Instantie: Centrale Raad van Beroep, 4 maart 2003

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Werkneemster is ziek geworden per 13 augustus 1999 en neemt per 1 september 1999 onbetaald ouderschapsverlof op. Een ziektewetuitkering wordt geweigerd omdat bij de Wet onbetaald verlof in de Ziektewet is vastgelegd dat bij onbetaald verlof de fictie wordt aangenomen dat er geen dienstbetrekking is en daarmeeZw-verzekering. Deze fictie doet niet af aan het feit dat de dienstbetrekking van betrokkene tijdens het verlof is voortgezet. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat ziekengeld terecht is geweigerd.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 3 mei 2000 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 22 februari 2001 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. P.J. van ’t Hoff, werkzaam bij de stichting Rechtsbijstand te Tilburg, op in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 januari 2003, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van ’t Hoff, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G. Koopman, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellante heeft met haar werkgever de afspraak gemaakt dat zij met ingang van 1 september 1999 onbetaald ouderschapsverlof neemt. Zij is met ingang van 13 augustus 1999 arbeidsongeschikt geworden. De werkgever heeft tot 1 september 1999 het loon doorbetaald. Bij brief van 29 september 1999 heeft appellante een aanvraag ingediend voor ziekengeld met ingang van 1 september 1999. Per 15 oktober 1999 heeft zij zich hersteld gemeld.
Gedaagde heeft bij besluit van 12 november 1999 ziekengeld geweigerd, omdat per 1 september 1999 het dienstverband van appellante met haar werkgever niet is geëindigd. Zij heeft daarom op grond van artikel 29 van de Ziektewet geen recht op ziekengeld. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde nog toegevoegd dat zij evenmin recht heeft op ziekengeld op grond van artikel 46 van de Ziektewet. Het bezwaar is bij dat besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De Raad overweegt dat bij wet van 11 juni 1998 tot wijziging van de Ziektewet, de WAO, de WW en enkele andere wetten in verband met het wegnemen van belemmeringen in socialeverzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald verlof,
Stb. 1998, 412 (hierna: Wet onbetaald verlof), welke wet per 1 oktober 1998 in werking is getreden, een aantal wijzigingen is aangebracht in de Ziektewet, waarvan de essentie is dat bij onbetaald verlof, met welk doel dan ook, geen dienstbetrekking en geen verzekering meer wordt aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25618, nr. 3, blz. 7). Daartoe is onder meer in artikel 6, tweede lid, van de Ziektewet onderdeel c vervallen. De in dit onderdeel vervatte bepaling vormde één van de uitzonderingen op de regel van artikel 6, tweede lid, dat geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen, waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt genoten. De uitzondering in onderdeel c betrof bijzonder verlof, zolang dit verlof niet langer dan een maand had geduurd. Als een van de gevallen van bijzonder verlof is het onbetaald voltijds ouderschapsverlof beschouwd (25618, nr. 3, blz. 6).
In de memorie van toelichting op de Wet onbetaald verlof wordt verder opgemerkt dat aan de nawerking van de ziektewetverzekering tijdens onbetaald verlof evenmin behoefte lijkt te bestaan (25618, nr. 3, blz. 7). In verband daarmee is in artikel 46, eerste lid, van de Ziektewet de zin toegevoegd: Indien de verzekering berust op een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 ontstaat de in de eerste zin bedoelde aanspraak op ziekengeld eerst na het eindigen van die dienstbetrekking.

Appellante heeft tot 1 september 1999 loon ontvangen en is daarom tot die datum verzekerd geweest ingevolge de Ziektewet, zij het dat, gelet op artikel 29 van de Ziektewet, aan haar over het tijdvak van 13 augustus 1999 tot 1 september 1999 geen ziekengeld wordt uitgekeerd. Vanaf 1 september 1999 heeft zij onbetaald voltijds ouderschapsverlof genoten. Daarom is vanaf 1 september 1999 de fictie van artikel 6, tweede lid, van de Ziektewet op haar van toepassing, dat ten tijde van dat verlof geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht. Zoals opgemerkt bij de Wet onbetaald verlof is de uitzondering in onderdeel c vervallen. Geen van de andere uitzonderingen in artikel 6, tweede lid, is overigens van toepassing. Appellante kan evenmin vanaf 1 september 1999 ingevolge artikel 8 van de Ziektewet als werknemer/verzekerde worden beschouwd. Zij heeft over het tijdvak van 13 augustus 1999 tot 1 september 1999 geen ziekengeld ontvangen en valt niet onder de ingevolge het onderdeel b van artikel 8 aangewezen gevallen.
De conclusie is daarom dat ten aanzien van appellante vanaf 1 september 1999, conform de strekking van de Wet onbetaald verlof, geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht en geen verzekering meer bestaat.
De fictie van artikel 6, tweede lid, van de Ziektewet dat geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht, doet evenwel niet af aan het feit dat de privaatrechtelijke dienstbetrekking van appellante met haar werkgever formeel tijdens het onbetaald voltijds verlof is voortgezet en derhalve niet is geëindigd. Daarom is de bepaling van artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor artikel 46, eerste lid, van de Ziektewet.

De Raad concludeert op grond van deze overwegingen dat gedaagde terecht aan appellante per 1 september 1999 ziekengeld heeft geweigerd en bevestigt de aangevallen uitspraak.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. Van Voorst, Van der Vos, Olde Kater

Blijft vaders wil wet? Evaluatie van het naamrecht in het licht van het gelijkheidsbeginsel

Blijft vaders wil wet?
Evaluatie van het naamrecht in het licht van het gelijkheidsbeginsel
Artikel van Elsbeth Boor (senior beleidsmedewerker van het Clara Wichmann Instituut) in Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, maart 2003.

Centraal staat de vraag in hoeverre het naamrecht bijdraagt aan de verwezenlijking van gelijke behandeling tussen ouders bij het bepalen van de achternaam van het kind. Betoogd wordt dat de WODC-evaluatie onvoldoende inzicht geeft in deze vraag. Wijziging van het huidige naamrecht is noodzakelijk om te voldoen aan het gelijkheidsbeginsel.

  1. Inleiding

Na de aanpassing van het Nederlandse naamrecht in 1998 teneinde het in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel te brengen (artikel 1:5 BW), is onlangs een evaluatie uitgevoerd door het WODC naar de betekenis hiervan in de praktijk. (1) Hoewel het naamrecht uiteraard verschillende aspecten kent, beperkt dit artikel zich tot de vraag in hoeverre het huidige naamrecht juridisch en praktisch gesproken bijdraagt aan de verwezenlijking van gelijkwaardigheid tussen (gehuwde) ouders bij het bepalen van de naam van het kind.

Vanuit dit oogpunt zullen eerst enige kanttekeningen worden gezet bij de opzet en uitkomsten van het door het WODC uitgevoerde onderzoek (paragraaf 3). Het betreft hier sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de voorkeuren en meningen van de Nederlandse bevolking en een studie van de uitvoeringspraktijk bij de gemeenten. Betoogd zal worden dat de uitkomsten van deze evaluatie maar zeer ten dele inzicht geven in de vraag of het huidige stelsel van naamrecht gelijkwaardigheid tussen de ouders entameert. Het laatste is reden om in de navolgende paragraaf uitgebreider stil te staan bij de meer juridische en wetstechnische vragen die de recente evaluatie van het naamrecht in relatie tot het gelijkheidsbeginsel oproept (paragraaf 4). Dit zal leiden tot enige voorstellen voor een mogelijke aanpassing van het naamrecht (paragraaf 5).

Om het geheel van de evaluatie in een kader te kunnen plaatsen, is het echter allereerst van belang de oorspronkelijke totstandkoming, doel en systematiek van de wet in herinnering te roepen. Daartoe zal hieronder eerst kort de voorgeschiedenis van de wet worden aangehaald. Tevens zullen de aangevoerde legitimatiegronden in relatie tot het in het leven geroepen normenstelsel vooraf van kritisch commentaar worden voorzien (paragraaf 2). (2) Dit is overigens slechts gebaseerd op de antwoorden van 95 van 1127 respondenten (De gekozen achternaam, p. 64). Zie in dit verband ook noot 5. (3) Verderop zal dan duidelijk kunnen worden in hoeverre dit commentaar standhoudt, mede op basis van enige voorbeelden zoals deze uit het WODC-rapport naar voren komen.

2 Doelstellingen en systematiek van het gewijzigde naamrecht

2.1 Korte voorgeschiedenis
In 1988 oordeelde de Hoge Raad het toen geldende namenrecht, waarbij kinderen die binnen huwelijk geboren werden automatisch de geslachtsnaam van de vader kregen, als seksediscriminerend. (4) Daarop wordt in 1991 een wetsvoorstel aanhangig gemaakt waarin ouders de keuze krijgen tussen vaders- of moedersnaam. Ingeval geen keuze wordt gemaakt blijft vadersnaam de regel op grond van traditie en de heersende opvatting van de bevolking. De rechter krijgt de mogelijkheid om dit op verzoek te doorbreken. (5) De Raad van State pleit echter gemotiveerd voor een stelsel waarin moedersnaam bij het uitblijven van een gemeenschappelijke keuze voorrang krijgt. In reactie op deze kritiek, wijzigt het kabinet in 1993 – op voorstel van de Tweede Kamer – het wetsvoorstel in die zin dat de ambtenaar van de Burgerlijke Stand op het moment van de huwelijkssluiting de geslachtsnaam van toekomstige kinderen bepaalt door loting ingeval de ouders geen keuze maken. Na een regeringswisseling wijzigt het kabinet in 1995 nogmaals het wetsvoorstel, waarbij dit keer het advies van de Raad van State wordt gevolgd. Ingeval ouders geen keuze maken zal moedersnaam de regel zijn. Hierna kunnen de ouders nog tot drie maanden na de geboorteaangifte kiezen voor wijziging in vadersnaam. Het beginsel van eenheid van naam van kinderen van hetzelfde ouderpaar wordt gehandhaafd.
Wanneer dit voorstel in het parlement wordt behandeld, neemt de Tweede Kamer op grond van traditie in de allerlaatste fase een amendement aan dat de hoofdregel weer omdraait. Bij het ontbreken van een keuze, krijgt het kind vadersnaam zonder dat hiervan beroep op de rechter mogelijk is. Bovendien wordt de bedenktijd voor de ouders tot drie maanden na de geboorte van het kind geschrapt. Het keuzemoment voor de ouders komt op zijn laatst op het moment van de geboorteaangifte te liggen, dat wil zeggen maximaal drie dagen na de geboorte. Op 1 januari 1998 treedt het nieuwe naamrecht in werking.

2.2 Commentaar op de legitimering van de wet
Een van de expliciete doelstellingen van de wijzigingen in het naamrecht, waarbij ik me beperk tot de wijziging met betrekking tot de binnen huwelijk geboren kinderen (artikel 1 : 5 lid 4 en 5 BW), is de opheffing van discriminatie naar sekse geweest. Er is hierbij niet gekozen voor stelsels waarin vaders- en moedersnaam in de een of andere vorm naast elkaar voorkomen. In plaats daarvan wordt de vereiste gelijke behandeling ingevuld met een keuzerecht voor de naam van een van de ouders. De legitimatiegrond van traditie bij het kiezen voor het primaat van vadersnaam bij het ontbreken van naamskeuze houdt per definitie een behoud en bestendiging in van de bestaande maatschappelijke orde. Met een beroep op traditie wordt in wezen gekozen voor de instandhouding van een gedeelte van dit patriarchale systeem. Het laatste mag opmerkelijk worden genoemd in het licht van de doelstelling van gelijke behandeling naar sekse.
Met deze keuze incorporeert men de discriminatoire waarden die ten grondslag lagen aan het oude stelsel automatisch in het nieuwe stelsel. Men continueert uitdrukkelijk een historisch waardepatroon, gebaseerd op connotaties van ongelijkheid.

2.3 Commentaar op de wetssystematiek
De wijze waarop de voortzetting van discriminatoire waarden als traditie tot uiting komt in de concrete juridische normen kan diverse vormen aannemen. Hieronder wordt beschreven welke impliciete en expliciete signalen van de vormgeving van het naamrecht kunnen uitgaan, onderscheiden naar de fase waarin de ouders een keuze kunnen maken en de fase wanneer een keuze achterwege is gebleven.

(On)gelijkheid in naamskeuze?
Door invoering van een keuzerecht voor ouders in het naamrecht is in beginsel sprake van gelijkheid tussen man en vrouw, omdat kinderen geboren binnen huwelijk niet langer per definitie de naam van de vader krijgen. Hiertegenover staat echter dat de voorwaarden die aan de uitoefening van dit keuzerecht worden verbonden, mogelijkerwijs een ongelijke uitwerking hebben voor mannen en voor vrouwen. De voorwaarde dat de keuze uiterlijk bij de geboorteaangifte, dat wil zeggen binnen drie dagen na de geboorte, in persoon gemaakt moet worden, kan een drempel opwerpen voor een bewuste en weloverwogen keuze. In de meeste gevallen doet de vader geboorteaangifte omdat de moeder bij een normale bevalling over het algemeen niet binnen drie dagen haar normale bezigheden kan hervatten, laat staan na een gecompliceerde zwangerschap, bevalling dan wel vroeggeboorte. Voor de kersverse moeder zal het in veel gevallen daarom vrijwel onmogelijk zijn om binnen drie dagen al in persoon te verschijnen. (6) Deze wettelijke voorwaarde voor de uitoefening van het keuzerecht betekent in de praktijk dat ouders die gezamenlijk een bewuste keuze willen maken, hun eventuele discussies terzake het liefst al afgerond moeten hebben voordat de zwangerschap een feit is. Vervolgens zal men, indien de keuze op moedersnaam is gevallen, deze met onverwijlde spoed moeten vastleggen in een akte van naamskeuze.
Hoewel voor de keuze voor moedersnaam derhalve verschillende wettelijke drempels worden opgeworpen, is de situatie in het geval de keuze op vadersnaam valt net andersom. Er is zelfs helemaal geen keuze door de ouders vereist, omdat "stilzitten" volgens de wet voldoende is voor het doorgeven van vadersnaam aan het kind.

(On)gelijkheid in het geval een naamskeuze achterwege blijft?
De conflictregel in het naamrecht waardoor, ingeval de ouders het niet eens kunnen worden, het kind automatisch vadersnaam krijgt, kan zonder meer als een expliciete vorm van seksediscriminatie aangemerkt worden. De wijze waarop de conflictregel juridisch is vormgegeven leidt ertoe dat de keuze voor moedersnaam de instemming van de vader vergt, maar de keuze voor vadersnaam niet de instemming van de moeder. Het zou meer voor de hand gelegen hebben (7) om bij een onoplosbaar conflict tussen de ouders uitdrukkelijk de weg naar de rechter open te stellen, zelfs indien voor de rechter geen toetsingskader voorhanden zou zijn.

3 Het WODC-onderzoek: enige kanttekeningen

Zoals destijds toegezegd aan de Eerste Kamer (8), is door het Ministerie van Justitie (WODC) een wetsevaluatie uitgevoerd. Het gaat om een sociaal-wetenschappelijk onderzoek waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport De gekozen achternaam. De doelstelling van het onderzoek was informatie te verkrijgen over de uitvoering van de nieuwe regelgeving en de vraag of de wetgeving recht doet aan de norm van gelijke behandeling. Het laatste was immers de reden voor wijziging van het naamrecht. Het WODC-onderzoek berust op een enquête onder de bevolking, onderzoek bij 99 gemeenten en op brieven en emails waarin mensen hun mening konden uiten. Voor de inhoud van het rapport wordt verwezen naar de samenvatting elders in dit nummer. Hieronder sta ik slechts stil bij de vraag in hoeverre de opzet en resultaten van dit evaluatie-onderzoek meer licht (kunnen) werpen op de vraag of met het gewijzigde naamrecht tegemoet wordt gekomen aan de norm van gelijke behandeling.

3.1 Opzet van de evaluatie
Belangrijke kritiek die men vanuit bovenstaand oogpunt op de opzet van het onderzoek kan hebben, is dat de meest relevante vragen niet gesteld lijken te zijn en de keuze van de onderzoekspopulatie voor het bevolkingsonderzoek niet zonder meer gelukkig is te noemen. Met betrekking tot het eerste valt er bijvoorbeeld op te wijzen dat de mening van de bevolking over de zogeheten vangnet-norm (bij geen keuze door de ouders wordt het vadersnaam) niet in het rapport voorkomt. Gezien het feit dat het om een wetsevaluatie gaat, zou het toch te verwachten zijn dat deze norm – die het hart van de politieke discussie heeft gevormd en waar veel varianten de revue hebben gepasseerd (van vadersnaam via loting en moedersnaam weer terug naar vadersnaam) – diepgaand onderzocht zou zijn.
Voor wat betreft de onderzoekspopulatie, is er gekozen voor een steekproef onder de Nederlandse bevolking tussen de 18 en 72 jaar (N=1127). Hoewel deze mening zeker relevant is, lijkt dit ten koste te zijn gegaan van het onderzoek naar de betekenis van het nieuwe naamrecht voor de direct betrokkenen, te weten de ouders die nog onder het overgangsrecht vielen, de ouders die kinderen hebben gekregen na de wetswijziging en de mensen die in de toekomst kinderen kunnen krijgen. Hoewel dit nergens duidelijk uit het rapport valt op te maken, lijkt de mening van de groep van ouders die met het nieuwe naamrecht te maken heeft (gehad) slecht vertegenwoordigd te zijn in het onderzoek.(9)
De verklaring voor dit alles is dat men voor eenzelfde opzet inclusief vragenlijst en onderzoekspopulatie heeft gekozen als men eerder heeft gebruikt in onderzoek uit 1981. (10) Deze opzet ligt niet voor de hand omdat de politieke keuzes van de wetgever in 1997 (vangnetnorm, moment van naamskeuze, et cetera) anno 1981niet aan de orde waren. Het valt dan ook te betreuren dat de onderzoekers de prioriteit hebben gelegd bij de vergelijkbaarheid met eerder onderzoek, ten koste van het stellen van essentiële vragen die noodzakelijk zijn voor een goede wetsevaluatie.

3.2 Enige resultaten van het onderzoek
Het rapport schat in dat tussen de 1 en 17 % van gevallen na 1998 het kind moedersnaam heeft gekregen. (11) Van de respondenten op de enquête is 74% het min of meer eens met het stelsel van vaders- of moedersachternaam. (12) Overigens is maar liefst 65% van de respondenten onbekend met het huidige naamrecht.
Gezien de doelstelling van de wet (doorvoering van het gelijkheidsbeginsel in het naamrecht) en het feit dat de meerderheid het huidige keuzestelsel onderschrijft, zou het in het kader van een wetsevaluatie van belang zijn te weten in hoeverre men meent dat het stelsel in de praktijk inderdaad tot gelijkwaardigheid leidt tussen mannen en vrouwen. Om redenen die boven al uiteen zijn gezet, wordt deze vraag niet expliciet voorgelegd. Omdat goede empirische gegevens hierover al ontbreken, geldt des te meer dat het ontbreken van juridische wetsevaluatie (voldoet het recht aan de (inter)nationale gelijkebehandelingsnormen?) als een belangrijke omissie wordt ervaren . (13)

Het enige wat het rapport over het realiseren van de doelstelling van de wet meldt, is dat zou blijken dat in de praktijk de naamskeuze door de ouders in gelijkwaardigheid tot stand komt. Hierbij zijn echter wel vraagtekens te stellen. Gelijkwaardigheid wordt indirect afgeleid uit twee indicatoren, namelijk ten eerste de snelheid waarmee een keuze tot stand komt en ten tweede of men het maken van een keuze gemakkelijk vond. (14) Omdat de wet bij niet-kiezen of conflict automatisch vadersnaam verschaft aan het kind zonder dat daar enig beroep tegen mogelijk is, staan snelheid en gemak van de naamskeuze echter niet per definitie gelijk aan gelijkwaardigheid. Uit het feit dat mensen gemakkelijk en snel beslissen is hooguit af te leiden dat de wet op dit punt doelmatig is, maar nog niet of het verloop van het besluitvormingsproces ook rechtvaardig is.

Het tevens verrichte onderzoek naar de uitvoeringspraktijk bij de gemeenten bevestigt juist dat de huidige wetssystematiek in wezen onvoldoende voorwaarden schept voor het maken van een gemeenschappelijke en gelijkwaardige naamskeuze. In het reguliere geval dat vader aangifte komt doen van vadersnaam waarbij er geen enkel bewijs is van een consensus tussen de ouders, informeert twintig procent van de gemeenten nog naar de mening van de moeder, waarbij men er klaarblijkelijk vanuit gaat dat dit een legitieme vraag is. De meerderheid van de gemeenten (zestig procent) registreert echter direct vadersnaam, hetgeen logisch is gezien de wet. (15) Hoewel de wet een vrije en gelijkwaardige keuze tussen man en vrouw beoogt, maakt ook de uitvoeringspraktijk duidelijk dat de gekozen systematiek er in feite toe leidt dat noch mening noch de instemming van de moeder relevant is bij aangifte van vadersnaam.

4 Juridische en wetstechnische opmerkingen

4.1 Toetsing aan het internationale gelijkheidsbeginsel sinds 1998
Zoals eerder gememoreerd, is er geen juridische evaluatie uitgevoerd. Toch zou daartoe vol-doende aanleiding zijn geweest. In 2001 werd het nieuwe naamrecht aan artikel 16(g) van het VN-Vrouwenverdrag (gelijke rechten inzake huwelijks- en familiebetrekkingen, in het bijzonder geslachtsnaam) getoetst. Dit gebeurde in het kader van de vierjaarlijkse landenrapportage aan het toezichthoudend comité bij dit verdrag (CEDAW). Het comité komt hierbij tot de volgende aanbevelingen:

"The Committee is concerned that the new Law on Names provides that where the parents cannot reach an agreement as to the name of a child, the father has the ultimate decision.The Committee considers that this contravenes the basic principle of equality in the Convention and in particular, article 16(g)."
"The Committee recommends that the Government review the Law on Names and amend it to comply with the Convention."(16)

Deze aanbevelingen laten geen misverstand bestaan over de internationale verplichtingen die Nederland, overigens zonder enig voorbehoud, is aangegaan. Desalniettemin klinkt er ook andere (internationale) geluid. Gedoeld wordt op een uitspraak van het EHRM van 27 april 2000. (17) De regel van eenheid van naam (artikel 1:5 lid 9 BW) wordt in deze uitspraak in overeenstemming geacht met artikel 8 en 14 van het Verdrag. Hoewel de hoofdregel in het naamrecht, waarover juist het CEDAW struikelt, niet is voorgelegd, merkt het Hof in een soort obiter dictum op dat deze norm onderscheid maakt naar geslacht maar dat dit gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel (zekerheid van naam) waarbij, binnen de aan de staat toekomende margin of appreciation, proportioneel is gehandeld.
De conclusie die tenminste getrokken kan worden is dat, onder zowel het EVRM als het VN-Vrouwenverdrag, de hoofdregel uit het Nederlandse naamrecht als seksediscriminerend wordt beoordeeld. Of dit als zodanig ook tot een ongerechtvaardigde schending van het gelijkheidsbeginsel leidt, zal afhankelijk zijn van de waardering van het hiermee beoogde doel in relatie tot de noodzaak en geschiktheid van het gehanteerde middel. Bij vooralsnog tegenstrijdige internationale voorschriften rust op de Nederlandse wetgever m.i. de verantwoordelijkheid om in deze materie, opnieuw, een expliciete afweging te maken. Omdat het hierbij uitdrukkelijk zal gaan om (een keuze uit) de beschikbare middelen die inzetbaar zijn om juist conflictgevallen tot een aanvaardbare oplossing te brengen, zullen hieraan tevens vragen van meer wetstechnische aard gekoppeld moeten worden. Immers, behalve dat een stelsel van naamrecht in zijn geheel op voldoende draagvlak moet kunnen rekenen – wat volgens de peiling door het WODC het geval lijkt te zijn – dienen rechtsregels binnen de rechtsstaat een legitieme balans te zijn tussen (individuele) rechtvaardigheid en algemene doelmatigheid. Daarin zal tevens een rol moeten spelen dat van de gestelde normen zoveel mogelijk een conflictminimaliserende werking dient uit te gaan.

4.2 Doelmatigheid versus individuele rechtvaardigheid
In het huidige naamrecht is met het oog op het (legitieme) doel om niet te lang onzekerheid omtrent de naam van het kind te laten bestaan, de keuze gevallen op een conflictregel die van rechtswege, en ongeacht de individuele omstandigheden van het geval, tot één mogelijke uitkomst leidt (namelijk vadersnaam). Dat is zonder meer doelmatig te noemen, maar juist bij een evaluatie zou ook de andere kant van de medaille meegewogen moeten worden. Juist omdat na lange afweging gekozen is voor een middel waarvan inmiddels onomstotelijk vaststaat dat het op het eerste gezicht tot sekseonderscheid leidt, moet in het kader van een evaluatie ook de mate van proportionaliteit van het middel meegewogen worden bij de toepassing op individuele gevallen. Daarvoor is des te meer reden omdat de wetgever bij conflicten in het naamrecht heeft afgezien van het bieden van individuele rechtsbescherming, waarvan zo mogelijk correctie kan uitgaan op de algemene regel indien de omstandigheden van het concrete geval dat vereisen. Dit is, zoals inmiddels duidelijk moge zijn, geen expliciet onderwerp geweest van het uitgebrachte evaluatierapport. Wel geeft het onderzoek voorbeelden van (denkbare) conflictsituaties op basis van concrete ervaringen van ouders.

