Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 21 augustus 2006

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting

Verweerster is een ontwikkelaar van vastgoed. Verzoekster is werkneemster van verweerster. Tot 1 januari 2006 was zij verzekerd ingevolgde de Ziekenfondswet. Bij verweerster waren voor 1 januari 2006 zowel werknemers werkzaam met een salaris onder de loongrens van de Zfw als werknemers met een salaris boven de Zfw-loongrens. Met betrekking tot deze laatste groep kende verweerster tot 1 januari 2006 een regeling tegemoetkoming ziektekosten, waarover op individueel niveau afspraken waren gemaakt. Deze tegemoetkoming bedroeg 50% of 100% van de premiekosten voor een particuliere ziektekostenverzekering, afhankelijk van de individuele arbeidsovereenkomst. Met de invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 is het onderscheid tussen ziekenfonds- en particulier verzekerden komen te vervallen. Voor alle ingezetenen geldt sindsdien de verplichting een zorgverzekering aan te gaan met een zorgverzekeraar naar keuze.

Voor werknemers die tot 1 januari 2006 recht hadden op een tegemoetkoming in de ziektekosten, dat wil zeggen werknemers met een inkomen boven de toenmalige ziekenfondsgrens, heeft verweerster de tegemoetkoming ziektekosten gehandhaafd. Werknemers die voorheen verplicht waren verzekerd op grond van de Zfw ontvangen deze tegemoetkoming sindsdien niet. In geding is de vraag of verweerster onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door alleen een tegemoetkoming in de ziektekosten te verstrekken aan werknemers die voor 1 januari 2006 niet krachtens de Zfw waren verzekerd. De Commissie oordeelt dat verweerster hiermee indirect onderscheid op grond van geslacht maakt, waarvoor geen objectieve rechtvaardiging aanwezig is. Verweerster handelt dus in strijd met de wet.

Volledige tekst

 

1 Procesverloop

 

1.1

Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoekster de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht te beoordelen of verweerster, de werkgever van verzoekster, onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door alleen een tegemoetkoming in de ziektekosten te verstrekken aan werknemers die voor 1 januari 2006 niet krachtens de Ziekenfondswet waren verzekerd tegen ziektekosten. 1.2

Verzoekster heeft de Commissie desgevraagd aanvullende informatie toegestuurd.
1.3

Verweerster heeft schriftelijk verweer gevoerd, waarin verweerster de stellingen van verzoekster heeft betwist. De gronden, waarop het verweer rust, komen, voor zover relevant voor de beoordeling van het verzoek, in de rubriek ‘beoordeling’ aan de orde. 1.4

De Commissie heeft besloten de zaak vereenvoudigd af te doen.

2 Feiten

 

2.1

Tot 1 januari 2006 was verzoekster krachtens de Ziekenfondswet (Zfw) verplicht verzekerd tegen ziektekosten.

2.2

Verweerster is een ontwikkelaar van vastgoed. Bij verweerster waren voor 1 januari 2006 zowel werknemers werkzaam met een salaris onder de loongrens van de Zfw als werknemers met een salaris boven de Zfw-loongrens. Met betrekking tot deze laatste groep kende verweerster tot 1 januari 2006 een regeling tegemoetkoming ziektekosten, waarover op individueel niveau afspraken waren gemaakt. Deze tegemoetkoming bedroeg 50% of 100% van de premiekosten voor een particuliere ziektekostenverzekering, afhankelijk van de individuele arbeidsovereenkomst. 2.3

Met de invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 is het onderscheid tussen ziekenfonds- en particulier verzekerden komen te vervallen. Voor alle ingezetenen geldt sindsdien de verplichting een zorgverzekering aan te gaan met een zorgverzekeraar naar keuze. 2.4

Voor werknemers die tot 1 januari 2006 recht hadden op een tegemoetkoming in de ziektekosten, dat wil zeggen werknemers met een inkomen boven de toenmalige ziekenfondsgrens, heeft verweerster de tegemoetkoming ziektekosten gehandhaafd. Werknemers die voorheen verplicht waren verzekerd op grond van de Zfw ontvangen deze tegemoetkoming sindsdien niet. 2.5

Verweerster kent geen CAO, maar volgt in hoofdlijnen de in haar bedrijfstak gebruikelijke UTA-CAO.

 

3 Beoordeling van het verzoek

 

3.1

In geding is de vraag of verweerster onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door alleen een tegemoetkoming in de ziektekosten te verstrekken aan werknemers die voor 1 januari 2006 niet krachtens de Zfw waren verzekerd.

3.2

In artikel 7:646, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) is onder meer bepaald dat de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden. Onder onderscheid wordt verstaan direct en indirect onderscheid. Van direct onderscheid is sprake indien rechtstreeks wordt verwezen naar geslacht. Indirect onderscheid doet zich voor wanneer door een bepaald criterium of voorschrift met name personen van een bepaald geslacht worden getroffen.

3.3

Verzoekster stelt dat verweerster indirect onderscheid maakt op grond van geslacht. Volgens verzoekster benadeelt verweerster in overwegende mate vrouwen door alleen een tegemoetkoming in de ziektekosten te verstrekken aan werknemers die ook voor 1 januari 2006 particulier waren verzekerd. Zij wijst er op dat verweerster twaalf werknemers in dienst heeft: zeven vrouwen en vijf mannen. De groep werknemers die tot 1 januari 2006 een inkomen had boven de ziekenfondsgrens bestaat uit vijf mannen en een vrouw. De groep werknemers die tot 1 januari 2006 verplicht was verzekerd krachtens de Zfw, bestaat uit zes vrouwen. 3.4

Verweerster stelt twee werknemers meer in dienst te hebben dan verzoekster aanvoert, maar weerspreekt bovenstaande verdeling in de kern niet. 3.5

