Instantie: Raad van State afdeling bestuursrechtspraak, 24 juni 2003

Instantie

Raad van State afdeling bestuursrechtspraak

Samenvatting


De ouders, vluchtelingen uit Somalië, hebben ten tijde van hun eerste aanvraag voor een vergunning tot verblijf, mede namens hun minderjarige kinderen,vrees voor een mogelijke besnijdenis van hun twee dochters niet aangevoerd als grond van hun asielaanvraag. Daarna wordt nog een aantal kinderen geboren. Wanneer de ouders vervolgens een beroep doen op de mogelijke besnijdenis wordt dit niet als het inroepen van een nieuw feit aangemerkt, nu de ouders dat al in de eerste procedure hadden kunnen inbrengen. De oudste dochter dient echter een eigen aanvraag in omdat zij besnijdenis vreest. Ten tijde van de indiening van de eerste aanvraag werd zij vertegenwoordigd door haar ouders en gingen haar asielmotieven op in hetgeen de ouders naar voren hebben gebracht. Haar persoonlijke vrees voor besnijdenis wordt nu wel aangemerkt als een nieuw feit.

Volledige tekst

1. PROCESVERLOOP

Bij besluiten van 12 december 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) de aanvraag van S. (hierna.- de oudste dochter) en de herhaalde aanvragen van S.M. en S. Q., mede namens de zes jongste kinderen (hierna: de ouders en de jongste kinderen) en van A. (hierna: de oudste zoon) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraken van 20 februari 2003, verzonden op 21 februari 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 maart 2003 heeft de minister een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.J. Wedemeijer, advocaat te Alkrnaar, en de minister, vertegenwoordigd door C.A. Buschman, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. OVERWEGINGEN
2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die e@,-n. rechtsgrond voor verlening vormen.

2.2. Indien een aanvraag, als bedoeld in voormeld artikel 4:6 van de Awb, wordt ingediend, ertoe strekkende dat de minister terugkomt van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, berust bij de minister de bevoegdheid, als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, bij de aanwending waarvan artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 mede wordt betrokken.
Komt de minister tot het oordeel dat er geen termen zijn het verzoek in te willigen, dan verzet het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000, zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen dat besluit wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit.

Het door de ouders en de jongste kinderen een het door de oudste zoon ingestelde beroep kon dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na de eerdere in rechte onaantastbare uitspraak van 30 mei 2002, waarbij de voorzieningenrechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, het bezwaar van appellanten tegen de afwijzing van eerdere aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ongegrond heeft verklaard, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die de minister tot heroverweging noopten.

2.3. In de grieven 1 tot en met 3, in onderlinge samenhang gelezen, klagen appellanten dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de toepassing van artikel 4:6 van de Awb tot gevolg heeft dat de afwijzing van de aanvragen in strijd komt met het verbod van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2002 in zaak nr. 200200237/1, gepubliceerd in JV 2002/125, NAV 2002/129 en AB 2002, 169) moet de vreemdeling die om bescherming vraagt in de regel voldoen aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels, welke er toe dienen de nationale autoriteiten in staat te stellen aanvragen om een verblijfsvergunning op een ordelijke wijze af te doen. Slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan de noodzaak bestaan om deze regels niet tegen te werpen.

2.3.2. Artikel 4:6 van de Awb is een regel in voorbedoelde zin. De bepaling legt op de vreemdeling de verantwoordelijkheid om direct bij zijn aanvraag al datgene aan te voeren, wat hem bekend is of redelijkerwijs bekend kon zijn en tot inwilliging van de aanvraag zou kunnen leiden. Aldus wordt voorkomen dat het bestuur zonder noodzaak wordt belast met de behandeling van herhaalde aanvragen en wordt een ordelijke besluitvorming binnen redelijke termijn gediend.
Appellanten beroepen zich erop dat in hun land van herkomst meisjes vanaf hun achtste jaar besneden plegen te worden. Vaststaat dat de ouders ten tijde van de eerste aanvraag, die zij mede namens hun minderjarige kinderen hebben ingediend, reeds twee dochters hadden doch
dat zij hun mogelijke besnijdenis in die procedure niet als grond voor hun asielaanvraag hebben aangevoerd. Derhalve heeft de voorzieningenrechter het beroep van de ouders op de mogelijke besnijdenis van hun dochters terecht niet als het inroepen van een nieuw feit aangemerkt, nu dit in de eerste procedure had kunnen worden ingebracht. De geboorte van de derde dochter hangende de behandeling van het bezwaar in de eerste procedure maakt dit niet anders, nu de ouders zowel in de eerste als in de tweede procedure aanvragen hebben gedaan mede namens minderjarige kinderen gezamenlijk, in beide procedures onder die minderjarige kinderen dochters waren en niet valt in te zien dat het voor het al dan niet aanvoeren van de hier aan de orde zijnde asielgrond uitmaakt of het om twee dan wel drie dochters gaat. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden, in verband waarmee zou kunnen worden geoordeeld dat artikel 4:6 van de Awb niet aan de ouders en de kinderen namens wie ze de herhaalde aanvraag hebben ingediend mag worden tegengeworpen. Dit geldt eveneens voor de oudste zoon, die in hoger beroep geen andere gronden heeft aangevoerd dan de ouders.

2.3.3. Het vorenoverwogene gaat echter niet op voor de oudste dochter. Ten tijde van de indiening van de eerste aanvraag werd zij vertegenwoordigd door haar ouders, en gingen haar asielmotieven op in hetgeen de ouders naar voren hebben gebracht. Op 8 december 2002 heeft zij evenwel zelf op eigen naam een aanvraag ingediend. Daarbij heeft zij voor het eerst een grond – haar persoonlijke vrees voor besnijdenis – naar voren kunnen brengen, die bij uitstek op haar eigen persoon betrekking heeft en zodanig specifiek is, dat de aanvraag niet kan worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag. De voorzieningenrechter heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister artikel 4:6 van de Awb kon toepassen bij de behandeling van deze nieuwe aanvraag.

2.4. In grief 4 klagen de ouders en de jongste kinderen dat de voorzieningenrechter ten onrechte hun beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gepasseerd.

2.4.1. De beschikking waarop deze appellanten zich beroepen is afgegeven op 1 oktober 2002. Gesteld noch gebleken is dat appellanten niet reeds bij de indiening van de herhaalde aanvraag op 8 december 2002 een beroep op deze beschikking hadden kunnen doen. Reeds hierom kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.
De grief kan niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat.

2.5. Grief 5 heeft naast hetgeen hiervoor is besproken geen zelfstandige betekenis.

2.6. Het hoger beroep is, voorzover ingesteld door de oudste dochter, gegrond. De aangevallen uitspraak in zaak nr. Awb 02/92868 dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de oudste dochter tegen het besluit van 12 december 2002 inzoverre alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.6.1. Het hoger beroep is, voorzover ingesteld door de overige appellanten, ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen, voorzover het hen betreft, met verbetering van de gronden waarop deze rusten, te worden bevestigd.

2.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. BESLISSING

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep ten aanzien van S. gegrond;
II.. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 20 februari 2003 in zaak nr. AWB 02/92868;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ten aanzien van S. gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 12 december 2002, kenmerk 0212.08.8015;
V. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en integratie in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1449 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (onder vermelding van het zaaknummer);
VI. bevestigt de aangevallen uitspraken tenaanzien van de overige appellanten.

Rechters

Mrs. Vlasblom, Parkins-de Vin, Claessens

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 20 mei 2003

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Op grond van uitlatingen van haar vijfjarige kleinzoon, voor wie zij zorgt, doet de grootmoeder aangifte van seksueel misbruik van de jongen door de vader. Naar aanleiding van de aangifte wordt een studioverhoor georganiseerd. Het Hof ‘s-Hertogenbosch komt tot een bewezenverklaring. Het verzoek van de verdediging om het slachtoffer te doen horen door de R-C dan wel de tape van het studioverhoor te laten onderzoeken door een deskundige op betrouwbaarheid wordt afgewezen. De Hoge Raad acht de motivering van het hof onvoldoende. De bestreden verklaring mag alleen worden gebruikt indien er voldoende steunbewijs is. Daarvan is geen sprake nu de grootmoeder niet heeft doorgevraagd. Doordat zij zich heeft onthouden van een intensieve ondervraging van haar kleinzoon is haar verklaring slechts summier en bovendien van horen zeggen.

Volledige tekst

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 25 april 2002, nummer 20/002255-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “De Geerhorst” te Sittard.

1. DE BESTREDEN UITSPRAAK

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 12 juli 2001 – de verdachte ter zake van “ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd” veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld.

2. GEDING IN CASSATIE

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. van Beest, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1. Het middel keert zich tegen de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van het slachtoffer door de Rechter-Commissaris en het subsidiaire verzoek tot het laten toetsen van de betrouwbaarheid van zijn verklaring door een deskundige. Het middel klaagt dat aldus art. 6 EVRM is geschonden. Blijkens de toelichting beoogt het middel mede te betogen dat het Hof – in het licht van de afwijzing van deze verzoeken – de verklaring van het slachtoffer ten onrechte tot het bewijs heeft doen meewerken.

3.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard:
“dat hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 1999 tot en met 15 september 1999 in Nederland telkens ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1994), bestaande die ontucht telkens hierin dat hij, verdachte, zijn penis in de mond van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of die [slachtoffer] (aan) zijn, verdachtes, penis heeft doen kussen en/of likken, en/of hij, verdachte, de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond heeft genomen en/of (aan) de penis van die [slachtoffer] heeft gelikt en/of gekust.”

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest, waaronder:
a. een proces-verbaal van politie, inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1):
“Ik doe aangifte van seksuele intimidatie/handelingen, gepleegd met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1994. Dit is vermoedelijk gebeurd door zijn natuurlijke vader, [verdachte]. [Slachtoffer] is de zoon van [verdachte] en mijn dochter, [betrokkene 2]. Zij hebben beiden het ouderlijk gezag over [slachtoffer]. Op dit moment woont [slachtoffer] bij mij.
[Slachtoffer] heeft vanaf november 1998 tot 23 januari 1999 met zijn ouders bij mij gewoond. Daarna zijn zij naar het Nemo-huis gegaan. [Betrokkene 2] is daar vervolgens vertrokken, waarna ook [verdachte] daar is weggegaan. [Slachtoffer] is eerst even bij [betrokkene 2] geweest. Vanaf maart 1999 tot 8 september 1999 verbleef [slachtoffer] bij zijn vader. Zij zijn in die tijd overal en nergens geweest: in vakantiehuisjes, hotels, op de Antillen. Toen zij terugkwamen van de Antillen, woonde zijn vader in de [a-straat]. [Slachtoffer] heeft toen nog even bij zijn vader gewoond. Vanaf ongeveer augustus 1999 tot 8 september 1999 is [slachtoffer] in de [a-straat] geweest. [Verdachte] is daarna met de politie meegegaan en [slachtoffer] is toen bij mij gebracht.
Op 14 oktober 1999, toen [slachtoffer] onder de douche ging, vroeg ik hem bij wie hij het liefst was, bij oma, bij mama of bij papa. Toen zei hij: “Bij papa niet, want dan moet ik altijd met de puzzel spelen.” Ik zei toen: “Met de puzzel spelen?” [Slachtoffer] zei toen: “Nee oma, met de piel.” Ik dacht eerst dat het met wassen was gegaan, want dan raak je hem ook aan, dus toen vroeg ik: “Onder de douche?” [Slachtoffer] antwoordde toen: “Nee, in bed.” Ik vroeg toen of ze ook deden kussen met de tong. Toen zei [slachtoffer]: “Ja, maar, oh bah, dat was vies.”
Dat was het moment dat ik dacht dat ik er niet verder op in moest gaan, want ik kon aan zijn gezicht zien dat hij niet veel wilde zeggen. [Slachtoffer] ging ook in het hoekje van de douche staan. Ik heb hem toen afgedroogd en verder hebben we het er niet meer over gehad. De volgende ochtend heb ik de politie opgebeld. Ik heb niet tegen [slachtoffer] gezegd wat ik vond van wat ik gehoord had. Ik heb gisteren pas tegen [slachtoffer] gezegd dat ik met de politie gesproken had. Toen ik hem vroeg of hij nog wist wat hij over papa had verteld, ging hij met zijn hoofd meteen op de bank hangen.
De seksuele handelingen zijn geweest in de tijd dat [slachtoffer] met zijn vader in de [a-straat] woonde. Gisteren, zei [slachtoffer] tegen mij: “Oma, ik weet niet meer precies wanneer, maar ik weet wel waar we woonden. Waar papa de koffers af heeft moeten geven.” Ik vroeg toen of dat hier in [plaats], in de [a-straat], was. Dat was zo. Met koffers afgeven bedoel ik dat [verdachte] zich had aangegeven in verband met de drugshandel.”

b. een proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Jeugd- en Zedenzaken, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten (bewijsmiddel 2):
“Ondergetekenden, M.J.C. Janssen-Van de Wiel (verhoor) en J.B. Lentink (regie), hoorden op maandag 3 januari 2000, vanaf omstreeks 10.36 uur, na daartoe verkregen toestemming:
[slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994 (het hof begrijpt dat bedoeld wordt de minderjarige [slachtoffer]).
Dit verhoor werd afgenomen en audiovisueel geregistreerd in een daarvoor bestemde ruimte van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost. Deze ruimte bestaat uit twee vertrekken, te weten een interviewkamer en een regiekamer. Deze vertrekken zijn gescheiden door een wand waarin een zogenaamd one-wayscreen is aangebracht, zodat het verhoor in de regiekamer visueel is te volgen, terwijl door middel van een geluidsverbinding het verhoor in de regiekamer ook rechtstreeks is te beluisteren.
Ten tijde van het verhoor was I.J.M. Kersten, hoofdagent te Stratum, in de regiekamer aanwezig.”

c. een proces-verbaal, inhoudende als relaas van voornoemde M.J.C. Janssen-Van de Wiel (bewijsmiddel 3):”Op 3 januari 2000 vanaf omstreeks 10.36 uur, hoorde ik in het bureau van politie te Eindhoven een persoon, die opgaf te zijn:
[slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994. (Het hof begrijpt dat bedoeld wordt de minderjarige [slachtoffer].)
Van dit verhoor werden audiovisuele opnamen gemaakt in een daartoe bestemde ruimte. Volstaan zal worden met het weergeven van een uitgebreide samenvatting van het verhoor.
[Slachtoffer] wilde heel graag zijn verhaal vertellen aan de politie, maar alleen als zijn oma in dezelfde kamer aanwezig zou zijn. Na overleg met de Officier van Justitie werd dit toegestaan. Het verhoor werd dus afgenomen in het bijzijn van de oma van [slachtoffer].
Op mijn vraag of [slachtoffer] kan vertellen waarvoor hij is gekomen, zegt hij: “Voor papa, want die is heel stout geweest. “Op mijn vraag wat hij daarover kan vertellen, zegt hij: “Ik moest van papa op zijn plassertje likken en kusjes geven en zuigen. En papa zei: “Er komt iets uit”, maar er komt niets uit. En als er iets uitkwam, ging ik naar de gewone kamer.” [Slachtoffer] woonde eerst bij papa. Hij woonde toen in een flat, een hele grote, en daar hadden ze de koffers gestolen. Ze hebben de koffers weer terug.
Hij was altijd alleen met papa. Waar papa met de plasser had gedaan, daar waren ook de koffers gestolen.
Dat met die plasser is gebeurd in de flat, maar [slachtoffer] weet niet hoe het daar heet. Een flat is hoger dan een hotel, maar je hebt ook hoge hotels en daarin heeft [slachtoffer] ooit gewoond. Die flat staat in Nederland. Op mijn vraag hoe het dan ging met het plassertje, zegt [slachtoffer]: “Nou, als ik vroeg, ik wil dat, dan deden we dat en als ik vroeg, ik wil dat niet, dan deden we dat niet. Op mijn vraag of [slachtoffer] dat dan vroeg, zegt hij: “Nee, papa vroeg of dat ik dat wou. Hij vroeg dan: wil je dat? En als ik wou, zei ik ja en als ik niet wou zei ik neen.”
[Slachtoffer] heeft het ook wel bij papa gedaan en dan wilde hij ook. Op mijn vraag wat hij dan moest doen, zegt [slachtoffer]: “Plassertje kusjes geven en zuigen en ik moest ook op en neer met de piemel” (doet hij voor). Op mijn vraag hoe hij bij die piemel kon komen zegt hij: Ja, dan doe je gewoon de onderbroek en de gewone broek uit, of omhoog. Wij deden ’s avonds de onderbroek aanhouden en de andere broek gewoon uit, net als iedereen. Die broeken bleven dan op de grond in de slaapkamer. De broeken waren dan nog bij de benen. [Slachtoffer] en papa hadden dan allebei zo de broeken naar beneden. Dan moest [slachtoffer] aan de piel van papa zitten. [Slachtoffer] wist wat hij moest doen omdat papa dat vroeg. [Slachtoffer] likte met zijn tong. Kusjes gaf hij met de mond en op en neer gaan deed hij met de hand. De piel had hij dan in zijn hand. Je moet dan zachtjes op en neer gaan.
Het was niet stil als [slachtoffer] dit bij papa deed, ze hoorden dan nog mensen buiten. “Als er dan iemand op de deur klopte, deden wij weer gewoon de onderbroek en de gewone broek aan en dan deden we de deur open”, zegt [slachtoffer].
Dit was in een flat gebeurd in Nederland. Het is ook in een hotel gebeurd.
Op mijn vraag of papa ook zo aan [slachtoffer] heeft gezeten, zegt [slachtoffer]: “Ja, papa ging hetzelfde doen als ik deed en dat jeukte een beetje en verder kan ik het niet zo goed vertellen, want dat weet ik niet meer, maar het gaat over zijn eigen piemel en die van papa.” Zijn piel jeukte omdat zijn papa eraan ging zuigen en dan jeukt dat een beetje omdat de piel van [slachtoffer] wat kleiner is. Als papa dit deed, gebeurde er niets met de piel van [slachtoffer].
In Nederland gebeurde het dan in de flat en verder ook in een hotel. Op mijn vraag wat er toen gebeurd was, zegt [slachtoffer]: “Hetzelfde als in de flat, geen andere dingen.” Als ze dit deden waren hun piemeltjes altijd bloot.
Ik vraag aan [slachtoffer] hoe vaak dit gebeurde. [Slachtoffer] zegt: “Dat weet ik niet, want het is heel vaak gebeurd en dan weet ik het niet.Ik vraag aan [slachtoffer] hoe vaak hij niet wilde als papa hem vroeg of hij dat wilde doen. [Slachtoffer] zegt: “Nee, dat weet ik niet.”
Ik vraag aan [slachtoffer] waar ze dan waren? In de slaapkamer? [Slachtoffer] zegt: “Dat was een hele mooie slaapkamer en daar waren een paar mooie dingen voor op het bed en er was ook een deur voor waar je op kon staan. Ik vraag of hij een balkon bedoeld en dat is zo.
Op mijn vraag waar ze dan in de slaapkamer waren, bijvoorbeeld of ze stonden of ze… [Slachtoffer] zegt dan: “Nee, wij zaten op het bed.”
Ik vraag of ze ook wel wat anders deden dan zitten. [Slachtoffer] zegt “Ja, liggen of met het balletje heel zacht aaien, dat deden we ook wel eens.” Ik vraag, wat voor een balletje? [Slachtoffer] wijst tussen zijn benen en zegt:
“Hier.” Ik zeg dan: “Oh, je balletje.” [Slachtoffer] zegt: “Ja, nee, papa deed het bij mij en ik deed het bij hem. Dat balletje voelde zacht, verder niets. Er zat ook nog iets binnenin, maar dat voelde hard.
Ik vraag aan [slachtoffer] hoe ze lagen in bed. [Slachtoffer] zegt: “Op de buik of op de rug. Niet op de zij of zo.” Als ze op de buik lagen, deden ze niets. [Slachtoffer] zegt: “Wij deden gewoon onder de lakens of onder de dekens en dan konden we gewoon bij het pieletje.” Op mijn vraag waar hun broeken dan waren als ze in bed lagen, zegt [slachtoffer]: “Op de grond, of op onze benen, heel ver.”
Ik geef aan dat hij gezegd heeft dat hij heel zachtjes op en neer moest doen met de piel. [Slachtoffer] zegt: “Ja, want anders ging die piemel er natuurlijk vanaf.” Ik vraag hoe [slachtoffer] wist dat hij zachtjes moest doen. [Slachtoffer] zegt: “Papa zei dat en als papa bij mij hard deed zei ik ook: “Zachtjes doen”.”
Ik herhaal nog wat [slachtoffer] verteld had over de momenten dat de seksuele handelingen verricht werden en toen ze naar bed gingen om te slapen… [Slachtoffer] valt me in de rede en zegt: “En toen deden we dat even en toen gingen we slapen. Maar papa deed geen pyjama aan, alleen een onderbroek en ik een onderbroek, hetzelfde als papa en soms met een pyjama.
Tijdens het verhoor heb ik niet gezien dat er enige interactie tussen [slachtoffer] en zijn oma plaatsvond op de momenten dat door [slachtoffer] relevante informatie werd verstrekt.”

