Instantie: EHRM, 12 april 2006

Instantie

EHRM

Samenvatting

The applicants, all United Kingdom nationals, complain about sex-based differences in eligibility for reduced earnings allowance (REA) and retirement allowance (RA), which are earnings-related benefits payable to employed or formerly employed people who have suffered an impairment of earning capacity from a work-related injury or disease.Before 1986 there was a continued right to REA after retirement, which was payable concurrently with the State pension. From 1986 a succession of legislative measures attempted to remove or reduce the REA being received by claimants no longer of working age, by imposing cut-off or limiting conditions at 65 for men and 60 for women. These are the ages used by the statutory old-age pension scheme.

Differential pensionable ages were first introduced for men and women in the UK in 1940. In order to bring male and female pensionable age into line with each other, the Pensions Act 1995 provides for the pensionable age of women born between 6 April 1950 and 5 April 1955 to increase progressively. With effect from 2010, the pensionable age of men and women in the United Kingdom will begin to equalise, and by 2020 both sexes will attain pensionable age at 65.

The applicants complained that they suffered sex discrimination as a result of changes to the REA scheme linking it to State pensionable age. They all relied on Article 1 of Protocol No. 1 (protection of property) to the Convention, combined with Article 14 (prohibition of discrimination).The Court considered that both the United Kingdom Government’s policy decision to stop paying REA to those who would otherwise have retired from paid employment, and the decision to achieve that aim by linking the cut-off age for REA to the notional “end of working life”, or State pensionable age, pursued a legitimate aim and were reasonably and objectively justified.It remained to be examined whether or not the underlying difference in treatment between men women in the State pension scheme was acceptable under Article 14. The Court found that the difference in State pensionable age between men (65) and women (60) in the United Kingdom was originally intended to correct the disadvantaged economic position of women. It continued to be reasonably and objectively justified on that ground until such time that social and economic changes removed the need for special treatment for women. Due to the Court, the United Kingdom Government’s decisions as to the precise timing and means of putting right the inequality were not manifestly unreasonable. Similarly, the decision to link eligibility for REA to the pension system was reasonably and objectively justified, given that the benefit was intended to compensate for reduced earning capacity during a person’s working life. There had not, therefore, been a violation of Article 14 taken in conjunction with Article 1 of Protocol No. 1.Judge Borrego-Borrego expressed a concurring opinion and Judge Loucaides expressed a dissenting opinion which are annexed to the judgment.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Rechtbank Zwolle, sector kanton, 1 maart 2006

Instantie

Rechtbank Zwolle, sector kanton

Samenvatting

Werknemer heeft een door werkgever ingehuurde schoonmaakster een seksueel gericht voorstel gedaan. De schoonmaakster heeft aangegeven hierop niet in te willen en gaan en heeft hierover een klacht bij werkgever ingediend.  Binnen de onderneming van werkgeefster vigeren de “Beleidsverklaring inzake sexuele intimidatie” en de “Norms of Conduct”. Deze bevatten, kort gezegd, voorschriften ter voorkoming van sexueel ongewenste omgangsvormen.

Partijen hebben met elkaar over het voorval gesproken. Aan het begin van het gesprek is werknemer een op schrift gestelde waarschuwing overhandigd (tevens houdende een aantal financiële sancties). Aan het einde van het gesprek is werknemer meegedeeld dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Werkgeefster is in het licht van de vigerende beleidsverklaring van mening dat zij dit gedrag van werknemers niet hoeft te accepteren. Het verzoek om ontbinding arbeidsovereenkomst wegens vertrouwensbreuk na seksuele intimidatie is door de kantonrechter afgewezen, omdat vertrouwensbreuk in de gegeven omstandigheden niet onherstelbaar hoeft te zijn.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 1 maart 2006

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting

Het ABP past een korting toe op het nabestaandenpensioen op grond van artikel 7 lid 2 van het Pensioenreglement vanwege de omstandigheid dat het leeftijdsverschil tussen [echtgenoot] en [geïntimeerde] meer dan 10 jaar bedraagt én betrokkenen nog geen vijf jaar waren gehuwd op het moment van het overlijden van [echtgenoot]. [geïntimeerde] kan zich met die laatste korting niet verenigen [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat het ABP door toepassing van artikel 7.2. lid 5 van het Pensioenreglement jegens haar in strijd handelt met het wettelijk verbod op het maken van onderscheid op grond van geslacht, zoals is neergelegd in artikel 7:646 BW en artikel 12a en volgende van de Wet gelijke Behandeling van mannen en vrouwen, omdat deze korting vooral voor vrouwen een nadelig effect heeft. Volgens het Hof maakt de regeling onderscheid naar geslacht dat niet objectief gerechtvaardigd is omdat de regeling naar zijn aard en inrichting ongeschikt is om het gestelde tweeledige doel te kunnen bereiken.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2006

Instantie

Gerechtshof Den Haag

Samenvatting

Een werkneemster is op 1 juni 1992 als consulent emancipatiezaken in dienst getreden van SRS. Op het dienstverband is de CAO Welzijn van toepassing. Werkneemster bereikte op 1 januari 1997 het maximum van schaal 40 van de salarisregeling CMT. De werkneemster heeft zich op 29 september 1999 tot de Commissie Gelijke Behandeling (verder de CGB) gewend met de vraag of SRS jegens haar onderscheid maakte op grond van ras of nationaliteit. Later is het verzoek aangevuld met de vraag of onderscheid is gemaakt op grond van geslacht. De CGB heeft vastgesteld dat sprake was van ongelijke beloning in de zin van de WGB, omdat de beloningsmaatstaven niet eenduidig waren toegepast. Het oordeel van de CGB is overgenomen door de rechtbank. In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank bevestigd. Het Hof heeft voorts de door verzoekster ten behoeve van bij de CGB gevoerde procedure gemaakte kosten als buitengerechtelijke kosten aangemerkt en toegewezen.