Voor wat betreft de salariëring van haar medewerkers wijst verweerster op de verschillen in opleidingsniveau, waarbij zij onderscheid maakt tussen medewerkers afhankelijk van opleidingsverschil. Verweerster maakt, zo stelt zij, onderscheid tussen werknemers met een hogere beroeps- of universitaire opleiding die kernactiviteiten verrichten (ontwikkelaars en coördinatoren) en werknemers met een lagere functie die ondersteunende activiteiten verrichten (personeel met secretariële en administratieve werkzaamheden). De eerste groep heeft een salaris boven de voormalige Zfw-loongrens en ontvangt een vergoeding voor de particulieren ziektekostenverzekering. De tweede groep heeft een salaris onder de voormalige Zfw-loongrens. 3.6

Deze loongrens valt, zo constateert de Commissie, evenwel niet samen met een verschil in opleiding en of functie. Zo is het salaris van de directiesecretaresse en het hoofd van de administratie volgens verweerster hoger dan de Zfw-loongrens. 3.7

Vóór 2006 waren werknemers ten gevolge van de loongrens in de Zfw verdeeld in twee groepen: zij die verplicht waren verzekerd krachtens de Zfw bij een ziekenfonds en zij die zich vrijwillig konden verzekeren tegen het risico op ziektekosten bij een particuliere ziektekostenverzekering. De werknemers die niet verplicht waren verzekerd krachtens de Zfw, moesten meer kosten maken om zich te verzekeren tegen ziektekosten dan zij die wel verplicht verzekerd waren op grond van de Zfw. De Commissie constateert dat verweerster door middel van een arbeidsvoorwaardelijke regeling, te weten het toekennen van een tegemoetkoming in de premiekosten voor een particuliere ziektekostenverzekering, heeft gepoogd deze ongelijke gevallen naar mate van ongelijkheid ongelijk te behandelen. 3.8

Aangezien het toekennen van deze tegemoetkoming rechtstreeks verband houdt met de hoogte van het salaris in combinatie met de Zfw-loongrens en niet rechtstreeks met de functie, de genoten opleiding of de functiewaarde, is niet gebleken dat het een functiespecifieke arbeidsvoorwaarde betreft. 3.9

De Commissie stelt vast dat het een collectieve arbeidsvoorwaarde betreft in de zin dat alle werknemers met een inkomen boven de loongrens hiervoor in aanmerking komen los van de aard van de functie. Het al dan niet overschrijden van de loongrens is mede afhankelijk van de omvang van het dienstverband, onafhankelijk van de functie of het opleidingsniveau. Immers, ook degenen met ondersteunende activiteiten kunnen hier aanspraak op maken als hun inkomen hoger is dan de Zfw-loongrens, in tegenstelling tot werknemers met kernactiviteiten die in deeltijd werken en zodoende een salaris hebben dat onder Zfw-loongrens blijft. 3.10

Verweerster heeft ook na 1 januari 2006, datum van invoering van de Zvw, de individuele afspraken rond tegemoetkomingen intact gelaten. Het betreft hier geen tijdelijke overgangsregeling, maar een regeling van onbepaalde duur. Dit brengt met zich dat werknemers met een relatief hoog salaris, voornamelijk mannen, een tegemoetkoming blijven ontvangen van verweerster in de kosten voor een ziektekostenverzekering, terwijl werknemers met een relatief laag salaris, allen vrouw, het zonder tegemoetkoming moeten stellen. 3.11

De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of er sprake is van benadeling van verzoekster in de zin van de wetgeving gelijke behandeling. 3.12

Verweerster stelt dat voormalig ziekenfondsverzekerden niet worden benadeeld, omdat zij er sinds 1 januari 2006 circa 5% in netto salaris op vooruit zijn gegaan, inclusief een structurele loonsverhoging van 1,6% bruto voor alle werknemers. Verweerster wijst er op dat voormalig vrijwillig verzekerden er maximaal 2% in netto salaris op vooruit zijn gegaan. Verzoekster spreekt de vooruitgang van 5% voor voormalig ziekenfondsverzekerden op zich niet tegen. De Commissie gaat er van uit dat zij er inderdaad 5% in netto salaris op vooruit is gegaan. 3.13

Er lijkt op voorhand geen sprake van een benadeling van voorheen ziekenfondsverzekerden, nu zij er netto circa 5% op vooruit gaan. Deze vooruitgang lijkt evenwel niet zo zeer het gevolg van salarismaatregelen van verweerster, maar is kennelijk door de wetgever zo beoogd. Verweerster heeft immers alle werknemers een bruto loonsverhoging van 1,6% toegekend. De vooruitgang van 5% netto is dan ook voornamelijk het effect van de invoering van de Zvw. 3.14

Daar komt bij dat voormalig vrijwillig verzekerden hoe dan ook een voordeel hebben, namelijk de collectieve arbeidsvoorwaarde bestaande uit de garantie van een tegemoetkoming ter hoogte van een bepaald percentage van de ziektekostenpremie. Zij houden deze garantie, ook bij een stijging van de premies voor zorgverzekeringen die eventuele positieve inkomenseffecten van de invoering van de Zvw te niet kunnen doen. Voormalig ziekenfondsverzekerden, zoals verzoekster, worden benadeeld doordat zij een dergelijke garantie niet hebben. 3.15

