principle that the donor’s wishes are paramount during the period in which embryos or gametes may be stored; and that after the expiry of this period, they may only be used by the licence holder for other purposes if the donor’s consent has been given to this". The White Paper also set out the detail of the proposals on consent, in a form which, after further consultation, was adopted by the legislature in Schedule 3 to the 1990 Act (see paragraphs 29-33 above).
88.
That Schedule places a legal obligation on any clinic carrying out IVF treatment to explain the consent provisions to a person embarking on such treatment and to obtain his or her consent in writing (see paragraph 37 above). It is undisputed that this occurred in the present case, and that the applicant and J both signed the consent forms required by the law. While the pressing nature of the applicant’s medical condition required her to make a decision quickly and under extreme stress, she knew, when consenting to have all her eggs fertilised with J’s sperm, that these would be the last eggs available to her, that it would be some time before her cancer treatment was completed and any embryos could be implanted, and that, as a matter of law, J would be free to withdraw consent to implantation at any moment.
89.
While the applicant criticised the national rules on consent for the fact that they could not be disapplied in any circumstances, the Court does not find that the absolute nature of the law is, in itself, necessarily inconsistent with Article 8 (see also the Pretty and Odièvre cases cited in paragraph 60 above). Respect for human dignity and free will, as well as a desire to ensure a fair balance between the parties to IVF treatment, underlay the legislature’s decision to enact provisions permitting of no exception to ensure that every person donating gametes for the purpose of IVF treatment would know in advance that no use could be made of his or her genetic material without his or her continuing consent. In addition to the principle at stake, the absolute nature of the rule served to promote legal certainty and to avoid the problems of arbitrariness and inconsistency inherent in weighing, on a case by case basis, what the Court of Appeal described as "entirely incommensurable" interests (see paragraphs 25-26 above). In the Court’s view, these general interests pursued by the legislation are legitimate and consistent with Article 8.
90.
As regards the balance struck between the conflicting Article 8 rights of the parties to the IVF treatment, the Grand Chamber, in common with every other court which has examined this case, has great sympathy for the applicant, who clearly desires a genetically related child above all else. However, given the above considerations, including the lack of any European consensus on this point (see paragraph 79 above), it does not consider that the applicant’s right to respect for the decision to become a parent in the genetic sense should be accorded greater weight than J’s right to respect for his decision not to have a genetically-related child with her.
91.
The Court accepts that it would have been possible for Parliament to regulate the situation differently. However, as the Chamber observed, the central question under Article 8 is not whether different rules might have been adopted by the legislature, but whether, in striking the balance at the point at which it did, Parliament exceeded the margin of appreciation afforded to it under that Article.
92.
The Grand Chamber considers that, given the lack of European consensus on this point, the fact that the domestic rules were clear and brought to the attention of the applicant and that they struck a fair balance between the competing interests, there has been no violation of Article 8 of the Convention.
Alleged violation of article 14 of the convention taken in conjunction with article 8
93. In her application and in the proceedings before the Chamber, the applicant complained of discrimination contrary to Article 14 taken in conjunction with Article 8, reasoning that a woman who was able to conceive without assistance was subject to no control or influence over how the embryos developed from the moment of fertilisation, whereas a woman such as herself who could conceive only with IVF was, under the 1990 Act, subject to the will of the sperm donor.
94. In her observations to the Grand Chamber, however, the applicant submitted that her complaints under Articles 8 and 14 were inextricably linked, and that if the Court found that the impugned provision of domestic law was proportionate under Article 8, it should also find the scheme reasonably and objectively justified under Article 14.
95. The Grand Chamber agrees with the Chamber and the parties that it is not required to decide in the present case whether the applicant could properly complain of a difference of treatment as compared to another woman in an analogous position, because the reasons given for finding that there was no violation of Article 8 also afford a reasonable and objective justification under Article 14 (see, mutatis mutandis, Pretty§ 89).
96. Consequently, there has been no violation of Article 14 of the Convention.
For these reasons, the court
1. Holds, unanimously, that there has been no violation of Article 2 of the Convention;
2. Holds, by thirteen votes to four, that there has been no violation of Article 8 of the Convention;
3. Holds, by thirteen votes to four, that there has been no violation of Article 14 of the Convention, taken in conjunction with Article 8.
Joint dissenting opinion of judges Türmen, Tsatsa-Nikolovska, Spielmann and Ziemele
1. We voted against the finding that there has been no violation of Article 8 of the Convention and no violation of Article 14 of the Convention, taken in conjunction with Article 8.
2. In the instant case the applicant complained that the impact of the consent rules in the 1990 Act was such that there would be no way for a woman in her position to secure her future prospects of bearing a genetically related child. She explained that part of the purpose of reproductive medicine was to provide a possible solution for those who would otherwise be infertile. That purpose was frustrated if there was no scope for exceptions in special circumstances (see paragraphs 62-64 of the judgment).
3. The parties and the Court agreed that Article 8 was applicable and that the case concerned the applicant’s right to respect for her private life (paragraph 71). The Court went on to say (paragraph 72) that the more specific issue concerning the right to respect for the decision to become a parent in the genetic sense also fell within the scope of Article 8. We agree with the Court’s reasoning as concerns the applicability of Article 8 and the more specific issue at stake. We would like to underline the importance of the Court’s statement as to the applicability of Article 8 in the circumstances of the case.
4. In its assessment the Court examined the nature of the rights at issue under Article 8 (paragraphs 71-74) and whether the case involved a positive obligation or an interference (paragraphs 75-76). On the first issue the Court stated that the case involved a conflict between the Article 8 rights of two private individuals (paragraph 73) and added that the impugned legislation also served a number of wider, public interests, in upholding the primacy of consent and promoting legal clarity and certainty (paragraph 74). Considering that it was more appropriate to analyse the case as one concerning positive obligations, the Court stated that the principal issue was whether the legislative provisions as applied in the present case struck a fair balance between the competing public and private interests involved (paragraph 76). Moreover, the Court considered that since the use of in vitro fertilisation ("IVF") treatment gave rise to sensitive moral and ethical issues against a background of fast-moving medical and scientific developments, and since the questions raised by the case touched on areas where there was no clear common ground amongst member States, the margin of appreciation to be afforded to the respondent State had to be a wide one (paragraph 81). This margin of appreciation must, according to the Court, in principle extend both to the State’s decision whether or not to enact legislation governing the use of IVF treatment and, once having intervened, to the detailed rules it lay down in order to achieve a balance between the competing public and private interests (paragraph 82).