Volledige tekst

Het geding

Bij exploot van 30 januari 2004 is SRS in hoger beroep gekomen van het vonnis van 5 november 2003, door de rechtbank te ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ‘s-Gravenhage gewezen tussen partijen.

Bij memorie van grieven heeft SRS twee grieven tegen het vonnis aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft Werkneemster de grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de processtukken gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank onder 1.1 tot en met 1.12 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden.

2. Het gaat om het volgende.

2.1 Werkneemster is op 1 juni 1992 als consulent emancipatiezaken in dienst getreden van SRS. Op het dienstverband is de CAO Welzijn van toepassing. Werkneemster bereikte op 1 januari 1997 het maximum van schaal 40 van de salarisregeling CMT.

2.2 Werkneemster heeft zich op 29 september 1999 tot de Commissie Gelijke Behandeling (verder de CGB) gewend met de vraag of SRS jegens haar onderscheid maakte op grond van ras of nationaliteit. Later is het verzoek aangevuld met de vraag of onderscheid is gemaakt op grond van geslacht.

2.3 In het oordeel d.d. 5 november 2002 van de CGB is onder meer het volgende overwogen :
"5.14 De functie van verzoekster is van gelijke waarde als die van verzoekers 1, 2 en 3. Dit is niet betwist door verweerster noch is anderszins gebleken dat de functie van verzoekster en die van haar mannelijke collega’s niet van (nagenoeg) gelijke waarde is.
…
Ten aanzien van de bovenfunctionele beloning
5.22 Wat betreft het verschil in beloning tussen verzoekster en verzoeker 1, (hof: met verzoeker 1 is bedoeld Collega Z) heeft verweerster naar voren gebracht dat de situatie van verzoeker 1 verschilt van die van verzoekster. Verweerster heeft aangevoerd dat de bovenfunctionele beloning van verzoeker 1 gelegen is in het feit dat verweerster deze verzoeker, als gevolg van zijn aandringen, een persoonlijke salarisverhoging heeft gegeven en dat de salarisverhoging moet worden gezien als een gunst van de zijde van verweerster, maar die ieder moment kan worden afgebouwd.
5.23 Vaststaat dat de functionele schaal voor de betreffende functie loopt van volgnummer 28 tot en met 40 en dat de inschaling van verzoeker 1 daar bovenuit gaat. Het is vaste jurisprudentie van de Commissie dat in het kader van het toepassen van gelijkwaardige beloningsmaatstaven het toepassen van de bij de functie behorende beloningsmaatstaven uitgangspunt dienen te zijn (zie bijv. CGB 30 juli 1996, oordeel 1996-70). De inschaling van de verzoeker 1 valt derhalve buiten de salarissystematiek van verweerster zelf. De Commissie overweegt dat verweerster in dit geval niet op overtuigende wijze heeft betoogd dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, die noopt tot het toekennen van een bovenfunctioneel salaris. Het honoreren van een langdurig aandringen van verzoeker 1, kan naar het oordeel van de Commissie niet als een voldoende uitzonderlijke of prangende verklaring worden geaccepteerd. Wanneer een dergelijke redenering zou worden gevolgd, wordt het handhaven van de gelijke behandelingswetgeving uitgehold. Het feit dat verzoeker 1 afkomstig was uit de eerstelijns organisatie en vroeger andere salarisvooruitzichten heeft gekend, kan naar het oordeel van de Commissie om vergelijkbare redenen niet worden geaccepteerd als afdoende verweer.
5.24 De Commissie heeft eerder overwogen dat het in beginsel toelaatbaar moet worden geacht met persoonlijke omstandigheden rekening te houden door bijvoorbeeld het toekennen van een tijdelijke persoonlijke toeslag. Het feit dat verweerster heeft aangegeven dat de beloningsmaatstaf ieder moment kan worden afgebouwd, is naar het oordeel van de Commissie onvoldoende zwaarwegend, nu is gebleken dat de beloningsmaatstaf voor verzoeker 1 feitelijk sedert 1994 ongewijzigd wordt voortgezet, zonder dat sprake is van een afbouw of wijziging van de voorwaarden. Onder die omstandigheden is het toekennen van de beloningsmaatstaf gaan functioneren als een verworven recht, dat in casu leidt tot onderscheid op grond van geslacht.
5.25 Op grond van het voorgaande komt de Commissie tot de conclusie dat verweerster er niet in is geslaagd te bewijzen geen onderscheid op grond van geslacht te hebben gemaakt."

2.4 Vanaf 1 januari 1996 of 1 januari 1995 ontvangt Collega Z salaris overeenkomstig volgnummer 46.

2.5 Werkneemster vordert onder meer loon behorend bij volgnummer 46 van de CAO Welzijn over de periode van 1 september 1997 tot 1 juni 2003, vermeerderd met wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft dit deel van de vordering van Werkneemster toegewezen. Hiertegen is SRS in hoger beroep gekomen.

3. Grief 1 luidt:
"Ten onrechte heeft de Kantonrechter SRS veroordeeld: om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen, voorzover nog niet betaald, het loon behorend bij volgnummer 46 van de CAO Welzijn vanaf 1 september 1997 tot 1 juni 2003 vermeerderd met 10% van het netto equivalent van dat loon terzake van wettelijke verhoging en vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf het moment dat de betreffende termijn opeisbaar is geworden en telkens tot het moment van voldoening."

4.1 Het oordeel van de rechtbank komt op het volgende neer. De functie van Werkneemster is van gelijke waarde als die van Collega Z. Collega Z geniet een bovenfunctionele beloning. In dit geval heeft SRS niet op overtuigende wijze betoogd dat sprake is van een uitzonderlijke situatie die noopt tot het toekennen van een bovenfunctioneel salaris. Werkneemster heeft op grond van het bepaalde in art. 7:646 BW en art. 7 Wet Gelijke Behandeling van Mannen Vrouw recht op hetzelfde loon als een werknemer van de andere kunne voor arbeid van nagenoeg gelijke waarde pleegt te ontvangen. Daarom heeft Werkneemster over de periode van 1 september 1997 tot 1 juni 2003 recht op hetzelfde loon als Collega Z.