3.2.3. Het Hof heeft de in het middel bedoelde verzoeken in het verkorte arrest onder het hoofdje “De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs” als volgt samengevat en afgewezen:
“De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de minderjarige [slachtoffer] in zijn aanwezigheid als getuige te doen horen in het kabinet van de Rechter-Commissaris, dan wel de door de minderjarige [slachtoffer] in de verhoorstudio afgelegde verklaring op haar betrouwbaarheid te laten toetsen door een terzake deskundige.
Het hof wijst deze verzoeken af.
Tot het horen van de minderjarige [slachtoffer] als getuige acht het hof geen noodzaak aanwezig, reeds omdat de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde en hiervoor bewezenverklaarde in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, in het bijzonder in de verklaring van [betrokkene 1], de oma van de minderjarige.
Voorts neemt het hof in aanmerking dat de door de minderjarige [slachtoffer] in de verhoorstudio afgelegde verklaring is afgenomen in het kader van een onderzoek waarin is gewerkt volgens de aanwijzing van het College van Procureurs-Generaal inzake seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties. Mede op grond daarvan acht het hof aannemelijk dat het onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd, terwijl naar het oordeel van het hof voorts, gezien de verslaglegging van de betrokken verbalisante, voldoende aannemelijk is dat de minderjarige [slachtoffer] met de vereiste zorgvuldigheid op een open, niet- suggestieve wijze is ondervraagd. Voorts acht het hof voldoende aannemelijk dat de aanwezigheid van de oma van de minderjarige [slachtoffer] in de verhoorstudio niet van (beslissende) invloed is geweest op de inhoud van de door de minderjarige afgelegde verklaring, aangezien zowel uit het relaas van de verhorende verbalisante als uit het relaas van de in de regiekamer aanwezige verbalisanten blijkt dat tussen de minderjarige en zijn oma tijdens de afname van het verhoor geen interactie plaatsvond.
Gelet op het vorenstaande acht het hof de uitkomsten van het verhoor van de minderjarige [slachtoffer], mede gelet op de gedetailleerdheid van zijn verklaring, voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te worden gebruikt, terwijl naar het oordeel van het hof van een thans nog af te leggen verklaring een minder grote betrouwbaarheid is te verwachten. Gezien het tijdsverloop en de leeftijd van de minderjarige [slachtoffer] moet immers rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat hij de feiten, zijn beleving daarvan destijds en zijn gedachten daaromtrent achteraf, door elkaar zal halen, mogelijk onder invloed van zijn omgeving.
Voorts is het hof van oordeel dat bij afweging van de betrokken belangen, het belang van de verdachte, om in de gelegenheid te worden gesteld de minderjarige [slachtoffer] te (doen) ondervragen, moet wijken voor het belang van de minderjarige [slachtoffer] om niet (opnieuw) gedwongen te worden tot het herleven van voor hem mogelijk traumatische ervaringen, zodat naar het oordeel van het hof, ter voorkoming van mogelijk ernstige psychische schade aan de minderjarige, iedere confrontatie met die ervaringen ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek, op welke wijze deze ook is georganiseerd, vermeden dient te worden.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de betrouwbaarheid van de door de minderjarige [slachtoffer] in de verhoorstudio afgelegde verklaring, acht het hof geen noodzaak aanwezig om die verklaring aan een deskundigentoetsing te onderwerpen.”

3.3. Bij de beoordeling van de klacht dat het Hof de verklaring van het slachtoffer ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd, moet worden vooropgesteld dat de Hoge Raad in zijn arrest van 12 oktober 1999, NJ1999, 827 heeft geoordeeld dat in een geval als het onderhavige waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad de persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van politie met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, en voorts dat dit steunbewijs dan betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist.

3.4. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte slechts blijken uit de hiervoor onder 3.2.2 sub c en a weergegeven, tegenover de politie afgelegde, verklaringen van het destijds vijfjarige slachtoffer onderscheidenlijk diens grootmoeder. In aanmerking genomen dat laatstbedoeld bewijsmiddel niet meer inhoudt dan de verklaring van de grootmoeder dat het slachtoffer de door haar weergegeven mededelingen heeft gedaan, kan deze door de verdachte betwiste verklaring, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onder de gegeven omstandigheden niet gelden als voldoende steunbewijs in evenbedoelde zin.

3.5. Een en ander brengt mee dat het Hof de verklaring van het slachtoffer niet tot het bewijs mocht doen meewerken, omdat het bepaalde in art. 6 EVRM daaraan in de weg stond. Het middel klaagt daarover terecht.
3.6. Bij het voorgaande moet het volgende worden aangetekend. In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om ontucht met een minderjarige, zal de rechter, indien hij daartoe gronden aanwezig acht, het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer mogen doen prevaleren boven het recht van de verdachte om het slachtoffer te (doen) ondervragen. Als dientengevolge voor de verdachte de gelegenheid heeft ontbroken het slachtoffer te (doen) ondervragen, staat art. 6 EVRM er niet zonder meer aan in de weg dat de door het slachtoffer bij de politie afgelegde verklaring, indien voldoende steunbewijs in de hiervoor onder 3.3 bedoelde zin ontbreekt, tot het bewijs wordt gebezigd. In een dergelijk geval dient aan de verdachte die die verklaring op haar betrouwbaarheid wenst te toetsen, een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie te worden geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging van het slachtoffer (vgl. EHRM 20 december 2001, NJ 2002, 435, en EHRM 2 juli 2002, nr. 34209/96). De wijze waarop een zodanige compensatie zal kunnen worden geëffectueerd zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarbij valt in zaken als de onderhavige te denken aan het ter terechtzitting afspelen van de videoband die is gemaakt van het afleggen van de belastende verklaring van het slachtoffer tegenover de politie en zo nodig het gelasten van een onderzoek door een deskundige van het aldus vastgelegde verhoor.

4. SLOTSOM

Hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. BESLISSING

De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

CONCLUSIE A-G MR. VELLINGA

1. Verdachte is door het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch wegens ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. J. van Beest, advocaat te Dordrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel richt zich, onder verwijzing naar artikel 6 EVRM, tegen de afwijzing door het Hof van het verzoek van de raadsman om de minderjarige [slachtoffer] als getuige in aanwezigheid van de raadsman te doen horen door de Rechter-Commissaris, dan wel de door de minderjarige [slachtoffer] in de verhoorstudio afgelegde verklaring op haar betrouwbaarheid te laten toetsen door een terzake deskundige.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

“De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven:
(…)
Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat het tenlastegelegde niet wettig, maar vooral niet overtuigend bewezen kan worden geacht. Mocht desondanks een veroordeling van mijn cliënt in het verschiet liggen, dan verzoek ik het hof de zaak aan te houden en te verwijzen naar de rechter-commissaris voor het horen van [slachtoffer]. Ik wil dan daarbij aanwezig zijn. Ik merk hierbij op dat dit horen wellicht ook in het belang van [slachtoffer] is, voor het geval hij later verneemt dat zijn vader – onterecht – is veroordeeld op grond van de door hem in de verhoorstudio afgelegde verklaring. Subsidiair ben ik van mening dat het fair trial-beginsel meebrengt, nu het Openbaar Ministerie de gelegenheid heeft gehad [slachtoffer] te horen, dat het hof een deskundige benoemt door wie onderzocht kan worden of [slachtoffer] werkelijk het slachtoffer is van seksueel misbruik en zo ja, of zijn vader, cliënt, daarvoor dan verantwoordelijk is. Gedacht kan worden aan de benoeming van een terzake deskundige psychiater of jeugdpsychiater.”

5. Blijkens zijn arrest heeft het Hof de verzoeken als volgt afgewezen:

“De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
(…)
Tot het horen van de minderjarige [slachtoffer] als getuige acht het hof geen noodzaak aanwezig, reeds omdat de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde en hiervoor bewezenverklaarde in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, in het bijzonder in de verklaring van [betrokkene 1], de oma van de minderjarige.
Voorts neemt het hof in aanmerking dat de door de minderjarige [slachtoffer] in de verhoorstudio afgelegde verklaring is afgenomen in het kader van een onderzoek waarin is gewerkt volgens de aanwijzing van het College van Procureurs-Generaal inzake seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties. Mede op grond daarvan acht het hof aannemelijk dat het onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd, terwijl naar het oordeel van het hof voorts, gezien de verslaglegging door de betrokken verbalisante, voldoende aannemelijk is dat de minderjarige [slachtoffer] met de vereiste zorgvuldigheid op een open, niet-suggestieve wijze is ondervraagd. Voorts acht het hof voldoende aannemelijk dat de aanwezigheid van de oma van de minderjarige [slachtoffer] in de verhoorstudio niet van (beslissende) invloed is geweest op de inhoud van de door de minderjarige afgelegde verklaring, aangezien zowel uit het relaas van de verhorende verbalisante als uit het relaas van de in de regiekamer aanwezige verbalisanten blijkt dat tussen de minderjarige en zijn oma tijdens de afname van het verhoor geen interactie plaatsvond.
Gelet op het vorenstaande acht het hof de uitkomsten van het verhoor van de minderjarige [slachtoffer], mede gelet op de gedetailleerdheid van zijn verklaring, voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te worden gebruikt, terwijl naar het oordeel van het hof van een thans nog af te leggen verklaring een minder grote betrouwbaarheid is te verwachten. Gezien het tijdsverloop en de leeftijd van de minderjarige [slachtoffer] moet immers rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat hij de feiten, zijn beleving daarvan destijds en zijn gedachten daaromtrent achteraf, door elkaar zal halen, mogelijk onder invloed van zijn omgeving.
Voorts is het hof van oordeel dat bij afweging van de betrokken belangen, het belang van de verdachte, om in de gelegenheid te worden gesteld de minderjarige [slachtoffer] te (doen) ondervragen, moet wijken voor het belang van de minderjarige [slachtoffer] om niet (opnieuw) gedwongen te worden tot het herleven van voor hem mogelijk traumatische ervaringen, zodat naar het oordeel van het hof, ter voorkoming van mogelijk ernstige psychische schade aan de minderjarige, iedere confrontatie met die ervaringen ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek, op welke wijze deze ook is georganiseerd, vermeden dient te worden.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de betrouwbaarheid van de door de minderjarige [slachtoffer] in de verhoorstudio afgelegde verklaring, acht het hof geen noodzaak aanwezig om die verklaring aan een deskundigentoetsing te onderwerpen.”

6. Blijkens zijn arrest van 25 april 2002 heeft het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch de volgende bewijsmiddelen gebruikt voor het bewijs:

1. het proces-verbaal van aangifte, inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 1]:
“Ik doe aangifte van seksuele intimidatie/handelingen, gepleegd met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1994. Dit is vermoedelijk gebeurd door zijn natuurlijke vader, [verdachte]. [Slachtoffer] is de zoon van [verdachte] en mijn dochter, [betrokkene 2]. Zij hebben beiden het ouderlijk gezag over [slachtoffer]. Op dit moment woont [slachtoffer] bij mij. [Slachtoffer] heeft vanaf november 1998 tot 23 januari 1999 met zijn ouders bij mij gewoond. Daarna zijn zij naar het Nemo-huis gegaan. [Betrokkene2] is daar vervolgens vertrokken, waarna ook [verdachte] daar is weggegaan. [Slachtoffer] is eerst even bij [betrokkene 2] geweest. Vanaf maart 1999 tot 8 september 1999 verbleef [slachtoffer] bij zijn vader. Zij zijn in die tijd overal en nergens geweest: in vakantiehuisjes, hotels, op de Antillen. Toen zij terugkwamen van de Antillen, woonde zijn vader in de [a-straat]. [Slachtoffer] heeft toen nog even bij zijn vader gewoond. Vanaf ongeveer augustus 1999 tot 8 september 1999 is [slachtoffer] in de [a-straat] geweest. [Verdachte] is daarna met de politie meegegaan en [slachtoffer] is toen bij mij gebracht.
Op 14 oktober 1999, toen [slachtoffer] onder de douche ging, vroeg ik hem bij wie hij het liefst was, bij oma, bij mama of bij papa. Toen zei hij: “Bij papa niet, want dan moet ik altijd met de puzzel spelen.” Ik zei toen: “Met de puzzel spelen?” [Slachtoffer] zei toen: “Nee oma, met de piel.” Ik dacht eerst dat het met wassen was gegaan, want dan raak je hem ook aan, dus toen vroeg ik: “Onder de douche?” [Slachtoffer] antwoordde toen: “Nee, in bed.” Ik vroeg toen of ze ook deden kussen met de tong. Toen zei [slachtoffer]: “Ja, maar, oh bah, dat was vies.”
Dat was het moment dat ik dacht dat ik er niet verder op in moest gaan, want ik kon aan zijn gezicht zien dat hij niet veel wilde zeggen. [Slachtoffer] ging ook in het hoekje van de douche staan. Ik heb hem toen afgedroogd en verder hebben we het er niet meer over gehad. De volgende ochtend heb ik de politie opgebeld. Ik heb niet tegen [slachtoffer] gezegd wat ik vond van wat ik gehoord had. Ik heb gisteren pas tegen [slachtoffer] gezegd dat ik met de politie gesproken had. Toen ik hem vroeg of hij nog wist wat hij over papa had verteld, ging hij met zijn hoofd meteen op de bank hangen.
De seksuele handelingen zijn geweest in de tijd dat [slachtoffer] met zijn vader in de [a-straat] woonde. Gisteren, zei [slachtoffer] tegen mij: “Oma, ik weet niet meer precies wanneer, maar ik weet wel waar we woonden. Waar papa de koffers af heeft moeten geven.” Ik vroeg toen of dat hier in [plaats], in de [a-straat], was. Dat was zo. Met koffers afgeven bedoel ik dat [verdachte] zich had aangegeven in verband met de drugshandel.”

2. een proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:
“Ondergetekenden, M.J.C. Janssen-Van de Wiel (verhoor) en J.B. Lentink (regie), hoorden op maandag 3 januari 2000, vanaf omstreeks 10.36 uur, na daartoe verkregen toestemming:
[slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994 (het hof begrijpt dat bedoeld wordt de minderjarige [slachtoffer]).
Dit verhoor werd afgenomen en audiovisueel geregistreerd in een daarvoor bestemde ruimte van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost. Deze ruimte bestaat uit twee vertrekken, te weten een interviewkamer en een regiekamer. Deze vertrekken zijn gescheiden door een wand waarin een zogenaamd one-wayscreen is aangebracht, zodat het verhoor in de regiekamer visueel is te volgen, terwijl door middel van een geluidsverbinding het verhoor in de regiekamer ook rechtstreeks is te beluisteren.
Ten tijde van het verhoor was I.J.M. Kersten, hoofdagent te Stratum, in de regiekamer aanwezig.”

