Instantie: Voorzieningenrechter rechtbank Utrecht, 8 november 2005

Instantie

Voorzieningenrechter rechtbank Utrecht

Samenvatting

In een zaak aangespannen door een zelfstandig advocate heeft de voorzieningenrechter de verzekeraar veroordeeld tot betaling van een zwangerschapsuitkering, bestaande uit de daggeldvergoeding onder zowel de Vaste kosten verzekering als de eerstejaars-arbeidsongeschiktheidsverzekering als de aanvullende WAZ-verzekering. De verzekeraar heeft bij de uitvoering van genoemde verzekeringen ongeoorloofd onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen, en daarmee gehandeld in strijd met het verbod van art. 7 lid 1 Awgb.

Volledige tekst

3.   Het geschil

3.1.   M vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. Movir te veroordelen om aan haar de daggeldvergoeding onder de VK-verzekering ad EUR 73,– per dag gedurende veertien weken met ingang van 12 november 2005 te vergoeden, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de betreffende dagvergoeding opeisbaar is geworden tot aan de dag der algehele voldoening;
2. Movir te veroordelen om aan haar de daggeldvergoeding van de E-verzekering van EUR 96,– per dag met ingang van 12 november 2005 tot en met 15 februari 2006 te vergoeden, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de betreffende dagvergoeding opeisbaar is geworden tot aan de dag der algehele voldoening;
3. Movir te veroordelen om aan haar naast de vergoeding zoals verzocht in sub 2 ook de actuele daggeldvergoeding van de aanvullende WAZ uitkering van EUR 36,– per dag met ingang van 12 november 2005 tot en met 15 februari 2006 te vergoeden, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de betreffende dagvergoeding opeisbaar is geworden tot aan de dag der algehele voldoening;
4. Movir te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Ter zitting heeft M haar vordering vermeerderd in die zin dat zij tevens vordert Movir te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten, welke tot op heden zijn begroot op EUR 5.327,40 incl. 5% verschotten, 19 % BTW, griffiegeld en deurwaarderskosten.

3.2.   M heeft aan haar vordering onder meer ten grondslag gelegd dat het verbod het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen met zich brengt dat afwezigheid ten gevolge van zwangerschap niet uitgesloten mag worden van dekking, en evenmin aan een zwangerschapsuitkering andere voorwaarden mogen worden verbonden. Zij heeft ter onderbouwing van haar stellingen een beroep gedaan op een aantal uitspraken van de Commissie Gelijke Behandeling (hierna CGB), in het bijzonder de onder 2.8 genoemde uitspraak (2004-44) in de door haar aangebrachte zaak en het oordeel van de CGB d.d. 25 juni 2002 (2002-76).

3.3.   Movir voert verweer. Van de zijde van Movir is aangevoerd dat zwangerschap zowel naar haar aard als gelet op de definitie van het begrip arbeidsongeschiktheid in artikel 2.1. van de betreffende polissen niet aangemerkt kan worden als arbeidsongeschiktheid in relatie tot ziekte of ongeval. Volgens Movir is bij zwangerschap geen sprake van een onzeker voorval maar is -tot op zekere hoogte- sprake van een keuze. Dit verschil rechtvaardigt volgens Movir de differentiatie van twee onderscheiden diensten, te weten de zwangerschapsuitkering (aan te merken als verlofuitkering wegens bevalling) en de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Nog daargelaten dat het hierbij om twee onvergelijkbare grootheden gaat, wordt volgens Movir bij het aanbieden van deze diensten geen verboden onderscheid gemaakt. Voor zover sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van de zwangerschap wordt overigens wel uitgekeerd op grond van de arbeidsongeschiktheidspolissen. Voor de toepassing van het begrip arbeidsongeschiktheid maakt Movir geen onderscheid in arbeidsongeschiktheid die zijn oorzaak vindt in zwangerschap of andere oorzaken. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Movir verwezen naar een brief van het Verbond van Verzekeraars d.d. 21 november 1997, waarin aangegeven wordt dat zwangerschap of bevalling op zichzelf niet als arbeidsongeschiktheid wordt aangemerkt en dat recht op uitkering eerst dan bestaat wanneer de zwangerschap of bevalling tot arbeidsongeschiktheid in de zin van de polisvoorwaarden leidt.
In uitspraak 2002-76 stelt de CGB volgens Movir zwangerschap ten onrechte gelijk aan arbeidsongeschiktheid, hetgeen principieel onjuist is. Die gelijkstelling zou volgens Movir ook niet, althans niet gemotiveerd, blijken uit de jurisprudentie van de CGB.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.   De beoordeling
4.1.   De door M gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan aanleiding, als het bestaan (en de omvang) van de vordering in hoge mate aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing niet in de weg staat.

4.2.   De spoedeisendheid van de gevorderde voorziening is gegeven met het feit dat M hoogzwanger is en met ingang van 18 november 2005 met zwangerschapsverlof gaat, hetgeen een terugval in inkomsten met zich brengt.

4.3.   Bij de beoordeling van de vordering is voorts uitgangspunt dat Movir als verzekeraar, binnen de door de wetgever gestelde grenzen, in beginsel vrij is om in het kader van een door haar gehanteerd acceptatiebeleid een haar ter verzekering aangeboden risico al dan niet te accepteren en in geval van acceptatie eventueel daaraan beperkende voorwaarden te verbinden. Een belangrijke wettelijke beperking op deze vrijheid van acceptatie vormt het verbod van discriminatie zoals neergelegd in artikel 1 Gw, onder meer uitgewerkt in de Algemene wet gelijke behandeling, verder Awgb.

4.4.   Voor de boordeling van de vraag of het wettelijk verbod om onderscheid te maken in mannen en vrouwen met zich brengt dat het Movir, ongeacht de inhoud van de specifieke polisvoorwaarden, bij de uitvoering van de diverse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen verboden is om arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval anders te behandelen dan arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en bevalling, is primair van belang dat het maken van onderscheid op grond van zwangerschap en of bevalling een direct dan wel onmiddellijk onderscheid tussen mannen en vrouwen oplevert. De verwijzing naar zwangerschap en bevalling treft immers alleen personen van het vrouwelijke geslacht.

4.5.   Dat het verbod van het maken van direct onderscheid tussen mannen en vrouwen zich evenzeer richt tot Movir waar zij als verzekeraar arbeidsongeschiktheidspolissen aanbiedt, of door middel van tussenpersonen, doet aanbieden, aan zelfstandige beroepsbeoefenaren zoals M, blijkt onder meer uit art. 7 Awbg en, zij het in indirecte zin, art. 2a en art 3 van de Richtlijn 86/613/EEG van de Raad van 11 december 1986.
Aangezien het aanbieden van een arbeidsongeschiktheidsverzekering valt onder het begrip "diensten en het sluiten en uitvoeren van overeenkomsten terzake" als bedoeld in art. 7 lid 1 Awgb en overigens het beschikken over een adequate arbeidsongeschiktheidsverzekering voor een zelfstandige beroepsbeoefenaar, zoals M, van belang is voor de mogelijkheid van een vrije beroepsbeoefenaar om dat beroep uit te (kunnen blijven) oefenen, richt het verbod van het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen zich tevens tot Movir.

4.6.   De kern van het verschil van mening tussen partijen betreft niet de vraag of voornoemd verbod zich tevens tot Movir richt, maar de strekking en het rechtsgevolg daarvan.
M stelt dat Movir de afwezigheid als gevolg van zwangerschapsverlof en bevalling voor de toepassing van de diverse polissen gelijk dient te stellen aan arbeidsongeschiktheid in de zin van de polissen.
Movir stelt, onder meer met verwijzing naar (de in de polissen opgenomen definitie van) het verzekerd risico, en de mate waarin zwangerschap een vrije keuze en (mede als gevolg daarvan) planbaar is, dat zwangerschap niet gelijk is aan arbeidsongeschiktheid, en dat het verbod van het maken van onderscheid beperkt is tot (de uitvoering van) het verzekerd risico, en daarmee dus tot het contractuele kader van de diverse polissen. In haar visie kan dat verbod er niet toe leiden dat een risico ( te weten inkomstenderving tijdens zwangerschapsverlof) onder de polis wordt gebracht terwijl dat volgens die polis nu juist niet verzekerd is.
Ter onderscheiding van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polissen ("ziekte en ongeval") als gevolg van (complicaties bij) zwangerschap en bevalling, hanteert Movir voor de arbeidsongeschiktheid als gevolg van (uitsluitend) zwangerschap en bevalling consequent de term verlofuitkering.

4.7.   Nu vaststaat dat zowel ziekte als ook zwangerschap feitelijk leiden tot een situatie waarin een vrouw niet geschikt is om arbeid te verrichten, komt de kern van het debat tussen partijen neer op de vraag of Movir in haar verzekeringsproducten gerechtigd is tot differentiatie tussen verlof als gevolg van zwangerschap en bevalling enerzijds en andere oorzaken van arbeidsongeschiktheid (zoals ziekte en ongeval) anderzijds.
Voor het antwoord op die vraag is het van belang om te beoordelen of het onderscheid direct of indirect van aard is.
In de E-verzekering en de VK-verzekering is er sprake van een onderscheid dat voortvloeit uit de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid. Die beschrijving heeft tot gevolg dat (onder meer) zwangerschapsverlof en bevalling niet onder de polis vallen. Dit betekent dat er in die polissen sprake is van indirect onderscheid.
De L-verzekering en de WAZ-verzekering kennen wel een uitkering bij zwangerschap en voor het recht daarop gelden andere voorwaarden (te weten: een 2-jaarswachttijd en toepassing van een maximum dagbedrag zoals dat 2 jaar voor de vermoedelijke bevallingsdatum gold), die niet gelden voor arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte en ongeval in de zin van beide polissen. Dit betekent dat er in die polissen sprake is van direct onderscheid.

4.8.   Voor zover Movir de mogelijkheid van differentiatie motiveert met de stelling dat per definitie van ongelijke behandeling pas sprake kan zijn indien er zich een situatie voor doet waarin zowel mannen als vrouwen kunnen verkeren, waarvan dus bij zwangerschap vanzelfsprekend geen sprake is, gaat haar stelling niet op. Uit het arrest HvJ EG 8 november 1990 (Dekker), C-177/88 volgt immers dat het verbod om direct onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen niet vereist dat er in het specifieke geval mannen en vrouwen vergeleken kunnen worden. Van direct onderscheid is immers sprake indien de reden voor het onderscheid niet beide geslachten maar uitsluitend voor één van beide geslachten geldt.
Ongeacht het mogelijke onderscheid dat gemaakt kan worden tussen enerzijds ziekte en ongeval en anderzijds het verlof als gevolg van zwangerschap en bevalling, laat het (direct of indirect) hanteren daarvan in de polisvoorwaarden onverlet dat er sprake is van een onderscheid tussen mannen en vrouwen. Dat een dergelijk onderscheid wordt gemaakt staat vast.
De volgende vraag is of voornoemd indirect en direct onderscheid in strijd is met de Awgb.

4.9.   Uitgaande van de norm van art. 7 Awgb waarin is bepaald dat onderscheid verboden is bij ‘het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake’ schuilt het antwoord op de laatste vraag in het begrip diensten, met andere woorden: wat is een dienst?
Zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering en zwangerschapsverlofverzekering als verschillende diensten te beschouwen of niet? Indien van verschillende diensten sprake is dan is Movir gerechtigd tot differentiatie. Indien er van één dienst sprake is, dan dient die differentiatie vanwege zwangerschap en bevalling getoetst te worden aan de Awgb.

