Instantie: Centrale Raad van Beroep, 23 januari 2003

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De beslissing van werkgever, het ministerie, tot afwijzing van het verzoek van een mannelijke werknemer om in aanmerking te komen voor kinderopvang is niet in strijd met nationaal of internationaal recht. De onderhavige kinderopvangregeling, die opvangplaatsen alleen ter beschikking stelt aan vrouwelijke werknemers, tenzij sprake is van bijvoorbeeld éénoudergezin of een noodsituatie, is een geoorloofde maatregel tot bestrijding van zware ondervertegenwoordiging van vrouwen op het ministerie van Landbouw. De maatregel is passend en gaat niet verder dan noodzakelijk is voor verwezenlijking van het gestelde doel.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 8 oktober 1996, nr. AWB 96/3670 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 29 januari 1997 heeft appellant de gronden waarop het hoger beroep berust nader aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting op 2 april 1998, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Veldt, werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft vervolgens onder dagtekening van 8 december 1999 op grond van artikel 234 EG aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag gesteld.
Deze vraag heeft geleid tot het arrest van dat Hof van 19 maart 2002 (zaak C-476/99).

Desgevraagd hebben partijen vervolgens hun standpunten waartoe zij op grond van genoemd arrest van het Hof zijn gekomen kenbaar gemaakt en toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.

II. MOTIVERING

1.1. Appellant, werkzaam bij gedaagdes Ministerie, heeft bij brief van 5 december 1995 verzocht om ten behoeve van zijn nog ongeboren kind in aanmerking te komen voor een plaats in het kinderdagverblijf van het Ministerie. Het Ministerie van gedaagde kent een kinderopvangregeling met als uitgangspunt dat kinderopvangplaatsen in principe uitsluitend ter beschikking staan van vrouwelijke werknemers, tenzij sprake is van een noodgeval, dit ter beoordeling van de directeur.

1.2. Bij besluit van 20 december 1995 heeft gedaagde het verzoek van appellant afgewezen, omdat plaatsing van kinderen van mannelijke ambtenaren alleen mogelijk is, indien sprake is van een noodsituatie. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en zich tegelijkertijd tot de Commissie Gelijke Behandeling gewend met het verzoek om een oordeel te geven over de vraag of gedaagde onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving inzake gelijke behandeling.

1.3. Op 25 juni 1996 heeft de Commissie Gelijke Behandeling als haar oordeel uitgesproken dat gedaagde ten opzichte van appellant geen onderscheid naar geslacht in strijd met artikel 1a, lid 1, juncto artikel 5 van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen heeft gemaakt.

1.4. Bij het bestreden besluit van 11 september 1996 heeft gedaagde het door appellant tegen het besluit van 20 december 1995 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij zij geen aanknopingspunten heeft gezien om het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling voor onjuist te houden. Voorts heeft de rechtbank het beroep van appellant op schending van het gelijkheidsbeginsel en schending van artikel 6 van de Aanbeveling van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende kinderopvang (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 8 mei 1992 L 123, blz. 16, hierna: Aanbeveling), verworpen.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat gedaagde niet heeft aangetoond, dat door de kinderopvangregeling daadwerkelijk meer vrouwen na hun zwangerschapsverlof bij het Ministerie in dienst zijn gebleven, dat bij het overgrote deel van de Ministeries in Nederland mannelijke werknemers wel op gelijke wijze als vrouwelijke werknemers kunnen profiteren van kinderopvangregelingen en dat de omvang van de middelen die ter beschikking staan geen argument kan zijn om mannen uit te sluiten. Voorts heeft appellant zijn beroep op schending van artikel 6 van de Aanbeveling gehandhaafd en tevens aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2, lid 4, van de richtlijn van de Raad van de EG van 9 februari 1976 nr. 76/207/EEG, betreffende de tenuitvoer-legging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (hierna: richtlijn 76/207).

3.2. Gedaagde heeft zijn standpunt in hoger beroep gehandhaafd en aangegeven uit de tekst van artikel 2, lid 4, van de richtlijn 76/207 niet de conclusie te kunnen trekken dat dit artikel is geschonden.

4. In geschil is de weigering van gedaagde om appellant in aanmerking te brengen voor een kindplaats voor zijn zoon, op de grond dat hij een mannelijke werknemer is, wiens geval niet als noodgeval kan worden aangemerkt. Daarbij spitst het geding zich toe op de vraag of dit besluit in overeenstemming is met bepalingen van nationaal, internationaal of supranationaal recht, in het bijzonder met het bepaalde in artikel 2, leden 1 en 4 van richtlijn 76/207.

4.1. In richtlijn 76/207 is voorzover in casu van belang bepaald:
Artikel 2
1. Het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de hierna volgende bepalingen houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie.
4. Deze richtlijn vormt geen belemmering voor maatregelen die beogen te bevorderen dat mannen en vrouwen gelijke kansen krijgen, in het bijzonder door feitelijke ongelijkheden op te heffen, welke de kansen van de vrouwen op de in artikel 1, lid 1, bedoelde gebieden nadelig beïnvloeden.
Artikel 5
1. De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden zonder discriminatie op grond van geslacht.

4.1.1. Ter uitvoering van de richtlijn 76/207 is op 15 maart 1980 in werking getreden de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Voorts is van belang de Algemene wet gelijke behandeling, wet van 2 maart 1994, Stb. 230, in werking getreden op 1 september 1994. Voornoemde wetgeving dient naar vaste rechtspraak uitgelegd te worden overeenkomstig richtlijn 76/207. Om deze reden zal de Raad zich primair richten op de betekenis van genoemde richtlijn 76/207.

4.2. De Raad heeft, zoals in rubriek I is vermeld, in het kader van dit geding de volgende prejudiciële vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen:
“Verzet artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden zich tegen een regeling van een werkgever op grond waarvan gesubsidieerde kinderopvangplaatsen uitsluitend ter beschikking staan aan vrouwelijke medewerksters, tenzij zich ten aanzien van een mannelijke werknemer een door zijn werkgever te beoordelen noodgeval voordoet.”

4.3. Het Hof heeft in zijn in rubriek I genoemde arrest naar aanleiding van deze vraag voor recht verklaard:
“Artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich niet tegen een regeling die door het ministerie is ingevoerd ter bestrijding van een situatie van zware ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen dat ministerie en die, in een context die wordt gekenmerkt door een tekort aan geschikte en betaalbare kinderopvang, de in aantal beperkte gesubsidieerde kinderopvangplaatsen die het ministerie ter beschikking van zijn personeel stelt, uitsluitend voorbehoudt aan vrouwelijke werknemers, terwijl mannelijke werknemers slechts toegang tot die plaatsen kunnen krijgen in door de werkgever te beoordelen noodgevallen. Dit geldt echter alleen mits deze uitzondering ten behoeve van mannelijke werknemers in het bijzonder aldus wordt uitgelegd, dat degenen onder hen die alleenstaand ouder zijn onder dezelfde voorwaarden als vrouwelijke werknemers toegang tot dit stelsel van kinderopvang kunnen krijgen.”

4.4. Het Hof heeft zijn oordeel – verkort weergegeven – doen steunen op de volgende overwegingen.

4.4.1. De beschikbaarstelling door de werkgever aan zijn werknemers van kinderopvangplaatsen op of buiten de werkplek dient te worden aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde in de zin van richtlijn 76/207.

4.4.2. Een regeling waarmee een werkgever de kinderopvangplaatsen die hij ter beschikking van zijn personeel stelt, uitsluitend voorbehoudt aan vrouwelijke werknemers, tenzij sprake is van een door hem als zodanig aan te merken noodgeval, leidt tot een verschil in behandeling op grond van geslacht als bedoeld in artikel 2, lid 1, en artikel 5, lid 1 van richtlijn 76/207. De situaties van een mannelijke en een vrouwelijke werknemer, vader respectievelijk moeder van jonge kinderen, zijn immers in die zin vergelijkbaar dat beide werknemers gedwongen kunnen zijn gebruik te maken van kinderopvang omdat zij een beroep uitoefenen. Derhalve dient te worden nagegaan of de onderhavige kinderopvangregeling niettemin toelaatbaar is op grond van artikel 2, vierde lid, van richtlijn 76/207, waarin is bepaald dat genoemde richtlijn geen belemmering vormt voor maatregelen die beogen te bevorderen dat mannen en vrouwen gelijke kansen krijgen, in het bijzonder door feitelijke ongelijkheden op te heffen welke de kansen van de vrouwen op de in artikel 1, eerste lid, bedoelde gebieden (o.a. toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen en de arbeidsvoorwaarden) nadelig beïnvloeden.

4.4.3. Indien ten tijde van de vaststelling van de desbetreffende circulaire en de feiten in geding de situatie binnen het Ministerie van LNV werd gekenmerkt door een zware ondervertegenwoordiging van vrouwen, zowel qua aantal als wat de bezetting van posten in de hogere rangen betreft, indien er een onvoldoende capaciteit aan geschikte en betaalbare kinderopvang was en indien juist die onvoldoende capaciteit in het bijzonder voor vrouwelijke werknemers een reden vormt om hun werk op te geven, acht het Hof een maatregel als in dit geding aan de orde – als onderdeel van een beperkt plan ter verwezenlijking van gelijke kansen, voorzover aan vrouwen geen arbeidsplaatsen worden voorbehouden, maar vrouwen de voortzetting en ontwikkeling van hun beroepsloopbaan wordt vergemakkelijkt door bepaalde arbeidsvoorwaarden – in beginsel te behoren tot de maatregelen die de oorzaken van de geringere kansen van toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt en tot een loopbaan wegnemen en die hun mogelijkheden om op de arbeidsmarkt te concurreren en op voet van gelijkheid met mannen een loopbaan op te bouwen, verbeteren.

4.5. Het Hof heeft de Raad ten behoeve van zijn uitspraak opgedragen na te gaan of de omstandigheden waarvan het Hof veronderstellenderwijs is uitgegaan – en die aan de discriminerende maatregel haar ongeoorloofde karakter kunnen ontnemen – zich ten tijde van de vaststelling van de circulaire en ten tijde van het nemen van het bestreden besluit inderdaad binnen gedaagdes Ministerie voordeden en of er (i) inderdaad sprake was van een zware ondervertegenwoordiging van vrouwen zowel qua aantal als qua bezetting van de hogere rangen, (ii) of er inderdaad een tekort was aan geschikte en betaalbare kinderopvang en voorts (iii) of het ontbreken van voldoende geschikte en betaalbare kinderopvang in het bijzonder voor vrouwelijke werknemers een reden vormt om hun werk op te geven. Na beantwoording van die vragen dient de Raad nog, aan de hand van de daartoe door het Hof in zijn arrest gegeven aanwijzingen, na te gaan of (iv) de onderhavige regeling niet onevenredig is aan het daarmee beoogde doel.