3. een proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:
“Op 3 januari 2000 vanaf omstreeks 10.36 uur, hoorde ik in het bureau van politie te Eindhoven een persoon, die opgaf te zijn:
[slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.
(Het hof begrijpt dat bedoeld wordt de minderjarige [slachtoffer].)
Van dit verhoor werden audiovisuele opnamen gemaakt in een daartoe bestemde ruimte. Volstaan zal worden met het weergeven van een uitgebreide samenvatting van het verhoor.
[Slachtoffer] wilde heel graag zijn verhaal vertellen aan de politie, maar alleen als zijn oma in dezelfde kamer aanwezig zou zijn. Na overleg met de Officier van Justitie werd dit toegestaan. Het verhoor werd dus afgenomen in het bijzijn van de oma van [slachtoffer].
Op mijn vraag of [slachtoffer] kan vertellen waarvoor hij is gekomen, zegt hij: “Voor papa, want die is heel stout geweest.” Op mijn vraag wat hij daarover kan vertellen, zegt hij: “Ik moest van papa op zijn plassertje likken en kusjes geven en zuigen. En papa zei: “Er komt iets uit”, maar er komt niets uit. En als er iets uitkwam, ging ik naar de gewone kamer.”
[Slachtoffer] woonde eerst bij papa. Hij woonde toen in een flat, een hele grote, en daar hadden ze de koffers gestolen. Ze hebben de koffers weer terug.
Hij was altijd alleen met papa. Waar papa met de plasser had gedaan, daar waren ook de koffers gestolen.
Dat met die plasser is gebeurd in de flat, maar [slachtoffer] weet niet hoe het daar heet. Een flat is hoger dan een hotel, maar je hebt ook hoge hotels en daarin heeft [slachtoffer] ooit gewoond. Die flat staat in Nederland. Op mijn vraag hoe het dan ging met het plassertje, zegt [slachtoffer]: “Nou, als ik vroeg, ik wil dat, dan deden we dat en als ik vroeg, ik wil dat niet, dan deden we dat niet. Op mijn vraag of [slachtoffer] dat dan vroeg, zegt hij: ‘Nee, papa vroeg of dat ik dat wou. Hij vroeg dan: wil je dat? En als ik wou, zei ik ja en als ik niet wou zei ik neen.”
[Slachtoffer] heeft het ook wel bij papa gedaan en dan wilde hij ook. Op mijn vraag wat hij dan moest doen, zegt [slachtoffer]: “Plassertje kusjes geven en zuigen en ik moest ook op en neer met de piemel” (doet hij voor). Op mijn vraag hoe hij bij die piemel kon komen zegt hij: Ja, dan doe je gewoon de onderbroek en de gewone broek uit, of omhoog. Wij deden ’s avonds de onderbroek aanhouden en de andere broek gewoon uit, net als iedereen. Die broeken bleven dan op de grond in de slaapkamer. De broeken waren dan nog bij de benen. [Slachtoffer] en papa hadden dan allebei zo de broeken naar beneden. Dan moest [slachtoffer] aan de piel van papa zitten. [Slachtoffer] wist wat hij moest doen omdat papa dat vroeg. [Slachtoffer] likte met zijn tong. Kusjes gaf hij met de mond en op en neer gaan deed hij met de hand. De piel had hij dan in zijn hand. Je moet dan zachtjes op en neer gaan.
Het was niet stil als [slachtoffer] dit bij papa deed, ze hoorden dan nog mensen buiten. “Als er dan iemand op de deur klopte, deden wij weer gewoon de onderbroek en de gewone broek aan en dan deden we de deur open”, zegt [slachtoffer].
Dit was in een flat gebeurd in Nederland. Het is ook in een hotel gebeurd.
Op mijn vraag of papa ook zo aan [slachtoffer] heeft gezeten, zegt [slachtoffer]: “Ja, papa ging hetzelfde doen als ik deed en dat jeukte een beetje en verder kan ik het niet zo goed vertellen, want dat weet ik niet meer, maar het gaat over zijn eigen piemel en die van papa.” Zijn piel jeukte omdat zijn papa eraan ging zuigen en dan jeukt dat een beetje omdat de piel van [slachtoffer] wat kleiner is. Als papa dit deed, gebeurde er niets met de piel van [slachtoffer].
In Nederland gebeurde het dan in de flat en verder ook in een hotel. Op mijn vraag wat er toen gebeurd was, zegt [slachtoffer]: “Hetzelfde als in de flat, geen andere dingen.” Als ze dit deden waren hun piemeltjes altijd bloot.
Ik vraag aan [slachtoffer] hoe vaak dit gebeurde. [Slachtoffer] zegt: “Dat weet ik niet, want het is heel vaak gebeurd en dan weet ik het niet.
Ik vraag aan [slachtoffer] hoe vaak hij niet wilde als papa hem vroeg of hij dat wilde doen. [Slachtoffer] zegt: “Nee, dat weet ik niet.”
Ik vraag aan [slachtoffer] waar ze dan waren? In de slaapkamer? [slachtoffer] zegt: “Dat was een hele mooie slaapkamer en daar waren een paar mooie dingen voor op het bed en er was ook een deur voor waar je op kon staan. Ik vraag of hij een balkon bedoeld en dat is zo.
Op mijn vraag waar ze dan in de slaapkamer waren, bijvoorbeeld of ze stonden of ze… [Slachtoffer] zegt dan: “Nee, wij zaten op het bed.”
Ik vraag of ze ook wel wat anders deden dan zitten. [Slachtoffer] zeg ” Ja, liggen of met het balletje heel zacht aaien, dat deden we ook wel eens.” Ik vraag, wat voor een balletje? [slachtoffer] wijst tussen zijn benen en zegt: “Hier.” Ik zeg dan: “Oh, je balletje.” [slachtoffer] zegt: “Ja, nee, papa deed het bij mij en ik deed het bij hem. Dat balletje voelde zacht, verder niets. Er zat ook nog iets binnenin, maar dat voelde hard.
Ik vraag aan [slachtoffer] hoe ze lagen in bed. [Slachtoffer] zegt: “Op de buik of op de rug. Niet op de zij of zo.” Als ze op de buik lagen, deden ze niets. [Slachtoffer] zegt: ‘Wij deden gewoon onder de lakens of onder de dekens en dan konden we gewoon bij het pieletje.” Op mijn vraag waar hun broeken dan waren als ze in bed lagen, zegt [slachtoffer]: “Op de grond, of op onze benen, heel ver.”
Ik geef aan dat hij gezegd heeft dat hij heel zachtjes op en neer moest doen met de piel. [Slachtoffer] zegt: “Ja, want anders ging die piemel er natuurlijk vanaf.” Ik vraag hoe [slachtoffer] wist dat hij zachtjes moest doen. [Slachtoffer] zegt: “Papa zei dat en als papa bij mij hard deed zei ik ook: “Zachtjes doen”.”
Ik herhaal nog wat [slachtoffer] verteld had over de momenten dat de seksuele handelingen verricht werden en toen ze naar bed gingen om te slapen… [Slachtoffer] valt me in de rede en zegt: “En toen deden we dat even en toen gingen we slapen. Maar papa deed geen pyjama aan, alleen een onderbroek en ik een onderbroek, hetzelfde als papa en soms met een pyjama.
Tijdens het verhoor heb ik niet gezien dat er enige interactie tussen [slachtoffer] en zijn oma plaatsvond op de momenten dat door [slachtoffer] relevante informatie werd verstrekt.”
4. een proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:
“Op maandag 3 januari 1999 (het hof leest: 2000) bevond ik mij met J.B. Lentink, brigadier van de regiopolitie Brabant-Noord, in de regiekamer van de kinderverhoorstudio in het hoofdbureau van politie te Eindhoven. In de kinderverhoorstudio werd op dat moment het verhoor afgenomen van: [slachtoffer] (het hof begrijpt dat bedoeld wordt [slachtoffer]), geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats]. Vanuit de regiekamer hadden wij zicht op het verhoor. De oma van [slachtoffer], [betrokkene 1], was bij het verhoor aanwezig. Wij hebben geen interactie waargenomen tussen [slachtoffer] en zijn oma bij terzake dienende informatieverstrekking.”

5. een proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1]:
“Ik ben als assistent-bedrijfsleidster werkzaam bij Hotel Campanile, gevestigd te Eindhoven. U vraagt mij of wij de laatste maanden een kamer hebben verhuurd aan [verdachte]. Ik kan u verklaren dat [verdachte] meerdere malen in het hotel heeft verbleven. Uit het gastenboek blijkt dat [verdachte] van 20 mei 1999 tot 26 mei 1999, van 29 mei 1999 tot 3 juni 1999, van 4 juni 1999 tot 7 juni 1999 en van 7 juli 1999 tot 15 juli 1999 in het hotel een kamer heeft gehuurd. In zijn gezelschap verbleef een jongen van ongeveer 5 jaar. Volgens [verdachte] zou dit zijn zoon zijn.”

6. een proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2]:
“Ik drijf samen met mijn man het Motel Steensel te Steensel. U vraagt mij of ik kan nagaan of wij [verdachte] als gast in ons motel hebben gehad. Ik weet dat [verdachte] bij ons in het motel heeft verbleven. De eerste maal was in de eerste of de tweede week van onze vakantie; wij zijn 22 juli 1999 op vakantie gegaan. Het motel was in die tijd gewoon open. Van het personeel en later ook uit eigen waarneming weet ik dat hij, [verdachte], in het motel heeft verbleven met een ongeveer vijfjarig zoontje.”

7. een proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 3]:
“Ik ben werkzaam in het motel Eindhoven. U vraagt mij of wij de laatste maanden een kamer hebben verhuurd aan [verdachte]. Uit de computer blijkt dat [verdachte] diverse malen een kamer heeft gehuurd. Verder zie ik in de opgemaakte rekeningen dat er op de eerste factuur korting wordt gegeven voor het ontbijt. Die korting wordt gegeven als men een jong kind bij zich heeft.
Uit de facturen blijkt dat [verdachte] de navolgende dagen/perioden in het hotel heeft verbleven:
– aankomst op 15 juli 1999vertrek op 25 juli 1999
– aankomst op 25 juli 1999vertrek op 26 juli 1999
– aankomst op 29 juli 1999vertrek op 30 juli 1999
– aankomst op 9 augustus 1999vertrek 10 augustus 1999.”

8. een proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
“Ik ben de natuurlijke vader van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1994. Ik heb [slachtoffer] in de periode van ongeveer 25 februari 1999 tot september 1999 verzorgd. Ik heb een poosje op de [a-straat] in [plaats] gewoond. De woning in de [a-straat] was een wat hogere flat.”

9. de verklaring van verdachte, ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2002 afgelegd, inhoudende, zakelijk weergegeven:
“Ik ben in september 1999 op verdenking van deelname aan drugstransporten in Tilburg aangehouden. In de daaraan voorafgaande maanden heb ik met [slachtoffer] rondgereisd. Gedurende het laatste half jaar voor mijn detentie was [slachtoffer] bij mij. Ik had toen geen vaste woon- of verblijfplaats en ik woonde met [slachtoffer] in hotels en motels en in vakantiehuisjes.
Het kan wel kloppen dat [slachtoffer] vanaf ongeveer maart 1999 tot september 1999 onder mijn hoede heb gehad.
Toen [slachtoffer] bij mij verbleef heb ik gedurende korte tijd in een flatwoning aan de [a-straat] gewoond. Ik heb een aantal keren in Motel Steensel gelogeerd. [Slachtoffer] was daar dan ook.
Ook heb ik verschillende keren met [slachtoffer] in het Campanile Hotel in Eindhoven gelogeerd. Het is juist dat ik ook wel eens, toen [slachtoffer] bij mij was, heb gelogeerd in het Van der Valk Hotel Eindhoven.”

7. Bij de afwijzing van de verzoeken tot primair het horen van de minderjarige [slachtoffer] als getuige en subsidiair het inschakelen van een deskundige teneinde de betrouwbaarheid te laten toetsen van de door de minderjarige in de verhoorstudio afgelegde verklaring heeft het Hof op zichzelf de juiste maatstaf gehanteerd, namelijk het noodzaak-criterium (artikel 328 jo. artikel 315, 316 en 415 Sv). Het middel stelt de vraag aan de orde of deze afwijzing echter niet strijdig is met artikel 6 lid 1, lid 2, lid 3 sub b en sub d EVRM.

8. Bij arrest van 1 februari 1994, NJ 1994, 427 (r.o. 6.3.3 onder (ii) slot) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in gevallen waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad de persoon te (doen) ondervragen die een de verdachte belastende verklaring tegenover de politie heeft afgelegd, artikel 6 EVRM niet in de weg staat aan het gebruik tot het bewijs van een dergelijke in het proces-verbaal van politie verwerkte verklaring, mits zo’n verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. In zijn arrest van 14 april 1998, NJ 1999, 73 heeft de Hoge Raad bepaald dat de kwalificatie “in belangrijke mate” aldus moet worden begrepen dat reeds voldoende is dat de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Als die betrokkenheid – aldus de Hoge Raad – dus in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, staat artikel 6 EVRM niet in de weg aan het gebruik tot het bewijs van zo’n – de verdachte belastende – verklaring.(1) In zijn uitspraak van 12 oktober 1999, NJ 1999, 827 heeft de Hoge Raad vervolgens geoordeeld dat het steunbewijs betrekking moet hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist.(2)

9. Door het gebruik voor het bewijs van de onder 1, 2 en 4 tot en met 9 opgenomen bewijsmiddelen heeft het Hof kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking willen brengen dat de betrokkenheid van verdachte bij de hem tenlastegelegde ontucht met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd, wordt bevestigd door en in voldoende mate steun vindt in deze door het Hof gebruikte bewijsmiddelen. In het bijzonder heeft het Hof in zijn arrest daarbij gewezen op de verklaring van de grootmoeder (van moeders zijde) van de minderjarige [slachtoffer] zoals door het Hof opgenomen als het eerste bewijsmiddel. In deze verklaring geeft de grootmoeder van de minderjarige [slachtoffer] weer, wat haar kleinzoon haar over seksueel misbruik door zijn vader heeft verteld en beschrijft zij de non-verbale communicatie tussen haar kleinzoon en haarzelf op dat moment.

10. In enkele recente uitspraken heeft het EHRM zich uitgelaten over de vraag wanneer bij zaken van seksueel misbruik van minderjarigen, waarin – zoals in het onderhavige geval – het enige directe bewijs van seksueel misbruik bestaat in de verklaring van het slachtoffer, nog aan de eisen wordt voldaan die voortvloeien uit het bepaalde in art. 6 EVRM en wel in het bijzonder art. 6 lid 3 sub d EVRM in geval er aan de zijde van de verdediging geen gelegenheid is geweest het slachtoffer te ondervragen. In de Duitse zaak die uiteindelijk leidde tot EHRM 20 december 2001, NJ 2002, 435, m.nt. Sch (P.S. tegen Duitsland)(3) was de klager, een muziekleraar, in eerste aanleg veroordeeld wegens seksueel misbruik van een achtjarig meisje tijdens de muziekles. De veroordeling in eerste aanleg was gebaseerd op de verklaring van de moeder over hetgeen haar dochter haar verteld had, het gedrag van haar dochter vlak na het gewraakte gebeuren en het karakter van de dochter in het algemeen, en op de verklaring die was afgelegd door de politiefunctionaris die het meisje een dag na het gewraakte gebeuren had gehoord. Deze veroordeling hield stand in hoger beroep. De appèèlrechter gebruikte voor het bewijs de verklaring van de moeder, die van de politiefunctionaris en het rapport van een psychologe waarin verslag werd gedaan van de betrouwbaarheid van de door het meisje afgelegde verklaring. Deze gang van zaken kon de Straatsburgse toets aan artikel 6 EVRM niet doorstaan(4). Het EHRM overwoog, voor zover hier van belang, als volgt:

“9. Where a conviction is based solely or to a decisive degree on depositions that have been made by a person whom the accused has had no opportunity to examine or have examined, whether during the investigation or at the trial, the rights of the defence are restricted to an extent that is incompatible with the guarantees provided by Article 6 (…). Accordingly, the Court has held in a previous case that there was a violation of Article 6 §§ 1, taken together with Article 6 §§ 3 (d), noting that “in convicting the applicant in the instant case [a sexual offence on a minor] the domestic courts relied solely on the statements made in the United States before trial and that the applicant was at no stage in the proceedings confronted with his accusers” (see the A.M. v. Italy judgment, no. 37019/97, 14 December 1999, §§ 26, 28).
10. In the present case, the applicant was convicted of having sexually abused S., an eight-year-old girl.
11. The Court notes that at no stage of the proceedings has S. been questioned by a judge, nor did the applicant have any opportunity of observing the demeanour of this witness under direct questioning, and thus from testing her reliability (…).
12. At first instance, the District Court, in its decision of 10 January 1994, relied on the statements made by S.’s mother, who had given evidence concerning her daughter’s account of the events and her behaviour on 29 April 1993 as well as her character in general, and of the police officer who had questioned the girl shortly after the offence in April 1993.
The District Court decided not to hear S. in order to protect her personal development as, according to her mother, she had meanwhile repressed her recollection of the event and would seriously suffer if reminded thereof.
13. Organising criminal proceedings in such a way as to protect the interests of juvenile witnesses, in particular in trial proceedings involving sexual offences, is a relevant consideration, to be taken into account for the purposes of Article 6. However, the reasons given by the District Court, in its judgment of 10 January 1994, for refusing to question S. and dismissing the applicant’s request for an expert opinion are rather vague and speculative and do not, therefore, appear relevant.
14. The Regional Court, aware of the shortcomings in the taking of evidence, ordered a psychological expert opinion on S.’s credibility which was eventually prepared in October 1994, i.e. one and a half years after the relevant events. The girl was again not heard in court on account of her parents’ refusal, which was motivated by the possible risk to her health. In addition to the evidence available at first instance, the Regional Court had at its disposal an expert opinion on S.’s credibility. However, considering the delay of about eighteen months between the event in question and the preparation of this opinion, the Court finds that in the present circumstances, the procedure followed by the judicial authorities cannot be considered as having enabled the defence to challenge the evidence of S., reported in court by third persons, one of them a close relative.
15. Finally, the information given by the girl was the only direct evidence of the offence in question and the domestic courts based their finding of the applicant’s guilt to a decisive extent on S’s statements. (…).
16. In these circumstances, the use of this evidence involved such limitations on the rights of the defence that the applicant cannot be said to have received a fair trial.”

11. Het voorgaande maakt niet onvermijdelijk, dat een minderjarige in een zaak van seksueel misbruik wordt gehoord. Dat blijkt uit EHRM 2 juli 2002, nr 34209/96 (S.N. tegen Zweden)(5). Dit arrest betrof de veroordeling door een Zweedse rechter wegens misbruik van een tienjarige jongen. Het eerste verhoor van de jongen, dat geschiedde in het bijzijn van de ouders van de jongen door een in het horen van slachtoffers van seksuele delicten ervaren politieman, was opgenomen op videoband. Tijdens het proces werd de jongen opnieuw door die politieman gehoord. Dit verhoor werd op geluidsband opgenomen. Tevoren had verdachtes raadsman gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid op te geven waarover de jongen moest worden ondervraagd. Hij had ervan afgezien het tweede verhoor bij te wonen omdat de raadsman van de jongen niet aanwezig kon zijn en hij als raadsman van verdachte er mee instemde dat het verhoor, hoewel hij het bij afwezigheid van de raadsman van het slachtoffer niet kon bijwonen, niet werd uitgesteld. Toch vroeg hij niet het verhoor op videoband op te nemen. Tijdens het proces vroeg hij nimmer om het slachtoffer te mogen ondervragen. Wel werden tijdens het proces de videoband en de geluidsband afgedraaid en kon de verdediging de juistheid van de verklaringen van het slachtoffer en diens geloofwaardigheid aanvechten. Dat leidde er toe dat een deel van hetgeen de verdachte was tenlastegelegd niet bewezen werd geacht.

12. Bij de beoordeling van de klacht dat het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht de minderjarige, die als getuige optrad, als zodanig te kunnen ondervragen was geschonden, neemt het EHRM als uitgangspunt:
“47. The Court has had regard to the special features of criminal proceedings concerning sexual offences. Such proceedings are often conceived of as an ordeal by the victim, in particular when the latter is unwillingly confronted with the defendant. These features are even more prominent in a case involving a minor. In the assessment of the question whether or not in such proceedings an accused received a fair trial, account must be taken of the right to respect for the private life of the perceived victim. Therefore, the Court accepts that in criminal proceedings concerning sexual abuse certain measures may be taken for the purpose of protecting the victim, provided that such measures can be reconciled with an adequate and effective exercise of the rights of the defence.”

13. De bijzonderheden van het onderhavige geval – het opnemen van de verhoren en het afspelen daarvan ter zitting, zodat de raadsman van verdachte opmerkingen over die verhoren kan maken (welke ook resultaat hebben gehad), de deskundigheid van de verhorende ambtenaar, en (mogelijk) de proceshouding van verdachtes raadsman – brengen mee, dat het Hof in het onderhavige geval – anders dan in de Duitse zaak – geen schending van art. 6 EVRM aanneemt. Het EHRM meent dat er in voldoende mate voor was gezorgd dat de verklaringen van het slachtoffer door de verdediging in het proces tegen het licht konden worden gehouden.

14. Zetten we de uitspraak van het Hof in de onderhavige zaak af tegen die van het EHRM in de Duitse zaak, dan kan de uitspraak van het Hof geen stand houden. In geen enkel stadium van de procedure heeft de verdediging immers de gelegenheid gehad om het slachtoffer te ondervragen, terwijl het bewijs “to a decisive extent” rust op de verklaring van het slachtoffer omdat deze het enige directe bewijs is van het seksueel misbruik(6). De enige die nog iets over het seksuele misbruik verklaart is de grootmoeder van het slachtoffer, die verklaart over hetgeen haar kleinzoon haar daarover heeft verteld en welk gedrag haar kleinzoon daarbij liet zien. Maar dat is een verklaring van “a close relative” waaraan het EHRM vanwege de nauwe band tussen slachtoffer en getuige niet al te veel waarde lijkt te willen toekennen (rov. 14 slot).