4.10.   In haar uitspraken gaat de CGB er van uit dat er van één dienst sprake is. Zij motiveert dat onder meer in nr. 4.9 van haar uitspraak van 10 maart 1995 (1995 nr 4), welke uitspraak betrekking heeft op een aanspraak op uitkering tijdens zwangerschapsverlof (en derhalve niet, zoals Movir betoogt, tijdens arbeidsongeschiktheid als gevolg van complicaties bij zwangerschap en bevalling).
De voorzieningenrechter volgt de CGB in die (ook nadien in haar uitspraken als ‘vaste jurisprudentie’ bevestigde benadering en vindt daarvoor bovendien steun in een tweetal omstandigheden, te weten het gebruik om (zoals bij de L-verzekering, de WAZ- verzekering en aanvankelijk ook bij de VK-verzekering) in arbeidsongeschiktheidsverzekeringen expliciet een regeling op te nemen voor zwangerschap en bevalling en het feit dat zwangerschap en bevalling leiden tot een situatie waarin een vrouw fysiek niet meer tot werken in staat is.
Dit betekent dat er voldoende aanknopingspunten zijn om in kort geding er voorshands van uit te gaan dat een zwangerschapsuitkering onder de dienst (van het aanbieden van) arbeidsongeschiktheidsverzekeringen begrepen moet worden. Er is derhalve sprake van het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen wat onder het toetsingsbereik van de Agwb valt.

4.11.   Vervolgens is het de vraag of Movir bij het maken van dat onderscheid gebleven is binnen de grenzen van haar vrijheid om een dergelijk direct onderscheid te maken.
Omdat er bij de L-verzekering en de WAZ-verzekering van een direct onderscheid sprake is, wordt de omvang van de vrijheid van Movir niet bepaald door wat als een objectieve rechtvaardiging heeft te gelden, maar uitsluitend door ruimte die art. 2 lid 2 en 3 Awbg haar laten. Beide leden zijn in de onderhavige situatie niet van toepassing, zodat dat onderscheid als verboden moet worden beschouwd. Evenmin is het onderscheid legitiem uit het oogpunt van het tegengaan van misbruik. Immers de wachttijd- en de daggeldregeling laten de mogelijkheid onverlet dat vrouwen met het oog op de zwangerschap een verzekering afsluiten. Bovendien treft de misbruikregeling uitsluitend vrouwen in verband met zwangerschap, hetgeen op zich reeds een direct en daarmee verboden onderscheid oplevert omdat art. 2 lid 2 en art 3 Awgb die ruimte niet bieden.

4.12.   Bij de E-verzekering en de VK-verzekering is er sprake van indirect onderscheid. Op grond van art. 2 lid 1 Awgb geldt het verbod niet indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Hetgeen Movir heeft gesteld acht de voorzieningenrechter onvoldoende voor het bestaan van een dergelijke objectieve rechtvaardigingsgrond. Immers Movir heeft zich beperkt tot het argument dat de polissen een rekenkundig doordacht geheel zijn en de premie is aangepast aan het verzekerd risico. Het belang van een juiste premiestelling, is echter geen objectieve rechtvaardiging om indirect onderscheid te maken. Immers dat belang rechtvaardigt op zichzelf niet om bij de omschrijving van het verzekerd risico een indirect onderscheid te maken. Ook indien dat indirect onderscheid niet zou worden gemaakt, is het Movir toegestaan om de premie daarop aan te passen.

4.13.   Het verweer van Movir dat (in kort geding) niet zomaar wijziging kan worden gebracht in haar diverse verzekeringsproducten omdat die het resultaat zijn van omvangrijke actuariële berekeningen en een eventuele gehoudenheid van Movir om tot uitkering over te gaan, tot gevolg zal hebben dat die producten uit verzekeringstechnisch oogpunt onverantwoord worden, gaat niet op. Immers Movir heeft haar product ontwikkeld uitgaande van een onjuist gebleken veronderstelling dat zij in het kader van een arbeidsongeschiktheidsverzekering een onderscheid kan en mag maken tussen mannen en vrouwen.
Anders dan Movir kennelijk meent verdient die onjuiste veronderstelling geen bescherming, maar verdient naleving van voornoemd verbod waarborging. Het karakter van een kort geding, staat er niet aan in de weg om bij wijze van voorlopige voorziening een einde te maken aan deze met de wet strijdige situatie.

4.14.   De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat Movir bij de uitvoering van voornoemde verzekeringen ongeoorloofd onderscheid maakt naar geslacht. Daarmee is haar handelen in strijd met het verbod van art. 7 lid 1 Awgb. Op deze grond is zij jegens M gehouden om die met de wet strijdige situatie op te heffen. Dit betekent dat de vorderingen worden toegewezen.

4.15.   Movir zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om ten aanzien van de proceskosten af te wijken van het forfaitaire tarief, zodat de ter zitting gevorderde veroordeling in de werkelijke proceskosten zal worden afgewezen.
De kosten aan de zijde van M worden begroot op:
– dagvaarding  EUR   71,93
– vast recht    244,00
– salaris procureur    816,00
Totaal  EUR 1.131,93

5.   De beslissing
De voorzieningenrechter

5.1.   veroordeelt Movir om aan Mester de daggeldvergoeding onder de VK-verzekering ad EUR 73,– per dag gedurende veertien weken met ingang van 12 november 2005 te vergoeden, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de betreffende dagvergoeding opeisbaar is geworden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.   veroordeelt Movir om aan M de daggeldvergoeding van de E-verzekering van EUR 96,– per dag met ingang van 12 november 2005 tot en met 15 februari 2006 te vergoeden, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de betreffende dagvergoeding opeisbaar is geworden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.   veroordeelt Movir om aan M naast de vergoeding zoals vermeld onder 5.2 de actuele daggeldvergoeding van de aanvullende WAZ uitkering van EUR 36,– per dag met ingang van 12 november 2005 tot en met 15 februari 2006 te vergoeden, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de betreffende dagvergoeding opeisbaar is geworden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.   veroordeelt Movir in de proceskosten, aan de zijde van M tot op heden begroot op EUR 1.131,93,

5.5.   verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.   wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

mr. H.M.M. Steenberghe

Lezing “Meer geld en meer tijd”, Leontine Bijleveld

Meer geld en meer tijd. Dat is economische zelfstandigheid van vrouwen

Tekst van de bijdrage van Leontine Bijleveld op het congres van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann, 23 september 2005.

Inleiding Jaarvergadering Vereniging Vrouw en Recht, 23 september 2005
Leontine Bijleveld, FNV Vrouwensecretariaat

Dank voor uw uitnodiging. Ik voel me vereerd in dit illustere gezelschap een bijdrage te mogen leveren aan het debat over macht en machtsongelijkheid, meer specifiek over economische zelfstandigheid.

Een jaar of tien geleden stond de feministische discussie in het teken van machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Maar dit woord wordt steeds minder gebruikt, zo staat in de toelichting op het thema van deze bijeenkomst.
Met economische zelfstandigheid is iets anders aan de hand. De woorden, het begrip wordt nog wel gebruikt, zij het minder frequent dan vroeger. Maar de betekenis is verschoven of liever gezegd ingeperkt. Op twee manieren, beide ten nadele van vrouwen.
Om dit uit te leggen duik ik nog iets verder dan tien jaar de geschiedenis in, naar het Beleidsplan Emancipatie uit 1985.[1]
Daar wordt als hoofddoelstelling geformuleerd:
“Het bereiken van een situatie waarin ieder volwassen individu ongeacht sekse, burgerlijke staat of de leefvorm waarvan hij of zij deel van uitmaakt, een zelfstandig bestaan kan opbouwen; dat wil in dit verband zeggen in eigen levensonderhoud kan voorzien en voor zich zelf kan zorgen. In principe zal deze situatie worden gerealiseerd via een groeiende deelname aan betaalde arbeid en, waar mogelijkheden daartoe ontbreken, door het realiseren van een (eigen recht op) uitkering volgens de regels van de sociale wetgeving. In deze doelstelling ligt een zo algemeen mogelijke deelname aan betaalde arbeid besloten maar evenzeer de veronderstelling van een net zo algemene deelname aan verschillende vormen van niet-betaalde arbeid.”
Een groot deel van de vrouwenbeweging kon zich wel vinden in deze doelstelling, zij het niet als doel op zich. Maar als tussendoel, of als middel tot gelijke verdeling tussen mannen en vrouwen van de (toegang tot) de maatschappelijke macht.
Economische zelfstandigheid is immers ook materiële voorwaarde om vrijheid en onafhankelijkheid in relationeel gedrag te kunnen realiseren. Als zodanig zijn economische zelfstandigheid en seksuele zelfbeschikking twee kanten van dezelfde ideologische medaille, zoals Joke Swiebel ook schrijft in de laatste Lover over Feministische Uitdagingen 10 jaar na Beijing.

Het Breed Platform Vrouwen voor Ekonomische Zelfstandigheid, waarin ruim dertig feministische, politieke en sociale organisaties samenwerkten tussen zeg 1982 en 1993, hanteerde een definitie in het verlengde van de hoofddoelstelling uit het Beleidsplan: Economische zelfstandigheid is de combinatie van financiële zelfstandigheid enerzijds en zorgzelfstandigheid anderzijds.
Wederom twee kanten van één medaille. Vrouwen hadden-hebben te weinig van het eerste en mannen te weinig van het tweede.
Door betaalde arbeid en inkomen zo te koppelen aan onbetaalde arbeid en zorg kon ook een nieuwe ‘normwerknemer’ bedacht worden: de werknemer met zorgtaken. Die zou voortaan model moeten staan in de arbeids- en sociale zekerheidswetgeving en in de praktijk van het sociale beleid. In plaats van de kostwinner die tot dan toe model stond.

Betaald werk is in deze visie de koninklijke weg naar financiële zelfstandigheid.
Maar als dit om wat voor reden tijdelijk of definitief niet aan de orde is, moeten zelfstandige uitkeringsrechten hierin voorzien. Hoewel door de opeenvolgende regeringen telkenmale gesteld wordt dat de hoofddoelstelling in de kern hetzelfde is gebleven, zijn er gaandeweg sterker wordende accentverschuivingen te constateren.
De zorgcomponent werd losgekoppeld van economische zelfstandigheid.
Financiële zelfstandigheid als begrip raakte in ongebruik. Steeds sterker kwam de nadruk te liggen op economische zelfstandigheid uitsluitend via arbeidsparticipatie.
De zelfstandige of eigen uitkeringsrechten in de sociale zekerheid en het streven naar behoud van eenmaal uit arbeid verworven economische zelfstandigheid raken steeds meer op de achtergrond.
Tegelijkertijd kwam als indicator van economische zelfstandigheid de maatstaf die juist voor de zelfstandige uitkeringsrechten was ontwikkeld bovendrijven: een inkomen 70% van het netto Minimumloon, maar dan uitsluitend verdiend met arbeid.
Zie Emancipatie Monitor, ik kom er zo nog even op terug. Zie Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2000-2010.

Deze verschuivingen zijn al begonnen onder Paars I. Maar toen werd behoud van economische zelfstandigheid in het debat nog wel benoemd, ook al stond dat debat grotendeels in het teken van bezuiniging in en versobering van de sociale zekerheid.
Onder Paars I is voor het laatst het uitkeringsstelsel "uitgebreid, waarbij economische zelfstandigheid en de werknemer met zorgtaken leidraad waren. Per 1995 is de vervolguitkering in de WW verlengd tot twee jaar – inmiddels afgeschaft door Balkenende/De Geus (2003). En een kortdurende uitkering werd geïntroduceerd voor wie niet aan de entree- en referte eisen voldeed – die staat op de helling, ik kom hier nog op terug. Beide verbeteringen onder Paars waren compensatie voor de zwaardere toetredingseisen voor de WW.
Verder introduceerde Paars de zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen en beroepsbeoefenaars in de WAZ – de Wet Arbeidsongeschiktheidverzekering zelfstandigen. Ook afgeschaft door De Geus, vorig jaar.
Ook onder Paars viel de halfwezenuitkering in de ANW, die wordt toegekend onafhankelijk van het inkomen van de verweduwde nabestaande of halfwees zelf.
Voor het overige kan gezegd worden dat Paars I daadkrachtiger was bij de afschaffing of inperking van kostwinnersvoorzieningen: geen ANW meer voor weduwen geboren na 1949 zonder kind onder de 18. Op termijn (namelijk per 2015) afschaffing van de AOW-toeslag voor de afhankelijke partner.
Dat de overdraagbare belastingvrije voet omgezet werd in een individuele heffingskorting, rechtstreeks uit te betalen aan de niet-verdienende partner valt eerder aan de SER, onder aanvoering van de FNV, toe te rekenen dan aan Paars II.
De FNV zag/ziet dit als start van een zelfstandig uitkeringsrecht, maar lijkt hierin weinig medestanders meer te hebben. Mede reden waarom het ook steeds moeilijker wordt in eigen huis het gedachtegoed levend te houden.

