Anja Eleveld: Een zwangerschaps- en bevallingsuitkering in Europees perspectief, SMA 2006-6 p.258-267

Link naar PDF

31 mei 2006 – Congres “Het slachtofferschap voorbij”

Congres “Het slachtofferschap voorbij”

31 mei 2006

Op 5 oktober 2006 wordt in Utrecht de ledenvergadering met congres van de Vereniging voor Vrouw en Recht gehouden. Sprekers: Jolande Withuis – socioloog en publicist (o.a. Volkskrant, NRC, Opzij); Irene Asscher-Vonk – hoogleraar sociaal recht; en Renee Kool – universitair docent/onderzoeker strafrecht.

Het centrale thema is: "het slachtofferschap voorbij". Daarbinnen aandacht voor theoretische vraagstukken (zoals beschermen versus empoweren) en praktische informatie over de positie en mogelijkheden van slachtoffers binnen verschillende rechtsgebieden.

Meer informatie binnenkort op deze website.

24 mei 2006 – Nieuwe website

Nieuwe website

24 mei 2006
De VVR presenteert met trots haar nieuwe website. Na een periode van enkele maanden heeft de VVR haar website weten te verbeteren.

Instantie: EHRM, 23 mei 2006

Instantie

EHRM

Samenvatting

Grant, een man die een geslachtsverandering heeft ondergaan (van man naar vrouw), heeft in 1997 – op 60-jarige leeftijd – een pensioenaanvraag gedaan.  In de UK is de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen 60 jaar en voor mannen 65 jaar. De aanvraag  is geweigerd. In 2002, toen Grant 65 werd, is gestart met pensioenuitkering. Op grond van de Gender Recognition Act, die in werking trad op 1 juli 2004, heeft Grant in april 2005 een gender recognition certificate ontvangen. In 2002 vraagt Grant om heropening van haar zaak naar aanleiding van EHRM-oordelen Christine Goodwin v. the United Kingdom (zaak nr. 28975/95) en I. v. the United Kingdom (zaak nr.  25680/94). In deze zaken oordeelde het EHRM dat ‘the United Kingdom Government’s continuing failure to take effective steps to effect the legal recognition of the change of gender of post-operative transsexuals to be in breach of Article 8 of the Convention.’ Grant klaagt erover dat haar recht op privé/familieleven (art. 8 EVRM) is geschonden doordat haar nieuwe geslacht niet is erkend door de autoriteiten. Ook klaagt zij erover dat bij de (niet-) toekenning van pensioen het discriminatiebeginsel (artikel 14 EVRM) en het recht op eigendom (Protocol nr. 1 EVRM) is geschonden.Het Hof beoordeelt alleen artikel 8 EVRM. Over artikel 14 EVRM zegt zij het volgende: ‘The Court noted that, under domestic law as it stood at the relevant time, the applicant had no right to be paid a state pension at age 60 and, on the same basis, it might well be that no proprietary right arose capable of engaging Article 1 of Protocol No. 1 taken alone. The Court did not consider it necessary however to decide on that point.Assuming that issues relating to the eligibility for a state pension fell within the scope of Article 1 of Protocol No. 1 for the purposes of Article 14, the Court observed that any failure by the domestic authorities to accord the applicant her pension at the age applicable to women had to be regarded, at the time of the first refusal in 1997, as within the Government’s margin of appreciation. In so far as her pension was again refused after the Christine Goodwin judgment [oordeel m.b.t. artikel 8 EVRM], the Court recalled that the applicant had already made that complaint under Article 8. The Court considered that it was essentially an Article 8 matter and that no separate issue arose for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1 either taken alone or in conjunction with Article 14.’

Volledige tekst

Rechters

Instantie: HvJ EG, 18 mei 2006

Instantie

HvJ EG

Samenvatting

The AG concludes that:·         Where the use by an employer of the criterion of length of service as a determinant of pay has a disparate impact as between relevant female and male employees, Article 141 EC, together with Article 2(2) and Article 4 of Council Directive 97/80/EC of 15 December 1997 on the burden of proof in cases of discrimination based on sex, require the employer to demonstrate that the way in which the criterion is used as a pay determinant in respect of the post concerned takes into account the business needs of the undertaking and that the criterion is applied proportionately so as to minimise the disadvantageous impact it has on women. If the employer is unable to provide justification for the structure of the pay system, it will have to provide specific justification for the difference in pay levels as between the employee who has complained and other employees performing the same job. No distinction should be made between the use of the criterion of length of service in the case of part-time workers and the use of that criterion in the case of full-time workers.