5. We are unable to subscribe to the Court’s decision that it is more appropriate to analyse the case as one concerning positive obligations.
6. We see the case as one of interference with the applicant’s right to respect for the decision to become a genetically related parent. We can accept that the interference was prescribed by law and had a legitimate aim in terms of the protection of public order and morals and the rights of others. But was this interference necessary and proportionate in the special circumstances of the case? We consider that the applicant’s right to decide to become a genetically related parent weighs heavier than that of J’s decision not to become a parent in the present case. Our reasons are as follows:
i) The 1990 Act does not provide for the possibility of taking into consideration the very special medical condition affecting the applicant. We can agree with the majority that, in particular where an issue is of a morally and ethically delicate nature, a bright line rule may best serve the various – often conflicting – interests at stake. It has been said that "the advantage of a clear law is that it provides certainty." But it has also been admitted that "its disadvantage is that if it is too clear – categorical – it provides too much certainty and no flexibility". noot 1 Therefore, given the particular circumstances of the case, the main problem lies in the absolute nature of the "bright line rule".
ii) In the instant case the majority’s approach resulted not simply in the applicant’s decision to have a genetically related child being thwarted but in the effective eradication of any possibility of having a genetically related child, thus rendering any such decision now or at any later time meaningless.
7. Therefore, in our view the application of the 1990 Act in the applicant’s circumstances is disproportionate. Because of its absolute nature, the legislation precludes the balancing of competing interests in this particular case. In fact, even though the majority accepts that a balance has to be struck between the conflicting Article 8 rights of the parties to the IVF treatment (paragraph 90), no balance is possible in the circumstances of the present case since the decision upholding J’s choice not to become a parent involves an absolute and final elimination of the applicant’s decision. Rendering empty or meaningless a decision of one of the two parties cannot be considered as balancing the interests. It is to be noted that the case is not about the possibility of adopting a child or hosting a donated embryo (see paragraph 72). Incidentally, J will still be able to take a decision to become a parent of his own child, whereas the applicant has had her last chance.
8. The applicant underwent surgery to remove her ovaries (26 November 2001). Therefore, the eggs that were extracted from her for IVF treatment were her last chance to have a genetically related child. J not only knew this fact very well, but also gave her an assurance that he wanted to be the father of her child. Without such an assurance, the applicant could have tried to seek other ways to have a child of her own. In paragraph 90 of the judgment, where the majority tries to strike a balance between the rights and interests of the applicant and of J, no weight is given to this "assurance" element, that is, to the fact that the applicant acted in good faith, relying on the assurance given to her by J. The decisive date was 12 November 2001: the date when the eggs were fertilized and six embryos created. From that moment on, J was no longer in control of his sperm. An embryo is a joint product of two people, which, when planted into the uterus, will turn into a baby. The act of destroying an embryo also involves destroying the applicant’s eggs. In this sense too, the British legislation has failed to strike the right balance.
9. The particular circumstances of the case lead us to believe that the applicant’s interests weigh more heavily than J’s interests and that the United Kingdom authorities’ failure to take this into account constitutes a violation of Article 8.
10. Once again, we would like to emphasize that we agree with the majority that the 1990 Act per se is not contrary to Article 8 and that the consent rule is important for IVF treatment. We agree that, looking at the relevant legislation of the other States, different approaches emerge and that the Court is justified in saying that there is no European consensus on the details of regulation of IVF treatment. As we have said, however, we see the instant case differently since its circumstances make us look beyond the mere question of consent in a contractual sense. The values involved and issues at stake as far the applicant’s situation is concerned weigh heavily against the formal contractual approach taken in this case.
11. Given the importance of the matter and the extreme nature of her situation, it is difficult for us to infer anything from the fact that she knew that "as a matter of law, J would be free to withdraw consent to implantation at any moment" (paragraph 88). Surely one is not suggesting that Ms Evans – in addition to all that she had to go through – was also contemplating the probability of J withdrawing his consent. It is once again obvious that the case does not sit comfortably with the formal scheme of law that has been applied to it.
12. A sensitive case like this cannot be decided on a simplistic, mechanical basis, namely, that there is no consensus in Europe, therefore the Government have a wide margin of appreciation; the legislation falls within the margin of appreciation; and this margin extends to the rules it lays down in order to achieve a balance between the competing public and private interests.
Certainly, States have a wide margin of appreciation when it comes to enacting legislation governing the use of IVF. However, that margin of appreciation should not prevent the Court from exercising its control, in particular in relation to the question whether a fair balance between all competing interests has been struck at the domestic level. noot 1a The Court should not use the margin of appreciation principle as a merely pragmatic substitute for a thought-out approach to the problem of proper scope of review. noot 2a
13. To conclude, unlike the majority we consider that the legislation has not struck a fair balance in the special circumstances of the case. Where the effect of the legislation is such that, on the one hand, it provides a woman with the right to take a decision to have a genetically related child but, on the other hand, effectively deprives a woman from ever again being in this position, it inflicts in our view such a disproportionate moral and physical burden on a woman that it can hardly be compatible with Article 8 and the very purposes of the Convention protecting human dignity and autonomy.
14. Concerning Article 14 of the Convention we would like to say the following:
It could be that for the purposes of Article 14 the closest comparator is an infertile man, which was the example given by the trial judge, Wall J (paragraph 23). However, even this comparison does not illustrate the whole complexity of the instant case. It is recognised by those international institutions with a specific mandate to focus on the rights of women that it is justified and necessary to address "the health rights of women from the perspective of women’s needs and interests in view of distinctive features and factors which differ for women in comparison to men, such as:
(a) biological factors …,
such as their … reproductive function … (CEDAW General Recommendation No. 24 (20th session, 1999))". A woman is in a different situation as concerns the birth of a child, including where the legislation allows for artificial fertilisation methods. We believe therefore that the proper approach in the instant case was that adopted under Article 14 in the caseThlimmenos v Greece, recognising that different situations require different treatment. noot 1b We see the circumstances of the applicant in this light not least because of the excessive physical and emotional burden and effects noot 2b caused by her condition, and it is on this basis that we voted for a violation of Article 14 in conjunction with Article 8.