Vooral de laatste jaren (vanaf Balkenende I in 2002) wordt steeds meer afstand genomen van economische zelfstandigheid. Uitkeringen zijn afgeschaft, of nog meer versoberd. Het beetje herintreedsterbeleid dat er nog was is overboord gekieperd: de verantwoordelijkheid wordt elders neergelegd, bij sociale partners en gemeenten. Gedecentraliseerd zonder oormerking van middelen. In toenemende mate vragen gemeenten een eigen bijdrage van herintreedsters die gebruik willen maken van re:integratie-instrumenten.
Er is een nieuwe hoeksteen gekomen, niet in plaats van maar naast die van de kostwinner-huisvrouw. De hoofdverdiener met een vrouw die erbij werkt. De toegang tot de sociale zekerheidregelingen wordt steeds meer ingeperkt en in feite meer toegesneden op het arbeidspatroon van mannen. Daardoor raken vooral vrouwen, maar ook mannen in toenemende mate (mede) aangewezen op het inkomen van hun partner. Het duodenken voert de boventoon. Het woord individualisering lijkt uit het woordenboek geschrapt.

Verslechteringen worden in hoog tempo door het parlement geloodst.
Ik noemde al een paar. Een wetsontwerp van De Geus om de kortdurende lage werkloosheidsuitkering af te schaffen lag al bij het parlement, maar wordt vervangen.
Sinds het najaars- of Museumpleinakkoord vorig jaar november mocht de SER alternatieven aandragen en die worden nu overgenomen: Meer accent op loongerelateerde, maar minder lange duur van de uitkering. Je raakt dus als je niet snel nieuw werk vindt als het ware eerder uitgetrokken zoals het in het jargon heet.
Daarna rest het inkomen van de partner of de Bijstand. Pas voor 60plus werklozen zal een speciaal regime gelden: noch eigen huis noch partnerinkomen zijn van invloed op de (lage) uitkering – een verbeterde IOAW. In feite is gekozen is voor kort-hoog, terwijl lang-laag beter bij het principe van behoud van economische zelfstandigheid past.
Ook andere recente wijzigingen beperken de eigen uitkeringsrechten van vrouwen.
Tot voor kort was de duur van de loongerelateerde werkloosheidsuitkering leeftijdsafhankelijk: naarmate de uitkeringsgerechtigde ouder was werd het recht op een WW-uitkering langer. Leeftijd als criterium is nu vervangen door feitelijk aantal gewerkte jaren. Daarmee zien herintreedsters hun kansen op toegang tot of zelfs een iets langer durende WW-uitkering verminderd. De sterke inperking van het verzorgingsforfait (een voorziening waardoor jaren van kinderzorg meegeteld werden als gewerkte jaren) heeft hetzelfde effect. Deze specifieke consequenties voor vrouwen hebben nauwelijks aandacht gekregen in de parlementaire behandeling.
Dat vrouwen desondanks licht oververtegenwoordigd zijn in de WW-cijfers zegt des te meer over hun zwakkere arbeidsmarktpositie.
Recente wijzigingen in Wet Arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) leiden eveneens tot verminderde uitkeringsrechten van vrouwen. Vanaf oktober 2004 hoeft bij het duiden van functies, die een (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemer nog zou kunnen vervullen, niet langer rekening te worden gehouden met het feit of de functies in de praktijk wel in deeltijd worden vervuld. Men kan dus geschikt worden verklaard voor een deeltijdfunctie die niet bestaat en daarmee wel de uitkering verliezen.
Hierdoor worden arbeidsongeschikte deeltijders benadeeld, meest vrouwen – 70% van de vrouwen werkt in deeltijd. Voor jullie als juristen is wellicht interessant dat met deze wijziging in feite een cruciale uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit het begin van de jaren negentig ongedaan werd gemaakt.
De dubbele keuring van WAO’ers met zogenaamde softe diagnose, wederom vooral vrouwen, leidt eveneens tot relatief groot verlies van uitkeringen. Zonder uitkering hebben ze ook veel minder toegang tot de reïntegratie-instrumenten zoals her- en bijscholing, arbeidsbemiddeling e.d. Ze komen als het ware in dezelfde slechte positie als herintreedsters te verkeren.
Oudere WAO’ers zijn uitgezonderd van de herbeoordelingsoperatie – in deze groep zitten relatief veel mannen. De herbeoordelingsoperatie pakt dus waarschijnlijk voor vrouwen slechter uit dan voor mannen – de eerste rapportages duiden hier ook op.
Aan al deze effecten is niet of nauwelijks aandacht besteed in parlementaire behandeling. Er heeft geen Emancipatie Effect Rapportage plaatsgevonden.
Overigens kunnen we ook zeggen dat de reacties van belangengroepen naar regering en parlement, voorzover ze geventileerd werden, ook niet echt emancipatie-proof waren. In termen van verlies van economische zelfstandigheid was er weinig kritiek.

Samengevat: de sociale zekerheidspositie van vrouwen wordt steeds slechter.
Eenmaal verworven economische zelfstandigheid blijkt steeds moeilijker te behouden te zijn als het even tegen zit.
Zelfs uitgekleed, strikt gekoppeld aan het verrichten van betaalde arbeid behoort economische zelfstandigheid niet langer tot de prioriteiten van regeringsbeleid.
Half december haalde emancipatie de voorpagina’s van alle kranten. Het emancipatieproces stagneert, was kort en bondig de conclusie van de Emancipatiemonitor. Vooral de cijfers over achterblijvende arbeidsparticipatie en geringe mate van economische zelfstandigheid werden in de pers aangehaald.
De onderzoekers van SCP en CBS stelden dat dit niet uitsluitend te wijten is aan de economisch slechtere tijden. Dat de vaart er uit is hangt uitdrukkelijk samen met het feit dat de overheid zich terug trekt.
Viel de verslechterende sociale zekerheidspositie nu ook onder die alarmerende berichten in de pers eind vorig jaar naar aanleiding van de Emancipatiemonitor?
Nee, die rapporteert niet meer over sociale zekerheid, of inkomen in verband daarmee. De indicator economische zelfstandigheid gaat alleen nog over hoeveel vrouwen (mannen) tenminste 70% netto ML uit betaalde arbeid verdienen.
De Emancipatiemonitor 2002 kende nog een beschouwing over de trend in financiële onafhankelijkheid. Daarbij telde de inkomsten uit inkomensverzekeringen (dus gebaseerd op arbeidsverleden, resp. arbeidsparticipatie, zoals pensioen) wel mee.
Bovendien werden de ontwikkelingen van de lage inkomensgrens, gecorrigeerd voor de inflatie, gerelateerd aan 1979, het jaar waarin de koopkracht van de bijstand het grootst was. Deze indicator is er uit gehaald. Zou het toeval zijn? Vast niet.
In de vroegere statistische publicaties, zoals de Sociale Atlas van de Vrouw en de Jaarboeken Emancipatie werd nog wel informatie over bijvoorbeeld vrouwen en de WAO en vrouwen in de ABW/RWW gepubliceerd. De Emancipatiemonitor moet vooral inzicht bieden in hoeverre de, beperkte, emancipatiedoelen van de regering gehaald worden. En daar hoort behoud van economische zelfstandigheid niet meer bij.
Gebrek aan gemakkelijk toegankelijke gegevens zal er zeker ook toe bijgedragen hebben dat ook bij de vrouwenbeweging behoud van economische zelfstandigheid, individualisering en sociale zekerheid veel meer uit het zicht is verdwenen.
Naar mij lijkt, ook bij juridische vrouwenstudies of in "vrouw en recht kringen’.
Ik word graag overtuigd van het tegendeel, straks, in het debat.

Terug naar emancipatiebeleid. Alleen bij vrouwen uit etnische minderheden ligt de emancipatie nog niet op koers, volgens De Geus. Want hun arbeidsdeelname is erg laag, vergeleken bij de autochtone vrouwen. Alsof emancipatie en empowerment van vrouwen alleen maar over deelname aan betaalde arbeid gaat! Alsof autochtone vrouwen de norm zijn.
Van links tot rechts bekritiseerden commentatoren de gemakzucht van de regering.
De verdediging van de minister in de Volkskrant vlak voor Kerst is onthullend.
Emancipatie is geen proces dat zich van bovenaf laat sturen betoogt hij.
"Het is een resultaat van vrije keuze.’ Kennelijk heeft Aart Jan de Geus noch zijn ghostwriter het Beijing Platform for Action gelezen. Bijvoorbeeld: “De machtsverhoudingen die het vrouwen onmogelijk maken inhoud aan hun leven te geven werken op vele niveaus van de samenleving door, van het meest persoonlijke niveau tot het hoogste openbare niveau.’ Op papier heeft de regering zich telkens opnieuw aan het Beijing Platform for Action gecommitteerd, maar in de praktijk blijkt dat commitment niets voor te stellen.

De Geus is de enige niet. In het parlement krijgt hij te weinig weerwoord, want de fractiediscipline is groot, de kennis over vrouwenzaken helaas niet en het tempo van afbraakwetgeving is vaak moordend. Van een systematische lobby of beïnvloeding uit de vrouwenbeweging lijkt, zelfs op kernissues nauwelijks sprake meer.
Dat moeten we onszelf aantrekken. Om in termen van het programma van de dag te spreken: ja we hebben gebrek aan macht, maar wat we zouden kunnen genereren zetten we onvoldoende in.

Van veel meer kanten horen we dat de emancipatie van vrouwen wel voltooid is.
Het ESTA-gevoel. Vrouwen hebben alle kansen. Ze hebben hun opleidingsachterstand omgezet in een voorsprong, althans bij de jongere generaties.
De wetgeving is op orde en van seksediscriminatie is geen sprake meer. Seksisme? Wat is dat? Vrouwen zijn individuen, die gelijke kansen hebben. We moeten niet meer in groepen denken.
Dat er niet meer vrouwen aan de top zitten, of het nu om politiek, bestuur of het bedrijfsleven gaat, hebben ZE aan zich zelf te wijten. Want ze zijn niet ambitieus genoeg. Ze kiezen voor kinderen en willen daar ook nog eens de zorg niet van uit handen geven. Ze kiezen zelf voor die deeltijdbaan met lage verdiensten en/of weinig carrièreperspectief. Soula Notos legde in het recente Beijing + 10 nummer van Lover feilloos de vinger op de zere plek. De paradox van ouderwets vinden om in groepen te denken, maar dan wel de helft van de bevolking als groep aanspreken op haar tekortkomingen. En, zo voeg ik er aan toe, alsof elke vrouw haar hele leven met kleine kinderen zit. Die tijd hadden we toch echt achter ons gelaten.

De vrouwenbeweging is groot gegroeid. We hebben een breed draagvlak voor emancipatie gecreëerd, veel veranderingen tot stand gebracht. Het SCP vond zelfs vrouwenemancipatie de meest succesvolle emancipatie van de 20ste eeuw.
Onze wereld anno 2005 is daardoor veranderd: meer vrouwen dan ooit participeren op de arbeidsmarkt. Seksueel geweld is op de agenda gezet. De meerderheid van de bevolking vindt dat de verdeling van de onbetaalde arbeid anders moet.