Ouders kunnen geen overeenstemming bereiken
Verschillende van deze voorbeelden hebben, ten eerste, betrekking op de voor de hand liggende situatie dat beide ouders graag hun naam willen doorgeven en hierover geen overeenstemming kunnen bereiken. Zo vertelt een vrouw bijvoorbeeld: "Het heeft erom gespannen of we hadden helemaal geen kinderen gekregen, zo fel was mijn partner daarop. En dan valt de naamskeuze natuurlijk in het niet bij het belang van de keuze voor kinderen ja of nee. Dus mijn zoontje heeft mijn mans achternaam." (18) In een ander voorbeeld maakt een moeder duidelijk dat de naamskeuze tot "een halve echtscheiding" leidde. "Ik hoopte dat het (een combinatie) van namen zou kunnen worden (…) maar dat kan dus echt niet. Ik heb zelfs geïnformeerd of ik van nationaliteit kom veranderen (…) want in Engeland maakt het ze niet uit hoe je het wilt. Uiteindelijk werd het dus zijn naam omdat hij in staat was om weg te gaan." (19) Een laatste voorbeeld in deze, betreft een vrouw die reeds een kind met haar achternaam heeft uit een vorige relatie en ook haar zoon uit een nieuwe relatie deze naam wil meegegeven: "Dit feit heeft vele discussies tussen mijn partner en mij opgeleverd (..). Inmiddels was ik al acht maanden zwanger en zag ik een gerechtelijke procedure niet zitten, dus heb ik mijn hoofd gebogen". (20)
De voorbeelden maken duidelijk dat de introductie door de wetgever van een (beperkt) keuzerecht geenszins gelijkwaardigheid tussen man en vrouw in de besluitvorming over naamskeuze hoeft te stimuleren. Zou het naamrecht daadwerkelijke gelijkheid nastreven, dan zouden van het recht juist incentives moeten uitgaan die rekenschap geven van de achterstandspositie die vrouwen blijkbaar nog steeds innemen bij de realisering van hun rechten. Van de huidige conflictregel ingeval van huwelijk gaat althans een omgekeerd signaal uit. Zelfs indien de vrouw niet wil buigen bij grote problemen, bewerkstelligt de wet dat de man in hun conflict per definitie aan het langste eind trekt. (21)

De "afwezige" vader
Een tweede categorie van voorbeelden betreft de situatie dat er gedurende de zwangerschap van relatieproblemen sprake is of zelfs een echtscheidingsprocedure in gang is gezet. Omdat het eventueel toegeven om de lieve vrede hier geen optie is, is bij dit soort conflicten eerder sprake van openlijke escalatie omtrent de naamskeuze.
Hoewel een directe toegang tot de rechter ontbreekt, zocht een gehuwde vrouw evenwel toch rechtsbescherming bij de Nederlandse rechter. Toen zij drie maanden zwanger was, werd zij door haar echtgenoot die inmiddels een andere relatie was begonnen, verlaten. Om deze reden en omdat beiden het er overeens waren dat het kind bij haar zal gaan verblijven en door haar zal worden verzorgd, wil zij de noodzakelijke medewerking van haar ex-partner verkrijgen om het kind haar achternaam te kunnen geven. Omdat hij dit echter weigert, stelt zij voor de Rechtbank Amsterdam – met gebruik van de procedure bij conflicten over de uitoefening van het gezamenlijk gezag (artikel 1:253a BW) – dat haar ex-partner misbruik van bevoegdheid maakt omdat hij geen enkel te respecteren belang heeft bij deze weigering. De bij deze procedure vereiste bemiddelingspoging stuit af op het feit dat de vrouw inmiddels in het ziekenhuis ligt voor de bevalling en de naam binnen drie dagen na geboorte bepaald moet zijn. Daarop wijst de rechter misbruik van bevoegdheid eenvoudig af op grond van het feit dat de ex-partner "immers" een eigen belang heeft bij het geven van zijn geslachtsnaam aan het kind. Dat geldt des te meer, aldus de rechtbank, omdat de ex-partner inmiddels heeft aangegeven betrokken te willen worden bij de verzorging en partijen voornemens zijn een omgangsregeling te treffen. (22)
De uitspraak maakt duidelijk dat alternatieve pogingen om in rechte de conflictregel te doorbreken, ook waar de omstandigheden van het geval dit zouden kunnen rechtvaardigen, weinig kans van slagen lijkt te hebben. Schijnbaar is het primaat van vadersnaam bij tegengestelde belangen zo onverbiddelijk in het naamrecht vastgelegd, dat de rechter van een daadwerkelijke belangenafweging afziet. (23)
Overigens blijkt de bovenstaande casus niet uniek te zijn. Ook uit het WODC-rapport blijkt van dergelijke ervaringen. Een vrouw stelt dat zij vanwege de scheidingsperikelen gedurende haar zwangerschap, geen medewerking van haar echtgenoot kon verkrijgen om het kind haar naam te geven: "(…) Helaas is de gemeente niet meewerkend en moet je op het moment van tekenen beiden aanwezig zijn. (…) mijn kindje kreeg de naam van mijn ex-man, de man die geen interesse heeft getoond in het kindje, abortus heeft voorgesteld (…), geen alimentatie betaalt en het kindje tot op heden nog nooit heeft gezien. (24)

Deze voorbeelden ondersteunen m.i. de conclusie dat, althans in conflictsituaties, het naamrecht elke keuzevrijheid aan de vrouw ontneemt en disproportionele uitkomsten in de hand werkt, omdat door de rigiditeit van de hoofdregel tezamen met het gebrek aan rechtsbescherming op geen enkele wijze tegemoet kan worden gekomen aan de concrete omstandigheden van het geval.
Hiermee is sprake van een onevenwichtigheid tussen de doelmatigheid van de wetgeving en de mate van individuele rechtvaardigheid die de wet kan genereren. In het kader van een toetsing aan het (inter)nationale gelijkheidsbeginsel, zal hierom opnieuw afgewogen moeten worden of er geen alternatieve middelen voorhanden zijn die eveneens geschikt zijn voor het bereiken van het legitieme doel van "zekerheid van naam" van het kind. Een dergelijk middel dient niet of in mindere mate sekseonderscheidend te zijn dan de huidige wettelijke regeling.

5 Alternatieve oplossingsrichtingen

5.1 Uitbreiding van de wettelijke keuzemogelijkheden
Het lijkt met name de beperkte keuzemogelijkheid tussen "twee smaken" te zijn die conflictverhogend kan werken, omdat het compromisoplossingen uitsluit wanneer beide ouders graag hun achternaam willen doorgeven. In combinatie met de norm die aan vadersnaam koste wat kost voorrang verleent, wordt bovendien de doelstelling van de wetgever ondergraven dat ouders in gelijkwaardigheid tot de keuze van de geslachtsnaam van het kind kunnen komen.

Uit het verrichte evaluatie-onderzoek door het WODC komt naar voren dat ouders zich in hun keuze beperkt voelen door de wet, omdat men "ware" gelijkheid en harmonie binnen de relatie juist tot uitdrukking wil brengen door bijvoorbeeld wisselende namen te kunnen geven aan hun kinderen. (25) Hierom valt er toch veel voor te zeggen om de wettelijke keuzeopties uit te breiden door het vereiste van eenheid van naam te laten vallen en/of een dubbele geslachtsnaam mogelijk te maken. Het evaluatierapport komt tot de aanbeveling het eerste te doen. (26)
Vanuit het overheidsbelang van een doelmatige registratie is er m.i. geen grond voor inperking van de keuzevrijheid. Ook lijkt de bescherming van het belang van het kind hiervoor een onvoldoende grond te zijn, te meer daar het verlies van eenheid van naam binnen nieuw samengestelde gezinnen door de overheid ook niet als schadelijk wordt ervaren. Bovendien volgt uit de huidige regeling dat de eenheid van naam binnen het gezin maar betrekkelijk is, bijvoorbeeld ingeval de gehuwde vrouw haar eigen geslachtsnaam aanhoudt. Het laatste blijkt een groeiende praktijk te zijn. (27)
Voor wat betreft de dubbele achternamen, lijkt deze mogelijkheid bij een niet wettelijk voorgeschreven volgorde de meeste gelijkwaardigheid te garanderen en tot de minste conflicten aanleiding te geven. Waar Spanje dit systeem al decennia lang toepast weliswaar met een voorgeschreven naamsvolgorde, zou dit ook binnen het Nederlandse registratiesysteem toch geen probleem moeten zijn.

5.2 Aanpassing van de conflictregel
Ondanks dat verwacht mag worden dat van het bovenstaande een sterk conflictverlagende werking uitgaat, zullen er altijd hardnekkige zaken resteren. Zoals een aantal van de gegeven voorbeelden aantoont, blijkt uit de concrete omstandigheden van het geval dat het zeer wel mogelijk is dat er aanwijsbare, uiteenlopende belangen spelen die tegen elkaar afgewogen kunnen worden. Dit is overduidelijk in de situatie van de "afwezige" vader, maar kan bijvoorbeeld ook het geval zijn wanneer de familienaam van één van de ouders dreigt uit te sterven. Vanuit proportionaliteitsoogpunt is er daarom voor te pleiten om ingeval men niet tot een gezamenlijke naamskeuze kan komen, hiervoor een expliciete rechtsingang te scheppen, bijvoorbeeld door aansluiting bij de eerdergenoemde procedure van artikel 1:253a BW die als voordeel heeft dat deze voorafgegaan wordt door een verplichte rechterlijke bemiddelingspoging.
Dit impliceert wel dat, teneinde aan de doelstelling van "zekerheid van naam" te voldoen, het kind, in het geval dat een gezamenlijke naamskeuze uitblijft en het kind reeds geboren is, een voorlopige naam verkrijgt tot maximaal drie maanden na de geboorte. Ook een voorlopige naam vergt echter een keuze tussen vaders- en moedersnaam. Hoewel dit door de tijdelijkheid geen halszaak is, is er vanwege de positie van de vrouw binnen het onderhandelingsproces (zie paragraaf 4.2) veel voor te zeggen hierbij voorrang te geven aan moedersnaam. (28)

Het lijkt nog de vraag te zijn of het evaluatierapport, gezien de beperkte opzet daarvan, een voldoende basis zal zijn voor een heroverweging van het naamrecht. Evenwel dwingen (inter)nationale gelijkebehandelingsverplichtingen om opnieuw de proportionaliteit van het gehanteerde normenstelsel af te wegen tegen de hiermee beoogde doelen. Zonder dat dat een beletsel hoeft te vormen voor de meerderheid van mensen die het huidige keuzestelsel onderschrijven, zal het tenminste mogelijk moeten zijn om een alternatieve conflictregel te formuleren waarmee dezelfde wetsdoelen via andere en minder sekseonderscheidende wegen te bereiken zijn. Ook al zou het EHRM de huidige beleidskeuzen tolereren, dan nog blijft staan dat Nederland binnen de internationale gemeenschap op zijn vingers is getikt vanwege schending van het VN-Vrouwenverdrag. Als veel Europese landen door middel van uiteenlopende varianten wel tot een oplossing kunnen komen die voldoet aan de eisen van gelijke behandeling, zou het van een brevet van onvermogen getuigen indien de Nederlandse wetgever op het gebied van het naamrecht te kort blijft schieten.

  1. A. Klijn en G. Beijers, De gekozen achternaam. Betekenis van de wijziging van artikel 5 van het Burgerlijk Wetboek, WODC-rapport 201, Boom: Den Haag 2002.

  2. Dit sluit ten dele aan bij een eerdere analyse uit 1999, zie E.A. Boor,

De verborgen moraal in het familierecht.

  1. ‘Mechanismen van in- en uitsluiting binnen het naam- en gezagsrecht", K. Lünnemann, T. Loenen en A. Veldman (red.), De onzichtbare

standaard in het recht, Deventer: 1999, pp. 22-28.

  1. HR 23 september 1988 NJ 1989, 740

  2. Kamerstukken II 1991-1992, 22 408, nr.1.

  3. Hierbij laat ik de invloed van de psychisch-emotionele staat waarin de moeder, maar veelal ook de vader, de eerste dagen na een bevalling , zeker die van het eerste kind, verkeert nog buiten beschouwing. Zie verder : J.N.E. Plasschaert, De herziening van het naamrecht, FJR 1997, nr.12, p.288-293.

  4. Zie noot 2.

  5. Kamerstukken I 1996-1997, 22 408, nr. 2, p. 2.

  6. Het rapport geeft zelf geen overzicht hiervan, maar het lijkt slechts om circa 80 tot 100 respondenten te gaan (De gekozen achternaam, pp. 60 en 64 waar naar concrete ervaringen met de nieuwe wet wordt gevraagd).

  7. M. Bol en A. Klijn, Achternamen, WODC-rapport nr. 26, SDU: Den Haag 1981.

  8. Na verdere interpretatie komt men tot een schatting van circa 5%, De gekozen achternaam, p. 58.

  9. De gekozen achternaam, p. 38. Van de (niet-representatieve) groep die via de web-site ouders-online een reactie hebben gegeven spreken 84 van de 95 zich uit tegen de hoofdregel in het naamrecht op grond van traditie.

  10. Zie ook de bijdragen van K. Boele-Woelki en S. Wortmann elders in dit nummer.

  11. De onderzoekers spreken van ‘circumstantial evidence’ (De gekozen achternaam, pp. 6 en 70). Deze gegevens zijn overigens gebaseerd op de antwoorden van 95 van de 1127 respondenten (p. 64).

  12. De gekozen achternaam, p. 68.

  13. Committee on the Elimination of Discrimination against Women, Twenty-fith session 2-20 July 2001, Consideration of the reports of States parties (The Netherlands).

  14. Bijleveld v. Nederland, Appl. No 42937/98, NJB 2000, p. 1337, nr. 27. Deze zaak is aangebracht met steun van het Clara Wichmann Proefprocessenfonds.

  15. De gekozen achternaam, p. 65.

  16. De gekozen achternaam, p. 65.

  17. De gekozen achternaam, p. 66.

  18. Ook het WODC-rapport spreekt het vermoeden uit dat het ingeval van conflict "buigen of barsten" is voor de moeder (De gekozen achternaam, pp. 5 en 70).

  19. Rb. Amsterdam 25 oktober 2001, KG 2001, 279.

  20. Alle in 1991 door de Raad van State genoemde argumenten om te kiezen voor het primaat van moedersnaam zouden hier opgeld kunnen doen, te weten "mater sempa certa est", het feit dat het kind hier door de moeder verzorgd en opgevoed zal worden en de veelal pijnlijke procedure tot naamswijziging (zie voor deze argumenten Asser-De Boer, Personen- en familierecht, Kluwer 2002, p. 38).

  21. De gekozen achternaam, p. 69.

  22. De gekozen achternaam, p. 64 en 65. Eveneens is te wijzen op het eerder genoemde voorbeeld van de vrouw die zelfs haar nationaliteit zou willen veranderen om een combinatie van namen mogelijk te maken (zie paragraaf 4.2).

  23. De gekozen achternaam, p. 78.

  24. De gekozen achternaam, p. 36.

  25. Hiervoor gelden verder dezelfde legitimatiegronden als eerder door de Raad van State in 1991aangedragen (zie noot 22).

Voor meer informatie over het themanummer over naamrecht van het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, zie de rubriek ‘Bijeenkomsten’

Instantie: President Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 27 februari 2003

Instantie

President Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


De vrouw tracht met executiemaatregelen achterstallige kinder- en partneralimentatie te innen, zoals deze is vastgesteld in een echtscheidingsbeschikking uit 1993. De rechter oordeelt dat er vooralsnog door de man voldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die het aannemelijk maken dat de vrouw misbruik van recht maakt door de executie te vervolgen, zodat de man terecht een verbod daarvan vraagt. De vrouw wordt, ondanks het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, in de kosten van het geding veroordeeld.

Volledige tekst

1. DE PROCEDURE

1.1. De man heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De advocaat van de man heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities.

1.3. De advocaat van de vrouw heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities.

1.4. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. DE FEITEN

2.1. Partijen zijn gehuwd geweest. Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden ingevolge het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht d.d. 24 februari 1993.

2.2. In genoemd vonnis is ten laste van de man een kinderalimentatie bepaald van f. 350 per maand alsmede een partneralimentatie van f. 350.

2.3. Op 15 november 2002 is aan de man de grosse van voornoemd vonnis betekend met bevel tot betaling van achterstallige kinderalimentatie (ad 1.599,76 euro en aan rente 252,27 euro), veroorzaakt door niet betaalde indexering, alsmede van achterstallige partneralimentatie vanaf juni 1997 tot en met 1 november 2002 (ad €12.082,11 euro en aan rente 2.373,01euro). De deurwaarder heeft bij schrijven van 8 januari 2003 aangekondigd d.d. 17 januari 2003 beslag ten huize van de man te leggen op zijn roerende zaken (inboedel).

2.4 De man heeft de bedragen op betaling waarvan de vrouw aanspraak maakt, niet betaald.

3. HET GESCHIL

3.1. De man vordert in dit kort geding de vrouw, op verbeurte van een dwangsom, te “veroordelen om het aangekondigde beslag ter executie van het vonnis d.d. 24 februari 1993 van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, niet te leggen”.

3.2. De man legt daaraan ten grondslag dat hij genoemde bedragen niet is verschuldigd en acht het beslag vexatoir en de dreiging om het beslag te leggen oneigenlijk. Op 20 maart 1993 zijn partijen immers overeengekomen dat de man geen partneralimentatie hoeft te betalen. Met betrekking tot de kinderalimentatie zijn partijen mondeling overeengekomen dat de man geen wettelijke indexering zou betalen maar in plaats daarvan de kosten voor het kind voor zijn rekening zou nemen zoals zakgeld, schoenen, kleding, orthodontist, opleiding.

3.3. Het verweer van de vrouw tegen de vordering komt zakelijk weergegeven op het volgende neer. De man is wel degelijk partneralimentatie verschuldigd. De overeenkomst d.d. 20 maart 1993 is vernietigbaar. De vrouw kan zich niet herinneren dat zij de overeenkomst heeft getekend. Zij ging gedurende de scheiding door een zeer moeilijke periode. Aangezien de vrouw ging samenwonen met een partner van hetzelfde geslacht, bleef de man alimentatieplichtig. Artikel 1:160 BW was immers nog niet van toepassing op homoseksuele stellen. Op het moment dat artikel 1:160 BW ook van toepassing werd verklaard op homoseksuele stellen (wetswijziging op 1 januari 1998) woonde de vrouw niet meer samen. Voorts is de man wel degelijke de jaarlijkse indexering op de kinderalimentatie verschuldigd. Van een mondelinge afspraak waarbij de vrouw zou afzien van haar aanspraak hierop, is geen sprake.

3.4. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. DE BEOORDELING

4.1. Een veroordeelde kan slechts dan tegen executie van een in kracht van gewijsde gegaan (of uitvoerbaar bij voorraad verklaard) vonnis in rechte opkomen indien de betrokken executiemaatregelen misbruik van recht aan de zijde van de executant zouden betekenen. Daaronder valt ook te begrijpen de omstandigheid dat de executant een aanspraak wil effectueren waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten dat die niet (meer) bestaat.

4.2. In het onderhavige geval doet zich een dergelijk omstandigheid naar het voorlopig oordeel van de rechter inderdaad voor, nu immers voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar recht op betaling van de bedragen waarvoor thans de executie is aangezegd. Daarbij heeft de rechter met name gelet op het volgende.
De vrouw heeft in tien jaar tijd (periode van 1993 tot 2002) nimmer aanspraak gemaakt op de partneralimentatie noch op de wettelijke indexering van de kinderalimentatie. Dit langdurig stilzitten van de vrouw is niet te rijmen met haar standpunt en geeft steun aan dat van de man. Voorts heeft zij niet betwist dat de man veel bijzondere uitgaven ten behoeve van hun dochter heeft gedaan, hetgeen de aannemelijkheid van het standpunt versterkt.
Bovendien bevindt de door partijen getekende overeenkomst d.d. 20 maart 1993 zich in de dossiers van beide advocaten die destijds de echtscheiding hebben begeleid. Tot slot is van belang dat de vrouw er niet in is geslaagd de wettelijke indexering door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te laten innen. Dat betekent kennelijk dat ook het LBIO overtuigd is geraakt van het bestaan van de afspraak tussen de man en de vrouw omdat er geen enkele andere reden te verzinnen is waarom die instantie van verhaal heeft afgezien. De man heeft immers onweersproken gesteld dat hij een al jarenlang bestaand dienstverband bij een woninginrichtingbedrijf heeft, zodat niet valt in te zien waarom er bij hem geen verhaal mogelijk zou zijn geweest.

4.3. Voorzover de vrouw zich wenst te beroepen op een wilsgebrek aan haar zijde omdat zij onder invloed is geweest van zware omstandigheden ten tijde van de scheiding, kan niet worden aangenomen dat die invloed gedurende zo lange tijd heeft doorgewerkt. Onder bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn maar dergelijke omstandigheden zijn niet gesteld of naar voren gekomen.

4.4. Voorshands is voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw misbruik van recht maakt door de executie te vervolgen, zodat de man terecht een verbod daarvan vraagt. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

4.5. Onder de weergeven omstandigheden van het geval zal de vrouw, ondanks het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

verbiedt de vrouw om het vonnis d.d. 23 februari 1993 van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, te executeren;

veroordeelt de vrouw tot betaling van een dwangsom ten bedrage van € 250 voor elke dag dat zij in strijd zal handelen met voornoemd verbod, met dien verstande dat deze dwangsomsanctie vatbaar zal zijn voor matiging door de rechter, voorzover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten tot op heden aan de zijde van de wederpartij begroot op € 728,16, waarvan € 454 salaris procureur en € 274,16 verschotten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Strijbos

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 27 februari 2003

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid wanneer de wettelijke onderhoudsplicht ten opzichte van de kinderen wordt achtergesteld bij de afdrachten die de man ingevolge de schuldsaneringsregeling doet aan de boedel.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de inhoud van de op 25 juni 2002 door de rechtbank te
‘s-Hertogenbosch tussen partijen gegeven beschikking, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 25 september 2002, heeft de vrouw verzocht, verkort weergegeven:
primair: voormelde beschikking te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek van de man af te wijzen, dan wel in goede justitie de door de man te betalen onderhoudsbijdragen voor de kinderen van partijen vast te stellen;
subsidiair: te bepalen dat de onderhoudsbijdragen die de man heeft betaald nadat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing werd verklaard, door de vrouw niet behoeven te worden terugbetaald;
kosten rechtens;

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 28 oktober 2002, heeft de man
het verzoek van de vrouw bestreden en verzocht haar te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 januari 2003.
Bij die gelegenheid zijn de vrouw en de procureurs van partijen gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de producties, overgelegd bij het beroepschrift.

3. DE GRONDEN VAN HET HOGER BEROEP

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. DE BEOORDELING

4.1. Partijen zijn op 6 mei 1991 voor de tweede maal met elkaar gehuwd.
De tussen hen gewezen echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te
‘s-Hertogenbosch van 1 mei 1998 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 28 mei 1998.

4.2. Uit de huwelijken van partijen zijn geboren:
– [kind 1],
– [kind 2],
– [kind 3],
– [kind 4].

4.3. Bij voormelde echtscheidingsbeschikking werden door de man voor de kinderen te betalen onderhoudsbijdragen vastgesteld van f. 100 per kind en per maand. Krachtens wettelijke indexering belopen die bijdragen thans f. 118.86 per kind en per maand.

4.4. Op 8 oktober 2001 werd door dit hof de schuldsaneringsregeling op de man van toepassing verklaard.
Ook ten aanzien van de echtgenote van de man is de schuldsaneringsregeling van toepassing.

4.5. Bij zijn dit geding inleidende verzoekschrift heeft de man verzocht de onderhoudsbijdragen voor de kinderen met ingang van 8 oktober 2001 nader vast te stellen op nihil.
Dat verzoek heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking toegewezen.
Daartegen komt de vrouw op.

4.6. De behoefte van de kinderen aan de krachtens de echtscheidingsbeschikking geldende bijdragen is niet in geschil.

4.7. Vast staat dat bij de toepassing op de man van de schuldsaneringsregeling geen rekening is gehouden met de op de man rustende wettelijke onderhoudsverplichting ten opzichte van de kinderen van partijen. Onderhoudsverplichtingen die opeisbaar worden na de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling komen niet ten laste van de boedel. Daaraan dient derhalve te worden voldaan uit het buiten de boedel gelaten bedrag.
Het aan de man vrij te laten inkomen bedraagt f. 2.754,06 per maand, naast een te behouden vakantiegeld van f. 1.245,11. Dit vrij te laten inkomen is gebaseerd op 90% van de bijstandsnorm voor een echtpaar verhoogd met 2 x 5% van die norm ter zake van reserverings- en arbeidstoeslag, en voorts met een bedrag van f. 505 per maand voor woonlasten.

4.8. Bij een alimentatieplichtige kan in beginsel geen draagkracht worden aangenomen tot betaling van onderhoudsbijdragen uit het vrij te laten inkomen.
Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in het onderhavige geval dit algemene uitgangspunt uitzondering zou moeten lijden.

4.9. Ten tijde van de toepassing van de schuldsaneringsregeling beliep de totale schuldenlast ruim f. 78.000. Voor wat de man betreft is toen uitgegaan van een inkomen van f. 2.832,30 netto per maand en voor wat betreft zijn echtgenote van een inkomen van f. 2.307,80 netto per maand.
De procureur van de man heeft tegenover het hof onbetwist verklaard dat er nadien nagenoeg geen wijziging in die inkomens is gekomen.
Op grond van het vorenstaande zijn gedurende de volledige looptijd van de schuldsaneringsregeling (36 maanden) zodanige afdrachten aan de boedel mogelijk, dan de schuldeiseres vrijwel volledig zullen kunnen worden voldaan.
Objectief bezien is dit een vrij uitzonderlijke situatie.