4.2 Naar het oordeel van het hof is hetgeen SRS in grief 1 en ter toelichting op grief 1 aangevoerd, onvoldoende om dit oordeel van de rechtbank te ontkrachten. Daarom faalt grief 1.

4.3 Naar aanleiding van hetgeen SRS in de toelichting op grief 1 heeft aangevoerd, overweegt het hof het volgende. SRS heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat de welzijnssector niet een homogene sector is, maar bestaat uit meerdere, in een aantal gevallen nogal uiteenlopende branches/sectoren. Verder heeft SRS aangevoerd, dat de sector Welzijnswerk van oudsher een nauwe relatie met de (decentrale) overheid kent en in het verleden verschillende branches op diverse uiteenlopende wijzen door de (rijks)overheid werden gefinancierd, waardoor er verschillen in salarisregelingen zijn ontstaan. Volgens SRS is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat SRS niet vrij is om bij toepassing van de salarisregeling buiten de subsidieregeling om individuele werknemers het door hen gewenste salaris toe te kennen.

4.4 Naar het oordeel van het hof heeft SRS echter niet concreet onderbouwd waarom deze omstandigheden voor de beoordeling van het onderhavige geschil relevant zijn. Ook heeft SRS niet concreet onderbouwd dat een verschil in salaris tussen Collega Z en Werkneemster gerechtvaardigd zou zijn.

4.5 SRS heeft gesteld dat de werknemer met schaal 46, Collega Z, een achterliggende historie heeft die teruggaat tot de oprichting van SRS in 1982. SRS heeft echter niet onderbouwd waarom deze historie een verschil in beloning tussen Werkneemster en Collega Z zou rechtvaardigen.

4.6 SRS verwijt de rechtbank dat zij zonder nadere motivering de overweging alsook het oordeel van de CGB heeft overgenomen, zonder rekening te houden met de specifieke omstandigheden en feiten die ten grondslag hebben gelegen aan het onderhavig geschil door ongemotiveerd voorbij te gaan aan hetgeen SRS in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. SRS heeft daarbij verwezen naar hetgeen zij in eerste aanleg onder 5.1 van de conclusie van antwoord heeft gesteld ten aanzien van de bovenfunctionele beloning.

4.7 Hieromtrent overweegt het hof dat SRS in 5.1 van haar conclusie van antwoord in eerste aanleg weliswaar stelt dat het enkele feit dat incidenteel sprake zou zijn van werkzaamheden van gelijke aard, geen toereikend criterium is, maar dat SRS op geen enkele wijze onderbouwt dat tussen Werkneemster en Collega Z slechts incidenteel sprake zou zijn van werkzaamheden van gelijke aard, terwijl dat wel van SRS had mogen worden verwacht, nu de CGB in 5.14 van haar advies tot de conclusie is gekomen dat de functie van Werkneemster van gelijke waarde is als die van onder meer Collega Z. Verder heeft SRS in 5.1 van haar conclusie van antwoord op geen enkele wijze onderbouwd dat er een rechtvaardiging is voor een verschil in beloning tussen Werkneemster en Collega Z.

4.8 SRS stelt dat het ten enenmale onjuist is geweest dat de CGB al de door SRS aangedragen argumenten heeft verworpen door voorbij te gaan aan het feit dat de vergelijking tussen één werknemer die vanaf 1982 in dienst is van SRS, van toepassing te verklaren op Werkneemster, die in juni 1992 in dienst is getreden van SRS. SRS acht het wrang te moeten constateren dat de CGB ten aanzien van drie mannelijke collega’s, die dezelfde klacht hadden ingediend, geoordeeld heeft dat er geen noodzaak aanwezig is het onderzoek ter plaatse in verband met de ongelijke behandeling op grond van ras en nationaliteit te heroverwegen. Volgens SRS had de rechtbank dan ook de feiten en omstandigheden zelfstandig dienen te onderzoeken, zoals deze waren aangegeven in de conclusie van antwoord, respectievelijk conclusie van dupliek, en niet zonder nader onderzoek de overwegingen en conclusies van de CGB mogen overnemen. SRS verwijt de rechtbank ten onrechte geen rekening te hebben gehouden met de omstandigheid dat Werkneemster tegenover haar mannelijke collega’s, waarmee ze ten strijde is getrokken tegen SRS, hun vordering hebben zien stranden bij de CGB, terwijl ten aanzien van Werkneemster is overwogen dat er jegens haar onderscheid is gemaakt op grond van geslacht bij de beloning.

4.9 Hieromtrent overweegt het hof dat SRS onvoldoende heeft onderbouwd waarom het verschil zou maken dat Collega Z in 1982 in dienst is getreden van SRS en Werkneemster in 1992. Verder heeft SRS onvoldoende onderbouwd dat de situatie van de andere mannelijke collega’s wezenlijk anders zou zijn dan die van Collega Z.

4.10 Verder verwijt SRS de rechtbank dat zij geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat Werkneemster, vanaf haar indiensttreding, nimmer enige indicatie heeft gegeven dat zij met betrekking tot haar salariëring zou zijn gediscrimineerd, terwijl zij in hetgeen door haar naar voren is gebracht bij de CGB vanaf haar indiensttreding redenen hiertoe zou hebben gehad. SRS voert aan dat Werkneemster vòòr de gang naar de CGB nimmer een daad heeft gesteld, waaruit zou moeten blijken dat zij zich gediscrimineerd voelt ten opzichte van de hoogst gesalarieerde mannelijke collega, die reeds ten tijde van de indiensttreding van Werkneemster een hoger salaris genoot.