Maar de jongeren? Waar blijft de derde golf, hoor ik vaak oude feministen verzuchten. Die is er allang, maar nog niet iedereen beseft dat. Die jongeren zijn het bewijs van vooruitgang in vrouwenland én het bewijs dat we er nog niet zijn.
Kijk in eigen familie, vergelijk de klasgenoten op de lagere school, op de middelbare school en hun moeders, toen en nu. Grote verandering en een vaak verfrissend zelfbewustzijn onder jonge vrouwen. Maar veel steun voor vrouwvijandige maatregelen onder het motto "de emancipatie is wel voltooid’, of voor die nadruk op "eigen verantwoordelijkheid betekent zelf betalen’ heb ik niet kunnen waarnemen.
Gezien dat er jonge vrouwen én mannen stonden te juichen bij de verwijdering van anticonceptiva uit het verstrekkingenpakket? Hoeveel steun is er eigenlijk onder de jongere generatie voor de levensloopregeling, de emancipatiepanacee van het CDA?
Is beperking door De Geus van de uitkering voor ouderschapsverlof tot deelnemers aan deze spaarregeling niet faliekant in strijd met de elders beleden nadruk op keuzevrijheid?

In het al eerder genoemde recente nummer van Lover staat een groepsinterview met een aantal jongere feministen (V/M). Ja, anders dan sommigen menen willen jongeren (V/M) zich best feministisch laten noemen, of noemen ze zichzelf zo. In andere landen speelt deze discussie – wel niet feministisch – helemaal niet, maar dat ter zijde. Geldt dat voor alle jonge vrouwen? Nee, maar sinds wanneer is maatstaf of het merendeel van vrouwen van de verschillende generaties in Nederland zich tot het feminisme bekeert?
Jongere vrouwen en mannen kunnen goed uit de voeten met empowerment.
Ook met het Nederlandse equivalent daarvan: in de Agenda voor de Toekomst spreken we over weerbaarheid, zelfstandigheid en zeggenschap van vrouwen.
Wat valt verder op in het interview: ze hechten veel belang aan feiten, cijfers en controle van effecten. Willen het graag hebben over concrete zaken, maar wel met gevoel. Ze vinden accent op weerbaarheid en zelfontplooiing van meisjes en vrouwen heel belangrijk, maar onderkennen volop dat hiervoor ondersteuning, voorlichting en training hard nodig is. Voor slachtofferschap voelen ze niets, maar ze willen wel voorkomen dat er slachtoffers vallen. Aan de ene kant vinden ze dat de jonge generatie zelf de urgente kwesties moeten gaan benoemen, maar aan de andere kant zien ze ook dat de issues grotendeels nog wel hetzelfde zijn.
Dan moet wel de toon anders: positiever, minder klagerig, zelfbewuster en minder moralistisch.
Daarom koos ik als titel voor mijn inleiding: Meer tijd én meer geld. Dat is economische zelfstandigheid van vrouwen. Daar passen precies dezelfde issues in als onder de eerder genoemde definities en enige nieuwe ook nog. Maar het klinkt eigentijdser. Hoe en wat ga ik nu niet allemaal uiteenzetten, want ik zal afronden.

We moeten ons hervinden en misschien wel nieuwe gedaantes aanmeten, als beweging, zei ik op 15 januari j.l. – de grootste vrouwenoploop in een decennium (650 aanwezigen bij Beijing + 10 Tijd voor actie!). Meer samenhang, meer inspiratie, meer actie. We kunnen veel van elkaar leren.
Oude thema’s moeten we opnieuw formuleren, in eigentijdse termen. Nieuwe kwesties moeten we op de agenda zetten. Maar vooral moeten we strategischer worden, meer nadruk op resultaat. Het gaat om macht. Niet alleen gelijk hebben, maar gelijk krijgen.
Terug naar de omschrijving van het thema van vandaag door het bestuur.
Moet dat via belangenorganisaties? JA
Moet dat via het voeren van processen? JA
Via positieve actie? OOK
Verder: lobby bij het parlement en andere sleutelfiguren.
Maar het moet vooral meer samen, ook parallel, maar dan wel zo dat we weten van elkaar waar we mee bezig zijn. Dat we elkaar kunnen versterken. En het moet meer, vaker en zichtbaarder. Ook in de publieke opinie. Bijvoorbeeld door mee te doen met het door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling geëntameerde debat over de belangrijkste sociale vraagstukken van deze tijd: www.socialeagenda.nl
De moderne communicatiemiddelen benutten we te weinig, paradoxaal genoeg.
Laten we vooral ook meer zoeken naar manieren om het grote draagvlak dat sluimerend aanwezig is zichtbaar te maken. Niet te lang wachten, want volgend jaar worden de verkiezingsprogramma’s al geformuleerd. Laten we zorgen dat we daar invloed op hebben.

[1] Kamerstukken 1984-1985, TK 19 052, nr. 2.

Toelichting op congres

Verslagen congres de Macht van Vrouwen

Op 23 september 2005 vond het tweede congres van de Vereniging voor Vrouw en Recht plaats, met als thema de Macht van Vrouwen

Op het congres werden rond dit thema inleidingen gehouden door Rosa Braidotti, Caroline Forder, Renée Römkens en Leontine Bijleveld.

Een aantal teksten is nu beschikbaar:

  • Rosi Braidotti (Hoogleraar genderstudies in Utrecht) hield een inleiding over het thema Macht van Vrouwen.
  • Caroline Forder (Hoogleraar Europees Familierecht aan de Universiteit Maastricht) sprak over “Het onevenwichtige relatievermogensrecht en de illusie van relatievrijheid.”
  • Renée Römkens (onderzoeker aan de Universiteit van Utrecht) sprak over “Macht en gender in het gewelddebat. Een vergelijking tussen Nederland en de VN.”
  • Leontine Bijleveld (FNV vrouwensecretariaat) sprak over “Meer geld en meer tijd. Dat is economische zelfstandigheid van vrouwen”. De tekst van haar bijdrage is nu beschikbaar.

Instantie: Rechtbank Rotterdam, Sector Kanton, 19 september 2005

Instantie

Rechtbank Rotterdam, Sector Kanton

Samenvatting

Ontbinding arbeidsovereenkomst werkneemster na bevallingsverlof toegewezen met ruime vergoeding, factor 3. Reden relatie met zwangerschap en intimidatie werkgever. Aanvankelijk voorstel werkgever voor deeltijdbaan van vier dagen (in plaats van voltijds) ingetrokken en door werkgever aangestuurd op einde arbeidsovereenkomst zonder vergoeding. Verweerdster bijgestaan door schoonvader.

Volledige tekst

Uitspraak: 19 september 2005 (bij vervroeging)

RECHTBANK ROTTERDAM Sector Kanton

Beschikking ex artikel 7:685 BW

inzake:

de besloten vennootschap INNOVISIE GRAFISCHE VORMGEVINGSSTUDIO B.V., gevestigd te Rotterdam,
verzoekster,
gemachtigde: mr. M.A.T. Schroots

t e g e n :

mevrouw C.E. B., wonende te Maassluis,
verweerster,
procederende in persoon.

Partijen worden aangeduid als Innovisie en [verweerster], tenzij anders is vermeld.

1). Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

1). verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 19 juli 2005,
2. verweerschrift;
3). pleitaantekeningen zijdens Innovisie.

Door beide partijen zijn producties in het geding gebracht.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2005. Innovisie is verschenen bij haar directeur, de heer [directeur], bijgestaan door mr. Werner. [verweerster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar schoonvader, de heer [schoonvader].

De beschikking is bepaald op heden.

2). De vaststaande feiten

B., geboren op 29 oktober 1977, is met ingang van 28 juli 2003 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Innovisie in de functie van medewerker productie/traffic tegen een bruto-salaris van €. 2.400,– per maand, exclusief vakantiegeld.

Op 23 maart 2005 is B. bevallen van een dochtertje.

Per 1 juni 2005 was het zwangerschapsverlof geëindigd. Innovisie heeft B. nadien vrijgesteld van werkzaamheden.

3). Het verzoek

Dit strekt ertoe dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de kortst mogelijke termijn, op grond van een wijziging van omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding.

4). Het verweer

Dit strekt ertoe dat het verzoek wordt afgewezen. Mocht het toch worden toegewezen dan wenst B. haar achterstallig salaris te ontvangen vanaf 1 juli 2005 en acht zij toekenning van een vergoeding redelijk.

5). De beoordeling van het geschil

5.1. Beide partijen voeren de nodige argumenten aan, deels aan de hand van producties. Deze zullen hierna worden besproken, voorzover zij relevant zijn voor de uitkomst van de procedure.

5.2. Gedurende de maand oktober 2004 heeft B. overleg gevoerd met Innovisie over haar werksituatie na het zwangerschapsverlof. Oorspronkelijk stelde Innovisie voor dat zij vier dagen in plaats van vijf zou gaan werken. Hier is zij op terug gekomen omdat zij van mening was dat de functie niet in deeltijd kon worden uitgevoerd. Daarna is nog een gesprek gevoerd, waarbij de mede-eigenaresse van een gelieerd bedrijf aanwezig was. Aan B. werd medegedeeld dat deeltijdwerken niet mogelijk was en dat het beter was als zij een andere baan zou gaan zoeken.

5.3. Nog voor aanvang van het zwangerschapsverlof werd een concept van een beëindigingsovereenkomst aan B. toegezonden. Zij gaf te kennen het hier niet mee eens te zijn. Na de bevalling is zij bij Innovisie langsgegaan en is haar gebleken dat haar functie was overgenomen door een ander.

5.4. Na 1 juni 2005 is er weer een concept aan B. toegezonden. Door Innovisie is een verzoekschrift ingediend op neutrale gronden, ontvangen ter griffie op 27 juni 2005. Hiertegen is door B. een niet neutraal verweerschrift ingediend. Daarna heeft Innovisie een verzoek op tegenspraak ingediend.

5.5. Gebleken is dat de bezwaren van B. zien op de volgende punten:

1). er is niet serieus gekeken of er niet in deeltijd kan worden gewerkt;
2). zij is nooit akkoord gegaan met ontbinding waarbij aan haar een vergoeding van slechts twee maanden zou worden voldaan;
3). zij heeft nooit de kans gekregen ouderschapsverlof op te nemen;
4). zij maakte zich zorgen dat haar WW-rechten teloor zouden gaan als zij de beëindigingsovereenkomst zou ondertekenen, nu de voorgestane beëindiging alles van doen heeft met haar zwangerschap;
5). niet is duidelijk gemaakt dat er geen andere functies voorhanden waren;
6). niet is aannemelijk gemaakt dat Innovisie in financieel moeilijke omstandigheden verkeert; zie alleen al het feit dat er andere medewerkers zijn aangenomen;
7). zij is niet van plan kosten te maken voor juridische advisering.

5.6. Innovisie stelt hiertegenover dat er afspraken zijn gemaakt inhoudende:

a. beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2005;
b. neutrale ontbindingsprocedure om de WW-rechten zo veilig mogelijk te stellen;
c. ontbindingsvergoeding van twee maanden;
d. in geval van ontbinding na 1 juni 2005 zal het loon na die datum in mindering worden gebracht op de ontbindingsvergoeding.

5.7. De wijziging van omstandigheden is erin gelegen dat B. de afspraken niet is nagekomen, haar functie inmiddels vervuld wordt door een ander en er dus geen sprake meer kan zijn van toekomstige samenwerking.

5.8. Het volgende wordt overwogen. In het algemeen geldt dat van de werkgever gevergd mag worden dat hij zich er terdege van op de hoogte stelt of de werknemer akkoord is met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zeker indien het geval zich voordoet dat voor de werkgever kenbaar is dat de werknemer nog geen nieuwe baan heeft. Dit heeft alles te maken met het feit dat de werknemer voor zijn levensonderhoud doorgaans in overwegende mate is aangewezen op de loonbetalingen. Bovendien geldt dat, als de werknemer instemt met beëindiging van de arbeidsovereenkomst, hij daarmee zijn WW-rechten op het spel zet. Vandaar dat het verstandig is dat de werknemer zich voorziet van juridische bijstand.