Volledige tekst

Rechters

Conclusie AG Poiares Maduro,

Instantie: HvJEG, 18 mei 2006

Instantie

HvJEG

Samenvatting

The AG concludes that:·         Where the use by an employer of the criterion of length of service as a determinant of pay has a disparate impact as between relevant female and male employees, Article 141 EC, together with Article 2(2) and Article 4 of Council Directive 97/80/EC of 15 December 1997 on the burden of proof in cases of discrimination based on sex, require the employer to demonstrate that the way in which the criterion is used as a pay determinant in respect of the post concerned takes into account the business needs of the undertaking and that the criterion is applied proportionately so as to minimise the disadvantageous impact it has on women. If the employer is unable to provide justification for the structure of the pay system, it will have to provide specific justification for the difference in pay levels as between the employee who has complained and other employees performing the same job. No distinction should be made between the use of the criterion of length of service in the case of part-time workers and the use of that criterion in the case of full-time workers.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Raad van State, 17 mei 2006

Instantie

Raad van State

Samenvatting

Op 17 mei 2006 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een procedure tussen de landelijke Orde van Advocaten en de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam over verlenging van de stageperiode van een advocaat-stagiaire met de periode van haar zwangerschapsverlof. In eerste aanleg had de rechtbank al geoordeeld dat een dergelijke verlenging in strijd is met het gelijke behandelingsrecht. In hoger beroep stelde de Amsterdamse Orde nogmaals dat benutting door de advocaat-stagiaire van de volledige drie jaar noodzakelijk is om de brede kennis en ervaring op te doen die vereist is voor de uitoefening van het beroep van advocaat. De Raad van State verwerpt dit standpunt en oordeelt dat de Orde van Advocaten een stage alleen mag verlengen in geval in deeltijd is gewerkt (in evenredigheid met de verkorting van de arbeidsduur) of na een inhoudelijke toetsing of voldoende praktijkervaring is opgedaan.

Dit oordeel is toe te juichen. Een automatische verlenging van een stageperiode met een periode van zwangerschapsverlof vormt evident een verboden vorm van discriminatie naar geslacht. Heeft een stagiaire na drie jaar – inclusief of exclusief zwangerschapsverlof – onvoldoende ervaring opgedaan, dan kan de Orde op die grond de stage verlengen. Dit zal dan niet alleen bij zwangerschapsverlof moeten gelden, maar ook bij andere perioden van langdurige afwezigheid.

Marlies Vegter

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 17 mei 2006

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting

Volledige tekst

Op 6 augustus 2003 heeft het Uwv aan appellante bericht dat de haar ten behoeve van haar werkneemster [naam werkneemster] (betrokkene) over het tijdvak van 20 mei 2003 tot 4 juni 2003 betaalde bevallingsuitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) ten bedrage van € 842,93 van haar wordt teruggevorderd. Hiertegen heeft appellante op 20 augustus 2003 bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar heeft appellante op 20 november 2003 beroep ingesteld.

Bij het bestreden besluit van 26 januari 2004 heeft het Uwv het besluit van 6 augustus 2003 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het uitblijven van een besluit niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond verklaard, dat besluit is vernietigd en de rechtbank heeft over de vergoeding van griffierecht en proceskosten beslist. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de beslissing tot terugvordering vanwege het privaatrechtelijke karakter geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat had voor het Uwv aanleiding moeten vormen om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

De Raad overweegt het volgende.