De Commissie begrijpt het verweer aldus dat volgens verweerster niet kan worden volstaan met de beoordeling van alleen de collectieve arbeidsvoorwaarde tegemoetkoming ziektekosten maar dat ook de inkomenseffecten van de invoering van de Zvw erbij moeten worden betrokken. Wat hiervan zij, het is in navolging van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG) vaste oordelenlijn van de Commissie dat de toepassing van het beginsel van gelijke beloning moet worden verzekerd ten aanzien van elk onderdeel van de beloning/arbeidsvoorwaarden en niet door de aan de werknemers toegekende voordelen in hun totaliteit te beoordelen. In het zogenaamde Barber-arrest heeft het Europese Hof van Justitie (HvJ EG) bepaald dat werkelijke doorzichtigheid, waardoor een doeltreffende controle op het beginsel van gelijke beloning mogelijk is, slechts is verzekerd wanneer het beginsel van gelijke beloning op elk onderdeel van de aan mannelijke en vrouwelijke werknemers toegekende beloning van toepassing is (HvJ EG 17 mei 1990, zaak C-262/88 (Barber),
Jur. 1990, p. I-1889, NJ 1992, 436, zie onder meer CGB 25 augustus 2005,
oordeel 2005-161en CGB 14 juni 2006, oordeel 2006-123 en Kamerstukken II 1995/96, 24 498, nr. 3, p. 15). 3.16

Nu elke arbeidsvoorwaarde apart moeten worden beoordeeld, levert het enkel toekennen door verweerster van een tegemoetkoming aan voormalig vrijwillig verzekerden indirect onderscheid op grond van geslacht op. De groep werknemers aan wie verweerster de tegemoetkoming toekent, wordt immers gekenmerkt door een oververtegenwoordiging van mannen. 3.17

Ingevolge de gelijkebehandelingswetgeving kan het maken van onderscheid onder omstandigheden zijn gerechtvaardigd. In dat geval dient de partij die mogelijk onderscheid heeft gemaakt feiten aan te dragen ter rechtvaardiging hiervan. Of in een concreet geval sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat ter bereiking van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in de zin van voldoende zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in een evenredige verhouding staat tot het doel. Pas als aan al deze voorwaarden is voldaan levert het onderscheid geen strijd op met de gelijkebehandelingswetgeving. 3.18

Hetgeen verweerster ter rechtvaardiging van het door haar gevoerde beleid naar voren heeft gebracht, is hierboven reeds behandeld (3.8 t/m 3.11). Behoudens deze gronden, die niet kunnen leiden tot een objectieve rechtvaardiging, heeft verweerster geen argumenten aangedragen die haar handelwijze zouden kunnen rechtvaardigen. Daaruit volgt dat verweerster in strijd heeft gehandeld met de gelijkebehandelingswetgeving. 3.19

De Commissie concludeert dat verweerster onderscheid maakt op grond van geslacht door alleen een tegemoetkoming in de ziektekosten te verstrekken aan werknemers die voor 1 januari 2006 niet krachtens de Zfw waren verzekerd.

 

4 Oordeel

 

4.1

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat Kantorenhuis N.V. onderscheid maakt op grond geslacht jegens G.H.M. Goertz-Kuijpers door alleen een tegemoetkoming in de ziektekosten te verstrekken aan werknemers die voor 1 januari 2006 niet krachtens de Ziekenfondswet waren verzekerd.

 

Aldus gegeven te Utrecht op 21 augustus 2006 door prof. mr. A.C. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, secretaris.

 

 

 

Rechters

Prof.mr. A.C. Hendriks

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 15 augustus 2006

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting

Verzoeksters zijn werkzaam bij verweerster, een ICT-bedrijf dat medewerkers inzet bij klanten en daarvoor facturen verstuurt. De medewerkers van verweerster werken voornamelijk op uurbasis op locatie van de klanten. Verzoekster 1 maakte op het moment dat zij een verzoek om een oordeel indiende gebruik van zwangerschapsverlof.
Verzoekster 2 heeft in 2005 gebruik gemaakt van zwangerschapsverlof en is voornemens dit tegen het einde van 2006 nogmaals te doen. Verweerster heeft op 1 juni 2005 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005 een regeling resultaatbonus ingevoerd. Verweerster keert verzoekster 1 gedurende haar zestien weken zwangerschaps- en bevallingsverlof geen maandelijkse bonus uit. Daarnaast ontvangt zij over 2006 geen eindejaarsuitkering , omdat zij vanwege haar afwezigheid niet kan voldoen aan de minimale productiviteitseis van 80%.

De Commissie oordeelt dat verweerster hiermee direct onderscheid op grond van geslacht maakt.

Volledige tekst

1 Procesverloop

 

1.1

Bij de voornoemde verzoekschriften hebben verzoeksters de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht te beoordelen of verweerster jegens hen onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de arbeid door hen in verband met hun zwangerschap een resultaatbonus te onthouden. 1.2

Verweerster heeft schriftelijk verweer gevoerd, waarin verweerster de stellingen van verzoeksters heeft betwist. De gronden waarop het verweer rust, komen voor zover relevant voor de beoordeling van het verzoek, in de rubriek 'beoordeling' aan de orde. 1.3

De Commissie heeft besloten de verzoeken vereenvoudigd te behandelen conform artikel 31, eerste lid, van het Besluit werkwijze Commissie gelijke behandeling. Dat wil zeggen dat geen zitting is gehouden en het oordeel is uitgesproken op basis van de door partijen overgelegde schriftelijke stukken.

 

2 Feiten

 

2.1

Verzoeksters zijn werkzaam bij verweerster, een ICT-bedrijf dat medewerkers inzet bij klanten en daarvoor facturen verstuurt. De medewerkers van verweerster werken voornamelijk op uurbasis op locatie van de klanten. Verweerster heeft 2500 medewerkers. 2.2

Verzoekster 1 maakte op het moment dat zij een verzoek om een oordeel indiende gebruik van zwangerschapsverlof.
Verzoekster 2 heeft in 2005 gebruik gemaakt van zwangerschapsverlof en is voornemens dit tegen het einde van 2006 nogmaals te doen. 2.3

Verweerster heeft op 1 juni 2005 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005 een regeling resultaatbonus ingevoerd. 2.4

De regeling resultaatbonus heeft als doel om de medewerker die extra bijdraagt aan de winst van verweerster daarvoor financieel te belonen. Dit wordt bereikt door de medewerker te stimuleren om zoveel mogelijk productieve uren te maken. Hoe hoger de productiviteit, des te hoger de bijdrage aan de winst, hoe hoger de extra beloning. De resultaatbonus is een variabele beloning opgebouwd uit twaalf maandelijkse inkomensafhankelijke maanduitkeringen. Daarnaast houdt de resultaatbonus een inkomensonafhankelijke eindejaarsuitkering in. Alvorens een medewerker in aanmerking komt voor een bonus moet een productiviteitsdrempel gehaald worden. Deze drempel is vastgesteld op 80% van de beschikbare uren per maand.