5.9. Een en ander geldt temeer in het geval van een werkneemster die een verzoek doet om minder te mogen gaan werken na haar zwangerschapsverlof, zulks in verband met de zorg voor haar kind. Van de werkgever wordt gevergd, mede in aanmerking genomen de rechten van de werkneemster op grond van de Wet Aanpassing Arbeidsduur en de Wet Arbeid en Zorg, dat hier zorgvuldig mee wordt omgegaan. Gelet op de rechten die de werkneemster op grond van deze wetten heeft en het opzegverbod wegens zwangerschap (tot zes weken na het bevallingsverlof) en dat wegens een verzoek om ouderschapsverlof, zal de werkgever moeten kunnen uitleggen en inzichtelijk maken om welke reden het dienstverband na het zwangerschapsverlof niet voor minder uren kan worden voortgezet. Deze bijzondere in de wet voorziene bescherming van de zwangere werkneemster werkt vanzelfsprekend door (en is daarmee voor de werkgever kenbaar) in haar positie op grond van de Werkloosheidswet. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, na neutrale ontbinding, is bepaald niet risicoloos.

5.10. In deze zaak geldt dat er geen door B. ondertekende beëindigingsovereenkomst voorligt. Innovisie stelt wel dat uit haar brief van 27 juni 2005, waarin een gesprek van diezelfde datum wordt bevestigd, blijkt dat er sprake is van overeenstemming, maar dit wordt door B. betwist. Uit de aanbiedingsbrief bij het neutrale verzoekschrift van mr. Schroots aan de griffie van diezelfde datum blijkt dat Innovisie er zelf ook niet zeker van is dat er sprake is van overeenstemming (“Indien en voor zover een gave referte bij u binnenkomt …”). Afgezet tegen voormelde overwegingen dient de kantonrechter er derhalve van uit te gaan dat er geen sprake is van overeenstemming tussen partijen omtrent de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst zou dienen te eindigen.

5.11. Bovendien is van belang dat de vermeende overeenstemming waarop Innovisie zich beroept, met als een van de kernpunten beëindiging per 1 juni 2005 en dus geen loondoorbetaling, rechtstreeks in strijd is met het opzegverbod van artikel 7:670 lid 2 BW. B., een leek op arbeidsrechtelijk gebied en ook niet door Innovisie financieel in de gelegenheid gesteld een advocaat te raadplegen, gaat op die manier akkoord met het inleveren van ongeveer 1,5 maand loon terwijl Innovisie niet eens gerechtigd was de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Een dergelijke overeenstemming is aantastbaar wegens strijd met de wet. Een en ander nog afgezien van mogelijke strijdigheid met voormelde bijzondere wetten.

5.12. De kantonrechter zou derhalve de verzochte ontbinding dienen te weigeren, ware het niet dat B. zelf aangeeft dat de verstandhouding met haar directeur inmiddels ernstig is beschadigd. Om deze reden zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden. Uit voormelde overwegingen blijkt dat aan B. van de door Innovisie gestelde gewijzigde omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt. Voorts blijkt van een onberispelijk dienstverband. Dit betekent dat een vergoeding ten laste van Innovisie zal worden vastgesteld.

5.13. Innovisie stelt dat rekening dient te worden gehouden met haar povere financiële situatie, maar nu daaromtrent geen cijfers worden overgelegd, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Evenmin heeft zij inzichtelijk gemaakt dat er geen andere functies voorhanden zijn, hetgeen, gelet op de door haar onweersproken stelling van B. dat er inmiddels nieuwe medewerkers zijn aangenomen, zonder meer van haar verwacht had mogen worden, mede in aanmerking genomen de bijzondere ontslagbescherming die aan een zwangere medewerkster / ouder van een kind onder de 8 jaar toekomt.

5.14. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding houdt de kantonrechter rekening met al hetgeen hiervoor is overwogen. Daaruit volgt dat de ontbinding niet aan B. is te verwijten en de hoogte van de vergoeding dient dit te weerspiegelen. Door B. is ook nog aangegeven dat zij het optreden van Innovisie en haar advocaat als intimiderend heeft ervaren. De kantonrechter dient te beoordelen of dit “meetelt” in de hoogte van de vergoeding. B. verwijst naar de volgende omstandigheden:

  • voor het begin van het bevallingsverlof was al duidelijk dat zij na afloop niet meer welkom was zodat zij een perspectief van werkloosheid had;

  • voor het bevallingsverlof werd zij al geconfronteerd met een concept van een beëindigingsovereenkomst;

  • hierdoor heeft zij last gehad van harde buiken;

  • zij heeft zelf moeten vragen of zij na haar zwangerschapsverlof moest komen werken;

  • zij heeft onaangename telefoongesprekken en een bespreking met de advocaat van Innovisie gevoerd;

  • zij ontvangt al twee maanden geen loon en Innovisie heeft medegedeeld de eventuele vergoeding hiermee te zullen verrekenen, hetgeen voor de kantonrechter wordt verzwegen in het verzoekschrift;

  • nog de dag voor de mondelinge behandeling ontving zij een brief d.d. 7 september 2005 van de advocaat van Innovisie die zij als intimiderend heeft ervaren. Zij heeft deze brief ter zitting overgelegd. In deze brief die in de adressering de zinsnede: “STRIKT PERSOONLIJK / VERTROUWELIJK”, bevat komen onder andere de volgende passages voor:

“Cliënte wenst u te houden aan de nadrukkelijk tussen u en haar gemaakte afspraken. Hierdoor verzoek is u daarom, slechts voor zover noodzakelijk sommeer ik u, om thans omgaand uw volledige en voorbehoudsloze medewerking te verlenen aan een formele ontbinding met directe ingang, en waarbij aan u een vergoeding zal worden toegekend van € 4.800,- bruto verminderd met hetgeen sinds 1 juni jl. aan u is voldaan c.q. aan u verschuldigd is geworden.

Indien en voorzover u ook nu blijft weigeren uw verplichtingen uit de overeenkomst tussen cliënte en u na te komen, dan zal cliënte de kantonrechter ter terechtzitting van 9 september a.s .vragen de arbeidsovereenkomst tussen u en haar te ontbinden. Cliënte houdt u tevens nadrukkelijk aansprakelijk voor alle schade die zij door de niet-nakoming door u inmiddels reeds heeft geleden en/of nog zal lijden. Cliënte behoudt zich nadrukkelijk het recht voor deze schade integraal op u te verhalen.

Namens cliënte merk ik tot slot op, dat cliënte uw huidige stellingname zeer betreurt. Cliënte heeft zowel gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst als in het kader van de afwikkeling daarvan uw belangen steeds gerespecteerd en heeft (aanzienlijk) meer gedaan dan waartoe zij als werkgeefster verplicht was. Cliënte had van u op uw beurt ook gerekend op medewerking.

In aanmerking genomen het tijdsbestek verzoek ik u vriendelijk doch dringend direct na lezing telefonisch contact met mij op te nemen op bovengemeld telefoonnummer.”

5.15. Innovisie meldt ter zitting dat een en ander is geschied indachtig de met B. gemaakte afspraken waarvan zij uitvoering verlangde, dat het niet haar bedoeling was pressie uit te oefenen maar dat zij het betreurt indien dat als zodanig is opgevat.

5.16. De kantonrechter, daargelaten de juistheid van ieder individueel verwijt, neemt als vergoedingverhogende factoren in aanmerking de omstandigheid dat B. twee maanden geen salaris heeft ontvangen alsmede voormelde brief van 7 september 2005. Het was Innovisie immers duidelijk dat B. de zaak aan de rechter wenste voor te leggen zodat het strijdig is met de eisen van goed werkgeverschap om daags voor de zitting haar te confronteren met een sommatie, een aansprakelijkstelling en een dringend verzoek contact met haar advocaat op te nemen, nu het kennelijk doel daarvan is een zitting te voorkomen. Dit spreekt temeer nu zij niet werd bijgestaan door een raadsman. Het niet betalen van overeengekomen loon valt in dezelfde categorie.

5.17. Nu er sprake is van een relatief kort dienstverband en ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van Innovisie acht de kantonrechter termen aanwezig om zich niet te laten leiden door de richtlijnen als vermeld in de Kantonrechtersformule. De vergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld op 6 maanden x €. 2.400,– bruto x 8% vakantiegeld bruto, hetgeen uitkomt op afgerond €. 15.500,– bruto. Bij de vaststelling van deze vergoeding heeft de kantonrechter als uitgangspunt genomen dat Innovisie gehouden is tot reguliere loondoorbetaling tot datum einde arbeidsovereenkomst.

5.18. Nu een vergoeding ten laste van Innovisie wordt opgelegd, dient haar een termijn te worden gegeven waarbinnen zij het verzoek kan intrekken.

5.19. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt Innovisie veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van B. begroot op nihil.

6). De beslissing:

De kantonrechter:

geeft aan Innovisie een termijn tot en met 28 september 2005 om het verzoek in te trekken;

en, indien het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 29 september 2005;

kent aan B. een vergoeding toe van €. 15.500,– (zegge vijftienduizendvijfhonderd euro) bruto;

veroordeelt Innovisie om dit bedrag op een door B. aan te geven wijze uiterlijk 26 oktober 2005 aan haar te voldoen;

veroordeelt Innovisie in de kosten van deze procedure, aan de zijde van B. begroot op nihil;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Rechters

mr. A.J.J. van Rijen

Instantie: Rechtbank Rotterdam, sector kanton, 19 september 2005

Instantie

Rechtbank Rotterdam, sector kanton

Samenvatting

Een werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werkneemster, nadat die werkneemster is bevallen van dochter. Tijdens de zwangerschap is overleg gevoerd tussen partijen over het in parttime gaan verrichten van de werkzaamheden door werkneemster. Nadat hier aanvankelijk overeenstemming over was, heeft de werkgeefster, vóórdat het zwangerschapsverlof was ingegaan, te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen en dat het niet mogelijk was de betrekking part-time te vervullen

Volledige tekst

Beschikking ex artikel 7:685 BW

inzake:
de besloten vennootschap INNOVISIE GRAFISCHE VORMGEVINGSSTUDIO B.V.,
gevestigd te Rotterdam, verzoekster,
gemachtigde: mr. M.A.T. Schroots

t e g e n :
mevrouw
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
procederende in persoon.

Partijen worden aangeduid als Innovisie en [verweerster], tenzij anders is vermeld.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

1). verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 19 juli 2005,
2). verweerschrift;
3). pleitaantekeningen zijdens Innovisie.

Door beide partijen zijn producties in het geding gebracht.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2005. Innovisie is verschenen bij haar directeur, de heer [directeur], bijgestaan door mr. Werner. [verweerster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar schoonvader, de heer [schoonvader].

De beschikking is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

[verweerster], geboren op [geboortedatum], is met ingang van 28 juli 2003 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Innovisie in de functie van medewerker productie/traffic tegen een bruto-salaris van €. 2.400,– per maand, exclusief vakantiegeld.
Op 23 maart 2005 is [verweerster] bevallen van een dochtertje.
Per 1 juni 2005 was het zwangerschapsverlof geëindigd. Innovisie heeft [verweerster] nadien vrijgesteld van werkzaamheden.

3. Het verzoek

Dit strekt ertoe dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de kortst mogelijke termijn, op grond van een wijziging van omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding.

4. Het verweer

Dit strekt ertoe dat het verzoek wordt afgewezen. Mocht het toch worden toegewezen dan wenst [verweerster] haar achterstallig salaris te ontvangen vanaf 1 juli 2005 en acht zij toekenning van een vergoeding redelijk.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Beide partijen voeren de nodige argumenten aan, deels aan de hand van producties. Deze zullen hierna worden besproken, voorzover zij relevant zijn voor de uitkomst van de procedure.

5.2. Gedurende de maand oktober 2004 heeft [verweerster] overleg gevoerd met Innovisie over haar werksituatie na het zwangerschapsverlof. Oorspronkelijk stelde Innovisie voor dat zij vier dagen in plaats van vijf zou gaan werken. Hier is zij op terug gekomen omdat zij van mening was dat de functie niet in deeltijd kon worden uitgevoerd. Daarna is nog een gesprek gevoerd, waarbij de mede-eigenaresse van een gelieerd bedrijf aanwezig was. Aan [verweerster] werd medegedeeld dat deeltijdwerken niet mogelijk was en dat het beter was als zij een andere baan zou gaan zoeken.