4.11 Hieromtrent overweegt het hof, dat het feit dat Werkneemster niet eerder geklaagd heeft over discriminatie naar geslacht, geen reden is om haar vordering niet toe te wijzen.

4.12 Verder stelt SRS dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan hetgeen SRS heeft gesteld onder 5.2 in de vierde alinea van de conclusie van antwoord alsook in de conclusie van dupliek onder punt 4 en 5. Volgens SRS had de rechtbank inzichtelijk dienen te maken op grond waarvan Werkneemster zich als vrouw gediscrimineerd heeft gevoeld bij SRS, doch om de haar moverende redenen bij de opvolgende werkgever akkoord is gegaan met een inschaling van 40 in plaats van 46, terwijl aldaar mannelijke collega’s in schaal 46 zijn gewaardeerd. SRS is van oordeel, dat door vrijwillige acceptatie bij de opvolgende werkgever van hetgeen zij bij SRS als discriminatoir heeft ervaren, te accepteren, haar vordering dient te worden afgewezen.

4.13 Hieromtrent overweegt het hof, dat SRS weliswaar stelt dat Werkneemster bij een opvolgende werkgever vrijwillig akkoord is gegaan met inschaling in schaal 40, terwijl aldaar mannelijke collega’s in schaal 46 zijn gewaardeerd, maar SRS stelt niet dat haar functie bij de opvolgende werkgever (nagenoeg) van gelijke waarde is als die van de mannelijke collega’s in schaal 46. Uit de stellingen van SRS volgt dan ook niet, dat er bij de opvolgende werkgever van Werkneemster sprake is van discriminatie naar geslacht. Overigens is de situatie bij de opvolgende werkgever van Werkneemster niet van belang voor beoordeling van de onderhavige zaak.

5.1 Grief 2 luidt:
"De Rechtbank heeft ten onrechte SRS veroordeeld om aan Werkneemster buitengerechtelijke kosten te betalen een bedrag van € 500,–."

5.2 Ter toelichting op de grief verwijst zij naar hetgeen is gesteld in punt 6 van de conclusie van dupliek, waarin nadrukkelijk is gesteld dat de procedure bij de CGB niet als buitengerechtelijke kosten voor dit geding beschouwd dienen te worden. Volgens SRS zijn deze kosten niet gemaakt ter verkrijgen van voldoening buiten rechte en/of ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Volgens haar kunnen de kosten zodoende slechts betrekking hebben op verrichtingen ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak.

5.3 Naar het oordeel van het hof kunnen de kosten die zijn gemaakt voor de procedure voor de CGB, worden beschouwd als kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid. Het hof acht het toegewezen bedrag van € 500,- redelijk. Grief 2 faalt.

6. Nu de grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal SRS als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage van 5 november 2003;

veroordeelt SRS in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Werkneemster begroot op € 1.399,-, waarvan € 241,- aan verschotten en € 1.158,- aan salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H. de Wild, A.A. Schuering en C.G. Beyer-Lazonder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2006 in aanwezigheid van de griffier.

Rechters

mrs. A.H. de Wild, A.A. Schuering en C.G. Beyer-Lazonder

Instantie: HvJEG, 16 februari 2006

Instantie

HvJEG

Samenvatting

Verzoekster was als tijdelijk functionaris tewerkgesteld bij verweerder, die een vergelijkend examen voor de aanwerving van personeel in vaste dienst organiseerde. Verzoekster slaagde voor dit examen en werd bij op 20 december 2002 bekendgemaakt besluit aangesteld als administratief assistent. Hetzelfde besluit wees haar een post toe die zij binnen een termijn van één maand diende te bezetten. verzoekster, die toen met zwangerschapsverlof was, heeft onmiddellijk verlenging van die termijn tot het einde van haar zwangerschapsverlof aangevraagd met het verzoek, de duur van haar zwangerschapsverlof mee te tellen voor de berekening van haar diensttijd. Verweerder willigde  het verzoek om verlenging van de termijn in, zonder echter de vraag van de berekening van de diensttijd ter sprake te brengen. Het Hof oordeelt dat richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, zich tegen een nationale wetgeving verzet die aan een vrouwelijke werknemer die met zwangerschapsverlof is voor wat betreft de toegangsvoorwaarden voor de loopbaan van ambtenaar niet dezelfde rechten toekent als die welke zijn toegekend aan andere geslaagden voor hetzelfde vergelijkende aanwervingsexamen, door de indiensttreding te verschuiven naar de datum waarop dit verlof eindigt zonder voor de berekening van de diensttijd van deze werknemer rekening te houden met de duur van dit verlof.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: HvJEG, 13 januari 2006