4.10. Naar de opvatting van de vrouw komt het in strijd met de redelijkheid en billijkheid als de op de man rustende wettelijke onderhoudsverplichting ten opzichte van de kinderen wordt achtergesteld bij de afdrachten die de man doet aan de boedel.
In de omstandigheden van dit geval deelt het hof die opvatting.
De vrouw heeft er naar het oordeel van het hof groot belang bij dat de man doorgaat met betaling van de bij de echtscheidingsbeschikking vastgestelde onderhoudsbijdragen voor de kinderen, zoals die naderhand zijn verhoogd krachtens wettelijke indexering, en die – objectief bezien – van een bescheiden omvang zijn.
Daarbij heeft het hof in zijn oordeelsvorming betrokken dat de vrouw geruime tijd aangewezen is geweest op een bijstandsuitkering, waarop de door de man te betalen kinderalimentatie werd gekort. Vanaf 1 mei 2002 werkt de vrouw. Zij heeft tegenover het hof onbetwist verklaard dat zij ongeveer € 890 netto per maand verdient en dat haar woonlasten – na aftrek van huursubsidie – € 222 per maand bedragen.
Gelet op de leeftijd van de kinderen – waaronder een tweeling van 16 jaar – zullen de kosten van hun verzorging en opvoeding aanzienlijk zijn.
Onder deze omstandigheden dient de alimentatieverplichting van de man ten opzichte van de kinderen te worden gehandhaafd en dient de man daaraan te voldoen anders dan uit het vrij te laten inkomen. Het hof acht daarbij nog van belang dat de man, nadat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing was verklaard, nog tot juli 2002 daadwerkelijk op deze wijze aan zijn alimentatieverplichting heeft voldaan.
Het hof realiseert zich dat dit oordeel met zich meebrengt dat de schuldeisers door deze beslissing uiteindelijk in mindere mate zullen kunnen worden bevredigd dan in het geval de alimentatieverplichting nader zou worden vastgesteld op nihil, maar is van oordeel dat bij afweging van hun belangen tegen dat van de vrouw bij doorbetaling van de alimentatie, het belang van de vrouw zwaarder dient te wegen.
De tweede grief is derhalve gegrond. Gelet op het subsidiaire karakter daarvan behoeft de eerste grief geen bespreking.

4.11. Het vorenstaande impliceert dat de man zal dienen te bewerkstelligen dat er een correctie wordt toegepast met betrekking tot de afdrachten aan de boedel in die zin dat bij de vaststelling daarvan alsnog volledig rekening zal worden gehouden met zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van de kinderen van partijen.
Het hof gaat ervan uit dat een daartoe strekkend verzoek van de man zal worden gehonoreerd. In de versie 2.1.1. (januari 2003) van het rapport van de werkgroep rekenmethode VTLB van RECOFA is immers onder punt 5.9. als beleidsafspraak opgenomen dat indien door de schuldenaar geen nihilstelling van zijn alimentatieverplichting wordt verkregen (op een daartoe strekkend verzoek dat hij verplicht is in te dienen) er wordt gecorrigeerd in het geval de alimentatierechter van oordeel is dat alimentatie betaald moet worden, anders dan uit het vrij te laten bedrag.
Mocht correctie evenwel toch worden geweigerd, dan kan de man daarin aanleiding vinden zich opnieuw tot de rechtbank te wenden, teneinde zijn alimentatieverplichting alsnog nader vastgesteld te krijgen op nihil.

4.12. De proceskosten van beide instanties worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. DE BESLISSING

Het hof:

vernietigt de op 25 juni 2002 door de rechtbank te ‘s-Hertogenbosch gegeven beschikking,

opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de man alsnog af,

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Venner-Lijten, Koens en Draijer-Udo

Commentaar op het kabinetsstandpunt inzake opheffing algemeen bordeelverbod

Commentaar kabinetsstandpunt inzake wijziging wetboek van strafrecht, enige andere wetboeken en enige wetten (opheffing algemeen bordeelverbod)
TK 25 437, nr. 30

Clara Wichmann Instituut & Mr. A. de Graaf Stichting
mei 2003

Op 21 februari 2003 bracht het kabinet een reactie uit op het evaluatieonderzoek naar de opheffing van het algemeen bordeelverbod. Het Clara Wichmann Instituut en de Mr. de Graaf Stichting spreken hun waardering uit voor dit evaluatieonderzoek dat een uitgebreid en gedegen overzicht van de stand van zaken geeft. Tevens biedt het onderzoek een goed inzicht in de knelpunten die er nog liggen en aanknopingspunten voor oplossingen.

In dit commentaar wordt ingegaan op de kabinetsreactie naar aanleiding van het onderzoek. Eerst worden enkele algemene opmerkingen gemaakt. Daarna wordt ingegaan op specifieke onderdelen van de kabinetsreactie en wordt een aantal onderwerpen besproken die hierin missen.
Afgesloten wordt met een samenvatting van de conclusies en aanbevelingen.
Bij dit alles richt dit commentaar zich met name op de (verbetering van de) positie van prostituees.

Algemene opmerkingen

In het kabinetsstandpunt vallen met name twee zaken op: ten eerste het ontbreken van een lange termijn visie op de gewenste ontwikkeling van de prostitutiesector en, ten tweede, het ontbreken van actief een (arbeids)emancipatiebeleid met betrekking tot (de positie van) prostituees.

Ontbreken van een visie

Rode lijn in de kabinetsreactie en het tot nu toe gevoerde beleid is een sterke focus op beheersing, controle en regulering, waarbij de uitvoering van het beleid wordt overgelaten aan de gemeenten.
Uit het evaluatieonderzoek blijkt dat gemeenten zich overwegend richten op handhaving van de status quo. Dit heeft uiteraard consequenties voor de ontwikkeling van de sector. Een van die consequenties is dat de sector grotendeels beheerst blijft door dezelfde exploitanten als voor de opheffing van het bordeelverbod en dat vrijwel geen ruimte is voor vernieuwing van de sector. De bestaande exploitanten zijn immers degenen die vergunningen krijgen en ook overigens degenen die in de aan de legalisering voorafgaande periode voldoende kapitaal hebben opgebouwd om aan alle nieuwe eisen te voldoen.

Wat ontbreekt is een overall visie op het soort prostitutiesector dat Nederland op langere termijn wil hebben en een doordenking van de consequenties daarvan voor het nu te voeren beleid, waarbij de centrale overheid naast de gemeenten een eigen verantwoordelijkheid neemt. Is bijvoorbeeld het uitgangspunt dat de ontwikkeling van de sector aan de markt en de gemeenten wordt overgelaten, zoals de kabinetsreactie lijkt uit te stralen? Wordt het wenselijk geacht dat prostitutie zich concentreert in bepaalde delen van de stad of in grootschalige, door de overheid gecontroleerde centra à la het indertijd voorgestelde Eroscentrum Rotterdam? Of is het beleid juist gericht op deconcentratie, stimulering van kleinschalige vrouw-vriendelijke ondernemingen en een zo zelfstandig mogelijke positie van prostituees?
Daarbij is van belang dat elke keuze, inclusief het maken van geen keuze, consequenties heeft voor hoe de sector er over tien of twintig jaar uit zal zien en, even belangrijk, hoe de machtsverhoudingen in de sector zich zullen ontwikkelen. Consequentie van concentratie van raamprostitutie in bepaalde straten is bijvoorbeeld het ontstaan van monopolieposities van een beperkt aantal exploitanten, zoals bijvoorbeeld de ontwikkelingen in Den Haag hebben laten zien. Acht het kabinet dat wenselijk of juist niet?

Het kabinetsstandpunt maakt niet duidelijk of over dit soort vragen is nagedacht, welke keuzes daarin gemaakt worden en waarom en hoe vervolgens die keuzes in beleid worden vertaald. Eerder wordt de indruk gewekt van een soort laissez-faire houding van de kant van de centrale overheid waar het de (toekomstige) vormgeving van deze nieuwe, legale sector betreft, waarbij het beleid niet verder strekt dan overwegingen van beheersing, openbare orde en bestrijding van criminaliteit en illegaliteit. Deze vraag naar een bredere visie klemt te meer gelet op het, ook door het kabinet onderkende, bijzondere karakter van het werk dat immers nauw raakt aan de fysieke en psychische integriteit van de in deze sector werkzame personen.

Ontbreken van een actief emancipatiebeleid

Ten tweede, en deels in het verlengde van bovenstaande, ontbreekt een actief emancipatiebeleid ter versterking en verbetering van de positie van prostituees, evenals een analyse van de huidige machtsverhoudingen in de sector. De kabinetsnota rept met geen woord over hoe gedacht wordt de (arbeids)emancipatie van deze nieuwe beroepsgroep te bevorderen. In de tot nu toe verschenen emancipatienota”s ontbreken prostituees geheel en ook in de regeringsrapportages over het VN-Vrouwenverdrag is het tevergeefs zoeken naar maatregelen die de overheid denkt te nemen om bijvoorbeeld de sociale uitsluiting en stigmatisering van prostituees aan te pakken.
Indicatief is eveneens dat in de kabinetsreactie het ministerie van SZW vrijwel geheel ontbreekt. Is er bijvoorbeeld overleg geweest met de Staatssecretaris voor Emancipatiezaken? In hoeverre is DCE betrokken bij het ontwikkelen van beleid ter verbetering van de positie van prostituees? Hoe ziet het kabinet de rol van het ministerie van SZW, en met name van DCE?

Het ontbreken van een emancipatoire benadering valt des te meer op omdat de oorspronkelijke discussie over de opheffing van het bordeelverbod juist geïnitieerd werd vanuit het ministerie van SZW, en meer in het bijzonder door Emancipatiezaken, vanuit het perspectief van een betere waarborging van de rechten van prostituees.1 Zo schreef de toenmalige staatssecretaris van Emancipatiezaken, Annelien Kappeyne van de Copello, in een nota van september 1984, dat het beleid zich niet alleen zou moeten richten op de bestrijding van dwang en geweld, maar bovendien een onafhankelijke opstelling van prostituees mogelijk diende te maken door een zelfstandige bedrijfsvoering door prostituees te bevorderen.2 Het verbeteren van de maatschappelijke en juridische positie van prostituees is dan ook van meet af aan een van de hoofddoelen van de legalisering geweest.

Hoewel in de kabinetsreactie onderkend wordt dat, zeker waar het gaat om de bescherming van de prostituee, een grote achterstand moet worden goedgemaakt (p. 3) worden hier in het geheel geen consequenties aan verbonden. Integendeel, in de hele notitie wordt de indruk gewekt dat het in de prostitutiebranche om gelijkwaardige partijen gaat met gelijke belangen en een gelijkwaardige (onderhandelings)positie. Zo wordt gesteld dat vanaf 1 oktober 2000 sprake is van een legale sector, wat “o.a. met zich meebrengt dat werkgevers en werknemers in onderling overleg moeten werken aan normale arbeidsverhoudingen” (p.8), zonder enige verwijzing naar de ongelijke machtsverhoudingen die het gevolg zijn van de langdurige uitsluiting van prostituees van arbeidsbescherming en arbeidsrechten. Ook wordt bijna voortdurend gesproken over “de branche”(waarmee bijvoorbeeld overleg en samenwerking op gang is gekomen, p. 2), “de prostitutiesector” of “de prostitutie”, zonder onderscheid te maken naar de verschillende partijen en hun onderscheiden belangen en positie. Prostituees als specifieke en aparte doelgroep zijn geheel weggevallen. De vraag dringt zich dan ook op of met “de branche” niet in feite “de exploitanten” wordt bedoeld. Dat dit een reële vrees is blijkt bijvoorbeeld op p. 6 van het kabinetsstandpunt waar gesteld wordt dat een adequate voorlichting en handhaving nodig is om tot naleving te komen: “Regelmatige voorlichting, toezicht en controle zijn noodzakelijk, om de exploitanten te wijzen op hun wettelijke verantwoordelijkheden.” Over prostituees wordt niet gesproken.

In werkelijkheid is natuurlijk (nog) geen sprake van gelijke machtsverhoudingen of een gelijkwaardige (onderhandelings)positie.3 De opheffing van het bordeelverbod geeft prostituees weliswaar de instrumenten in handen om op te komen tegen machtsmisbruik en willekeur – de klassieke functie van het arbeidsrecht -, maar om te komen tot een situatie waarin partijen niet alleen formeel maar ook materieel een gelijkwaardige positie innemen is actieve ondersteuning van de overheid nodig. Daarbij gaat het niet alleen om bijvoorbeeld specifiek op prostituees gerichte voorlichting, stimulering van (zelf)organisatie en zelfstandig ondernemerschap, maar vooral ook om de ontwikkeling van een beleid dat aansluit bij en rekening houdt met de belangen van prostituees.

Daarbij liggen de consequenties van het feit dat prostitutie geen “gewoon” werk is niet in het maken van een uitzonderingspositie voor prostituees maar in het zoeken naar wegen waarop bestaand recht in deze specifieke situatie moet worden toegepast of aangevuld, op dezelfde manier als dat voor andere beroepen is gebeurd en gebeurt. Dat wil zeggen dat consequent tot uitgangspunt wordt genomen dat prostitutie arbeid is, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met het bijzondere karakter van sekswerk en de bijzondere positie van sekswerkers. Bijzonder als gevolg van honderd jaar uitsluiting van arbeidsrechten en arbeidsbescherming waardoor de verhoudingen wellicht het beste vergelijkbaar zijn met die in de fabrieken of op het platteland uit het einde van de negentiende eeuw. Bijzonder ook door het stigma dat met de opheffing van het bordeelverbod niet zomaar verdwenen is en waarmee prostituees vooralsnog moeten zien te leven.

Lokaal prostitutiebeleid

Aan de ene kant stelt het kabinet zichzelf ambitieuze doelstellingen “als stip aan de horizon”, hetgeen wij uiteraard steunen, aan de andere kant wordt de realisering van die doelstellingen volledig aan de gemeenten overgelaten. Tegelijkertijd wordt erkend dat die gemeenten autonoom zijn en dat aan hen geen verplichting kan worden opgelegd een prostitutiebeleid te voeren. Hier ligt een probleem. Dat probleem doet zich vooral voor waar het gaat om de verbetering van de positie van prostituees. Zoals geconstateerd wordt in het evaluatieonderzoek, richt het gemeentelijke beleid zich met name op handhaving van de status quo. In de praktijk blijkt dit beleid vooral gunstig te werken voor de “gesettelde” (grote) exploitanten en in het nadeel van kleinschalige, door vrouwen zelf gerunde bedrijven die op dit moment min of meer uit de markt lijken te worden gedrukt of voor wie de investeringskosten om aan de vergunningseisen te voldoen te hoog zijn. Het wijzen van gemeenten op de nadelen van een dergelijk status-quo beleid in workshops lijkt hierop een mager antwoord.

Bovendien wordt het gemeentelijke vergunningenstelsel ingevoerd zonder rekening te houden met de belangen van prostituees bij, bijvoorbeeld, privacy-bescherming. Gevolg is dat niet alleen illegale vreemdelingen, zoals vaak wordt verondersteld, de voorkeur geven aan het ongereguleerde, on-vergunde, deel van de prostitutie, maar dat ook sommige Nederlandse prostituees er de voorkeur aan geven anoniem buiten het reguliere en gecontroleerde stelsel te werken. Hoe groot deze vlucht naar andere vormen – thuiswerk, 06-nummers, escort – is, is niet duidelijk. Ook het evaluatieonderzoek heeft hier geen uitsluitsel over kunnen geven. Als oplossing wordt vooral de uitbreiding van het vergunningenstelsel gezien tot met name de niet-locatiegebonden vormen, zoals de escort.

Men zou zich natuurlijk ook kunnen afvragen waarom zoveel prostituees niet langer in het reguliere circuit willen werken, terwijl het de bedoeling was juist hen een betere positie en meer bescherming te bezorgen. Een voor de hand liggende conclusie is dat er onderweg iets mis is gegaan. Ook als het doel is een illegaal circuit te voorkomen, lijkt de meest voor de hand liggende reactie om het werken in het legale circuit aantrekkelijker te maken. Om dat te doen moet rekening worden gehouden met de belangen en behoeften van de betrokken partijen. Een manier hiervoor is bijvoorbeeld het betrekken van prostituees in de ontwikkeling van het beleid zodat een beeld gekregen wordt van hun vragen en problemen en daarop ingespeeld kan worden. Ook de ondersteuning van organisaties die hierin een brugfunctie kunnen vervullen is van belang, evenals een specifiek op prostituees gericht voorlichtingsbeleid.

Door zelf een actief emancipatiebeleid te voeren kan de centrale overheid hierin op zijn minst een stimulerende rol spelen. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de ontwikkeling van landelijk informatiemateriaal, een apart potje voor gemeentelijk emancipatiebeleid voor prostituees, speciale regelingen om zelfstandig ondernemerschap van vrouwen te stimuleren, het toekennen van startsubsidies aan (ex) prostituees die een eigen bedrijf willen beginnen en het instellen van een landelijke vragen- en klachtentelefoon.

In dit kader is ook de conclusie van het kabinet van belang dat het moment nabij is gekomen waarop het lokale bestuur de toezichtstaak van de politie dient over te nemen. Wij onderschrijven die conclusie. Eenzelfde conclusie dient ons inziens getrokken te worden met betrekking tot de huidige coördinerende rol van het Ministerie van Justitie. Overdracht hiervan naar het Ministerie van Sociale Zaken ligt voor de hand en is ook overigens in overeenstemming met het uitgangspunt van normalisering van de branche. Daarbij is ook juist het Ministerie van Sociale Zaken aangewezen waar het gaat om de ontwikkeling van een actief (arbeids)emancipatiebeleid. Wij vragen ons af wat de gedachten van het kabinet hierover zijn.

Daarnaast spelen vanuit emancipatie-perspectief uiteraard kwesties rondom arbeidsverhoudingen, fiscaliteit en arbeidsomstandigheden een grote rol. Daarop wordt hieronder ingegaan.

De positie van de prostituee

Arbeidsverhoudingen, fiscaliteit en arbeidsomstandigheden

Een van de grote knelpunten die in het evaluatierapport naar voren komt is de onduidelijkheid over de arbeidsverhouding tussen exploitant en prostituee en het gebrek aan een uniform en herkenbaar beleid in deze van de betrokken overheidsinstanties (Belastingdienst, UWV/GAK, Arbeidsinspectie). Daarbij wordt gesteld dat deze verwarring over zelfstandigheid en loondienst exemplarisch is voor de onduidelijkheid die in het algemeen bestaat over de invulling van arbeidsrechtelijke normen als het prostitutie betreft.4 Dit vormt een belangrijke belemmering voor de ontwikkeling van heldere arbeidsverhoudingen in de branche. Daarbij moet bedacht worden dat van elke onduidelijkheid bijna per definitie de zwakste partij, in casu de prostituees, het meest de dupe zijn.

Gesteld wordt dat het werken aan normale arbeidsverhoudingen primair een verantwoordelijkheid van betrokkenen zelf is, “die daar dan ook op zullen worden aangesproken”. Minimale voorwaarde daarvoor is dan toch dat de normen bekend, duidelijk en uniform zijn, m.n. wanneer sprake is van arbeid als zelfstandige en wanneer van een werkgevers/werknemers verhouding. Tot nu toe is dit niet het geval. Het stellen van heldere en voor partijen kenbare normen is bij uitstek een verantwoordelijkheid van de overheid, waarop deze ook aangesproken mag en moet worden.

Positief is dat de Belastingdienst en UWV recent een gezamenlijk toetsingskader vastgesteld hebben. Te betreuren is dat dit nu pas – twee jaar na opheffing van het bordeelverbod – gebeurt en dat dit bovendien nog steeds niet specifiek gericht is op de arbeidsverhoudingen in de prostitutiebranche. Het valt dan ook zeer te betwijfelen of hiermee de problemen zijn opgelost, gelet op het bijzondere karakter van de arbeid, de vele vragen die dat bijvoorbeeld rondom de invulling van het begrip gezagsverhouding oproept en de specifieke geschiedenis van de branche. Veel problemen hadden kunnen worden voorkomen indien in de voorbereiding van de opheffing van het bordeelverbod door de betrokken instanties de handen in elkaar waren geslagen en een eenduidig, voor betrokkenen kenbaar beleid ontwikkeld was, maar ook nu nog lijkt de ontwikkeling van een dergelijk, specifiek op de sector gericht toetsingskader van groot belang.

Correct is op zich dat partijen ook voor de wetswijziging belastingplichtig waren. Daarbij moet echter wel bedacht worden dat voor de wetswijziging de kwestie van het al dan niet aanwezig zijn van een loondienstverhouding geen rol speelde (hoewel een dergelijke relatie juridisch niet onmogelijk was) en dat dit nu precies het terrein is waar de grootste problemen zich momenteel voordoen.

Correct is ook dat er dikwijls een groot verschil is tussen de feitelijke en de door de branche (lees: exploitanten) gepresenteerde situatie rond de arbeidsverhouding. Aangegeven wordt dat deze discrepantie wordt veroorzaakt door de “aard van de arbeidsverhoudingen die nog eigen zijn aan de bedrijfsuitoefening”: enigszins verhullende taal voor het feit dat bij gebrek aan arbeidsbescherming de gezagsverhoudingen in deze branche nogal uit de hand hebben kunnen lopen. Juist hier – in het corrigeren van deze historisch gegroeide machtsongelijkheid – zou de overheid middels een actief ondersteuning- en voorlichtingsbeleid, met name gericht op prostituees, een belangrijke rol kunnen en ons inziens horen te spelen.
Het is dan ook verheugend dat de UWV en Belastingdienst voornemens zijn gezamenlijk een bij de situatie passend voorlichting-en communicatie traject op te zetten. Wij vragen ons af op welke termijn dit plaats zal vinden, gezien de urgentie hiervan.

Belastingen

Naast de kwestie van het al dan niet aanwezig zijn van een loondienstverhouding, spelen nog een aantal andere problemen met betrekking tot belastingheffing, waarop in het kabinetsstandpunt niet wordt ingegaan. Zo is het bepaaldelijk niet bemoedigend dat een prostituee in het kader van de zelfstandigenaftrek nog steeds met de belastinginspecteur in de clinch moet gaan over de vraag of de tijd dat zij achter de ramen zit maar geen klant heeft wel als werktijd gerekend kan worden. Of de tijd die zij besteedt aan schoonmaken, het doornemen van sekscatalogi of het doen van de boekhouding. Het opstellen van duidelijke richtlijnen hierover lijkt aan te bevelen.

Bovendien speelt ook hier de kwestie van privacybescherming. Zolang het stigma op prostitutie nog zo groot is en veel prostituees een dubbelleven leiden, hebben zij een groot belang bij bescherming van hun identiteit. Naast het feit dat de meeste mensen, inclusief prostituees, het niet leuk vinden om belasting te betalen, is het verlies van anonimiteit een extra drempel voor prostituees. Daarbij gaat het zowel om anonimiteit tegenover de exploitant als tegenover de belastingdienst. Menig prostituee heeft weinig vertrouwen in de verplichting van de belastingdienst om haar gegevens vertrouwelijk te behandelen, nu in het verleden politie en belastingdienst vaak onrechtmatig hebben samengewerkt door gegevens over te dragen.5
Bovendien willen zij bij voorkeur niet dat de exploitant van het bedrijf waar zij werken (of klanten) vrijelijk over hun privé-gegevens, zoals hun adres, kunnen beschikken omdat dat hen op een eenvoudige manier chantabel maakt. Ook overwegingen van bescherming van familie of kinderen kunnen hierin een rol spelen. Het is dan ook aan te bevelen te onderzoeken of het mogelijk is een regeling te ontwerpen die rekening houdt met privacygevoeligheid en de gegevens van de prostituee voor een zo beperkt mogelijk aantal mensen toegankelijk maakt, bijvoorbeeld door het werken met codes of werknamen.

Voor wat betreft het punt van inschrijving bij de Kamer van Koophandel is de recente uitspraak van de Rechtbank Zwolle van belang.6 In deze door de Kamer van Koophandel voor de Veluwe en Twente aangespannen procedure bepaalde de rechter dat een zelfstandig werkende prostitutie niet geacht moet worden een bedrijf uit te oefenen, maar aangemerkt moet worden als beroepsbeoefenaar. Inschrijving is derhalve in strijd met de Handelsregisterwet 1996 en art. 9 Handelsregisterbesluit 1996. Net als voor artsen of advocaten ontbreekt voor zelfstandige prostituees derhalve niet alleen de plicht zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel, maar kunnen zij dat niet, zelfs indien zij dat zouden willen. Op dit punt is een beschermingsregeling dus overbodig.

Het argument dat het belang van anonimiteit – en het om die reden maken van uitzonderingen – zich niet verhoudt met het streven naar acceptatie van de prostituee is op zijn minst opvallend wanneer bedacht wordt dat dit argument niet in de weg heeft gestaan aan het invoeren van een identificatieplicht voor prostituees. Deze invoering vond gelijktijdig met de opheffing van het bordeelverbod alleen voor prostituees (en dus bij uitzondering) plaats, en is bij uitstek stigmatiserend. De acceptatie van prostituees als beroepsgroep hangt ongetwijfeld van andere factoren af dan het in diverse regelingen rekening houden met de legitieme wens van prostituees hun privacy te beschermen. Acceptatie is een streven, maar weerspiegelt vooralsnog niet de werkelijkheid. Om acceptatie te realiseren zal uitgegaan dienen te worden van de huidige werkelijkheid. Die is vooralsnog dat de opheffing van het bordeelverbod niet ook het stigma op dit werk heeft opgeheven. Daarmee rekening houden is een van de factoren voor een succesvolle implementatie van de wetswijziging.

Arbeidsinspectie

Opvallend is de passieve en afwachtende houding van de Arbeidsinspectie die uit het evaluatieonderzoek naar voren komt. Te verwachten was geweest dat de Arbeidsinspectie in een sector waar nooit enige controle op arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden een actieve rol voor zich had opgeëist. Door middel van een inventariserend onderzoek had bijvoorbeeld getracht kunnen worden een beeld te krijgen van de werkcondities in de prostitutie om aan de hand daarvan in grote lijnen aan te geven welke verbeteringen noodzakelijk zijn en eventueel daar algemeen geldende richtlijnen voor aan te leggen. Is het kabinet van plan hier alsnog een actievere rol in te spelen?