5.3. Nog voor aanvang van het zwangerschapsverlof werd een concept van een beëindigingsovereenkomst aan [verweerster] toegezonden. Zij gaf te kennen het hier niet mee eens te zijn. Na de bevalling is zij bij Innovisie langsgegaan en is haar gebleken dat haar functie was overgenomen door een ander.

5.4. Na 1 juni 2005 is er weer een concept aan [verweerster] toegezonden. Door Innovisie is een verzoekschrift ingediend op neutrale gronden, ontvangen ter griffie op 27 juni 2005. Hiertegen is door [verweerster] een niet neutraal verweerschrift ingediend. Daarna heeft Innovisie een verzoek op tegenspraak ingediend.

5.5. Gebleken is dat de bezwaren van [verweerster] zien op de volgende punten:
1). er is niet serieus gekeken of er niet in deeltijd kan worden gewerkt;
2). zij is nooit akkoord gegaan met ontbinding waarbij aan haar een vergoeding van slechts twee maanden zou worden voldaan;
3). zij heeft nooit de kans gekregen ouderschapsverlof op te nemen;
4). zij maakte zich zorgen dat haar WW-rechten teloor zouden gaan als zij de beëindigingsovereenkomst zou ondertekenen, nu de voorgestane beëindiging alles van doen heeft met haar zwangerschap;
5). niet is duidelijk gemaakt dat er geen andere functies voorhanden waren;
6). niet is aannemelijk gemaakt dat Innovisie in financieel moeilijke omstandigheden verkeert; zie alleen al het feit dat er andere medewerkers zijn aangenomen;
7). zij is niet van plan kosten te maken voor juridische advisering.

5.6. Innovisie stelt hiertegenover dat er afspraken zijn gemaakt inhoudende:
a. beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2005;
b. neutrale ontbindingsprocedure om de WW-rechten zo veilig mogelijk te stellen;
c. ontbindingsvergoeding van twee maanden;
d. in geval van ontbinding na 1 juni 2005 zal het loon na die datum in mindering worden gebracht op de ontbindingsvergoeding.

5.7. De wijziging van omstandigheden is erin gelegen dat [verweerster] de afspraken niet is nagekomen, haar functie inmiddels vervuld wordt door een ander en er dus geen sprake meer kan zijn van toekomstige samenwerking.

5.8. Het volgende wordt overwogen. In het algemeen geldt dat van de werkgever gevergd mag worden dat hij zich er terdege van op de hoogte stelt of de werknemer akkoord is met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zeker indien het geval zich voordoet dat voor de werkgever kenbaar is dat de werknemer nog geen nieuwe baan heeft. Dit heeft alles te maken met het feit dat de werknemer voor zijn levensonderhoud doorgaans in overwegende mate is aangewezen op de loonbetalingen. Bovendien geldt dat, als de werknemer instemt met beëindiging van de arbeidsovereenkomst, hij daarmee zijn WW-rechten op het spel zet. Vandaar dat het verstandig is dat de werknemer zich voorziet van juridische bijstand.

5.9. Een en ander geldt temeer in het geval van een werkneemster die een verzoek doet om minder te mogen gaan werken na haar zwangerschapsverlof, zulks in verband met de zorg voor haar kind. Van de werkgever wordt gevergd, mede in aanmerking genomen de rechten van de werkneemster op grond van de Wet Aanpassing Arbeidsduur en de Wet Arbeid en Zorg, dat hier zorgvuldig mee wordt omgegaan. Gelet op de rechten die de werkneemster op grond van deze wetten heeft en het opzegverbod wegens zwangerschap (tot zes weken na het bevallingsverlof) en dat wegens een verzoek om ouderschapsverlof, zal de werkgever moeten kunnen uitleggen en inzichtelijk maken om welke reden het dienstverband na het zwangerschapsverlof niet voor minder uren kan worden voortgezet. Deze bijzondere in de wet voorziene bescherming van de zwangere werkneemster werkt vanzelfsprekend door (en is daarmee voor de werkgever kenbaar) in haar positie op grond van de Werkloosheidswet. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, na neutrale ontbinding, is bepaald niet risicoloos.

5.10. In deze zaak geldt dat er geen door [verweerster] ondertekende beëindigingsovereenkomst voorligt. Innovisie stelt wel dat uit haar brief van 27 juni 2005, waarin een gesprek van diezelfde datum wordt bevestigd, blijkt dat er sprake is van overeenstemming, maar dit wordt door [verweerster] betwist. Uit de aanbiedingsbrief bij het neutrale verzoekschrift van mr. Schroots aan de griffie van diezelfde datum blijkt dat Innovisie er zelf ook niet zeker van is dat er sprake is van overeenstemming (“Indien en voor zover een gave referte bij u binnenkomt …”). Afgezet tegen voormelde overwegingen dient de kantonrechter er derhalve van uit te gaan dat er geen sprake is van overeenstemming tussen partijen omtrent de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst zou dienen te eindigen.

5.11. Bovendien is van belang dat de vermeende overeenstemming waarop Innovisie zich beroept, met als een van de kernpunten beëindiging per 1 juni 2005 en dus geen loondoorbetaling, rechtstreeks in strijd is met het opzegverbod van artikel 7:670 lid 2 BW. [verweerster], een leek op arbeidsrechtelijk gebied en ook niet door Innovisie financieel in de gelegenheid gesteld een advocaat te raadplegen, gaat op die manier akkoord met het inleveren van ongeveer 1,5 maand loon terwijl Innovisie niet eens gerechtigd was de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Een dergelijke overeenstemming is aantastbaar wegens strijd met de wet. Een en ander nog afgezien van mogelijke strijdigheid met voormelde bijzondere wetten.

5.12. De kantonrechter zou derhalve de verzochte ontbinding dienen te weigeren, ware het niet dat [verweerster] zelf aangeeft dat de verstandhouding met haar directeur inmiddels ernstig is beschadigd. Om deze reden zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden. Uit voormelde overwegingen blijkt dat aan [verweerster] van de door Innovisie gestelde gewijzigde omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt. Voorts blijkt van een onberispelijk dienstverband. Dit betekent dat een vergoeding ten laste van Innovisie zal worden vastgesteld.

5.13. Innovisie stelt dat rekening dient te worden gehouden met haar povere financiële situatie, maar nu daaromtrent geen cijfers worden overgelegd, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Evenmin heeft zij inzichtelijk gemaakt dat er geen andere functies voorhanden zijn, hetgeen, gelet op de door haar onweersproken stelling van [verweerster] dat er inmiddels nieuwe medewerkers zijn aangenomen, zonder meer van haar verwacht had mogen worden, mede in aanmerking genomen de bijzondere ontslagbescherming die aan een zwangere medewerkster / ouder van een kind onder de 8 jaar toekomt.

5.14. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding houdt de kantonrechter rekening met al hetgeen hiervoor is overwogen. Daaruit volgt dat de ontbinding niet aan [verweerster] is te verwijten en de hoogte van de vergoeding dient dit te weerspiegelen. Door [verweerster] is ook nog aangegeven dat zij het optreden van Innovisie en haar advocaat als intimiderend heeft ervaren. De kantonrechter dient te beoordelen of dit “meetelt” in de hoogte van de vergoeding. [verweerster] verwijst naar de volgende omstandigheden:

  • voor het begin van het bevallingsverlof was al duidelijk dat zij na afloop niet meer welkom was zodat zij een perspectief van werkloosheid had;
  • voor het bevallingsverlof werd zij al geconfronteerd met een concept van een beëindigingsovereenkomst;
  • hierdoor heeft zij last gehad van harde buiken;
  • zij heeft zelf moeten vragen of zij na haar zwangerschapsverlof moest komen werken;
  • zij heeft onaangename telefoongesprekken en een bespreking met de advocaat van Innovisie gevoerd;
  • zij ontvangt al twee maanden geen loon en Innovisie heeft medegedeeld de eventuele vergoeding hiermee te zullen verrekenen, hetgeen voor de kantonrechter wordt verzwegen in het verzoekschrift;
  • nog de dag voor de mondelinge behandeling ontving zij een brief d.d. 7 september 2005 van de advocaat van Innovisie die zij als intimiderend heeft ervaren. Zij heeft deze brief ter zitting overgelegd. In deze brief die in de adressering de zinsnede: “STRIKT PERSOONLIJK / VERTROUWELIJK”, bevat komen onder andere de volgende passages voor:

“Cliënte wenst u te houden aan de nadrukkelijk tussen u en haar gemaakte afspraken. Hierdoor verzoek is u daarom, slechts voor zover noodzakelijk sommeer ik u, om thans omgaand uw volledige en voorbehoudsloze medewerking te verlenen aan een formele ontbinding met directe ingang, en waarbij aan u een vergoeding zal worden toegekend van € 4.800,- bruto verminderd met hetgeen sinds 1 juni jl. aan u is voldaan c.q. aan u verschuldigd is geworden.

Indien en voorzover u ook nu blijft weigeren uw verplichtingen uit de overeenkomst tussen cliënte en u na te komen, dan zal cliënte de kantonrechter ter terechtzitting van 9 september a.s .vragen de arbeidsovereenkomst tussen u en haar te ontbinden. Cliënte houdt u tevens nadrukkelijk aansprakelijk voor alle schade die zij door de niet-nakoming door u inmiddels reeds heeft geleden en/of nog zal lijden. Cliënte behoudt zich nadrukkelijk het recht voor deze schade integraal op u te verhalen.

Namens cliënte merk ik tot slot op, dat cliënte uw huidige stellingname zeer betreurt. Cliënte heeft zowel gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst als in het kader van de afwikkeling daarvan uw belangen steeds gerespecteerd en heeft (aanzienlijk) meer gedaan dan waartoe zij als werkgeefster verplicht was. Cliënte had van u op uw beurt ook gerekend op medewerking.

In aanmerking genomen het tijdsbestek verzoek ik u vriendelijk doch dringend direct na lezing telefonisch contact met mij op te nemen op bovengemeld telefoonnummer.”

5.15. Innovisie meldt ter zitting dat een en ander is geschied indachtig de met [verweerster] gemaakte afspraken waarvan zij uitvoering verlangde, dat het niet haar bedoeling was pressie uit te oefenen maar dat zij het betreurt indien dat als zodanig is opgevat.

5.16. De kantonrechter, daargelaten de juistheid van ieder individueel verwijt, neemt als vergoedingverhogende factoren in aanmerking de omstandigheid dat [verweerster] al twee maanden geen salaris heeft ontvangen alsmede voormelde brief van 7 september 2005. Het was Innovisie immers duidelijk dat [verweerster] de zaak aan de rechter wenste voor te leggen zodat het strijdig is met de eisen van goed werkgeverschap om daags voor de zitting haar te confronteren met een sommatie, een aansprakelijkstelling en een dringend verzoek contact met haar advocaat op te nemen, nu het kennelijk doel daarvan is een zitting te voorkomen. Dit spreekt temeer nu zij niet werd bijgestaan door een raadsman. Het niet betalen van overeengekomen loon valt in dezelfde categorie.

5.17. Nu er sprake is van een relatief kort dienstverband en ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van Innovisie acht de kantonrechter termen aanwezig om zich niet te laten leiden door de richtlijnen als vermeld in de Kantonrechtersformule. De vergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld op 6 maanden x €. 2.400,– bruto x 8% vakantiegeld bruto, hetgeen uitkomt op afgerond €. 15.500,– bruto. Bij de vaststelling van deze vergoeding heeft de kantonrechter als uitgangspunt genomen dat Innovisie gehouden is tot reguliere loondoorbetaling tot datum einde arbeidsovereenkomst.

5.18. Nu een vergoeding ten laste van Innovisie wordt opgelegd, dient haar een termijn te worden gegeven waarbinnen zij het verzoek kan intrekken.