Terecht heeft de rechtbank het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe overweegt de Raad dat hangende dat beroep het reële, thans bestreden besluit is bekend gemaakt. Dat reële besluit, gelezen in samenhang met de brief van 20 november 2003, vormt een volledige, inhoudelijke heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, waarmee niet is tegemoet gekomen aan het bezwaar. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt het beroep tegen het uitblijven van het besluit mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 26 januari 2004 en hiermee is het belang van appellante bij het oorspronkelijk ingestelde beroep vervallen.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beslissing in de brief van 6 augustus 2003 een publiekrechtelijk karakter draagt. Het Uwv verlangt immers van appellante de terugbetaling van een op grond van de Wazo toegekende uitkering. De toekenning van die uitkering heeft onmiskenbaar een publiekrechtelijk karakter. Gezien de samenhang van de bevallingsuitkering met de loondoorbetaling en mede in aanmerking genomen artikel 2 van het Ziekengeldreglement 1997 (Besluit van 18 juni 1997, Stcrt 137), kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat tussen appellante en het Uwv iedere door het bestuursrecht beheerste betrekking ontbreekt.

Dat betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Nu de rechtbank niet is toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van het beroep, vindt de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

Reeds thans overweegt de Raad het volgende.

De betaling van de hier van belang zijnde uitkering vindt haar grondslag in artikel 2 van het Ziekengeldreglement en is naar het oordeel van de Raad een betaling aan appellante en niet aan betrokkene. In deze doet zich mitsdien niet het geval voor waarop de uitspraak van de Raad van 22 september 1993, RSV 1994, 79, betrekking heeft en waarin de werkgever als bevoegde gevolmachtigde van de werknemer de betaling voor de werknemer in ontvangst neemt. Dat betrokkene in het aanvraagformulier heeft aangekruist tegen die betaling geen bezwaar te hebben, maakt dat niet anders.

De Raad stelt vast dat de werkgever niet kan worden begrepen onder degene op wie het ingevolge artikel 3:16, tweede lid, sub a, van de Wazo overeenkomstig van toepassing zijnde artikel 7:13, eerste lid, van de Wazo ziet. Dat staat evenwel niet aan de terugvordering van appellante in de weg, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt.

De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten in het hoger beroep, aan de zijde van appellante wegens de haar verleende rechtsbijstand begroot op € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Maastricht;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van het geding in hoger beroep ad € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 409,- vergoedt.

Rechters

mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter
mr. Ch. van Voorst
mr. R.C. Stam

Instantie: Rechtbank Utrecht, 3 mei 2006

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting

  In deze zaak komt de rechtbank tot de conclusie dat Movir met het stellen van de voorwaarde dat de zwangerschapsuitkering pas twee jaar na het sluiten van de verzekering kan worden uitgekeerd, geen onderscheid maakt op grond van geslacht ingevolge de AWGB. De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of de in artikel 3.5.1. van de voorwaarden opgenomen zinsnede “mits zij ten tijde van de vermoedelijke bevallingsdatum tenminste twee jaar aaneengesloten voor de L-verzekering is verzekerd” in strijd is met de AWGB op grond van het maken van verboden onderscheid naar geslacht en derhalve nietig is.

Eiseres stelt dat de betreffende voorwaarde in strijd is met de artikelen 1 en 7 lid 1 onder a van de AWGB en dat uit artikel 9 AWGB volgt dat deze nietig is hetgeen betekent dat recht bestaat op een zwangerschapsuitkering ingevolge de verzekeringsovereenkomst. Zij beroept zich daarbij op rechtspraak van de CGB en in het bijzonder op de zaken met nummer 1997-87 en 2004-44.Verder betwist zij dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen een uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid en een uitkering in verband met de bevalling en stelt zij dat haar arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Movir de geldelijke gevolgen dekt van eventuele arbeidsongeschiktheid waarbij tevens een uitkering is verzekerd ingeval van haar zwangerschap en bevalling. [eiseres] heeft verder gesteld dat Movir jegens vrouwelijke verzekerden een verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door een wachttijd van twee jaar te hanteren voor een zwangerschapsuitkering in de langlopende arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Movir heeft aangevoerd dat er geen sprake is van verboden onderscheid in de zin van de AWGB. Artikel 3.5.1. van de voorwaarden beoogt misbruik van de zwangerschapsuitkering, waarbij men zich voor een relatief korte periode rond de zwangerschap verzekert, te voorkomen. De zwangerschapsuitkering is een sommenuitkering en dient te worden onderscheiden van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zwangerschap is niet een situatie waarin zowel mannen als vrouwen kunnen verkeren. Het onderscheid waarin zwangere vrouwen als hier een voordeel toevalt, is op grond van artikel 2 lid 2 AWGB juncto artikel 1, onder b en i van het Besluit Gelijke behandeling toegestaan. De uitspraken van de CGB zijn volgens Movir niet inzichtelijk althans onjuist en hebben geen rechtskracht.