Imago

De erkenning van prostitutie als arbeid, rekening houdend met het specifieke karakter van het werk en de bijzondere positie van prostituees, is een belangrijke stap in de positieverbetering van prostituees. Die bijzondere positie heeft niet alleen te maken de aard van het werk en de historisch gegroeide ongelijke verhoudingen binnen de sector, maar ook met de relatie tot de samenleving. Prostituees hebben in ernstige mate te lijden van het stigma dat nog altijd rust op prostitutie. Voor de opheffing van dat stigma is een wetswijziging niet voldoende, maar is ook een verandering van de houding van de samenleving ten opzichte van prostitutie en de plaats van de prostitutiesector in onze samenleving nodig.

Uiteraard kan de overheid niet de maatschappelijke denkbeelden over prostitutie veranderen. Wel kan de overheid hierin een sturende en stimulerende rol spelen, in de eerste plaats door het voorlichten van de eigen diensten over de nieuwe status van de prostitutiesector in Nederland, maar ook door voorlichting aan het grote publiek. In Zweden is enkele jaren geleden de strafbaarstelling van klanten bij wet ingevoerd. Zonder inhoudelijk hierop in te gaan, is het interessant te vermelden dat de Zweedse overheid via verschillende publiekscampagnes haar redenen voor dit besluit met het Zweedse publiek heeft gecommuniceerd. Iets dergelijks is in Nederland nooit gebeurd ten aanzien van de keuzes die hier zijn gemaakt.

In het kabinetsstandpunt wordt gesteld dat van de overheid verwacht mag worden dat met de branche in gesprek wordt gegaan en dat voorlichting gegeven wordt over de verplichtingen die wet- en regelgeving met zich mee brengen. Erkend wordt dat de voorlichting aan prostituees “voor verbetering vatbaar is”. De oplossingen die hiervoor aangedragen worden zijn echter minimaal. Gewezen wordt op het initiatief van UWV en belastingdienst, het feit dat sommige gemeenten voorlichtingsactiviteiten ondernemen en de subsidies aan de Rode Draad en de Mr. A de Graaf Stichting. Wij onderschrijven het belang dat aan belangenorganisaties en expertisecentra in dit proces wordt toegekend, maar menen dat dit niet af doet aan de eigen verantwoordelijkheid van de overheid, met name op het punt van voorlichting en de implementatie van de wetswijziging door de eigen overheids- en semi-overheidsdiensten.

Dit geldt te meer als bedacht wordt dat na de wetswijziging De Rode Draad in eerste instantie haar subsidie grotendeels dreigde te verliezen en dat ook nu, na een intensive lobby, de haar toegekende middelen minimaal zijn in verhouding met de haar toebedachte taak. Indien de Rode Draad de rol wil spelen die de overheid haar toekent – het functioneren als aanjager in de voorlichting door diverse betrokken organisaties op lokaal en regionaal niveau, waaronder de gemeenten -, dan moeten daar ook reële middelen tegenover staan. Hetzelfde kan gezegd worden voor de Mr A. de Graaf Stichting, aan wie eveneens een belangrijke rol wordt toegekend bij de totstandbrenging van een infrastructuur voor de emancipatie van alle bij de prostitutie betrokken partijen. Deze stichting is sinds de opheffing van het bordeelverbod geconfronteerd met een subsidiekorting van 25% en beschikt derhalve weliswaar over de expertise, maar niet over de middelen en menskracht om de haar toebedachte taken te realiseren.

Uiteraard zal op termijn een van de gevolgen van de erkenning van prostitutie als arbeid zijn dat de nieuwe beroepsgroep zich zal organiseren en laten vertegenwoordigen door een vakbeweging. Zover is het echter nog lang niet. Anders dan de exploitanten zijn prostituees niet of nauwelijks georganiseerd. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, zoals het stigma op prostitutie en het daarop gebaseerde belang dat prostituees hechten aan privacy en anonimiteit, maar ook de bestaande ongelijke machtsverhoudingen en het gebrek aan middelen om zich te organiseren. Juist daarom heeft deze jonge beroepsgroep overheidssteun nodig om de arbeidsemancipatie en professionalisering van de grond te krijgen. Een goede voorlichting door de overheid over de nieuwe rechten en plichten is daarin een eerste stap.

Gezondheid en welzijn

Het kabinet concludeert dat de klachten die prostituees hebben ten aanzien van welzijn en gezondheid inherent zijn aan de aard van de werkzaamheden en de bijbehorende leefstijl. Dit is een nogal vergaande en gemakkelijke conclusie, waarvan onduidelijk is waarop zij is gebaseerd. Zeker gelet op het feit dat prostituees meer klachten hebben dan andere beroepsbeoefenaren lijkt nader onderzoek geïndiceerd. Ook wij achten een vergelijking met de “gemiddelde vrouwelijke werknemer” hier niet op zijn plaats. Er zitten immers nogal wat verschillen tussen de werkzaamheden van bijvoorbeeld een docent, een kapster of een patholoog-anatoom, zelfs als zij allen van het vrouwelijk geslacht zijn. Meer voor de hand ligt een vergelijking met een vergelijkbare beroepsgroep, bijvoorbeeld barkeepers in een nachtclub.

Ondanks de toegenomen toegankelijkheid van de reguliere gezondheidszorg wordt in de prostitutie nog veel gebruik gemaakt van clubartsen. In het verleden is er veel en terechte kritiek geweest op het systeem van clubartsen. De constatering dat prostituees zich nu correct behandeld voelen door clubartsen, neemt niet weg dat het systeem bijzonder vatbaar is voor onoorbare praktijken, zoals in het verleden bewezen is. Een rol kan ook spelen dat veel prostituees niet anders zijn gewend, bovendien sluit het systeem van clubartsen aan op de wens van anonimiteit die veel prostituees nog hebben.
Het verdient aanbeveling de al ingezette verbetering van de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor prostituees verder te ontwikkelen. Hierbij moet worden gedacht aan speciale soa-spreekuren voor prostituees bij de GGD en bijvoorbeeld een mobiele unit die afgelegen bordelen kan bezoeken. Op die manier kan het systeem van clubartsen geleidelijk worden vervangen.

In de discussie over prostitutie en gezondheid heeft SOA/HIV preventie altijd centraal gestaan met het oog op de bescherming van de volksgezondheid. Voor de beroepsgroep is het thema gezondheid echter veel breder dan de preventie van seksueel overdraagbare ziekten. In het kader van de bescherming van het welzijn en gezondheid van prostituees en de verbetering van de arbeidsomstandigheden, dient evenzeer aandacht te worden geschonken aan (andere) specifieke beroepsgerelateerde ziekten. Daarbij kan worden gedacht aan blaasontstekingen veroorzaakt door veel seksuele contacten, maar ook aan rugklachten door slechte bedden of klachten aan de luchtwegen door het werken in een rokerige omgeving.

Strafbare vormen van exploitatie

Bestrijding van illegaliteit versus bestrijding van dwang en uitbuiting

In het kabinetsstandpunt wordt aangegeven dat een intensivering dient plaats te vinden waar het gaat om de bestrijding van strafbare vormen van exploitatie. Daarbij gaat het om prostitutie door minderjarigen, onvrijwillige vormen van prostitutie en prostitutie door personen zonder een voor arbeid geldige verblijfstitel. Een analyse van de spanning tussen deze verschillende doelen, de bestrijding van minderjarigheid en dwang (gericht op de bescherming van de persoon) enerzijds en de bestrijding van illegaliteit (gericht op de bescherming van de staat) anderzijds, ontbreekt echter. Zo kan een intensivering van de bestrijding van illegaliteit juist een vergroting van de kwetsbaarheid van buitenlandse prostituees voor mensenhandel en andere vormen van uitbuiting tot gevolg hebben, doordat deze groep verder het illegale en circuit wordt ingedrongen. Dit is met name het geval zolang prostituees van buiten de EU categoriaal zijn uitgesloten van legale arbeid in de prostitutie. Prostitutie is de enige arbeid waarvoor een dergelijk categoriaal verbod in de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is vastgelegd.

Reeds voor de opheffing van het bordeelverbod hebben verschillende organisaties gewaarschuwd dat een dergelijke uitsluiting de kwetsbaarheid van deze groep voor mensenhandel vergroot.7 Ook de bevindingen van het evaluatieonderzoek wijzen hierop. Zo wordt gewezen op een groeiende tweedeling in de prostitutie, waarbij met name prostituees in de ongereguleerde en moeilijk controleerbare vormen van prostitutie – waar zich per definitie de buitenlandse vrouwen bevinden – een groter risico lopen met dwangsituaties geconfronteerd te worden. Geconstateerd wordt dat hun positie eerder slechter is geworden dan beter.
Overigens verschaft het evaluatieonderzoek geen uitsluitsel over de omvang van verschuivingen naar de ongereguleerde sector en de mate waarin dwangsituaties plaatsvinden.

In dit kader wijzen wij ook op het recent aan de Minister van Justitie uitgebrachte advies van de Adviescommissie Vreemdelingenzaken inzake de naleving van het VN-Vrouwenverdrag in relatie tot de positie van vreemdelingenvrouwen.8 Hierin constateert de ACVZ dat er voldoende aanwijzingen zijn om te veronderstellen dat de opheffing van het bordeelverbod de positie van illegale prostituees nadelig beïnvloedt en de vrouwenhandel bevordert en beveelt zij nader onderzoek hiernaar aan.9

Ook prof. mr. Spijkerboer concludeert in zijn ten behoeve van de ACVZ geschreven discussienota dat het feit dat derdelanders geen vergunning kunnen krijgen voor arbeid als prostituee, vrouwen uit derde landen meer kwetsbaar maakt voor mensenhandel dan zij zouden zijn als zij wel legaal hun werk zouden kunnen doen.10 Hij werpt dan ook de vraag op of de uitsluiting van derdelanders van legale arbeid in de prostitutie niet in strijd is met art. 6 van het VN-Vrouwenverdrag, dat staten verplicht alle passende maatregelen te nemen ter bestrijding van alle vormen van vrouwenhandel. Bovendien is de uitsluiting van prostitutie, een beroep waarin overwegend vrouwen werkzaam zijn, van de mogelijkheid een verblijfsvergunning te krijgen in strijd is met art. 11 van het VN-Vrouwenverdrag, dat ziet op gelijke rechten bij arbeid.
Ook het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) komt in zijn schaduwrapport van december 2001 bij de Tweede en Derde regeringsrapportage inzake de implementatie van het Vrouwenverdrag tot een vergelijkbare conclusie.11 Vermeldenswaard is verder dat het Comité van het Vrouwenverdrag in haar Concluding Observations eveneens haar zorg uitspreekt over de effecten van de opheffing van het bordeelverbod op de positie van prostituees zonder geldige verblijfstitel en slachtoffers van mensenhandel.12

Zowel vanuit het oogpunt van de bestrijding van mensenhandel als vanuit het oogpunt van non-discriminatie lijkt het dan ook effectiever het huidige verbod op het verlenen van tewerkstellingsvergunningen voor arbeid in de prostitutie te herzien.

Identificatieplicht

Een ander spanningsveld ligt in de – tegelijkertijd met de opheffing van het bordeelverbod ingevoerde -identificatieplicht voor prostituees. Ook hier doet zich een spanning voor tussen de bestrijding van illegaliteit en de bestrijding van dwang en uitbuiting. Zo concludeert Spijkerboer dat het gebruik van bevoegdheden in de prostitutieverordeningen om controle uit te oefenen op de naleving van Vreemdelingenwet tot gevolg heeft dat prostituees uit derde landen, die immers per definitie geen verblijfsrecht kunnen krijgen, kwetsbaarder worden voor (het voortduren van) vrouwenhandel dan wanneer deze bevoegdheden alleen zouden worden gebruikt voor controle op de naleving van de prostitutieverordeningen. Ironischerwijze zou gesteld kunnen worden dat een succesvolle verdrijving van illegale vrouwen uit het legale circuit bijdraagt aan de mensenhandel. Het verdient zijns inziens dan ook aanbeveling om, zolang prostitutie uitgesloten blijft van het Wav-beleid, in het kader van toezicht op prostitutie geen toezicht uit te oefenen op naleving van de Vreemdelingenwet.13

Ook Nederlandse prostituees ervaren de identificatieplicht als stigmatiserend en discriminatoir. Prostitutie is immers de enige zelfstandige beroepsgroep waarvoor een dergelijke verplichting geldt. Bovendien heeft de identificatieplicht tot gevolg dat ook zelfstandige prostituees in een als het ware ondergeschikte positie ten opzichte van de exploitant komen te staan. Deze hebben immers de plicht de identiteit van in hun bedrijf werkzame prostituees te controleren. Ook zelfstandige prostituees verliezen zo hun anonimiteit tegenover de exploitant.

De vraag doet zich tevens voor in hoeverre deze bijzondere verplichting zich verhoudt met het VN-Vrouwenverdrag.14 Zo concludeert het NJCM in haar schaduwrapport inzake de implementatie van het VN-Vrouwenverdrag dat de identificatieplicht o.g.v. art. 151a Gem.wet in strijd is met art. 3 Vrouwenverdrag, het recht op privacy.15 Ook Spijkerboer acht de identificatieplicht moeilijk verenigbaar is met de verplichtingen onder het Vrouwenverdrag, met name art. 11 (gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de arbeid).16

Een ander probleem wordt gevormd door de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan de identificatieplicht. Gemeentelijke toezichtambtenaren kunnen van deze bevoegdheid gebruik maken “voorzover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van hun taak”. Dit is het geval, aldus de minister indertijd, indien concrete omstandigheden redelijkerwijs nopen tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs, waarbij die concrete omstandigheden bestaan uit “aanwijzingen dat zij minderjarig is of niet bevoegd is in Nederland inkomsten uit arbeid te verwerven”.17 In de praktijk blijkt de politie deze bevoegdheid echter vooral op te vatten als een carte blanche die ten allen tijde naar believen en zonder nadere motivering ingezet kan worden, ook indien het bijvoorbeeld gaat om overduidelijk meerderjarige Rotterdamsen. Het moge duidelijk zijn dat dit niet bevorderlijk is voor het vertrouwen van prostituees in de overheid waar het gaat om de bescherming van hun positie.

Het probleem van het willekeurig en discriminatoir gebruik van de identificatieplicht wordt versterkt door het vrijwel ontbreken van rechtelijke toetsing, m.n. met betrekking tot vreemdelingen, nu de Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet toegekende bevoegdheden.18 Dit geldt ook voor bevoegdheden in het kader van art. 151a Gemeentewet, dat door de gemeente aangewezen toezichthouders de bevoegdheid geeft prostituees om hun identiteitspapieren te vragen. Wel sprak de politierechter Amsterdam enige tijd geleden een uiterst kritisch oordeel uit over (het onrechtmatig) gebruik van bevoegdheden ex art. 151a Gemeentewet, waarbij hij in casu eveneens concludeerde tot schending van art. 8 EVRM, het recht op privacy.19 Het hoger beroep in deze zaak vond recent plaats. De uitspraak is nog niet bekend.

Mensenhandel

Bijkomend probleem is de gebrekkige uitvoering van het vrouwenhandelbeleid. Dit betekent onder andere dat volstrekt onduidelijk is (en niet of nauwelijks gecontroleerd kan worden) of bij het oppakken van soms grote aantallen vrouwen tijdens bijvoorbeeld de recente “razzia”s” op de Amsterdamse tippelzone zorgvuldig is gekeken naar aanwijzingen van vrouwenhandel en vrouwen zijn voorgelicht over de mogelijkheid van bedenktijd en aangifte. Gezien de klachten van advocaten dat hen niet of nauwelijks de mogelijkheid werd geboden met de betrokken vreemdelingen te spreken en de berichten in de kranten dat de aanleiding voor deze acties vooral werd gevormd door het feit dat snel nog enige plaatsen in het vliegtuig gevuld moesten worden, vrezen wij hier het ergste.

Op de uitvoering van het vrouwenhandelbeleid en de knelpunten daarin zullen wij separaat ingaan in een reactie op het kabinetsstandpunt van 15 oktober 2002 inzake mensenhandel.20

Immigratie van prostituees van buiten de EER

Het betreft hier twee groepen:
Onderdanen van de kandidaat EU-landen die op grond van de Associatieverdragen tussen de EU en de betreffende landen het recht hebben zich hier als zelfstandige te vestigen;
Onderdanen van derde landen, d.w.z. onderdanen van niet-EU en niet-Associatielanden.

Associatielanden

Ten aanzien van de eerste groep, onderdanen van de Associatielanden, heeft het Hof van Justitie van de EG (HvJEG) eind 2001 uitgemaakt dat prostitutie onder het begrip “economische activiteiten anders dan in loondienst” in de zin van de Associatieverdragen valt wanneer vaststaat dat zij door de dienstverrichter wordt beoefend zonder enige gezagsverhouding met betrekking tot de keuze van de activiteit, de arbeidsomstandigheden en de beloning, onder zijn eigen verantwoordelijkheid en tegen een betaling die volledig en rechtstreeks aan hem wordt betaald. Wel mag de nationale rechter in individuele gevallen toetsen of aan deze voorwaarden is voldaan en verzetten de Associatieverdragen zich niet tegen een stelsel van voorafgaande controle om te bepalen of werkelijk van een zelfstandige sprake is. 21 Over de vraag of een voorafgaande machtiging voorlopig verblijf (mvv) geëist kan worden om de aanvraag in behandeling te nemen liggen momenteel nieuwe prejudiciële vragen bij het Europese Hof.22 Prostituees uit deze landen hebben derhalve het recht zich in Nederland te vestigen als zelfstandige, mits zij kunnen aantonen daadwerkelijk als zelfstandige werkzaam te (zullen) zijn.

Ondanks het feit dat deze uitspraak dateert van eind 2001, ontbreekt nog steeds een eenduidig beleid over de voorwaarden waaraan voldaan moet worden, worden eisen gesteld waaraan niet voldaan kan worden23 of worden eisen gesteld die niet voor andere beroepsbeoefenaars die zich als zelfstandige willen vestigen, gelden. Dit leidt tot een veelheid van langdurige procedures waarin soms ter plekke van de kant van het ministerie nieuwe eisen worden gesteld. De onduidelijkheid maakt de betrokken vrouwen kwetsbaar. Uit het veld komen ook daadwerkelijk berichten dat onder meer malafide boekhouders en andere “adviseurs” hier op grote schaal misbruik van maken door de betrokken vrouwen veel geld te laten betalen voor iets dat zij, indien een duidelijk en reëel beleid gevoerd werd, in feite zelf zouden moeten kunnen regelen. In plaats van alle inspanningen te richten op het proberen te voorkomen dat vrouwen gebruik maken van hun recht op vestiging als zelfstandige, bevelen wij dan ook aan om op zo kort mogelijke termijn met een duidelijk, toetsbaar en reëel (d.w.z. in overeenstemming met tekst en strekking van de Associatieverdragen) beleid te komen, waarbij aandacht wordt besteed aan een goede voorlichting, ook aan de Nederlandse ambassades in de betrokken landen.

Derdelanden

Met betrekking tot de tweede groep, onderdanen uit derde landen, ondersteunen wij de gedachten van het kabinet over herziening van het Wav-verbod, in casu het creëren van een mogelijkheid voor verlening van tewerkstellings- en verblijfsvergunningen voorzover daar behoefte aan is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Herziening is ook in lijn met de uitgangspunten die aan de opheffing van het bordeelverbod ten grondslag liggen, te weten de bescherming van de positie van de prostituee en de behandeling van prostitutie als arbeid. De huidige uitsluiting van buitenlandse prostituees van de legale prostitutiemarkt dringt hen immers niet alleen in het illegale circuit, maar onthoudt ook juist de groep die dit het hardste nodig heeft, de arbeidsbescherming die hun Nederlandse collega”s sinds de opheffing van het bordeelverbod wel genieten.

De gedachten van het kabinet sluiten ook aan bij conclusie van Spijkerboer dat een reëel beleid dat daadwerkelijk aansluit bij de in Nederland bestaande behoefte aan arbeid door buitenlandse prostituees, aanzienlijk kan bijdragen aan het terugdringen van het aantal illegale prostituees, omdat er geen substantieel werkterrein voor illegale prostituees overblijft als in de behoefte wordt voorzien door legale prostitutie.24 Als richtsnoer zou daarbij uitgegaan kunnen worden van een reële schatting van het aantal prostituees uit derde landen dat op dit moment werkzaam is in Nederland. Daarmee zal uiteraard illegale prostitutie niet geheel uitgebannen kunnen worden. Het zal echter wel bijdragen aan een substantiële afname van het aantal illegale prostituees en vermindering van de vatbaarheid van prostituees uit derde landen voor dwang en uitbuiting door werkgevers en klanten.

In het kabinetsstandpunt wordt voorgesteld het zwaartepunt van een toekomstige regeling neer te leggen bij de gemeenten. Indien de gemeente positief adviseert zou aan de exploitant een tewerkstellings-vergunning worden verleend. Bij dit voorstel hebben wij enige twijfels. Ook zijn wij niet op voorhand overtuigd dat de Wav niet toegepast kan worden.
Bij de ontwikkeling van een toelatingsbeleid zou ons inziens eerst bezien moeten worden aan welke voorwaarden een regeling moet voldoen. Een goed hulpmiddel daarvoor is na te gaan wat een regeling voor de verschillende betrokken partijen aantrekkelijk zou maken: welk belang hebben Nederlandse en buitenlandse prostituees, exploitanten en de overheid bij een regeling? Op grond daarvan komen wij tot de volgende criteria:
het aantal werkvergunningen dient begrensd te kunnen worden. Dat betekent dat prioriteitsgenietend aanbod moet zijn vast te stellen;
de termijn waarbinnen buitenlandse prostituees in Nederland kunnen werken moet lang genoeg zijn om voldoende geld te verdienen;
de regeling dient de mogelijkheid van dwang of misbruik te minimaliseren. Een belangrijk middel daartoe is het creëren van een situatie waarin de betrokken vrouwen een zelfstandige, niet van de exploitant afhankelijke, en legale rechtspositie hebben. Dit zou er voor pleiten de tewerkstellingsvergunning niet aan de exploitant te verlenen;
de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden waaronder buitenlandse prostituees werken dienen minimaal dezelfde te zijn als die van haar Nederlandse collega”s. Dit is niet alleen in het belang van de buitenlandse prostituee, maar evenzeer in het belang van Nederlandse prostituees en exploitanten teneinde de huidige concurrentievervalsing tegen te gaan;
In de regeling zou een zekere garantie moeten zijn ingebouwd dat malafide tussenpersonen en bedrijven hier geen gebruik van kunnen maken;
In de regeling zou voldoende controle moeten zijn ingebouwd, zowel met betrekking tot de uitvoering van de regeling zelf als met betrekking tot de arbeidsomstandigheden en -voorwaarden waarin de betrokken prostituees werken.
Op grond van deze criteria zou een aantal alternatieve modellen ontwikkeld kunnen worden. Eén model is bijvoorbeeld het indertijd ontwikkelde voorstel voor een speciaal bemiddelingsbureau dat vraag en aanbod bij elkaar brengt en tevens als werkgever (en houder van de tewerkstellingsvergunning) optreedt.25 Via een dergelijke “uitzendformule” kan het aantal te verlenen vergunningen worden begrensd, wordt een onafhankelijke positie van de prostituee ten opzicht van de exploitant gewaarborgd en kan worden toegezien op de kwaliteit van de door het “inlenende” bedrijf geboden arbeidsomstandigheden en -voorwaarden. Voordeel is ook dat wordt aangesloten op een bekend en beproefd model – het uitzendbureau – met ervaring in het werken met tijdelijke contracten op een flexibele arbeidsmarkt.
Het verdient ons inziens dan ook aanbeveling om voorafgaande aan de besluitvorming in deze, naast een inventarisatie van de mogelijkheden van gemeenten, ook onderzoek te (laten) doen naar andere alternatieve modellen.

Verbod werving over de grens

Als een van de redenen waarom de Wav niet van toepassing kan zijn verwijst het kabinetsstandpunt naar het Verdrag tegen Vrouwenhandel. Het betreft hier het Internationaal verdrag nopens de bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen uit 1933, dat verplicht tot strafbaarstelling van het aanwerven van meerderjarige vrouwen “zelfs met haar goedvinden” wanneer dit gebeurt met het oog op het plegen van ontucht in een ander land.26 Het is echter maar zeer de vraag of vrijwillige prostitutie na de formele legalisering die met de opheffing van het bordeelverbod heeft plaatsgevonden nog wel gezien mag worden als “ontucht” of als “immoral purpose”.
Voorts is in dit verband opvallend dat Nederland nooit partij heeft willen worden bij het latere VN-Verdrag van 1949 ter bestrijding van mensenhandel en de exploitatie van prostitutie van anderen,27 juist omdat dit verdrag tot strafbaarstelling van de exploitatie van vrijwillige prostitutie verplicht. Met andere woorden, strafbaarstelling wanneer sprake is van instemming van betrokkenen was voor Nederland juist een belangrijke reden het latere 1949-Verdrag niet te ratificeren.

Zoals ten tijde van de invoering van het verbod op “werving over de grens” bij de wijziging van art. 250ter Sr (het huidige art. 250a Sr) al van verschillende kanten is betoogd, is het laten vervallen van het dwangvereiste zodra daarbij een landsgrens wordt overschreden, strijdig met de uitgangspunten van de huidige wetgeving op prostitutie en mensenhandel. Kern daarvan is immers de bestrijding van gedwongen vormen van werving en exploitatie.
Daarnaast is het echter de vraag of een dergelijk verbod, voorzover het betrekking heeft op EU-onderdanen, verenigbaar is met het EG-recht. Ons inziens moet geconcludeerd moet worden dat het strafbaar stellen van vrijwillige werving van prostituees “over de grens” terwijl dit binnen Nederland wel is toegestaan, in strijd is met het Gemeenschapsrecht. Nu prostitutie arbeid is dienen EU- onderdanen, ook met betrekking tot deze vorm van arbeid, gelijk behandeld te worden als nationale onderdanen. Het vrij verkeer van personen kan weliswaar beperkt worden in het kader van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid maar die uitzonderingen dienen strikt te worden geïnterpreteerd. Zo kan het openbare orde voorbehoud niet worden ingeroepen om activiteiten te verbieden die ten aanzien van de eigen onderdanen wel worden toegestaan. Ook strafrechtelijke bepalingen mogen niet leiden tot discriminatie van personen aan wie het Gemeenschapsrecht het recht op gelijke behandeling toekent, noch de door het EG-recht gewaarborgde fundamentele vrijheden beperken.28

Nu Nederland (onder andere) als gevolg van de totstandkoming in november 2000 van het nieuwe VN-Protocol Mensenhandel29 verplicht is haar huidige wetgeving op het gebied van mensenhandel aan te passen lijkt dit een goede gelegenheid om dit verbod alsnog te schrappen en het betreffende Verdrag uit 1933 op te zeggen. Daarmee is in ieder geval de weg vrijgemaakt voor toepassing van de Wav.