Instantie

HvJEG

Samenvatting

Mayer werkte in de deelstaat Rheinland-Pfalz (Duitsland) in overheidsdienst en was bij VBL verplicht verzekerd. Van 16 december 1992 tot en met 5 april 1993 en van 17 januari tot en met 22 april 1994 was zij met wettelijk zwangerschapsverlof. De aan een verzekerde in de situatie zoals die van Mayer uit te keren pensioenrente komt volgens het VBL-reglement overeen met een bepaald percentage van het loonbedrag dat als berekeningsgrondslag voor de premieheffing in de aanvullende pensioenregeling dient en waarover bijdragen zijn betaald. Krachtens dit reglement betaalt de werkgever maandelijks een bijdrage overeenkomend met een bepaald percentage van het loon dat als berekeningsgrondslag dient voor de premieheffing in de aanvullende pensioenregeling (het belastbare loon). Tijdens haar zwangerschapsverlof  heeft Mayer, die een particuliere ziektekostenverzekering had, een moederschapsuitkering ontvangen en van de werkgever de toeslag daarop ten belope van het verschil tussen de uitkering van de Staat en haar laatste nettoloon. Deze uitkering van de werkgever is vrijgesteld van belasting. Mayer heeft tijdens haar zwangerschapsverlof dus geen loon dat voor de premieheffing in de aanvullende pensioenregeling wordt meegerekend ontvangen waarvoor haar werkgever een maandelijkse bijdrage moest betalen. Dientengevolge heeft VBL bij de berekening van Mayers pensioenrente geen rekening gehouden met de uitkeringen die zij tijdens haar zwangerschapsverlof van haar werkgever heeft ontvangen.Mayer heeft verzocht om de tijdvakken van haar zwangerschapsverlof voor de berekening van de rechten op een pensioenrente die zij binnen de aanvullende pensioenregeling van VBL heeft opgebouwd, mee te rekenen.Volgens artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, zijn in strijd met het beginsel van gelijke behandeling de bepalingen die direct of indirect van het geslacht uitgaan om het behoud of de verwerving van rechten te onderbreken gedurende de wettelijke of krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten voorgeschreven en door de werkgever uitbetaalde perioden van moederschapsverlof of van verlof om gezinsredenen.Het Hof stelt vast dat het zwangerschapsverlof van Mayer gedeeltelijk door haar werkgever is uitbetaald. En oordeelt dat artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, zich verzet tegen een nationale regeling zoals die van § 29, lid 7, van het VBL-reglement, waarvan de toepassing de verwerving van rechten op een pensioenrente gedurende het wettelijke zwangerschapsverlof onderbreekt, door daaraan de voorwaarde te verbinden dat de werkneemster gedurende zulk verlof belastbaar loon ontvangt.Artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale voorschriften krachtens welke een werkneemster gedurende haar wettelijke zwangerschapsverlof dat gedeeltelijk door de werkgever wordt uitbetaald, geen rechten verwerft op een pensioenrente die deel uitmaakt van een aanvullende pensioenregeling, omdat aan de verwerving van deze rechten de voorwaarde is verbonden dat de werkneemster gedurende het zwangerschapsverlof belastbaar loon ontvangt.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: HvJEG, 15 december 2005

Instantie

HvJEG

Samenvatting

Verzoekster heeft een geslachtsverandering (man->vrouw) ondergaan. De Engels wet schrijft voor dat de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen 65 jaar is en die voor vrouwen 60 jaar. Verzoekster klaagt erover dat haar pensioengerechtigde leeftijd op 65 jaar is vastgesteld en niet op 60 jaar.  De zaak heeft betrekking op de grond geslacht (en niet leeftijd…). De AG overweegt dat ‘the correct comparator in the present case concerning a male-to-female transsexual person is a female person whose identity is not the result of gender reassignment surgery’(overweging 45). Op grond daarvan is de AG van mening dat een lidstaat in strijd handelt met artikel 4(1) van richtlijn 1979/7/EEG indien zij een pensioen weigert aan een transseksueel die een man naar vrouw geslachtsverandering heeft ondergaan voordat deze persoon 65 jaar wordt , indien deze persoon recht zou hebben op een pensioen op de leeftijd van 60 jaar indien zij bij nationale wet zou zijn aangemerkt als vrouw. Volgens de AG is artikel 7(1)(a) van de richtlijn, dat bepaalt dat lidstaten de bevoegdheid hebben om de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms – en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten, niet relevant.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Voorzieningenrechter rechtbank ‘s-Gravenhage, 8 december 2005

Instantie

Voorzieningenrechter rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting

Partijen hebben op 8 september 2005 een arbeidsovereenkomst getekend voor de periode van 15 september 2005 tot en met 14 september 2006, met daarin opgenomen een proeftijd van één maand. De werkneemster is aangesteld als personeelsfunctionaris. In een gesprek op 4 oktober 2005 heeft de werkneemster desgevraagd aan het Hoofd P&O laten weten zwanger te zijn. Bij

e-mail van 5 oktober 2005 heeft de werkgever de werkneemster op de hoogte gesteld van een 'adviseursoverleg' op 11 oktober 2005. Op 11 oktober 2005 had de werkneemster met toestemming van de werkgever een vrije dag. Tijdens een gesprek op diezelfde dag heeft de werkgever de werkneemster laten weten dat het dienstverband met onmiddellijke ingang werd beëindigd. Dit ontslag is schriftelijk bevestigd, waarbij als reden is opgegeven dat de werkneemster er tijdens de proeftijd onvoldoende blijk van heeft gegeven op haar eigen gedrag te kunnen reflecteren. De werkneemster heeft de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen, stellende dat het vanwege haar zwangerschap is gegeven, en heeft in kort geding doorbetaling van loon en tewerkstelling gevorderd.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de werkneemster voldoende feiten aangevoerd die het vermoeden kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een proeftijdontslag wegens zwangerschap. Daarom moet beoordeeld worden of de werkgever er voorshands in is geslaagd om het tegendeel voldoende aannemelijk te maken. De rechter oordeelt dat dit niet het geval is. Niet is gebleken dat de bezwaren die de werkgever nu tegen de werkneemster naar voren brengt op enigerlei wijze met haar zijn besproken vóórdat sprake was van ontslag. Voor zover de werkgever stelt dat de werkneemster niet vrij had mogen vragen op 11 oktober 2005, omdat ze wist dat toen een belangrijk overleg was, is van belang dat het in dat geval op de weg van de werkgever had gelegen om de verlofaanvraag van de werkneemster af te wijzen. Aannemelijk is derhalve dat er tussen de zwangerschap en het proeftijdontslag een zodanig rechtstreeks verband bestaat dat sprake is van ongelijke behandeling in de zin van artikel 7:646 BW. De loonvordering van de werkneemster is daarom toewijsbaar. De vordering tot tewerkstelling zal echter niet worden toegewezen gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen en het gebrek aan draagvlak voor terugkeer van de werkneemster in het kleine team waarin zij werkzaam was.