Annotatie: prof. mr. J. de Boer

Noot
1.
In de beginjaren van het bestaan van het Europese Hof voor de rechten van de mens, toen nog weinig zaken te beslissen waren, waren de arresten zonder meer van exceptioneel hoge kwaliteit. Thans is de werkdruk enorm – per 1 januari 2007 zijn 89.900 zaken aanhangig – en zolang de Raad van Europa niet wil accepteren dat een radicaal verlofsysteem (waarbij de rechter een positieve keuze maakt om een zaak eruit te lichten) de enige uitweg is, zal dit wel zo blijven. Een gegarandeerde kwaliteit hebben nog steeds de arresten van de Grote Kamer ("Grand Chamber") van het Europese Hof, aangezien (nog ervan afgezien dat met zeventien in plaats van zeven rechters wordt recht gesproken) het de Grote Kamer wel vergund wordt alle tijd te nemen. Over de werkwijze van de Grote Kamer, zie de "Straatsburgse myj/mering" van de huidige Nederlandse rechter in het Europese Hof, Egbert Myjer, in NJCM-Bulletin 2005, p. 1058 e.v. De arresten van de Grote Kamer leveren daarom in beginsel "leading cases" op, wat natuurlijk niet uitsluit dat over de juistheid van de uitkomst verschillend kan worden gedacht, ook door de leden van de Grote Kamer zelf (in de onderhavige zaak Evans was de stemverhouding overigens dertien tegen vier). Bij het aanhalen van een arrest van het Europese Hof dat door de Grote Kamer is gewezen, dient zulks vermeld te worden (GK of GC).
2.
Een "gewone" kamer, van zeven rechters, kan afstand van rechtsmacht doen ten gunste van de Grote Kamer, tenzij – wat opmerkelijk is – één der partijen daartegen bezwaar maakt (art. 30 EVRM). Ook is het mogelijk (en dat is in casu gebeurd) dat na de uitspraak van de kamer van zeven rechters een der partijen (in casu Evans) verwijzing naar de Grote Kamer verzoekt en dit verzoek door een college van vijf rechters van de Grote Kamer wordt aanvaard (art. 43 EVRM). De kamer van zeven rechters in de onderhavige zaak-Evans deed uitspraak op 7 maart 2006. Deze uitspraak, die grotendeels overeenstemt met die van de Grote Kamer, is (negatief) geannoteerd door Forder en Whittingham in NJCM-Bulletin 2006, 863 en (positief) door Hendriks in Gezondheidszorg Jurisprudentie (GJ) 2006, 43.
3.
In het onderhavige arrest ging het om het volgende. Natallie Evans kreeg te horen dat haar eierstokken wegens tumoren moesten worden verwijderd. Besloten werd vóór de eierstokoperatie eicellen van haar te verwijderen, deze in vitro te bevruchten met het zaad van haar levensgezel, de embryo’s in te vriezen en twee jaren na de eierstokoperatie over te gaan tot implantatie in haar baarmoeder. Evans heeft nog geïnformeerd of het ook mogelijk was haar eicellen onbevrucht in te vriezen, maar van de zijde van de kliniek werd haar medegedeeld dat daardoor de kans op succes kleiner zou zijn en dat de kliniek daarvoor niet kon zorgen. Haar levensgezel heeft haar toen verzekerd dat ze niet ongerust hoefde te zijn, dat hij van haar hield en van haar een kind wilde. Binnen bedoelde twee jaren liep de relatie toch stuk en deelde Evans" voormalige levensgezel aan de kliniek mee niet in te stemmen met een implantatie. Ingevolge de Engelse wetgeving had dit als consequentie dat de embryo’s moesten worden vernietigd. Evans vorderde tevergeefs in rechte dat toch tot implantatie werd overgegaan.
4.
De Engelse wetgeving (Schedule 3 Human Fertilisation and Embryology Act 1990), evenals trouwens de Nederlandse (art. 5 lid 2 en art. 8 lid 2Embryowet), vereist een voortdurende instemming van zowel de vrouw als de man, ook na de kunstmatige bevruchting. Er bestaat, wat de instemming betreft, wetgeving in Europa waarin de man na de kunstmatige bevruchting buiten spel staat, althans niet meer kan terugtreden ( 39-41), zoals ook het geval is na een natuurlijke bevruchting. Voorts zijn er rechterlijke uitspraken in de Verenigde Staten en Israël (niet op specifieke wetgeving betrekking hebbende) waarin cruciaal is of er nog een alternatief is voor de vrouw om van een eigen kind zwanger te worden ( 44 en 49). Dit alternatief ontbrak in de onderhavige zaak. Evans" eierstokken waren immers verwijderd. Zij zou – door adoptie of eiceldonatie aan haar – slechts moeder kunnen worden van een aan een ándere vrouw genetisch verwant kind.
5.
Evans klaagde voor het Europese Hof in de eerste plaats over schending van het recht op leven van de embryo’s, bedoeld in art. 2 EVRM ("1. Everyone’s right to life shall be protected by law …"). Echter, in de zaak Vo v. France (EHRM [GK] 8 juli 2004, NJ 2006, 52, m.nt. EAA, NJCM-Bulletin 2005, p. 579 e.v., m.nt. HJ) was reeds geoordeeld dat de kwestie wanneer het recht op leven begint, valt binnen de "margin of appreciation" van de verdragssluitende Staten. Onder Engels recht kan een embryo geen aanspraak maken op een recht op leven. Er was derhalve geen sprake van een schending van art. 2 EVRM ( 56 jo 54).
6.
In de tweede plaats klaagde Evans over schending van art. 8 EVRM ("1. Everyone has the right to respect for his private and family life …"). Volgens het Europese Hof omvat "private life" mede het recht op respect voor zowel de beslissing om wel als die om niet ouder van een kind te worden ( 71) en tevens, toegespitst op het onderhavige geval – waarin het, zoals gezegd, ging om een laatste kans van Evans – het recht op respect voor de beslissing om in genetisch opzicht ouder te worden ( 72).
7.
In casu ging het om een zuivere botsing van twee mensenrechten van dezelfde aard. Immers, als aan Evans zou worden toegestaan de embryo’s te gebruiken, zou haar voormalige levensgezel tot het ouderschap gedwongen worden ( 73). Het Europese Hof stelt echter vast dat ook publieke belangen meespelen (waaronder die van "upholding the principle of the primacy of consent and promoting legal clarity and certainty") ( 74).
8.
Volgens het Europese Hof gaat het hier niet om een eventuele schending van een primair negatieve verplichting van het Verenigd Koninkrijk (een "interference" als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM), maar om de vraag of het Verenigd Koninkrijk zijn positieve uit art. 8 lid 1 EVRM voortvloeiende verplichtingen heeft geschonden, al lijkt dit verder niet uit te maken (behalve dat het stappenplan van art. 8 lid 2 EVRM niet behoeft te worden gevolgd). De belangrijkste kwestie hier is volgens het Europese Hof, zoals ook in de zaak Odièvre (EHRM [GK]13 februari 2003, NJ 2003, 587, m.nt. SW, NJCM-Bulletin 2003, p. 774 e.v., m.nt. CJF), of de desbetreffende Britse wetgeving zoals in casu toegepast een eerlijk evenwicht heeft gebracht in de conflicterende private en publieke belangen. In dit verband aanvaardt het Europese Hof dat in casu de toestemming van de voormalige levenspartner van Evans aldus moet worden uitgelegd dat hij instemde met behandeling van hen samen en niet met gebruik van de embryo’s door Evans alleen ( 76).
9.
In het onderhavige geval komt aan de verdragssluitende Staten een ruime "margin of appreciation" toe, zowel wat betreft de beslissing om al dan niet wetgeving inzake in vitro fertilisatie (IVF) tot stand te brengen als, indien daartoe is besloten, wat betreft de details van de inhoud daarvan ( 82). Het gebruik van IVF roept gevoelige morele en ethische kwesties op tegen de achtergrond van zich snel ontwikkelende medische en wetenschappelijke ontwikkelingen en over de vragen die in het onderhavige geval spelen bestaat geen overeenstemming ("no clear common ground") binnen de lid-Staten van de Raad van Europa ( 79-81).
10.
Ik ben geneigd te menen dat indien tot een concrete individuele belangenafweging zou worden overgegaan, de balans in het voordeel van Evans doorslaat. Nog afgezien van een grotere fysieke en emotionele betrokkenheid van de vrouw in het algemeen, voor de kinderloze Evans is het de laatste kans. Haar in art. 8 EVRM beschermde recht genetisch moeder te worden wordt door de Engelse wetgeving niet slechts beperkt, het recht gaat definitief verloren. Haar gewezen vriend kan, zo mag worden aangenomen, nog wel genetisch vader worden. Bij natuurlijke bevruchting zou de vriend zonder meer gebonden zijn, terwijl in casu de onmogelijkheid van onmiddellijke implantatie na bevruchting veroorzaakt werd door een Evans persoonlijk betreffende omstandigheid (haar eierstokoperatie die noopte tot een wachttijd van twee jaren). Dat na een natuurlijke bevruchting partijen uit elkaar gaan is voorts niet ongewoon. En in het bijzonder: de vriend had haar gerustgesteld, al gebeurde zulks in liefde, toen zij informeerde naar de mogelijkheid van invriezing van haar onbevruchte eicellen waardoor een kans op het genetisch moederschap niet afhankelijk was geworden van de instemming van haar toenmalige vriend. Hier staat uiteraard tegenover de emotionele belasting van de ex-vriend om een kind te krijgen bij zijn ex-vriendin hoewel dat nog voorkomen kan worden. Dat de ex-vriend wellicht alimentatieplichtig wordt ten opzichte van h