5.1. De Raad overweegt met betrekking tot (i) de positie van vrouwen op gedaagdes Ministerie als volgt.

5.1.1. Op grond van de door gedaagde in geding gebrachte gegevens, waaruit blijkt dat in 1994 ongeveer 25% van het totaal aantal werknemers bij gedaagdes Ministerie vrouw was, is voor de Raad voldoende aannemelijk dat sprake was van een getalsmatig zware ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen dit Ministerie. Van de werknemers ingedeeld in schaal 12 en hoger was zelfs minder dan 11 % vrouw. De Raad heeft geen aanleiding om aan te nemen dat deze percentages ten tijde van het opstellen van de regeling kinderopvang of ten tijde van het nemen van het bestreden besluit significant anders waren. Appellant heeft die gegevens van gedaagde ook niet betwist.
5.2. Met betrekking tot (ii) de capaciteit aan geschikte en betaalbare kinderopvang is niet in geding dat gedaagdes Ministerie in 1995/1996 financiële ruimte had voor 128 kindplaatsen (één plaats per 20 vrouwelijke werknemers) en dat er een wachtlijst voor kinderen van vrouwelijke werknemers was. De Raad acht daarmee voldoende aangetoond dat sprake was van een tekort aan kinderopvang bij gedaagdes Ministerie.

5.3. Met betrekking tot de vraag (iii) of het gebrek aan kinderopvangplaatsen vrouwen vaker dan mannen in verband met de verzorging van kinderen doet afzien van (de voortzetting van) een dienstverband is de Raad met de Commissie Gelijke Behandeling van oordeel dat dit een feit van algemene bekendheid is. De Raad acht zich in dat oordeel voorts gesteund door de considerans van de Aanbeveling van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 mei 1992, L 123/16) waarin die Raad heeft overwogen dat het gebrek aan voor ouders betaalbare kinderopvangvoorzieningen een enorm obstakel vormt voor vrouwen om toegang te krijgen tot en doelmatiger deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Appellants stelling in zijn reactie op het arrest van het Hof dat ouders dezelfde verantwoordelijkheid voor de zorgtaken met betrekking tot kinderen dragen is niet onjuist, de praktijk leert echter dat het met name vrouwen zijn die bij gebrek aan betaalbare kinderopvang hun beroepsloopbaan onderbreken en zorgtaken op zich nemen.

5.4. Onder overneming van het oordeel van het Hof dat de onderhavige kinderopvangregeling onder de door het Hof genoemde omstandigheden een geoorloofde maatregel kan zijn ter bestrijding van een situatie van zware ondervertegenwoordiging van vrouwen in gedaagdes Ministerie, als bedoeld in artikel 2, lid 4, van richtlijn 76/207, concludeert de Raad, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 5.1., 5.2. en 5.3. is overwogen, dat ook aan de feitelijke omstandigheden is voldaan om de onderhavige regeling als een geoorloofde maatregel aan te merken.

5.5. Met betrekking tot de vraag of (iv)de onderhavige regeling niet verder gaat dan passend en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het doel om de voortzetting en de ontwikkeling van de beroepsloopbaan van vrouwen te vergemakkelijken en daarmee een feitelijke ongelijkheid op te heffen – de vraag naar de evenredigheid met het daarmee beoogde doel – overweegt de Raad het volgende.

5.6. Evenals het Hof onderkent de Raad dat een specifiek op de positie van de vrouwelijke werknemer toegesneden regeling als de regeling kinderopvang van gedaagdes Ministerie het gevaar kan inhouden dat de traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen wordt bestendigd. Daar staat echter tegenover dat een regeling zoals appellant voorstaat, waarin mannen in gelijke mate als vrouwen toegang hebben tot de kinderopvangplaatsen, in een situatie met aanzienlijk meer mannelijke dan vrouwelijke werknemers en een schaarste aan opvangplaatsen zoals hier aan de orde, tot gevolg heeft dat nog minder vrouwelijke werknemers de mogelijkheid hebben hun kind(eren) onder te brengen, waardoor de kans bestaat dat zij zullen afzien van hun dienstverband, zoals overwogen in 5.3.

5.7. Voorts heeft een maatregel als hier aan de orde niet tot gevolg dat de betrokken mannelijke werknemers elke toegang tot opvangplaatsen voor hun kinderen wordt ontnomen, nu zij evenals de vrouwelijke werknemers die geen opvangplaats van gedaagde hebben kunnen krijgen in beginsel toegang hebben tot door de dienstenmarkt aangeboden opvangplaatsen.

5.8. Bovendien sluit de onderhavige maatregel mannelijke werknemers niet volledig van de werkingssfeer van de onderhavige regeling uit, nu gedaagde aanvragen van mannelijke werknemers in door hem te beoordelen noodgevallen toe kan wijzen.

5.9. De Raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat de gekozen maatregel passend is en niet verder gaat dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van het gestelde doel, te weten het opheffen van feitelijke belemmeringen ter bevordering dat vrouwen en mannen gelijke kansen krijgen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat gedaagde reeds naar aanleiding van het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling heeft toegezegd dat mannelijke werknemers die alleenstaand ouder zijn in gelijke mate toegang hebben tot de opvangplaatsen als hun vrouwelijke collega’s. Die situatie deed en doet zich ten aanzien van appellant niet voor.

5.10. Ten slotte overweegt de Raad dat het argument van appellant dat andere Ministers de ondervertegenwoordiging van vrouwelijke werknemers binnen hun Ministerie wel door geslachtsneutrale maatregelen zoals flexibilisering van de arbeid en verlofregelingen trachten op te lossen, in dit geding geen rol kan spelen, nu dergelijke regelingen de aanvullende arbeidsvoorwaarden betreffen, die gelet op de aan de Ministers ter zake toekomende beleidsvrijheid per Ministerie kunnen verschillen.

6. Gezien het vorenstaande beantwoordt de Raad de in 4. opgeworpen vraag bevestigend. De regeling waarop gedaagde het bestreden besluit heeft gebaseerd komt niet in strijd met bepalingen van nationaal, internationaal of supranationaal recht, appellant is geen alleenstaande ouder en van een noodsituatie was ook overigens geen sprake. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. Garvelink-Jonkers, Zeilemaker en Wulffraat-van Dijk

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Rotterdam, 7 januari 2003

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Rotterdam

Samenvatting


Betrokkene, afkomstig uit Kameroen, is binnen drie jaar gescheiden van haar Nederlandse man, die ten tijde van het huwelijk haar dochter, die toen ongeveer zes jaar oud was, heeft erkend. De dochter kreeg daardoor de Nederlandse nationaliteit. Binnen het huwelijk was sprake van (seksueel) geweld, waarvoor de echtgenoot ook is veroordeeld. Het verzoek om voortgezet verblijf werd afgewezen. Ook een beroep op art. 8 EVRM baatte niet omdat de IND vond dat de dochter ook weer in Kameroen kon aarden. Eiseres was al uitgeprocedeerd ten tijde van inwerkingtreding van TBV 2000/25 (positie van vrouwen in het vreemdelingenbeleid). Na ongegrondverklaring van het beroep (in 1998) heeft eiseres een nieuwe aanvraag ingediend voor verblijf bij Nederlands kind respectievelijk op medische gronden. Later heeft zij ook een aanvraag gedaan op grond van de witte illegalen regeling. De rechtbank gaat niet in op de invloed die TBV 2000/25 nog kan hebben op deze zaak en verklaart het beroep gegrond op art. 8 EVRM.

Volledige tekst

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op […] 1965, bezit de Kameroense nationaliteit. Zij stelt sedert 29 december 1995 – samen met haar dochter – als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland te verblijven. Op 28 maart 1996 is zij in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij Nederlandse partner B en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf. De aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking van haar vergunning tot verblijf – in verband met de beëindiging van haar huwelijk – is afgewezen bij besluit van 30 december 1996. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar is op 30 juli 1997 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 april 1998 (AWB 97/9648) is het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard, met instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Bij gelijke datum is het verzoek om een voorlopige voorziening d.d. 23 juli 1997 afgewezen (AWB 97/8525).

Op 11 mei 1998 heeft eiseres een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel "medische behandeling c.q. klemmende redenen van humanitaire aard”. Op 8 december 1998 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij haar Nederlandse kind C, geboren op […] 1987. Op 25 november 1999 heeft zij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van de ”tijdelijke regeling witte illegalen” zoals neergelegd in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23.

Op de aanvraag met als doel "medische behandeling c.q. klemmende redenen van humanitaire aard” en de aanvraag met als doel verblijf bij haar Nederlandse kind is op 3 januari 2000 afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
Op de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van TBV 1999/23 is op 29 mei 2000 afwijzend beslist. Tegen dit besluit heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend.

Op 3 januari 2001 heeft verweerder de twee bezwaarschriften – in één besluit – ongegrond verklaard.

2. Op 26 januari 2001 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2002. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Verweij, ambtenaar ten departemente.

4. De rechtbank heeft het onderzoek op 23 juli 2002 heropend, en heeft de zaak voor nadere behandeling ter zitting doorverwezen naar de meervoudige kamer.

5. Op 7 november 2002 heeft een nader onderzoek ter zitting van een meervoudige kamer plaatsgevonden. Ter zitting is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb 2000, 495 (Vreemdelingenwet 2000, hierna te noemen: Vw 2000). De Vreemdelingenwet, Stb 1965, 40 (hierna: Vw) is per deze datum ingetrokken. Het toepasselijke overgangsrecht brengt in hoofdlijnen met zich mee dat, nu het bestreden besluit op bezwaar bekend is gemaakt voor 1 april 2001, op de beoordeling daarvan het voor die datum geldende recht van toepassing is.

1.2. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

1.3. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten – slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

1.4. Het beleid met betrekking tot medische behandeling is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994) in hoofdstuk B16.

1.5. Het beleid met betrekking tot gezinshereniging en gezinsvorming is neergelegd in de Vc 1994, hoofdstuk B1.

1.6. Het beleid met betrekking tot toelating op grond van de tijdelijke regeling voor langdurig illegalen is neergelegd in TBV 1999/23, dat geldig was van 1 oktober tot 1 december 1999. Volgens deze regels gelden onder meer de volgende voorwaarden om voor advisering door de commissie van burgemeesters over de mate van inburgering in aanmerking te komen:
Het verzoek moet tussen 1 oktober 1999 en 1 december 1999 zijn ingediend;
De vreemdeling dient aan te tonen dat hij vanaf 1 januari 1992 onafgebroken woonplaats in Nederland heeft gehad;
De vreemdeling moet in elk geval vanaf 1 januari 1992 tot 1 juli 1998 (rechtmatig) in het bezit zijn geweest van een sofi-nummer;
De vreemdeling moet in het bezit zijn van een geldig paspoort;
De vreemdeling mag gedurende de onder twee genoemde periode niet Nederland zijn uitgezet;
De vreemdeling mag niet in het bezit zijn geweest of gebruik hebben gemaakt van (ver)vals(t)e documenten;
De vreemdeling mag geen onjuiste gegevens hebben verstrekt;
Er mag geen sprake zijn van criminele antecedenten.

2. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf en voert daartoe in de gronden van haar beroep het navolgende aan.
Terzake van de weigering van verweerder tot verlening van een vergunning tot verblijf vanwege medische behandeling heeft eiseres aangevoerd dat zij van 17 september 1997 tot juni 1999 onder behandeling is geweest bij de Riagg vanwege een posttraumatische stress-stoornis die is veroorzaakt door langdurige mishandeling door haar ex-echtgenoot. Zij wijst erop dat de Medisch Adviseur – in zijn rapport van 16 december 1999 – van oordeel was dat haar behandeling niet in het land van herkomst kon plaatsvinden. De Medisch Adviseur stelt weliswaar dat haar behandeling niet aan Nederland is gebonden, doch niet is in te zien waar deze behandeling anders zou moeten plaatsvinden.
Aangaande de aanvraag om een vergunning tot verblijf bij haar kind stelt eiseres zich op het standpunt dat gedwongen terugkeer naar Kameroen een definitief einde betekent voor het gezinsleven tussen haar en haar dochter en dat haar dochter dan in Nederland in een pleeggezin of een gezinsvervangend tehuis zal moeten worden geplaatst. Het ontbreken van inkomen kan haar niet worden tegengeworpen, aangezien het voor haar onmogelijk was om gedurende de thans lopende procedure arbeid te verrichten en daarmee inkomen te verwerven. Het gezinsleven tussen moeder en dochter is tijdens legaal verblijf in Nederland tot stand gekomen. Derhalve vormt de weigering van verweerder eiseres voor toelating in Nederland in aanmerking te laten komen wel degelijk een inmenging in het gezinsleven. De leeftijd van de dochter en het feit dat deze al langere tijd onderwijs in Nederland volgt, dienen bij de belangenafweging te worden betrokken.
Voorts beroept eiseres zich op het bepaalde in paragraaf 3.4 van het Tussentijds Bericht Vreemdelingen (TBV) 2000/25. Dit TBV kent een zwaar gewicht toe aan ondervonden (seksueel) geweld binnen de verbroken relatie. Eiseres stelt dat zij aantoonbaar is mishandeld en dat haar ex-echtgenoot hiervoor is veroordeeld. Verder heeft zij de zorg voor haar dochter die een opleiding volgt. In Kameroen is geen opvang voorhanden en verweerder heeft in dezen nagelaten om een individueel ambtsbericht op te vragen bij de Minister van Buitenlandse Zaken.
Tot slot stelt eiseres dat verweerder – terzake van het TBV 1999/23 – ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Eiseres wijst op een brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer van 1 februari 1999, waarin is toegezegd dat van deze discretionaire bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt in geval van een combinatie van bijzondere factoren. Zij stelt dat in casu sprake is van een dergelijke combinatie van bijzondere factoren. Zo heeft haar dochter geen enkel contact meer met haar ex-echtgenoot en is eiseres bekleed met het eenouderlijk gezag en zijn er medische factoren die tot toelating nopen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voor toelating in aanmerking komt.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1. Ten aanzien van de grief van eiseres terzake van haar aanvraag vanwege medische behandeling c.q. klemmende redenen van humanitaire aard overweegt de rechtbank als volgt.
5.2. Niet in geschil is dat eiseres op het moment van het bestreden besluit – te weten 3 januari 2001 – niet meer onder behandeling was bij de Riagg. Deze behandeling is blijkens het voorliggende dossier omstreeks juni 1999 gestaakt. De grief van eiseres op dit punt kan reeds daarom niet slagen.

6.1. Ten aanzien van de grief van eiseres dat zij in aanmerking komt voor toelating op grond van TBV 1999/23 overweegt de rechtbank als volgt.

6.2. Ingevolge TBV 1999/23 wordt een verzoek om advies over de mate van inburgering door de commissie van burgemeesters slechts in behandeling genomen, indien – cumulatief – wordt voldaan aan de 8 in dit TBV genoemde voorwaarden. De rechtbank acht dit beleid, mede gelet op de ontstaansgeschiedenis daarvan, niet kennelijk onredelijk.

6.3. Niet in geschil is, dat eiseres in ieder geval niet voldoet aan voorwaarde 2 van voornoemd beleid. Mitsdien staat vast dat niet is voldaan aan één van de in TBV 1999/23 cumulatief gestelde voorwaarden.

6.4. De stelling van eiseres dat verweerder in casu ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt hierbij dat, gelet op de ontstaansgeschiedenis en het doel van TBV 1999/23, reeds sprake is van uitzonderingsbeleid en dat verweerder slechts in uitzonderlijke omstandigheden gehouden is gebruik te maken van zijn afwijkingsbevoegdheid. De rechterlijke toetsing hiervan is een marginale. De rechtbank is van oordeel dat in casu niet gezegd kan worden dat verweerder niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan zijn beleid, omdat naar haar oordeel geen sprake is van een samenstel van bijzondere individuele omstandigheden dat verweerder ertoe zou moeten brengen van het beleid af te wijken.

6.5. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres in redelijkheid niet in aanmerking heeft hoeven brengen voor advisering door de commissie van burgemeesters.

7.1. Eiseres heeft een beroep gedaan op artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierin is – voor zover hier van belang – bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven (“family life”). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

7.2. De rechtbank is van oordeel dat tussen eiseres en haar dochter familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM bestaat. Dit is verder ook niet in geschil.

7.3. Volgens vaste jurisprudentie is geen sprake van inmenging in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven indien de bestreden beschikking er niet toe strekt de vreemdeling een verblijfstitel op grond van artikel 9 of 10 Vw te ontnemen die hem tot uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande in staat stelde.
In casu is in het bestreden besluit aan eiseres geen verblijfsvergunning ontnomen en is evenmin de weigering van voortgezet verblijf aan de orde. De aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking van haar vergunning tot verblijf – in verband met de beëindiging van haar huwelijk – is immers reeds in een eerdere procedure afgewezen. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar is op 30 juli 1999 ongegrond verklaard. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. Gelet hierop is in casu geen sprake van inmenging als hierboven bedoeld.

7.4. Indien geen sprake is van inmenging, dan rijst de vraag of zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op respect voor het familie- en gezinsleven niettemin voor verweerder de positieve verplichting voortvloeit aan de vreemdeling verblijf hier te lande toe te staan. Teneinde die vraag te beantwoorden, dient een op de individuele zaak toegespitste belangenafweging te worden gemaakt, waarbij de Nederlandse Staat een “certain margin of appreciation” toekomt. Daarbij moet in elk geval worden vastgesteld of sprake is van een objectieve belemmering om het familie-en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

Eiseres heeft in de gronden van haar beroep dienaangaande aangevoerd dat terugkeer naar Kameroen onmogelijk is en dat haar dochter de Nederlandse nationaliteit heeft en in staat moet worden gesteld haar onderwijs in Nederland te genieten. Haar dochter is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving en presteert goed op school- zij zit inmiddels op het VWO – en dit had van doorslaggevend belang moeten zijn bij de in dit kader te verrichten belangenafweging. Verder zou eiseres – zodra het haar wordt toegestaan – niets liever willen dan zelf in haar onderhoud voorzien.
Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het recht van de dochter om haar opvoeding en opleiding in Nederland te genieten, niet opweegt tegen het door de overheid te behartigen algemeen belang van de bescherming van het economisch welzijn. Hierbij heeft verweerder de omstandigheid betrokken dat eiseres en haar dochter ten laste komen van de algemene middelen. Ook was eiseres er al geruime tijd van op de hoogte dat haar geen verblijf werd toegestaan. De familie van eiseres verblijft in Kameroen en eiseres en haar dochter hebben geen directe familie met de Nederlandse nationaliteit. De enkele omstandigheid dat de dochter van eiseres hier te lande naar school gaat is onvoldoende om van een dusdanige worteling in de Nederlandse samenleving te spreken, dat om die reden niet van haar verlangd kan worden om met haar moeder mee naar Kameroen te gaan. In zijn verweerschrift d.d. 12 juni 2002 stelt verweerder voorts dat het voor de dochter van eiseres geen onoverkomelijk probleem moet zijn om terug te keren naar Kameroen, aangezien zij een dergelijke aanpassing reeds eerder – te weten na haar vertrek van Kameroen naar Nederland – goed heeft doorstaan. De dochter van eiseres heeft verder haar eerste acht levensjaren in Kameroen doorgebracht.

7.5. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat bij afweging van de belangen van verweerder en die van eiseres in redelijkheid aan de belangen van eiseres meer gewicht moet worden toegekend.
Daarbij kent de rechtbank veel gewicht toe aan de omstandigheid dat de dochter van eiseres – die de Nederlandse nationaliteit heeft en die er mitsdien aanspraak op heeft in Nederland te verblijven en haar verzorging, opvoeding en opleiding hier te lande te genieten – sedert haar komst naar Nederland met goede resultaten naar school gaat. Voorts kent de rechtbank gewicht toe aan het wezenlijk belang van een intensief en regelmatig contact tussen kinderen en hun ouders. Niet in geschil is dat de dochter van eiseres geen contact meer heeft met haar vader, waardoor zij niet door hem kan worden opgevangen. Ook overigens is er in Nederland geen familie voorhanden die deze taak op zich zou kunnen nemen. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden – mede gelet op haar leeftijd – niet van de dochter worden gevergd dat zij haar opleiding in Nederland beëindigt en haar moeder volgt naar hun land van herkomst teneinde aldaar door haar moeder te worden verzorgd en opgevoed. Een eventuele mogelijkheid om in een pleeggezin of kindertehuis te worden opgevangen miskent het recht van de dochter door haar moeder te worden opgevoed en verzorgd. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat in dit geval geen doorslaggevende betekenis toekomt aan het feit dat eiseres ten laste komt van de openbare middelen. Eiseres merkt in dit verband terecht op dat het haar niet is toegestaan arbeid te verrichten.

7.6. Uit het voorgaande volgt dat, gelet op het bepaalde in artikel 8 EVRM, in dit geval aan het belang van eiseres bij verblijf in Nederland (bij haar Nederlandse dochter), een zodanige betekenis toekomt dat het belang van de Nederlandse staat om met het oog op het economisch welzijn een restrictief toelatingsbeleid te voeren hier moet wijken voor het belang van eiseres bij toelating teneinde haar dochter hier te lande te kunnen verzorgen en opvoeden. Derhalve slaagt het beroep op artikel 8 EVRM.

8. Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank niet meer toe aan de overige geschilpunten.

9. Het bestreden besluit dient – nu het onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd is waar het betreft de aanspraken die eiseres aan artikel 8 EVRM kan ontlenen – vernietigd te worden. Het beroep is derhalve gegrond.

10. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 805 euro (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 27 juni 2002 en een half punt voor het verschijnen ter zitting op 7 november 2002; waarde per punt 322 euro en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De rechtbank ‘s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad 805 euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

5. Gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiseres betaalde griffierecht ad € 102,10 (fl 225,-)vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Rechters

Mrs. Derkx, Meskers en Duinhof

Instantie: Kantonrechter Emmen, 20 december 2002

Instantie

Kantonrechter Emmen

Samenvatting


Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van reorganisatie en het vervallen van de functie. Werkneemster is zwanger. Hoewel het verzoek niet samenhangt met een opzegverbod (zwangerschap) houdt de rechter toch rekening met dit verbod, dat is vastgelegd in art. 7:670 lid 2 BW. Daarbij is tevens van belang dat het verbod op grond van art. 7:670b lid 2 niet geldt bij opzegging wegens beëindiging van werkzaamheden van (een deel van) de onderneming, behoudens bij zwangerschap of bevalling. Het verzoek wordt afgewezen.