 

Volledige tekst

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 29 november 2005 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Begin augustus 2005 heeft eiseres bij gedaagde, een jeugdhulporganisatie in de regio Haaglanden, gesolliciteerd naar de functie van personeelsfunctionaris.

1.2. De vacatureomschrijving ter zake van voornoemde functie luidt onder meer:

''Je hebt een goed urgentiegevoel, beschikt over uitstekende adviesvaardigheden en je bent pragmatisch van aard. Je sluit aan bij de wens van de klant en de realiteit van het moment en overziet daarbij de gevolgen van de praktische oplossingen die je biedt.''

1.3. Eiseres is door gedaagde aangenomen. Partijen hebben op 8 september 2005 een arbeidsovereenkomst getekend voor bepaalde tijd met ingang van 15 september 2005 en eindigend op 14 september 2006, zulks met een proeftijd van een maand.

1.4. Bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst werd bemiddeld door L. Venekamp, intermediair voor P&O'ers bij Bosman & Vos.

1.5. In een gesprek op 4 oktober 2004 heeft eiseres H. Bakker, hoofd P&O van gedaagde, desgevraagd bevestigd zwanger te zijn.

1.6. Bij e-mail van 5 oktober 2005 heeft H. Bakker eiseres op de hoogte gesteld van de planning van een ''adviseursoverleg'' op 11 oktober 2005.

1.7. Op 11 oktober 2005 had eiseres met toestemming van H. Bakker een vrije dag.

1.8. Op 11 oktober 2005 heeft op verzoek van H. Bakker een gesprek plaatsgevonden met eiseres. In dat gesprek is aangegeven dat het dienstverband van eiseres met onmiddellijke ingang zou worden beëindigd.

1.9. Bij brief van 14 oktober 2005 heeft C. Fuchs, directeur van gedaagde, het ontslag aan eiseres schriftelijk bevestigd. De brief luidt onder meer: ''De reden voor deze beëindiging is dat u tijdens de proeftijd onvoldoende blijk hebt gegeven in staat te zijn om op eigen gedrag te kunnen reflecteren. In samenhang daarmee hebben wij onvoldoende vertrouwen in uw functioneren als personeelsfunctionaris en dat wij voor een langere periode goed met u kunnen samenwerken.''

1.10. Bij brief van 25 oktober 2005 heeft de advocaat van eiseres onder meer aan gedaagde bericht: ''Als reden is gewezen op de beweerdelijke omstandigheid dat cliënte onvoldoende blijk zou hebben gegeven 'in staat te zijn om op eigen gedrag te kunnen reflecteren'. Nog daargelaten dat de aangevoerde reden sowieso onbegrijpelijk is, geldt dat er geen twijfel over kan bestaan dat de Stichting Jeugdformaat de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen vanwege de zwangerschap van cliënte. Gelet daarop is sprake van een onterecht proeftijdontslag. Meer in het bijzonder heeft de Stichting Jeugdformaat in strijd gehandeld met goed werkgeversschap en misbruik van bevoegdheid gemaakt nu de beëindiging berust op discriminatie. Hieruit vloeit voort dat het proeftijdontslag nietig althans vernietigbaar is, zodat de arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan en de Stichting Jeugdformaat verplicht is het loon (cum annexis) door te betalen – aangezien cliënte bereid is de bedongen arbeid te verrichten.''

1.11. Gedaagde is voorts in deze brief gesommeerd binnen vijf dagen schriftelijk te bevestigen dat de arbeidsovereenkomst met eiseres voortduurt en dat gedaagde haar daaruit voortvloeiende verplichtingen onverkort zal nakomen, inclusief de wettelijke verhoging en wettelijke rente over het restant-salaris over de maand oktober 2005.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde op straffe van een dwangsom te bevelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis eiseres toe te laten tot haar bedongen werkzaamheden met bijbehorende werkzaamheden en bevoegdheden. Daarnaast vordert eiseres gedaagde te bevelen haar bedongen salaris, vermeerderd met 8% vakantiegeld en de gebruikelijke emolumenten, door te betalen en wel vanaf 11 oktober 2005, zolang de arbeidsovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze is geëindigd.

Voorts vordert eiseres gedaagde te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over voornoemd salaris c.a., en dat geheel vermeerderd met wettelijke rente.

Daartoe voert eiseres het volgende aan.

Eiseres is tijdens haar proeftijd wegens zwangerschap ontslagen. De opzegging door gedaagde is ontoelaatbaar, primair op grond van artikel 7:646 BW (gelijke behandeling), subsidiair op grond van artikel 7:611 BW (goed werkgeversschap). Eiseres komt financieel in het nauw, omdat zij sinds 11 oktober 2005 geen salaris meer heeft ontvangen en niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiseres stelt dat het proeftijdontslag is ingegeven door haar zwangerschap en derhalve ontoelaatbaar is. Gedaagde voert daartegen aan dat de exacte grondslag van de ingeroepen nietigheid c.q. vernietigbaarheid van het proeftijdontslag niet duidelijk wordt uit de brief van 25 oktober 2005 van de advocaat van eiseres en dat deze ook niet is verduidelijkt binnen de namens gedaagde bij confrateraele brief van 4 november 2005 gestelde termijn van vijf dagen. De bevoegdheid van eiseres om een beroep op artikel 7:646 BW te doen, is volgens gedaagde daarom op grond van artikel 3:55 BW komen te vervallen.

3.2. Dit verweer wordt verworpen. Daargelaten de vraag of de brief van 25 oktober 2005 kan worden aangemerkt als een rechtsgeldig beroep op de vernietigingsgrond van artikel 7:646 BW, is de voorzieningenrechter met eiseres voorshands van oordeel dat de door gedaagde gestelde uiterst korte termijn van vijf dagen in de gegeven omstandigheden en gelet op het ingrijpend karakter van het proeftijdontslag niet redelijk is. Bovendien heeft de wetgever in het tweede lid van artikel 7:647 BW de werknemer – met uitsluiting van artikel 3:55 BW – een termijn van twee maanden gegund voor een beroep op de vernietigingsgrond van artikel 7:646 BW. De binnen deze termijn door eiseres uitgebrachte dagvaarding van 17 november 2005 kan in dit verband in ieder geval als een beroep op voornoemd artikel worden beschouwd.