2.5

Verweerster meet de productiviteit van de medewerkers aan het aantal productieve uren. Dit zijn uren waarvoor een inzetorder bestaat. Inzetorders worden uitgegeven als een medewerker wordt aangewezen voor werkzaamheden ten behoeve van een betalende klant. Uren die zijn verantwoord in het kader van beschikbaarheid (zonder opdracht), ziekte, bijzonder verlof, reizen en opleiding tellen niet mee. Ook zwangerschap valt hieronder. Uren die in het kader van een vergoedingsregeling worden gecompenseerd – zoals betaald overwerk, ondernemingsraad of coachen in de avonduren – tellen niet mee voor de maanduitkering maar wel voor de eindejaarsuitkering. De hoogte van de eindejaarsuitkering is slechts afhankelijk van de verantwoorde uren.

 

2.6

De hoogte van de maandelijkse bonus is mede afhankelijk van de mate waarin de medewerker de laatste uren van een maand productief is (20% van de beschikbare uren in de maand), onafhankelijk van het totaal overeengekomen aantal uren. Bijvoorbeeld, in een maand met twintig werkdagen zijn de laatste 32 uur (20% van 160) van de overeengekomen uren bonusgerechtigd.

 

2.7

Verweerster stelt de eindejaarsuitkering vast, mede op grond van de mate waarin de jaarproductiviteitsdrempel wordt overstegen. De jaarproductiviteitsdrempel is de som van de maandelijkse productiviteitsdrempels.

 

2.8

Verweerster keert verzoekster 1 gedurende haar zestien weken zwangerschaps- en bevallingsverlof geen maandelijkse bonus uit. Daarnaast ontvangt zij over 2006 geen eindejaarsuitkering , omdat zij vanwege haar afwezigheid niet kan voldoen aan de minimale productiviteitseis van 80%.

 

2.9

De gemiddelde productiviteit voor verzoekster 1 was in 2005 34 uur ten opzichte van het gemiddelde maximum van 34 uur. Dit leidde tot een gemiddelde maandbonus van € 59,51 en een jaarbonus van € 1.080. In 2005 is verzoekster 1 niet met zwangerschapsverlof geweest.

 

2.10

De gemiddelde productiviteit van verzoekster 2 in 2005, buiten de vier maanden waarin haar zwangerschaps- en bevallingsverlof viel, was 23 uur ten opzichte van het maximum van 34 uur. Dit leidde tot een gemiddelde maandbonus van € 57,93. Viermaal kwam zij niet in aanmerking voor de maandbonus. Zonder zwangerschaps- en bevallingsverlof zou deze gemiddelde productiviteit over het gehele jaar hebben geleid tot een jaarbonus van € 627. Zij ontving echter nu geen jaarbonus vanwege het niet halen van de minimale productiviteitseis van 80%. Dit zal zich ook in 2006 voordoen indien zij opnieuw zwangerschapsverlof opneemt.

 

3 Beoordeling van het verzoek

 

3.1

Tussen partijen is in geschil of verweerster in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling door aan verzoeksters hun resultaatbonus te onthouden wanneer zij vanwege zwangerschapsverlof onvoldoende productieve uren maken.

 

3.2

Ingevolge artikel 7:646, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het een werkgever verboden om onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning. In artikel 7:646, vijfde lid, BW is bepaald dat in dit artikel onder onderscheid tussen mannen en vrouwen wordt verstaan direct en indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen. Onder direct onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. Direct onderscheid kan niet worden gerechtvaardigd, tenzij er sprake is van een van de uitzonderingen, genoemd in artikel 7:646, tweede tot en met vierde lid, BW. Deze uitzonderingen zijn hier niet van toepassing.

 

3.3

In artikel 141 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG) is bepaald dat onder beloning moet worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect aan de werknemer betaalt. Artikel 7:646 BW behoort te worden uitgelegd conform de bewoordingen en objectieve doelstellingen van het Europese recht, zoals onder andere neergelegd in artikel 141 EG, de EG-richtlijnen (in het bijzonder Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, PbEG 1992, L 348/ 1) en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zie o.a. HvJ EG 10 april 1984, zaak 14/83 (Von Colson & Kamann) Jur. 1984, p. 1891). Uit de jurisprudentie van het HvJ EG over de reikwijdte van het gelijkheidsbeginsel blijkt onder andere dat het hierbij gaat om alle voordelen die de werkgever verplicht of vrijwillig toekent (zie o.a. HvJ EG 17 mei 1990, zaak C-262/88 (Barber), Jur. 1990, p. I-1889).

 

3.4

De Regeling resultaatbonus dient, gezien het vorenoverwogene, te worden aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 7:646 BW.

 

3.5

De Commissie overweegt dat artikel 7:646 BW dient te worden uitgelegd in overeenstemming met de bewoordingen en objectieve doelstellingen van het Europese recht, zoals onder andere uiteengezet in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG). In de preambule van de hierbovengenoemde richtlijn nr. 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 is met nadruk gesteld dat bepalingen met betrekking tot zwangerschapsverlof geen nuttige werking zouden hebben indien zij niet gepaard gaan met de handhaving van de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst. Artikel 11 van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten door middel van wetgeving dienen te waarborgen dat werkneemsters de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst behouden tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof.