Volledige tekst

Rechters

Rozakis, C.L.; Costa, J.-P.; Nicolas Bratza; Zupancic, B.M.; Lorenzen, P.; Tü rmen,; R.; Butkevych, V.; Vajic, N.; Tsatsa-Nikolovska, M.; Baka, A.B.; Kovler, A.; Zagr

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 3 april 2007

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting

Metadata

Kop: Kostwinnersfranchise in ABP-pensioen, Geen verboden ongelijke beloning als bedoeld in art. 119 (141) EG

Wetsverwijzingen: BW 7:646 lid 5; EG-Verdrag 119 (thans 141)

Samenvatting: De werkneemster is werkzaam geweest in het bijzonder onderwijs en was deelnemer in de ABP-pensioenregeling. Sinds 1 december 1999 ontvangt zij ouderdomspensioen. De werkneemster is gehuwd en haar echtgenoot heeft inkomsten uit arbeid. De ABP-regeling kende in de periode van 1986 tot 1995 een naar burgerlijke staat gedifferentieerd franchisesysteem en vanaf 1995 een uniform franchisesysteem. Toepassing van deze systemen brengt mee dat tot een bepaald salarisniveau (het franchisebedrag) geen ABP-pensioen wordt opgebouwd. Omdat de werkneemster gehuwd is, is ten aanzien van haar over de opbouwperiode van 1986 tot 1995 een franchise toegepast van 20/7 maal de geïndividualiseerde AOW-uitkering voor gehuwden, oftewel de kostwinnersfranchise. De geïndividualiseerde AOW-uitkering bedraagt 50% van de niet-geïndividualiseerde uitkering. Vanaf 1995 is op de werkneemster de uniforme franchise toegepast. De werkneemster stelt dat het ABP door toepassing van de kostwinnersfranchise en de uniforme franchise een verboden onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen. De Commissie Gelijke Behandeling heeft haar in het gelijk gesteld, maar de kantonrechter heeft geoordeeld dat het ABP geen onderscheid naar geslacht maakt.

Op het hoger beroep van de werkneemster overweegt het hof dat de geïndividualiseerde AOW-uitkering van de partner van een gehuwde werknemer niet aan die werknemer toekomt, maar aan de partner zelf en dus niet behoort tot het feitelijk te behalen pensioenresultaat van de werknemer. Daardoor kan de werknemer niet 70% van zijn laatstverdiende loon als pensioen behalen. Ook bij de werknemer die kostwinner is komt de AOW-uitkering van zijn/haar partner niet aan hem toe. De kostwinnersfranchise leidt dus niet tot een verschillend pensioenresultaat al naargelang de werknemer in de partnerrelatie als alleenverdiener dan wel als tweeverdiener is aan te merken. Derhalve is het beginsel van gelijke beloning niet geschonden. Wordt gekeken naar het totale pensioenresultaat van het huishouden waartoe de werkneemster behoort, inclusief de AOW-uitkering die toekomt aan haar partner, dan is de franchise in haar huishouden hoger dan die in het huishouden van een kostwinner. Het ABP is echter niet gehouden om huishoudens gelijk te behandelen. Het beginsel van gelijke beloning als bedoeld in art. 141 EG-Verdrag beoogt gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers op individuele basis te waarborgen en niet gelijke beloning van tweeverdienershuishoudens ten opzichte van alleenverdienershuishoudens. Het ABP handelt dus niet in strijd met art. 141 EG-Verdrag en evenmin met art. 12b WGB m/v.

Uitspraak

1. Het geding in eerste aanleg (rolnr. 04-5956; zaaknr. 171590)

(… ; red.)

2. Het geding in hoger beroep

(… ; red.)

3. De gronden van het hoger beroep

(… ; red.)

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Oosten, geboren op 19 september 1946, was werkzaam in het bijzonder onderwijs en deelnemer in de pensioenregeling die door het ABP wordt uitgevoerd. Oosten stelt (mvg punt 2) dat zij sinds 1 december 1999 ouderdomspensioen van het ABP ontvangt.

b. Oosten is gehuwd en haar echtgenoot heeft inkomsten uit arbeid.

c. De ABP-pensioenregeling kende in de periode van 1986 tot 1995 een gedifferentieerd franchisesysteem (gedifferentieerd naar burgerlijke staat) en vanaf 1995 een uniform franchisesysteem. Toepassing van beide franchisesystemen brengt - kort gezegd – mee dat tot een bepaald salarisniveau (het franchisebedrag) geen ABP-pensioen wordt opgebouwd.

d. Omdat Oosten gehuwd is, is ten aanzien van haar over de opbouwperiode van 1986 tot 1995 een franchise toegepast van 20/7 maal (kort gezegd) de geïndividualiseerde AOW-uitkering voor gehuwden, verder te noemen de kostwinnersfranchise. 20/7 Maal de geïndividualiseerde AOW-uitkering voor gehuwden is gelijk aan 10/7 maal de (voormalige) niet-geïndividualiseerde AOW-uitkering voor gehuwden (de geïndividualiseerde uitkering bedraagt 50% van de niet-geïndividualiseerde uitkering).

e. Over de periode vanaf 1995 is ten aanzien van Oosten de uniforme franchise toegepast.

4.2. Oosten stelt zich op het standpunt dat het ABP door toepassing van de kostwinnersfranchise en de uniforme franchise onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen. Het maken van dit onderscheid is verboden bij art. 119 EG Verdrag (thans art. 141), art. 12b Wet Gelijke Behandeling Mannen en Vrouwen (WGB) en art. 7: 646, lid 5 BW. Oosten onderbouwt dit standpunt met het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling in een zaak tegen het ABP (Oordeel 2004-34), uitgesproken op 30 januari 2004 (prod. 3 cva).

4.2.1. Oosten heeft op die grond - kort gezegd – een verklaring voor recht gevorderd;

a. dat het ABP vanaf 17 mei 1990 tot 1 januari 1995 door het hanteren van de kostwinnersfranchise bij de pensioenopbouw jegens Oosten onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht;
b. dat het ABP vanaf 1 januari 1995 door het hanteren van de uniforme franchise bij de pensioenopbouw jegens Oosten onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht.