Effecten uitbreiding EU
In de kabinetsnota missen wij een analyse inzake de uitbreiding van de EU en de mogelijke effecten daarvan op de prostitutiebranche, inclusief het voorkomen van dwang en uitbuiting. Wij vragen ons af of inmiddels een analyse hiervan is gemaakt en zo niet, of het kabinet van plan is een dergelijke analyse te laten maken.

Preventie en hulpverlening ten aanzien van jeugdprostitutie en uitstapprogramma’s
In het kabinetsstandpunt wordt melding gemaakt van een stimuleringsregeling ter hoogte van 350 000 Euro voor projecten voor preventie en hulpverlening jeugdprostitutie, waarbij verbazing wordt uitgesproken over het geringe aantal (1) ingediende subsidieverzoeken. Vanuit de gemeenten is duidelijk wel veel vraag naar projecten die zich richten op preventie van jeugdprostitutie. Ook voor projecten die prostituees moeten helpen of stimuleren te stoppen met het werk in de prostitutie is veel aandacht. Dit ondanks het feit dat cijfers over het aantal minderjarigen in de prostitutie ontbreken en dat driekwart van de meerderjarige prostituees zegt het werk met plezier uit te oefenen.

Opgemerkt moet worden dat de aandacht en middelen die vrij worden gemaakt voor de aanpak van jeugdprostitutie en uitstap-projecten – hoezeer wij het belang daarvan ook onderschrijven – in opvallend contrast staan met de aandacht en gelden die beschikbaar zijn voor de ondersteuning van de emancipatie van prostituees binnen hun werk. Vermoedelijk wreekt hier zich het bestaande stigma op prostitutie en het traditionele beeld van de prostituee als slachtoffer. Een evenwichtiger benadering ware aan te bevelen.

Voor de positieverbetering van prostituees is het essentieel dat er projecten worden opgestart en gelden beschikbaar worden gesteld voor zaken waar prostituees behoefte aan hebben, en niet voor zaken die hulpverleners of de politiek van belang achten. Het zoeken van aansluiting bij de behoeften en belangen van prostituees zelf is ons inziens een noodzakelijke voorwaarde bij de ontwikkeling van projecten en stimuleringsregelingen.

Samenvatting en aanbevelingen

Commentaar kabinetsstandpunt inzake wijziging wetboek van strafrecht, enige andere wetboeken en enige wetten (opheffing algemeen bordeelverbod)
TK 25 437, nr. 30

Clara Wichmann Instituut & Mr. A. de Graaf Stichting
mei 2003

Het kabinet geeft aan dat het nu tijd is om acties te ondernemen om de geconstateerde knelpunten op te lossen. Daarbij is de focus echter vrijwel uitsluitend gericht op beheersing, controle en regulering. In het kabinetsstandpunt ontbreekt een overall visie op het soort prostitutiesector dat Nederland op langere termijn wil hebben en een doordenking hiervan voor het nu te voeren beleid, waarbij de (centrale) overheid ook een eigen verantwoordelijkheid neemt. De indruk wordt gewekt dat de oplossing vooral bij anderen wordt gezocht: de gemeenten, de branche, de Rode Draad, de Mr. de Graaf Stichting.

Hoewel het kabinet erkent dat, zeker waar het gaat om de bescherming van de prostituee, een grote achterstand moet worden goedgemaakt, ontbreekt een actief emancipatiebeleid ter versterking en verbetering van de positie van prostituees. Indicatief hiervoor is dat in de kabinetsreactie het Ministerie van Sociale Zaken vrijwel geheel ontbreekt. Dit valt des te meer op omdat de oorspronkelijke discussie over de opheffing van het bordeelverbod juist geïnitieerd werd door dit ministerie, en meer in het bijzonder Emancipatiezaken, vanuit het perspectief van een betere waarborging van de rechten van prostituees.

Het verdient aanbeveling alsnog een bredere visie te ontwikkelen, waarin expliciet aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van een actief emancipatiebeleid gericht op prostituees. Het Ministerie van Sociale Zaken zou hierin een voortrekkersrol kunnen spelen.

De implementatie van de wetswijziging wordt vrijwel volledig aan de gemeenten overgelaten. Tegelijkertijd wordt erkend dat gemeenten autonoom zijn. Dit wreekt zich vooral waar het gaat om de verbetering van de positie van prostituees. In dit kader spelen met name twee problemen. Ten eerste blijken gemeenten zich vooral te richten op handhaving van de status quo, waardoor er nauwelijks ruimte is voor vernieuwing of voor vrouwen die een eigen bedrijf willen beginnen. Ten tweede is het vergunningenstelsel ingevoerd zonder rekening te houden met de belangen van prostituees, bijvoorbeeld bij bescherming van hun privacy. Gevolg is dat niet alleen buitenlandse prostituees, maar ook een substantieel deel van Nederlandse prostituees er de voorkeur aan geven te werken buiten het gereguleerde en gecontroleerde circuit. Een dergelijke vlucht vormt een bedreiging voor het goed functioneren van de gereguleerde sector.

Het verdient aanbeveling om bij de implementatie van vergunningenstelsels meer rekening te houden met de belangen en behoeften van de direct betrokken partijen. Een manier hiervoor is om prostituees meer en directer te betrekken bij de ontwikkeling van het beleid, zodat beter ingespeeld kan worden op hun wensen en behoeften. Ook ondersteuning van organisaties die hierin een brugfunctie kunnen vervullen is van belang. Daarnaast dient de overheid zelf een actief emancipatie- en voorlichtingsbeleid ontwikkelen.

Wij onderschrijven de conclusie dat het in het kader van de normalisering van belang is dat de huidige toezichtstaak van de politie wordt overgedragen aan het lokale bestuur van belang.

Aan te bevelen is dat ook de huidige coördinerende rol van het Ministerie van Justitie wordt overgedragen aan andere ministeries, met name het Ministerie van Sociale Zaken.

Een van de grote knelpunten is de onduidelijkheid over arbeidsverhoudingen en meer in het algemeen over de invulling van arbeidsrechtelijke normen. Een cruciale rol hierin speelt het gebrek aan een eenduidig en voor betrokkenen kenbaar beleid van de betrokken overheidsdiensten, in casu de belastingdienst, UWV/GAK en Arbeidsinspectie. Daarnaast vormt de privacy-bescherming van prostituees een probleem. Verder is de passieve opstelling van de Arbeidsinspectie opvallend.

Het verdient aanbeveling dat de betrokken diensten een gezamenlijk, specifiek op de sector gericht, toetsingskader ontwikkelen, waarbij grote aandacht wordt besteed aan een goede voorlichting aan prostituees en exploitanten. Daarnaast dient de belastingdienst duidelijke en uniforme richtlijnen op te stellen met betrekking tot zelfstandig werkzame prostituees. Bovendien dient, zolang het stigma op prostitutie nog zo groot is, bij de ontwikkeling van regelingen rekening gehouden te worden gehouden met het belang dat prostituees hebben bij bescherming van hun privacy. Dit dient niet alleen het belang van prostituees, maar ook een succesvolle implementatie van de wetswijziging.
Het verdient aanbeveling om door middel van een inventariserend onderzoek een beter beeld te krijgen van de feitelijke werkcondities in de prostitutie. Op grond hiervan kan bepaald worden welke verbeteringen noodzakelijk zijn en kunnen algemene richtlijnen worden opgesteld.

De erkenning van prostitutie als arbeid is een belangrijke stap in de verbetering van de positie van prostituees. Om die verbetering te realiseren is een goede voorlichting aan prostituees en exploitanten over hun nieuwe rechten en plichten van groot belang. Erkend wordt dat met name de voorlichting aan prostituees vatbaar is voor verbetering. Voor de opheffing van het stigma is echter ook een verandering in de houding van de samenleving nodig. De overheid speelt hier een belangrijke rol in.

Het verdient aanbeveling om meer dan tot nu toe te investeren in een goede voorlichting, niet alleen aan (en door) de betrokken overheidsdiensten, prostituees en exploitanten, maar ook aan het “grote publiek”.
Daar waar de overheid ervoor kiest taken te delegeren aan uitvoerende instanties of belangenbehartigers moet zij ervoor zorgen dat deze organisaties voldoende toegerust zijn deze taken te realiseren.

Het kabinet concludeert dat de klachten die prostituees hebben op het gebied van welzijn en gezondheid inherent zijn aan de aard van de werkzaamheden en de bijbehorende leefstijl. Dit lijkt een wel erg snelle conclusie.

Nader onderzoek naar de klachten die prostituees hebben ten aanzien van hun welzijn en gezondheid lijkt geïndiceerd. Tevens verdient het aanbeveling de al ingezette verbetering van de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor prostituees verder te ontwikkelen. Daarbij dient niet alleen aandacht te worden besteed aan seksueel overdraagbare aandoeningen, maar ook aan andere met het beroep samenhangende gezondheidsrisico”s.

In het kabinetsstandpunt wordt aangegeven dat een intensivering dient plaats te vinden van de bestrijding van strafbare vormen van exploitatie, te weten prostitutie door minderjarigen, onvrijwillige vormen van prostitutie en prostitutie door personen zonder een voor arbeid geldige verblijfstitel. Een analyse van de spanning tussen deze twee doelen – bestrijding van dwang en uitbuiting (bescherming van de persoon) en bestrijding van illegaliteit (bescherming van de staat) – ontbreekt. Zo kan de bestrijding van illegaliteit juist bijdragen aan mensenhandel en andere vormen van dwang en uitbuiting. Dit is met name het geval zolang prostituees van buiten de EU zijn uitgesloten van arbeid in de legale prostitutiesector.
Met betrekking tot de huidige uitsluiting van derdelanders van legale arbeid in de prostitutie kan de vraag gesteld worden of dit niet in strijd is met art. 6 (bestrijding van mensenhandel) en art. 11 (gelijke behandeling in de arbeid) van het VN-Vrouwenverdrag.

Zowel vanuit het oogpunt van bestrijding van mensenhandel als vanuit het oogpunt van non-discriminatie is het aan te bevelen het huidige verbod op het verlenen van tewerkstellingsvergunningen voor arbeid in de prostitutie te herzien.

De tegelijkertijd met het bordeelverbod ingevoerde identificatieplicht wordt door de betrokken partijen ervaren als stigmatiserend en discriminatoir en dwingt ook zelfstandige prostituees in een ondergeschikte positie ten aanzien van de exploitant. In de praktijk blijkt de politie deze bevoegdheid veelal op te vatten als een carte blanche die naar believen en zonder andere motivering kan worden ingezet, ook indien er geen aanwijzingen zijn dat de betrokken persoon minderjarig is of niet bevoegd in Nederland arbeid te verrichten. Dit probleem wordt versterkt door het vrijwel ontbreken van rechterlijke toetsing, met name met betrekking tot vreemdelingen.
Vraag is of de identificatieplicht verenigbaar is met het VN-Vrouwenverdrag, met name art. 11 (gelijke behandeling in de arbeid) en art. 3 (recht op privacy). Bovendien doet zich ook hier de spanning voor tussen de bestrijding van illegaliteit en de bestrijding van dwang en uitbuiting. Zo kan gesteld worden dat een succesvolle verdrijving van vrouwen uit derde landen uit het gereguleerde, legale circuit bijdraagt aan hun kwetsbaarheid voor dwang en uitbuiting door exploitanten en klanten.

Gelet op de spanning met het VN-Vrouwenverdrag, het willekeurig en discriminatoir gebruik van de identificatieplicht in de praktijk en de spanning met de bestrijding van mensenhandel, verdient het de voorkeur om de identificatieplicht af te schaffen. In ieder geval verdient het aanbeveling om, zolang prostitutie uitgesloten blijft van het Wav-beleid, in het kader van toezicht op prostitutie geen toezicht uit te oefenen op naleving van de Vreemdelingenwet. Bij handhaving van de identificatieplicht dienen er duidelijke richtlijnen te komen door wie en in welke gevallen om een identiteitsbewijs gevraagd mag worden.

Met betrekking tot de immigratie van prostituees van buiten de EER vallen twee groepen te onderscheiden: onderdanen van associatielanden en derdelanders. Met betrekking tot de eerste groep heeft het HvJEG bepaald dat ook prostitutie kan vallen onder economische activiteiten anders dan in loondienst in de zin van de associatieverdragen. Prostituees uit deze landen hebben derhalve het recht zich hier als zelfstandige te vestigen, mits zij kunnen aantonen daadwerkelijk als zelfstandige werkzaam te zullen zijn. Hoewel de uitspraak van het HvJEG al dateert van november 2001, ontbreekt nog steeds een helder en voor betrokkenen kenbaar beleid met betrekking tot de voorwaarden waaraan voldaan moet worden. Van deze onduidelijkheid wordt niet alleen misbruik gemaakt door criminele figuren maar ook door allerlei malafide “boekhouders” en andere “adviseurs”.

Om misbruik te voorkomen is het aan te bevelen om op zo kort mogelijke termijn met een reëel, duidelijk en voor betrokkenen inzichtelijk beleid te komen met betrekking tot de voorwaarden voor vestiging als zelfstandige. Daarbij dient grote aandacht besteed te worden aan een goede voorlichting.

Met betrekking tot de tweede groep, derdelanders, ondersteunen wij de gedachten van het kabinet over een herziening van het Wav-verbod. Dit is niet alleen in lijn met de wets- en beleidsuitgangspunten, maar zal ook een substantiële bijdrage leveren aan het terugdringen van mensenhandel en andere vormen van dwang en uitbuiting. Wij hebben echter twijfels over de voorgestelde rol van de gemeenten. Tevens zijn wij niet op voorhand overtuigd dat de Wav niet van toepassing kan zijn. Nader onderzoek lijkt hier geïndiceerd

Bij de ontwikkeling van een toelatingsregeling voor derdelanders verdient het aanbeveling om, voorafgaande aan de besluitvorming, eerst vast te stellen aan welke criteria een dergelijke regeling dient te voldoen en op grond daarvan verschillende modellen te (laten) onderzoeken.

Het huidige verbod op werving over de grens is in strijd met de uitgangspunten van de wet, waarin de bestrijding van gedwongen vormen van werving en exploitatie centraal staat. Het is bovendien de vraag of dit verbod, voor zo ver het EG-onderdanen betreft, verenigbaar is met het EG-recht. Ook staat het de toepassing van de Wav in de weg.

Het verdient aanbeveling om bij de komende herziening van de strafwet als gevolg van (onder andere) het nieuwe VN-Mensenhandelprotocol het verbod op werving “over de grens” te schrappen en het uit 1933 stammende Verdrag dat hiertoe zou verplichten, op te zeggen.

In de kabinetsnotitie ontbreekt een analyse van de effecten van de komende uitbreiding van EU.

Het is aan te bevelen om vooruitlopend op de uitbreiding van de EU een analyse te laten maken van de mogelijke effecten hiervan zodat een pro-actief beleid kan worden ontwikkeld.

Wij onderstrepen het belang van projecten op het gebied van jeugdprostitutie en uitstap-programma”s, maar zijn van mening dat de middelen die hiervoor ter beschikking worden gesteld niet in verhouding staan tot de middelen en de aandacht voor projecten ter ondersteuning van de emancipatie van prostituees binnen hun werk.

Voor de positieverbetering van prostituees is het essentieel dat projecten worden opgestart en gelden beschikbaar worden gesteld voor zaken waar prostituees behoefte aan hebben, en niet voor zaken die hulpverleners of de politiek van belang achten. Het zoeken van aansluiting bij de behoeften en belangen van prostituees zelf is een noodzakelijke voorwaarde bij de ontwikkeling van projecten en stimuleringsregelingen.

Amsterdam, 5 mei 2003
Marjan Wijers, Clara Wichmann Instituut
Marieke van Doorninck, Mr. A. de Graaf Stichting

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 7 februari 2003

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verzoek van de moeder tot eenhoofdig ouderlijk gezag en wijziging omgangsregeling na het rijzen van vermoeden van seksueel misbruik van de minderjarige door de ex-echtgenoot bij voortzetting gezamenlijk ouderlijk gezag na echtscheiding. De moeder legt aan haar verzoek ten grondslag dat ernstige problemen zijn gerezen met betrekking tot de kinderen, in het bijzonder met betrekking tot het oudste kind. Reden waarom zij voortzetting van het gezamenlijk gezag en de in het convenant overeengekomen omgangsregeling in strijd met het belang van de kinderen acht. De vader ontkent het seksueel misbruik en wenst voortzetting van het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling. Het hof gelast de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek te doen. Na rapportage is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de vader seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens de kinderen heeft gepleegd. Evenmin acht het hof de onderlinge communicatie tussen de ouders dermate ernstig verstoord dat het beroep daarop van de vrouw teneinde eenhoofdig gezag te verkrijgen gehonoreerd dient te worden. Het door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 september 1999 (NJ 2000, 20) ontwikkelde criterium, dat een verzoek van een der ouders tot het opleggen van eenhoofdig ouderlijk gezag na echtscheiding, slechts gehonoreerd mag worden als de onderlinge communicatieproblemen zodanig zijn dat er een onaanvaardbaar risico voor de kinderen ontstaat dat zij klem komen te zitten tussen de ouders én het niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering komt, wordt door het hof in het voordeel van de vader uitgelegd. De vrees dat de kinderen klem komen te zitten tussen de ouders wordt door het hof niet aannemelijk geacht, nu de vader zich bereid heeft verklaard om zich afzijdig te houden en om de beslissingen van de moeder te accepteren. Het hof laat daarop het voortgezet gezamenlijk ouderlijk gezag in stand en wijzigt de omgangsregeling in die zin, dat er conform het advies van de Raad thans een ‘rustjaar’ wordt ingelast, waarin geen rechterlijke omgangsregeling geldt. Het beroep van de moeder op art. 8 EVRM (beroep op het recht van het kind zelf op respect voor het eigen privé-leven) en op art. 1: 253f BW (zou de moeder onverhoopt overlijden, dan zou bij gezamenlijk gezag het gezag van rechtswege worden uitgeoefend door de vader) wordt eveneens afgewezen.
De Hoge Raad is van oordeel dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden nu de klachten niet nopen tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Een nadere motivering wordt gezien art. 81 Ro niet noodzakelijk geacht en het beroep wordt (conform de conclusie van de A-G) verworpen.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 18 juni 1999 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem ingediend gemeenschappelijk verzoekschrift hebben partijen zich gewend tot die Rechtbank en verzocht:
– tussen partijen echtscheiding uit te spreken;
– te bepalen dat de inhoud van het echtscheidingsconvenant, door partijen gesloten op 15 juni 1999,
– deel uit maakt van de beschikking;
– de verdeling ten overstaan van een notaris tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap te bevelen met benoeming van een notaris en onzijdige personen.

In het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant zijn partijen onder meer overeengekomen dat zij gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen blijven uitoefenen. Voorts zijn partijen een omgangsregeling overeengekomen.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 1999 het verzoek van partijen toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft verzoekster tot cassatie – verder te noemen: de moeder – hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Zij heeft verzocht de beschikking van de Rechtbank te vernietigen, voor zover betrekking hebbend op het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen van partijen en de getroffen omgangsregeling, en alsnog te bepalen dat het ouderlijk gezag over de beide minderjarige kinderen van partijen slechts aan de moeder zal toekomen en het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling af te wijzen, althans daarin te voorzien op de wijze als het Hof in overeenstemming zal oordelen met de belangen van de minderjarige kinderen.
Bij tussenbeschikking van 14 december 1999 heeft het Hof de Raad voor de Kinderbescherming te Arnhem verzocht een nader onderzoek te (doen) instellen als in zijn beschikking onder rov. 4.5. omschreven en daaromtrent te rapporteren. Na rapportage door de Raad voor de Kinderbescherming en een mondelinge behandeling op 5 maart 2002 heeft het Hof bij eindbeschikking van 26 maart 2002 de bij convenant overeengekomen omgangsregeling gewijzigd en bepaald dat thans geen omgangsregeling tussen vader en de kinderen geldt. Het meer of anders verzochte heeft het Hof afgewezen.
De eindbeschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de eindbeschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

CONCLUSIE MR. A-G MOLTMAKER

Edelhoogachtbaar college,

1 Feiten en procesgang

1.1 Verzoekster tot cassatie, de moeder, en verweerder in cassatie, de vader, zijn gehuwd geweest. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren: [kind 1] op 23 november 1990 en [kind 2] op 27 april 1995.

1.2 Partijen hebben op 15 juni 1999 een echtscheidingsconvenant gesloten. Daarin zijn zij onder meer overeengekomen dat zij gezamenlijk gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Voorts zijn zij een omgangsregeling overeengekomen. De inhoud van dit convenant is opgenomen in de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 15 juli 1999 waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 12 oktober 1999.

1.3 Kort nadat het echtscheidingsconvenant was ondertekend, rees er door verklaringen van [kind 1] een vermoeden van seksueel misbruik door de vader. [Kind 1] is toen onder behandeling gesteld van een psychologe, tevens psychotherapeute. Deze psychologe heeft een rapport opgesteld waaruit valt op te maken dat er signalen zijn die erop kunnen wijzen dat er sprake is van seksueel misbruik en dat de moeder zich terecht zorgen maakt over [kind 1].

1.4 De moeder heeft toen tegen de beschikking van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Zij heeft verzocht om haar alleen met het gezag te bekleden en het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling af te wijzen, althans daarin te voorzien op de wijze als het hof in overeenstemming met het belang van de kinderen zal oordelen. De moeder heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat ernstige problemen zijn gerezen met de kinderen, in het bijzonder met [kind 1]. Zij acht voortzetting van het gezamenlijk gezag en de in het convenant overeengekomen omgangsregeling in strijd met het belang van de kinderen.

1.5 De vader ontkent het seksueel misbruik en wenst voortzetting van het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling.

1.6 Bij een tussenbeschikking heeft het hof de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) verzocht een nader onderzoek in te stellen. Vervolgens heeft het hof bij eindbeschikking van 26 maart 2002 bepaald dat er thans geen omgangsregeling tussen de vader en de kinderen wordt vastgesteld. Het hof heeft het verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag te belasten, afgewezen. Het hof heeft met betrekking tot het gezag als volgt overwogen:

“2.7 Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de vader sexueelgrensoverschrijdend gedrag jegens de kinderen heeft gepleegd. De rapportages bieden daarvoor onvoldoende steun en de vader ontkent het nadrukkelijk. De moeder heeft aangevoerd en de vader heeft erkend dat de communicatie tussen hen ernstig is verstoord.
Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat het ouderlijk gezag aan een van hen dient te worden toegekend. Indien echter de communicatieproblemen tussen de ouders zodanig zijn dat er een onaanvaardbaar risico voor de kinderen ontstaat dat zij klem komen te zitten tussen de ouders – zij worden als het ware tussen de ouders vermalen – én het niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering komt, brengt het belang van het kind met zich mee dat het gezag aan één van de ouders wordt opgedragen (vgl HR 10-9-99, NJ 2000,20).
Het hof is in het onderhavige geval van oordeel dat, nu de vader zich bereid heeft verklaard om zich afzijdig te houden en om de beslissingen van de moeder te accepteren, onder die omstandigheden de vrees dat de kinderen klem komen te zitten tussen de ouders niet aannemelijk is. Dit geldt temeer nu de moeder ter terechtzitting verklaard heeft dat het dankzij de begeleiding thans goed gaat met [kind 1] en met haar en dat de verhoudingen tussen [kind 1] en [kind 2] ook weer genormaliseerd zijn.
Het hof is dan ook van oordeel dat het verzoek van de moeder om haar alleen te belasten met het ouderlijk gezag dient te worden afgewezen.
Conform het advies van de raad is er thans sprake van een “rustjaar”, een jaar waarin géén contact plaatsvindt tussen de vader en de kinderen en waarin ook géén gezamenlijke gesprekken plaatsvinden tussen de vader en de moeder en hun respectievelijke behandelaars. Beide partijen zijn accoord gegaan met dit advies. Het hof gaat er van uit dat de ouders deze periode gaan gebruiken om met behulp van begeleiding voorwaarden te scheppen om na afloop van dat jaar het contact te herstellen en om het gesprek over de mogelijkheden van een omgangsregeling weer op gang te krijgen.

1.7 Tegen deze beschikking van het hof heeft de moeder tijdig beroep in cassatie ingesteld. De vader heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1 De alinea’s (onderdelen) 1 tot en met 4 van de toelichting op het cassatiemiddel bevatten geen klachten. Onderdeel 5 van de toelichting op het middel vormt een inleiding op de daarna volgende klachten en behoeft geen afzonderlijke behandeling.
Onderdeel 6 bevat de klacht dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat alleen indien de communicatieproblemen tussen de ouders zodanig zijn dat er een onaanvaardbaar risico voor de kinderen ontstaat dat zij klem komen te zitten tussen de ouders én het niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering komt, het belang van het kind meebrengt dat het gezag aan één van de ouders wordt opgedragen. Ook andere problemen die niet direct ertoe leiden dat de kinderen klem komen te zitten tussen de ouders, zouden aan gezamenlijk gezag in de weg kunnen staan.

2.2 Het hof heeft in zijn beschikking voorop gesteld het door de Hoge Raad in zijn beschikking van 10 september 1999, NJ 2000,20, m.nt. Sylvia Wortmann gegeven criterium. Natuurlijk is het denkbaar dat er problemen zijn, anders dan de communicatieproblemen die in de desbetreffende beschikking van de Hoge Raad aan de orde waren, die maken dat het belang van het kind zich ertegen verzet dat het gezamenlijk gezag blijft voortbestaan. Het hof heeft echter in rov. 2.7 van zijn beschikking geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat er seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader jegens [kind 1] heeft plaatsgevonden. De moeder heeft geen andere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het gezamenlijk gezag aan haar alleen zou moeten worden toegekend. Het hof heeft dan ook een juist criterium toegepast, zodat de klacht faalt.