15. De vraag is dus of – zoals in de Zweedse zaak – voldoende maatregelen zijn getroffen om de inbreuk op het ondervragingsrecht van de verdediging acceptabel te maken. Als één van die maatregelen kan worden gezien dat het verhoor van het slachtoffer is afgenomen overeenkomstig de richtlijnen die het College van Procureurs-Generaal daarvoor heeft opgesteld en dat dit op videoband is opgenomen. Maar daar staat tegenover dat verdachtes raadsman – anders dan in de Zweedse zaak – uitdrukkelijk heeft gevraagd het minderjarige slachtoffer door de rechter-commissaris te doen horen en dit verhoor te mogen bijwonen. Tenslotte heeft het Hof niet – ter compensatie van de inbreuk op het ondervragingsrecht – de videoband ter zitting doen afspelen(7) opdat verdachtes raadsman in de gelegenheid werd gesteld zwakheden in de verklaring van het slachtoffer aan te wijzen of de aandacht te vestigen op punten die in de ogen van de verdediging aan de geloofwaardigheid van die verklaring doen twijfelen. Daarbij merk ik op dat de transcriptie van het verhoor daartoe reeds daarom niet voldoende gelegenheid biedt omdat het geen letterlijke weergave van het verhoor is maar een zakelijke samenvatting. Ik meen dan ook dat de beslissing van het Hof in de onderhavige zaak de toets aan art. 6 EVRM, in het bijzonder aan art. 6 lid 3 sub d, niet kan doorstaan.

16. Het middel slaagt.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook HR 29 september 1998, NJ 1999, 74 m.nt. Kn, HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827, alsmede HR 18 juni 2002, nr. 01895/01, NJB 2002, afl. 32, p. 1625-1626, nr. 116.
2 Weliswaar heeft de Hoge Raad deze laatste eis niet expliciet gesteld in zijn uitspraak van 11 juni 2002, NJ 2002, 459, maar dat behoeft op zichzelf niet mee te brengen dat deze eis niet meer gesteld wordt. In het cassatiemiddel in laatstgenoemde uitspraak werd namelijk wel expliciet gesteld dat de verdachte de verklaringen van de slachtoffers had betwist. De Hoge Raad stelde vervolgens vast dat de door de slachtoffers afgelegde verklaringen in voldoende mate werden bevestigd door ander bewijsmateriaal. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen bleek van een patroon van handelen van de verdachte. Zie ook het commentaar van Kelk en Kool in DD 33 (2003), p. 84-88. Vgl. voorts rov. 3.5. van HR 25 juni 2002, nr. 00778/01.
3 Zie ook A.M. tegen Italië, EHRM 14 december 1999, Appl. no. 37019/97
4 Ik vraag mij af of HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827 nog wel met dit arrest te verenigen valt.
5 Zie voor een samenvatting NJCM-bulletin 2003, nr. 1, p. 86-87.
6 Uit de conclusie van mijn ambtgenoot Keijzer bij HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827 maak ik op dat in die zaak naast de verklaringen van de minderjarige slachtoffers nog wel enig ander direct bewijs aanwezig was en daarom de beslissing van het Hof dat de bewezenverklaring voldoende steun vond in andere bewijsmiddelen als “niet onbegrijpelijk” in stand kon blijven. Zo ook in HR11 juni 2002, NJ 2002, 459 en HR 25 juni 2002, 00778/01, LJN AD9964
7 Vgl. de noot van Schalken onder EHRM 27 februari 2001, NJ 2002, 101 (Luca)

Noot

Het strafrechtelijk bewijs van seksueel misbruik levert in de regel problemen op, zeker wanneer de verdachte ontkent. Bovendien is het seksueel misbruik meestal niet waarneembaar voor derden, waardoor de verklaringen van verdachte en slachtoffer tegenover elkaar komen te staan. Samen met het veelal magere steunbewijs leidt dit ertoe dat de nadruk komt te liggen op de betrouwbaarheid van de slachtoffergetuige; zeker wanneer het seksueel misbruik van een minderjarige betreft. Want is een kind wel in staat een consistente, betrouwbare verklaring af te leggen over seksuele ervaringen waarover het gezien de leeftijd niet zou moeten kunnen verklaren? De vraag of een minderjarige een leeftijdsadequate verklaring aflegt kan een aanwijzing geven voor de betrouwbaarheid daarvan, maar er is meer nodig. Om de verklaring te kunnen toetsen wordt dan ook in de regel gebruik gemaakt van kindvriendelijke verhoorruimtes, als voorgeschreven in de Aanwijzing inzake seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties (Stcrt. 1999, 174, resp. 2001, 64). ZoŽn verhoor vindt plaats in een speciaal ingerichte studio en wordt afgenomen door een specialist, bijvoorbeeld een orthopedagoog of een ervaren zedenrechercheur. Deze heeft zich te onthouden van sturende vragen. Desgewenst mag de verdediging vragen aanleveren, met dien verstande dat deze kunnen worden geweigerd indien deze het belang van het kind zouden kunnen schaden. Van zo’n weigering wordt gemotiveerd aantekening gemaakt in het proces-verbaal.
Naast een schriftelijke uitwerking in de vorm van een proces-verbaal, wordt het verhoor ook audiovisueel opgenomen. Dit met het oog op de terughoudendheid die in de regel wordt betracht ten aanzien van het horen van minderjarige slachtoffers van zedenmisdrijven. Jurisprudentieel geldt dat de belangen van zedenslachtoffers, specifiek van kinderen, prevaleren boven het ondervragingsrecht van de verdediging, met dien verstande dat voldoende procedurele compensatie moet worden geboden voor de inbreuk op het ondervragingsrecht (zie hierover: Kool, Nemesis 2003 nr. 3). Een audiovisuele opname biedt de mogelijkheid de betrouwbaarheid van de minderjarige slachtoffergetuige te toetsen via het bekijken van de tape door de rechter – als eigen waarneming in te brengen in de bewijsbeslissing – en de verdediging.
Mocht de tape en de schriftelijke uitwerking daartoe aanleiding geven dan kan de rechter ambtshalve, dan wel op verzoek van de verdediging opdracht geven aan een gedragsdeskundige om de betrouwbaarheid van de opgenomen verklaring te onderzoeken. Tezamen biedt dit voldoende procedurele compensatie voor de gemaakte inbreuken op het ondervragingsrecht. Een gewaarborgde voorziening dus zo`n studioverhoor, maar niet altijd voldoende om de aan seksueel misbruik inherente bewijsproblematiek te ondervangen, zoals blijkt uit bovenstaande uitspraak.

In deze zaak ging het om vermeend seksueel misbruik van een vijfjarige jongen door zijn vader, met wie hij enige tijd een zwervend bestaan leidde. De aangifte werd gedaan door de grootmoeder van de kleuter die inmiddels voor haar kleinzoon was gaan zorgen. Wanneer zij haar kleinzoon een keer onder de douche doet, vertelt deze spontaan over zijn vaders ‘piel’, die hij in bed moest aanraken en over tongzoenen. Deze verstandige grootmoeder besluit niet verder door te vragen en doet aangifte. Haar terughoudendheid is opmerkelijk, maar al te vaak hebben bezorgde (groot)ouders immers de neiging het kind uit te horen over het vermoede seksueel misbruik, waardoor zij de verklaring van de minderjarige kunnen beïnvloeden. Deze grootmoeder houdt zich netjes aan de regels, hetgeen doorslaggevend zal blijken te zijn bij de uiteindelijke bewijsbeslissing.
Naar aanleiding van de aangifte wordt een studioverhoor georganiseerd. Omdat de jongen alleen wil verklaren in aanwezigheid van zijn grootmoeder wordt dit – bij wijze van uitzondering – toegestaan; zij mengt zich niet in het verhoor. De jongen verklaart over seksueel misbruik door zijn vader en geeft aanwijzingen over toenmalige specifieke woonomstandigheden ten tijde van het seksueel misbruik. Zo verklaart hij over een hotel en een flat. Zijn grootmoeder bevestigt dat de verdachte en het slachtoffer in die periode in een flat respectievelijk hotel hebben gewoond.
Het hof Den Bosch komt tot een bewezenverklaring. Het verzoek van de verdediging de minderjarige slachtoffergetuige te doen horen door de rechter-commissaris, dan wel de tape van het studioverhoor door een deskundige te laten onderzoeken op betrouwbaarheid wordt door het hof afgewezen. Naar het oordeel van het hof vindt de verklaring van de kleuter voldoende steun in de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder in de verklaring van de grootmoeder. Bovendien wegen de belangen van de kleuter ten deze zwaarder dan die van de verdachte. Als bijkomende negatieve factor noemt het hof het tijdsverloop, dat naar verwachting van invloed zal zijn op de verklaring van de minderjarige.
De Hoge Raad acht de motivering van het hof onvoldoende. Hij herhaalt dat inbreuken op het ondervragingsrecht slechts toelaatbaar zijn, mits voldoende procedurele compensatie wordt geboden. Bovendien mag de bestreden, maar niet bevraagde verklaring slechts worden gebruikt indien daarvoor voldoende steun bestaat in de overige bewijsmiddelen. Hier wreekt zich de ‘nette’ opstelling van de grootmoeder: doordat zij zich onthouden heeft van een intensieve ondervraging van haar kleinzoon is haar verklaring slechts summier, en bovendien van horen zeggen. Dat levert naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende kwalitatief steunbewijs om te kunnen spreken van adequate procedurele compensatie voor de gemaakte inbreuken op het ondervragingsrecht, als vereist voor een ‘behoorlijke en effectieve verdediging’.
Dat is wrang, gelet op het feit dat de grootmoeder zich feitelijk correct opstelt en niet roert in troebel water. Tegelijkertijd is het oordeel van de Hoge Raad begrijpelijk, in die zin dat de door het hof genoemde bewijsmiddelen – afgaande op het in de uitspraak vermelde steunbewijs – in onderling verband bezien niet sterk (genoeg) zijn. Nu voorzienbaar was dat een verzoek tot ondervraging zou volgen en naar verwachting zou worden afgewezen, zou het aanbeveling hebben verdiend in het opsporingsonderzoek meer aandacht te besteden aan het steunbewijs dan – afgaande op de uitspraak – hier het geval is geweest. De rechter moet op grond van het dossier voldoende handvatten krijgen aangereikt om de te maken inbreuk op het ondervragingsrecht afdoende te motiveren. Maar ook dan geldt dat het bewijs in dergelijke zaken problematisch blijft.
De Hoge Raad is zich hier wel van bewust en wijst in een nadere overweging uitdrukkelijk op de bovenbeschreven maatregelen, die met het oog op de te bieden procedurele compensatie moeten worden genomen. Hoewel het in feite slechts een bevestiging biedt van hetgeen bekend is, verlenen deze directe aanwijzingen gezag aan deze maatregelen, hetgeen de rechtszekerheid bevordert. Dat laat onverlet dat, zoals de Hoge Raad overweegt, de vraag of op deze wijze voldoende procedurele compensatie is geboden afhankelijk is van de context van de voorliggende strafzaak. En die was in dit geval gelet op de leeftijd van het slachtoffer, de ontkennende houding van de verdachte en het zwervend bestaan waarbinnen het vermoede seksueel misbruik had plaatsgevonden niet eenvoudig, maar dat is in dergelijke zaken zelden het geval. De directe wijze waarop de Hoge Raad aanwijzingen geeft om te kunnen komen tot een houdbare bewezenverklaring is prijzenswaardig; in dergelijke zaken kan immers met het oog op de belangen van het slachtoffer en verdachte niet genoeg (rechts)zekerheid worden geboden.

Renée Kool

Rechters

Mrs. Davids, Corstens, Van Balkema, Van Dorst, Van Schendel; A-G mr. Vellinga

Instantie: Rechtbank Breda, 8 mei 2003

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Eisers hebben beroep ingesteld tegen de voorgenomen geslachtsnaamswijziging van de belanghebbende J.S. De geslachtsnaam van de belanghebbende J.S. is- lopende de beroepsprocedure – bij KB gewijzigd op grond van psychische hinder in verband met door de belanghebbende gestelde mishandeling en seksueel misbruik door haar vader, L.S. De rechtbank oordeelt dat eisers ondanks het rechtens onaantastbare KB tot geslachtsnaamswijziging nog steeds een (proces)belang hebben bij voortzetting van de beroepsprocedure, omdat verweerder heeft aangegeven dat het mogelijk is dat het KB wordt ingetrokken. Voorts hebben eisers aangevoerd bij gegrondverklaring van het beroep een schadevergoeding te willen vragen. L.S., de vader van de belanghebbende, kan in deze procedure als belanghebbende worden aangemerkt, nu de betrokkene haar geslachtsnaam rechtstreeks aan hem ontleent. J.S.-K. en H.S., de moeder en zuster van de belanghebbende, zijn niet als belanghebbenden aan te merken; een louter subjectief gevoel van sterke betrokkenheid is niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks betrokken belang. De rechtbank verklaart de moeder en zuster dan ook alsnog niet ontvankelijk.
De hardheidsclausule van art. 6 Besluit geslachtsnaamswijziging bevat een discretionaire bevoegdheid, zodat de rechter slechts marginaal kan toetsen. Het criterium voor het inwilligen van een verzoek tot geslachtsnaamswijziging op grond van de hardheidsclausule is of de betrokkene psychische hinder ondervindt van haar naam, los van de feiten die daartoe hebben geleid. Of de psychische problemen van betrokkene worden veroorzaakt door daadwerkelijke geestelijke en lichamelijke mishandeling en seksueel misbruik of slechts door inbeelding daarvan is in dit verband derhalve niet relevant. Bij de beoordeling van de psychische hinder kan en mag het Ministerie van Justitie in beginsel afgaan op het advies van een deskundig adviseur; dit laat echter onverlet dat verweerder zich ervan moet vergewissen dat aan dat advies niet zodanige gebreken kleven dat het besluit er niet op kan worden gebaseerd, bijvoorbeeld doordat het advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of op onjuiste grondslag berust. In casu heeft verweerder de door de belanghebbende ingeschakelde rapporterend psycholoog en de psychiatrisch adviseur van het ministerie terecht aangemerkt als onafhankelijke deskundigen. Het rapport van de rapporterend psycholoog schiet naar het oordeel van de rechtbank echter tekort in het systematisch beantwoorden van de vragen die rechtstreeks voortvloeien uit de criteria die gelden ten aanzien van psychische hinder, zoals opgesomd in de bijsluiter van het Ministerie van Justitie. Voorts acht de rechtbank het rapport onvoldoende objectief, in die zin dat geen duidelijk onderscheid is gemaakt tussen de uitlatingen van betrokkene en de bevindingen van de psycholoog. De conclusie van de psychiatrisch adviseur had dan ook niet (uitsluitend) op dit rapport gebaseerd mogen worden, hetgeen wel is gebeurd.
Verweerder had op deze gronden niet zonder meer af mogen gaan op het advies van de psychiatrisch adviseur, en het bestreden besluit lijdt om die reden aan een motiverings- en een zorgvuldigheidsgebrek. De behandeling van de belanghebbende door Justitie is niet dermate onzorgvuldig geweest dat om die reden het bezwaar ongegrond zou moeten worden verklaard, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat vernietiging van het bestreden besluit nog niet betekent dat de naamswijziging uiteindelijk geen stand zal kunnen houden. Volgt vernietiging, en de opdracht aan verweerder om alsnog op het bezwaar van L.S. te beslissen, met inachtneming van hetgeen door de rechtbank is overwogen.

Volledige tekst

1. HET PROCESVERLOOP

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 november 2001 (bestreden besluit), inzake het voornemen tot Wijziging van de geslachtsnaam van J. S. (hierna: betrokkene). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Betrokkene heeft te kennen gegeven als partij aan het geding deel te willen nemen en heeft een schriftelijke zienswijze ingediend.

Verweerder heeft verzocht om geheimhouding van een op de zaak betrekking hebbend stuk, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 18 april 2002 heeft een andere kamer van de rechtbank dit verzoek gehonoreerd en bepaald dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van het betreffende stuk. Eisers hebben de rechtbank geen toestemming gegeven om mede op grond van dat stuk uitspraak te doen.

Bij Koninklijk Besluit (KB) van 2 mei 2002 is de geslachtsnaam van betrokkene gewijzigd. Op verzoek van de rechtbank hebben eisers vervolgens aangegeven wat hun belang nog is.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 februari 2003, waarbij aanwezig waren eisers en hun gemachtigde en namens verweerder J.L.R. Betrokkene en haar gemachtigde zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

De termijn voor het doen van uitspraak is door de rechtbank met zes weken verlengd.

2. DE BEOORDELING

2.1. Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Betrokkene is een dochter van eisers L.W.J. S. en J. S.-K. M. en een zuster van eiseres H. S. Betrokkene heeft op 5 december 1997 bij verweerder een verzoekschrift ingediend tot wijziging van haar geslachtsnaam in verband met – naar zij stelt – geestelijke en lichamelijke mishandeling en seksueel misbruik door haar vader. Ter ondersteuning van haar verzoek is een rapport overgelegd van psychologe drs. ….. als onafhankelijk deskundige. Dit rapport is door verweerder voorgelegd aan de Psychiatrisch Adviseur van het ministerie van Justitie, prof. H.J.C. van M., die heeft geoordeeld dat de gevraagde naamswijziging moet worden toegestaan.

Op 28 april 2000 heeft verweerder aan betrokkene en aan eiser medegedeeld voornemens te zijn het verzoek voor inwilliging voor te dragen bij de Koningin. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers hiertegen ongegrond verklaard. Daarbij stelt verweerder dat de procedure bij naamswijziging slechts gericht is op vaststelling van de aanwezigheid van psychische hinder die is ontstaan door het dragen van de huidige naam. Het gaat daarbij niet om gebeurtenissen en omstandigheden die tot deze hinder hebben geleid. Of de psychische problemen van betrokkene worden veroorzaakt door daadwerkelijk seksueel misbruik of door inbeelding daarvan is niet relevant. Inwilliging van het verzoek houdt volgens verweerder dan ook geen erkenning in van de beschuldigingen van betrokkene aan haar ouders. Op grond van het rapport van drs. …….. en het oordeel van de psychiatrisch adviseur acht verweerder voldoende aannemelijk dat betrokkene psychische hinder ondervindt van haar geslachtsnaam en dat afwijzing van het verzoek de lichamelijke of geestelijke gezondheid van betrokkene kan schaden.
Desgevraagd heeft verweerder op 4 januari 2002 aan eisers laten weten dat het bestreden besluit zich mede uitstrekt tot de bezwaren van de moeder en de zuster.

2.2. Eisers hebben – kort samengevat – de deskundigheid van drs. ……… en de deugdelijkheid en juistheid van haar rapport betwist. Ter ondersteuning is een uitspraak van het College van Toezicht van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) ingebracht over een door eisers tegen het betreffende rapport van drs. ……… ingediende klacht, alsmede een rapport van prof. dr. P.J. van K.. Ook is de deskundigheid en onafhankelijkheid van prof. Van M. betwist. Hij heeft volgens eisers nagelaten nader onderzoek te doen, niet alle door eisers aangedragen gegevens in zijn oordeel betrokken en ten onrechte geen districtspsychiater ingeschakeld. Ook hebben eisers grieven aangevoerd tegen de gang van zaken in de bezwaarprocedure. Volgens eisers is sprake van strijd met artikel 2:4. tweede lid, en artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts is aangevoerd dat niet is vol te houden dat naamswijziging ook zou worden verleend als absoluut vast zou staan dat de beschuldigingen niet voortkomen uit enig werkelijk feit, maar uit inbeelding. Eisers stellen dat het niet gaat om "kan schaden" maar om feitelijk "schaden in ernstige mate". Nagelaten is een second opinion te vragen. Ten onrechte heeft verweerder het belang van betrokkene laten prevaleren boven het belang van eisers.