4.3. De kantonrechter heeft de vordering van Oosten afgewezen.

4.4. Oosten is het met deze afwijzing niet eens. In de memorie van grieven herhaalt zij haar standpunt dat toepassing van het franchisesysteem ertoe leidt dat een gehuwde werknemer in een zogenaamde tweeverdienersrelatie wordt benadeeld ten opzichte van een gehuwde werknemer in een alleenverdienersrelatie. Bij een inkomen van bijv. € 30.000,= per jaar van elk van de gehuwde werknemers in een tweeverdienersrelatie (gezamenlijk € 60.000,=), wordt bij elk van hen de kostwinnersfranchise toegepast van (stel) € 15.000,=, zodat hun gezamenlijke pensioengrondslag € 30.000,= bedraagt. Indien een gehuwde werknemer in een alleenverdienersrelatie een inkomen heeft van € 60.000,= wordt ook bij hem de kostwinnersfranchise van € 15.000,= toegepast en bedraagt zijn pensioengrondslag € 45.000,=. Dit verschil in pensioengrondslag leidt tot een verschil in pensioenresultaat, in die zin dat tweeverdieners (gezamenlijk) een lager pensioenresultaat bereiken in vergelijking met een alleenverdiener (voorbeeld uit cvr punt 3.12.).

Dit verschil is, aldus Oosten, een gevolg van het feit dat het franchisesysteem in de ABP-pensioenregeling berust op de fictie dat de werknemer kostwinner is, waarbij, aldus Oosten, de AOW-uitkering van de niet-verdienende partner (50% van de niet-geïndividualiseerde AOW-uitkering voor gehuwden) aan de kostwinner wordt toegerekend. Tweeverdieners kunnen echter ieder slechts (eenmaal) aanspraak maken op 50% van de niet-geïndividualiseerde AOW-uitkering voor gehuwden, zodat de gehuwde tweeverdiener, elk voor zich, wordt geconfronteerd met een tekort gelijk aan die 50% (het tweeverdienersgat). Beiden gezamenlijk worden zij geconfronteerd met een tekort van 2 maal 50% van de niet-geïndividualiseerde AOW-uitkering van gehuwden (mvg punt 19).

4.4.1. Omdat tot de groep werknemers met een tweeverdienersrelatie significant meer vrouwen behoren dan mannen, heeft, aldus Oosten, toepassing van de kostwinnerfranchise verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen tot gevolg.

4.5. De kantonrechter heeft overwogen dat het verboden onderscheid waar Oosten zich op beroept, geldt ten aanzien van beloningen van individuele personen en niet ten aanzien van samengevoegde beloningen van meerdere personen. Daarom kan, aldus de kantonrechter, de vergelijking die Oosten (in navolging van de CGB) maakt tussen het pensioenresultaat van een alleenverdienende kostwinner met tweeverdieners niet (als uitgangspunt) worden aanvaard bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van verboden onderscheid. Indien men de AOW-uitkering van de partner van de kostwinner niet optelt bij het pensioen van de kostwinner, dan blijkt, aldus de kantonrechter, dat er geen onderscheid is tussen een alleenverdienende kostwinner en een tweeverdiener. De kantonrechter heeft dat in het vonnis toegelicht aan de hand van rekenvoorbeelden.

4.6. Onder grief 1 tot en met 4 betoogt Oosten dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van verboden onderscheid juist wel moet worden uitgegaan van een vergelijking van het (gezamenlijke) pensioenresultaat van enerzijds de partners in een alleenverdienersrelatie en anderzijds die in een tweeverdienersrelatie. Immers bij hantering van de omstreden franchise wordt uitgegaan van de fictie dat de werknemer/deelnemer beschikt over een volledige gezins-AOW (= 2 maal de geïndividualiseerde AOW-uitkering voor gehuwden) en dat dit bij een maximale pensioenopbouw van de (individuele) werknemer leidt tot het nagestreefde pensioenresultaat van 70% van het laatstverdiende loon. Dat pensioenresultaat is echter alleen voor de alleenverdiener bereikbaar, doch niet voor de tweeverdiener, en leidt dus bij laatstgenoemde nimmer tot een pensioenresultaat van 70% van het laatstverdiende loon.

4.7. Het hof stelt voorop dat met de hantering van een franchisebedrag een criterium wordt aangelegd waardoor in het kader van pensioenopbouw onderscheid wordt gemaakt op grond van andere hoedanigheden dan geslacht. Toepassing van dit criterium bepaalt immers (mede) de mogelijkheid en de omvang van de pensioenopbouw. De vraag of toepassing van dit criterium onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft en daardoor indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen oplevert dient daarom getoetst te worden aan art. 119 (thans 141) EG Verdrag en 12b WGB. In zoverre is hetgeen Oosten in de toelichting op grief 1 stelt juist.

4.8. Hantering van de kostwinnersfranchise in het kader van de berekening van een maximaal te bereiken pensioenresultaat van 70% van het laatstverdiende loon heeft tot gevolg dat degene die pensioen opbouwt feitelijk en rechtens niet het individuele pensioenresultaat kan bereiken van 70% van zijn laatstverdiende loon. Zoals blijkt uit het door de kantonrechter aangehaalde voorbeeld (ro. 6 en 7) komt diens pensioenresultaat (inclusief de aan hemzelf toekomende geïndividualiseerde AOW-uitkering) immers uit op 44% en niet op 70%. Dit is een gevolg van het feit dat de geïndividualiseerde AOW-uitkering van de partner van de gehuwde werknemer niet aan die werknemer toekomt, maar aan de partner, en dus niet behoort tot het feitelijk te behalen pensioenresultaat van de werknemer. Dat geldt zowel voor de werknemer die als alleenverdiener is aan te merken als voor de werknemer die tweeverdiener is. Nu toepassing van de kostwinnersfranchise niet tot een verschillend pensioenresultaat leidt, al naargelang de werknemer in de partnerrelatie als alleenverdiener dan wel als tweeverdiener is aan te merken, is het beginsel van gelijke beloning niet geschonden, zoals de kantonrechter terecht heeft geconcludeerd.

4.9. Oosten stelt in de toelichting op grief 1 (punt 10) dat art. 119 EG Verdrag niet verbiedt om ter vaststelling van het nadelig effect voor tweeverdieners te kijken naar het totale pensioenresultaat van het huishouden waartoe betrokkene behoort, inclusief de AOW-uitkering die toekomt aan de partner van de kostwinner.

4.10. Blijkens deze stelling gaat Oosten uit van de opvatting dat art. 119 (thans 141) EG Verdrag meebrengt dat een pensioenuitvoerder (evenals de werkgever), voor wat betreft het feitelijk te behalen pensioenresultaat waaronder begrepen de AOW-uitkering, mannelijke en vrouwelijke deelnemers (werknemers) die gehuwd zijn, niet alleen als individuele werknemers gelijk moet behandelen, maar ook gelijk moet behandelen tezamen met hun partners in een partnerrelatie in die zin dat ten aanzien van tweeverdieners met een gezamenlijk loon gelijk aan dat van een alleenverdiener gelijke beloning is gewaarborgd.

Die opvatting is onjuist.

Het beginsel van gelijke beloning als bedoeld in art. 119 (thans 141) EG Verdrag strekt ertoe dat gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers op individuele basis is gewaarborgd ten aanzien van het loon en alle overige voordelen die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt. Het hof is van oordeel dat zulks op grond van - de door het ABP aangehaalde – rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met voldoende zekerheid kan worden aangenomen.