2.3 In onderdeel 7 komt naar voren de klacht dat het hof ten onrechte doorslaggevend heeft geacht dat de vader zich bereid heeft verklaard zich afzijdig te houden en om de beslissingen van de moeder te accepteren. Uit die verklaring heeft het hof geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de kinderen klem zullen komen te zitten tussen de ouders.

2.4 Ook deze klacht faalt. Het oordeel van het hof is feitelijk en niet onbegrijpelijk, verg. HR 13 november 1987, NJ 1988, 466, m.nt. EAAL, HR 13 mei 1988, NJ 1989, 396, m.nt. EAAL, HR 15 juni 1990, NJ 1990, 632, en HR 25 april 1997, NJ 1997, 596, m.nt. JdB, inzake art. 1:268, tweede lid, en onder a BW.

2.5 In onderdeel 8 wordt de stelling verdedigd dat de vader geen belang heeft bij voortzetting van het gezamenlijk gezag, indien bij voorbaat vaststaat dat hij het gezag feitelijk niet zal uitoefenen.

2.6 Zoals blijkt uit de in punt 1.6 geciteerde rov. 2.7, gaat het hof ervan uit dat de verstoring van de communicatie tussen de ouders tijdelijk is en dat het wenselijk is dat de ouders in het belang van de kinderen maatregelen zullen treffen ter verbetering van hun onderlinge communicatie. Dat de vader zich nu afzijdig houdt, dient ter bevordering van het proces dat moet leiden tot normalisering van de betrekkingen tussen de ouders, maar ook tussen [kind 1] en de vader. Met dat doel voor ogen heeft het hof het gezamenlijk gezag laten voortbestaan. Aldus heeft het geen onbegrijpelijke beslissing gegeven.
Overigens blijkt al uit onderdeel 12 van de toelichting op het middel, waarin wordt geklaagd dat het hof geen rekening heeft gehouden met het bepaalde in art. 1:253f BW, welk belang de vader nog meer heeft bij handhaving van het gezamenlijk gezag.

2.7 Voorts wordt geklaagd dat het hof een te strenge maatstaf heeft toegepast (onderdeel 9), nu in het onderhavige geval iedere communicatie ontbreekt (onderdeel 10) en de verstoring van de communicatie al geruime tijd duurt (onderdeel 11).

2.8 In nr. 2.2 is al aan de orde gekomen dat het hof terecht de maatstaf van HR 10 september 1999, NJ 2000,20, m.nt. Sylvia Wortmann heeft toegepast, zodat de rechtsklacht van onderdeel 9 faalt. Ook de motiveringsklachten van de onderdelen 10 en 11 falen nu de desbetreffende beslissing van het hof in overwegende mate feitelijk van aard is. Zij is in het licht van hetgeen ik in nr. 2.4 en 2.6 heb opgemerkt, niet onbegrijpelijk.

2.9 Onderdeel 12 bevat de klacht dat het hof geen aandacht heeft gegeven ‘aan het risico dat verbonden is aan artikel 1:253f BW. Zou de moeder onverhoopt overlijden, dan zou bij gezamenlijk gezag het gezag van rechtswege worden uitgeoefend door de vader.’

2.10 De klacht faalt. In de eerste plaats was er geen reden voor het hof aan dit punt uitdrukkelijk aandacht te geven nu de moeder dit in feitelijke instanties niet aan de orde heeft gesteld. In de tweede plaats ligt in het oordeel van het hof dat het gezamenlijk gezag kan worden voortgezet besloten dat er geen omstandigheden zijn die de vader ongeschikt maken voor het dragen van ouderlijk gezag.

2.11 In onderdeel 13, ten slotte, wordt geklaagd dat de uitspraak van het hof strijd met art. 8 EVRM oplevert nu [kind 1] het gezag van de vader over haar als een inbreuk op privé-leven ervaart.

2.12 Het gaat in deze procedure om de vraag of het ouderlijk gezag van de vader over [kind 1] al dan niet moet worden gecontinueerd. Deze vraag raakt het familie- en gezinsleven (family life) van beiden. De wetgever gaat ervan uit, dat continuering van het gezag in het algemeen in het belang van het kind is, maar dat juist het belang van het kind ertoe kan leiden, dat het gezag niet wordt gecontinueerd. Gezegd zou kunnen worden, dat de uitkomst van deze afweging – die het hof i.c. ook heeft gemaakt, zie bijv. rov. 2.5. en 2.6 van ’s hofs beschikking – ook het privé-leven van het kind raakt. Indien het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval het gezag moet worden gecontinueerd niet blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige feitelijk en niet onbegrijpelijk is, ligt daarin besloten dat de klacht, dat het hof het privé-leven van [kind 1] onvoldoende zou hebben gerespecteerd, faalt.

3 Conclusie

De klachten, vervat in de onderdelen 6 tot en met 13 van de toelichting op het cassatiemiddel alle ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Herrmann, Aaftink, De Savornin Lohman

Brief aan de kabinetsinformateurs over seksuele gezondheidszorg en evaluatie abortuswet

Brief aan de kabinetsinformateurs over seksuele gezondheidszorg en evaluatie abortuswet

Amsterdam, 6 februari 2003

Geachte heren,

Naar aanleiding van de op handen zijnde vorming van een nieuwe regering, vragen ondergetekenden uw aandacht voor zorgelijke ontwikkelingen op het gebied van de seksuele en reproductieve gezondheidszorg in en buiten Nederland, en voor een eventuele evaluatie van de Wet Afbreking Zwangerschap zoals die in het strategisch akkoord van het demissionaire kabinet Balkenende was opgenomen. Wij vragen u deze punten, die onderstaand nader worden toegelicht, tijdens de onderhandelingen over een nieuw regeerakkoord aan de orde te stellen.

Reproductieve en seksuele gezondheidszorg bedreigd
De laatste jaren is de aandacht voor seksuele en reproductieve gezondheid in Nederland verslapt. Het aantal seksueel overdraagbare aandoeningen, ongewenste zwangerschappen en abortussen neemt toe. Deze toename betreft met name kwetsbare groepen als tieners, allochtone mensen, vluchtelingen en asielzoekers, alhoewel ook onder autochtone (jonge) mensen een afnemend veilig vrijgedrag wordt waargenomen. Gebrekkige seksuele voorlichting en onvoldoende toegankelijkheid van anticonceptiemiddelen spelen hierbij een rol. Niet alleen bedreigt dit de gezondheid van jongeren en vrouwen, ook de voorbeeldfunctie die Nederland op dit gebied internationaal altijd had, dreigt verloren te gaan.

De Rutgershuizen, vroeger een belangrijk aanspreekpunt voor jongeren en allochtonen op het gebied van seksualiteit en anticonceptie, zijn gesloten. Dit heeft ondermeer tot gevolg dat het aanbod en de kwaliteit van seksuele voorlichting op scholen sterk is verminderd en dat deze voorlichting zelfs geheel dreigt te verdwijnen . Ondergetekenden zijn van mening dat er een beleid gevoerd dient te worden dat is gericht op preventie. Wij denken daarbij onder meer aan:

  1. het geven van seksuele voorlichting op scholen door onafhankelijke deskundigen op dit gebied;
  2. het vergroten van het aanbod van voorlichting over seksualiteit en anticonceptie met voldoende regionale spreiding en aandacht voor kwetsbare groepen;
  3. het vergoeden van consulten voor het verstrekken van anticonceptie middelen en counseling;
  4. het zonder recept gemakkelijk verkrijgbaar maken van de morning-afterpil zoals dat onder meer in Engeland en Zweden gebeurt.
    Eventuele evaluatie Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ)
    Ondergetekenden vinden dat bij een eventuele evaluatie van de WAZ de kwaliteit van de hulpverlening aan vrouwen het belangrijkste toetsingscriterium dient te zijn. De wet, 22 jaar geleden met de kleinst mogelijke meerderheid aanvaard, was indertijd het product van een politiek compromis en draagt daar ook de sporen van. Een evaluatie zou moeten leiden tot verhoging van de kwaliteit van de hulpverlening, waarbij het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen het uitgangspunt is. Wij denken daarbij aan:

a. het schrappen van de 5 dagen bedenktijd . Als vrouwen behoefte hebben aan meer tijd voor overweging, dan is daar de ruimte voor; het hoeft hen niet te worden opgedrongen.
b. de wettelijk verplichte bespreking van alternatieven voor zwangerschapsafbreking sluit allerminst aan bij de hulpvraag van vrouwen met een overtuigd abortusverzoek en is in die gevallen strijdig met kwalitatief goede hulpverlening.
c. het expliciet aan de orde moeten stellen van de ”verantwoordelijkheid voor ongeboren leven’ brengt, in een kwetsbare situatie waarin vrouwen met een ongewenste zwangerschap zich bevinden, het gevaar met zich mee vrouwen onnodig extra te belasten.
d. tevens zou onderzocht kunnen worden wat de voor- en nadelen zijn van verstrekking van de zogenoemde abortuspil door de huisarts.
Het heeft onze voorkeur dat abortus, net als in Canada, uit het wetboek van strafrecht wordt geschrapt. Abortus is een medische handeling waarvoor speciale wetgeving overbodig is.

Negatieve ontwikkelingen in het buitenland
De Amerikaanse overheid verstrekt sinds het aantreden van President George W. Bush, geen fondsen meer aan internationale organisaties die hulp en/of informatie geven inzake abortus. Het gewijzigde beleid van de VS betekent een toename van sterfte en ziekte met name onder meisjes en vrouwen, daar waar juist terugdringing van die problematiek dringend gewenst is: jaarlijks sterven er onnodig 80.000 vrouwen door onveilige abortus en een veelvoud ziet haar gezondheid blijvend ernstig aangetast.

Wij vragen u er tijdens de onderhandelingen op aan te dringen dat de nieuwe Nederlandse regering de Verenigde Staten zal aanspreken op dit voor de seksuele en reproductieve gezondheid van mensen zeer schadelijke beleid. Een beleid dat bovendien in strijd is met het VN vrouwenverdrag en met afspraken die in het laatste decennium van de vorige eeuw gemaakt zijn op de VN conferenties over bevolking en ontwikkeling in Cairo en over vrouwen in Beijing.

Met de meeste hoogachting,

Margreet de Boer
Directeur Clara Wichmann Instituut,

mede namens:

Abortuscomité Wij vrouwen Eisen

Amsterdams Centrum voor Seksuele Gezondheid (MR70/Rutgershuis)

Coordination Office of Women’s Global Network for Reproductive Rights (WGNRR)

HealthNet International

Institute of Social Studies, MA Population and Development

Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA)

Nederlandse Vereniging voor Seksuologie (NVVS)

Raad Jongeren en Bevolking (RJB)

Rutgers Nisso Groep Utrecht

Stichting Anticonceptie Nederland (SAN)

Stichting Projecten Rusland in Ontwikkeling (PRO)

Stichting Samenwerkende Abortusklinieken Nederland (StiSan)

Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen (VNVA)

Werkgroep Maternal Health and Family Planning van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG)

Women on Waves

c.c. De leden van de Tweede Kamer

De griffier van de Vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid

De griffier van de Vaste kamercommissie voor Justitie

De Staatssecretaris voor Volksgezondheid

Over deze brief is een persbericht verschenen.

Instantie: Gerechtshof Leeuwarden, 5 februari 2003

Instantie

Gerechtshof Leeuwarden

Samenvatting


Bij beschikking van 4 april 2002 heeft de rechtbank Groningen de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om – onder wijziging van de beschikking van 18 februari 1997 van de Rechtbank Groningen – het gezag over de vier minderjarige kinderen van partijen aan de vader en de moeder gezamenlijk op te dragen. De vader werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek om alsnog gezamenlijk met het gezag te worden belast niet van beide ouders afkomstig is. De vader komt hiertegen in beroep bij het Hof Leeuwarden.
Voor de wetswijziging van 1 januari 1998 werd na echtscheiding in beginsel het gezag toegewezen aan één van de ouders. Ouders dienden gezamenlijk een verzoek in te dienen wanneer zij het gezag gezamenlijk wilden blijven uitoefenen. Sinds genoemde wetswijziging geldt als uitgangspunt, dat ouders (van rechtswege) na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen. In casu kreeg de moeder bij de echtscheiding in 1997 het eenhoofdig gezag.Art. 1: 253o BW, eerste lid, tweede volzin ( een verzoek om alsnog gezamenlijk met het gezag te worden belast kan slechts van beide ouders afkomstig zijn) is naar het oordeel van het Hof een inmenging in het recht op eerbiediging van family life, welke weliswaar in de wet is voorzien, maar welke niet noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de belangen van het kind en ter bescherming van het belang bij eerbiediging van het family life van de met het eenhoofdig gezag belaste ouder en het kind. Immers, aldus het Hof, die belangen worden (reeds afdoende) beschermd, nu de rechter ingevolge de toepasselijke wettelijke bepalingen en het recht gehouden is deze in zijn oordeel te betrekken. Het Hof oordeelt dan ook dat de tweede volzin van art. 1: 253o lid 1 BW een ontoelaatbare inmenging is in het familie- en gezinsleven van de vader en mitsdien een schending oplevert van art. 8 EVRM. Ingevolge art. 94 Gw dient de betreffende volzin volgens het Hof buiten toepassing te blijven. Het Hof meent dat met dit oordeel de rechtsvormende taak van de rechter niet te buiten wordt gegaan.
In de tweede plaats oordeelt het Hof dat de wetswijziging van 1 januari 1998 een zodanig grote breuk met en ingrijpende verandering van de ten tijde van de toekenning van het gezag aan de moeder geldende rechtsopvatting oplevert, dat deze wetswijziging moet worden aangemerkt als een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:253o lid 1 BW.
De vader wordt hiermee ontvankelijk verklaard en een hernieuwde beoordeling van de vraag of gezamenlijk gezag aangewezen is, is derhalve gerechtvaardigd. Bij de inhoudelijke behandeling blijkt dat de Raad voor de Kinderbescherming van mening is, dat de ouders elkaar diskwalificeren in de opvoedingscapaciteiten en dat de vraag zich opdringt of het belang van de kinderen wordt geschaad door te bepalen dat de ouders alsnog gezamenlijk met het gezag worden belast. Het Hof wil alvorens te beslissen meer informatie en draagt de Raad op nader onderzoek te verrichten met speciale aandacht voor de effecten op de kinderen van ‘de moeizame communicatie tussen en de verstandhouding van partijen’. ( de Raad wordt opgedragen vóór 1 mei 2003 te rapporteren en te adviseren.)

Volledige tekst

HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Bij beschikking van 4 april 2002 heeft de rechtbank te Groningen de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om – onder wijziging van de beschikking van 18 februari 1997 van de rechtbank te Groningen – het gezag over de minderjarige kinderen van partijen, [kind 1], geboren op [1991], [kind 2], geboren op [1992], [kind 3], geboren op [1994], en [kind 4], geboren op [1995], aan de vader en de moeder gezamenlijk op te dragen.

HET GEDING IN HOGER BEROEP

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 juli 2002, heeft de vader verzocht de beschikking van 4 april 2002 te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de man ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en de beschikking van de rechtbank Groningen van 18 februari 1997 te wijzigen in die zin dat partijen alsnog gezamenlijk met het gezag over hun minderjarige kinderen worden belast.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 26 juli 2002, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht de beschikking van de rechtbank van 4 april 2002 te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief d.d. 11 juli 2002 van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

Ter zitting van 28 november 2002 is de zaak behandeld.

DE BEOORDELING

Inleiding
1. Uit het huwelijk van partijen zijn vier kinderen geboren, te weten [kind 1], geboren op [1991], [kind 2], geboren op [1992], [kind 3], geboren op [1994], en [kind 4], geboren op [1995].
Bij echtscheidingsbeschikking van 18 februari 1997 is bepaald dat het gezag over de kinderen aan de moeder alleen toekomt.

2. Bij inleidend verzoek van 10 januari 2002 heeft de vader verzocht de gezagsvoorziening te wijzigen in gezamenlijk gezag. De moeder heeft de rechtbank in haar verweerschrift verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, nu zij niet heeft ingestemd met het verzoek tot gezamenlijk gezag.

3. Bij beschikking van 4 april 2002 is de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, nu het verzoek om alsnog gezamenlijk met het gezag te worden belast niet van beide ouders afkomstig is.
Tegen deze beslissing is het appel van de vader gericht.

De ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek
4. De vraag die eerst beantwoord dient te worden is, of de vader ontvankelijk is in zijn verzoek tot wijziging van de gezagsvoorziening van eenhoofdig gezag van de moeder in gezamenlijk gezag.

Het standpunt van de vader
5. De beschikking waarbij is bepaald dat het gezag over de kinderen aan de moeder alleen toekomt is gegeven vóór 1 januari 1998, met ingang van welke datum in werking is getreden de wet van 30 oktober 1997, Stb. 506. Bij deze wet is in lid 2 van artikel 1:251 BW bepaald dat de ouders die tijdens het huwelijk gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag in beginsel gezamenlijk blijven uitoefenen na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. Daartoe is derhalve niet langer een eensluidend verzoek vereist, zoals dat wél was vereist op het moment dat in de onderhavige zaak een gezagsbeslissing werd gegeven. Met deze nieuwe regelgeving was het streven van de wetgever erop gericht de inmenging door de overheid bij een scheiding in het recht op eerbiediging van “family life” (artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden [hierna: EVRM]) zo beperkt mogelijk gehouden. Bij die wet(swijziging) van 30 oktober 1997 heeft de wetgever evenwel verzuimd ook artikel 1:253o BW te wijzigen. In dat artikel is – kort gezegd – bepaald dat wanneer een ouder alleen met het gezag is belast, een verzoek om alsnog gezamenlijk met het gezag te worden belast van beide ouders gezamenlijk afkomstig moet zijn. Artikel 1:251o BW sloot wél aan bij het voordien geldende stelsel, te weten op eensluidend verzoek gezamenlijk belast blijven met de uitoefening van het gezag, maar niet meer bij het sedert 1 januari 1998 geldende stelsel waarin het gezamenlijk gezag van rechtswege in beginsel wordt gecontinueerd.
In het licht van het voorgaande is de in artikel 1:253o BW in lid 1, tweede volzin gestelde voorwaarde van “gezamenlijk verzoek” in strijd met artikel 8 EVRM, nu door die voorwaarde wordt verhinderd dat de inbreuk op het gezins- en familieleven die het toekennen van het gezag aan één ouder alleen reeds is, op verzoek van één ouder weer ongedaan kan worden gemaakt. Deze volzin dient derhalve ingevolge artikel 94 Grondwet buiten toepassing te worden gelaten, zodat de vader in zijn verzoek kan worden ontvangen.

Het standpunt van de moeder
6. De moeder voert hiertegen aan dat een verzoek tot wijziging van gezag van een ouder alleen in gezamenlijk gezag, alleen dan op de wet kan worden gegrond, als het verzoek van beide ouders afkomstig is. De moeder stelt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. De moeder meent dat de bepaling van artikel 1:253o lid 1 BW wel verenigbaar is met de ieder verbindende bepaling van artikel 8 EVRM, nu de wetgever in artikel 1:253o BW de ouder die het gezag niet heeft de mogelijkheid biedt deze situatie te veranderen door een verzoek in te dienen om het gezag alleen toegewezen te krijgen.

Het standpunt van de raad
7. De medewerker van de raad heeft zich ter zitting voor wat betreft de vraag of de vader in zijn verzoek ontvankelijk is, gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het wettelijk kader
8. In het eerste lid van artikel 1:251 BW wordt bepaald dat ouders gedurende hun huwelijk gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat zij na de ontbinding van het huwelijk in beginsel dit gezag gezamenlijk blijven uitoefenen.

9. In artikel 1:253o lid 1 BW wordt bepaald dat een beslissing waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, op verzoek van beide ouders samen of op verzoek van één van hen door de rechtbank kan worden gewijzigd, op de in dat lid genoemde gronden. De tweede volzin van lid 1 houdt in, dat een verzoek om alsnog gezamenlijk met het gezag over hun minderjarige kinderen te worden belast slechts van beide ouders afkomstig kan zijn.

10. In artikel 8 lid 1 EVRM is het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven neergelegd.
In lid 2 van dat artikel is bepaald dat een inmenging in dat familie- en gezinsleven slechts is toegestaan voor zover bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk ter bescherming van de in dat lid aangegeven belangen.

11. Artikel 94 van de Grondwet bepaalt voorts dat de binnen Nederland geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen van volkenrechtelijke organisaties.

Het oordeel
12. Vóór de op 1 januari 1998 in werking getreden wetswijziging van 30 oktober 1997 werd na echtscheiding in beginsel het gezag toegewezen aan één van de ouders. Ouders dienden gezamenlijk een verzoek in te dienen wanneer zij het gezag gezamenlijk wilden blijven uitoefenen.
Sinds de inwerkingtreding van voormelde wetswijziging geldt echter als uitgangspunt, dat ouders na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen.

13. De wetswijziging is vrucht van een veranderde rechtsopvatting tegen de achtergrond van de rechtspraak van het Europese Hof waarin aan het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, neergelegd in artikel 8 EVRM, verstrekkende betekenis is toegekend en waarin de inmenging bij scheiding in het recht op eerbiediging van family life door de overheid zo beperkt mogelijk dient te zijn. Het vóór de wetswijziging geldende recht werd niet meer als van deze tijd gezien.

14. Blijkens jurisprudentie van het Europese Hof hoort tot het familie- en gezinsleven een breed scala van ouderlijke rechten en plichten zoals het recht van ouders om gezag over hun kinderen uit te oefenen.

15. Het toekennen van het gezag aan een ouder alleen en het daardoor eindigen van de (gedeelde) ouderlijke macht na echtscheiding, vormt een inbreuk op het recht op eerbiediging van family life in de zin van artikel 8 EVRM van de ouder die het gezag over zijn of haar kinderen niet mag blijven uitoefenen.

16. Een dergelijke inbreuk moet gelet op artikel 8 lid 2 EVRM zo beperkt mogelijk worden gehouden, nu immers op grond van dit lid geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht op family life, dan voor zover dit bij de wet is voorzien en onder andere voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen – waaronder de belangen van het kind – noodzakelijk is.

17. Met voormelde wetswijziging werd ook beoogd de inmenging van de overheid in het recht op eerbiediging van family life na echtscheiding te beperken.

18. Artikel 1:253o BW, eerste lid, tweede volzin, (een verzoek om alsnog gezamenlijk met het gezag te worden belast kan slechts van beide ouders afkomstig zijn) is naar het oordeel van het hof een inmenging in het recht op eerbiediging van family life welke weliswaar in de wet is voorzien, maar welke niet noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de belangen van het kind en ter bescherming van het belang bij eerbiediging van het family life van de met eenhoofdig gezag belaste ouder en het kind. Immers, die belangen worden (reeds afdoende) beschermd, nu de rechter ingevolge de toepasselijke wettelijke bepalingen en het recht gehouden is deze in zijn oordeel te betrekken. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de tweede volzin van artikel 1:253o lid 1 een ontoelaatbare inmenging is in het familie- en gezinsleven van de vader en mitsdien een schending oplevert van artikel 8 EVRM.
Nu de betreffende volzin niet verenigbaar is met de een ieder verbindende bepaling zoals neergelegd in artikel 8 EVRM, dient deze volzin ingevolge artikel 94 Grondwet buiten toepassing te blijven.

19. In het onderhavige geval kan, gelet op de eerder vermelde wetswijziging, niet worden gezegd dat voormelde oplossing voor de gevolgen van de ongeoorloofdheid van evenvermelde inmenging de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat.

20. Gelet op al het vorenstaande kan de vader worden ontvangen in zijn inleidend verzoek.

Wijziging van omstandigheden
21. In de tweede plaats is aan de orde de vraag of zich na de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht – te weten het toekennen van het gezag aan de moeder alleen – een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:253o lid 1 BW heeft voorgedaan.

De standpunten
22. De vader stelt dat er sprake is van wijziging van omstandigheden sinds de moeder bij echtscheidingsbeschikking alleen met het gezag over de kinderen werd belast. De vader voert hiertoe aan dat de sinds 1 januari 1998 geldende wetswijziging van 30 oktober 1997 op zich reeds moet worden aangemerkt als een wijziging van omstandigheden. Daarnaast is in de ogen van de vader sprake van wijziging van omstandigheden gelegen in de omstandigheid dat de moeder na toewijzing van het gezag, niet altijd goed voor de kinderen heeft kunnen zorgen en daarom bij de verzorging en opvoeding hulp nodig heeft.

23. De moeder heeft hiertegen aangevoerd dat een wetswijziging niet kan gelden als wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:253o lid 1 BW. Voorts stelt de moeder dat door de vader niet is aangetoond dat er sprake is van wijziging van omstandigheden in feitelijke zin.

24. De medewerker van de raad heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het oordeel
25. Geen rechtsregel staat eraan in de weg, dat onder omstandigheden een wetswijziging een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:253o lid 1 BW oplevert.

26. Het hof is van oordeel dat de wetswijziging van 30 oktober 1997 een zodanig grote breuk met en ingrijpende verandering van de ten tijde van de toekenning van het gezag aan de moeder geldende rechtsopvatting oplevert, dat deze wetswijziging moet worden aangemerkt als wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:253o lid 1 BW.

27. Een hernieuwde beoordeling van de vraag of gezamenlijk gezag aangewezen is, is derhalve gerechtvaardigd.

Inhoudelijke beslissing op het verzoek van de vader
28. Vervolgens rijst de vraag of het in het belang van de minderjarigen is dat het gezag over hen voortaan (weer) aan de ouders gezamenlijk toekomt.