2.3. Betrokkene heeft aangevoerd dat eisers, en met name haar moeder en zuster, niet als belanghebbenden in zin van de Awb kunnen worden aangemerkt. Verder vraagt zij zich af in hoeverre er nog belang is bij het beroep, nu de geslachtsnaam inmiddels bij KB onherroepelijk is gewijzigd. Zij stelt dat het niet wijzigen van haar geslachtsnaam haar geestelijke gezondheid in ernstige mate zou schaden. Volgens haar is er geen reden om geen waarde toe te kennen aan het rapport van drs. …….. en bovendien was zij niet verplicht een deskundigenrapportage over te leggen. Zij meent dat jegens haar uiterst onzorgvuldig is gehandeld, mede gezien de lange duur van de procedure.

2.4. De mogelijkheid tot wijziging van de geslachtsnaam is neergelegd in artikel 1:7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De leden 1, 5 en 6 van dit artikel luiden als volgt:
1. De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.
6. Indien Onze Minister van Justitie voornemens is een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid, deelt hij dit voornemen schriftelijk mee aan de verzoeker en degene wiens geslachtsnaam is verzocht, alsmede, indien het verzoek op de geslachtsnaam van een minderjarige betrekking heeft, zijn ouders en degene aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging is verzocht, rechtstreeks ontleent. De schriftelijke mededeling van het voornemen geldt als een beschikking.

Ingevolge artikel 6 van het Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaams- wijziging (Besluit), zoals dat luidt sedert 15 februari 2001, kan een verzoek tot geslachtsnaamswijziging dat niet op een van de voorgaande artikelen van het Besluit kan worden gebaseerd, worden ingewilligd, indien de verzoeker aantoont dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate zou schaden.

2.5. De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of eisers nog wel (proces)belang hebben bij (voortzetting van) deze beroepsprocedure, nu de naamswijziging inmiddels via een KB haar beslag heeft gekregen. Tegen dit KB staan geen rechtsmiddelen open, zodat de naamswijziging feitelijke rechtens onaantastbaar is.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder evenwel verklaard dat indien het beroep gegrond wordt verklaard het mogelijk is dat het KB wordt ingetrokken en de oude situatie wordt hersteld. Voorts hebben eisers aangevoerd dat zij bij gegrondverklaring van het beroep voornemens zijn een verzoek tot schadevergoeding in te dienen bij verweerder.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eisers nog voldoende (proces)belang hebben.

2.6. Verder speelt de vraag of (alle) eisers wel als belanghebbende in de zin van de Awb bij het primaire besluit kunnen worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De rechtbank is van oordeel dat de vader van betrokkene, eiser L.W.J. S., als belanghebbende kan worden aangemerkt, nu betrokkene haar geslachtsnaam rechtstreeks aan hem ontleent, welk criterium ook in artikel 1:7, zesde lid, van het BW wordt gehanteerd. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in een aantal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), waarin vaders van meerderjarigen impliciet als belanghebbenden zijn erkend (onder andere: 8 mei 2002, LJN: AE2391 en 11 december 2002, LJN AF 1716, beide gepubliceerd op rechtspraak.nl).

Voor de moeder en zuster van betrokkene ligt dit naar het oordeel van de rechtbank evenwel anders. De moeder heeft zelf een andere geslachtsnaam en mag door haar huwelijk ook de naam van haar echtgenoot gebruiken (artikel 1:9 van het BW), maar de naam S. is niet haar eigen geslachtsnaam. De zuster van betrokkene ontleent haar geslachtsnaam ook aan de vader. Maar nu betrokkene haar geslachtsnaam ontleent aan haar vader en niet aan haar moeder en/of zuster, is naar het oordeel van de rechtbank hierin geen rechtstreeks belang gelegen. De omstandigheid dat het verzoek tot naamswijziging is gebaseerd op beschuldigingen die de moeder en zuster van betrokkene (mede) raken, acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat zij rechtstreeks in hun belang zijn getroffen door de naamswijziging. Voor het bepalen of sprake is van een rechtstreeks belang zijn niet bepalend de subjectieve gevoelens van eisers ten opzichte van die beschuldigingen, maar de uiteindelijke rechtsgevolgen van dat besluit, namelijk de wijziging van de geslachtsnaam van betrokkene. Dat eisers, zoals zij ter zitting hebben verklaard, de naamswijziging en de beschuldigingen niet los van elkaar kunnen zien, maakt dit niet anders. Een louter subjectief gevoel van sterke betrokkenheid is, hoe sterk dat gevoel ook is, niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks betrokken belang.

In dit verband is nog een beroep gedaan op artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), onder verwijzing naar een uitspraak van de AbRS van 13 februari 2002 (rechtspraak.nl, LJN: AE 10 89), waarin werd geoordeeld dat een voorgenomen naamswijziging ook het privé-leven van de vader raakt. De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet geldt voor de moeder en zuster van betrokkene, nu zoals hiervoor is overwogen, betrokkene haar geslachtsnaam ontleent aan haar vader en niet aan haar moeder en/of zuster.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vader van betrokkene wel, maar haar moeder en zuster niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Awb bij de naamswijziging van betrokkene. Verweerder heeft de bezwaren van de laatste twee dan ook ten onrechte ontvankelijk verklaard. In zoverre komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

2.6 De zogenaamde hardheidsclausule van artikel 6 van het Besluit bevat een discretionaire bevoegdheid, zodat een besluit van verweerder om van die bevoegdheid gebruik te maken slechts marginaal door de rechter kan worden getoetst. Dat wil zeggen dat de rechterlijke toetsing zich dient te beperken tot de vraag of verweerder bij afweging van alle in aanmerking te nemen belangen in redelijkheid kon komen tot zijn beslissing, dan wel of verweerder daarbij (anderszins) heeft gehandeld in strijd met wettelijke voorschriften of ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met betrekking tot artikel 6 van het Besluit hanteert verweerder beleid dat is verwoord in de zogenaamde "bijsluiter". De ernstige schade van de lichamelijke of geestelijke gezondheid als in dat artikel bedoeld, wordt daarin samengevat met het begrip "psychische hinder". Dit begrip wordt door verweerder in die zin ingevuld dat uit een rapport van een onafhankelijke ter zake, meestal psychiatrische, deskundige moet blijken hoe de verzoeker lijdt onder de huidige geslachtsnaam en of naamswijziging een bijdrage kan zijn ter verlichting of oplossing van de problemen. Dat rapport wordt door verweerder aan vier criteria getoetst, die – samengevat – als volgt luiden: 1. het moet een rapport zijn van een onafhankelijk deskundige;
2. vast moet staan dat aanvrager de geslachtsnaamswijziging daadwerkelijk
3. er moet een relatie bestaan tussen de psychische hinder en het dragen van de bestaande naam;
4. de psychiatrisch adviseur bij het Ministerie van Justitie beoordeelt de verklaring van de onafhankelijk deskundige; zonodig vraagt hij het advies van een justitie-psychiater in de regio.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiennee geen onjuiste invulling gegeven aan het in artikel 6 neergelegde criterium. De rechtbank ziet ook geen reden om dit beleid als onredelijk aan te merken, zodat verweerder dit bij de beoordeling van het verzoek mocht hanteren.

2.7 De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat sprake is van psychische hinder als hiervoor vermeld. Verweerder baseert die conclusie op het rapport van drs. …….. en de positieve beoordeling daarvan door de psychiatrisch adviseur van verweerder, prof. Van M.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het criterium is of betrokkene psychische hinder ondervindt van haar naam, los van de feiten die daartoe hebben geleid. Zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft overwogen is de procedure bij naamswijziging slechts gericht op vaststelling van de aanwezigheid van psychische hinder die is ontstaan door het dragen van de huidige naam. Het gaat daarbij niet om de gebeurtenissen en omstandigheden die tot deze hinder hebben geleid. Of de psychische problemen van betrokkene worden veroorzaakt door daadwerkelijke geestelijke en lichamelijke mishandeling en seksueel misbruik of slechts door inbeelding daarvan is in dit verband derhalve niet relevant. De inwilliging van het verzoek kan, anders dan eiser meent, dan ook niet worden beschouwd als erkenning door verweerder van de door betrokkene geuite beschuldigingen, doch slechts als erkenning van de psychische hinder die zij van haar naam ondervindt. Dat eiser dit anders ervaart kan, hoe begrijpelijk wellicht ook, hier niet aan afdoen.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij volledig kon en moest afgaan op het positieve advies van prof Van M. en dat hij geen ruimte had voor een eigen beoordeling van het rapport van drs. ……… en het advies van prof Van M. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Weliswaar kan en mag verweerder terzake van een beoordeling van psychische hinder als waar het hier om gaat in beginsel afgaan op het advies van een deskundig adviseur, maar dit laat onverlet dat verweerder zich, op grond van de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb, ervan moet vergewissen dat aan dat advies niet zodanige gebreken kleven dat het besluit niet op dat advies kan worden gebaseerd. bijvoorbeeld doordat het advies niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of dat het op een onjuiste grondslag berust. Daarbij dient verweerder, gelet op het gehanteerde beleid, ook na te gaan of is voldaan aan de criteria die in de bijsluiter zijn vermeld.

De eerste vraag is of drs. ……… kan worden aangemerkt als een onafhankelijk deskundige, als bedoeld in de bijsluiter. Vast staat dat zij afgestudeerd psychologe is, geregistreerd bij de NIP, alsmede geregistreerd seksuologe, zodat zij als deskundig moet worden beschouwd. De vraag of zij zich al dan niet terecht klinisch psychologe noemt is in dit verband niet van belang. Met betrekking tot haar onafhankelijkheid overweegt de rechtbank dat niet gebleken is dat zij betrokken is of is geweest bij enig zorgproces van betrokkene. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder drs. …….. dan ook beschouwen als onafhankelijk deskundige als bedoeld in de bijsluiter. Ook over de deskundigheid van prof Van M. en zijn onafhankelijkheid ten opzichte van betrokkene heeft de rechtbank geen twijfels.

De volgende vraag is of het rapport van drs. ………. voldoet aan de eisen die in de bij sluiter daaraan zijn gesteld. Volgens de bijsluiter moeten de volgende vragen worden beantwoord:
a. Welke blijken van psychische ziekte vindt u c.q. welke diagnose kunt u stellen?
b. Wat is het verband tussen deze blijken van ziekte en het dragen van de ongewenste geslachtsnaam?
c. Zo u geen psychische ziekte aanwezig acht, op welke andere wijze blijkt er psychische hinder op grond van de ongewenste geslachtsnaam?
d. Is deze hinder van een dusdanige aard dat er daardoor een gevaar optreedt voor de gezondheidstoestand van de aanvrager?

De rechtbank is van oordeel dat het rapport van drs. …….. tekortschiet, in die zin dat uit het rapport niet blijkt dat zij deze vragen kende en dat deze vragen in het rapport ook niet systematisch en afdoende zijn beantwoord. Voorts acht de rechtbank het rapport onvoldoende objectief, in die zin dat daarin geen duidelijk onderscheid is gemaakt tussen de uitlatingen van betrokkene en de bevindingen van drs. ……… als deskundige, zodat daaruit onvoldoende blijkt of is voldaan aan de in de vragen c en d vermelde criteria. Derhalve kan niet worden gezegd dat het rapport naar behoren is opgebouwd en voldoet aan de criteria die daarvoor ingevolge verweerders beleid gelden.
Gelet hierop kan de conclusie van prof. Van M. dat sprake is van psychische hinder als bedoeld in de bij sluiter niet worden gebaseerd op (uitsluitend) dit rapport. Naar het oordeel van de rechtbank had het in de rede gelegen nadere informatie op te vragen of, conform de bij sluiter, de justitie-psychiater in de regio te raadplegen, teneinde te bezien of sprake is van psychische hinder.

Voorts acht de rechtbank het standpunt van prof. Van M. inzake het mijnerzijds reageren op in de bezwaarfase ingediende stukken, zoals verwoord in zijn brief d.d. 24 september 2001, onjuist. Waar verweerder het besluit heeft gebaseerd op het advies van prof. Van M. als deskundig adviseur en in bezwaar inhoudelijke bezwaren tegen het rapport en de deskundigheid van de opsteller daarvan zijn ingebracht, ondersteund door een tegenrapportage van een andere deskundige, prof. dr. P.J. van K., ligt het naar het oordeel van de rechtbank juist in de rede dat prof. Van M. als deskundig adviseur reageert op die tegenrapportage.
Daarbij merkt de rechtbank nog op dat naar haar oordeel aan het rapport van prof. Van K. in het kader van de procedure tot naamswijziging geen zwaarwegende betekenis kan toekomen, nu in dat rapport de nadruk ligt op waarheidsvinding, terwijl, zoals hiervoor is overwogen, niet relevant is of de psychische hinder worden veroorzaakt door daadwerkelijk seksueel misbruik of slechts door inbeelding daarvan.

Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder niet zonder meer mocht afgaan op het positieve advies van prof Van M. en dat het bestreden besluit lijdt aan een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, zodat het op die grond voor vernietiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot de grief van belanghebbende dat jegens haar uiterst onzorgvuldig is gehandeld, overweegt de rechtbank dat haar niet is gebleken van een dermate onzorgvuldige behandeling dat om die reden het bezwaar ongegrond zou moeten worden verklaard. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat vernietiging van het bestreden besluit nog niet betekent dat de naamswijziging uiteindelijk geen stand zal kunnen houden, doch slechts dat verweerder het bezwaar van eiser daartegen opnieuw zal moeten beoordelen, waarbij een betere onderbouwing van dit besluit wellicht mogelijk is.

2.8 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. In de eerste plaats omdat verweerder de bezwaren van de moeder en zuster van betrokkene, die niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. In de tweede plaats omdat het bestreden besluit inhoudelijk lijdt aan een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
Ten aanzien van de beroepen van de moeder en zuster van betrokkene zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door hun bezwaren alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Voorts zal de rechtbank verweerder opdragen opnieuw op de bezwaren van de vader van betrokkene te beslissen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.9 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eisers, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. DE BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; verklaart het bezwaar van J. S.-K.M. en H. S., gericht tegen het besluit van 28 april 2000, niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van L.W.J. S. met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 109,36 (f. 241) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 644 te betalen door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie)

Rechters

Mr. Volkers

Brief aan de kabinetsinformateurs en CDA- en VVD-leiders Balkenende en Zalm over coalitiebesprekingen met de SGP

Brief aan kabinetsinformateurs en CDA- en VVD-leiders Zalm en Balkenende over coalitiebesprekingen met SGP

Aan:

mr. R.J. Hoekstra
mr. F. Korthals Altes
mr. dr. J.P. Balkenende
G. Zalm

Amsterdam, 28 april 2003

Geachte heren,

Met stijgende bezorgdheid neemt het Clara Wichmann Instituut kennis van de voortschrijdende gesprekken die u heeft met de Staatkundig Gereformeerde partij (SGP) over mogelijke deelname van die partij aan een te vormen coalitie. Wij roepen u op de besprekingen met de SGP onmiddellijk te staken.

Zoals bekend hanteert de SGP het uitgangspunt dat het vrouwenkiesrecht in strijd is met de roeping van de vrouw. De SGP sluit vrouwen uit van het passieve kiesrecht. Voor het actieve kiesrecht is de partij -waarschijnlijk vanuit een pragmatisch eigenbelang- bereid een uitzondering te maken: de vrouw zij in haar eigen consciëntie overtuigd of zij haar stem kan uitbrengen met inachtneming van de haar door God gegeven plaats.
Daarnaast sluit de SGP vrouwen uit van het volwaardig lidmaatschap van de partij.

Ten aanzien van dat laatste punt heeft het toezichthoudend comité bij het VN-Vrouwenverdrag in 2001 geoordeeld dat dit in strijd is met het genoemde verdrag.
Genoemde uitgangspunten en uitsluitingen van vrouwen door de SGP zijn ook in strijd met andere mensenrechtenverdragen, en met de Nederlandse Grondwet, die in artikel 1 discriminatie op grond van (onder meer) geslacht verbiedt.
Naar onze overtuiging kan een partij die de grondrechten, zoals neergelegd in de grondwet en internationale mensenrechtenverdragen, niet respecteert, niet op enigerlei wijze deelnemen aan de regering van het land.
Met een partij die dergelijke standpunten aanhangt en uitsluitingen toepast, zou niet eens over regeringsdeelname gesproken mogen worden.
Het "vrouwenstandpunt" van de SGP is ons inziens geen onderwerp waarover onderhandeld kan worden in het kader van coalitie-besprekingen. Het wijzigen van dit standpunt en het beëindigden van de discriminatie van vrouwen moet als voorwaarde gesteld worden voor het voeren van (verdere) besprekingen met deze partij.

Wij roepen u, als informateurs en politiek leiders van de twee grootste beoogde coalitie-partners, dan ook op om publiekelijk positie te kiezen en duidelijk te maken dat het standpunt van de SGP over het vrouwenkiesrecht en de uitsluiting van vrouwen door de SGP onacceptabel is, en verdere bespreking met deze partij over mogelijke regeringsdeelname in de weg staat.

Met vriendelijke groet,

mr. drs. Margreet de Boer
directeur Clara Wichmann instituut

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 25 april 2003

Instantie

Centrale Raad van Beroep
RSV 2003/193

Samenvatting

Anticumulatiebepaling in de WAZ levert geen strijd op met art. 26 IVBPR; art. 11 Vrouwenverdrag heeft geen rechtstreekse werking.
De zaak betreft een vrouw die werkzaam is via een uitzendbureau, waardoor zij verzekerd was ingevolgde de ZW, alsmede werkzaam is in het bedrijf van haar man, als meewerkend echtgenote. Zij heeft recht op een bevallingsuitkering ingevolge art. 22 van de WAZ voor haar werk als meewerkend echtgenote, doch krijgt deze uitkering niet omdat zij op grond van haar arbeid in loondienst een bevallingsuitkering krijgt ingevolge art. 29a ZW, welke uitkering hoger is dat de WAZ-bevallingsuitkering.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 mei 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met de gedingen met nummers 00/2504 WAO, 00/5315 WAO, 00/5884 WW en 01/1842 WAO, behandeld ter zitting van de Raad op 14 maart 2003, waar voor appellante is verschenen mr. G.J. Knotter, advocaat te Woerden, en waar namens gedaagde zijn verschenen mr. F.W.M. Keunen en mr. H.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uwv. De Raad doet thans in dit geding afzonderlijk uitspraak.

II. MOTIVERING

Appellante was uit hoofde van haar werkzaamheden via een uitzendbureau verzekerd op grond van de werknemersverzekeringen en was daarnaast als meewerkend echtgenote in het bedrijf van haar echtgenoot verzekerd ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Op 17 september 1998 heeft appellante bij gedaagde een aanvraag ingediend voor een bevallingsuitkering op grond van de WAZ. Bij besluit van 19 februari 1999 heeft gedaagde appellante medegedeeld dat zij ingevolge artikel 22 van de WAZ met ingang van 17 januari 1999 recht heeft op een uitkering in verband met bevalling ten bedrage van ƒ 59,07 per dag, doch dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt omdat zij met ingang van die datum op grond van artikel 29a van de Ziektewet (ZW) een uitkering van ziekengeld in verband met bevalling ontving die hoger is dan de WAZ-bevallingsuitkering. Gedaagde heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 59, vierde lid, van de WAZ, waarin is bepaald dat indien zowel recht bestaat op een uitkering in verband met bevalling als bedoeld in artikel 22 van de WAZ als op ziekengeld in verband met bevalling als bedoeld in artikel 29a van de ZW, de uitkering in verband met bevalling ingevolge de WAZ slechts wordt uitbetaald voorzover deze het ziekengeld in verband met bevalling overtreft.