Volledige tekst

OVERWEGINGEN

1. DE FEITEN

1.1 Verweerster -hierna te noemen D. is sedert 18 oktober 1999 in dienst van verzoekster – hierna te noemen EW. Laatstelijk was D. werkzaam als district assistent tegen een salaris van € 768,44 bruto per maand bij een werkweek van twintig uur.
1.2. Blijkens een schriftelijke verklaring van de verloskundige C.A.M. Eshuis-Lieberom te Emmen d.d. 13 augustus 2002 is D. zwanger en zal de bevalling vermoedelijk plaats vinden op 30 januari 2003.
1.3. Het zwangerschapsverlof van D. is ingegaan op 19 December 2002. Haar bevallingsverlof zal vermoedelijk ingaan op 2 februari 2003 en eindigen op 14 april 2003.

2. HET STANDPUNT VAN EW

2.1. Haar bedrijf wordt met ingang van l januari 2003 gereorganiseerd. De administratieve werkzaamheden van de regio’s Noord, Oost en Twente worden gebundeld in één kantoor te Hengelo. Zij zal dan een nieuw automatiseringssysteem en personeelsinformatie-verwerkingssysteem in gebruik nemen.
2.2. De werkzaamheden van D. bestonden uit fungeren als telefoniste/receptioniste en het administratief invoeren van gewerkte uren in excelbestanden vanuit het pand van EW te Emmen.
2.3. Als gevolg van de reorganisatie zal dit kantoorpand met ingang van 1 januari 2003 nog slechts gebruikt worden als vergaderruimte voor haar managers en alle taken die D. vervulde zullen dan vervallen.
2.4. Binnen haar bedrijf is geen passende functie voor D. beschikbaar.
2.5. Dit alles levert een wijziging in de omstandigheden op. Omdat zij op zo kort mogelijke termijn zekerheid wenst omtrent de functie van D. verzoekt zij de arbeidsovereenkomst met D. met ingang van l januari 2003 te ontbinden onder toekenning van een vergoeding berekend conform de kantonrechtersformule met factor C = 1.

3. HET STANDPUNT VAN D.

3.1. Na het in de Wet arbeid en zorg geregelde zwangerschaps- en bevallingsverlof, vermoedelijk tot 14 april 2003, geldt voor haar nog een opzegverbod gedurende zes weken dus tot 26 mei 2003.
3.2. Gelet op de reflexiverking van het opzegverbod van artikel 7:670, lid 2 BW kan de arbeidsovereenkomst niet ontbonden worden voor 26 mei 2003 dan wel niet voor 14 april 2003. Het gaat niet aan de arbeidsovereenkomst te ontbinden gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof en zes weken daarna.
3.3. Indien zij als gevolg van de bevalling na afloop van het bevallingsverlof arbeidsongeschikt mocht zijn zal ook dan nog een opzegverbod blijven gelden. Mede daarom is haar belang bij voortzetting van de arbeidsverhouding met EW groter dan dat van EW bij ontbinding.
3.4. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat haar functie niet vervallen is. Zij verrichtte ook andere werkzaamheden dan de onder 2.2 vermelde.
3.5. EW dient in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard te worden dan wel dient dit verzoek te worden afgewezen.

4. BEOORDELING

4.1. EW heeft gesteld dat het ontbindingsverzoek niet samenhangt met een opzegverbod als bedoeld in artikel 685, lid 1 BW. D. heeft dit niet weersproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat hetgeen EW dienaangaande gesteld heeftjuist is.
4.2. Nochtans dient bij de beantwoording van de vraag of het ontbindingsverzoek voor inwilliging vatbaar is rekening te worden gehouden met het opzegverbod van artikel 670, lid 2 BW. In dat verband oordeel ik relevant dat artikel 670b, lid 2 BW bepaalt dat de opzegverboden van artikel 7:670 BW niet gelden indien de opzegging geschiedt wegens beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van het onderdeel daarvan waarin de werknemer werkzaam is doch dat het verbod tot opzegging om die reden
expliciet gehandhaafd is voor de werknemer die zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet.
4.3. Daarom zou EW, opdat haar verzoek voor inwilliging vatbaar zou zijn, andere bijzondere redenen hebben moet opgeven dan het enkele feit dat zij binnen haar bedrijf een reorganisatie doorvoert die mogelijk als beëindiging van de werkzaamheden in een gedeelte van haar onderneming kan worden aangemerkt. EW heeft dit echter niet gedaan.
4.4. Onder de in artikel 7:685 BW bedoelde verandering in de omstandigheden die er billijkheidshalve toe moeten leiden dat een arbeidsovereenkomst terstond of na korte termijn dient te eindigen oordeel ik niet begrepen het enkele intreden van de omstandigheid – in casu de reorganisatie – die als opzeggingsgrond is uitgesloten.
4.5. Ten overvloede merk ik op dat ik het belang van D.bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst, mede gelet op hetgeen onder 3.3 vermeld is, aanzienlijk groter oordeel dan het belang van EW bij ontbinding. Het belang van EW is, naar zij gesteld heeft, immers uitsluitend gelegen in het verkrijgen van zekerheid omtrent de functie van D. in verband met de reorganisatie.
4.6. Nu het ontbindingsverzoek zal worden afgewezen zal EW worden veroordeeld in de aan de zijde van D. gevallen proceskosten.

Rechters

Mr. Lafleur

Instantie: Kantonrechter ‘s-Hertogenbosch, 19 december 2002

Instantie

Kantonrechter ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Verspreiding van pornografische afbeeldingen via e-mail op het werk. Nu de richtlijnen van werkgever voor communicatie en het gebruik van e-mail niet duidelijk aangeven welk gebruik is toegestaan en de verantwoordelijkheid daarvoor bij de werknemers zelf wordt gelaten, kunnen de werknemers zelf beoordelen wat acceptabel is. Kennelijk hanteert de werkvloer andere normen dan de directie. Nu nooit eerder is opgetreden tegen ongeoorloofd gebruik en niet gebleken is dat iemand aanstoot heeft genomen aan het bericht, wordt het ontbindingsverzoek afgewezen.

Volledige tekst

1. DE PROCEDURE

(…)

2. INLEIDING

1. Tussen partijen is in confesso dat V. op 5 april 1993 in dienst is getreden van de Stichting en laatstelijk parttime (80%) werkzaam is geweest als psychiatrisch verpleegkundige tegen een bruto salaris (exclusief vakantiegeld en onregelmatigheidstoeslag) van € 2.077 per maand. V. is thans 45 jaar oud.

2. De Stichting grondt het verzoek op de stelling dat, zo mocht blijken dat een gegeven ontslag op staande voet geen stand kan houden, in elk geval gewichtige redenen bestaan om de bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. De Stichting voert daartoe aan dat zich een dringende reden voordoet als bedoeld in artikel 7:677, lid 1 BW, althans dat zich een verandering in de omstandigheden heeft voorgedaan die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

3.1. Ter toelichting op deze stellingname heeft de Stichting aangevoerd dat V. vanaf zijn werkplek en met gebruikmaking ven electronische communicatiemiddelen die hij in het kader van de uitoefening van zijn functie ter beschikking had, afbeeldingen heeft verspreid onder 13 collegae binnen de vestiging waar hij werkzaam was, naar twee collegae in een andere vestiging van de Stichting en naar één persoon buiten de organisatie van de Stichting. Deze afbeeldingen waren pornografisch van aard. Dit gebruik van de electronische infrastructuur was niet toegestaan, hetgeen bij V. bekend was, althans kon en behoorde te zijn, omdat de Stichting richtlijnen hanteert voor de communicatie (productie 2 bij inleidend verzoek) en een protocol voor e-mailverkeer (productie 3 bij inleidend verzoek), waarvan de inhoud bij V. bekend mag worden verondersteld. Bovendien heeft zij technische maatregelen genomen om de mogelijkheid tot verspreiding van dergelijke afbeeldingen te voorkomen, doordat zij in haar elektronische infrastructuur een filter (in de vorm van een stukje software) heeft ingebouwd dat voorkomt dat via e-mail van buiten haar organisatie afbeeldingen van pornografische aard op haar netwerk binnen kunnen komen.

3.2. V. heeft, desbewust, wetende dat de Stichting niet gediend was van dit soort afbeeldingen op haar netwerk, gehandeld in strijd met deze richtlijnen en dit protocol. Dat volgt uit het feit dat hij de gewraakte foto’s niet van huis uit per e-mail naar zijn werkplek heeft gezonden, maar ze (om genoemd filter te ontlopen) op een floppydisk heeft geladen en vanaf die diskette heeft geladen op hem door de stichting ter beschikking gestelde PC. Bovendien werd in het begeleidend e-mailbericht gewaarschuwd voor het feit dat er schokkende beelden bijgesloten waren, zodat V. zich ook bewust moet zijn geweest van het feit dat derden aan deze afbeeldingen aanstoot konden nemen. Voor zover dat geen dringende reden voor een
ontslag op staande voet oplevert is daardoor in elk geval het door de Stichting in V. te stellen vertrouwen dusdanig geschonden dat zulks een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.

3.3. De arbeidsovereenkomst is op grond van een dringende reden op 4 oktober 2002 met onmiddellijke ingang door de Stichting opgezegd. Bij brief van 9 oktober 2002 heeft V. de nietigheid van dit ontslag ingeroepen. In een gelijktijdig met dit voorwaardelijk verzoek behandeld kort geding vordert V. onder meer (zakelijk weergegeven) wedertewerkstelling en
doorbetaling van salaris.

4. 1. V. heeft tegen het verzoek – zakelijk weergegeven – het navolgende tot weergegeven – het navolgende tot verweer aangevoerd. De rondgestuurde afbeeldingen waren niet pornografisch van karakter. Het gaat om groteske en ridicule afbeeldingen die bij wijze van grap zijn rondgestuurd. Ook de verwijzing naar het schokkende karakter van de afbeeldingen is bij wijze van grap in het begeleidende bericht opgenomen. Gelet op de aard van het werk hebben de collegae van V. een uitlaatklep nodig in de vorm van humor en in dat kader heeft hij de gewraakte afbeeldingen rondgestuurd, waarbij het e-mailtje per abuis bij een leidinggevende terecht is gekomen. Dat de directie van de Stichting de humor van de foto’s niet inziet kan hem niet worden verweten. De collegae aan wie het mailtje is verzonden doen dat wel, althans hadden geen bezwaar tegen het bericht. Binnen de bedrijfscultuur op de werkvloer van de Stichting is het zenden van dit soort mailtjes niet ongebruikelijk. Bij de collegae bestaat dan ook geen enkel begrip voor de harde reactie van de Stichting.

4.2. V. bestrijdt dat hem in de richtlijnen betreffende de communicatie binnen de Stichting of in het e-mailprotocol wordt verboden dit soort afbeeldingen rond te sturen. Deze stukken zijn, zo V. ze al tijdig onder ogen zou hebben gekregen, op dit punt geenszins duidelijk.
Zij laten de verantwoordelijkheid voor de inhoud van berichten bij de zender, zonder duidelijk aan te geven wat wel en wat niet geoorloofd is. In de huidige tijd moet een werkgever een zekere mate van privé-gebruik van de e-mail tolereren. De grenzen van het betamelijke zijn daarbij niet overschreden.