4.11. Doordat bij hantering van de kostwinnersfranchise de geïndividualiseerde AOW-uitkering van de partner van de werknemer fictief aan de werknemer wordt toegerekend, ondervinden partners in een tweeverdienersrelatie beiden de gevolgen van het onder 4.8 vermelde - nadelig – effect, indien ten aanzien van hen beiden de kostwinnersfranchise wordt toegepast. Deze toerekening heeft in dat geval weliswaar tot gevolg dat beide partners, en niet slechts een partner, wordt geconfronteerd met dit nadelig effect, maar dat gevolg is niet in strijd met het in art. 119 (thans 141) EG Verdrag neergelegde beginsel van gelijke beloning, nu dat beginsel gelijke beloning van individuele werknemers beoogt te waarborgen en niet van tweeverdienershuishoudens ten opzichte van alleenverdienershuishoudens.

4.12. Oosten beroept zich op een - volgens haar met de onderhavige zaak vergelijkbaar – geval waarin in een door een werkgever geboden aanvullingsregeling bij ontslag een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit werd gemaakt door de hoogte van de vergoeding bij ontslag te baseren op de fictie dat betrokkene een uitkering op grond van de Nederlandse WW ontving, terwijl een aantal (Belgische) werknemers een aanzienlijk lagere werkloosheidsuitkering in België genoot.

De kantonrechter in de rechtbank Den Bosch oordeelde hieromtrent dat er geen sprake was van een verboden onderscheid, nu het tekort op de aanvullingen van de uitkering niet het gevolg was van een handelen van de werkgever, maar van het feit dat de desbetreffende werknemers in België woonachtig waren waar een ander niveau van sociale uitkeringen geldt (Rb ’s-Hertogenbosch 21 maart 2002, nr. 197850). Op vragen van leden van het Europees Parlement heeft de Europese Commissie omtrent dit geval geoordeeld dat de ‘‘oude’’ werkgever uit hoofde van de gelijke behandelingswetgeving bij de berekening van de aanvulling rekening moet houden met het ‘‘effectieve niveau van de werkloosheidsuitkering, die betrokkene ontvangt’’ (E-2017/ 02NL). Hierover Pennings in SMA 2002, nr. 11/12, pag. 561.

Oosten concludeert dat de Commissie in dit geval discriminatoir onderscheid naar nationaliteit aanwezig achtte gelet op het nadelig effect van het verschil in genoten WW-uitkering, terwijl de werkgever - gelijk in het onderhavige geval het ABP – aan de ontslagen werknemers toch een nominaal gelijke uitkering betaalde en dus in dat opzicht geen onderscheid maakte.

4.13. Het hof is van oordeel dat Oosten over het hoofd ziet dat de werkloosheidsuitkering waar het in voormeld geval om ging en die in Nederland en België verschilde, aan de werknemer zelf toekwam, en niet aan de partner van de werknemer. Het geval is dus daarom reeds niet vergelijkbaar.

4.13.1. Tegen de achtergrond van voormeld geval merkt het hof nog het volgende op.

Het uitgangspunt van Oosten is dat bij haar pensioenopbouw geen rekening is gehouden met het ‘‘effectieve niveau van haar (geïndividualiseerde) AOW-uitkering’’ omdat wordt aangenomen (door hantering van de kostwinnersfranchise) dat de geïndividualiseerde AOW-uitkering van haar partner aan haar toekomt, terwijl dit feitelijk niet het geval is. Echter ook bij de werknemer die kostwinner is wordt geen rekening gehouden met het ‘‘effectieve niveau van diens (geïndividualiseerde) AOW-uitkering’’. Immers, ook ingeval van een kostwinnersrelatie komt de AOW-uitkering van de partner van de werknemer-kostwinner feitelijk en rechtens niet aan de kostwinner toe, maar aan diens partner. Het effectieve niveau van de AOW-uitkering van de werknemer wordt, bij een berekening van een 70%-eindloonpensioen inclusief de kostwinnersfranchise, in beide gevallen genegeerd en wel in gelijke mate. Het feit dat dit in een kostwinnersrelatie slechts een partner treft en in een tweeverdienersrelatie beide partners (indien ten aanzien van beiden de kostwinnersfranchise wordt toegepast) is, zoals gezegd, een effect dat niet in strijd is met art. 119 (thans 141) EG Verdrag.

4.14. De conclusie van de kantonrechter is dus juist. Oosten heeft niet aangetoond dat toepassing van de kostwinnersfranchise onderscheid in beloning tussen werknemers tot gevolg heeft, al naargelang zij kostwinner dan wel tweeverdiener zijn. In beide gevallen is het pensioenresultaat hetzelfde. Het feit dat toepassing van de (hoge) kostwinnersfranchise ertoe leidt dat in een tweeverdienerssituatie twee partners hierdoor (kunnen) worden getroffen en in een alleenverdienerssituatie slechts een partner, brengt niet mee dat hantering van die kostwinnersfranchise in strijd is met art. 119 (thans 141) EG Verdrag, aangezien dat artikel er niet toe strekt gelijke beloning te waarborgen van tweeverdienershuishoudens ten opzichte van alleenverdienershuishoudens, zoals reeds hiervoor is toegelicht (ro 4.11).

4.15. Op bovenstaande gronden concludeert het hof dat de kostwinnersfranchise ook niet in strijd is met art. 12b WGB.

4.15.1. Oosten stelt nog (mvg punt 15) dat art. 12b WGB een ruimere strekking heeft in die zin dat ook geen onderscheid mag worden gemaakt bij ‘‘de bepaling van de inhoud van een pensioenvoorziening’’. Oosten heeft echter niet toegelicht wat zij daarmee in dit verband bedoelt, met name heeft zij niet toegelicht dat zij daarmee iets anders bedoelt dan met haar bovenweergegeven standpunt. Dat standpunt verwerpt het hof.

De conclusie is dat het ABP ook niet in strijd met art. 12b WGB heeft gehandeld.

4.16. De uniforme franchise die sinds 1995 in de ABP-regeling is opgenomen leidt evenmin tot ongelijke beloning van werknemers al naargelang zij in het gezin kostwinner dan wel tweeverdiener zijn. In beide gevallen is het pensioenresultaat hetzelfde zoals de kantonrechter terecht heeft geconcludeerd. Het feit dat toepassing van een (hoge) uniforme franchise ertoe leidt dat op gezinsniveau in een tweeverdienerssituatie twee partners hierdoor (kunnen) worden getroffen en in een alleenverdienersituatie slechts een partner, brengt niet mee dat hantering van die franchise in strijd is met art. 119 (thans 141) EG Verdrag, aangezien dat artikel er niet toe strekt gelijke beloning te waarborgen van tweeverdienershuishoudens ten opzichte van alleenverdienershuishoudens. Datzelfde geldt voor art. 12b WGB.

De grieven 1 tot en met 4 falen dus.

4.17. Naar aanleiding van grief 5 overweegt het hof het volgende.

Gelet op bovenstaande overwegingen ziet het hof geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie omtrent de uitleg van art. 119 (thans 141) EG Verdrag.