Bij het bestreden besluit van 18 mei 1999 heeft gedaagde het besluit van 19 februari 1999 na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is (ook) in hoger beroep naar voren gebracht dat de anticumulatiebepaling die is neergelegd in artikel 59, vierde lid, van de WAZ, rechtstreeks onderscheid maakt naar geslacht omdat deze bepaling slechts vrouwen (nadelig) treft en door de toepassing van deze bepaling aan vrouwen in verband met bevalling geen volledige inkomenscompensatie wordt geboden. Appellantes gemachtigde heeft in dit verband verwezen naar artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en naar artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV).

De Raad stelt voorop dat het recht op uitkering in verband met bevalling zoals ten tijde hier van belang was neergelegd in artikel 22 van de WAZ, een voordeel bood dat was voorbehouden aan vrouwen, waarbij werd afgeweken van de in zijn algemeenheid in de WAZ neergelegde regel dat de verzekerde eerst na een periode van inkomensderving van 52 weken voor een uitkering in aanmerking komt. De anticumulatie van een dergelijk alleen aan vrouwen toekomend recht met een soortgelijke voorziening in een andere wet – in casu artikel 29a van de ZW – kan geen ongunstige behandeling van vrouwen ten opzichte van mannen met zich meebrengen. De Raad vindt voor dit standpunt steun in het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 27 oktober 1998, C-441/96, in de zaak Boyle (JAR 1999, 14).
De Raad merkt daarbij nog op dat de anticumulatiebepaling die is opgenomen in artikel 59, vierde lid, van de WAZ past binnen het systeem van de WAZ, waarin uitsluitend een voorziening wordt geboden in aansluiting op uitkeringen ingevolge de werknemersverzekeringen en waarbij – behoudens waar het de vrijwillige verzekering betreft – slechts premie wordt geheven over het inkomen als (meewerkend) zelfstandige voorzover dat een eventueel inkomen uit een dienstbetrekking overtreft.

Met betrekking tot het beroep van appellantes gemachtigde op artikel 11 van het IVDV verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 4 januari 2000 (RSV 2000/79), waarbij hij als zijn oordeel heeft gegeven dat dit artikel slechts een instructienorm bevat voor overheden om beschermende maatregelen te treffen en, gelet op de beleidsvrijheid alsmede op de bepaling van het derde lid, geen rechtstreekse werking heeft. De Raad is geen andere bepaling van internationaal recht bekend die tot het oordeel zou moeten leiden dat de hier aan de orde zijnde regeling aan zwangere vrouwen een onvoldoende inkomensvoorziening bood.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

mrs. M.M. van der Kade, T.L. de Vries, H.J. Simon

Reactie op kabinetsnota ‘Een veilig land waar vrouwen willen wonen’

Aan de Tweede-Kamerleden die deelnemen aan het Algemeen Overleg over de nota “Een veilig land waar vrouwen willen wonen” op 2 april 2003

Amsterdam, 28 maart 2003

Geachte dames en heren,

Het Clara Wichmann Instituut heeft met belangstelling kennis genomen van de nota “Een veilig land waar vrouwen willen wonen”.
Wij zijn verheugd dat de nota is verschenen, en dat daarmee een overzicht wordt gegeven van het overheidsbeleid op het onderwerp geweld tegen vrouwen.
Wij willen echter een aantal kritische kanttekeningen plaatsen bij de nota. Daarbij streven we niet naar volledigheid; een aantal punten wordt uitgelicht. Daarbij merken we op dat het ons bekend is dat ook andere maatschappelijke organisaties plannen hebben op de nota te reageren. Voorts wijzen we op een artikel dat zal verschijnen in Op Gelijke Voet over dit onderwerp, waarin ook een aantal reacties uit het veld is opgenomen.

Het tijdstip van het verschijnen van de nota
De nota "Een veilig land waar vrouwen willen wonen" (verder "de nota") is de kabinetsreactie op een tweetal rapporten: een advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken "Geweld tegen Vrouwen" en het verdiepend onderzoek "Het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen" van Boerefijn e.a.. Beide rapporten dateren van midden 2000; de reactie heeft derhalve twee en een half jaar op zich laten wachten, ondanks harde toezeggingen dat een kabinetsreactie in 2001 gegeven zou worden. De reactie heeft daarmee aan actualiteit ingeboet.

De werking van het VN-Vrouwenverdrag
In de nota en in bijlage 2 bij de nota wordt -zonder enige bronvermelding of verantwoording- gesteld dat het VN-Vrouwenverdrag geen rechtstreekse werking heeft. Dit is juridisch onjuist. Het is de rechter die van geval tot geval beoordeelt of een specifieke bepaling van een verdrag (en niet een verdrag als geheel) rechtstreekse werking heeft. Daarbij is met name van belang of de betreffende bepaling individuele rechten aan de burger toekent. Een aantal bepalingen van het VN-Vrouwenverdrag (bijvoorbeeld artikel 7 en artikel 12 lid 2) is zo geformuleerd dat hieruit directe werking kan worden afgeleid. Voorts heeft Nederland met de ondertekening van het Facultatieve Protocol, dat burgers de mogelijkheid geeft over de schending van hun individuele rechten te klagen bij het CEDAW-Comité, erkend dat het verdrag rechten aan burgers toekent.

Analyse, visie en coördinatie; gender-mainstreaming
In de nota wordt een aantal belangrijke uitgangspunten ten aanzien van geweld tegen vrouwen die in de rapporten van het AIV en Boerefijn e.a. worden gegeven onderschreven. Waar het gaat om het toekomstig beleid en de toekomstige overheidsmaatregelen ontbreekt echter een centrale visie. Wat is het doel van het overheidsbeleid op dit onderwerp; waaraan worden plannen getoetst; wat is de prioriteit-stelling; welk budget is nodig om effectief beleid te kunnen voeren?

De nota geeft niet veel meer dan een opsomming van reeds bestaande beleidsmaatregelen en andere initiatieven, en is weinig toekomstgericht.

In de nota wordt beargumenteerd dat de terugkeer naar een specifiek beleidsdossier over geweld tegen vrouwen een gepasseerde fase is; het onderwerp zou met succes zijn gemainstreamd. In plaats van een alomvattend actieplan zou het thema geweld tegen vrouwen moeten fungeren als een analytische bril bij het beoordelen van relevante dossiers.
Naar onze mening is gender-mainstreaming allerminst verwezenlijkt.
De nota noemt als het voorbeeld van geslaagde gender-mainstreaming het feit dat huiselijk geweld is opgenomen in het Integraal Veiligheidsbeleid ("Naar een veiliger samenleving"). Juist dit voorbeeld toont aan dat er van gender-mainstreaming geen sprake is. Het veiligheidsbeleid omvat zo"n honderd pagina"s. Daarin is (naar wij hebben begrepen met de grootste moeite, en niet omdat de opstellers van het plan met een gender-analyse-bril naar hun werk hebben gekeken) één alinea opgenomen over huiselijk geweld. Hierin wordt slechts genoemd dat huiselijk geweld een veiligheidsprobleem is; voor de specifieke maatregelen wordt verwezen naar de nota Privé Geweld Publieke Zaak. Het benodigde budget voor deze maatregelen (ongeveer 4 miljoen euro) wordt echter niet vrijgemaakt. Ter vergelijking: er is 800 miljoen beschikbaar voor de uitvoering van de overige plannen in het Integraal Veiligheidsbeleid. Andere vormen van geweld tegen vrouwen (bijvoorbeeld zedenmisdrijven, seksuele intimidatie, geweld tegen prostituees) komen in het Integraal Veiligheidsbeleid in het geheel niet aan de orde. Ook het woord "vrouwen" komt buiten de alinea over huiselijk geweld niet voor.
Van een geslaagde gender-mainstreaming is hier naar ons oordeel dan ook geen sprake.
Wij onderschrijven overigens het succes van het interdepartementale project huiselijk geweld. Dit project was echter een succes omdat er specifieke aandacht aan het thema werd besteed. Nu het aankomt op de uitvoering en met name de financiering van de verschillende maatregelen door de reguliere afdelingen en directies neemt het succes zienderogen af.
Naar onze mening is het van het grootste belang dat er centraal een visie wordt ontwikkeld op het toekomstige overheidsbeleid op het thema geweld tegen vrouwen, en dat de maatregelen die op de verschillende departementen worden ontwikkeld op elkaar worden afgestemd, en worden geanalyseerd en getoetst.
Gender-mainstreaming gaat niet vanzelf; DCE zal zijn coördinerende rol hierin moeten blijven vervullen, ook op het thema geweld tegen vrouwen.

Financiering en concrete maatregelen
Zoals hierboven reeds is aangegeven is nog steeds geen geld vrijgemaakt voor de uitvoering van de maatregelen zoals genoemd in de kabinetsnota Privé Geweld, Publiek Zaak. Van links tot rechts wordt die nota onderschreven. Het is nu tijd om de mooie woorden waar te maken, en ervoor te zorgen dat de plannen ook uitgevoerd kunnen worden.
Ook ten aanzien van de bestrijding van andere vormen van geweld tegen vrouwen is meer duidelijkheid gewenst omtrent de concrete plannen voor de komende jaren, en het budget dat daarvoor beschikbaar is.

Ik verzoek u bovengenoemde punten in het Algemeen Overleg aan de orde te stellen.

Margreet de Boer
directeur Clara Wichmann Instituut

c.c. de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de heer Phoa)

Brief aan Tweede Kamer over spreekrecht voor slachtoffers

Brief aan Eerste Kamer over het initiatiefwetsvoorstel ‘Spreekrecht voor slachtoffers’

Aan de leden van de Vaste Commissie voor Justitie van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Amsterdam, 28 maart 2003

Geachte dames en heren,

Inmiddels ligt het initiatiefwetsvoorstel ‘Spreekrecht voor slachtoffers’ ter behandeling bij u. Naar ik heb begrepen heeft een eerste mondelinge behandeling reeds plaats gevonden.

Het Clara Wichmann Instituut heeft ter gelegenheid van de behandeling in de Tweede Kamer in september 2002 commentaar geleverd. Een kopie van de betreffende brief voeg ik bij.
Naar ons idee zijn de door ons aangedragen punten bij de behandeling in de Tweede Kamer onvoldoende aan bod gekomen. Met name de suggestie om de voeging als benadeelde partij open te stellen voor nabestaanden (in het licht van de vergoeding van affectieschade) is niet besproken. Naar ons idee geeft de mogelijkheid de vordering als benadeelde partij toe te lichten voldoende kansen om de gevolgen van het strafbare feit voor het slachtoffer te belichten, zonder dat daarmee nieuwe -ook voor het slachtoffer belastende- procedures in het leven geroepen hoeven worden.

Ik verzoek u dit punt in uw verdere beraadslaging en oordeelsvorming te betrekken.

Met vriendelijke groet,

Margreet de Boer
directeur Clara Wichmann Instituut

Voor meer informatie, zie de brief aan de Tweede Kamer over spreekrecht van slachtoffers. d.d. 10 september 2002

Instantie: Europees Hof voor de rechten van de mens, 25 maart 2003

Instantie

Europees Hof voor de rechten van de mens

Samenvatting


I.M., een Kaapverdische vrouw die al vanaf 1986 in Nederland verblijft, vraagt meerdere keren -in 1995 voor het laatst – om toelating van haar minderjarige dochter S. Alle aanvragen worden afgewezen omdat de feitelijke gezinsband tussen moeder en dochter zou zijn verbroken. De klacht voor het EHRM wordt niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen sprake van objectieve belemmeringen tegen vestiging van het gezin in het buitenland. Het gegeven dat er ook sprake is van een kind dat geboren en getogen is in Nederland en dat daar omgang heeft met zijn Nederlandse vader, wordt niet meegewogen omdat dit argument niet eerder, gedurende de Nederlandse procedure, naar voren is gebracht. Bovendien heeft I.M. haar klacht niet mede namens haar Nederlands kind gevoerd, en heeft de vader van dat kind zich evenmin als partij gesteld.

Volledige tekst

THE FACTS

The applicant, I.M., has both Netherlands and Cape Verdean nationality. She was born in 1964 and is living in Rotterdam, the Netherlands. She is represented before the Court by Ms Y.M. Schrevelius, a lawyer practising in Rotterdam.

A. THE CIRCUMSTANCES OF THE CASE

The facts of the case, as submitted by the parties, may be summarised as follows.

On 10 November 1986 the applicant moved from the Cape Verde Islands to the Netherlands where she married a Netherlands national, Mr N.A.S. On the basis of that marriage she obtained a residence permit.

The applicant’s daughter, S., who had been born into the relationship between the applicant and one Mr A.M.N. in the Cape Verde Islands on 4 March 1985, stayed behind in the care of her maternal grandparents.

On 26 April 1989 a son, E., was born to the applicant and one Mr M.A.

It had been the applicant’s intention to send for her daughter in 1989, which seemed to her an appropriate moment as she expected to have found a job and to have completed a professional training course by that time. However, her marriage breaking down in September 1989 thwarted these plans. As she was no longer residing with her husband, she applied for an independent residence permit which was granted in October 1989.

The marriage was officially dissolved in 1990. The applicant acquired Netherlands nationality on 14 October 1991. She experienced difficulties obtaining proper accommodation, but this problem was solved in 1992. In the same year the applicant’s father fell seriously ill in the Cape Verde Islands due to which, the applicant submitted, the grandparents were no longer capable of taking care of S.

In October 1992 the applicant addressed a letter to the Netherlands Ministry of Justice, stating that she wished for her daughter to grow up within her family, consisting of herself and her son E., in the Netherlands and that she would be able to take care of her daughter’s upbringing. She appended a declaration made by S.’s father in which he consented to his daughter going to the Netherlands to live with the applicant. The case-file does not contain a reply to this letter.

On 20 April 1993 the applicant filed an official request for a provisional residence visa (machtiging tot voorlopig verblijf) for her daughter with the Visa Division of the Ministry of Foreign Affairs. This request was rejected on 9 June 1993 on the grounds that a stay of longer than three months was intended and that the application did not meet the relevant conditions laid down in Netherlands regulations. The applicant’s objection (bezwaar) against this refusal was rejected on 9 November 1993. Her subsequent appeal to the Administrative Jurisdiction Division of the Council of State (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State) was rejected on 21 June 1996 by the latter as unsubstantiated since the close family ties (gezinsband) between the applicant and her daughter were considered to have ceased to exist.

On 2 November 1994 the applicant filed a new request for a provisional residence visa for S. This was rejected on 16 December 1994. The applicant did not apply any legal remedies against this decision

On 12 June 1995 the applicant applied for a third time for a provisional residence visa, which was rejected on 6 November 1995. Again, the applicant did not have recourse to any legal remedies against this decision.

On 4 July 1995 S. entered the Netherlands on a short stay visa (visum voor kort verblijf), granted for the purpose of visiting relatives.

On 4 September 1995 the applicant filed a request for a residence permit (vergunning tot verblijf) for S. On 11 September 1996 the Deputy Minister of Justice (Staatssecretaris van Justitie) rejected this request, by concluding that the applicant relied on the same facts as those submitted in respect of her earlier requests for a provisional residence visa and that the reasons to reject those requests remained pertinent. The decision underlined that the applicant’s daughter had entered the country on a short stay visa whereas the aim and the intended duration of her stay were not in compliance with the purposes of such a visa. The Deputy Minister held that this breached a rule of general interest.

Referring to the need for a restrictive immigration policy, the decision further stated that, unless international law obliged the Netherlands to grant admission, aliens could be allowed residence only if this served “essential interests of the Netherlands” (wezenlijk Nederlands belang) or in case of compelling reasons of a humanitarian nature (klemmende redenen van humanitaire aard). Neither of these conditions was met in the case of S.

On 21 October 1996 the applicant filed an objection (bezwaar) through counsel with the Deputy Minister of Justice, underlining that her child could not have a normal existence in the Cape Verde Islands and that there were solid reasons why the applicant had been unable to bring her child to the Netherlands before 1992.

On 21 January 1997 the Deputy Minister rejected the applicant’s objection concluding that there were no grounds to justify a reversal of the initial decision since no new facts or other circumstances had been adduced and the grounds for rejection had been correct.

On behalf of S. the applicant lodged an appeal against the decision of the Deputy Minister with the Aliens Chamber of the Hague Regional Court sitting in Haarlem (arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage nevenzittingsplaats Haarlem, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken). She requested an interim measure (voorlopige voorziening) to the effect that her daughter would not be expelled while the appeal was pending and invoked Article 8 of the Convention in support of her claim.

On 29 August 1997 the Regional Court rejected the appeal as unsubstantiated. It agreed with the opinion of the Administrative Jurisdiction Division of the Council of State of 21 June 1996 as regards the rupture of the close family ties. It concluded that refusing the applicant’s daughter residence did not amount to a violation of Article 8 of the Convention in view of the facts and circumstances of the case and having regard to the fact that it concerned a request for a first admission (eerste toelating) to the Netherlands, rather than a refusal to prolong an existing right of residence. The Regional Court rejected the request for a provisional measure.

The Regional Court’s decision was final and not subject to appeal.

B. RELEVANT DOMESTIC LAW

As a rule, anyone wishing to apply for a residence permit in the Netherlands must first apply from his or her country of origin to the Netherlands Minister of Foreign Affairs for a provisional residence visa. Only once such a visa has been issued abroad may a residence permit for the Netherlands be granted. An application for a provisional residence visa is evaluated on the basis of the same criteria as a residence permit.

In general, the Minister of Justice (Minister van Justitie) decides on requests lodged by aliens for residence in the Netherlands (Article 11 of the 1994 Aliens Act (Vreemdelingenwet 1994)). The Minister of Justice can refuse entry and residence on general interest grounds (gronden aan het algemeen belang ontleend).

In view of the situation in the Netherlands as regards population size and employment, Government immigration policy – defined at the time in the 1994 Aliens Circular (Vreemdelingencirculaire 1994) – is aimed at restricting the number of aliens admitted to the Netherlands. In general, an application for a residence permit in the Netherlands is granted only if the individual’s presence serves an essential national interest or if there are compelling humanitarian grounds to do so (Chapter A4/5.3 of the 1994 Aliens Circular).

The policy for admission for family reunion purposes was laid down in Chapter B1 of the 1994 Aliens Circular. It provided that the following persons, where relevant, may qualify for family reunion if certain conditions (relating to matters such as public policy and means of subsistence) are met:

– a person’s spouse,

– a minor child born into the marriage who actually belongs to the family unit (gezin), and

– a minor child born outside the marriage who actually belongs to the family unit (e.g. a child of one of the spouses from a previous marriage or a foster child).

The phrase “actually belonging to the family unit” (“feitelijk behoren tot het gezin”) used in Netherlands law overlaps only partly with the term “family life” in Article 8 of the Convention. The former is understood to mean, for instance, that the close family ties (gezinsband) between the child and its parents whom it wishes to join in the Netherlands already existed in another country and have been maintained. For the rest, the question of whether the close family ties should be deemed to have been severed is answered on the basis of the facts and circumstances of each specific case. Factors taken into consideration include the length of time during which parent and child have been separated and the reasons for the separation, the way in which the relationship between parent and child has been developed during the separation, the parent’s involvement in the child’s care and upbringing, custody arrangements, the amount and frequency of the parent’s financial contributions to the child’s care and upbringing, the parent’s intention to send for the child from the Netherlands as soon as possible and his/her efforts to do so, and the length of time that the child has lived in a family other than with the parent. Living together in the Netherlands without a permanent residence permit is not seen as restoring severed family ties.

