Instantie: EHRM, 20 maart 2007

Instantie

EHRM

Samenvatting

In a landmark decision, the European Court of Human Rights today delivered a majority judgment in the case of Tysiac v Poland. The Court held, by six votes to one, that the Polish State had failed to safeguard Ms Tysiac’s right to the effective respect for her private life, given her inability to access a ‘therapeutic’ abortion, lawful in Poland. In a controversial area, the judgment is a call for objectivity, clarity and fairness in decision-making that should assist those whose rights have been affected by State regulation of reproductive choice. Ms Tysiac was represented in court by Polish lawyers, advised by interights.

The applicant complained that the failure to allow her to terminate her pregnancy on therapeutic grounds, in circumstances where it was believed that continuation of the pregnancy would risk destroying her eyesight, violated the right to respect for private life under the Article 8 of the European Convention on Human Rights. She challenged Poland’s failure to put in place an appropriate procedural and regulatory framework to enable a pregnant woman to assert her right to a therapeutic abortion. In addition, she complained that this amounted to inhuman and degrading treatment and discrimination on grounds of sex and disability.

Ms Tysiac suffered for many years from severe myopia. When she discovered that she was pregnant for the third time, she consulted several doctors in Poland to determine what impact this might have on her health and, more particularly, her sight. Although the doctors concluded that there would be a serious risk to her eyesight if she carried the pregnancy to term, they refused her requests to issue a certifcate authorising termination. Two months

into her pregnancy, her eyesight had already deteriorated significantly. She secured a referral for a termination on medical grounds but the gynaecologist refused to perform it and voided the referral. There was no procedure through which Ms Tysiac could appeal this decision and she gave birth to her third child in November 2000. Her eye sight deteriorated further following the delivery, and she now cannot see objects more than 1.5 metres away, risks becoming completely blind and requires daily assistance. She receives a small monthly pension from the State and supports three young children. The Polish authorities have not prosecuted or disciplined any of the health offcials involved for the treatment Ms Tysiac suffered.

In characterising the case, the Court observed that it concerned therapeutic abortion, which is legal in Poland under certain circumstances. Therefore, the Court did not, and was not asked to, examine whether the Convention guarantees a right to abortion, as such. Rather, it looked at the manner in which this exception of therapeutic abortion operated in practice, and the extent to which it was able to be accessed by the applicant under Article 8. The Court noted the importance of a fair decision-making procedure which affords due respect to the interests it is designed to safeguard. The importance of a clear process was heightened by the risk of criminal sanction for doctors breaching the conditions for a therapeutic abortion – which the Court recognised could have "chilling effect" on the decision of doctors to perform terminations – and by time pressure inherent in pregnancy. In this case, the Court considered that the applicable Polish legal framework did not provide any effective mechanism to resolve disagreement as to the availability or legality of therapeutic abortion in any case, either between the pregnant women and her doctors or between doctors themselves. The Court considered that the absence of such a mechanism created a situation of prolonged uncertainty for Ms Tysiac, causing her severe distress and anguish. Moreover, the retroactive nature of civil and criminal remedies in Poland could not have provided appropriate protection for her rights. The Court concluded that there had been a violation of Article 8 and ordered Poland to pay a substantial sum in non-pecuniary damages. The Court held that it was not necessary to consider the other complaints of the applicant as the issues raised had been addressed by its Article 8 judgment.

The Tysiac judgment is signifcant in several respects. First, in the context of abortion in Poland and those countries with narrow exceptions to prohibition, it requires the adoption of meaningful mechanisms by which the conditions for obtaining a lawful abortion can be determined in a certain and timely fashion. In a controversial area, the judgment is a call for objectivity, clarity and fairness in decision-making that should assist those whose rights have been affected by State regulation of reproductive choice. Beyond the issue of abortion, the judgment clarifes the procedural obligations of States generally in respect of the right to privacy and family life, in particular to ensure an effective and accessible decision-making process that can resolve disagreements. For Ms Tysiac the judgment provides offcial recognition of the anguish she suffered as a result of Poland’s uncertain abortion regime and the compensation ordered will assist her in taking care of her family in di;cult personal circumstances.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Hoge Raad, 15 maart 2007

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting

Ontbrekende compensatieregeling in beroepsonderwijs bij samenloop van zwangerschaps/bevallingsverlof met schoolvakanties, verboden onderscheid in arbeidsvoorwaarden als bedoeld in art. 7:646 lid 5 BW tussen lerares en mannelijke collega?s?; vervolg op HR 9 augustus 2002, nr. C01/244, NJ 2004, 222; omvang van de rechtsstrijd in geding na verwijzing.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: HvJ EG, 15 maart 2007

Instantie

HvJ EG

Samenvatting


Verzoekster, een Finse onderwijzeres, had ouderschapsverlof aangevraagd voor de zorg voor haar eerste kind. Haar werkgever had haar verzoek al geaccordeerd en voor vervanging gezorgd, maar het ouderschapsverlof was nog niet ingegaan, toen verzoekster er achter kwam dat zij wederom zwanger was. Zij vroeg hierna haar werkgever of haar ouderschapsverlof gewijzigd kon worden, d.m.v. inkorting van het verlof of door het verlof vast te plakken aan het zwangerschapsverlof voor haar tweede kind. De werkgever weigerde.

Volgens de AG verschilt de situatie van verzoekster niet van die van andere werknemers, man of vrouw, die hun ouderschapsverlof willen wijzigen, bijvoorbeeld om de andere ouder meer te betrekken bij de verzorging van kinderen. Er is derhalve geen sprake van ongelijke behandeling.

Het oordeel van het Hof komt over enkele maanden uit.