Ook grief 5 faalt.

4.18. Nu alle grieven falen dient het beroepen vonnis te worden bekrachtigd en dient Oosten als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 6 juli 2005, waarvan beroep;

veroordeelt Oosten in de kosten van dit geding in hoger beroep welke kosten, voorzover aan de zijde van het ABP gevallen, tot op heden worden begroot op € 244,= wegens griffierecht en op € 2.682,= wegens salaris van de procureur;


Volledige tekst

Rechters

Mr. Bod, Mr. Hofkes, Mr. Vermeulen

Instantie: Hoge Raad, 30 maart 2007

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting

Verzoek tot doorhaling geslachtsaanduiding in geboorteakte zonder opneming nieuwe geslachtsaanduiding; verzoek toewijsbaar?; afwijzing verzoek in strijd art. 8 EVRM?
Bij de huidige stand van de wetgeving kan het – op art. 1:24 BW gegronde – verzoek te bepalen dat de geslachtsaanduiding in de geboorteakte wordt doorgehaald zonder dat in die akte een nieuwe geslachtsaanduiding wordt vermeld niet worden toegewezen. Uit art. 8 EVRM kan een positieve verplichting voortvloeien de geslachtsaanduiding in de geboorteakte aan te passen aan het geslacht waartoe de betrokkene volgens diens vaste overtuiging behoort. Tegen de achtergrond van de rechtspraak van het EHRM moet worden aangenomen dat het binnen de aan de nationale staten gelaten ‘margin of appreciation’ ligt te beslissen of, en zo ja, op welke wijze de wettelijke regeling inzake de geslachtsaanduiding in de geboorteakte moet voorzien in de mogelijkheid de geslachtsaanduiding geheel achterwege te laten in gevallen van ‘niet-geseksueerdheid’. Bij de beantwoording van de vraag of uit art. 8 EVRM een positieve verplichting voortvloeit tot het treffen van een dergelijke regeling of tot het toewijzen van het onderhavige verzoek, dient rekening te worden gehouden met een juist evenwicht tussen het algemeen belang en de belangen van het individu. In het onderhavige geval weegt het algemeen belang bij handhaving van de wettelijke regeling inzake de geslachtsaanduiding in de geboorteakte zwaarder.

Thans verzoeker tot cassatie, K,. is tot de overtuiging gekomen ‘niet-geseksueerd’ te zijn en heeft de rechtbank verzocht de geslachtsaanduiding in de geboorteakte door te halen zonder een nieuwe geslachtsaanduiding in die akte aan te brengen. Aan dit verzoek heeft K. primair ten grondslag gelegd dat sprake is van een misslag die op de voet van art. 1:24 BW voor verbetering in aanmerking komt. Subsidiair heeft K. zich beroepen op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op respect voor het privé-leven. De rechtbank en – in hoger beroep – het hof hebben het verzoek van K. niet toewijsbaar geacht. In cassatie wordt geklaagd: (1.) dat het hof blijk heeft gegeven van een te beperkte opvatting van het begrip misslag in art. 1:24 BW, mede in het licht van art. 1:19d BW; (2.) dat de rechtspraak van het EHRM meebrengt dat de weigering het verzoek van K. in te willigen inbreuk maakt op het recht op juridische erkenning van de identiteit van K en schending van art. 8 EVRM oplevert alsmede dat op de Nederlandse overheid een positieve verplichting rust interseksualiteit te beoordelen als transseksualiteit.
Het uitgangspunt van de wettelijke regeling inzake de, verplichte, vermelding van het geslacht in de geboorteakte dat in het eenmaal vastgestelde geslacht geen verandering komt, blijkt niet steeds met de werkelijkheid overeen te stemmen. In verband daarmee zijn enige wettelijke voorzieningen getroffen: art. 1:24 BW om aanpassing van de registratie van het geslacht te verzoeken op grond dat sprake is van een misslag, art. 1:28 e.v. BW voor gevallen van transseksualiteit, en de regeling in art. 1:19d BW voor gevallen waarin bij de geboorte het geslacht van het kind niet met zekerheid is vast te stellen. Daarbij is steeds het uitgangspunt dat de betrokkene zich, zoals in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is, hetzij als man hetzij als vrouw wil presenteren. Bij de voorbereiding van de wettelijke regeling inzake transseksualiteit is de mogelijkheid van het achterwege laten van een vermelding in de geboorteakte van hetzij het mannelijke hetzij het vrouwelijke geslacht wel onder ogen gezien, maar verworpen. Tegen deze achtergrond moet worden geoordeeld dat bij de huidige stand van de wetgeving het verzoek van K., dat berust op de na een jarenlang proces van ervaring en bewustwording verkregen overtuiging noch tot het mannelijke noch tot het vrouwelijke geslacht te behoren, niet kan worden toegewezen. Dat volgens K. in de geboorteakte het geslacht onjuist is vermeld, berust enkel op deze overtuiging en niet op een misslag zoals hiervoor bedoeld. De met bijzondere waarborgen omklede regeling inzake transseksualiteit komt, naar in cassatie niet wordt bestreden, bij het onderhavige verzoek niet aan de orde. De regeling van art. 1:19d BW, die is gebaseerd op onzekerheid in medische zin. Het voorgaande betekent niet dat die in een langdurig proces met grote persoonlijke offers verkregen overtuiging niet behoort te worden gerespecteerd, maar wel dat die overtuiging bij de huidige stand van de wetgeving niet kan leiden tot toewijzing van het verzoek tot het geheel achterwege laten in de geboorteakte van de vermelding van hetzij het mannelijke hetzij het vrouwelijke geslacht.
Bij de beoordeling van deze klachten wordt vooropgesteld dat uit art. 8 EVRM een positieve verplichting kan voortvloeien de geslachtsaanduiding in de geboorteakte aan te passen aan het geslacht waartoe de betrokkene volgens diens vaste overtuiging behoort. Waar het gaat om gevallen van postoperatieve transseksuelen is in de inmiddels vaste rechtspraak van het EHRM beslist dat een door art. 8 beschermde aanspraak bestaat op juridische erkenning van de geslachtswijziging, dat wil zeggen de wijziging van vrouwelijk in mannelijk en andersom, waardoor kan worden tegemoetgekomen aan het probleem dat het geregistreerde geslacht niet overeenstemt met het geslacht waaronder een persoon aan het maatschappelijk verkeer deelneemt. Wat K. verlangt, is echter wezenlijk iets anders, namelijk het achterwege laten van enige geslachtsaanduiding op de grond dat alleen daardoor recht kan worden gedaan aan K.’s werkelijke geslachtelijke identiteit, te weten die van ‘niet-geseksueerdheid’, het niet behoren tot het mannelijke en evenmin tot het vrouwelijke geslacht. Tegen de achtergrond van de rechtspraak van het EHRM moet worden aangenomen dat het binnen de aan de nationale staten gelaten ‘margin of appreciation’ ligt te beslissen of, en zo ja, op welke wijze de wettelijke regeling inzake de geslachtsaanduiding in de geboorteakte moet voorzien in de mogelijkheid de geslachtsaanduiding geheel achterwege te laten in gevallen van ‘niet-geseksueerdheid’. Bij de beantwoording van de vraag of uit art. 8 EVRM een positieve verplichting voortvloeit tot het treffen van een dergelijke regeling of tot het toewijzen van het onderhavige verzoek, dient rekening te worden gehouden met een juist evenwicht tussen het algemeen belang en de belangen van het individu. In het onderhavige geval weegt het algemeen belang bij handhaving van de hiervoor beschreven wettelijke regeling inzake de geslachtsaanduiding in de geboorteakte, welke regeling is gebaseerd op de ook in de andere bij de Raad van Europa aangesloten staten algemeen aanvaarde opvatting dat personen hetzij tot het mannelijke hetzij tot het vrouwelijke geslacht behoren, zwaarder dan het belang van K. bij juridische erkenning – door het achterwege laten van een geslachtsaanduiding in de geboorteakte – van de overtuiging noch tot het ene noch tot het andere geslacht te behoren. Hierbij is nog in aanmerking te nemen dat uit de door K. overgelegde stukken weliswaar kan worden afgeleid dat geleidelijk meer aandacht wordt gegeven aan interseksualiteit, met name in gevallen waarin een persoon geslachtelijke kenmerken van beide seksen heeft, en daarmee samenhangende problemen van verschillende aard, maar niet dat sprake is van een (trend naar) juridische erkenning van een neutrale geslachtelijke identiteit in gevallen waarin personen ervan overtuigd zijn geraakt dat zij, ongeacht de bij hen aanwezige fysieke geslachtskenmerken, noch tot het vrouwelijke noch tot het mannelijke geslacht behoren