4.3. Voor zover er al aanleiding zou bestaan tot het treffen van maatregelen tegen V. is een ontslag op staande voet (mede gelet op de onduidelijkheden in de richtlijnen en het protocol) niet gerechtvaardigd, maar had met een minder vergaande sanctie volstaan kunnen en moeten worden. De Stichting heeft in onvoldoende mate rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, met name niet met het feit dat op het functioneren van V. als psychiatrisch verpleegkundige gedurende 9,5 jaar niets aan te merken is geweest. V. wordt geslachtofferd voor een praktijk die redelijk gangbaar is binnen de Stichting.

5. Voor een nadere feitelijke onderbouwing van de standpunten zij verwezen naar de stukken van het geding. De afbeeldingen in kwestie zijn overgelegd als productie 5 bij inleidend verzoekschrift.

3. DE BEOORDELING

6. De kantonrechter is niet gebleken van het bestaan van een in deze relevant verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

7. De onderhavige beschikking wordt gegeven voor het geval dat in rechte moet worden aan genomen dat het ontslag op staande voet geen stand kan houden. Nu geen formele gebreken aan het ontslag op staande voet zijn aangevoerd (anders dan het ontbreken van toestemming van het CWI voor de opzegging), moet het er voor worden gehouden dat zulks enkel het geval zal zijn indien de kantonrechter in een bodemgeding over het ontslag op staande voet heeft geoordeeld dat de daartoe door de Stichting aangevoerde gronden geen dringende reden opleveren. In dat geval past het niet om de onderhavige procedure de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van het oordeel dat wel een dringende reden zou bestaan.

8.1. De vraag die zich vervolgens voordoet is, of de Stichting in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die maakt dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn moet worden ontbonden.

8.2. In dat verband dient te worden uitgegaan van navolgende, tussen partijen vaststaande feiten.
V. heeft met een begeleidend e-mailbericht een vijftal foto’s verzonden aan dertien collegae binnen de vestiging van de Stichting waar hij werkzaam was, naar twee collegae in een andere vestiging van de Stichting en naar één persoon buiten de organisatie van de Stichting. De foto’s vertonen respectievelijk twee half naakte dames, waarvan met een bewerkingsprogramma de borsten tot buitengewone proporties zijn ” opgeblazen”, een close-up van een vrouwelijk geslachtsdeel waaromheen een afbeelding van een hoofd met opengesperde mond is getatoeëerd, een afbeelding van drie ontklede mensen op een bed, waarbij een manspersoon geklemd ligt tussen twee corpulente vrouwspersonen, een afbeelding van drie baby’s die slapen op kussens op een vloer, waarbij een aantal (omgevallen) bierflessen zichtbaar zijn en een afbeelding van een gebukt staand manspersoon die zijn anus, althans iets dat daar op lijkt, wijd open spert. Het begeleidende bericht bevatte de mededeling dat de foto’s een schokkend karakter hadden. V. heeft deze foto’s op floppy-disk gezet en van een floppy op het netwerk van de Stichting gezet om zo een beveiliging van de Stichting tegen het downloaden van afbeeldingen met een hoog naaktheidsgehalte te omzeilen.

8.3. De Stichting hanteert richtlijnen voor communicatie, waarin onder meer het navolgende is opgenomen:
“- De verantwoordelijkheid voor het gebruik van communicatiemiddelen ligt bij de medewerker zelf. Iedere medewerker is dan ook zélf verantwoordelijk voor de inkomende en uitgaande post in welke vorm dan ook. tenzij dit op de werkplek of op grond van de functie anders is geregeld.
(…)
Bij geen enkel communicatiemiddel is het gebruik van kwetsend taalgebruik toegestaan.
Ook het gebruik van afbeeldingen die hieraan verwant zijn, is niet toegestaan.
Het verzenden en ontvangen van berichten via welk medium dan ook, heeft op enigerlei wijze betrekking op de organisatie en haar producten in het algemeen of op een onderdeel daarvan in het bijzonder.”
De richtlijnen schenken vervolgens op pagina 3 in het bijzonder aandacht aan “E-mailverkeer”. In de vijf daar vermelde aandachtspunten wordt echter geen specifieke aandacht gevraagd voor het versturen van privé-berichten of afbeeldingen. De richtlijnen vermelden niet dat bij ongeoorloofd e-mailgebruik tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal worden overgegaan.

8.4. Voorts hanteert de Stichting een “E-mailprotocol”, dat onder meer vermeldt:
“2.1. De medewerker is verantwoordelijk voor de behandeling van zijn electronische post.
(…)
2.3. Elke medewerkster is gehouden om op gepaste wijze om te gaan met het elektronisch berichtenverkeer. Zeker waar het gaat om niet-functionele berichten is terughoudendheid gewenst. Elke medewerkster is zelf verantwoordelijk en aansprakelijk voor de inhoud van zijn/haar berichten, de maatschappelijke toelaatbaarheid ervan en mogelijke gevolgen daarvan, zeker waar het gaat om zaken als racisme, pornografie, ‘fun’-bestanden e.d.”
Ook het protocol maakt geen gewag van de omstandigheid dat bij ongeoorloofd e-rnailgebruik de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd. Verder blijkt uit dit protocol dat alle uitgaande e-mail automatisch wordt voorzien van een disclaimer, waaruit onder meer blijkt dat het bericht afkomstig is van (een werkplek van) de Stichting. Dit protocol is vastgesteld op september 2001.

9. De kantonrechter merkt op dat noch richtlijnen, noch het protocol, nader concreet aangeeft welk gebruik van het elektronisch berichtenverkeer toegelaten of verboden is. Zowel de richtlijnen als het protocol leggen dienaangaande de verantwoordelijkheid bij de werknemer, daarmee in beginsel dus ook aan de werknemer het oordeel overlatende wat nog
acceptabel is en wat niet meer. Dat de meningen daaromtrent kunnen verschillen, is een feit dat inmiddels in deze zaak wel duidelijk is geworden. Blijkens het grote aantal adhesiebetuigingen ten gunste van V. lijkt “de werkvloer” op dit punt duidelijk andere waarden en normen te hanteren dan de directie c.q. het bestuur van de stichting. Noch de richtlijnen, noch het protocol, noch het plaatsen van een firewall-achtig filter heeft het personeel duidelijk gemaakt dat het verzenden van afbeeldingen als de onderhavige door de directie van de Stichting niet worden getolereerd.

10. Niet gebleken is dat de Stichting ooit eerder tegen een medewerk(st)er is opgetreden vanwege ongeoorloofd gebruik van elektronische communicatiemiddelen.

11. Voorts merkt de kantonrechter op dat niet is gesteld, noch gebleken, dat iemand van de geadresseerden aanstoot heeft genomen aan de inhoud van het bericht. Zelfs de direct leidinggevende van de Stichting die het bericht ontving heeft niet meteen gemeend dat de afbeeldingen volstrekt onaanvaardbaar waren, maar heeft eerst overleg gepleegd met de directie van de Stichting.

12. Ten slotte stelt de kantonrechter vast dat de verzending hoofdzakelijk heeft plaatsgevonden binnen de kring van bekenden van V. en hoofdzakelijk binnen de organisatie van de Stichting zelf. Het als van de Stichting afkomstige bericht is (behoudens bij een bekende van V.) derhalve niet als bericht van de Stichting extern, bij derden terechtgekomen, zodat de goede naam en faam van de Stichting als serieuze instelling voor de geestelijke gezondheidszorg naar buiten toe niet is aangetast.

13. Het moge zo zijn dat de directie is geschokt door het feit dat afbeeldingen zoals hiervoor omschreven via intern berichtenverkeer onder haar werknemers circuleren. De kantonrechter onthoudt zich van een oordeel over het karakter van de afbeeldingen. Opgemerkt zij slechts dat het niet onbegrijpelijk is dat de directie de afbeeldingen onacceptabel vindt: erg fijntjes zijn ze niet. Met name van verpleegkundig personeel in de psychiatrie, dat dagelijks wordt geconfronteerd met mensen die, soms tot in het extreme, afwijkingen vertonen qua gedrag, zou mogen worden verwacht dat het respect opbrengt voor mensen en dat het zich onthoudt van het maken van grappen over personen met gebreken of lichaamseigenschappen die als extreem kunnen worden gekwalificeerd. In dat opzicht kan de kantonrechter zich voorstellen dat de directie is geschokt door hetgeen haar personeel kennelijk als toelaatbaar en “grappig” aanvaardt.

14. Gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 9 is overwogen, is de kantonrechter echter van oordeel dat de Stichting in onvoldoende mate aan haar personeel duidelijk heeft gemaakt wat kon en wat niet kon, terwijl voorts ook niet duidelijk is geweest wat de sanctie op ongewenst e-mailgebruik zou zijn. Door de verantwoordelijkheid ten aanzien van de inhoud van elektronische berichten bij de individuele gebruiker van haar e-mailnetwerk te leggen, zonder zelf duidelijk aan te geven wat zij toelaatbaar acht en wat niet, heeft de Stichting het risico laten bestaan dat berichten die haar onwelgevallig voorkomen op dat netwerk zouden kunnen verschijnen. Daaraan doet niet, althans niet in voldoende mate, af dat V. uit het plaatsen van een filter op de Internetaansluiting had kunnen afleiden dat de Stichting niet gediend was van naaktfoto’s, omdat niet is gebleken dat de plaatsing van dit filter en het daarmee beoogde doel expliciet aan de medewerkers van de Stichting is medegedeeld.

15. Voorzover V. door het verzenden van deze afbeeldingen een vertrouwen van de Stichting heeft geschonden, is de kantonrechter niet gebleken dat die schending van een aard of omvang is geweest die maakt dat de relatie tussen de Stichting en V. onherstelbaar is beschadigd.
De door de Stichting ervaren schending van vertrouwen vloeit immers voort uit onduidelijkheid zijdens haar directie c.q. bestuur omtrent de vraag welk gedrag wel en welk gedrag niet meer acceptabel is en, belangrijker nog vanuit onbekendheid bij haar directie c.q. bestuur met de normen en waarden die door haar personeel op dit punt kennelijk als normaal en acceptabel worden ervaren. De schending van vertrouwen berust dan ook niet zo zeer op verwijtbaar handelen van V., als wel op een verkeerde inschatting van normen en waarden zijdens de Stichting. Niet valt in te zien waarom V., nadat op dit punt duidelijkheid is ontstaan, niet langer in dienst van de Stichting zou kunnen functioneren, te minder niet nu blijkt dat hij niet anders heeft gehandeld dan kennelijk ook andere collegae plachten te doen en niet is gebleken dat de Stichting ook tegen die collegae maatregelen heeft getroffen of van zins is dat te gaan doen.
In dat geval is, bij gebreke aan duidelijke normstelling zijdens de Stichting en bij gebleken goed functioneren van V., geen sprake van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de arbeidsovereenkomst met V. billijkheidshalve op korte termijn moet eindigen. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal derhalve worden afgewezen.

15. De kantonrechter acht daarbij termen aanwezig om zich te onthouden van een beslissing ten aanzien van de proceskosten.

4. DE BESLISSING

De kantonrechter:
Wijst het verzochte af.

Rechters

Mr. Cremers

Open brief aan de lijsttrekkers Tweede-Kamerverkiezingen (over de positie van vrouwen)

Open brief aan de lijsttrekkers Tweede-Kamerverkiezingen

Amsterdam, 18 december 2002

Geachte heer, mevrouw,

U bent lijsttrekker voor uw partij bij de Tweede-Kamerverkiezingen. Bij deze willen wij u oproepen om u tijdens de verkiezingscampagne sterk te maken voor de positie van vrouwen. In de afgelopen kabinetsperiode heeft de positie van vrouwen ons inziens niet de plaats gekregen die zij verdient.