Volledige tekst

Rechters

conclusie AG Kokott

9 maart 2007 – Ledennieuwsbrief 2007-1 verschenen

Ledennieuwsbrief 2007-1 verschenen

9 maart 2007
Op 8 maart (internationale vrouwendag) is de eerste ledennieuwsbrief van 2007 per e-mail aan alle leden van de vereniging verzonden. Bent u lid maar heeft u geen nieuwsbrief ontvangen, controleer dan of uw e-mail-adres zoals dat in de ledenlijst staat nog klopt, en/of neem contact op met de ledenadministratie.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 2 maart 2007

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting

Nabestaande, geboren na 1949 en jongste kind ouder dan 18 jaar, heeft sinds 1976 geen betaalde arbeid meer verricht. Aanvankelijk is ANW-uitkering verstrekt wegens arbeidsongeschiktheid, maar die is stopgezet nadat verzekeringsarts en arbeidsdeskundige functies hebben geduid op minimumloonniveau. Volgens CRvB is dat juist, maar SVB had wat betreft de datum van stopzetting rekening moeten houden met het feit dat de verzekeringsarts vaststelde dat betrokkene wegens een medische ingreep vier tot zes weken niet in staat zou zijn tot inkomensvormende arbeid.

Volledige tekst

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 juni 2004, 03/120 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. J. Withaar, advocaat te Goirle, aanvullende gronden van het hoger beroep ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 januari 2007. Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Withaar, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is geboren op 4 juli 1950. Haar echtgenoot is overleden op 24 december 2000. Het jongste kind van appellante had ten tijde van dit overlijden de 18-jarige leeftijd reeds bereikt. Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft de Svb aan appellante met ingang van december 2000 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend omdat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij brief van 29 januari 2002 heeft de Svb aan WOSM verzocht een onderzoek in te stellen naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Appellante is onderzocht door de verzekeringsarts A.W.M. Linders. Bij rapportage van 5 maart 2002 heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellante beperkingen ondervindt als gevolg van lichamelijke klachten van de buik, de rechterknie en de ogen. De verzekeringsarts heeft appellante met name beperkt geacht ten aanzien van zwaar tillen en dragen, veelvuldig bukken, knielen, kruipen en hurken, en rijden in een auto. Met inachtneming van deze beperkingen acht hij appellante in staat een voltijdse functie te vervullen. Tevens heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellante op korte termijn een medische ingreep zal moeten ondergaan als gevolg waarvan zij vier tot zes weken niet belastbaar zal zijn.

De arbeidsdeskundige C.W. van de Rhee heeft het verzoek van de Svb aanvankelijk opgevat als een verzoek om de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 24 december 2000. Hij heeft een aantal functies geselecteerd die naar zijn oordeel geschikt zijn voor de krachten en bekwaamheden van appellante en die appellante ook volgens de verzekeringsarts met haar beperkingen zou moeten kunnen vervullen. Tevens heeft de arbeidsdeskundige het maatvrouwloon van appellante vastgesteld op het wettelijk minimumloon aangezien appellante in verband met de zorg voor haar gezin sinds 1976 geen inkomensvormende arbeid meer heeft verricht. Van de Rhee is op basis hiervan tot het oordeel gekomen dat zich ten aanzien van appellante geen verlies aan verdiencapaciteit voordoet.

Bij besluit van 17 april 2002 heeft de Svb appellante ervan in kennis gesteld dat haar nabestaandenuitkering eindigt op 30 april 2002 omdat zij niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt is.

In bezwaar heeft de Svb aan WOSM verzocht de arbeidsongeschiktheid van appellante alsnog vast te stellen per december 2001. De verzekeringsarts J.H. de Bruine heeft bij rapportage van 2 augustus 2002 laten weten dat de belastbaarheid van appellante in december 2001 niet wezenlijk afweek van de in de rapportage van de verzekeringsarts van 5 maart 2002 weergegeven belastbaarheid. Bij het bestreden besluit van 19 december 2002 heeft de Svb het besluit van 17 april 2002 gehandhaafd.

In beroep heeft appellante gewezen op haar lichamelijke klachten en op een aantal traumatiserende gebeurtenissen in het verleden. Zij meent dat van haar niet kan worden gevergd weer tot de arbeidsmarkt toe te treden.

Op verzoek van de rechtbank is appellante onderzocht door de zenuwarts W. Eland. Bij rapport van 22 december 2003 heeft deze deskundige laten weten geen aanwijzingen te hebben gevonden voor het bestaan van een psychiatrische stoornis. De psychiatrische bevindingen leiden dan ook niet tot het vaststellen van beperkingen. Wel acht hij appellante een kwetsbare vrouw, die echter door haar copingstijl haar draagkracht op peil kan houden. De deskundige acht appellante in staat om de geduide functies te vervullen.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante haar grieven herhaald. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij als een zogenoemde medische afzakker moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft zij hieraan nog doen toevoegen dat de Svb geen aanleiding had om, na de oorspronkelijke advisering door Cadans, een andere instelling opnieuw te laten adviseren over het zelfde onderwerp. Tevens heeft appellante gesteld dat in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de ANW een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen personen geboren voor 1 januari 1950 en personen geboren op of na deze datum.

De Svb heeft gepersisteerd bij haar oordeel dat appellante niet ten minste 45% arbeidsongeschikt is. Voorts stelt de Svb zich op het standpunt dat het in de ANW gehanteerde onderscheid naar leeftijd is gebaseerd op redelijke en objectieve gronden.

De Raad overweegt als volgt.

Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de ANW heeft (onder voorwaarden) recht op nabestaandenuitkering de nabestaande die arbeidsongeschikt is op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde. Op grond van onderdeel c van dit zelfde artikellid heeft recht op nabestaandenuitkering de nabestaande die geboren is voor 1 januari 1950.

Als arbeidsongeschikt in de zin van de ANW wordt op grond van artikel 11, eerste lid, van de ANW aangemerkt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de ANW eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien niet langer aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b, wordt voldaan, tenzij de nabestaande is geboren voor 1 januari 1950.

De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a van de ANW opgenomen onderscheid tussen personen die zijn geboren voor 1 januari 1950 en personen die op of na die datum zijn geboren, een verboden onderscheid vormt. De gemachtigde van appellante heeft in dit verband verwezen naar artikel 2, eerste lid, van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (Universele Verklaring), artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951,154 (hierna: EVRM),
EG-richtlijn 2000/78 en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL).

Zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van
1 maart 2000, RSV 2000/173, kan de Universele Verklaring niet worden aangemerkt als een verdrag in de zin van de art. 93 en 94 van de Grondwet, zodat zij het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet niet vermag te doorbreken. EG-richtlijn 2000/78 is, blijkens artikel 3, lid 3 hiervan, niet van toepassing op uitkeringen van welke aard ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van stelsels van sociale zekerheid. Toetsing van artikel 16, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de ANW aan deze richtlijn is dan ook niet mogelijk. De WGBL is in werking getreden op 1 mei 2004 en kan reeds om die reden in dit geding geen rol spelen.

Met betrekking tot het beroep op artikel 14 van het EVRM overweegt de Raad als volgt. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, is een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 EVRM discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is, dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. Blijkens vaste jurisprudentie hebben de staten die partij zijn bij het EVRM bij de implementatie van maatregelen op sociaal en economisch gebied een ruime beleidsvrijheid, welke noodzakelijkerwijze meebrengt dat zowel bij de toetsing van de gerechtvaardigdheid van de door een staat in zijn stelsel van sociale zekerheid nagestreefde doelstellingen van sociaal beleid als bij de toetsing van de proportionaliteit van de hiertoe aangewende middelen terughoudendheid wordt betracht, voor zover in de sociale wetgeving gemaakte onderscheidingen tenminste niet raken aan de in artikel 14 EVRM expliciet genoemde, dan wel in de jurisprudentie van het EHRM als verdacht aangemerkte criteria. De nationale rechter doorbreekt door de (formele) wetgever gemaakte keuzes die niet raken aan verdachte criteria slechts onder toepassing van artikel 14 EVRM indien van redelijke en objectieve gronden geen sprake is. De enkele omstandigheid dat een andere keuze denkbaar zou zijn geweest of volgens de nationale rechter wellicht zelfs de voorkeur zou hebben verdiend is niet voldoende om de door de nationale wetgever gemaakte keuze tegen de achtergrond van artikel 14 EVRM rechtens onaanvaardbaar te achten.

De Raad constateert dat het onderscheid naar leeftijd noch in artikel 14 van het EVRM noch in de jurisprudentie van het EHRM als een verdacht onderscheid wordt genoemd. Derhalve ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of de wetgever de grenzen van de hem op dit punt toekomende toekomende ruime beoordeling te buiten is gegaan door de invoering van het gewraakte geboortecohort.

Uit de parlementaire geschiedenis van de ANW blijkt dat het hanteren van een geboortecohort herhaaldelijk voorwerp van discussie is geweest (zie TK 1994-1995, 24169, nrs. 4, 6, 9, 15 en de Handelingen van de Tweede en de Eerste Kamer). Uiteindelijk is gekozen voor het geboortecohort 1 januari 1950. De kansen van vóór deze datum geboren vrouwen op de arbeidsmarkt werden te gering geacht om van hen te verwachten dat zij door inkomensvormende arbeid in hun levensonderhoud zouden voorzien. Hoewel de kansen op de arbeidsmarkt van na deze datum geboren vrouwen niet zonder meer rooskleurig werden geacht, werd van deze vrouwen verwacht dat zij zich, voor zover zij nog geen betaalde arbeid verrichtten, zouden inspannen om zich voor te bereiden op toetreding tot de arbeidsmarkt tegen de tijd dat hun jongste kind de leeftijd van 18 jaar naderde (TK 1994-1995, 24169, nr. 6, pag. 13/14). Eventueel kon een particuliere overlijdensrisicoverzekering worden afgesloten.

De Raad onderkent dat de keuze voor het geboortecohort 1 januari 1950 tot op zekere hoogte een arbitrair karakter draagt. Dit zou bij de keuze voor enig ander geboortecohort niet anders zijn geweest. De Raad stelt voorts vast dat de wetgever na een langdurige discussie tot de keuze voor juist dit geboortecohort is gekomen en dat hieraan niet alleen een inschatting van de arbeidsmarktkansen van betrokkenen ten grondslag heeft gelegen, maar evenzeer een normatief oordeel omtrent het al dan niet bestaan van een zorgplicht van de samenleving voor nabestaanden zonder minderjarige kinderen. De wetgever heeft met de invoering van het geboortecohort 1 januari 1950 de grenzen van de hem krachtens artikel 14 EVRM toekomende beoordeling niet overschreden. Al hetgeen op dit punt overigens door of namens appellante is aangevoerd doet hieraan niet af. De Raad acht artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a van de ANW dan ook verbindend.

De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de Svb zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante ten tijde in geding niet langer arbeidsongeschikt was in de zin van de Anw.

De Raad verwerpt de grief van appellante dat de Svb haar ten onrechte een heronderzoek heeft doen ondergaan omdat hiervoor geen enkele aanleiding bestond. Artikel 37 van de Anw legt aan betrokkenen de verplichting op om zich voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, op verzoek van de Svb aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Aangezien op grond van laatstgenoemde bepaling voor het recht op nabestaandenuitkering een voortdurende situatie van arbeidsongeschiktheid is vereist, houdt de in artikel 37 van de ANW neergelegde bevoegdheid van de Svb tevens in, dat van personen die op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de ANW reeds een uitkering ontvangen, kan worden gevergd dat zij zich aan een heronderzoek onderwerpen. Een bijzondere aanleiding is hiervoor niet vereist.

Naar het oordeel van de Raad dient te worden beoordeeld of appellante op 30 april 2002 niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt kon worden geacht.

De verzekeringsarts Linders heeft de situatie ten tijde van zijn onderzoek beoordeeld en appellante op die datum geschikt geacht om, met inachtneming van een aantal beperkingen, voltijds arbeid te verrichten. De verzekeringsarts heeft hierbij rekening gehouden met de aandoeningen van appellante die uit de door haar overgelegde medische stukken naar voren komen. De arbeidsdeskundige Van Rhee heeft vervolgens een aantal functies geduid die voldoende actueel zijn om ook een schatting per 30 april 2002 te kunnen dragen. De Raad acht appellante op grond van deze rapportages en het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige in staat, wanneer zij in een voor haar stabiele situatie verkeert, voltijds in ieder geval het merendeel van de geselecteerde functies te vervullen. De Raad is daarom van oordeel dat er bij appellante in algemene zin geen sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van ten minste 45%. Daarbij zij opgemerkt dat de Svb appellante niet tekort heeft gedaan door haar maatvrouwloon te bepalen op het wettelijk minimumloon. De stelling dat appellante moet worden beschouwd als een zogenoemde medische afzakker kan geen doel treffen, aangezien appellante in 1976 is gestopt met het verrichten van inkomensvormende arbeid om zich voltijds aan de zorg voor haar gezin te kunnen wijden.