 

3.6

Nu afwezigheid tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof niet anders kan worden gezien als een direct en onlosmakelijk gevolg van zwangerschap, moet dit op één lijn worden gesteld met de zwangerschap zelf (CGB 23 mei 1995, oordeel 1995-15 en CGB 4 november 2003, oordeel 2003-133). Dit sluit aan bij artikel 7:646, vijfde lid, BW waarin onderscheid op grond van zwangerschap wordt gelijkgesteld aan direct onderscheid op grond van geslacht.


3.8

De Commissie merkt in dit verband allereerst op dat het criterium afwezigheid in zijn algemeenheid geen onderscheid op grond van de wetgeving gelijke behandeling hoeft op te leveren. Echter, door ook de afwezigheid vanwege zwangerschap en bevalling in de regeling op te nemen, maakt de regeling direct onderscheid op grond van geslacht. Immers, door de periode van afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof niet mee te rekenen bij de berekening van de resultaatbonus worden alleen vrouwen benadeeld terwijl arbeidsongeschiktheid, ouderschapsverlof, dan wel onbetaald verlof, mannelijke en vrouwelijke medewerkers gelijk kunnen treffen. Er wordt derhalve geen rekening gehouden met zwangerschap als eigensoortige seksegebonden omstandigheid, die met betrekking tot arbeidsvoorwaarden als de onderhavige niet op een lijn met ziekte en arbeidsongeschiktheid kan worden gesteld. Het is vaste jurisprudentie van het HvJ EG dat er sprake is van discriminatie op grond van geslacht in de zin van het EG-recht, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare gevallen of wanneer een zelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties. Deze laatste toets is met name van belang bij de beoordeling van de vraag of bepaalde onderdelen van een regeling al dan niet discriminatie op grond van geslacht opleveren, omdat daarin geen rekening wordt gehouden met zwangerschap als eigensoortige seksegebonden omstandigheid (zie ook CGB 26 april 2005, oordeel 2005-77). De stelling van verweerster dat zij slechts aanwezigheid beloont treft hiermee geen doel.

 

3.9

Verweerster maakt derhalve direct onderscheid op grond van geslacht door de periodes van zwangerschaps- en bevallingsverlof in mindering te brengen bij de berekening van de resultaatbonus. Nu de overige door verweerster aangedragen redenen voor dit onderscheid niet vallen onder de wettelijke uitzonderingen met betrekking tot dit verbod van onderscheid, luidt de conclusie dat verweerster in strijd met de wet heeft gehandeld.

 

4 Oordeel

 

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat ……(verweerster) jegens …..(verzoeksters):

 

verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht bij het uitvoeren van een resultaatbonusregeling die geen rekening houdt met de bijzondere omstandigheid van afwezigheid wegens zwangerschapsverlof.

 

Aldus gegeven te Utrecht op 15 augustus 2006 door mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. drs. J.W. Nieuwboer, secretaris.

 

 

Rechters

Mr. drs. P.H.A. van Geel

Instantie: Rechtbank Assen, 19 juli 2006

Instantie

Rechtbank Assen

Samenvatting

Volledige tekst

Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiser, geboren op , was sinds 1 juni 1999 gedurende 40 uur per week werkzaam als betonboorder. Daarnaast was eiser in het weekend werkzaam als portier, laatstelijk bij … Op 14 november 2003 heeft eiser zich voor de functie betonboorder in verband met rugklachten ziek gemeld.

Ten einde eisers rechten op een WAO-uitkering te kunnen beoordelen is eiser op 18 november 2004 gezien door verweerders verzekeringsarts … Zij stelde de diagnose: fibromyalgie en aspecifieke lage rugklachten. De verzekeringsarts achtte eiser beperkt voor veelvuldig bukken, zwaar tillen, langdurig lopen, staan en zitten en trillingsbelasting. De vastgestelde beperkingen zijn verwerkt in een zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (de FML), die onderdeel uitmaakt van het ClaimBeoordelings- en Borgingssysteem (het CBBS).

Blijkens de rapportage van 9 december 2004 acht verweerders arbeidsdeskundige … eiser ongeschikt voor het eigen werk van betonboorder. Wel wordt eiser door de arbeidsdeskundige, rekening houdend met het opleidingsniveau en de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, geschikt geacht voor een zevental in het CBBS voorkomende functies. Het inkomen dat eiser met het uitoefenen van deze functies kan verdienen, bedraagt € 13,71. Dit ligt 11% onder het inkomen van zijn vroegere beroep, dat is vastgesteld op € 15,25.

Bij besluit van 20 december 2004 heeft verweerder eiser per einde wachttijd (12 november 2004) een WAO-uitkering geweigerd omdat eiser minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Bij brief van 4 januari 2004 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft gesteld dat de lonen van de geduide functies, waarop de schatting is gebaseerd, geen realiteitswaarde hebben. Als beginneling op de arbeidsmarkt in dergelijke functies is het eenvoudigweg niet mogelijk het loon dat door de arbeidsdeskundige wordt genoemd, te verdienen.

Op 16 maart 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waar eiser zijn bezwaren nader heeft toegelicht. Eiser heeft hierbij verschillende door hem verzamelde loongegevens van een aantal functies overgelegd. Hierbij was ook de bezwaararbeidsdeskundige … aanwezig.

Naar aanleiding van het behandelde tijdens de hoorzitting heeft de bezwaararbeids-deskundige loongegevens opgevraagd, o.a. met betrekking tot eisers werkzaamzaamheden als portier.

In zijn rapportage van 26 mei 2005 is de bezwaararbeidskundige tot de conclusie gekomen dat uitgegaan dient te worden van een samengesteld maatmanuurloon van € 15,34, gelet op eisers functie als betonboorder met daarnaast een bijbaan als portier op de late zaterdagavond en -nacht (van ca. 23.00 tot 4.00 uur). Voorts heeft hij geconcludeerd dat een aantal van de geduide functies dient te vervallen, met name omdat eiser niet voldoet aan de opleidingseisen. Er resteren dan in de visie van de bezwaararbeidsdeskundige nog drie functies, te weten machinebediende voedingsmiddelenindustrie, surveillant bewakingsdienst en machinaal verspaner. Het inkomen dat eiser met deze functies zou kunnen verdienen, bedraagt € 13,02. Vergelijking van het maatmanloon met het resterend verdienvermogen leidt tot de conclusie dat er sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 17,9%.