Tijdens de komende verkiezingscampagne zijn er wat ons betreft drie belangrijke thema"s die aandacht verdienen in speeches en debatten, en die ook een plaats zouden moeten krijgen in de kabinetsformatie en de komende regeerperiode.

De participatie van vrouwen in de politiek en met name in het nieuwe kabinet moet ons inziens omhoog. Vindt u dat ook en zo ja, wat gaat uw partij daaraan doen?
De emancipatie van zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen verdient wat ons betreft extra aandacht. Deelt u onze mening en wat zijn de concrete plannen hiervoor van uw partij?
Ook in autochtone kring worden vrouwen nog altijd achtergesteld. Zo is de uitsluiting van vrouwen als volwaardig lid van de SGP in strijd met de Grondwet en met het VN-Vrouwenverdrag. Is deze uitsluiting een belangrijk thema voor uw partij, en wat zou de politiek of de overheid hieraan volgens u moeten doen?
Als achtergrondinformatie sturen wij een notitie mee met concrete aanbevelingen op grond van het VN-Vrouwenverdrag die wij samen met E-Quality hebben opgesteld en die wij in juli jl. aan de kabinetsformateur hebben gestuurd. Wat ons betreft zijn de aanbevelingen in deze notitie nog steeds van kracht.

Voor eventuele verdere informatie kunt u altijd bij ons terecht.

Hoogachtend,

Mr. drs. Margreet de Boer,
directeur

Zie voor verdere informatie de notitie aan de kabinetsformateur van juli 2002

Instantie: Rechtbank Groningen, 12 december 2002

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


De rechtbank acht bewezen verklaard dat verdachte vrouwen onder invloed van voodoo heeft gebracht en de vrouwen vervolgens onder valse voorwendselen vanuit Nigeria naar Nederland heeft gebracht, waar zij gedwongen werden als prostituee te werken.

Volledige tekst

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat
1. zij in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 2 december 1999, te Leek en/of Den Haag, in ieder geval in Nederland en/of in Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een Nigeriaanse vrouw, genaamd [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]), door geweld of een of meer andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld of bedreiging met een of meer andere feitelijkheden, althans door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding tot prostitutie heeft gebracht, in elk geval onder voornoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]) daardoor in de prostitutie belandde, hierin bestaande dat verdachte op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks bovengenoemde periode, te Leek en/of Den Haag, in ieder geval in Nederland en/of in Nigeria, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk die [slachtoffer 1]roepnaam [roepnaam])

– onder de invloed van voodoo heeft gebracht, althans onder de invloed van voodoo heeft doen of laten brengen en/of vanuit Nigeria naar Nederland heeft gebracht of doen of laten brengen onder het/de valse voorwendsel(en), althans een valse voorstelling van zaken, namelijk dat zij in Nederland in een kapsalon, althans als kapster (in ieder geval niet als prostituee) zou kunnen gaan werken en dat zij als kapster veel geld zou kunnen verdienen en/of

– in woonruimte van verdachte en/of haar mededader(s) heeft ondergebracht, wetende dat die [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]) de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was en/of geen, althans (zeer) weinig geld bezat en/of illegaal in Nederland verbleef en/of

– heeft gezegd dat zij (bij haar “Lady Boss”) een schuld had van $ 35.000 (vijfendertigduizend dollar) die terugbetaald moest worden en wanneer zij die schuld niet zou voldoen er ernstige dingen met haar en/of haar familie (in Nigeria) zouden gebeuren en/of naar een door verdachte en/of haar mededader(s) uitgezochte (sex)club heeft gebracht en/of heeft gezegd/opgelegd dat ze een (groot) deel van haar verdiensten uit prostitutie aan verdachte en/of haar mededader(s) moest afdragen (teneinde de schuld van $ 35.000 (vijfendertigduizend dollar) af te lossen) en/of

– die [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]) (aldus) onder een zodanige psychische druk en/of in een zodanige bedreigende en/of afhankelijke situatie heeft gebracht dat die [slachtoffer 1](roepnaam [roepnaam]~ haar verzet (om in de prostitutie te gaan werken) opgaf en/of toegaf aan de wens(en)/eis(en) van verdachte en/of haar mededader(s); althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat dat zij in of omstreeks de periode van I juli 1999 tot en met 2 december 1999, te Leek en/of Den Haag, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uit winstbejag behulpzaam geweest is bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijf in Nederland van een (Nigeriaanse) vrouw genaamd [slachtoffer 1] rpnaam [roepnaam]) en/of een (Nigeriaanse) vrouw genaamd [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]) uit winstbejag gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijf in Nederland, terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat de toegang of dat verblijf van die [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]) wederrechtelijk was, hierin bestaande dat verdachte op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks bovengenoemde periode te Leek en/of Den Haag, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in v vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) uit winstbejag die [slachtoffer 1]
– een vals en/of vervalst paspoort (op naam gesteld van ene [betrokkene]) heeft verschaft of heeft doen of laten verschaffen en/of
– heeft opgehaald/afgehaald of heeft doen of laten ophalen/afhalen uit een opvangcentrum alwaar zij als asielzoekster/vluchtelinge was ondergebracht en/of

– in woonruimte van verdachte en/of van (een van) haar mededader(s) heeft ondergebracht;

2. zij in of omstreeks de periode van 1 december 1999 tot 31 december 1999, te Den Haag, in ieder geval in Nederland en/of in Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ‘een vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2]), door geweld of een of meer andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld of bedreiging met een of meer andere feitelijkheden, althans door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding tot prostitutie heeft gebracht, in elk geval onder voornoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2]), daardoor in de prostitutie belandde, hierin bestaande dat verdachte op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks bovengenoemde periode, te Den Haag, in ieder geval in Nederland en/of in Nigeria, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2])

– vanuit Abuja (Nigeria) naar Nederland heeft gebracht of doen of laten brengen en/of

– in woonruimte van verdachte en/of haar mededader(s) heeft ondergebracht, wetende dat die die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2]) de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was en/of geen, althans (zeer) weinig geld bezat en/of illegaal in Nederland verbleef en/of

– heeft tewerkgesteld in en/of gebracht naar en/of opgehaald van een of meer door verdachte en/of haar mededader(s) bepaalde vitrine(s)/peeskamer(s) en/of (andere) werkkamers/locaties en/of (aldus) onder een zodanige psychische druk en/of in een zodanige bedreigende en/of afhankelijke situatie heeft gebracht dat die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2]) toegaf aan de wens(en)/eis(en) van verdachte en/of haar mededader(s); althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat dat zij in of omstreeks de periode van 1 december 1999 tot en met 31 december 1999 te Den Haag, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uit winstbejag behulpzaam geweest is bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijf in Nederland van een vrouw genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2]) en/of een vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] uit winstbejag gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijf in Nederland, terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat de toegang of dat verblijf van die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] wederrechtelijk was, hierin bestaande dat verdachte op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks bovengenoemde periode te Den Haag, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) uit winstbejag die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2]

– een vals en/of vervalst paspoort (op naam gesteld van ene [betrokkene]) heeft verschaft of heeft doen of laten verschaffen en/of
– heeft opgehaald/afgehaald of heeft doen of laten ophalen/afhalen uit een opvangcentrum alwaar zij als asielzoekster/vluchtelinge was ondergebracht en/of

– in woonruimte van verdachte en/of van (een van) haar mededader(s) heeft ondergebracht;

3. dat zij in of omstreeks de periode van 19 april 2000 tot en met 14 juni 2000 te Den Haag, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uit winstbejag behulpzaam geweest is bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijf in Nederland van een vrouw genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 3] en/of een vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 3] uit winstbejag gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijf in Nederland, terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat de toegang of dat verblijf van die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 3] wederrechtelijk was, hierin bestaande dat verdachte op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks bovengenoemde periode (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) uit winstbejag die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 3]

– in woonruimte van verdachte en/of van (een van) haar mededader(s) heeft ondergebracht en/of

– een vals en/of vervalst paspoort heeft verschaft of heeft doen of laten verschaffen;

4. zij op of omstreeks 14 juni 2000 te ‘s- Gravenhage opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals of vervalst paspoort – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – , terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers was op de personaliapagina van dit paspoort een handtekening geplaatst welke niet met behulp van een pen (rechtstreeks) op deze pagina was geplaatst; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat zij op of omstreeks 14 juni 2000 te ‘s-Gravenhage in het bezit was van een reisdocument, te weten een (Nigeriaans) paspoort, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat op de personaliapagina van dit ~Nigeriaanse) paspoort een handtekening geplaatst welke niet met behulp van een pen (rechtstreeks) op deze pagina was geplaatst;

5. zij in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 13 juni 2000, te ‘s-Gravenhage en/of te Leek, in ieder geval in Nederland en/of in Nigeria, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie naast verdachte bestond uit (onder meer) [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3] en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of ene “[mededader 6]” en/of ene “[mededader 7]” en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk – het tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding (een) ander(en) tot prostitutie brengen (mensenhandel) en/of

– het tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland, dan wel het tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, uit winstbejag gelegenheid middelen of inlichtingen verschaffen bij het verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland terwijl zij en/of die mededader(s) en/of die (andere) deelnemer(s) van bovenbedoelde organisatie wist(en) dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk was (mensensmokkel) en/of

– het plegen van valsheid in geschrifte, althans het voorhanden hebben van valse of vervalste geschriften (reisdocumenten); De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. zij in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 2 december 1999, te Leek en/of Den Haag, in ieder geval in Nederland en/of in Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een Nigeriaanse vrouw, genaamd [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]), door geweld of een of meer andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld of bedreiging met een of meer andere feitelijkheden, althans door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding tot prostitutie heeft gebracht, in elk geval onder voornoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]) daardoor in de prostitutie belandde, hierin bestaande dat verdachte op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks bovengenoemde periode, te Leek en/of Den Haag, in ieder geval in Nederland en/of in Nigeria, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk die [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam])

– onder de invloed van voodoo heeft gebracht, althans onder de invloed van voodoo heeft doen of laten brengen en/of

– vanuit Nigeria naar Nederland heeft gebracht of doen of laten brengen onder het/de valse voorwendsel(en), althans een valse voorstelling van zaken, namelijk dat zij in Nederland in een kapsalon, althans als kapster (in ieder geval niet als prostituee) zou kunnen gaan werken en dat zij als kapster veel geld zou kunnen verdienen en/of

– in woonruimte van verdachte en/of haar mededader(s) heeft ondergebracht, wetende dat die [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]) de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was en/of geen, althans (zeer) weinig geld bezat en/of illegaal in Nederland verbleef en/of

– heeft gezegd dat zij (bij haar “Lady Boss”) een schuld had van $ 35.000 (zegge: vijfendertigduizend dollar) die terugbetaald moest worden en wanneer zij die schuld niet zou voldoen er ernstige dingen met haar en/of haar familie (in Nigeria) zouden gebeuren en/of