3.3. Eiseres is tijdens haar proeftijd ontslagen, kort volgend op haar mededeling dat zij zwanger was. Zij heeft in dit verband naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende feiten aangevoerd die het vermoeden kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een ontslag wegens de zwangerschap. Derhalve dient thans met inachtneming van artikel 7:646 lid 8 BW beoordeeld te worden of gedaagde voorshands is geslaagd in het voldoende aannemelijk maken van het tegendeel.

3.4. Volgens gedaagde is het ontslag van eiseres niet gelegen in haar zwangerschap, maar in de omstandigheid dat zij bij haar handelen onvoldoende inzicht zou hebben gegeven zich bewust te zijn van de hierbij betrokken belangen en gevoeligheden en onvoldoende inzicht zou hebben van haar rol in het geheel. Dat is volgens gedaagde het geval geweest met betrekking tot de planning van een vergadering voor 22 september 2005 en de gevoeligheden rondom haar melding zwanger te zijn. Directe aanleiding voor het ontslag was het incident omtrent haar afwezigheid op de belangrijke vergadering van 11 oktober 2005, aldus gedaagde. Gedaagde heeft voorts gewezen op de eisen die zij aan de functie van eiseres stelt en, onder verwijzing naar enkele gespreknotities van de onder 1.4 genoemde intermediair, de twijfels die tijdens de sollicitatieprocedure over de kandidatuur van eiseres bestonden.

3.5. Overwogen wordt dat gedaagde er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat de vertrouwensbreuk tussen partijen te wijten is aan een gebrekkig functioneren van eiseres in de door gedaagde gestelde zin. Gedaagde heeft de door haar aangevoerde redenen voor het proeftijdontslag in het licht van de gemotiveerde betwisting door eiseres naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Met name is gesteld noch gebleken dat de thans naar voren gebrachte bezwaren op enigerlei wijze met eiseres zijn besproken vóórdat sprake was van een ontslag. Ten aanzien van de vergadering van 11 oktober 2005 geldt verder in het bijzonder dat het op de weg van gedaagde had gelegen zonodig de verlofaanvraag van eiseres af te wijzen onder verwijzing naar het belang van deze vergadering. Aannemelijk is derhalve dat tussen de zwangerschap en het proeftijdontslag onder de gegeven omstandigheden een zodanig rechtstreeks verband bestaat, dat sprake is van een ongelijke behandeling in de zin van artikel 7:646 BW, zodat voorshands moet worden aangenomen dat de arbeidsovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze is geëindigd.

3.6. Het voorgaande leidt echter niet tot de conclusie dat de vordering tot tewerkstelling zal worden toegewezen. Uit hetgeen gedaagde ter zitting op dit punt heeft verklaard kan worden afgeleid dat dit, in het licht van de verstoorde verhoudingen tussen partijen en het gebrek aan draagvlak daarvoor in de directe werkomgeving van eiseres en met name binnen het kleine team waarin eiseres werkzaam was, geen reële optie meer is.

3.7. Ten aanzien van de loonvordering heeft gedaagde op zichzelf terecht betoogd dat daarbij niet alleen zal moeten worden onderzocht of het bestaan hiervan voldoende aannemelijk is, maar tevens of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen dient voorts te worden betrokken de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling.

3.8. Uit hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen, vloeit voort dat de loonvordering voldoende aannemelijk is om in dit kort geding te kunnen worden toegewezen. Het door gedaagde aangevoerde restitutierisico komt in het kader van voornoemde belangenafweging daardoor minder gewicht toe. Het spoedeisend belang van eiseres bij haar loonvordering volgt genoegzaam uit haar onweersproken stelling dat zij thans nauwelijks inkomsten genereert uit de onderneming ''Your Care'' en ook voor het overige geen inkomsten heeft.

3.9. Conform vaste rechtspraak wordt de gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW gematigd tot 10%.

3.10. Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

beveelt gedaagde aan eiseres haar bedongen salaris, vermeerderd met 8% vakantiegeld en de gebruikelijke emolumenten onder aftrek van de (te) ontvangen uitkeringen ingevolge de Ziektewet, door te betalen en wel vanaf 11 oktober 2005, zolang de arbeidsovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze is geëindigd;

veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 10% over het achterstallig salaris, en dat geheel vermeerderd met de wettelijke rente;

veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiseres begroot op EURO 1.131,93, waarvan EURO 816,= aan salaris procureur, EURO 244,= aan griffierecht en EURO 71,93 aan dagvaardingskosten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Rechters

mr. Van Rens

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 30 november 2005

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting

Discriminatie ex-gehuwden. Strijd met artikel 26 IVBPR

Aan betrokkene is na echtscheiding in 1992 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend. In 2001 meldt betrokkene dat hij een kamer heeft gehuurd op het adres van zijn ex-echtgenote. In het kader van de bijstandswetgeving worden huwelijkse relaties op één lijn gesteld met niet-huwelijkse relaties van twee personen. In dit licht bezien moeten

personen die met elkaar gehuwd zijn geweest en personen die eerder voor de verlening van bijstand als gehuwd zijn aangemerkt voor de toepassing van artikel 26 van het IVBPR als gelijke gevallen worden beschouwd.