De Raad stelt echter vast dat de verzekeringsarts Linders in zijn rapportage van
5 maart 2002 heeft opgemerkt dat appellante op korte termijn een gynaecologische ingreep moest ondergaan en dat zij daarna vier tot zes weken niet in staat zou zijn tot het verrichten van inkomensvormende arbeid. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante deze ingreep op 24 april 2002 recent had ondergaan. De Svb heeft hiermee ten onrechte geen rekening gehouden.

Gelet op het bovenstaande zal de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan de Svb zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Op basis van de thans ter beschikking staande stukken is de Raad van oordeel dat er bij appellante zes weken na bedoelde ingreep niet langer sprake was van arbeidsonge-schiktheid in de zin van de ANW.
De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 10,60 aan reiskosten voor appellante. Van proceskosten in eerste aanleg is niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 493,60, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

Rechters

M.M. van de Kade, H.J. Simon en H.G. Lubberdink

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 1 maart 2007

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting

Verzoeker heeft gesolliciteerd naar de functie van algemeen bestuurslid van een stichting die een aantal basisscholen beheert. De stichting gaf de voorkeur aan een vrouw omdat het bestuur op dat moment louter uit mannen bestond en heeft verzoeker dan ook afgewezen.

De Commissie is onbevoegd een oordeel te geven omdat er geen sprake is van een betrekking in de zin van de gelijkebehandelingswetgeving.

Volledige tekst

Procesverloop


1.1

Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoeker de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht te beoordelen of verweerster jegens hem onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door hem af te wijzen voor de functie van bestuurslid omdat het bestuur louter uit mannen bestaat.


1.2

Verweerster heeft schriftelijk verweer gevoerd.

Hierop heeft verzoeker gereageerd, waarna verweerster in de gelegenheid is gesteld hierop een reactie te geven. Verweerster heeft hiervan geen gebruik gemaakt.


1.3

De Commissie heeft besloten het verzoek vereenvoudigd te behandelen. Dit wil zeggen dat geen zitting is gehouden.


2 Feiten


2.1

Verweerster is een overkoepelende organisatie die twaalf openbare en algemeen toegankelijke basisscholen beheert in de gemeente Blaricum, Eemnes, Huizen en Laren. Verweerster heeft een bestuur dat uit zeven personen bestaat. De leden van het stichtingsbestuur zijn vrijwilligers.


2.2

Verzoeker heeft op 15 februari 2006 gereageerd op een advertentie van verweerster voor de functie van algemeen bestuurslid. Naast verzoeker hadden nog drie andere kandidaten op deze functie gesolliciteerd. Op 22 maart 2006 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verzoeker en de benoemingsadviescommissie (BAC) van verweerster.


2.3

Bij brief van 29 maart 2006 heeft verweerster het advies van de BAC om verweerster af te wijzen voor de functie opgevolgd. In haar brief geeft verweerster als toelichting op de afwijzing dat alle drie de kandidaten weliswaar geschikt zijn voor de functie, maar dat zij mede gezien de samenstelling van het bestuur dat louter uit mannen bestaat, de voorkeur geeft aan een vrouwelijk bestuurlid.


3 Beoordeling van het verzoek


3.1

Ter beoordeling ligt de vraag of verweerster verboden onderscheid op grond van geslacht jegens verzoeker maakt door hem af te wijzen voor de functie van bestuurslid omdat het bestuur louter uit mannen bestaat.


3.2

Artikel 3, eerste lid, Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (WGB) verbiedt het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij ondermeer het aanbieden van een betrekking of bij de behandeling van de vervulling van een openstaande betrekking.


3.3

Artikel 5, eerste lid, onderdeel a, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) verbiedt onder meer onderscheid op grond van geslacht bij de aanbieding van een betrekking of bij de behandeling van de vervulling van een openstaande betrekking.


3.4

Ter beantwoording van de in geding zijnde vraag, dient de Commissie te beoordelen of in het onderhavige geding sprake is van een betrekking in de zin van de WGB en de AWGB. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WGB blijkt dat van een betrekking in de zin van artikel 3 WGB sprake is indien binnen een gezagsverhouding arbeid wordt verricht. Ook in geval van een onbezoldigde functie kan sprake zijn van een functie in de zin van dit artikel (Kamerstukken II 1987/88, 19 908, nr. 14, p. 7) . Hetzelfde geldt voor artikel 5 AWGB dat, zo blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis, aansluit bij artikel 3 WGB (Kamerstukken II, 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 16).


3.5

Volgens verzoeker is er wel degelijk sprake van een gezagsverhouding tussen een bestuurslid en de stichting. Een bestuurslid heeft immers, aldus verzoeker, niet de volledige vrijheid om te handelen zoals hij wil. Een bestuurslid dient zich te houden aan een bepaalde werkwijze zoals neergelegd in de Statuten en heeft bepaalde verantwoordelijkheden en verplichtingen ten aanzien van de stichting. Voorts is sprake van een vast vergaderrooster waaraan een bestuurslid is gehouden.


3.6

Verweerster betwist dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen de stichting en het bestuur c.q. de individuele bestuursleden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij aangegeven dat een regeling rechtspositie ontbreekt, dat aan bestuursleden van verweerster geen opdrachten worden gegeven en geen werktijden zijn vastgesteld.


3.7

Voor de beoordeling zijn de volgende bepalingen uit de Statuten van verweerster van belang:

"Artikel 5, tweede lid: Het gemeenschappelijk orgaan openbaar onderwijs Gooi en Eemland houdt toezicht op de werkzaamheden van de stichting voor zover het openbare scholen betreft en is bevoegd in te grijpen bij ernstige taakverwaarlozing door het stichtingsbestuur voor zover het openbaar onderwijs betreft.