Bij het thans bestreden besluit is eiser per 12 november 2004 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Standpunten partijen

Eiser heeft de realiteitswaarde betwist van de in het CBBS opgenomen aanvangssalarissen van de aan de schatting ten grondslag liggende functies. De basislonen behorend bij de geduide functies zijn, zo blijkt uit www. loonwijzer.nl, slechts € 9,84 resp. € 8,86 en € 7,18. Indien verweerder van deze lonen uit zou zijn gegaan, zou zijn mate van arbeidsongeschiktheid hoger worden vastgesteld.

Eiser acht de samenstelling van de door verweerder gehanteerde lonen niet inzichtelijk, waarbij komt dat in de geduide functies toeslagen worden meegenomen die niet alleen geen onderdeel uitmaken van het maatmanloon, maar die ook niet altijd reëel zijn omdat niet gegarandeerd is dat deze toeslagen ook worden betaald. Als voorbeeld van dit laatste wordt gewezen op de functie van telefonist/receptionist. Eiser wijst er op dat ook door verschillende UWV-medewerkers wordt erkend dat het CBBS-systeem niet deugdelijk is. Eiser neemt dan ook het standpunt in dat verweerder zijn bezwaren tegen de gehanteerde lonen onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd. Onder meer omdat verweerder de functie-enquêteformulieren niet in het geding heeft gebracht, is het bestreden besluit volgens eiser inzichtelijk noch verifieerbaar en daardoor voor eiser – en de rechtbank – niet toetsbaar.

Verweerder heeft gesteld dat het gaat om bestaande functies, die door de arbeidskundig analist bij een bepaalde werkgever zijn beoordeeld. Deze functies komen in alle regio’s in Nederland voor en zijn representatief. Bij de beloning van de functies in het CBBS wordt het aanvangsloon van een vakvolwassen werknemer – de werknemer op 23-jarige leeftijd – gehanteerd, die ten minste het minimumloon verdient en die voldoet aan de minimale functie-eisen zoals geformuleerd in de functiebeschrijving. Ingevolge het Schattingsbesluit zoals dat geldt sinds 1 oktober 2004 kan, ongeacht de vraag of de betrokkene voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid in een functie werkzaam was waarvoor hij een onregelmatigheidstoeslag ontving, arbeid worden geduid inclusief zo’n toeslag. Omdat eiser als nachtportier werkzaam was, zijn ook functies met nachtarbeid geduid. Dit ter verklaring voor het verschil tussen de door eiser gevonden loonwaarde en de lonen waarvan verweerder is uitgegaan.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser de juistheid van de gegevens van feitelijke aard in het CBBS onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 november 1998 (AB 1999, 66).

Beoordeling

Ingevolge artikel 18, eerste lid van de WAO is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

De rechtbank stelt vast dat het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 18 augustus 2004 (Stb. 2004, 434) van toepassing is (verder: Sb 2004).

De rechtbank dient in dit geschil de vraag te beantwoorden of verweerder eiser terecht per einde wachttijd een WAO-uitkering heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, waarbij slechts de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit in geding is.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser, voordat hij ziek werd, in een arbeidspatroon werkte waarin hij in verband met de reistijd in zijn functie van betonboorder regelmatig, afhankelijk van de plaats waar het werk verricht moest worden, lange dagen maakte. De ‘extra’ reistijd werd als overwerk beloond. Voorts was eiser werkzaam als nachtportier, gemiddeld 2,28 uur per week.

Eiser heeft de juistheid van de met betrekking tot de resterende verdiencapaciteit door verweerder gehanteerde lonen bestreden en hiertoe een aantal loongegevens overgelegd. In algemene zin heeft eiser aangegeven dat de selectie van in het CBBS opgenomen functies onjuist is.

Allereerst overweegt de rechtbank dat er, anders dan door eiser is betoogd, geen aanleiding is te komen tot het oordeel dat de selectie van de in het CBBS opgenomen functie onjuist is. De rechtbank gaat er bij haar oordeelsvorming verder van uit dat in het CBBS functies zijn opgenomen die, ook voor wat betreft de beloning, een voldoende afspiegeling vormen van functies op de arbeidsmarkt.

Voorts is van belang dat met het Sb 2004 het uitgangspunt is losgelaten dat er geen functies kunnen worden geduid waarbij op andere uren van de dag of de week gewerkt moet worden dan oorspronkelijk het geval was. Een uitzondering hierop is gemaakt voor nachtarbeid. Ingevolge artikel 9, aanhef en onder f, van het Sb 2004, wordt er geen nachtarbeid geduid indien dit ‘meer dan incidenteel tussen 0.00 uur en 6.00 uur’ plaatsvindt en nachtarbeid geen onderdeel uitmaakte van het oorspronkelijke arbeidspatroon.

Verweerder heeft gelet op het Sb 2004 en het arbeidspatroon van eiser, zowel arbeid in wisselende diensten als nachtarbeid aan eiser geduid. De rechtbank is hierover allereerst van oordeel dat het uitgangspunt van het Sb 2004 dat ook indien de belanghebbende voorheen geen onregelmatigheidstoeslag ontving, functies op andere uren van de dag of de week waarvoor een toeslag wordt betaald kunnen worden geduid, niet strijdig is met het bepaalde in artikel 18, eerste en achtste lid, van de WAO. Dit betekent dat arbeid in wisselende diensten, waarvoor een toeslag wordt betaald, aan eiser kon worden geduid.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen ook functies waarin ’s nachts dient te worden gewerkt, aan eiser worden geduid. De rechtbank overweegt hiertoe dat nachtarbeid een structureel onderdeel uitmaakte van eisers arbeidspatroon nu hij weliswaar gelet op de omvang van zijn totaal te werken uren, slechts een gering aantal uren ’s nachts werkte (2,28 van de 40,69), maar dit wel regelmatig deed.