De rechtbank overweegt o.a. het volgende.
De in artikel 3.5.1. van de voorwaarden opgenomen voorwaarde voor de zwangerschapsuitkering, inhoudende dat de verzekerde ten tijde van de vermoedelijke bevallingsdatum ten minste twee jaar aaneengesloten voor de L-verzekering bij Movir is verzekerd, geldt niet voor de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis. De vraag is of deze voorwaarde voor het recht op een zwangerschapsuitkering leidt tot verboden onderscheid op grond van geslacht als bedoeld in de AWGB.
Voor de beoordeling van deze vraag is van belang of het recht op uitkering bij zwangerschap moet worden onderscheiden van het recht op uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Indien dit immers twee te onderscheiden producten zijn, zoals Movir heeft betoogd, zal de beoordeling of er verboden onderscheid wordt gemaakt op grond van geslacht, voor het recht op uitkering bij zwangerschap afzonderlijk dienen te worden beoordeeld.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 2.1 van de voorwaarden is bepaald dat uitsluitend sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor tenminste 25% beperkt is om de werkzaamheden te verrichten. In dat geval is er ingevolge het bepaalde in artikel 3.1. tot en met 3.4. van de voorwaarden recht op een uitkering.
Daarnaast volgt uit artikel 3.5.1. en 3.5.2. van de voorwaarden dat aan vrouwelijke verzekerden bij zwangerschap en bevalling gedurende ten hoogste zestien weken een uitkering wordt verstrekt indien de bevalling plaatsvindt na ten minste 32 weken zwangerschap. Deze zwangerschapsuitkering is opgenomen onder de titel: “extra dekking”.
Dit recht op uitkering ontstaat ongeacht of de verzekerde arbeidsongeschikt is in de zin van de polis. Artikel 3.5.6. bepaalt verder dat bij samenloop van de zwangerschapsuitkering en die wegens arbeidsongeschiktheid de zwangerschapsuitkering slechts en ten hoogste wordt uitgekeerd voor zover deze die wegens arbeidsongeschiktheid overtreft. Hieruit moet worden afgeleid dat de verzekerde – indien en voor zover er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis in verband met zwangerschap – aanspraak heeft op uitkering op grond van artikel 3.1. tot en met 4 van de voorwaarden.

Een en ander leidt tot de slotsom dat de uitkeringen van elkaar te onderscheiden uitkeringen zijn die getoetst worden aan eigen voorwaarden en die dekking bieden tegen risico’s van geheel verschillende aard. De beoordeling van de vraag of in strijd met de AWGB een verboden onderscheid op grond van geslacht wordt gemaakt, zal dan ook voor ieder van deze risico’s afzonderlijk moeten plaats vinden.