If it is established that the conditions set in national policy have not been met, an independent investigation is then carried out to ascertain whether family life exists within the meaning of Article 8 of the Convention and, if so, whether this provision of international law imposes on the State Party an obligation, given the specific circumstances of the case, to permit residence in the Netherlands.

COMPLAINT

The applicant complained under Article 8 of the Convention that residence in the Netherlands, for the purpose of family reunion, was refused to her daughter S. by the Netherlands authorities, due to which they could not enjoy family life together.

THE LAW

The applicant complained of an unjustified interference with her right to respect for family life. She invoked Article 8 of the Convention, which, in so far as relevant, provides as follows:

“1. Everyone has the right to respect for his … family life …

2. There shall be no interference by a public authority with the exercise of this right except such as is in accordance with the law and is necessary in a democratic society in the interests of national security, public safety or the economic well-being of the country, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others.”

The Government submitted that there had been no interference with the applicant’s right to respect for family life, since the authorities’ refusal to allow S. to reside in the Netherlands did not amount to depriving her of a residence permit that enabled her to enjoy family life with the applicant in the Netherlands. This was not altered by the fact that the applicant and her daughter had in fact been living together in the Netherlands since 1995, given that S. was residing in the Netherlands illegally.

The Government were further of the opinion that no special facts or circumstances existed which placed them under a positive obligation to grant S. a residence permit. In this context they attached relevance, inter alia, to the fact that the applicant had not asked for S. to be sent to her until 1993, that is six years after she had first arrived in the Netherlands, having made a conscious decision to settle in the Netherlands and leave her daughter with her grandparents. The refusal to admit S. did not prevent the applicant from continuing to enjoy family life in the same way and with the same intensity as she had elected to pursue when she had settled in the Netherlands without her daughter. In addition, it had not appeared that S. would have no one to care for her in the Cape Verde Islands: apart from her grandparents, ten other relatives – the applicant’s siblings – were also living there, as well as S.’s father.

Although the Government acknowledged the dilemma faced by the applicant if she were forced to choose between staying in the Netherlands on account of her son E. who had been born and bred there or returning to the Cape Verde Islands on account of S., they considered that this situation had come about as a result of the applicant’s deliberate choice to settle in the Netherlands without her daughter.

The applicant maintained that the Netherlands authorities had failed to carry out a proper balancing exercise of all the interests involved. She had first informed the authorities of her wish to bring her daughter to the Netherlands in 1992, when S. had just been seven and a half years old. S. had only been eight years old at the time the first request for a provisional residence visa was refused. The Government could not have taken S.’s age into account, since it was obvious that a child of such a young age would not be able to stand on her own feet.

In the meantime, S. had completed secondary school in the Netherlands and was currently pursuing intermediate vocational education. She was in receipt of a student grant, was covered by the national health service and registered at Rotterdam city hall. According to the applicant, these circumstances did not suggest that S.’s situation was illegal.

Finally, it was not possible for the applicant to return to the Cape Verde Islands with S. and her son E. E. had only Netherlands nationality, was being educated in the Netherlands and had regular contact with his biological father, Mr M.A., a Netherlands national residing in that country.

The Court reiterates that the essential object of Article 8 is to protect the individual against arbitrary action by the public authorities. There may in addition be positive obligations inherent in effective “respect” for family life. However, the boundaries between the State’s positive and negative obligations under this provision do not lend themselves to precise definition. The applicable principles are, nonetheless, similar. In both contexts regard must be had to the fair balance that has to be struck between the competing interests of the individual and of the community as a whole; and in both contexts the State enjoys a certain margin of appreciation (see Gül v. Switzerland, judgment of 19 February 1996, Reports of Judgments and Decisions 1996-I, pp. 174-175, § 38, and Ahmut v. the Netherlands, judgment of 28 November 1996, Reports 1996-VI, p. 2031, § 63).

The present case concerns not only family life but also immigration, and the extent of a State’s obligation to admit to its territory relatives of settled immigrants will vary according to the particular circumstances of the persons involved and the general interest. As a matter of well-established international law and subject to its treaty obligations, a State has the right to control the entry of non-nationals into its territory. Moreover, where immigration is concerned, Article 8 cannot be considered to impose on a State a general obligation to respect immigrants’ choice of the country of their matrimonial residence and to authorise family reunion in its territory (see Gül v. Switzerland, cited above, loc. cit., Ahmut v. the Netherlands, cited above, § 67, and P.R. v. the Netherlands (dec.), no. 39391/98, 7 November 2000, unreported).

In order to establish the scope of the respondent State’s obligations, the facts of the case must be considered.

The present case hinges on the question whether the Netherlands authorities were under a duty to allow S. to reside with her mother in the Netherlands, thus enabling the applicant to maintain and develop family life with her daughter in their territory. The Court must examine whether in refusing to do so the respondent State can be said to have struck a fair balance between the applicant’s interests on the one hand and its own interest in controlling immigration on the other.

S. was born in the Cape Verde Islands in March 1985. When the applicant left the Cape Verde Islands in November 1986 to settle, marry and start a new family in the Netherlands, she decided voluntarily to leave S., who was 20 months’ old at the time and completely dependent on others. She went along with her new husband’s wishes to the effect that S. should not come to the Netherlands to form part of their new family unit. Even after the break-up of her marriage, in 1989, the applicant did not take any steps to have S. join her until October 1992, and an official application for a provisional residence visa for S. was not filed until April 1993. Altogether, it was only after six and a half years that the applicant took steps to take up the care and daily responsibility for her daughter.

Although the Court appreciates that the applicant would now prefer to maintain and intensify her family life with S. in the Netherlands, Article 8, as noted above, does not guarantee a right to choose the most suitable place to develop family life. Moreover, the applicant, who still possesses Cape Verdean nationality, has failed to substantiate her claim that she would be unable to develop this family life in the Cape Verde Islands. It is further to be noted that by the time a final decision had been taken on the applicant’s request, S. had reached an age where she was presumably not as much in need of care as a young child, and also that she has a considerable number of relatives living in the Cape Verde Islands.

The fact that the applicant’s daughter has been staying with her mother in the Netherlands since 1995 does not impose a positive obligation on the State to allow S. to reside with the applicant since S. entered the Netherlands only for the purposes of visiting relatives. At that time the applicant was fully aware that S. would not be permitted to stay with her given that several requests for a residence permit for S. had already been refused.

As to the fact, lastly, that the applicant’s son E. has Netherlands nationality only and that he has regular contact with his Dutch biological father who is residing in the Netherlands, the Court notes that the applicant only raised this argument in the present proceedings in her observations in reply to those of the respondent Government. Moreover, it does not appear from the case-file that the applicant argued in the domestic proceedings that her son E. constituted an obstacle to her returning to the Cape Verde Islands. The Court further observes that the applicant did not bring the present application on behalf of her son, and neither is her son’s biological father a party to these proceedings.

In these circumstances the respondent State cannot be said to have failed to strike a fair balance between the applicant’s interests on the one hand and its own interest in controlling immigration on the other.

It follows that no violation of Article 8 can be found on the facts of the present case and that the application is to be rejected as being manifestly ill-founded, pursuant to Article 35 § 3 and 4 of the Convention.

For these reasons, the Court by a majority

Declares the application inadmissible.

Noot

Op 21 december 2001 deed het EHRM (JV 2002/30) een opmerkelijke uitspraak in de zaak Sen tegen Nederland. Het betrof een Turks meisje, Sinem Sen, dat op driejarige leeftijd werd achtergelaten bij familie in Turkije toen haar moeder naar Nederland vertrok om zich daar bij haar Turkse echtgenoot te voegen. Pas na zes jaar besloten Sinem’s ouders haar alsnog naar Nederland te laten overkomen. Tegen die tijd was het gezin verder uitgebreid met een tweede kind, geboren in Nederland. Toen uiteindelijk uitspraak werd gedaan in laatste instantie was er nog een kind in Nederland geboren. Inmiddels was Sinem twaalf jaar oud geworden.
De aanvraag om gezinshereniging werd door de Nederlandse staat afgewezen, omdat de feitelijke gezinsband tussen Sinem en haar ouders zou zijn verbroken. De ouders zetten door tot aan het Europese Hof, en kregen uiteindelijk gelijk. Het Hof overwoog in het algemeen dat het recht van ouders en kinderen om van elkaars gezelschap te genieten een fundamenteel bestanddeel vormt van het recht op respect voor het gezinsleven en dat het onredelijk kan zijn om ouders te plaatsen voor de keuze tussen afstand nemen van hun verworvenheden in hun land van verblijf of afzien van het gezelschap van hun kind. Wat dit concrete geval betreft, overwoog het Hof dat Sinem, op het moment dat zij om toelating vroeg, nog jong was en als zodanig een dringend belang had bij integratie in het gezin van haar ouders, terwijl het gegeven dat er kinderen geboren en getogen waren in Nederland een ernstige belemmering vormde voor vestiging van het gezin in Turkije. Deze omstandigheden maakten dat het negatieve besluit van de Nederlandse regering onredelijk was geweest. Dat de ouders er aanvankelijk zelf voor hadden gekozen om Sinem achter te laten deed hier niet aan af. Dat zij geen bewijzen konden overleggen dat zij steeds in Sinems onderhoud hadden voorzien achtte het Hof evenmin van betekenis.
Op het eerste gezicht komt de casus in de hierboven afgedrukte uitspraak van I.M. tegen Nederland op verassend veel punten overeen met die van Sinem Sen. Ook in dit geval werd een meisje op jonge leeftijd (anderhalf jaar) achtergelaten door haar moeder toen zij naar Nederland vertrok en zich daar vestigde met een – in dit geval Nederlandse – man. Ook in dit geval is er vervolgens een kind – in dit geval zelfs een Nederlands kind – in Nederland geboren. Ook in dit geval werd pas na zes jaar een eerste – informele – aanzet gemaakt tot gezinshereniging. Toen een jaar later een formele aanvraag werd ingediend, was het meisje acht jaar oud – net een jaar jonger dan Sinem toen zij voor het eerst om toelating vroeg. Ook in dit geval werd de aanvraag afgewezen omdat de feitelijke gezinsband zou zijn verbroken. Net als Sinem was ook S. twaalf jaar oud toen de Nederlandse rechter in laatste instantie uitspraak deed. En ook in dit geval werd doorgeprocedeerd tot aan het Europese Hof, alleen nu zonder succes. De zaak werd niet-ontvankelijk verklaard.
Op een paar punten heeft de moeder van S. haar zaakjes minder handig aangepakt dan de ouders van Sinem. Zo heeft zij, na verschillende te vergeefse pogingen een machtiging tot voorlopig verblijf (een visum voor langdurig verblijf) te bemachtigen, een toeristenvisum voor haar dochter aangevraagd, en vervolgens een verblijfsvergunning in Nederland aangevraagd. Hiermee heeft zij een van de bestanddelen van het Nederlandse toelatingsbeleid proberen te omzeilen, iets waar het Hof doorgaans niet welwillend tegenover staat. Bovendien heeft zij het gegeven dat zij een tweede kind had dat geboren en getogen was in Nederland pas bij het Hof aangehaald als argument tegen de stelling, van de kant van de Staat, dat het gezin zich ook in Kaapverdië zou kunnen vestigen. Dit argument is kennelijk niet eerder gehanteerd gedurende de procedure in Nederland. Verder overweegt het Hof dat noch het kind noch zijn vader zich als partij heeft gesteld gedurende de procedure.
Toch vraag ik me af of deze gegevens in voldoende mate verklaren waarom deze klacht, die op zo veel punten op Sen leek, ‘manifestly ill-founded’ is verklaard. Met name het laatste argument, dat het jongste kind en zijn vader geen partijen waren bij deze zaak, roept vragen op. Er vallen heel wat uitspraken te citeren waarbij de belangen van bepaalde gezinsleden zijn meegewogen, zonder dat die personen zich als partij hebben gesteld. Zo waren de twee jongste kinderen van het gezin Sen evenmin partij bij de zaak van hun zuster.
Zou een ander punt van verschil niet minstens even zwaar hebben gewogen, namelijk dat het in de zaak Sen om een keurig gehuwd stel ging, terwijl de moeder van S. als ongehuwde moeder naar Nederland was gekomen, daar met een nieuwe vriend was getrouwd, en vervolgens weer van hem was gescheiden? De omstandigheden in de zaak Sen worden namelijk opvallend anders gewaardeerd dan in de zaak I.M. Zo wordt in de zaak Sen benadrukt dat Sinem nog erg jong was op het moment van de eerste aanvraag, terwijl in de zaak I.M. juist het argument wordt gehanteerd dat S., op het moment dat de Nederlandse rechter uitspraak deed, al helemaal twaalf jaar oud was en dus geen dringende behoefte meer had aan moederliefde.
Verder valt het op dat het Hof geen waardeoordeel velt over de achterlating van Sinem Sen: “het gescheiden verblijf van klagers is het gevolg geweest van het besluit dat de ouders bewust hebben genomen op het moment dat de tweede klager zich voegde bij haar man in Nederland. Na het vertrek van haar moeder naar Nederland in 1986, werd de zorg voor Sinem overgenomen door haar tante en oom.” (Ro 38). In Ro 40 oordeelt het Hof dat dit besluit ‘niet mag worden beschouwd als een onomkeerbaar besluit om Sinem voor altijd in Turkije te laten verblijven en om slechts sporadisch en kortstondig contact met haar te onderhouden, waarbij definitief zou worden afgezien van haar gezelschap en afscheid zou worden genomen van elk voornemen het hele gezin te herenigen.’ Het oordeel van het Hof over de achterlating van S. door haar moeder I.M. is aanmerkelijk minder mild: ‘When the applicant left the Cape Verde Islands in November 1986 to settle, marry and start a new family in the Netherlands, she decided voluntarily to leave S., who was 20 months’old at the time and completely dependent on others. She went along with her new husband’s wishes to the effect that S. should not come to the Netherlands to form part of their new family unit (pikant detail: uit de zaak Sen valt op te maken dat ook in dat geval, de man zich verzet had tegen een eerdere overkomst van het kind). Altogether, it was only after six and a half years that the applicant took steps to take up the care and daily responsibility for her daughter.’ De impliciete boodschap is duidelijk. I.M. is een slechte moeder geweest voor S. Een dergelijk oordeel over de kwaliteit van Sinems ouders als verzorgers valt niet te bespeuren in de zaak Sen.
Een van de grote winsten van de jurisprudentie die over de jaren is opgebouwd op grond van art. 8 EVRM is ongetwijfeld het gegeven dat afgerekend is met het huwelijk als de enige beschermenswaardige gezinsvorm. Die ontwikkeling begon met de uitspraak van het EHRM in de zaak Marckx waarin het Hof duidelijk maakte dat het recht op respect voor het gezinsleven van art. 8 niet alleen de huwelijkse gezinsvorm beschermt, maar ook de alleenstaande moeder (zie verder de bijdrage van Titia Loenen aan dit slotnummer). Toch ontkomt men niet aan de indruk dat sommige gezinsvormen meer beschermenswaardig zijn gebleven dan anderen.

Sarah van Walsum

Rechters

Mrs. Costa, Loucaides, Bîrsan, Jungwiert, Butkevych, Thomassen, Mularoni

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 19 maart 2003

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


X wordt wegens twee pogingen tot zware mishandeling van zijn (ex-)vriendin en het in het gezicht slaan van een agent veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden. De rechtbank overweegt dat X door het schoppen en slaan van het onbeschermde slachtoffer en door het slachtoffer met haar hoofd tegen een spiegel te slaan willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij haar zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Dat verdachte op grond van zijn professie in staat is op gecontroleerde wijze te slaan, doet hieraan niet af nu hij zijn zelfbeheersing had verloren. De rechtbank rekent het hem juist zwaar aan dat hij als ex-profbokser zijn zelfbeheersing niet heeft kunnen bewaren teneinde de toepassing van geweld te voorkomen. Verdachte is op zeer gewelddadige wijze te werk gegaan en de omstandigheid dat het slachtoffer daardoor geen blijvend letsel heeft opgelopen is een gelukkige, die echter geenszins aan X te danken is. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met verdachtes eerdere veroordelingen terzake van onder andere delicten als onderhavige. Ten tijde van het plegen van de onderhavige delicten liep verdachte in een proeftijd. In het uitgebrachte rapport van het Pieter Baancentrum wordt X met betrekking tot de mishandeling van zijn (ex-)vriendin als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd. Bij X is sprake van een opvallende narcistische problematiek, aangedreven door zogenaamde borderlineproblemen met betrekking tot hechting en verlating, doch deze problematiek bereikt niet het niveau van een persoonlijkheidsstoornis. Hoewel de relatie met zijn (ex-)vriendin en hun gemeenschappelijke kind zijn problematiek activeerde, was deze problematiek niet doorslaggevend bij het plegen van de feiten. Het verzoek van de verdediging om een zodanige straf op te leggen dat (verdere) behandeling mogelijk wordt gemaakt wordt door de rechtbank afgewezen. De verdediging doet hiervoor geen concrete voorstellen. Bovendien heeft een eerdere therapie niet voorkomen dat verdachte zich wederom op verschillende tijdstippen schuldig heeft gemaakt aan ernstige vormen van huiselijk geweld. De rechtbank oordeelt dat een gedeeltelijk voorwaardelijke straf in het kader waarvan een eventuele behandeling zou dienen plaats te vinden, niet in de rede ligt.
De rechtbank beveelt voorts de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden terzake van (ernstige) mishandelingen, daar de daarbij opgelegde proeftijd van drie jaar ten tijde van het plegen van de nieuwe feiten nog niet was verstreken.
De (ex-)vriendin heeft als benadeelde partij vergoeding van immateriële schade gevorderd tot bedragen van€ 20.000 en€40.000. Beide vorderingen worden niet-ontvankelijk verklaard; die van€40.000 omdat de gevorderde schade niet rechtstreeks is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten, en die van€20.000 omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

Volledige tekst

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/041439-02, zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van deze dagvaarding en vordering zijn kopieën in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1a tot en met 1e).

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank de tenuitvoerlegging zal gelasten van de aan de verdachte bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 24 oktober 2000 onder parketnummer 10/041389-00 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Lambrichts heeft gerekwireerd – zakelijk weergegeven – tot de vrijspraak van het onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde, de bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

NIET BEWEZEN

Het onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijden genummerd 1f en 1g), die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING

Met betrekking tot het opzet bij de onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde feiten overweegt de rechtbank het volgende.

Door het slaan en schoppen van het onbeschermde slachtoffer en – zoals dat bij feit 1 meer subsidiair het geval is – het slachtoffer met haar hoofd tegen een spiegel te slaan, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Dat verdachte op grond van zijn professie in staat is op gecontroleerde wijze te slaan doet hieraan niet af, nu verdachte zijn zelfbeheersing had verloren. Zijn opzet was derhalve – in de zin van voorwaardelijk opzet – er op gericht om [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1 meer subsidiair
Poging tot zware mishandeling,
strafbaar gesteld bij artikel 302, eerste lid, in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht,

2 subsidiair
Poging tot zware mishandeling,
strafbaar gesteld bij artikel 302, eerste lid, in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht,

3 subsidiair
Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid, in verbinding met artikel 304, aanhef en onder 2° van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de straf-baarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling van zijn (ex-)partner [naam]. Verdachte is daarbij op zeer gewelddadige wijze tekeergegaan en de omstandigheid dat het slachtoffer daardoor geen blijvend letsel heeft opgelopen is een gelukkige, die echter geenszins aan de verdachte te danken is. Deze feiten van ergerlijke aard dienen te worden bezien tegen een relationele achtergrond.