Het voorgaande brengt mee dat aan eiser functies zijn geduid die, doordat er toeslagen voor wisselende diensten en nachtwerk worden betaald, een relatief hoge loonwaarde kennen. Verweerder heeft dit dan ook als belangrijkste verklaring gegeven voor het verschil tussen de door eiser gevonden lonen en de lonen waarvan verweerder uitgaat.

Voorts heeft verweerder ter zitting uiteengezet dat uit de arbeidsmogelijkhedenlijst, die onderdeel uitmaakt van het procesdossier, blijkt hoe het arbeidspatroon van de geduide functie is. Aangegeven wordt of er overdag, in het weekend, ’s avonds en/of ’s nachts moet worden gewerkt en of dit in wisselende diensten geschiedt. Gelet op het Sb 2004 en het arbeidspatroon van eiser voordat hij ziek werd, wordt het loon in de onderhavige procedure bepaald door medetelling van toeslagen voor nachtarbeid en onregelmatige diensten. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er in de CBBS-systematiek een reëel loon voor de geduide functies wordt gehanteerd omdat uitgegaan wordt van een, gelet op de betreffende cao-bepalingen, gemiddeld samengesteld uurloon. Dat er, zoals door eiser is betoogd onder verwijzing naar de – niet langer geduide – functie van telefonist/receptionist, functies met onregelmatigheidstoeslag zijn geduid, terwijl er helemaal niet onregelmatig gewerkt hoeft te worden, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit het procesdossier en is ook overigens door eiser onvoldoende onderbouwd.

Eiser heeft door hem gevonden loongegevens overgelegd die beduidend liggen onder de uurlonen van de door verweerder geduide functies. Deze zijn echter zodanig ongespecificeerd, met name blijkt niet dat er daarbij rekening is gehouden met onregelmatigheidstoeslagen en nachtarbeid, dat onvoldoende gedocumenteerd is bestreden dat verweerder van onjuiste gegevens is uitgegaan. Zoals uit het vooroverwogene al blijkt, is hierbij vooral van belang dat verweerder aan eiser functies met toeslagen heeft kunnen duiden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het vooroverwogene en onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 27 november 1998 (AB 1999, 66), voldoende deugdelijk gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt hoe de gehanteerde lonen zijn samengesteld en hoe het verschil met de door eiser gevonden lonen te verklaren is.

Voorts overweegt de rechtbank over de eerst ter zitting opgeworpen beroepsgrond dat er gelet op eisers rugklachten een overschrijding is voor de functie machinebediende op het aspect handelingstempo, dat er binnen het CBBS-systeem geen overschrijding is gesignaleerd en dat onvoldoende door eiser is onderbouwd en ook anderszins niet is gebleken dat desondanks de functie niet passend is voor hem.

Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat verweerder, conform het Sb 2004, de urenomvang van de maatman heeft gemaximeerd tot 38 uur. De rechtbank overweegt dat ook het toepassen van een reductiefactor 36/40,69 zoals zonder maximering van de urenomvang het geval zou zijn, niet leidt tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Aan de vraag of de maximering van de urenomvang van de maatman in overeenstemming valt te brengen met het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de WAO, dat uitgaat van het reële verlies aan verdiencapaciteit, komt de rechtbank op grond van vorenstaande derhalve niet toe.

Gelet op het voorgaan is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Aldus gegeven door mr. W.P. Claus, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. K. Wentholt (leden) en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

door mr. W.P. Claus, in tegenwoordigheid van H.J. Boerma, griffier.

Rechters

Mr. W.P. Claus, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. K. Wentholt

3 juli 2006 – Gesprek met VN rapporteur geweld tegen vrouwen

Gesprek met VN rapporteur geweld tegen vrouwen

3 juli 2006
Vandaag heeft Margreet de Boer als voorzitter van de Vereniging voor Vrouw en Recht deelgenomen aan een bijeenkomst die was belegd door mevrouw prof. Yakin Erturk, UN Special Rapporteur on Violence Against Women. Zij bezoekt momenteel Nederland.  Mevrouw Erturk riep de deelnemers aan het gesprek op om ook concrete zaken aan te dragen die kunnen illustreren wat de knelpunten zijn in de aanpak van geweld tegen vrouwen in Nederland. Binnen de vereniging zal de werkgroep seksueel en huiselijk geweld zaken verzamelen die aan de rapporteur kunnen worden voorgelegd.

26 juni 2006 – Vereniging feliciteert Cees Flinterman

Vereniging feliciteert Cees Flinterman

26 juni 2006

Cees Flinterman, hoogleraar Rechten van de Mens in Utrecht, is herkozen als lid van het CEDAW-Comité, het Comité dat toezicht houdt op de naleving van het VN-Vrouwenverdrag. De voorzitter van de Vereniging voor Vrouw en Recht heeft hem inmiddels met deze herverkiezing gefeliciteerd.

Zie voor meer informatie het persbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

22 juni 2006 – Vereniging onderschrijft schaduwrapportage VN-Vrouwenverdrag

Vereniging onderschrijft schaduwrapportage VN-Vrouwenverdrag

22 juni 2006

De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann is een van de ondertekenaars van het rapport ‘Taking Women’s Rights Seriously?, de NGO-schaduwrapportage bij de regeringsrapportage over de implementatie van het VN-Vrouwenverdrag in Nederland. De conclusie van de schaduwraportage is dat de Nederlandse overheid vrouwenrechten en het VN-vrouwenverdrag niet serieus neemt. De schaduwrapportage wordt eind juli aangeboden aan het CEDAW-Comité; dit comité bespreekt de rapportages in januari 2007 met de Nederlandse overheid.