Artikel 5, derde lid: De stichting tot belangenbehartiging van het Montessori-onderwijs (SBMO) houdt toezicht op de werkzaamheden van de stichting voor zover het algemeen bijzonder Montessori onderwijs betreft en is bevoegd in te grijpen bij ernstige taakverwaarlozing door het stichtingsbestuur voor zover het algemeen bijzonder Montessori onderwijs betreft.

Artikel 8, eerste lid: Het bestuur kan een bestuurslid dat naar zijn oordeel in ernstige mate door handelen of nagelaten afbreuk doet aan het functioneren van het bestuur, voor maximaal vier maanden schorsen of ontslaan.

Artikel 8, tweede lid: Het bestuur kan overeenkomstig het voorgaande lid een bestuurslid schorsen of ontslaan mits daartoe besloten wordt met een tenminste tweederde meerderheid van stemmen."


3.8

Uit de Statuten van verweerster leidt de Commissie af dat een gezagsverhouding tussen de stichting in de bestuursleden ontbreekt. Weliswaar hebben de SBMO en het Gemeenschappelijk Orgaan Openbaar Onderwijs Gooi en Eemland de bevoegdheid om in te grijpen bij ernstige taakverwaarlozing en kan een bestuurslid geschorst of ontslagen worden door de overige bestuursleden. Dit is op zichzelf beschouwd onvoldoende om van een gezagsverhouding te spreken.


3.9

Op grond van bovenstaande komt de Commissie tot het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om in onderhavige geval te kunnen spreken van een betrekking in de zin van artikel 3 WGB en artikel 5 AWGB.

Dit betekent dat de Commissie onbevoegd is tot het geven van een oordeel.

4 Oordeel


De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat zij niet bevoegd is te beoordelen of de Stichting Basisonderwijs Gooi en Eemland jegens P. van Rietschouten verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht.


Aldus gegeven te Utrecht op 1 maart 2007 door mr. A.G. Castermans, voorzitter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Bonneur, secretaris.

Rechters

mr. A.G. Castermans

15 februari 2007 – Europese proefprocessen Gelijke Beloning

Europese proefprocessen Gelijke Beloning

15 februari 2007
Een Engelse vakorganisatie is van plan om een aantal zaken over gelijke beloning voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie. Dit om meer duidelijkheid te krijgen over de reikwijdte van het arrest Cadman van dit hof. In de zaak Cadman oordeelde het Europese Hof dat anciënniteit in beginsel voldoende rechtvaardiging oplevert voor een verschil in beloning
tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers, tenzij een werknemer gegevens verschaft op grond waarvan ernstig kan worden betwijfeld of toepassing van het criterium anciënniteit in het betrokken geval wel leidt tot een betere uitoefening van de werkzaamheden. De vakbond hoopt deze uitzondering op de hoofdregel van anciënniteit te kunnen gebruiken als een breekijzer om te komen tot een meer vrouwvriendelijk beloningssysteem. Het gebruik van anciënniteit als criterium voor berekening van het loon leidt namelijk vaak tot een lagere beloning van vrouwelijke werknemers in vergelijking tot
hun mannelijke collegae, omdat vrouwen vaker hun loopbaan onderbreken of op latere leeftijd (her)intreden.
Meer informatie

14 februari 2007 – Brief over zwangerschapsuitkering zelfstandigen naar Tweede Kamer

Brief over zwangerschapsuitkering zelfstandigen naar Tweede Kamer

14 februari 2007
Op 31 januari 2007 heeft de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann mede namens een aantal andere organisaties een brief en een notitie over de zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen gestuurd aan de Tweede Kamer, informateur Wijffels en minister de Geus. In de brief wordt aangedrongen op het spoedig indienen van een wetsvoorstel met een wettelijke regeling voor de zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen.
Brief en notitie zijn te vinden onder Commentaren VVR.

Instantie: Rechtbank Leiden, sector kanton, 7 februari 2007

Instantie

Rechtbank Leiden, sector kanton

Samenvatting

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op verzoek van de werkneemster (lerares). De arbeidsverhouding is verstoord geraakt door twee incidenten waarbij de directeur van de school de werkneemster heeft gezoend. Vervolgens hebben partijen dit uitgepraat en heeft de werkneemster aangegeven de directeur vergeven te hebben. Uiteindelijk is het echter toch niet meer goed gekomen met de arbeidsrelatie. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet aan de school is toe te rekenen. Weliswaar heeft de directeur niet correct gehandeld, gelet op zijn positie en de kennis die hij had van de psychische problemen van de werkneemster, maar de werkneemster heeft zelf de zaak weer aangekaart, terwijl deze eerder opgelost leek, en heeft de ouders van al haar leerlingen geïnformeerd. Ook heeft zij onredelijke eisen aan de school gesteld, zoals ontslag van de directeur en een forse schadevergoeding. Dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt, is daarom vooral aan haar toe te rekenen.