– naar een door verdachte en/of haar mededader(s) uitgezochte (seks)club heeft gebracht en/of heeft gezegd/opgelegd dat ze een (groot) deel van haar verdiensten uit prostitutie aan verdachte en/of haar mededader(s) moest afdragen (teneinde de schuld van $ 35.000 (zegge: vijfendertigduizend dollar) af te lossen) en/of

– die [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]) (aldus) onder een zodanige psychische druk en/of in een zodanige bedreigende en/of afhankelijke situatie heeft gebracht dat die [slachtoffer 1] (roepnaam [roepnaam]) haar verzet (om in de prostitutie te gaan werken) opgaf en/of toegaf aan de wens(en)/eis(en) van verdachte en/of haar mededader(s); 2. zij in of omstreeks de periode van 1 december 1999 tot 31 december 1999, te Den Haag, in ieder geval in Nederland en/of in Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2]), door geweld of een of meer andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld of bedreiging met een of meer andere feitelijkheden, althans door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding tot prostitutie heeft gebracht, in elk geval onder voornoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2]), daardoor in de prostitutie belandde, hierin bestaande dat verdachte op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks bovengenoemde periode, te Den Haag, in ieder geval in Nederland en/of in Nigeria, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2])

– vanuit Abuja (Nigeria) naar Nederland heeft gebracht of doen of laten brengen en/of

– in woonruimte van verdachte en/of haar mededader(s) heeft ondergebracht, wetende dat die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2]) de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was en/of geen, althans (zeer) weinig geld bezat en/of illegaal in Nederland verbleef en/of

– heeft tewerkgesteld in en/of gebracht naar en/of opgehaald van een of meer door verdachte en/of haar mededader(s) bepaalde vitrine(s)/peeskamer(s) en/of (andere) werkkamers/locaties en/of (aldus) onder een zodanige psychische druk en/of in een zodanige bedreigende en/of afhankelijke situatie heeft gebracht dat die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 2] ([roepnaam 2]) toegaf aan de wens(en)/eis(en) van verdachte en/of haar mededader(s);

3. dat zij in of omstreeks de periode van 19 april 2000 tot en met 14 juni 2000 te Den Haag, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uit winstbejag behulpzaam geweest is bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijf in Nederland van een vrouw genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 3] en/of een vrouw, genaamd, althans zich noemende, die [slachtoffer 3] uit winstbejag gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijf in Nederland, terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat de toegang of dat verblijf van die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 3] wederrechtelijk was, hierin bestaande dat verdachte op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks bovengenoemde periode (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) uit winstbejag die vrouw, genaamd, althans zich noemende, [slachtoffer 3]

– in woonruimte van verdachte en/of van (een van) haar mededader(s) heeft ondergebracht en/of

– een vals en/of vervalst paspoort heeft verschaft of heeft doen of laten verschaffen; 4. zij op of omstreeks 14 juni 2000 te ‘s-Gravenhage opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals of vervalst paspoort – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers was op de personaliapagina van dit paspoort een handtekening geplaatst welke niet met behulp van een pen (rechtstreeks) op deze pagina was geplaatst;

5. zij in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 13 juni 2000, te ‘s-Gravenhage en/of te Leek, in ieder geval in Nederland en/of in Nigeria, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie naast verdachte bestond uit (onder meer) [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3] en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of ene “[mededader 6]” en/of ene “[mededader 7]” en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

– het tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding (een) ander(en) tot prostitutie brengen (mensenhandel) en/of

– het tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland, en/of het tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, uit winstbejag gelegenheid middelen of inlichtingen verschaffen bij het verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland terwijl zij en/of die mededader(s) en/of die (andere) deelnemer(s) van bovenbedoelde organisatie wist(en) dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk was (mensensmokkel) en/of

– het plegen van valsheid in geschrifte, althans het voorhanden hebben van valse of vervalste geschriften (reisdocumenten); De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

KWALIFICATIE
Hetgeen de rechtbank als bewezen heeft aangenomen levert de volgende strafbare feiten op:
1. Mensenhandel, door twee of meer verenigde personen.
2. Mensenhandel, door twee of meer verenigde personen.
3. Medeplegen van:
– aan een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en verblijf in Nederland terwijl zij weet dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is en
– een ander tot het verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is.

4. Opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

5. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE
Namens de verdachte is door de raadsman met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde aangevoerd dat zijn cliënt strafrechtelijk niet kan worden verweten dat zij het valse of vervalste paspoort in haar bezit had, gelet op de benarde omstandigheden waarin zijn cliënt verkeerde, zodat in redelijkheid van haar niet verwacht kon worden dat zij het feit naliet. De raadsman is daarom van mening dat zijn cliënt ten aanzien van dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer aangezien de aangevoerde feiten en omstandigheden, waaruit volgens de stelling van de raadsman verdachtes psychische overmacht danwel noodtoestand zou volgen, niet aannemelijk zijn geworden.

Ten overvloede overweegt de rechtbank, dat al zouden de namens de verdachte gestelde feiten en omstandigheden wel aannemelijk zijn geworden, dit beroep toch zou moeten worden verworpen, omdat niet aannemelijk is geworden dat voor verdachte geen andere, minder ingrijpende, uitweg
– zoals contact opnemen met de Ambassade of het Consulaat
– heeft bestaan dan de door haar gekozene.
De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

MOTIVERING STRAF

Bij de bepaling van de straf, die aan de verdachte zal worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met:
a) – de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;
– de vordering van de officier van justitie; b) de persoon van de verdachte, zoals naar voren gekomen uit:
– het onderzoek op de terechtzitting d.d. 28 november 2000;
– de inhoud van een uittreksel uit het algemeen documentatieregister omtrent verdachte;
– het over de verdachte door de Stichting Reclassering Nederland te Groningen uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 21 juli 2000.

VRIJHEIDSSTRAF
Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur moet worden opgelegd. De rechtbank neemt hierbij het volgende in het bijzonder in aanmerking. Omdat er in hun eigen land nauwelijks werk is, gaan veel vrouwen naar West-Europa om daar geld te verdienen. Zij sluiten contracten af met mensenhandelaren, die hen onder valse voorwendsels en tegen betaling van vaak tienduizenden dollars, aan werk -veelal in de prostitutie- zullen helpen. Gebruikelijk is dat de nakoming van deze contracten zowel wordt bevestigd door zogenoemde Voodoo rituelen -waarbij haar, huid en nagels van de schuldenaar aan de schuldeiser wordt afgestaan- als door bedreiging in de richting van familieleden.
Verdachte en haar mededaders hebben zich binnen georganiseerd verband -puur uit winstbejag en zonder rekening te houden met de belangen van de door hen geronselde vrouwen- schuldig gemaakt aan dit soort mensenhandel. In het land van herkomst, in dit geval Nigeria, werd deze vrouwen de situatie in Nederland anders voorgespiegeld dan deze in werkelijkheid is, waardoor de vrouwen ertoe werden bewogen naar Nederland af te reizen en zich in Nederland uiteindelijk te prostitueren. Eenmaal aldus werkzaam in Nederland, werden de vrouwen voortdurend in de gaten gehouden en werden zij gedwongen het grootste deel van hun verdiensten af te staan aan verdachte en/of haar mededaders.
Verdachte en haar mededaders hebben door zo te handelen uit louter financieel eigen gewin de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van deze vrouwen ernstig aangetast. Op deze feiten kan dan ook niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank met name ook in aanmerking dat verdachte- zelf slachtoffer van mensenhandel- zich snel heeft aangepast aan de nieuwe situatie in Nederland en zich binnen de vrouwenhandel een prominente rol wist te verwerven.

ONTTREKKING AAN HET VERKEER
De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten
– 1 Nigeriaans paspoort, nr. A0445191, tnv [verdachte], geb. [geboortedatum] te [geboorteplaats];
– 1 Vreemdelingenidentiteitsbewijs, nr. E19506516 tnv [betrokkene], geb. [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Ghana);
– 1 DHL tas, met opschrift DHL: shipment Airway, inhoudende:
– een stukje doorzichtig plastic met bruine vast instantie
– een geel stukje papier van Kingston Internation;
– plastic zakje met onbekende vreemde inhoud met meerdere plastic zakjes voorzien van een papier met opschrift: First Stepp from Esan;
– een papiertje met scheermes als inhoud;
– een stukje papier met onbekende substantie;
– een leeg plastic zakje met een papier met opschrift: second stepp Yuroba man;
– 1 enveloppe met opschrift;
– 1 Plastic zak met opschrift inhoudende:
– een blauw plastic doosjes met vermoedelijk Voodoo artikel;
– een wit plastic doosje met vermoedelijk Voodoo artikel;
– een wit blauw/plastic doosje met vermoedelijk Voodoo artikel;
– een zwart plastic doosje met vermoedelijk Voodoo artikel;
– een doosje met opschrift: Suskia Bango vermoedelijk Voodoo artikel;
– 1 Plastic tasje met Arabische tekst inhoudende:
– een zwart plastic doosjes met vermoedelijk Voodoo artikel;
– 1 Wit plastic tasje van Mansfield met inhoud:
– vermoedelijk Voodoo artikelen;
– vier losse, vermoedelijk Voodoo artikelen, moet worden onttrokken aan het verkeer.
Voor wat betreft het Nigeriaanse paspoort is het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet. Voor wat betreft de overige goederen is het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met het algemeen belang. Verder is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken dat het voorwerpen betreft met behulp waarvan de feiten zijn begaan of voorbereid.

TERUGGAVE
De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten
– 24 bankbiljetten van fl 100;
– 23 bankbiljetten van fl 50;
– 22 bankbiljetten van fl 25;
– 2 bankbiljetten van fl 10 (in totaal een bedrag van fl 4120) moet worden teruggegeven aan
verdachte.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 47, 57, 140, 197a, 250ter en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING
De rechtbank: Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt de verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot: een gevangenisstraf voor de duur van TWEE EN HALF JAAR.
Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd, die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
– 1 Nigeriaans paspoort, nr. A0445191, tnv [verdachte], geb. [geboortedatum] te [geboorteplaats];
– 1 Vreemdelingenidentiteitsbewijs, nr. E19506516 tnv [betrokkene], geb. [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Ghana);
– 1 DHL tas, met opschrift DHL: shipment Airway, inhoudende:
– een stukje doorzichtig plastic met bruine vast instantie
– een geel stukje papier van Kingston Internation;
– plastic zakje met onbekende vreemde inhoud met meerdere plastic zakjes voorzien van een papier met opschrift: First Stepp from Esan;
– een papiertje met scheermes als inhoud;
– een stukje papier met onbekende substantie;
– een leeg plastic zakje met een papier met opschrift: second stepp Yuroba man;
– 1 enveloppe met opschrift;
– 1 Plastic zak met opschrift inhoudende:
– een blauw plastic doosjes met vermoedelijk Voodoo artikel;
– een wit plastic doosje met vermoedelijk Voodoo artikel;
– een wit blauw/plastic doosje met vermoedelijk Voodoo artikel;
– een zwart plastic doosje met vermoedelijk Voodoo artikel;
– een doosje met opschrift: Suskia Bango vermoedelijk Voodoo artikel;
– 1 Plastic tasje met Arabische tekst inhoudende:
– een zwart plastic doosjes met vermoedelijk Voodoo artikel;
– 1 Wit plastic tasje van Mansfield met inhoud:
– vermoedelijk Voodoo artikelen;
– vier losse, vermoedelijk Voodoo artikelen
Gelast de teruggave van:
– 24 bankbiljetten van fl 100;
– 23 bankbiljetten van fl 50;
– 22 bankbiljetten van fl 25;
– 2 bankbiljetten van fl 10 (in totaal een bedrag van fl 4120) aan verdachte.