De standpunten
29. De vader voert aan dat het in het belang van de kinderen is als de ouders gezamenlijk met het gezag worden belast. De vader stelt dat het niet goed gaat met de moeder. Hij merkt hierbij op dat de moeder hem heeft verteld dat zij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis.
Voorts stelt de vader dat hij door de moeder wordt tegengewerkt in zijn rol als ouder, doordat de moeder hem niet informeert en consulteert over kwesties die de kinderen aangaan. De vader wil meer betrokken worden bij de opvoeding en verzorging van de kinderen, door bijvoorbeeld plaats te nemen in de ouderraad van de school, door het zijn van klasseouder of door de buitenschoolse opvang van de kinderen te verzorgen.

30. De moeder heeft hiertegen aangevoerd dat zij het niet in het belang van de kinderen acht wanneer de ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen. De moeder weerspreekt de veronderstelling van de vader dat het niet goed met haar zou gaan. De moeder meent dat de kinderen klem komen te zitten tussen beide ouders indien het ouderlijk gezag door de ouders gezamenlijk zou worden uitgeoefend. Zij stelt dat de kinderen na een omgangsweekend met de vader uit hun doen zijn. Zij is bang dat de kinderen, wanneer de vader zich in het kader van gezamenlijk gezag ook op de school gaat vertonen, ook daar met spanningen geconfronteerd worden. De moeder merkt hierbij op dat zij nu al zeven jaar het gezag alleen uitoefent en dat de kinderen daaraan gewend zijn. De moeder is bang dat de vader het gezamenlijk gezag zal gebruiken om zich constant in haar leven te mengen.

31. Blijkens uitlatingen van de medewerker van de raad ter zitting, is de raad van mening dat de ouders elkaar diskwalificeren in de opvoedingscapaciteiten. De raad meent dat de vraag zich opdringt of het belang van de kinderen wordt geschaad door te bepalen dat de ouders alsnog gezamenlijk met het gezag worden belast.

Het oordeel
32. Uit de stukken van het geding, waaronder een brief van de raad van 11 juli 2002, blijkt dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de vraag of het belang van de kinderen zich ertegen verzet dat de ouders alsnog gezamenlijk met het gezag worden belast.

33. Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de gezagsvoorziening.
De raad zal worden opgedragen om te onderzoeken of het in het belang van de kinderen is dat het gezag voortaan aan de ouders gezamenlijk toekomt, waarbij in het onderzoek erop gelet dient te worden welke effecten de moeizame communicatie tussen en de verstandhouding van partijen op de kinderen hebben.
De raad zal voorts worden opgedragen het hof hieromtrent te rapporteren en te adviseren.

DE BESLISSING

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

draagt de raad voor de kinderbescherming te Groningen op om te onderzoeken of het in het belang van de minderjarigen [kind 1], geboren op [1991], [kind 2], geboren op [1992], [kind 3], geboren op [1994], en [kind 4], geboren op [1995], is, dat het gezag aan de ouders gezamenlijk toekomt en voorts in dit onderzoek te betrekken welke effecten de moeizame communicatie tussen en de verstandhouding van partijen op de kinderen hebben;

draagt de raad voor de kinderbescherming op het hof hieromtrent te rapporteren en te adviseren vóór 1 mei 2003;

bepaalt dat de zaak opnieuw zal worden behandeld op een nader vast te stellen zitting.

Rechters

Mrs. Bloem, Melssen, Miltenburg, Knijp

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 24 januari 2003

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Uit een huwelijk zijn twee kinderen geboren, die de geslachtsnaam van de vader dragen. Nadat het huwelijk is ontbonden, is de moeder – die met het ouderlijk gezag over de kinderen was belast – hertrouwd met de stiefvader, die ook een kind uit een eerder huwelijk had. Uit dit huwelijk is nog een kind geboren. De moeder en de stiefvader vormen samen met de vier kinderen een gezin. De moeder en de stiefvader hebben een verzoek ingediend om hen gezamenlijk met het gezag over de twee kinderen uit het eerdere huwelijk van de moeder te belasten en de geslachtsnaam van die kinderen te wijzigen in die van de stiefvader. Het verzoek tot wijziging van het gezag werd door de feitelijke instanties toegewezen, doch dat tot wijziging van de geslachtsnaam afgewezen. Bij de behandeling van het verzoek werden de kinderen, die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hadden bereikt, niet gehoord. De Hoge Raad is van oordeel dat een verzoek tot gezagswijziging kan worden toegewezen terwijl een daaraan gekoppeld verzoek tot geslachtsnaamswijziging wordt afgewezen. Ingevolge art. 1:253t lid 5 onder c BW wordt een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind als hier bedoeld afgewezen indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet. De beoordeling of dit het geval is berust op een afweging van de omstandigheden, bij welke afweging aan het belang van de minderjarige groot gewicht moet worden toegekend. Het oordeel van het hof dat, gelet op de leeftijd van de kinderen en het feit dat zij hun hele leven al naar de vader heten, het belang van de kinderen om zich te kunnen identificeren met hun biologische vader zwaarder weegt dan het door de moeder en de stiefvader aangevoerde belang van gezinseenheid, is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Ingevolge art. 809 Rv kan de rechter minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt hebben, in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze. Hij is daartoe niet verplicht en behoeft zijn beslissing om hen niet te horen, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan in dit geval niet is gebleken, niet te motiveren.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 14 augustus 2000 ter griffie van de Rechtbank te Utrecht ingediend verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie – verder te noemen: de moeder en de stiefvader – zich gewend tot die Rechtbank en – kort samengevat – verzocht:
– te bepalen dat de moeder en de stiefvader worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [kind 1] en [kind 2];
– te bepalen dat de geslachtsnaam van [kind 1] en [kind 2] wordt gewijzigd in die van de stiefvader, [naam 2].

Verweerder in cassatie – verder te noemen: de vader – heeft het verzoek bestreden.
Hierna hebben de moeder en de stiefvader hun verzoek schriftelijk aangevuld.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 3 januari 2001 bepaald dat de moeder en de stiefvader gezamenlijk belast worden met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de voornoemde minderjarigen en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking hebben de moeder en de stiefvader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De moeder en de stiefvader hebben in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking met betrekking tot de geslachtsnaamwijziging te vernietigen en alsnog te bepalen dat de geslachtsnaam van [kind 1] en [kind 2] wordt gewijzigd in die van [naam 2].
Bij beschikking van 30 augustus 2001 heeft het Hof de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen bekrachtigd, met verbetering van de gronden.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof hebben de moeder en de stiefvader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de moeder en de stiefvader heeft bij brief van 15 november 2002 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie gaat het om het volgende.
(i) De moeder en de vader zijn op 26 september 1988 gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geboren: [kind 1] op 8 oktober 1989 en [kind 2] op 12 september 1991. Het huwelijk van de moeder en de vader is op 14 juli 1995 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 juni 1995 in de daartoe bestemde registers. De moeder is bij deze beschikking belast met het ouderlijk gezag.
(ii) Bij de echtscheidingsbeschikking is een omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat de vader een weekend per veertien dagen de kinderen bij zich zal hebben.
(iii) De moeder is op 7 maart 1999 hertrouwd met de stiefvader. Uit dit huwelijk is geboren [kind 3] op 18 augustus 1999. De moeder en de stiefvader vormen samen met [kind 1], [kind 2], [kind 3] en [kind 4], een kind uit een eerder huwelijk van de stiefvader, een gezin.
(iv) De moeder en de stiefvader zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2].
(v) In het dagelijkse leven voeren [kind 1] en [kind 2] als achternaam: [naam 1].

3.2 De moeder en de stiefvader hebben in dit geding verzocht hen gezamenlijk met het gezag te bekleden en te bepalen dat de geslachtsnaam van [kind 1] en [kind 2] wordt gewijzigd in [naam 2]. De Rechtbank heeft het eerste verzoek toegewezen en het tweede verzoek afgewezen. Het Hof heeft de beschikking bekrachtigd op grond van de volgende overwegingen. Een verzoek als bedoeld in art. 1:253t lid 5 BW wordt afgewezen, indien het kind twaalf jaar of ouder is en niet heeft ingestemd met het verzoek, of indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet. Aangezien [kind 1] en [kind 2] de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt, is uitsluitend de vraag aan de orde of een toewijzing van het verzoek van de moeder en de stiefvader in strijd is met het belang van [kind 1] en [kind 2] (rov. 4.1). In beginsel dient terughoudend met een geslachtsnaamwijziging te worden omgegaan, met name wanneer het gaat om het wijzigen van de geslachtsnaam van een minderjarige in die van de gezagdragende nieuwe partner van één van de ouders. De omstandigheden kunnen echter meebrengen dat een wijziging van de geslachtsnaam in het belang van de minderjarige is (rov. 4.5). De leeftijd van de kinderen en het feit dat zij hun hele leven al [naam 1] heten in aanmerking genomen, moet worden geoordeeld dat het belang van de kinderen om zich te kunnen identificeren met hun biologische vader, zwaarder weegt dan het door de moeder en de stiefvader aangevoerde belang van gezinseenheid. Wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen is mitsdien niet in hun belang (rov. 4.6).

3.3 De eerste klacht houdt in dat het Hof de kinderen had moeten horen alvorens een beslissing te geven. De klacht wordt ten onrechte aangevoerd, nu ingevolge art. 809 Rv. de rechter minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt, in de gelegenheid kan stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze. Hij is daartoe niet verplicht en behoeft zijn beslissing om hen niet te horen, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan in dit geval niet is gebleken, niet te motiveren.

3.4 In de tweede klacht wordt aangevoerd, dat het Hof heeft miskend dat, indien het verzoek tot gezamenlijk gezag van een ouder en een stiefouder wordt toegewezen, ook het verzoek tot geslachtsnaamwijziging dient te worden toegewezen. De klacht faalt, aangezien, zoals ook volgt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal in 2.3 weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis, de mogelijkheid bestaat dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, het verzoek tot gezagswijziging wordt toegewezen, maar het verzoek tot geslachtsnaamwijziging wordt afgewezen.

3.5 Het middel bevat ten slotte de klacht dat de door het Hof gemaakte afweging onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat de rechter het onderhavige verzoek slechts mag afwijzen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek, de belangen van het kind worden verwaarloosd. De klacht is niet gegrond. Ingevolge art. 1:253t lid 5, onder c, BW wordt een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind als hier bedoeld, afgewezen indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet. De beoordeling of dit het geval is berust op een afweging van de omstandigheden, bij welke afweging aan het belang van de minderjarige groot gewicht moet worden toegekend. Het Hof is bij zijn oordeel hiervan uitgegaan, zodat de rechtsklacht faalt. Zijn oordeel dat, gelet op de leeftijd van de kinderen en op het feit dat zij hun hele leven al [naam 1] heten, het belang van de kinderen om zich te kunnen identificeren met hun biologische vader zwaarder weegt dan het door de moeder en de stiefvader aangevoerde belang van gezinseenheid, is ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

CONCLUSIE A-G MR. MOLTMAKER

Edelhoogachtbaar college,

1 Feiten en procesgang

1.1 Aan de beschikking van het hof ontleen ik de volgende feiten:

“2.1. De moeder [verzoekster tot cassatie, M] en de vader [verweerder in cassatie, M.] zijn op 26 september 1988 gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind 1] op 8 oktober 1989 en [kind 2] op 12 september 1991. Het huwelijk van de moeder en de vader is ontbonden op 14 juli 1995 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 juni 1995 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De moeder is bij deze beschikking belast met het ouderlijk gezag.

2.2. Bij de echtscheidingsbeschikking is een omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat de vader een weekend per veertien dagen de kinderen bij zich zal hebben.

2.3. De moeder is op 7 maart 1999 hertrouwd met de stiefvader [verzoeker tot cassatie, M.]. Uit dit huwelijk is geboren [kind 3] op 18 augustus 1999. Appellanten vormen tezamen met [kind 1], [kind 2], [kind 3] en [kind 4], een kind uit een eerder huwelijk van de stiefvader, een gezin.

2.4. De moeder en de stiefvader zijn thans gezamenlijk belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2].

2.5. In het dagelijkse leven voeren [kind 1] en [kind 2] als achternaam [naam 1].”

1.2 De moeder en de stiefvader hebben zich gewend tot de rechtbank te Utrecht met verzoeken als bedoeld in art. 1:253t, eerste en vijfde lid BW (gezamenlijk gezag van een ouder en een ander dan de ouder en geslachtsnaamwijziging). De vader heeft zich tegen dit verzoek verweerd.

1.3 Bij beschikking van 3 januari 2001 heeft de rechtbank het verzoek van de moeder en de stiefvader om hen gezamenlijk met het gezag te bekleden, toegewezen en het verzoek tot geslachtsnaamwijziging afgewezen.

1.4 De moeder en de stiefvader hebben tegen deze beschikking in hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De vader heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd bij beschikking van 30 augustus 2001. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

“4.5. Het hof stelt voorop dat de geslachtsnaam van een persoon tot diens identiteits- en afstammingskenmerken, die altijd bij hem blijven horen, behoort, ook na de periode gedurende welke die persoon afhankelijk is van zijn verzorgers. Indien het verzoek tot geslachtsnaamwijziging een minderjarig kind betreft, zijn de belangen van het gezin waarin dat kind opgroeit in beginsel ondergeschikt aan het belang van het kind bij behoud van zijn identiteit. Lichtvaardige aantasting van het recht op de geslachtsnaam van een minderjarig kind verdraagt zich niet met diens belang. Het hof is derhalve van oordeel dat in beginsel terughoudend met een geslachtsnaamwijziging dient te worden omgegaan. Met name geldt dit in gevallen, waarin het gaat om het wijzigen van de geslachtsnaam van een minderjarige in die van de gezagdragende nieuwe partner van één van de ouders. Hoewel de identiteit van de kinderen mede wordt gevormd door de verbondenheid met degene(n) die voor hen zorgt of zorgen, is een ander belangrijk facet van die identiteit gelegen in de wortels van het kind. Onverlet het vorenstaande kan onder omstandigheden een wijziging van de geslachtsnaam in het belang van de minderjarige zijn.

4.6. Het hof is van oordeel dat het verzoek van appellanten tot wijziging van de geslachtsnaam van [kind 1] en [kind 2] dient te worden afgewezen. De leeftijd van de kinderen en het feit dat zij hun hele leven al [naam 1] heten in aanmerking nemende komt het hof tot het oordeel dat het belang van de kinderen om zich te kunnen identificeren met hun biologische vader zwaarder weegt dan het door appellanten aangevoerde belang van gezinseenheid. Het betoog van appellanten dat het voeren van verschillende geslachtsnamen binnen één gezin tot verwarring leidt, treft geen doel gezien de verscheidenheid aan gezinssituaties in Nederland. Wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen is mitsdien niet in hun belang.
Het functioneren van de omgangsregeling laat het hof buiten beschouwing, nu dit niet relevant wordt geacht voor de beslissing over wijziging van een geslachtsnaam.”

1.6 Tegen deze beschikking hebben de moeder en de stiefvader tijdig beroep in cassatie ingesteld. De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1 Het middel bevat drie klachten. De eerste klacht luidt dat het hof de kinderen had moeten horen, ondanks het feit dat zij de leeftijd van 12 jaar nog niet hadden bereikt. De tweede klacht is dat het hof heeft miskend dat, indien het verzoek tot gezamenlijk gezag van een ouder en een stiefouder wordt toegewezen, het verzoek tot geslachtsnaamwijziging ook dient te worden toegewezen. De derde klacht van het middel is dat het hof heeft miskend dat het criterium ‘het belang van het kind’ in art. 1:253t, vijfde lid BW dient als ondergrens, zodat een dergelijk verzoek slechts dient te worden afgewezen indien het belang van het kind zich tegen geslachtsnaamwijziging verzet.

2.2 De eerste klacht faalt. Of de rechter een kind jonger dan twaalf jaar wil horen, is aan zijn beleid overgelaten, J.E. Doek, Rechtsvordering (losbl.), art. 809, aant. 7. Hij hoeft zijn beslissing om dat niet te doen, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan in dit geval niet is gebleken, niet te motiveren. Dat laat onverlet dat het wel wenselijk kan zijn onder bepaalde omstandigheden ook kinderen jonger dan twaalf jaar te horen, zie Handelingen Tweede Kamer 13 maart 1997, 62-4534:

“Staatssecretaris Schmitz: In soortgelijke wetgeving hebben wij steeds gezegd dat 12 jaar de grens is waarna je zeker moet horen. Onder bepaalde omstandigheden kan een kind van 10 jaar echter heel wel zijn eigen wens kenbaar maken. En dan behoort dat ook te gebeuren. In die zin is de grens van 12 jaar geen echt strikte grens waaronder het niet mag. Integendeel, als de omstandigheden ernaar zijn, zouden wij dat zeker moeten aanbevelen.”

2.3 De tweede klacht faalt evenzeer. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever het mogelijk heeft geacht dat de gezagswijziging wordt toegewezen, maar de geslachtsnaamwijziging niet (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 23 714, nr. 11, p. 2):

“Bij aanwezigheid van een andere ouder zijn de rechtsgevolgen van het voorgestelde gezamenlijk gezag in principe niet anders dan bij afwezigheid van een andere ouder. Het is wel mogelijk dat de betrokkenheid van de andere ouder bij de te nemen beslissingen in het licht van de belangen van het kind ertoe leidt dat bij voorbeeld het verzoek tot het gezamenlijk gezag (mits overigens aan de voorwaarden is voldaan) wordt toegewezen, maar niet een verzoek tot naamswijziging. Er kan met andere woorden afhankelijk van de omstandigheden van het geval differentiatie zijn.”

Het toewijzen van de gezagswijziging alleen maakt de afwijzing van het verzoek tot geslachtsnaamwijziging nog niet onbegrijpelijk.

2.4 De derde en laatste klacht luidt zoals gezegd dat het hof een onjuiste, althans onbegrijpelijke afweging heeft gemaakt, nu het in art. 1:253t, vijfde lid sub c BW genoemde criterium (afwijzing indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet) slechts fungeert als ondergrens. Betoogd wordt dat de rechter het verzoek slechts zou mogen afwijzen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

2.5 Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het nieuwe gezagsrecht, en ook uit het citaat in nr. 2.3 dat van die geschiedenis deel uitmaakt, blijkt dat de wetgever heeft beoogd de bescherming van het feitelijk gezinsleven te verbeteren maar dat uitgangspunt blijft dat juridische afstamming in beginsel verwijst naar natuurlijke afstamming en dat daarvan niet meer dan voor genoemd doel nodig is, wordt afgeweken (Notitie leefvormen in het familierecht, Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 700, nr. 3, p. 21):
2.6
“4.2 Afstammingsrecht
Het voorgestelde medegezag van de partner laat het uitgangspunt van ons afstammingsrecht dat juridische afstamming in beginsel verwijst naar natuurlijke afstamming onaangetast. Voor zover ten behoeve van de juridische bevestiging van feitelijke zorgrelaties afstammingsrelaties bepleit worden, lijkt dit voort te vloeien uit de wens naar meer juridische bescherming van feitelijk gezinsleven. Deze bescherming wordt door de voorgestelde mogelijkheid van medegezag van de partner op andere wijze dan via het afstammingsrecht geboden. Dat betekent dat een juridische afstammingsrelatie die in strijd is met het natuurlijk begrip afstamming zoals erkenning door de lesbische vriendin van de moeder niet nodig is. Het is niet noodzakelijk en zoals eerder uiteengezet ook niet wenselijk, om afstand te nemen van de natuurlijke notie in het juridische begrip afstamming, omdat afstammingsbanden in de eigenlijke, voor-juridische betekenis van het woord een emotionele waarde hebben en van belang zijn in de interactie tussen een kind en de ouder van wie het afstamt.”

2.7 Van belang is voorts de volgende passage uit de Lijst van vragen en antwoorden met betrekking tot de notitie leefvormen in het familierecht (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 22 700, nr. 6, p. 27), waarin in antwoord op een vraag naar het belang van geslachtsnaamwijziging als voorbeeld een situatie wordt gegeven waarin geen enkel contact met de eigen moeder meer bestaat:
“71
Wat is het belang van de mogelijkheid om het naamrecht te verbinden aan het medegezagrecht? (blz. 15)

Wellicht willen het kind en degenen die formeel en materieel voor hem verantwoordelijk zijn in de naam de band die er tussen hen bestaat tot uitdrukking brengen. Indien bij voorbeeld een pleegkind al jaren door zijn pleegouders wordt verzorgd en opgevoed en dit kind geen enkel contact meer heeft met zijn eigen moeder, is het voorstelbaar dat ter gelegenheid van het verzoek van de pleegouders tot gezamenlijke voogdij tevens een verzoek tot naamswijziging wordt gedaan.”

2.8 Met betrekking tot het in art. 1:253t, vijfde lid, onder c genoemde criterium merkt J. de Boer (Asser-De Boer, Personen- en familierecht, 1998, nr. 814a op:

“Beschouwen wij de wettekst, dan kunnen we constateren dat het belang van het kind vaak slechts fungeert als benedengrens die bij een in beginsel geïndiceerde toewijzing van een verzoek niet mag worden overschreden. (…) De rechter wijst het desbetreffende verzoek slechts af indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd (…). Voor afwijzing dienen sterke contra-indicaties te bestaan. Men zou hier kunnen spreken van een – voor de verzoeker – welwillend gebruik van het belang van het kind-criterium (…). (…) Verg. ook de zwakkere variant van dit welwillend gebruik van het belang van het kind-criterium in art. 253t lid 5 onder c en 282 lid 7 onder c.”

Even verderop (nr. 839c) schrijft hij dit:

“Aan de maatstaven voor afwijzing van een verzoek tot naamswijziging (zie art. 253t lid 5, tweede zin onder a en c) kan gemakkelijker worden voldaan, zodat goed denkbaar is dat bezwaren van de andere ouder of het kind niet leiden tot afwijzing van het verzoek om gezamenlijk gezag, maar wel tot dat van naamswijziging.”

In dezelfde zin I. Jansen, Personen- en familierecht, aant. 8 bij art. 253t.

2.9 Zie ook P. Vlaardingerbroek (Echtscheidingsbulletin 1997, nr. 10, p. 8) die pleit voor terughoudende toepassing:

“Mijns inziens moet achternaamswijziging zoveel mogelijk worden voorkomen en wel door omdraaiing van de regel: achternaamswijziging is alleen mogelijk indien het belang van dat kind het uitdrukkelijk vergt. Kinderen zijn geen toverballen en hebben recht op een eigen naam en identiteit (art. 7 IVRK).”

2.10 Kritisch over de regeling is voorts C. G. M. van Wamelen, Nieuw gezagsrecht, FJR 1997, p. 266/267:

“Zowel in de toelichting op dit bij Nota van wijziging geïntroduceerde novum als tijdens de algemene beraadslaging over dit wetsvoorstel bleef de verdediging van de optie van naamswijziging onder de maat. Op de vraag naar de meerwaarde voor een kind om de naam van de nieuwe partner van zijn of haar ouder te krijgen, antwoordde de staatssecretaris, dat zij daar geen juridisch argument voor had, dat het heel gevoelsmatig lag en dat het ook aan de omstandigheden lag. ‘Naamrecht is (…) voor kinderen de identificatie van wie voor hen zorgt, bij wie zij zich veilig en geborgen voelen.’
In dit licht rijst toch de vraag, waarom de wijziging van de geslachtsnaam van het kind in die van de partner van de ouder reeds mogelijk is ten tijde van het verzoek om het 253t-gezag en bijvoorbeeld niet pas nadat deze partner het kind ten minste ruim drie jaar (mede) heeft verzorgd. Bij het einde van het 253t-gezag zal in het algemeen weer een van de juridische ouders met de uitoefening van het gezag worden belast (…) en het lijkt dan ook raadzaam om terughoudendheid te betrachten bij de inwilliging van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam in die van de partner van de juridische ouder. Kinderen van 12 jaar en ouder hebben hier terecht een absoluut vetorecht.”

2.11 Het hof heeft in zijn rov. 4.6 geoordeeld dat het belang van de kinderen zich verzet tegen toewijzing van het verzoek tot geslachtsnaamwijziging omdat zij er gezien hun leeftijd belang bij hebben dat zij zich kunnen blijven identificeren met hun biologische (en juridische) vader. Het hof heeft aldus oordelend geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De afweging die het hof heeft gemaakt acht ik ook niet onbegrijpelijk, zodat de klacht faalt.

3 Conclusie

Het middel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Neleman, Van der Putt-Lauwers, Fleers, Aaftink, Beukenhorst

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 24 januari 2003

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Door middel van kunstmatige inseminatie is met het zaad van de man een kind verwekt. De moeder heeft de man geen toestemming gegeven het kind te erkennen. Het hof heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming omdat onder het begrip ‘verwekker’ in art. 1: 204 lid 3 BW niet de zaaddonor dient te worden verstaan: dit artikel geldt niet voor de biologische vader die niet de verwekker van het kind is. Zulks laat echter onverlet de gelding van het bepaalde in art. 8 EVRM. Ingevolge dit artikel heeft de biologische vader die family life heeft met zijn kind, ongeacht de wijze waarop de zwangerschap is ontstaan, recht op bescherming van dit family life. Het hof was dan ook naar het oordeel van de Hoge Raad verplicht geweest na te gaan of de man voldoende concrete omstandigheden had gesteld op grond waarvan het bestaan van family life tussen hem en het kind kon worden aangenomen.
Veronderstellenderwijze aangenomen dat tussen de man en het kind family life zou bestaan, zou de moeder in het onderhavige geval alleen dan misbruik maken van haar bevoegdheid om toestemming tot erkenning te weigeren als zij geen enkel te respecteren belang heeft bij die weigering. De moeder heeft echter wél een te respecteren belang, nu de moeder en haar levensgezellin er immers naar streven samen juridische ouders van het kind te worden, waartoe de levensgezellin van de moeder het kind wil adopteren.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 17 november 2000 ter griffie van de Rechtbank te Utrecht ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie – verder te noemen: de man – zich gewend tot die Rechtbank en verzocht om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, hem ingevolge artikel 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [het] minderjarige [kind].
Verweerster in cassatie – verder te noemen: de moeder – heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 14 maart 2001 de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en aan de man toestemming verleend om [het kind] te erkennen. Het meer of anders gevorderde heeft de Rechtbank afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 15 augustus 2001. De Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij deze gelegenheid geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in het inleidend verzoek.
Bij beschikking van 22 november 2001 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank te Utrecht van 14 maart 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn inleidend verzoek.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De moeder is zwanger geworden door kunstmatige inseminatie met het zaad van de man. Uit deze zwangerschap is op 23 mei 2000 geboren [het kind].
(ii) De rechtbank te Utrecht heeft bij beschikking van 14 maart 2001 bepaald dat de moeder en haar levensgezellin, [betrokkene 1], gezamenlijk belast worden met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [het kind].
(iii) De moeder verzorgt [het kind] tezamen met [betrokkene 1].
(iv) Partijen zijn een omgangsregeling tussen de man en [het kind] overeengekomen.
(v) De moeder heeft de man geen toestemming gegeven [het kind] te erkennen.