5.19. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt Innovisie veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

6. De beslissing:

De kantonrechter:
geeft aan Innovisie een termijn tot en met 28 september 2005 om het verzoek in te trekken;
en, indien het verzoek niet wordt ingetrokken:
ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 29 september 2005;
kent aan [verweerster] een vergoeding toe van €. 15.500,– (zegge vijftienduizendvijfhonderd euro) bruto;
veroordeelt Innovisie om dit bedrag op een door [verweerster] aan te geven wijze uiterlijk 26 oktober 2005 aan haar te voldoen;
veroordeelt Innovisie in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil;
wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

mr. A.J.J. van Rijen

Instantie: Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 13 september 2005

Instantie

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Samenvatting

B. en L. tegen het Verenigd Koninkrijk 

 

De uitspraak heeft betrekking op het recht om te huwen (art. 12 EVRM), een onderwerp waarover het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nog niet zo vaak uitspraak heeft gedaan. Het gaat om de beperking van het recht om te huwen met familieleden die geen bloedverwanten zijn (in dit geval de schoonvader). Volgens het Hof vormt dit een aantasting van de kern van het recht om te huwen, waarvoor geen overtuigende rechtvaardiging bestaat. Nu vergelijkbare beperkingen in veel andere lidstaten van de Raad van Europa bestaan, heeft deze uitspraak potentieel veel gevolgen voor het familierecht.

Volledige tekst

Volledige tekst

Klagers zijn elkaars schoonvader en schoondochter. Zij wensen met elkaar te trouwen, maar het Engelse recht staat in de weg aan een dergelijk huwelijk, zolang hun (ex-)echtgenoten nog niet zijn overleden. Weliswaar is het mogelijk om bij bijzondere wet toestemming voor het huwelijk te verkrijgen, maar volgens klagers is dit een te ingewikkelde en overmatig belastende procedure.

Het EHRM oordeelt dat door deze beperking het recht om te huwen (art. 12 EVRM) in de kern aangetast. Dit is niet minder het geval doordat er in bijzondere gevallen een wettelijke uitzondering kan worden gemaakt. Volgens het VK is de aantasting gerechtvaardigd door de wens om de integriteit van de familie te waarborgen, seksuele rivaliteit tussen ouders en kinderen te voorkomen en schade aan kinderen (die kan worden veroorzaakt door de veranderende verhoudingen tussen de volwassenen om hen heen) te voorkomen. Het EHRM acht deze rechtvaardiging niet voldoende overtuigend. Niet alleen wordt de waarde ervan ontkracht door het feit dat ongehuwd samenwonen in dit soort verhoudingen niet verboden is, maar ook is gebleken dat in het VK huwelijken van dit type soms door een bijzondere wet worden toegestaan. Daardoor is sprake van een dusdanige inconsistentie van beleid dat de rationaliteit van het verbod wordt ontkracht. Schending art. 12 EVRM.

Rechters

Casadevall (President), Bratza, Bonello, Maruste, Pavlovschi, Garlicki, Borrego Borrego

Commentaar op de nota voorkeursbehandeling, september 2005

Commentaar op de Nota voorkeursbehandeling

De nota voorkeursbehandeling zal op 1 december 2005 worden besproken door de vaste kamercommissie SZW. In het Commentaar op de Nota voorkeursbehandeling van de Werkgroep Sociaal en Europees Recht wordt nog de datum van 28 september vermeld. Die bespreking is echter verschoven naar 1 december.

Vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid Tweede Kamer
t.a.v. de griffier dhr. D.S. Nava
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

c.c. Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

betreft:
Commentaar Nota voorkeursbehandeling (28 770, nr. 11) van de werkgroep sociaal en europeesrecht van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann d.d. september 2005

contactpersoon:
mr. Eva Cremers JOB.Cremers@fiberworld.nl tel. 071- 5226552

Geachte dames en heren,

Op 28 september 2005 zult u met minister de Geus van gedachten wisselen over de Nota voorkeursbehandeling. Met het oog hierop brengt het bestuur van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (hierna: VVR) het Commentaar Nota voorkeursbehandeling van de werkgroep sociaal en europeesrecht van de VVR onder uw aandacht.

Bij de Nota Voorkeursbehandeling kunnen diverse kritische kanttekeningen worden geplaatst. Het onderstaande commentaar beperkt zich tot de positie van vrouwen en de in de nota aangekondigde toetsing aan artikel 4 VN-vrouwenverdrag.

De Nota voorkeursbehandeling kondigt op pagina 2 en 3 aan dat het VN-vrouwenverdrag zal worden betrokken bij de visie van het kabinet op de toelaatbaarheid van vormen van voorkeursbehandeling. De VVR stelt vast dat deze belofte absoluut niet is waar gemaakt. Alleen op pagina 19 van de nota is het VN-vrouwenverdrag aan de orde. Op die plaats wordt slechts volstaan met een verwijzing naar de tekst van artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdrag. De concrete betekenis van de bepaling speelt in de nota geen enkele rol, althans niet expliciet.

Het CEDAW, het orgaan dat is belast met het toezicht op de naleving van het VN-vrouwenverdrag, heeft in 2004 een uitvoerige uitleg gegeven van de betekenis van artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdrag. Het betreft Algemene Aanbeveling nr. 25 inzake tijdelijke speciale maatregelen voor vrouwen. In de Nota voorkeursbehandeling wordt met geen woord gerept over het bestaan van deze aanbeveling terwijl deze onontbeerlijk is voor een goed begrip van de verplichtingen die Nederland als lidstaat op grond van artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdrag heeft.

Aanbeveling 25 van het CEDAW is niet opgenomen in het Dossier VN-vrouwenverdrag op de website van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ook de andere aanbevelingen van het CEDAW en overigens ook de teksten van het VN-vrouwenverdrag en de individuele klachtprocedure maken geen deel uit van dat dossier. De VVR is van mening dat dit onterecht is. Deze teksten moeten bekend worden gemaakt via dit dossier. Het CEDAW beveelt in O.2 Aanbeveling 25 publicatie in de Nederlandse taal aan omdat de teksten voor een ieder toegankelijk moeten zijn. U kunt thans de inhoud van de aanbeveling en de overige documenten in ieder geval raadplegen via de toegankelijke website www.law.uu.nl/sim van het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten (SIM) en overigens ook via de website van de Verenigde Naties.

Het navolgende commentaar bestaat uit twee delen:

  • een korte toelichting op de betekenis van artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdrag en Aanbeveling 25;
  • knelpunten in de Nota voorkeursbehandeling.

Toelichting artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdag en Aanbeveling 25
Artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdrag luidt:
‘Wanneer de lidstaten die partij zijn bij dit verdrag, tijdelijk bijzondere maatregelen treffen die zijn gericht op versnelling van feitelijke gelijkstelling van mannen en vrouwen wordt dit niet beschouwd als discriminatie, als omschreven in dit Verdrag, maar het mag geenszins leiden tot handhaving ongelijke of afzonderlijke normen; deze maatregelen dienen buiten werking worden gesteld zodra de doelstellingen ter zake van gelijke kansen en gelijke behandeling zijn verwezenlijkt.’

Artikel 4 is opgenomen in Deel I van het verdrag met de algemene bepalingen. De Nota voorkeursbehandeling heeft vrijwel uitsluitend betrekking op de deelname aan de arbeid. Artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdrag moet daarom in combinatie met artikel 11 VN-vrouwenverdrag worden gelezen omdat in het laatste artikel van discriminatie van vrouwen bij de deelname aan het arbeidsproces wordt verboden.

Het CEDAW heeft als algemeen uitgangspunt dat het VN-vrouwenverdrag op een dynamische wijze moet worden geïnterpreteerd. Aanbeveling 25 is een voorbeeld van een dynamische interpretatie van artikel 4 lid 1 door het CEDAW. De aanbeveling bestaat uit 39 overwegingen waarin de betekenis van artikel 4 lid 1 wordt uitgelegd en de verplichtingen voor de lid-staten worden geformuleerd.

In deel II van Aanbeveling 25 is uiteengezet dat voor een goed begrip van de reikwijdte en de betekenis van artikel 4 lid 1 allereerst de doelstelling van het VN-vrouwenverdrag van belang is. Het verdrag heeft tot doel alle vormen van discriminatie van vrouwen te bestrijden ten einde volledige gelijkheid te bewerkstelligen. De focus van het verdrag is het bestrijden van discriminatie van vrouwen en niet discriminatie op grond van geslacht. Het verdrag is resultaatsgericht in de zin dat het gaat om het bereiken van feitelijke ofwel wezenlijke gelijkheid van vrouwen.
Het algemene interpretatiekader voor alle verdragsbepalingen wordt gevormd door gezamenlijke lezing van de artikelen 1 tot en met 5 en 24 waaruit drie centrale verplichtingen voor de lidstaten kunnen worden afgeleid. Voor de inhoud van de Nota voorkeursbehandeling is het onder andere van belang dat Nederland als lidstaat verplicht is vrouwen te beschermen tegen discriminatie door bijvoorbeeld arbeidsorganisaties en dat vrouwen recht hebben op een concreet en effectief beleid gericht op positieverbetering.

Het CEDAW geeft aan dat een formeel juridische benadering niet voldoende is om positieverbetering te bereiken. Vrouwen moet een gelijke start worden geboden. Het is niet genoeg om vrouwen een identieke behandeling te garanderen. Zowel biologische als sociaal en cultureel geconstrueerde verschillen tussen vrouwen en mannen moeten in de beschouwing worden betrokken en dat kan betekenen dat onder omstandigheden een niet-identieke behandeling van vrouwen en mannen vereist is. Het CEDAW vraagt ook aandacht voor groepen vrouwen die met meervoudige discriminatie te maken hebben. Discriminatie op grond van bijvoorbeeld ras, godsdienst of handicap kan vrouwen harder treffen dan mannen. Lidstaten moeten tijdelijke speciale maatregelen treffen om deze discriminatie van vrouwen te bestrijden.

In de overwegingen 18 tot en met 24 gaat het CEDAW heel specifiek in op de betekenis van artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdrag. Maatregelen die onder bereik van dit artikel vallen, kunnen niet worden gezien als een uitzondering op de norm van non-discriminatie maar als een onderdeel van een noodzakelijke strategie om feitelijke of wezenlijke gelijkheid te bereiken. Met deze maatregelen kan het effect van discriminatie uit het verleden ongedaan worden gemaakt. Het CEDAW benadrukt dat de lidstaten een duidelijk verschil moeten maken tussen enerzijds tijdelijke speciale maatregelen voor vrouwen en anderzijds algemene sociale beleidsmaatregelen waarmee de situatie van vrouwen kan worden verbeterd. In O. 20 tot en met O. 22 worden de elementen van het begrip ’tijdelijke speciale maatregelen’ toegelicht. Voorkeursbehandeling is een van de instrumenten die daar wordt genoemd. Het CEDAW geeft aan dat het treffen van deze maatregelen kan leiden tot het ter discussie stellen van de kwalificaties en verdiensten van de groep of individuen voor wie de maatregelen gelden. Bij de deelname aan de arbeid zou het met name van belang zijn dat de kwalificaties voor functies zorgvuldig op hun genderlading worden geanalyseerd. Uit O. 24 blijkt dat lidstaten verplicht zijn tijdelijke speciale maatregelen te nemen als deze noodzakelijk en geschikt zijn om het doel van wezenlijke gelijkheid versneld te bereiken.

In de overwegingen 25 tot 39 doet het CEDAW een reeks aanbevelingen aan de lidstaten. De aanbevelingen hebben onder andere betrekking op de inhoud van de rapportageverplichting aan het CEDAW. Het belang van een goede cijfermatige onderbouwing is een van de thema’s. Het CEDAW beklemtoont in O. 29 dat de lidstaten de verantwoordelijkheid dragen voor de naleving van het VN-vrouwenverdrag en dat die verantwoordelijkheid zich ook uitstrekt tot het handelen van bijvoorbeeld arbeidsorganisatie in de private sector. O. 31 maakt duidelijk dat de nationale wetgeving een bepaling moet bevatten die het treffen van tijdelijke speciale maatregelen in de zin van artikel 4 lid 1 mogelijk maakt.