Volledige tekst

Feiten

De kantonrechter gaat op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van het volgende uit.
[verzoekster], thans 26 jaar, is in januari 2003 bij [verweerder] als leraar in dienst getreden tegen een salaris van laatstelijk € 1.458,29 bruto per maand (exclusief 8% vakantietoeslag).
Zij verrichtte haar werkzaamheden bij de onder [verweerder] ressorterende [school X.].
In de voorjaarsvakantie van 2004 heeft zich tot twee maal toe een incident voorgedaan tussen de directeur van de [school X.] (verder te noemen: de directeur) en [verzoekster], waarbij is gezoend. Naar aanleiding van deze incidenten heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de directeur, [verzoekster] en de echtgenoot van [verzoekster].
Op 27 oktober 2004 heeft [verzoekster] zich arbeidsongeschikt gemeld: aanvankelijk is zij in het kader van arbeidstherapie nog regelmatig op de [school X.] geweest.
Begin 2005 heeft [verzoekster] twee leden van het bestuur van [verweerder] verteld over het gebeuren tijdens de voorjaarsvakantie 2004 en daarbij verzocht om geheimhouding.
Het bestuur heeft vervolgens een vertrouwenspersoon aangesteld.
In juni 2005 hebben de echtgenoot en de vader van [verzoekster] een klacht ingediend bij de Klachtencommissie van [verweerder]. Deze klacht is niet-ontvankelijk verklaard omdat de klacht niet was ingediend door [verzoekster] zelf.
[verzoekster] heeft op 21 juli 2005 zelf een klacht ingediend tegen de directeur.
De Klachtencommissie heeft 6 september 2005 een schriftelijk advies gegeven en onder meer overwogen dat niet aannemelijk is dat sprake was van een aanranding of verkrachting, maar heeft wel overwogen dat de directeur zich onprofessioneel heeft gedragen en onvoldoende afstand heeft gehouden. De commissie heeft zich niet bevoegd geacht de door [verzoekster] gevorderde schadevergoeding te behandelen. Voorts heeft de commissie [verweerder] geadviseerd [verzoekster] op een door het bestuur aan te wijzen school te laten reïntegreren.
Bij brief van 12 september 2005 heeft [verzoekster] het bestuur van [verweerder] laten weten bezwaar aan te tekenen tegen de werkwijze, conclusies en aanbevelingen van de klachtencommissie en verzocht om uitvoering van de volgende 7 maatregelen (kort samengevat):
1. erkenning door [verweerder] dat de directeur tenminste ethische, morele en lichamelijke grenzen heeft overschreden,
2. aanmaning van de directeur tot oprechte schriftelijke spijtbetuiging,
3. aanwending van alle juridische middelen om de aanstelling van de directeur bij de [school X.] per 31-12-2005 te beëindigen,
4. rechtvaardiging van [verzoekster], door ouders en personeel op waarheidsgetrouwe wijze in te lichten aangaande de drie hiervoor genoemde maatregelen,
5. adequate vergoeding van behandeling van psychische gevolgschade,
6. regeling tot spoedige reïntegratie door onafhankelijke vertrouwenspersoon op een door [verzoekster] te kiezen school,
7. regeling tot professioneel psychologische uitleg aan de directeur in bijzijn van vertrouwenspersoon en andere geïnteresseerden over gevolgen van aanranding en manipulatie.
De directeur is door [verweerder] schriftelijk berispt voor zijn gedrag.
Op 27 september 2005 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en [verzoekster].
Bij brief van 20 oktober 2005 heeft [verweerder] [verzoekster] laten weten de zeven in de brief van 12 september 2005 genoemde eisen niet in te willigen.
Nadat [verzoekster] de directeur een email had gestuurd, is haar door [verweerder] verzocht geen contact meer op te nemen met de directeur, niet meer op de [school X.] te komen en in het vervolg alleen nog te communiceren over reïntegratie.
Bij brief van vier bladzijden dd 13 mei 2006 geeft [verzoekster] aan " collega’s en andere betrokkenen" (dit zijn de ouders van de leerlingen aan wie zij laatstelijk lesgaf) uitvoerig haar visie op het gebeuren in de voorjaarsvakantie van 2004 en alles wat daarna is gebeurd.
Naar aanleiding van deze brief heeft op 8 juni 2006 een bijeenkomst plaatsgevonden op de [school X.] waarbij bestuur en medezeggenschapsraad vragen hebben beantwoord van ouders.
Bij brief van 29 mei 2006 heeft de bedrijfsarts laten weten dat [verzoekster] in principe arbeidsgeschikt is, maar dat zij het werk niet kan hervatten bij de eigen werkgever en voorts wordt "reïntegratie tweede spoor middels hulp van Loyalis" geadviseerd. Bij brief van 23 juni 2006 heeft Loyalis [verweerder] een werkplan voor [verzoekster] doen toekomen.
Op 2 juli 2006 is de echtgenoot van [verzoekster] aan het privéadres van de secretaris van het bestuur geweest en heeft daar door de brievenbus geschreeuwd.
Mede naar aanleiding hiervan heeft [verweerder] [verzoekster] bij brief van 14 juli 2006 laten weten niet in te zien hoe aan het dienstverband verder nog invulling moet worden gegeven: [verzoekster] wordt verzocht ontslag te nemen en indien zij dat niet doet, zal [verweerder] een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter indienen.

Verzoek

[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens een verandering in de omstandigheden onder toekenning aan haar van een vergoeding.
[verzoekster] voert aan dat de arbeidsverhouding tussen partijen onherstelbaar is verstoord, hetgeen aan [verweerder] moet worden toegerekend en zij stelt daartoe het volgende.
Bij haar indiensttreding heeft [verzoekster] aan de directeur van de [school X.] gemeld dat zij tijdens haar jeugd veelvuldig was geplaagd, zij kwetsbaar was en een veilige werkomgeving nodig had en dat zij vanwege de gevolgen van het pesten nog steeds in therapie was.
Al kort na haar indiensttreding zocht de directeur van de [school X.] toenadering tot [verzoekster] hetgeen intensiveerde tot de voorjaarsvakantie van 2004. In deze vakantie heeft de directeur [verzoekster] tot twee maal toe tegen haar wil een tongzoen gegeven en onzedelijk betast. Ten gevolge van deze aanranding is [verzoekster] volledig ingestort.
Ook nadat zij haar werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis had hervat, bleef de directeur grensoverschrijdend gedrag vertonen. Toen het bestuur een vertrouwenspersoon had aangesteld, heeft een gesprek plaatsgevonden, maar reeds bij het tweede en derde gesprek was ook de directeur aanwezig, hetgeen het herstel van [verzoekster] niet bevorderde.
[verweerder] heeft vervolgens niet willen ingaan op de zeven maatregelen genoemd in de brief van 12 september 2005 en heeft niet willen meewerken aan reïntegratie volgens het werkplan van Loyalis.
[verzoekster] heeft geen enkel vertrouwen meer in het bestuur van [verweerder]: continuatie van het dienstverband is niet meer mogelijk.
In de periode voorafgaande aan de seksuele intimidatie is [verweerder] tekort geschoten in het voeren van een gericht en samenhangend beleid op het gebied van seksuele intimidatie.
Nadat [verweerder] bekend was geworden met de seksuele intimidatie heeft zij zich zeer passief opgesteld door uitsluitend een vertrouwenspersoon aan te stellen. [verweerder] had daadkrachtiger moeten zijn door bijv. de directeur te ontslaan dan wel op een andere school te werk te stellen. [verweerder] heeft [verzoekster] onvoldoende in bescherming genomen en de ernstige psychische schade die [verzoekster] heeft geleden c.q. zal lijden kan niet los worden gezien van de nonchalante wijze waarop [verweerder] met de kwestie is omgesprongen.
[verweerder] heeft steeds meer de zijde van de directeur gekozen en hem de hand boven het hoofd gehouden.
Voorts heeft [verweerder] niet voldaan aan haar verplichting om de reïntegratie van [verzoekster] zoveel mogelijk te bevorderen. Zo heeft zij [verzoekster] niet op een school buiten de onder [verweerder] ressorterende scholen laten reïntegreren, heeft zij [verzoekster] nimmer aangeboden elders passend werk te verrichten en reageert zij niet op brieven van de gemachtigde van [verzoekster].
Nu [verweerder] niet als een goed werkgever heeft gehandeld, behoort aan [verzoekster] een substantiële vergoeding te worden toegekend en [verzoekster] berekent deze als volgt:
€ 40.000,– ontbindingvergoeding
14.000,– reïntegratiekosten volgens plan Loyalis
€ 54.000,– bruto,
alsmede
€ 3.000,– smartengeld (materiële component)
15.000,– smartengeld (immateriële component)
€ 18.000,– netto.