Volledige tekst

Rechters

D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein, F.B. Bakels.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 23 maart 2007

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting

Nabestaande (man) ontvangt WAZ-uitkering waarbij uitgegaan wordt van 45-55% verlies aan verdiencapaciteit en particuliere AO-uitkering op basis van 65-80% verlies aan verdiencapaciteit. CRvB billijkt standpunt SVB dat slechts 43 % verlies aan verdiencapaciteit aan de orde is en dat ANW-uitkering terecht geweigerd is.

Volledige tekst

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 mei 2004, 03/1183 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.T.H. Bosma, als fiscaal jurist verbonden aan Koning Administratiekantoor te Veendam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 januari 2007. Appellant is daar niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, zelfstandig agrariër, is geboren in 1952. Hij ontvangt sinds 8 februari 1998 een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) in verband met een arbeidsongeschiktheid die is ingetreden op 10 februari 1997.
De echtgenote van appellant is overleden op 11 oktober 2001. Op dat moment had het jongste kind van appellant de 18-jarige leeftijd reeds bereikt. Naar aanleiding van het overlijden van zijn echtgenote heeft appellant een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd.

De Svb heeft aan WOSM verzocht te adviseren over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ten tijde van het overlijden van zijn echtgenote. De bedrijfsarts J.F.M. Brekelmans is na onderzoek tot het oordeel gekomen dat appellant met inachtneming van een aantal beperkingen in staat is tot het verrichten van voltijdse arbeid. In zijn rapportage van 14 januari 2001 heeft de arbeidsdeskundige E.J.W. Plante vervolgens een aantal functies genoemd tot het vervullen waarvan hij appellant met zijn beperkingen in staat acht. De arbeidsdeskundige concludeert dat er bij appellant sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van circa 43% ten opzichte van zijn maatman-inkomen. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige het maatmaninkomen van appellant vastgesteld op het door het Uwv gehanteerde maatmaninkomen, geïndexeerd naar de datum van overlijden van de echtgenote.

Bij primair besluit van 30 januari 2002 heeft de Svb de aanvraag van appellant afgewezen omdat appellant niet meer dan 45% arbeidsongeschikt is en ook overigens niet in een situatie verkeert waarin aanspraak bestaat op een nabestaandenuitkering. Bij besluit van 26 juni 2002 heeft de Svb het primaire besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit bij uitspraak van 22 augustus 2003 gegrond verklaard. De Svb heeft ter uitvoering van deze uitspraak het bestreden besluit van 14 november 2003 genomen, waarbij onder verbetering van de motivering het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat het door de Svb in aanmerking genomen maatmaninkomen ten onrechte is vastgesteld door indexering van het in het kader van de WAZ gehanteerde maatmaninkomen, dat is vastgesteld aan de hand van het gemiddelde arbeidsinkomen over de jaren 1994, 1995 en 1996. Naar het oordeel van appellant dient het (veel hogere) reële arbeidsinkomen over de jaren 1998 tot en met 2001 maatgevend te zijn. Appellant heeft hierbij verwezen naar het feit dat het Uwv hem per 31 december 2003 voor de toepassing van de WAZ voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt acht en dat het Uwv het aan deze schatting ten grondslag liggende maatmaninkomen heeft berekend op basis van zijn inkomsten over de jaren 1999/2000 tot en met 2001/2002. Voorts heeft appellant stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in het kader van zijn particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering 65 tot 80% arbeidsongeschikt wordt geacht.

De Svb heeft hiertegen ingebracht dat op grond van artikel 7 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, nadat de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld, bij een hernieuwde vaststelling of een herziening van de uitkering geen rekening wordt gehouden met nadien ingetreden wijzigingen in het maatmaninkomen, behoudens indexering op de wijze zoals voorzien in artikel 8 van dit Besluit. De Svb acht de nieuwe schatting in het kader van de WAZ voor de beoordeling van de onderhavige aanvraag om nabestaanden-uitkering niet relevant.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of het maatmaninkomen van appellant op de juiste wijze is vastgesteld.

Artikel 11 van de Anw luidt:
“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

De Raad stelt vast dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de WAZ en de inmiddels ingetrokken Algemene arbeidsongeschikt-heidswet (tezamen: de arbeidsongeschiktheidswetten). Het ligt dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de ANW voor een dergelijke afwijking geen basis kent.

In het onderhavige geval is het maatmaninkomen van appellant berekend door indexering van het door het Uwv gehanteerde maatmaninkomen. Dit laatste maatmaninkomen is berekend aan de hand van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid van appellant op
10 februari 1997. Hiermee is aangesloten bij de jurisprudentie van de Raad inzake het bij de toepassing van de arbeidsongeschiktheidswetten in aanmerking te nemen maatman-inkomen. In die jurisprudentie is voorts neergelegd dat, nadat een eerste beoordeling in verband met de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van een zelfstandige heeft plaatsgevonden, bij een hernieuwde vaststelling geen rekening wordt gehouden met bedrijfsresultaten over boekjaren na het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Verwezen zij naar zijn uitspraak van 17 augustus 1993, LJN: ZB2889.
De Raad vermag niet in te zien dat deze benadering in het kader van de beoordeling van aanspraken op grond van artikel 11 van de ANW onjuist zou zijn.
Gelet op het voorgaande kan de grief van appellant geen doel treffen. De Raad zal de aangevallen uitspraak derhalve bevestigen.
De Raad ziet geen aanleiding om een partij in de proceskosten te veroordelen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

M.M. van der Kade, H.J. Simon, H.G. Lubberdink