Nota voorkeursbehandeling en artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdrag en Aanbeveling 25
Tegen de achtergrond van artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdrag en de dynamische interpretatie
van deze bepaling in Aanbeveling 25 wil de VVR de volgende kanttekeningen plaatsen bij de Nota
voorkeursbehandeling.

In de eerste plaats is het uitgangspunt dat de wet voorkeursbehandeling alleen voor groepen met een structurele achterstandspositie mogelijk moet maken, in overeenstemming met de benadering van artikel 4 lid 1 VN-vrouwenverdrag en Aanbeveling 25. Dat is een duidelijk positief element. De nota zou dit expliciet moeten vermelden en daarbij naar overwegingen uit de aanbeveling kunnen verwijzen. Dat is met name van belang omdat de CGB heeft geadviseerd de mogelijkheid van voorkeursbehandeling uit te breiden naar alle gronden die in de gelijkebehandelingswetgeving voorkomen en dit bovendien symmetrisch te formuleren. De CGB lijkt hiermee de visie te vertolken dat voorkeursbehandeling mogelijk moet zijn bij een gebleken achterstand binnen een arbeidsorganisatie in plaats van bij een structurele achterstandspositie binnen de samenleving.

De Nota voorkeursbehandeling gaat uit van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van voorkeursbehandeling. Deze jurisprudentie wordt beschreven zonder enige kritische beschouwing terwijl de benadering van het Hof duidelijk afwijkt van de visie van het CEDAW. Zoals hierboven is vermeld, gaat het CEDAW er vanuit dat een maatregel als voorkeursbehandeling voor vrouwen niet moeten worden gezien als een uitzondering op de norm van non-discriminatie maar als een onderdeel van een noodzakelijke strategie om feitelijke of wezenlijke gelijkheid te bereiken en dat met behulp van een dergelijke maatregel het effect van discriminatie uit het verleden ongedaan kan worden gemaakt. Het Hof beschouwd voorkeursbehandeling van vrouwen daarentegen als discriminatie van individuele mannen.
De nota zou aan deze verschillende benaderingen aandacht moeten schenken en daarbij kunnen aangeven wat Nederland zou kunnen en willen ondernemen om de positie van vrouwen binnen het EG-recht te versterken omdat vrouwen in een structurele achterstandspositie verkeren.

Het verschil in benadering tussen het CEDAW en het Hof van Justitie van de EG zou ook een rol moeten spelen bij de vraag of de strikte uitleg van het Hof van de toelaatbaarheid van vormen van voorkeursbehandeling moet worden overgenomen bij de beoordeling van voorkeursbehandeling van leden van een etnische of culturele minderheidsgroep en van gehandicapte personen en chronische zieken. Het CEDAW heeft immers ook uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de positie van vrouwen die dubbel worden gediscrimineerd. Voor gehandicapte vrouwen en vrouwen die behoren tot een etnische of culturele minderheidsgroep, kan het extra noodzakelijk zijn om de zwaardere vormen van voorkeursbehandeling wel toe te laten. In de Nota Voorkeursbehandeling zou het standpunt van het kabinet uit de concept-nota om eventuele jurisprudentie hieromtrent af te wachten, opnieuw kunnen worden ingenomen. In eventuele juridische procedures kan aan het Hof een oordeel worden ontlokt over de toelaatbaarheid van zwaardere vormen van voorkeursbehandeling van vrouwen die dubbel worden gediscrimineerd.

In de Nota voorkeursbehandeling gaat het kabinet niet uitvoerig in op het verschil tussen voorkeursbehandeling en algemene sociale beleidsmaatregelen. Het verschil wordt genoemd maar de beleidsmaatregelen worden onderling niet duidelijk afgebakend. Zoals hierboven is vermeld, acht het CEDAW dit wel noodzakelijk. Dit standpunt versterkt het verzoek dat de CGB in het advies over de concept-nota heeft gedaan, om uitvoeriger aandacht te schenken aan de verschillen.
De onderlinge afbakening is van groot belang, ook omdat bepaald sociaal beleid noodzakelijk kan zijn om discriminatie van vrouwen (en andere groepen) te voorkomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het voeren van een deeltijdbeleid binnen een arbeidsorganisatie om te voorkomen dat in strijd met het verbod van seksediscriminatie en met het verbod van onderscheid naar arbeidsduur wordt gehandeld. Een werkgever kan verplicht zijn tot actief handelen. Bij de grond handicap en chronische ziekte is dit wettelijke vastgelegd door te bepalen dat het niet treffen van noodzakelijke aanpassingen betekent dat een werkgever in strijd met het discriminatieverbod handelt. Zoals gezegd kan deze verplichting tot actief handelen ook bij het verbod van sekseonderscheid aan de orde zijn. Aan de oordelen van de CGB kan het voorbeeld worden ontleend van het vereiste van inzichtelijkheid en transparantie van een sollicitatieprocedure. Een werkgever die nalatig is op dit punt, handelt mogelijk in strijd met het discriminatieverbod.

Hoogachtend,

Namens het Bestuur van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann

Eva Cremers

Instantie: Kantonrechter Heerlen, 6 juli 2005

Instantie

Kantonrechter Heerlen

Samenvatting

Kostwinnersfranchise geen ongelijke behandeling m/v
 

Waarom is de uitspraak interessant? Omdat wordt geoordeeld dat het toepassen van dezelfde franchise bij de berekening van het aanvullend pensioen bij kostwinners en bij tweeverdieners geen onderscheid naar geslacht oplevert, terwijl een kostwinner een hogere AOW-uitkering krijgt dan tweeverdieners elk afzonderlijk krijgen, dit in afwijking van het oordeel van de CGB over de materie (CGB 2004-34)

 

LJN: AT8795,Sector kanton Rechtbank Maastricht, 171590 CV EXPL 04-5956

 

Volledige tekst

Eiseres en haar partner genieten beiden inkomsten uit arbeid. Bij de opbouw van het pensioen van eiseres wordt een deel van het inkomen buiten beschouwing gelaten als zijnde de AOW-franchise. Tweeverdieners, zoals eiseres en haar partner, hebben elk recht op een AOW-uitkering van 50% van het minimumloon. De uitkering voor alleenstaanden is 70%. De franchise voor tweeverdieners was bij het ABP tot aan 1 januari 2004 niet lager dan die van kostwinners, dit hoewel zij wel een lagere AOW-uitkering krijgen. Eiseres stelt dat daardoor indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt. De CGB is, in een andere zaak, tot ditzelfde oordeel gekomen.

 

De kantonrechter is van mening dat geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het aanvullend pensioen van elk der tweeverdieners afzonderlijk is gelijk aan dat van de kostwinner. Bij tweeverdieners kan een gat worden geconstateerd als hun aanvullende pensioenen en hun AOW-uitkeringen bij elkaar worden opgeteld. Dit gat is er niet bij kostwinners als zijn aanvullend pensioen, zijn AOW-uitkering en de AOW-uitkering van zijn niet-verdienende partner bij elkaar worden opgeteld. De Wet gelijke behandeling heeft volgens de rechter echter geen betrekking op onderscheid tussen gezinnen/samenwonenden, maar alleen op onderscheid tussen personen. De AOW-uitkering van de niet-verdienende partner van een kostwinner kan niet aan hem worden toegerekend. Gebeurt dat niet, dan bedraagt het pensioen van een alleenverdienende kostwinner evenveel als dat van één persoon in een tweeverdieners-relatie.

Rechters

Mr. Veugelers

Instantie: Rechtbank Groningen, sector bestuursrecht, 7 juni 2005

Instantie

Rechtbank Groningen, sector bestuursrecht

Samenvatting

Verlenging stage advocaat bij zwangerschapsverlof

Waarom is de uitspraak interessant? Omdat geoordeeld is dat verlenging van de stage van een advocaat-stagiaire met de duur van het zwangerschapsverlof in strijd is met het recht.

Volledige tekst

De Nederlandse Orde van Advocaten (NovA) en de Raad van Toezicht te Groningen verschillen van mening over de vraag of het beleid van de Raad van Toezicht om, indien de stage van een advocaat-stagiaire is onderbroken voor een periode van langer dan een maand, de stage te verlengen, ook indien de oorzaak van de onderbreking is gelegen in zwangerschaps- en bevallingsverlof van de stagiaire, rechtsgeldig is.

De rechtbank is van oordeel dat het beleid van de Raad van Toezicht zich niet verdraagt met het EG-recht. Weliswaar is het criterium van de verlenging bij onderbrekingen van langer dan een maand gelijkelijk van toepassing op mannen en vrouwen, maar dit criterium kan en zal in de praktijk vrouwen systematisch benadelen als de Raad van Toezicht kan weigeren een stageverklaring af te geven als een stagiaire langer dan een maand niet feitelijk werkzaam is geweest omdat zij zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten. Voor vrouwelijke stagiaires is de kans dat zij met een verlenging van de stage worden geconfronteerd veel groter dan voor mannelijke stagiaires. Zwangerschaps- en bevallingsverlof duurt namelijk per definitie langer dan een maand en alleen vrouwen kunnen zwanger worden. Vrouwen worden daardoor benadeeld, nu een verlenging van de stage inhoudt dat de betrokkene zich nog niet zelfstandig als advocaat kan vestigen. Het door de Raad van Toezicht gevoerde beleid vormt daarmee een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht. Rechtvaardiging daarvan is niet mogelijk.

Rechters

mrs. Van Straalen, Venema, Marseille

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 11 december 2004

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Bij de echtscheidingsbeschikking van 8 oktober 1998 heeft de Rechtbank Breda de kinderalimentatie vastgesteld op ƒ 350,- per kind per maand. Er zijn twee kinderen. Vader verzoekt thans nihilstelling van de kinderalimentatie wegens gewijzigde omstandigheden. Vader is opnieuw gehuwd en heeft zich bij zijn echtgenote in de USA gevestigd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. Daarnaast behoren nog twee kinderen uit een eerdere relatie van zijn vrouw tot het gezin. Zijn echtgenote voorziet in eigen levensonderhoud. Zij is eigenaresse van het bedrijf waar de vader parttime werkt. Vader stelt dat hij noodgedwongen heeft moeten kiezen voor parttime werk. Zijn Engels is niet goed genoeg om behoorlijk te kunnen functioneren in een fulltime baan. Bovendien zouden de kinderen in zijn huidige gezin gedurende de tijd dat hij aan het werk was ondergebracht moeten worden in een kinderopvang, hetgeen ook weer geld kost. Volgens de jaaropgave van 1999 bedroeg zijn inkomen in dat jaar $ 7.000,-, en volgens de jaaropgave over 2000 bedroeg zijn inkomen in dat jaar $ 15.390,-. De vader stelt dat zijn draagkracht het betalen van kinderalimentatie niet toelaat.
Het hof kijkt bij het bepalen van de draagkracht enerzijds naar de inkomsten die de vader thans feitelijk genereert, maar tevens naar de middelen die hem blijkens zijn levenswijze (in zijn huidige gezin) ten dienste staan. De huidige echtgenote heeft te kennen gegeven in een brief aan de advocaat van de vader, welke brief door de vader is ingebracht in de procedure, dat een beginsalaris van $ 1.500 bij een arbeidsduur van 35-40 uur per week als meer dan redelijk heeft te gelden. Het hof neemt dit aan als indicatief voor het kostenniveau in de huidige woonplaats van vader. Het hof gaat er van uit dat de welstand in het huidige gezin van de vader, bij een netto maandinkomen van de huidige echtgenote van vader van $ 4.284 plus een netto maandinkomen van de vader van $ 212, dan voldoende is om toe te laten dat de vader de hem opgelegde kinderalimentatie betaalt. Ten overvloede merkt het hof nog op het onaannemelijk te achten dat de vader met zijn ervaring en achtergrond (hij was in Nederland werkzaam in de internationale handel) niet in staat zou zijn om ook vanuit zijn huidige woonplaats voldoende inkomsten te verwerven voor het bekostigen van de kinderopvang en de kinderalimentatie.
De volledige tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Volledige tekst

De volledige tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Rechters

Mrs. Stille, Pannekoek-Dubois, Ydema