In artikel 3, vierde lid en onder a, van de Abw is, gelet op de uitleg van de term "eerder" zoals die is gegeven bij de uitspraak van de Raad van 2 mei 2000, LJN AJ9653 ( "eerder" moet worden uitgelegd als langer dan twee jaar geleden), sprake van een onderscheid tussen enerzijds ex-gehuwden en anderzijds personen die voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

Gelet op het bepaalde in artikel 26 van het IVBPR kan dit onderscheid geen stand houden indien dit niet is gerechtvaardigd door redelijke en objectieve gronden. In de tekst en in de wetsgeschiedenis van de Abw en ook de WWB is een – redelijke en objectieve – rechtvaardigingsgrond voor genoemd onderscheid niet te vinden. Ook anderszins heeft de Raad een dergelijke grond niet gevonden.Een en ander leidt ertoe dat indien betrokkenen langer dan twee jaar geleden met elkaar gehuwd zijn geweest het bestuursorgaan niet op grond van artikel 3, vierde lid en onder a, van de Abw een gezamenlijke huishouding mag aannemen indien sprake is van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Er zal dan ook moeten worden onderzocht of tussen betrokkenen sprake is van wederzijdse zorg/financiële verstrengeling. De WWB kent op dit punt een soortgelijke bepaling als de Abw.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 15 november 2005

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting

Verzoeker stelt dat hij man noch vrouw is en wil dat in zijn geboorteakte geen geslacht wordt aangegeven. Bij verzoekende partij is na geboorte in de geboorteakte geregistreerd dat verzoekende partijEen kind is van mannelijk geslacht. Verzoekende partij is tot de overtuiging gekomen niet tot het mannelijk geslacht te behoren en heeft op latere leeftijd een geslachtsaanpassende operatie ondergaan. Verzoekende partij heeft vervolgens andermaal een geslachtsaanpassende operatie ondergaan, omdat verzoekende partij de overtuiging had gekregen evenmin tot het vrouwelijk geslacht te behoren. Verzoekende partij is thans op grond van langdurige en consistente gevoelens en ervaringen tot de overtuiging gekomen "niet-geseksueerd" te zijn. Bij beschikking in 1978 heeft de rechtbank Almelo de wijziging gelast namen om te vormen naar 'meisjesnamen'. In 1989 heeft de rechtbank Zutphen bij beschikking gelast dat de meisjesnamen gewijzigd worden in jongensnamen.De rechtbank Almelo heeft bij beschikking van 2001 het verzoek om in de geboorteakte de geslachtsaanduiding van het mannelijk geslacht door te halen zonder een nieuwe geslachtsaanduiding aan te brengen, afgewezen.Een zelfde verzoek heeft de rechtbank Almelo in 2004 opnieuw afgewezen.  Verzoekende partij stelt zich op het standpunt dat de door hem gewenste doorhaling van de geslachtsaanduiding mogelijk is op grond van het eerste lid van artikel 1:24 Burgerlijk Wetboek. Verzoekende partij heeft zich voorts subsidiair beroepen op de bepalingen van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens, waarin het recht op privé-leven wordt erkend en waaruit volgens verzoekende partij een positieve verplichting kan worden afgeleid om zijn identiteit van persoon die noch tot het mannelijk noch tot het vrouwelijk geslacht behoort, te erkennen.

Het Hof Arnhem  redeneert als volgt:De (enkele) doorhaling van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte van [verzoekende partij] zou voorts leiden tot een uitkomst waarin het Burgerlijk Wetboek en het daarop gebaseerde Besluit Burgerlijke Stand 1994 niet voorzien en die ook met de aan die regelingen ten grondslag liggende systematiek in strijd is. Artikel 1:19d Burgerlijk Wetboek voorziet wel in de mogelijkheid dat in de geboorteakte wordt vermeld dat het geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld – welke vermelding in beginsel als een tijdelijke voorziening is bedoeld. Het primaire verzoek kan dus niet tot toewijzing leiden. Vervolgens is de vraag aan de orde of de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens en in het bijzonder de erkenning in dat verdrag van het recht op privé-leven meebrengt dat het verzoek niettemin moet worden toegewezen. Verzoekende partij heeft zich in dit verband beroepen op de beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 11 juli 2002 (appl.nr. 28957/95), inzake […] tegen het Verenigd Koninkrijk.

Verzoekende partij voert volgens het Hof voorts op zichzelf terecht aan dat reeds de enkele omstandigheid dat de vermelding in de geboorteakte niet in overeenstemming is met de bij verzoekende partij bestaande overtuiging noch tot het mannelijk noch tot het vrouwelijk geslacht te behoren, zodat die vermelding niet in overeenstemming is met die identiteit, mee kan brengen dat sprake is van een schending van het door artikel 8 van genoemd verdrag gewaarborgde recht De genoemde beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens had betrekking op een geval van transseksualiteit. Uit de uitspraak blijkt dat voor de beslissing van het Europees Hof in de desbetreffende zaak dat inderdaad sprake was van een schending van genoemd artikel 8, met name bepalend zijn geweest (1) de omstandigheid “that transsexualism has wide international recognition as a medical condition for which treatment is provided in order to afford relief” (rechtsoverweging 81) en (2) de zichtbaarheid van “a continuing international trend towards legal recognition” van transseksualiteit (rechtsoverweging 84). Waar het in deze zaak om gaat is of ook voor gevallen van interseksualiteit in de onder 4.3 bedoelde zin geldt dat sprake is van kort gezegd brede internationale medische erkenning en een bestendige internationale trend van juridische erkenning. Wat betreft het eerste beroept [verzoekende partij] zich op diverse publicaties en op een rapportage van prof. dr. D.F. Swaab. Wat betreft het tweede beroept [verzoekende partij] zich met name op een rapport van de Human Rights Commission San Francisco en een uitspraak van het Constitutionele Hof van Colombia Een dergelijke trend kan ook niet uit andere het hof bekende gegevens worden afgeleid. Hieruit volgt reeds dat geen grond bestaat om een schending van artikel 8 van de Europese Conventie te kunnen aannemen, zodat ook de subsidiaire grondslag van het verzoek niet tot toewijzing van dat verzoek kan leiden.

Volledige tekst

Rechters