Verweer

[verweerder] betwist dat zij tekort is geschoten in het voeren van een gericht en samenhangend beleid op het gebied van seksuele intimidatie en dat zij op welke wijze ook niet adequaat heeft gehandeld.
[verweerder] erkent wel dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig is verstoord en ook zij verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
Volgens [verweerder] is de verstoring echter aan [verzoekster] te wijten: [verzoekster] heeft de problematische verhouding zelf doen ontstaan en vervolgens de kwestie laten escaleren.
[verweerder] verwijt [verzoekster] met name het verzenden van de brief van 13 mei 2006, die ook door kinderen is gelezen en die voor grote onrust heeft gezorgd. Met het versturen van deze brief heeft [verzoekster] gehandeld in strijd met art. 7:611 BW en [verweerder] achtte zich daarna niet meer gehouden aan enige reïntegratieverplichting. De druppel voor [verweerder] was het bezoek van de echtgenoot van [verzoekster] aan de privéwoning van een bestuurslid.
[verweerder] ziet geen mogelijkheid tot voortzetting van het dienstverband.
Ten aanzien van de gevraagde vergoeding heeft [verweerder] aangevoerd dat [verzoekster] in het vierjarig dienstverband slechts anderhalf jaar heeft gewerkt. Ten onrechte worden alle persoonlijke problemen van [verzoekster] in verband gebracht met de periode dat [verzoekster] bij [verweerder] werkte. Niet is gebleken van enig causaal verband tussen de twee zoenen en het beleid van [verweerder] aangaande seksuele intimidatie.
Het verzoek om vergoeding van reïntegratiekosten is niet gebaseerd op de wet en bovendien heeft [verzoekster] niets gedaan om aan een andere baan te komen. De vordering tot betaling van € 18.000,– is niet onderbouwd en bovendien zou [verzoekster] die vordering bij de directeur moeten instellen.
[verweerder] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden zonder toekenning van enige vergoeding.

Beoordeling

Gesteld noch gebleken is dat het verzoek van [verweerder] te maken heeft met het bestaan van enig opzegverbod.

Uit hetgeen door partijen naar voren is gebracht, is genoegzaam gebleken dat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig is verstoord, dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is. Dit levert een gewichtige reden op, bestaande uit een verandering in de omstandigheden, die maakt dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op korte termijn behoort te eindigen.
De kantonrechter zal daarom de arbeidsovereenkomst per 15 februari 2007 ontbinden.

De aanleiding van de verstoring zijn de twee incidenten die zich in het voorjaar van 2004 hebben voorgedaan tussen [verzoekster] en de directeur. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de directeur hierbij incorrect gehandeld. Gelet op zijn positie en de kennis die hij had van de psychische problemen van [verzoekster], had hij zich verre van dergelijke intimiteiten behoren te houden. Het siert de directeur wel dat hij vervolgens het gesprek is aangegaan met [verzoekster] en haar echtgenoot. In het door [verzoekster] opgemaakte verslag (productie 5 bij het verzoekschrift) staat hierover: "[J.] is nog bij ons thuis geweest, wij hadden hem maar vergeven".
[verzoekster] had toen nog geen melding van de incidenten gemaakt aan [verweerder], geen aangifte van seksuele intimidatie gedaan bij de politie, en had de directeur dus vergeven.
Niet valt dan ook in te zien wat tot op dat moment [verweerder] valt te verwijten.
Volgens [verzoekster] ontbrak bij [verweerder] een gericht en samenhangend beleid op het gebied van seksuele intimidatie maar zij maakt op geen enkele wijze duidelijk hoe de incidenten daarmee hadden kunnen worden voorkomen.

Vervolgens heeft [verzoekster] bijna een jaar na het gebeuren [verweerder] laten weten wat er was gebeurd in het voorjaar van 2004. Zij heeft daarbij om geheimhouding verzocht en [verweerder] heeft door het inschakelen van een vertrouwenspersoon als een goed werkgever gehandeld.
Volgens [verzoekster] valt [verweerder] te verwijten dat bij het tweede gesprek al de directeur aanwezig was, maar vast staat dat op dat moment de reïntegratie was gericht op terugkeer van [verzoekster] naar de [school X.], waar de directeur werkzaam was. Het op gang brengen van communicatie tussen hen beiden was dus onontbeerlijk. Daar komt nog bij dat gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] toen direct heeft laten weten bezwaar te maken tegen de aanwezigheid van de directeur bij de gesprekken.