Voorts heeft verdachte een hoofdagent van politie in functie tegen het gelaat geslagen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij als ex-profbokser ten tijde van het plegen van de feiten niet zijn zelfbeheersing heeft kunnen bewaren teneinde de toepassing van geweld te voorkomen.

Gelet op het voorgaande is in beginsel een gevangenisstraf van geruime duur op zijn plaats.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met verdachtes eerdere veroordelingen terzake van onder andere delicten als de onderhavige. Een en ander blijkt uit het Uittreksel Justitieel Documentatieregister van 29 juli 2002. Ten tijde van het plegen van de onderhavige delicten liep verdachte in een proeftijd.

In het omtrent verdachte uitgebrachte rapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht van 17 februari 2003 stellen de rapporteurs, H.A. van Kempen, psycholoog, en J. R. Haas, psychiater, vast dat bij verdachte sprake is van een opvallende narcistische problematiek, die aangedreven wordt door zogenaamde borderlineproblemen met betrekking tot hechting en verlating, doch dat deze problematiek niet het niveau van een persoonlijkheidsstoornis bereikt. De relatie met zijn (ex-) partner en hun gemeenschappelijk kind activeerde weliswaar verdachtes problematiek: controle moeten houden – met name in een relatie van grote emotionele betekenis en verhoogde krenkbaarheid. Maar anderzijds achten beide deskundigen de problematiek van verdachte niet van dien aard dat deze van doorslaggevende betekenis was voor diens gedragingen bij het tenlastegelegde onder 1 en 2. Zij komen tot de conclusie dat verdachte met betrekking tot deze feiten dan ook als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Voor het tenlastegelegde onder 3 zijn de rapporteurs van mening dat van een duidelijk verband met verdachtes problematiek niet gesproken kan worden, zodat hij met betrekking tot dit feit dan ook als toerekeningsvatbaar beschouwd moet worden.

De rechtbank deelt de conclusie van de psycholoog en de psychiater over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, neemt die conclusie over en maakt die tot de hare.

Door de verdediging is aan de rechtbank verzocht om een zodanige straf op te leggen dat deze een (verdere) behandeling van verdachte mogelijk maakt en om in het kader daarvan tevens een behandeling van verdachte te bevelen.

De rechtbank stelt vast dat de vorm, de inhoud en het doel van de door de verdediging voorgestane behandeling volledig in het ongewisse is gebleven en dat enig concreet en deugdelijk onderbouwd voorstel dan wel behandelingsplan ontbreekt.

Tevens moet worden geconstateerd dat de therapie die verdachte naar aanleiding van een eerdere veroordeling heeft ondergaan en ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten wellicht nog onderging, niet heeft voorkomen dat verdachte zich wederom op verschillende tijdstippen schuldig heeft gemaakt aan ernstige vormen van huiselijk geweld. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum lijkt te kunnen worden afgeleid dat die therapie eerder een averechts effect heeft gesorteerd.

Uit het PBC rapport blijkt voorts dat het voor de deskundigen niet mogelijk is om vanuit de problematiek van verdachte een onderbouwde uitspraak te doen over de kans op herhaling van soortgelijke feiten. De deskundigen achten de aard van de problematiek en de doorwerking in de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zo beperkt dat verdachte veel ruimte heeft voor gedrags-alternatieven en zij achten dan ook geen grond aanwezig voor een advies tot behandeling van betrokkene in een strafrechtelijk kader.

Deze feiten en omstandigheden én het gegeven dat voor een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf, in het kader waarvan een eventuele behandeling zou dienen plaats te vinden, naar het oordeel van de rechtbank, gezien de eerdere recente veroordelingen van verdachte geen plaats is, brengen met zich dat een behandeling van verdachte in een strafrechtelijk kader, niet in de rede ligt.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende en geboden reactie is op de bewezen verklaarde feiten.

DE VORDERING TOT TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 24 oktober 2000 is de verdachte terzake van twee pogingen tot zware mishandeling en mishandeling, meermalen gepleegd, veroordeeld – voor zover van belang – tot een gevangenisstraf van vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

De proeftijd is op grond van artikel 14b, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op 9 november 2000.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van genoemd vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, heeft de verdachte de aan meergenoemd vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. De rechtbank vindt daarin aanleiding de tenuitvoerlegging te gelasten van de bij vonnis d.d. 24 oktober 2000 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht, in het licht van het eerder overwogene, geen termen aanwezig de bij vonnis bepaalde proeftijd te verlengen of de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is behalve op de reeds genoemde artikelen gegrond op de artikelen 14g en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

DE VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ

benadeelde partij [achternaam]

Op de wijze voorzien in artikel 51b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich ter terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [personalia benadeelde partij], terzake van feiten 1 en 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot bedragen van onderscheidenlijk €20.000,= en van €40.000,=.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de door de benadeelde partij gestelde hoogte van de schade betwist.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij wordt in de vordering strekkende tot vergoeding van immateriële schade ad €40.000,= niet ontvankelijk verklaard nu de gevorderde schade niet rechtstreeks is toegebracht door de onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde feiten.

De vordering van de benadeelde partij voor het overige is niet van zo eenvoudige aard, dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal worden bepaald dat de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

benadeelde partij [achternaam]

Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [personalia benadeelde partij], terzake van feit 3. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van €64,50 en van immateriële schade tot een bedrag van €500,=.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de door de benadeelde partij gestelde hoogte van de schade betwist.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en hij heeft voorts gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen.
Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden en de verdachte de inhoud van de door de benadeelde partij overgelegde productie onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, zal het gevorderde bedrag ad €64,50 worden toegewezen.

De gevorderde immateriële schade is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid toewijsbaar tot een bedrag van €200,= zodat dit bedrag zal worden toegewezen en de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten van de benadeelde partij betalen. De rechtbank begroot de kosten voor rechtsbijstand tegen de achtergrond van het toe te wijzen bedrag op €108,=.

De rechtbank acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden.

BESLISSING

De rechtbank:

– verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en 3 primair
ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

– verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

– verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

– stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

– verklaart de verdachte strafbaar;

– veroordeelt de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 (vijftien) maanden;

– beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
–
– verklaart de benadeelde partij [achternaam] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze, voor zover deze strekt tot vergoeding van de schade ten bedrage van €20.000,=, kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

– wijst de vordering van de benadeelde partij [achternaam] ten dele toe en veroordeelt verdachte tegen kwijting aan [personalia benadeelde partij], te betalen €264,50 (zegge tweehonderd vierenzestig euro en vijftig cent);

– verklaart de benadeelde partij [achternaam] niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft het overige deel en bepaalt dat dit deel slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

– veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [achternaam] gemaakt, tot op heden begroot op €108,=, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

– legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [personalia slachtoffer], te betalen €264,50 (zegge tweehonderd vierenzestig euro en vijftig cent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

– bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van €264,50 ten behoeve van voormeld slachtoffer [achternaam], daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij [achternaam] een bedrag van €264,50 te betalen komt te vervallen, en bepaalt tevens dat indien de verdachte aan de benadeelde partij [achternaam] een bedrag van €264,50 heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van €264,50 ten behoeve van voormeld slachtoffer komt te vervallen;

– gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 24 oktober 2000 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) maanden.

Rechters

Mrs.Van de Kerkhof, Buchner, Hartog

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 5 maart 2003

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


In deze zaak weigerde de rechtbank de moeder vervangende toestemming te verlenen voor emigratie naar Australië ( zie RN 2003/1, 1537). Vervangende toestemming zou een inbreuk betekenen op het recht op family life, dat de minderjarigen met beide ouders hebben en de feitelijke invulling van het ouderlijk gezag zou worden beperkt. Het Hof Den Haag komt in hoger beroep tot een andere beslissing en geeft de moeder wel toestemming om met de kinderen (10 en 12 jaar oud) naar Australië te verhuizen. Het hof overweegt hierbij het volgende:
Vaststaat dat partijen tijdens hun huwelijk hebben gekozen voor de traditionele rolverdeling waarbij de moeder de verzorging en opvoeding van de kinderen geheel voor haar rekening nam. Na de echtscheiding heeft de moeder deze dagelijkse zorg behouden. De vader heeft zich zowel tijdens als na het huwelijk enigszins afzijdig gehouden, omdat hij tevreden is met de manier waarop de moeder de kinderen opvoedt. Gebleken is dat de omgangsregeling met de vader goed loopt en de kinderen opgroeien in een stabiele gezinssituatie en hun ontwikkeling positief verloopt. Nu de moeder vanaf de geboorte van de kinderen de dagelijkse zorg voor hen heeft gehad en zij deze taak naar tevredenheid van de beide ouders uitoefent, is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij bij de moeder blijven wonen. In dat licht bezien past het binnen haar zorgtaak dat zij de ruimte krijgt om daaraan invulling te geven, in beginsel ook indien zij haar leven en het leven van de kinderen elders voort zou willen zetten. Getoetst moet worden of het belang van de kinderen met een dergelijke verhuizing is gediend. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof ervan overtuigd geraakt dat de moeder de door haar gewenste verhuizing naar Australië grondig en weloverwogen heeft voorbereid. Ze heeft de mogelijkheden voor haar nieuwe partner onderzocht om zich hier te vestigen. Gelet op het soort werk dat hij verricht en het feit dat de moeder onvoldoende inkomen geniet om voor hem garant te staan teneinde voor hem een verblijfsvergunning te krijgen, bleek dit geen optie. Daarop heeft de moeder besloten er de voorkeur aan te geven zich met haar nieuwe partner en de kinderen in Australië te vestigen. De kinderen zijn een aantal maal naar Australië geweest, waar zij verbleven bij familie van de nieuwe partner van de moeder. Deze is ook een aantal maal in Nederland geweest. Gebleken is ook dat de moeder veelvuldig met de kinderen over de gevolgen van de verhuizing heeft gesproken. Verder heeft de moederzich er van vergewist dat er voor de kinderen goede onderwijsmogelijkheden zijn.
Het hof acht aannemelijk dat de relatie tussen de moeder en haar nieuwe partner een serieus en bestendig karakter heeft, gelet op de duur en de frequentie van de contacten die tussen hen hebben plaatsgevonden. Zij hebben zowel in Nederland als in Australië en zowel met als zonder de kinderen veel tijd samen doorgebracht. Daarnaast acht het hof het aannemelijk dat de nieuwe partner van de moeder zijn verantwoordelijkheden als verzorger van de kinderen op zich zal nemen. Toen de moeder vorig jaar onverwachts in het ziekenhuis werd opgenomen is hij direct naar Nederland gekomen om voor de kinderen te zorgen. Bovendien hebben de kinderen een goed contact met hem opgebouwd. Dit alles in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen het meest wenselijk is dat zij met de moeder mee naar Australië verhuizen, zodat de bestreden beschikking op dit punt wordt vernietigd. Uit het appelschrift van de moeder blijkt dat zij zich niet verzet tegen de door de vader in eerste aanleg verzochte omgangs- en informatieregeling. Ter terechtzitting heeft zij aangegeven haar medewerking te zullen verlenen aan deze regeling. Het hof gaat er dan ook van uit dat de moeder haar belofte gestand doet en uitvoering zal geven aan deze omgangs- en informatieregeling, alsmede regelmatig schriftelijk, telefonisch en e-mail contact tussen de vader en de kinderen zal stimuleren.
Het hof vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en in zoverre opnieuw beschikkende: geeft de moeder toestemming om met de kinderen naar Australië te verhuizen.
Vervolg op uitspraak PF 110 . De rechtbank had toestemming geweigerd tot emigratie naar Australie door moeder met de kinderen. Het Hof vernietigt deze uitspraak en verleend alsnog toestemming om met de kinderen naar Australie te verhuizen.

Volledige tekst

PROCESVERLOOP

De moeder is op 24 oktober 2002 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 26 juli 2002.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brief van 25 november 2002.

Op 23 december 2002 is bij het hof een brief ingekomen van de raad met de mededeling dat de raad niet ter terechtzitting zal verschijnen.

Op 29 januari 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. A.A.J. de Nijs en de vader. De hierna te noemen minderjarigen [kind] en [kind] zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling in
raadkamer gehoord.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat voor zover in hoger beroep van belang tussen de ouders het volgende vast.

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:
[kind], op 24 maart 1989, hierna te noemen: [kind], en
[kind], op 18 maart 1991, hierna te noemen: [kind].
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen, die bij de moeder verblijven.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 23 maart 2001, die op 1 mei 2001 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is tussen de vader en de kinderen een omgangs-regeling vastgesteld, waarbij de vader de kinderen bij zich mag hebben als volgt:
éénmaal per twee weken een weekeinde, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, door de partijen in onderling overleg nader te regelen.

Op 24 mei 2002 heeft de moeder de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht om haar, uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar Australië te verhuizen. De vader heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd en daarbij zelfstandig verzocht primair te bepalen dat de kinderen voortaan hun gewone verblijfplaats bij de vader zullen hebben en subsidiair te bepalen:
dat de vader gerechtigd is de kinderen elk jaar in de periode juliaugustus gedurende ten minste vier weken aaneengesloten en in de periode decemberjanuari gedurende tenminste twee weken aaneengesloten, bij zich te hebben;
-dat de moeder veelvuldig email contact tussen hem en de kinderen stimuleert;
-dat hij minimaal één keer per week telefonisch contact heeft met de kinderen;
-dat een informatieregeling wordt vastgesteld.

Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van de moeder en de vader afgewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De moeder verzoekt de bestreden beschikking, voor zover daarbij haar inleidend verzoek is afgewezen, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen, dan wel alvorens een beslissing te nemen de raad te verzoeken in deze te bemiddelen en/of te adviseren en de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen. De vader betwist het verzoek van de moeder gemotiveerd.

2. De moeder wenst naar Australië te verhuizen om aldaar met haar nieuwe partner en de kinderen een gezin te vormen. Zij stelt dat de belangen van de kinderen zich niet verzetten tegen deze voorgenomen verhuizing. Voor de moeder staat het vast dat zij de meest aangewezen persoon is om de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen
op zich te nemen, nu zij deze taak vanaf de geboorte van de kinderen heeft gehad en na de echtscheiding heeft behouden. Zij dient dan ook de vrijheid te krijgen om de kinderen op een plek en in een gezinssituatie op te voeden die haar, het geheel overziend, het beste voorkomt, te meer daar de vader vertrouwen heeft in haar manier van verzorging en opvoeding. De partijen hebben nooit gezamenlijk invulling gegeven aan het ouderlijk gezag, omdat de vader zich altijd afzijdig hield en weinig belangstelling toonde in het wel en wee van de kinderen. De moeder accepteert dit, maar vindt het niet aan de orde dat
de vader dan nu zijn instemming aan de voorgenomen verhuizing onthoudt. Tot slot had het volgens de moeder in de rede gelegen dat de rechtbank alvorens een dergelijke belangrijke beslissing te nemen de raad had ingeschakeld.

3. De vader acht het niet in het belang van de kinderen dat zij naar Australië verhuizen.
Hij is van mening dat de moeder haar eigen belangen voorop stelt en daarbij de belangen van de kinderen onvoldoende waarborgt. De vader is ongerust dat de kinderen van hem zullen vervreemden. Hij vindt dat de moeder het hem onmogelijk maakt invulling te geven aan het family life dat hij met de kinderen heeft. Volgens hem is het het meest in hun belang dat zij bij hem komen wonen, omdat dit een minder ingrijpende verandering in hun leven zal zijn dan een verhuizing naar Australië. Daartoe is de vader bereid ander werk bij het Ministerie van Defensie te zoeken of eventueel parttime te gaan werken.

4. Vaststaat dat partijen tijdens hun huwelijk hebben gekozen voor de traditionele rolverdeling waarbij de moeder de verzorging en opvoeding van de kinderen geheel voor haar rekening nam. Na de echtscheiding heeft de moeder deze dagelijkse zorg behouden.
De vader heeft zich zowel tijdens als na het huwelijk enigszins afzijdig gehouden, omdat hij tevreden is met de manier waarop de moeder de kinderen opvoedt. Gebleken is dat de omgangsregeling met de vader goed loopt en de kinderen opgroeien in een stabiele gezinssituatie en hun ontwikkeling positief verloopt. Nu de moeder vanaf de geboorte van de kinderen de dagelijkse zorg voor hen heeft gehad en zij deze taak naar tevredenheid van de beide ouders uitoefent, is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij bij de moeder blijven wonen.

5. Uit het onder punt 4 overwogene blijkt dat de moeder altijd de zorgtaak en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid voor de kinderen heeft gehad. In dat licht bezien past het binnen haar zorgtaak dat zij ruimte krijgt om daaraan invulling te geven, in beginsel ook indien zij haar leven en het leven van de kinderen elders voort zou willen
zetten. Getoetst moet worden of het belang van de kinderen met een dergelijke verhuizing is gediend. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof ervan overtuigd geraakt dat de moeder de door haar gewenste verhuizing naar Australië grondig en weloverwogen heeft voorbereid. Ze heeft de mogelijkheden voor haar nieuwe partner onderzocht om zich hier te vestigen. Gelet op het soort werk dat hij verricht en het feit dat de moeder onvoldoende inkomen geniet om voor hem garant te staan teneinde voor hem een verblijfsvergunning te krijgen bleek dit geen optie. Daarop heeft de moeder besloten er de voorkeur aan te geven zich met haar nieuwe partner en de kinderen in Australië te vestigen. De kinderen zijn een aantal maal naar Australië geweest, waar zij verbleven bij de familie van de nieuwe partner van de
moeder. Daarnaast is hij ook een aantal maal in Nederland geweest. Door deze bezoeken hebben de kinderen Australië en de nieuwe partner van de moeder en zijn familie leren kennen. Gebleken is ook dat de moeder veelvuldig met de kinderen over de gevolgen van de verhuizing heeft gesproken. Verder heeft de moeder zich er van gewist dat er voor de kinderen goede onderwijsmogelijkheden zijn. Het hof acht het aannemelijk dat de relatie tussen de moeder en haar nieuwe partner een
serieus en bestendig karakter heeft, gelet op de duur en de frequentie van de contacten die tussen hen hebben plaatsgevonden, zoals uit de overgelegde stukken is gebleken. Zij hebben zowel in Nederland als in Australië en zowel met als zonder de kinderen veel tijd samen doorgebracht. Daarnaast acht het hof het aannemelijk dat de nieuwe partner van de moeder zijn verantwoordelijkheden als verzorger van de kinderen op zich zal nemen.
Toen de moeder vorig jaar onverwachts in het ziekenhuis werd opgenomen is hij direct naar Nederland gekomen om voor de kinderen te zorgen. Bovendien hebben de kinderen een goed contact met hem opgebouwd. Dit alles in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen het meest wenselijk is dat zij met de moeder mee naar Australië verhuizen, zodat de bestreden beschikking op dit punt dient te worden vernietigd.

6. Uit het appelschrift van de moeder blijkt dat zij zich niet verzet tegen de door de vader in eerste aanleg verzochte omgangs- en informatieregeling. Ter terechtzitting heeft zij aangegeven haar medewerking te zullen verlenen aan deze regeling. Het hof gaat er dan ook van uit dat de moeder haar belofte gestand doet en uitvoering zal geven aan de door de vader in eerste aanleg verzochte omgangs- en informatieregeling, alsmede regelmatig schriftelijk, telefonisch en email contact tussen de vader en de kinderen zal stimuleren.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

geeft de moeder toestemming om met de kinderen naar Australië te verhuizen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs. Bloem, Melssen, Miltenburg, Knijp