3.2 De man heeft de Rechtbank verzocht hem vervangende toestemming in de zin van art. 1:204 lid 3 BW te verlenen om [het kind] te erkennen. De Rechtbank heeft de man deze vervangende toestemming verleend.
Het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank vernietigd en de man niet-ontvankelijk in zijn inleidend verzoek verklaard.

3.3 Het Hof heeft in rov. 4.7 geoordeeld dat de wetgever aan het in art. 1:204 lid 3 BW gebezigde begrip “verwekker” uitdrukkelijk een beperkte betekenis heeft toegekend, namelijk uitsluitend die van de man die samen met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan, en dat deze beperkte betekenis geen ruimte biedt om onder dit begrip tevens de donor te verstaan. In een geval als het onderhavige biedt de praktijk, aldus het Hof, in zoverre de mogelijkheid tegemoet te komen aan de intentie van de donor om als vader te worden erkend, dat de moeder kan besluiten hem schriftelijk toestemming tot erkenning van het kind te verlenen, doch in dit geval is de moeder daartoe niet bereid gebleken. Het Hof concludeert in rov. 4.8 dat, nu het bepaalde in het derde lid van art. 1:204 BW geen grond biedt tot behandeling van het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [het kind] te erkennen, het de man niet in dat verzoek kan ontvangen.

3.4 Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof art. 8 EVRM heeft geschonden door de man niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof had moeten onderzoeken, aldus – samengevat – de klacht, of tussen de man en het kind “family life” in de zin van art. 8 EVRM bestaat.

3.5 Vooropgesteld zij dat het Hof met juistheid op grond van de wetsgeschiedenis van art. 1:204 BW, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2 en 2.3, heeft geoordeeld dat art. 1:204 lid 3 BW niet geldt voor de biologische vader die niet is de verwekker van het kind. Zulks laat echter onverlet de gelding van het bepaalde in art. 8 EVRM. Ingevolge dit artikel heeft de biologische vader die “family life” heeft met zijn kind, ongeacht de wijze waarop de zwangerschap is ontstaan, recht op bescherming van dit “family life”.
Het Hof was ingevolge art. 8 EVRM verplicht na te gaan of de man voldoende concrete omstandigheden had gesteld op grond waarvan het bestaan van “family life” tussen hem en het kind kon worden aangenomen. Het Hof heeft dit echter nagelaten. Het oordeel van het Hof de man niet in zijn verzoek te ontvangen alleen omdat het bepaalde in art. 1:204 lid 3 BW geen grond biedt tot behandeling van het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [het kind] te erkennen, is derhalve in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting gebaseerd.

3.6 Het hiervoor in 3.5 overwogene leidt echter niet tot vernietiging van de beschikking omdat de man bij zijn beroep tot cassatie geen belang heeft. Zoals blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5 vermelde wetsgeschiedenis, is de wetgever ervan uitgegaan dat bij de aan art. 8 EVRM te ontlenen bescherming van het “family life” van de biologische vader die niet de verwekker van het kind is, rekening zal worden gehouden met de onder 2.6 van de conclusie vermelde rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het recht van de moeder om te weigeren toestemming te verlenen tot erkenning. Te dien aanzien geldt in deze zaak het volgende. Veronderstellenderwijze aangenomen dat tussen de man en het kind “family life” zou bestaan, zou de moeder in het onderhavige geval – de moeder en haar levensgezellin zijn gezamenlijk belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over het kind en verzorgen haar tezamen – alleen dan misbruik maken van haar bevoegdheid om toestemming tot erkenning te weigeren als zij in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering heeft (HR 18 mei 1990, nr. 7546, NJ 1991, 374). De stukken van het geding laten echter geen andere conclusie toe dan dat de vrouw een – door de man niet weersproken – rechtens te respecteren belang bij haar weigering toestemming tot erkenning te verlenen heeft, zodat van misbruik door de moeder van haar bevoegdheid tot weigering van toestemming geen sprake is. De moeder en haar levensgezellin streven immers ernaar samen juridische ouders van [het kind] te worden, waartoe de levensgezellin van de moeder [het kind] wil adopteren.

3.7 In verband met het vorenoverwogene behoeven de overige klachten geen behandeling.

4. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

CONCLUSIE MR. A-G MOLTMAKER

Edelhoogachtbaar college,

1 Feiten en procesgang

1.1 De feiten ontleen ik aan de beschikking van het hof:

“2.1. De moeder [verweerster in cassatie, M.] is zwanger geworden door kunstmatige inseminatie met het zaad van de man [verzoeker tot cassatie, M.]. Uit deze zwangerschap is geboren [het kind] op 23 mei 2000 te [geboorteplaats].

Bij beschikking van de rechtbank te Utrecht van 14 maart 2001 zijn de moeder en haar levensgezellin, [betrokkene 1], gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [het kind]. De moeder verzorgt [het kind] tezamen met [betrokkene 1].

2.2. Met een inleidend verzoekschrift dat 17 november 2000 ter griffie van de rechtbank te Utrecht is ontvangen, heeft de man verzocht om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, hem vervangende toestemming in de zin van art. 1:204, lid 3 BW te verlenen om [het kind] te erkennen.

2.3. De rechtbank te Utrecht heeft bij beschikking van 5 december 2000 mr. J. W. Verhoef, advocaat te Zeist, benoemd tot bijzonder curator over [het kind].

2.4. Partijen zijn een omgangsregeling tussen de man en [het kind] overeengekomen.”

1.2 De rechtbank heeft bij beschikking van 14 maart 2001 op de voet van art. 1:204, derde lid BW vervangende toestemming verleend aan de man om [het kind] te erkennen.

1.3 De moeder heeft tegen deze beschikking hoger beroep aangetekend bij het gerechtshof te Amsterdam. Het Hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd bij beschikking van 22 november 2001. Het heeft daartoe, na een uitvoerige weergave in rov. 4.6 van de wetsgeschiedenis, als volgt overwogen:

“4.7. De, door de wetgever uitdrukkelijk aan het begrip “verwekker” gegeven beperkte betekenis – dat de verwekker uitsluitend is de man die samen met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan – , biedt geen ruimte om onder dit begrip tevens de donor te verstaan.

Blijkens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis heeft de wetgever – anders dan de rechtbank als redengevend voor haar beslissing heeft overwogen – wel degelijk rekening gehouden met een donor die een zodanige intentie tot vaderschap heeft, als in dit geval de man. De wetgever heeft echter ervoor gekozen om aan die intentie van de donor niet het rechtsgevolg te verbinden dat, evenals bij de verwekker, de toestemming kan worden vervangen door die van de rechter.

In een geval als het onderhavige biedt de praktijk – op welke de minister bij de behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer doelde – in zoverre de mogelijkheid dat wordt tegemoetgekomen aan de intentie van de donor om als vader te worden erkend, dat de moeder kan besluiten hem schriftelijk toestemming tot erkenning van het kind te verlenen.

In dit geval echter is, als hiervoor overwogen, de moeder daartoe niet bereid gebleken.

4.8. De slotsom moet zijn dat de grieven slagen. Zij leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Voor het overige behoeven zij geen beoordeling.

Nu het bepaalde in het derde lid van artikel 1:204 BW geen grond biedt tot behandeling van het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [het kind] te erkennen, kan het hof de man niet in dat verzoek ontvangen.”

1.4 De man heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. De moeder heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel van de man bevat vier klachten. De eerste klacht van de man luidt dat het hof art. 8 EVRM heeft geschonden door hem niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof had moeten onderzoeken of tussen de man en het kind family life in de zin van art. 8 EVRM bestaat.

2.2 Het nieuwe art. 1:204 BW gaat verder dan door de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vereist is, in die zin dat de verwekker die vervangende toestemming verzoekt, niet hoeft te stellen dat hij family life met het kind heeft (zie HR 16 februari 2001, NJ 2001, 571, m.nt. JdB en mijn conclusie voor die beschikking). De man in deze zaak is echter niet de verwekker van het kind. De MvT Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 649, nr. 3, p. 8, zegt:

“De verwekker van een kind is de man die samen met de moeder het kind op natuurlijke wijze heeft laten ontstaan. Het begrip verwekker valt niet samen met het begrip “biologische vader”. De donor is immers geen verwekker, maar wel de biologische vader van het kind. Jegens de donor kan dan ook geen verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap worden ingediend. Grond voor de gerechtelijke vaststelling is immers dat de man de verwekker is van het kind (zie hieronder voor het geval van kunstmatige bevruchting) (artikel 207).”

2.3 Naar aanleiding van een artikel van J. de Boer waarin hij pleitte voor invoering van een alimentatieplicht voor bekende donoren (NJB 1997, p. 1762) heeft de staatssecretaris voorts het volgende opgemerkt (Nadere MvA Eerste Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 24 649, nr. 11d, p. 1/2):

“In het onderhavige wetsvoorstel is een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de biologische vader, de verwekker en de donor. Overkoepelend begrip is het biologische vaderschap. Zowel de verwekker als de donor zijn biologisch de vader van het kind. De verwekker is degene die zelf het kind verwekt heeft, de donor per definitie niet. Jegens de verwekker kan een onderhoudsplicht worden vastgesteld. De verwekker kan, indien de moeder en/of het kind van twaalf jaar of ouder toestemming weigeren tot erkenning, aan de rechter vervangende toestemming tot erkenning vragen. Jegens de verwekker kan het vaderschap gerechtelijk worden vastgesteld. Een donor is niet onderhoudsplichtig jegens het kind. Tegen de wil van de moeder en/of het kind van twaalf jaar of ouder zal hij het kind niet kunnen erkennen. Tegen hem kan het vaderschap niet gerechtelijk worden vastgesteld.
Bij het doordenken van de positie van donoren is geen onderscheid gemaakt tussen onbekende, bekende en “goede bekende”-donoren. Niet voor zover het betreft de alimentatieplicht, ook niet waar het betreft de mogelijkheid van vervangende toestemming en van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
(…)
Het doordenken van de opinie van Prof. Mr. J. de Boer levert mijns inziens zoveel haken en ogen op dat ik op dit moment wil vasthouden aan het hierboven gemaakte onderscheid. Ik pleit ervoor eerst eens de praktijk van deze regelgeving af te wachten, voordat in wetgeving ad hoc op grensgevallen wordt ingespeeld.”

2.4 Uit de wetsgeschiedenis blijkt derhalve dat het oordeel van het hof dat art. 1:204, derde lid, BW niet geldt voor de biologische vader die niet is de verwekker van het kind, juist is.

2.5 Naast de regeling van art. 1:204, derde lid, BW blijven echter wel de minimumeisen van art. 8 EVRM gelden. Deze eisen zijn van openbare orde, zodat daarop ook voor het eerst in cassatie een beroep gedaan kan worden, HR 10 mei 1985, NJ 1986, 5, m.nt. WHH. Ingevolge art. 8 EVRM heeft de biologische vader die family life heeft met zijn kind, recht op bescherming van dat family life. Ook de wetgever heeft dat onder ogen gezien, zie MvT Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 649, nr. 3, p. 11:

“Het vereiste in artikel 204, derde lid, dat de man die tegen de wil van de moeder of van het kind wil erkennen de verwekker moet zijn van het kind, sluit aan bij de hierboven onder punt 7[b] genoemde jurisprudentie. Het gaat mij te ver om ook voor het geval dat de man niet de verwekker is van het kind artikel 204, derde en vierde lid, toepassing te doen vinden. Wel zullen moeder en kind ook in deze gevallen geen misbruik van hun bevoegdheid toestemming te weigeren mogen maken. Indien de weigering toestemming tot de erkenning te verlenen geen ander doel dient dan de potentiële erkenner te schaden, zal de rechter aan de ze weigering voorbij kunnen gaan. Het ligt overigens niet zonder meer voor de hand dat de hierboven onder punt 7[b] genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad inzake misbruik van bevoegdheid bij weigering van de toestemming tot erkenning in deze gevallen overeenkomstig kan worden toegepast. De jurisprudentie ziet immers steeds op gevallen waarin de man de verwekker is van het kind.”

2.6 Ik zie geen reden om de oude jurisprudentie niet van toepassing te achten op biologische vaders die family life hebben met hun kind. Deze jurisprudentie is immers juist gebaseerd op de bescherming die art. 8 EVRM biedt op grond van bestaand family life. De wijze waarop de zwangerschap is ontstaan, is daarbij irrelevant. Van belang zijn de volgende uitspraken.

1) HR 8 april 1988, NJ 1989, 170, m.nt. EAAL:

“3.3 Voor een man en voor het kind waarvan hij de biologische vader is en tot hetwelk hij in een als vie familiale/family life in de zin van art. 8 lid 1 EVRM aan te merken relatie staat, ligt in deze verdragsbepaling besloten dat zij in beginsel over en weer aanspraak erop hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke rechtsbetrekking. Dit brengt, wanneer wordt uitgegaan van een stelsel als dat van de art. 1:221 en 222 BW, mee dat aan een zodanige vader in beginsel de mogelijkheid van erkenning van het kind niet kan worden onthouden. Wel kan het in een democratische samenleving nodig zijn deze mogelijkheid in te perken, o.m. ter bescherming van de rechten van de andere bij het vestigen van familierechtelijke betrekkingen onmiddellijk betrokkenen, het kind en zijn moeder. Of zulks het geval is en tot welke beperkingen afweging van de betrokken rechten leidt, staat in de eerste plaats ter beoordeling van de wetgever. Blijkens een bericht in de Nederlandse Staatscourant van 14 juli 1986 (nr. 132) en de conclusie van het OM onder 2.2 is nieuwe wetgeving ter zake in een vergevorderd stadium van voorbereiding.
In verband daarmede meent de HR zich thans ervan te moeten onthouden ten gronde in te gaan op de vraag welke beperkingen van de mogelijkheid tot erkenning verenigbaar zijn met art. 8 EVRM. In afwachting van die wetgeving moet evenwel worden aangenomen dat met die verdragsbepaling in elk geval niet valt te verenigen dat de mogelijkheid tot erkennen wordt beperkt door een niet voor rechterlijke toetsing vatbaar vetorecht van de moeder van het kind. Een redelijke, met art. 8 EVRM rekening houdende uitleg van het huidige recht brengt daarom mede dat, ook al weigert de moeder de daartoe vereiste toestemming, langs de onder 3.2 bedoelde weg toch een rechtsgeldige erkenning tot stand kan komen wanneer de weigering van de moeder om toestemming tot erkenning te verlenen slechts kan worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid die in art. 1:224 lid 1, aanhef en onder d, besloten ligt.”

2) HR 26 januari 1990, NJ 1990, 630, over omgangsrecht:

“3.2. Het hof heeft M niet-ontvankelijk verklaard in zijn inleidend verzoek, daartoe overwegende dat de door hem gestelde, en door T en J ten dele betwiste, feitelijke contacten tussen hem en R een dermate summier karakter hebben gehad, dat op grond van die contacten – ook in combinatie bezien met zijn donorschap – niet gezegd kan worden dat hij in een zo nauwe persoonlijke betrekking met R staat of heeft gestaan dat hij gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM met haar heeft gehad, hoewel hij zulks wellicht gevoelsmatig anders beleeft.

3.3. Aan onderdeel 1, in al zijn subonderdelen, en subonderdeel 2a van het middel ligt de stelling ten grondslag dat tussen de biologische vader en het kind steeds – en derhalve ongeacht de feitelijke contacten – een als “vie familiale/family life” aan te merken betrekking bestaat. Die stelling is onjuist. Om een betrekking tussen de biologische vader en het kind als “vie familiale/family life” aan te merken, zijn nog bijkomende omstandigheden vereist en derhalve is het enkele biologische vaderschap daartoe niet voldoende (HR 10 nov. 1989, RvdW 1989, 248)(NJ 1990, 628; Red.). Dit geldt ook voor het biologisch vaderschap dat op donorschap berust. Onderdeel 1 en subonderdeel 2a falen derhalve.
3.4. Ook subonderdeel 2b is vergeefs voorgesteld. Het hof heeft bij de beoordeling van de vraag of tussen M en R een betrekking is ontstaan die als “vie familiale/family life” is aan te merken, de gestelde feitelijke contacten tussen hen als bijkomende omstandigheden betrokken. Het hof heeft daarbij die contacten evenwel van een te summier karakter geoordeeld om in combinatie met het donorschap tot “vie familiale/family life” te besluiten. Dit oordeel berust op een waardering van feitelijke omstandigheden, die aan de feitenrechter is overgelaten en die niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.”

3) HR 18 mei 1990, NJ 1991, 374, m.nt. EAA en EAAL onder nr. 375:

“3.4. (…) Zoals de HR in zijn eerdergenoemde beschikking van 8 april 1988 heeft overwogen, brengt het bepaalde in art. 8 lid 1 EVRM mee, dat in beginsel aan de biologische vader van een kind die met dat kind gezinsleven heeft in de zin van dat artikel, in een stelsel als dat van de art. 1:221 en 1:222 BW, de mogelijkheid van erkenning van het kind niet kan worden onthouden. Wel kan die mogelijkheid worden beperkt wanneer dat in een democratische samenleving nodig is, onder meer ter bescherming van de rechten van anderen.
Zodanige beperking is vervat in art. 224 lid 1 onder d dat als nietig aanmerkt de erkenning die door de vader bij het leven van de moeder zonder haar voorafgaande toestemming is gedaan. Aan deze wetsbepaling ligt eveneens de bescherming van het gezinsleven (en van het privé leven) als bedoeld in art. 8 lid 1 ten grondslag – ditmaal van de moeder en het kind – ook al heeft men bij de totstandkoming van dit artikel mogelijk andere inbreuken op dat gezins- en privé leven voor ogen gehad, dan in de huidige maatschappij te verwachten zijn. Aangenomen moet worden dat ook dit recht van de moeder om te weigeren toestemming tot erkenning te verlenen op de voet van het bepaalde in art. 8 lid 2 kan worden beperkt wanneer dat in een democratische samenleving nodig is onder meer ter bescherming van de rechten van anderen.
Tot welke beperkingen afweging van de betrokken rechten leidt, staat echter in de eerste plaats ter beoordeling van de wetgever. Er is daarom reden voor de rechter om bij een conflict van deze, beide op art. 8 lid 1 terug te voeren, rechten zich terughoudend op te stellen.

3.5. De eerdergenoemde beschikking van de HR van 8 april 1988, waaraan het hof in zijn rechtsoverwegingen refereert, moet in het licht van het vorenoverwogene worden gelezen. In die beschikking wordt niet verder gegaan dan dat wordt geoordeeld dat in elk geval “een niet voor rechterlijke toetsing vatbaar vetorecht van de moeder van het kind” niet met art. 8 is te verenigen en dat daarom een rechtsgeldige erkenning ook zonder toestemming van de moeder tot stand kan komen wanneer haar weigering slechts als misbruik van haar bevoegdheid kan worden opgevat. Deze beschikking moet voorts in verband worden gezien met de bijzondere aard van het geval dat daar aan de orde was, hierdoor gekenmerkt dat de moeder al geruime tijd geen contact met het kind meer had en van de voogdij over hem was ontheven.

3.6. In het onderhavige geval gaat het echter om de gebruikelijke situatie, waarin (naar uit de stukken mag worden afgeleid) de moeder voogdes is over het kind, daarmee in gezinsverband samenleeft en het verzorgt en opvoedt (al zal in het onderhavige geval de vader bij dat laatste ook een aandeel hebben). In die situatie betekent de wijziging van de rechtspositie van het kind die het gevolg is van erkenning door de vader steeds in zekere mate een inbreuk op het gezins- en privé-leven van de moeder en mogelijk ook op dat van het kind. Dat betreft niet alleen de in de onderhavige zaak door de moeder als bezwaar naar voren gebrachte naamswijziging, maar ook andere rechtsgevolgen, waarvan de rechtbank in haar beschikking een aantal vermeldt. Daarom zal in die situatie niet licht kunnen worden aangenomen dat een weigering van de moeder om toestemming te geven tot erkenning “slechts kan worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid die in art. 1:224 lid 1 onder d BW besloten ligt”. Het gaat er immers bij dat criterium niet om of – gelijk het hof zich in feite heeft afgevraagd – de door de moeder naar voren gebrachte bezwaren zwaarder wegen dan de belangen van de vader, maar of de moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering heeft.”

2.7 Ingevolge art. 8 EVRM had het hof derhalve ambtshalve dienen na te gaan of de man voldoende concrete omstandigheden had gesteld op grond waarvan het bestaan van family life tussen hem en het kind kan worden aangenomen. Het hof heeft dit nagelaten en zijn oordeel getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting. Ik merk op dat in een geval als het onderhavige naar de mening van de wetgever niet snel sprake zal zijn van family life, zie Nota Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 673, nr. 5, p. 18 :

“De tweede door vele leden gestelde vraag is welke precies de positie van de donor(ouder) in de adoptieprocedure [is].
De donor is de biologische ouder van het kind. De bekende donor zal onder omstandigheden moeten worden opgeroepen om te worden gehoord door de rechter. Deze omstandigheden doelen op de betrekking die de bekende donor tot de moeder en/of het kind heeft. Die betrekking of relatie dient als “family life” gekwalificeerd te kunnen worden. Als er een zodanige relatie is, dient hij in de adoptieprocedure betrokken te worden in die zin dat hij opgeroepen wordt om te worden gehoord, ongeacht of hij het kind erkend heeft. Als hij gehoor geeft aan de oproep, kan ter zitting vastgesteld worden of de biologische vader van het kind van plan is aan zijn ouderschap enige invulling te geven. Wellicht dat daarover tussen de moeder en de donor afspraken waren gemaakt, maar het is maar de vraag of zulke afspraken geldig gemaakt kunnen worden dan wel of de biologische vader, mochten deze afspraken op zichzelf geldig geacht worden, daaraan gehouden kan worden.
(…) Een als “family life” te kwalificeren relatie tussen de donor en het kind kan ook rechtstreeks tussen de donor en zijn kind zijn ontstaan. Dat zal dan wel een stevige band tussen deze twee moeten zijn, die bijvoorbeeld is ontstaan omdat de donor tevens huisvriend van de moeder en haar partner is en daarom veel contact heeft met het kind of omdat hij mede de zorg voor het kind heeft of heeft gehad.”

en voorts op p. 22:

“De leden van de CDA-fractie vroegen of aan de nieuwe voorwaarde [voor adoptie, dat het kind van zijn ouder(s) niets meer te verwachten heeft, M.] voldaan kan zijn wanneer een zaaddonor of een draagmoeder verklaart afstand van een kind te willen doen, terwijl er geen reële beletselen bij hen zijn om een kind te verzorgen en op te voeden. Zij hebben bij voorbeeld eigen kinderen.
Ik onderscheid bij de beantwoording van deze vraag tussen de (bekende) zaaddonor en de draagmoeder. De bekende zaaddonor is de biologische ouder van het kind die in de adoptieprocedure betrokken zal worden als hij in een betrekking staat tot het kind die als “family life” gekwalificeerd kan worden. Die betrekking tot het kind kan voortvloeien uit de relatie die de donor tot de moeder heeft of heeft gehad of uit de verhouding die de donor met het kind zelf heeft opgebouwd. In het bijzonder als de donor met het kind zelf een zodanige relatie met het kind heeft dat die als family life gekwalificeerd kan worden, kan de vraag rijzen of vast kan komen te staan of het kind van de donor niets meer te verwachten heeft. “Family life” op grond van de relatie met het kind wordt niet gemakkelijk aangenomen. Vaak zal het erop neer komen dat de donor in een dergelijk geval het kind mede heeft verzorgd en opgevoed gedurende langere tijd. In dergelijke gevallen zal de donor niet snel afstand doen van het kind. Een donor die geen “family life” heeft met het kind behoeft niet te worden opgeroepen en te worden gehoord. Het is ten aanzien van hem niet nodig vast te stellen of aan het nieuwe criterium wordt voldaan.”

2.8 Het voorgaande kan echter niet tot cassatie leiden omdat de man bij zijn beroep geen belang heeft. Indien tussen de man en het kind al family life zou bestaan, zou de moeder, nu het hier gaat om een ‘gebruikelijke’ situatie als bedoeld in HR 18 mei 1990, NJ 1991, 374, alleen dan misbruik maken van haar bevoegdheid om toestemming tot erkenning te weigeren als zij in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering heeft. De moeder en haar partner streven ernaar samen juridische ouders van [het kind] te worden, zie het verweerschrift in eerste instantie van de moeder p. 3 en haar beroepschrift in hoger beroep p. 5. Daartoe wil de partner van de moeder [het kind] adopteren, hetgeen door de inwerkingtreding op 1 april 2001 van de Wet van 21 december 2000, Stb. 2001, 10 mogelijk is geworden. Dit is een rechtens te respecteren belang, zodat van misbruik door de moeder van haar bevoegdheid tot weigering van toestemming voor erkenning geen sprake is.

2.9 In verband met het gestelde in punt 2.8 behoevende overige klachten geen behandeling.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Neleman, Pos, Beukenhorst, Hammerstein en Kop, in het openbaar uitgesproken door mr. De Savornin Lohman; A-G mr. Moltmaker