[verzoekster] heeft zich daarna tot de klachtencommissie gewend.
De klachtencommissie heeft zowel [verzoekster] als de directeur uitvoerig gehoord alvorens gemotiveerd uitspraak te doen op 6 september 2005.
[verzoekster] kon zich niet vinden in de conclusie van de klachtencommissie, hetgeen haar goed recht is, maar dit maakt niet dat [verweerder] haar daarin zonder meer zou moeten volgen.
Ook heeft [verzoekster] niet aannemelijk gemaakt dat de klachtencommissie (bestaande uit een dominee, een oud leerkracht en een advocaat) en slechts voor zover zij dit heeft bedoeld aan te voeren, partijdig zou zijn geweest.
De zeven maatregelen die [verzoekster] in haar brief van 12 september 2005 [verweerder] verzoekt uit te voeren, gaan geheel voorbij aan de conclusie van de klachtencommissie en zijn dan ook zacht gezegd als niet redelijk dan wel (zoals het verzoek om de aanstelling van de directeur bij de [school X.] te beëindigen) als onuitvoerbaar te betitelen.
Mede gelet op de conclusie van de klachtencommissie heeft [verweerder] dan ook in alle redelijkheid kunnen besluiten de verlangde maatregelen niet uit te voeren.

De bij brief van 29 mei 2006 door de bedrijfsarts voorgestelde reïntegratie tweede spoor is niet van de grond gekomen. Ook is [verweerder] niet ingegaan op het door Loyalis voorgestelde werkplan.
Dit houdt verband met de brief van [verzoekster] van 13 mei 2006.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] door het schrijven van deze brief aan -onder meer- de ouders van de kinderen van de klas waaraan zij het laatst les had gegeven, zichzelf in een onmogelijke positie gemanoeuvreerd.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] over deze brief verklaard dat zij de sterke behoefte had om haar lezing van de feiten voor het voetlicht van enkele betrokkenen te brengen omdat door toedoen van de directeur en [verweerder] een onjuiste lezing van de feiten bekend was gemaakt. [verzoekster] heeft echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat aan de ouders mededelingen zijn gedaan over de incidenten dan wel de klachtenprocedure daarna, laat staan onjuiste mededelingen. De consequenties van de wens van [verzoekster] om haar lezing te geven en kenbaar te maken aan ouders, dienen dan ook geheel voor haar rekening te komen.

[verzoekster] heeft met haar brief voor onnodige onrust gezorgd binnen de school. [verweerder] kon niet anders dan een bijeenkomst met de ouders organiseren om vragen te beantwoorden en haar visie te geven.
[verzoekster] heeft door haar brief de relatie tussen haar en [verweerder] zodanig onder druk gezet dat [verweerder] niet verweten kan worden niets meer te zien in reïntegratiepogingen, zoals daarna voorgesteld door bedrijfsarts en Loyalis.
De kantonrechter ziet dan ook hierin geen verwijtbaar handelen zijdens [verweerder], zoals door [verzoekster] wel is betoogd.

Gelet op al het voorgaande valt [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter geen verwijt te maken van de verstoorde verstandhouding. Op het moment dat [verweerder] werd geïnformeerd over de incidenten van het voorjaar van 2004, waren deze incidenten al uitgesproken met de directeur en had [verzoekster] -aldus haar eigen verklaring- hem al vergeven.
Maar ook als dit laatste niet zo zou zijn, heeft [verweerder] telkens gehandeld zoals van een goed werkgever mag worden verwacht. Dat dit handelen niet volgens de wensen van [verzoekster] was, maakt dit niet anders.
Uiteraard zijn de traumatische gebeurtenissen in de jeugd van [verzoekster] zeer triest voor haar en de kantonrechter wenst deze zeker niet te bagatelliseren. Maar zoals [verzoekster] zelf schrijft op 18 mei 2005: "er lag al een enorme fundering van ellende en hij (ktr: de directeur) was de druppel".
Al het verdriet en alle problemen die [verzoekster] ondervindt, kunnen in alle redelijkheid niet aan de directeur worden toegeschreven, laat staan -zoals hiervoor overwogen- aan [verweerder] worden verweten.

Concluderende ziet de kantonrechter geen aanleiding om [verzoekster] terzake de ontbinding een vergoeding toe te kennen, laat staan een schadevergoeding (materieel dan wel immaterieel) zoals gevorderd.
Nu [verzoekster] wel om toekenning van een vergoeding heeft verzocht, zal haar een termijn worden gegund om het verzoek in te trekken. Indien zij het verzoek intrekt, zal de arbeidsovereenkomst echter worden ontbonden op grond van het verzoek van [verweerder].

De kantonrechter zal – in geval van ontbinding – de proceskosten compenseren.
Indien [verzoekster] het ontbindingsverzoek intrekt, dient zij beschouwd te worden als de in het ongelijk gestelde partij en te worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van het verzoek van [verzoekster]:

– stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 15 februari 2007 te ontbinden wegens veranderingen in de omstandigheden;

– stelt [verzoekster] in de gelegenheid vóór 14 februari 2007 gebruik te maken van haar bevoegdheid het verzoek in te trekken;

– veroordeelt [verzoekster], in geval van intrekking van het ontbindingsverzoek, tot betaling van de proceskosten, tot op deze beslissing aan de zijde van [verweerder] begroot op € 400,– wegens gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

en, voor het geval dat [verzoekster] niet voor 14 februari 2007 tot intrekking van het ontbindingsverzoek zal overgaan:

– ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 15 februari 2007;

– compenseert de proceskosten zodanig, dat beide partijen de eigen kosten dragen;

ten aanzien van het verzoek van [verweerder] en slechts voor het geval [verzoekster] voor 14 februari 2007 haar verzoek heeft ingetrokken:

– ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 15 februari 2007;

– compenseert de proceskosten zodanig, dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G. Keizer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2007.

Rechters

mr. G. Keizer

5 februari 2007 – Teken petitie voor zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen

Teken petitie voor zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen

5 februari 2007

Het kabinet heeft geen uitvoering gegeven aan de op 31 oktober 2006 aangenomen motie Van Gent en Verburg, waarin de regering wordt verzocht om vóór 1 januari 2007 de Tweede Kamer een voorstel te doen voor een uitkering voor zwangerschapsverlof voor vrouwelijke zelfstandigen. FNV zelfstandige bondgenoten is daarom een handtekeningenactie begonnen. (De petitie is op 8 maart aangeboden aan minister Donner, en kan nu niet meer worden getekend)