Gelet op het voorgaande spitst het debat zich toe tot de vraag of de in 3.5 van de voorwaarden van verzekering opgenomen extra dekking, die ziet op een uitkering in verband met zwangerschap zonder dat sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis, strijdig is met de artikelen 1 en 7 onder a van de AWBG. Bij de beoordeling hiervan is van belang dat het risico van zwangerschap zich louter bij vrouwen voordoet en de in de  voorwaarden als extra dekking geboden zwangerschapsuitkering derhalve uitsluitend aan vrouwen wordt aangeboden. De voorwaarde in artikel 3.5.1 dat de verzekerde voor het recht op deze uitkering ten tijde van de vermoedelijke bevallingsdatum ten minste twee jaar aaneengesloten voor de L-verzekering bij Movir verzekerd moet zijn kan alleen vrouwen treffen en voor zover er in genoemd artikel onderscheid tussen personen wordt gemaakt, is dit een onderscheid tussen vrouwen onderling. Binnen de op zichzelf staande dekking van dit risico wordt geen verboden onderscheid op grond van geslacht gemaakt. Nu Movir de zwangerschapsuitkering in de voorwaarden van verzekering aanbiedt als extra dekking, los van die bij arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis, is het stellen van specifieke voorwaarden hieraan gelet op het feit dat dit risico zich uitsluitend bij vrouwen voordoet geen verboden onderscheid op grond van geslacht.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op jurisprudentie van de CGB stelt de rechtbank voorop dat zij zich onafhankelijk hiervan een oordeel dient te vormen. Daarbij is in de genoemde uitspraken van de CGB geen sprake van dezelfde feiten en omstandigheden zodat het kan zijn dat de CGB in de door haar beoordeelde zaken mede daardoor tot een ander oordeel komt. Dit laatste geldt tevens ten aanzien van jurisprudentie van het HvJ EG, welke steeds tegen de achtergrond van een arbeidsrelatie tot stand is gekomen welke in dit geval ontbreekt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Movir met het stellen van de voorwaarde aan de zwangerschapsuitkering, dat eerst nadat de verzekering twee jaar loopt zal worden uitgekeerd, geen onderscheid maakt op grond van geslacht ingevolge de AWGB. Deze voorwaarde is derhalve niet nietig. Hetgeen partijen voor het overige hebben gesteld behoeft gelet op dit oordeel geen nadere bespreking

Volledige tekst

Rechters

Instantie: HvJEG, 27 april 2006

Instantie

HvJEG

Samenvatting

Deze zaak betreft de weigering om Richards, een transseksueel die operatief van het mannelijk naar vrouwelijk geslacht is overgegaan op de leeftijd van 60 jaar een ouderdomspensioen toe te kennen. In het Verenigd Koninkrijk bestaan verschillende pensioenleeftijden voor mannen (65 jaar) en vrouwen (60 jaar). Richards’ nieuwe, via operatieve weg verkregen, geslacht wordt niet wordt erkend voor de toepassing van de Engelse Pensions Act 1995.Het Hof beantwoord hier de prejudiciële vraag of artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 (gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid) zich verzet tegen een wetgeving die aan een persoon die van het mannelijk geslacht naar het vrouwelijk geslacht is overgegaan de toekenning van een ouderdomspensioen weigert op grond dat zij de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt, terwijl dezelfde persoon voor een dergelijk pensioen in aanmerking zou komen op de leeftijd van 60 jaar indien zij naar nationaal recht als vrouw werd beschouwd.Het Hof bepaalt dat de werkingssfeer van richtlijn 79/7 niet kan worden beperkt tot discriminaties verband houdend met het behoren tot het ene dan wel het andere geslacht. Gelet op haar doelstelling en op de aard van de rechten die zij beoogt te beschermen, dient deze richtlijn ook toepassing te vinden bij discriminaties die berusten op de geslachtsverandering van de betrokkene. Anders dan vrouwen wier geslacht niet het resultaat is van een operatieve geslachtsverandering en die op de leeftijd van 60 jaar in aanmerking komen voor een ouderdomspensioen, kan Richards één van de voorwaarden voor toekenning van dit pensioen niet vervullen, in casu die betreffende de pensioengerechtigde leeftijd. Nu de ongelijke behandeling waarvan Richards het slachtoffer is, het gevolg is van haar geslachtsverandering, moet zij worden beschouwd als een ingevolge artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 verboden discriminatie.Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat een nationale wetgeving die, doordat zij het nieuwe geslacht van een transseksueel niet erkent, deze laatste verhindert om te voldoen aan een voorwaarde voor de toekenning van een door het gemeenschapsrecht beschermd recht, in beginsel onverenigbaar is met de vereisten van gemeenschapsrecht.Het Hof concludeert dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 in die zin moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wetgeving die aan een persoon die overeenkomstig de in het nationale recht gestelde voorwaarden van het mannelijk naar het vrouwelijk geslacht is overgegaan de toekenning van een ouderdomspensioen weigert op grond dat zij de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt, terwijl dezelfde persoon voor een dergelijk pensioen in aanmerking zou zijn gekomen op de leeftijd van 60 jaar indien zij naar nationaal recht als vrouw was beschouwd.

Volledige tekst

Rechters