U vindt de schaduwrapportage hier.

21 juni 2006 – Eerste Kamer verwerpt wetsvoorstel Luchtenveld

Eerste Kamer verwerpt wetsvoorstel Luchtenveld

21 juni 2006
Op 20 juni 2006 heeft de Eerste Kamer het voorstel van het kamerlid Luchtenveld voor verregaande wijzigingen van het familierecht verworpen. Zie ook de informatie op de pagina van de werkgroep personen en familierecht.

21 juni 2006 – Nieuwe site proefprocessenfonds

Nieuwe site proefprocessenfonds

21 juni 2006
Niet alleen de Vereniging voor Vrouw en Recht heeft een nieuwe website, ook de site van het proefprocessenfonds Clara Wichmann is geheel vernieuwd. Op de site is informatie te vinden voor aanvragers, voor donateurs en voor pers en publiek. Klik hier om naar de site te gaan. 

20 juni 2006 – Geen standaard verlenging stageperiode zwangere advocaten

Geen standaard verlenging stageperiode zwangere advocaten

20 juni 2006

Op 17 mei 2006 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een procedure tussen de landelijke Orde van Advocaten en de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam over verlenging van de stageperiode van een advocaat-stagiaire met de periode van haar zwangerschapsverlof. In eerste aanleg had de rechtbank al geoordeeld dat een dergelijke verlenging in strijd is met het gelijke behandelingsrecht. In hoger beroep stelde de Amsterdamse Orde nogmaals dat benutting door de advocaat-stagiaire van de volledige drie jaar noodzakelijk is om de brede kennis en ervaring op te doen die vereist is voor de uitoefening van het beroep van advocaat. De Raad van State verwerpt dit standpunt en oordeelt dat de Orde van Advocaten een stage alleen mag verlengen in geval in deeltijd is gewerkt (in evenredigheid met de verkorting van de arbeidsduur) of na een inhoudelijke toetsing of voldoende praktijkervaring is opgedaan. Dit oordeel is toe te juichen. Een automatische verlenging van een stageperiode met een periode van zwangerschapsverlof vormt evident een verboden vorm van discriminatie naar geslacht. Heeft een stagiaire na drie jaar – inclusief of exclusief zwangerschapsverlof – daadwerkelijk onvoldoende ervaring opgedaan, dan kan de Orde op die grond de stage verlengen. Dit zal dan niet alleen bij zwangerschapsverlof moeten gelden, maar ook bij andere perioden van langdurige afwezigheid.

 

 

(tekst Marlies Vegter, Kennedy van der Laan advocaten)

 

Uitspraak  

Instantie: EHRM, 20 juni 2006

Instantie

EHRM

Samenvatting

The applicant was from 1971 placed on the list of jurors in Malta and remained on the list until at least 2002. Between 1971 and 1997 he served as both a juror and foreman in three different sets of criminal proceedings. In 1997 he was called again to serve as a juror, but failed to appear and was fined approximately EUR 240. The applicant complained that he had been the victim of discrimination on the ground of sex, as the percentage of women requested to undertake jury service in Malta was negligible, and that he had been obliged to face criminal proceedings in relation to the imposition of a discriminatory civic obligation.  The Court observed that it was accepted by the applicant that the difference in treatment complained of did not depend on the wording of Maltese law in force at the relevant time, which made no distinction between sexes, both men and women being equally eligible for jury service. The discrimination at issue was on the contrary based on what the applicant described as a well-established practice, characterised by a number of factors, such as the manner in which the lists of jurors were compiled and the criteria for exemption from jury service. As a result, only a negligible percentage of women were called to serve as jurors. The Court reiterated that statistics were not by themselves sufficient to disclose a practice which could be classified as discriminatory. At the same time, the Court considered that discrimination potentially contrary to the Convention might result not only from a legislative measure, but also from a de facto situation. The Court noted that in 1997 – the year in which the applicant was called to serve as a juror and failed to attend the court’s meeting – the number of men (7,503) enrolled on the lists of jurors was three times the number of women (2,494). In the previous year that difference was even more significant, as only 147 women were placed on the lists of jurors, as opposed to 4,298 men. The Court was also struck by the fact that in 1996, five women and 174 men served as jurors. The Court considered that those figures showed that the civic obligation of jury service had been placed predominantly on men. Therefore, there had been a difference in treatment between two groups – men and women – which, with respect to jury service, were in a similar situation. The Court accepted that, since 1997 an administrative process had been set in motion in order to bring the number of women registered as jurors in line with that of men. As a result, in 2004, 6,344 women and 10,195 men were enrolled on the list of jurors. However, that did not undermine the finding that at the relevant time only a negligible percentage of women were enrolled on the lists of jurors and were actually requested to perform jury service. In the applicant’s case, the Maltese Government argued that the difference in treatment depended on a number of factors. Jurors were chosen from the part of the population which was active in the economy and in the professions. Moreover, according to Article 604 (3) of the CC, an exemption from jury service might be granted to those taking care of their family and more women than men could successfully rely on such a provision. Finally, “for reasons of cultural orientation”, defence lawyers might have had a tendency to challenge female jurors.The Court doubted whether the factors indicated by the Government were sufficient to explain the significant discrepancy in the repartition of jury service. It furthermore noted that the second and third factors related only to the number of females who actually performed jury service and did not explain the very low number of women enrolled on the lists of jurors. In any event, the factors highlighted by the Government only constituted explanations of the mechanisms which had led to the difference in treatment complained of. No valid argument had been put before the Court in order to provide a proper justification for it. In particular, it had not been shown that the difference in treatment pursued a legitimate aim and that there was a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised. The Court therefore found that there had been a violation of Article 14, read in conjunction with Article 4 § 3 (d).

Volledige tekst

Rechters