Rechters

Mrs. Wieland, Sekeris, Depping

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 4 december 2002

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Na de echtscheiding rust op de man de verplichting om ten behoeve van de vrouw een bedrag van ƒ 475,- alimentatie te betalen en voor de twee kinderen ƒ 250,- per kind per maand.De man verzoekt de aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 maart 2001 te bepalen op nihil en de kinderalimentatie te bepalen op ƒ 135,- (61,26) per maand per kind. De rechtbank bepaalt de kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2001 op 95,29 per maand per kind, en wijst het meer of anders verzochte af. De vrouw komt van deze beschikking in beroep. Als grond voor het verzoek tot nihilstelling c.q. vermindering van de onderhoudsbijdrage heeft de man gesteld dat hij zich in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, daartoe moest verhuizen naar Nijmegen en een nieuwe werkkring heeft moeten accepteren met een lager salaris. Ten aanzien van de kinderalimentatie oordeelt het hof dat de door de man gestelde wijziging van omstandigheden onvoldoende is om de kinderbijdrage op een lager bedrag vast te stellen, en zo de belangen van de kinderen bij die van de nieuwe partner achter te stellen. Ten aanzien van de partneralimentatie stelt het hof dat de wens van de man om bij zijn nieuwe partner te willen wonen alleszins gerechtvaardigd is en voorts dat de man aannemelijk heeft kunnen maken in zijn nieuwe woonplaats niet (direct) hetzelfde inkomen te kunnen verdienen als voorheen. Het hof merkt op dat de inkomensachteruitgang niet alleen de vrouw treft, maar ook de man zelf. Onder deze omstandigheden mocht de man in redelijkheid dit (naar verwachting tijdelijke) inkomensverlies accepteren, zodat het hof bij het vaststellen van de draagkracht uitgaat van het huidige inkomen van de man. De man werkt in loondienst als taxichauffeur en ontvangt naast zijn inkomen fooien. De vrouw stelt dat het redelijk is het bedrag aan fooien te bepalen op 10% van het inkomen. Het hof vindt dat de vrouw dit niet aannemelijk heeft kunnen maken en acht een bijtelling van 5% van zijn netto inkomen redelijk. Op grond van de draagkrachtberekening beslist het hof vervolgens dat de man geen draagkracht heeft om naast een kinderalimentatie van ƒ 250,- per kind per maand alimentatie ten behoeve van de vrouw te betalen.
De volledige tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Volledige tekst

De volledige tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Rechters

Mrs. Stille, Pannekoek-Dubois, Ydema

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 4 december 2002

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting

Volledige tekst

Volledige tekst niet beschikbaar.

Rechters

Mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Dusamos, Duindam

Instantie: IND, 3 december 2002

Instantie

IND

Samenvatting


verlening verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ogv B9
In deze zaak heeft de vrouw samen met haar advocaat veel hindernissen moeten nemen voordat aan haar een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd werd verstrekt. De vrouw is als slachtoffer van vrouwenhandel in Nederland terecht gekomen en wil een verblijfsvergunning.
Het vrouwenhandelbeleid ziet er in theorie als volgt uit.
Het beleid is vastgelegd in de vreemdelingencirculaire (hfst B9) en dient vooral het Nederlandse belang van opsporing en vervolging (behoud getuigen), maar geeft daarnaast aan het slachtoffer in ieder geval een aantal minimale rechten.
Reeds bij een geringe aanwijzing van vrouwenhandel dient 3 maanden bedenktijd gegeven te worden opdat het slachtoffer een overwogen beslissing kan nemen over het al dan niet doen van aangifte, gezien de daaraan verbonden consequenties (doet ze geen aangifte dan moet ze het land uit).
Indien het slachtoffer aangifte doet, dient die aangifte ambtshalve als een aanvraag voor een (tijdelijke) verblijfsvergunning behandeld te worden, waarop in beginsel binnen 24 uur beslist moet worden. Wordt een tijdelijke verblijfsvergunning verleend, dan is deze geldig gedurende de hele strafrechtelijke procedure tot en met het hoger beroep. Voor de duur van de tijdelijke verblijfsvergunning heeft het slachtoffer recht op een bijstandsuitkering. Besluit het OM tot niet verdere vervolging, dan vervalt de grond voor verblijf.
Het zwakke punt in het vrouwenhandelbeleid is dat de mate waarin het slachtoffer toegang heeft tot opvang en bescherming volstrekt afhankelijk is van de correcte uitvoering van het beleid door de politie, terwijl er tegelijkertijd nauwelijks externe controle is op (de uitvoering van het beleid door) de politie, zeker niet in de beginfase van een zaak. De slachtoffers zelf verkeren nauwelijks in de positie om op te komen voor hun rechten, alleen al gezien hun veelal illegale status en het gebrek aan kennis over hun rechten. In de praktijk blijkt het regelmatig voor te komen dat het beleid niet correct wordt uitgevoerd. Deze zaak is daar een voorbeeld van.

In deze zaak heeft de advocaat van de vrouw – met financiele ondersteuning door het Proefprocessenfonds van het Clara Wichmann Instituut – een bezwaarschrift ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning.
De vrouw wilde als slachtoffer van vrouwenhandel aangifte doen van dit delict. In eerste instantie is geweigerd de aangifte op te nemen. Tegen deze beslissing is bezwaar gemaakt door de advocaat, waarna toch is overgegaan tot het opnemen van de aangifte. Vervolgens is verzuimd de aangifte te behandelen als een verzoek voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, doordat de aangifte niet direct werd gemeld bij de contactpersoon mensenhandel. In plaats daarvan werd de vrouw doorverwezen naar het Bureau Vreemdelingenzaken. De vrouw kreeg niet de mogelijkheid een verblijfsvergunning aan te vragen en kreeg evenmin een negatieve beschikking. De vrouw heeft vervolgens nogmaals verzocht om een verblijfsvergunning en heeft tegen het uitblijven van de beslissing binnen de daarvoor beschikbare tijd (volgens de Vc 24 uur) een bezwaarschrift ingediend. Gelukkig behoefde de vrouw de behandeling van het bezwaarschrift niet af te wachten en werd nu wel aan haar een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend.

Volledige tekst


Beschikking, d.d. 3 december 2002

1. Onderwerp van de beschikking
Deze beschikking heeft betrekking op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet, met als doel ‘onder beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9’ die op 15 oktober 2002 is ingediend door:

C. B., geboren op [….] 1981, nationaliteit: Sierraleoonse.

Mevrouw B. zal verder worden aangeduid als ‘betrokkene’. Deze aanvraag is mede ingediend ten behoeve van het minderjarige kind van betrokkene, te weten B.B., geboren op […] 2000, eveneens van Sierraleoonse nationaliteit.

2. Besluit

De aanvraag wordt ingewilligd.

Aan betrokkene en haar minderjarige kind wordt een verblijfsvergunning verleend met ingang van 15 oktober 2002, geldig tot 15 oktober 2003.

De verblijfsvergunning van betrokkene wordt verleend onder de beperking “onder beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9. Het verrichten van arbeid is niet toegestaan.”

De verblijfsvergunning van het minderjarige kind wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij C.B.’. Het verrichten van arbeid is niet toegestaan.

De redenen die ten grondslag liggen aan dit besluit worden weergegeven in paragraaf 4 van deze beschikking.

3. Ontstaan en verloop van de procedure

Betrokkene is vreemdeling in de zin artikel 1, aanhef en onder m, van de Vreemdelingenwet. Zij is, naar eigen zeggen, op 6 juni 2002 Nederland binnengekomen. Op 15 oktober 2002 heeft betrokkene bij de korpschef van het regionaal politiekorps Rotterdam-Rijnmond aangifte gedaan ter zake van artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht. Deze aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14Vw.

4. Motivering van de beschikking

Gebleken is dat betrokkene voldoet aan de beperkingen verband houdende met het deel waarvoor zij wil verblijven. Betrokkene voldoet aan de voorwaarde welke is gesteld in artikel 3.48 lid 1, onder a, van het Vreemdelingenbesluit en het nader hieromtrent gestelde in hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire.

De verblijfsvergunning wordt verleend zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit, waarvan aangifte is gedaan onder procesverbaalnummer 2002320891.

5. Rechtsmiddelen

Tegen deze beschikking kan bezwaar worden gemaakt bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Het bezwaar kan worden gemaakt door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijk vertegenwoordiger, zijn bijzonder gemachtigde of een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.

Een gemotiveerd bezwaarschrift moet schriftelijk worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop de beschikking is bekendgemaakt. Het is raadzaam een kopie van de beschikking bij het bezwaarschrift mee te zenden. Voorts is het van belang dat de korpschef in kennis wordt gesteld van de indiening van een bezwaarschrift.

Van belang is dat ingevolge artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht een bezwaarschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de genoemde termijn van vier weken is ontvangen, of indien het voor het einde van deze termijn ter post is bezorgd, mits het in dat geval niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Een bezwaarschrift moet worden gezonden aan het op de eerste bladzijde van de beschikking vermelde postbusnummer.

Aanvraag verblijfsvergunning Vc B9, d.d. 23 oktober 2002

Geachte heer/mevrouw,

Tot mij wendde zich mevrouw B. met het verzoek als haar gemachtigde op te treden. Aan welk verzoek ik gaarne voldoe.

Mijn cliënte heeft inmiddels aangifte (15 oktober 2002) gedaan van mensenhandel. Bijgaand een afschrift van deze aangifte.
Echter de aangifte is niet direct gemeld bij de contactpersoon mensenhandel c.q. heeft niet geleid tot de verlening van een verblijfsvergunning B-9.
Mevrouw B. is door de politie doorverwezen naar het Bureau Vreemdelingenzaken van de politie Flevoland.
Aan haar is verder geen mogelijkheid geboden om een verblijfsvergunning aan te vragen. Ook is aan haar geen beschikking uitgereikt dat op het verzoek om een verblijfsvergunning negatief is beslist. Er dient binnen 24 uur een besluit genomen te worden om de aanvraag .e aangifte dient immers te worden beschouwd als ambtshalve aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning (Vc B 94.4).

In de vreemdelingencirculaire (Vc B9) wordt bepaald dat reeds bij een geringe aanwijzing van mensenhandel betrokkenen moeten worden gewezen op hun rechten de vreemdelingencirculaire betreffende.

In eerste instantie is geweigerd de aangifte op te nemen. Bijgevoegd is het bezwaar tegen de beslissing op de aangifte niet op te nemen. Daarna is overgegaan tot het opnemen van de aangifte.
Nu wordt als reden aangegeven dat de aanvraag van de verblijfsvergunning verder niet in behandeling wordt genomen omdat de zaak niet in behandeling wordt genomen door het Openbaar Ministerie, zo is mondeling medegedeeld.

Echter de verlening van een verblijfsvergunning is niet afhankelijk van de beslissing van het OM om wel of niet tot vervolging over te gaan. Dit kan alleen een grond zijn voor de intrekking van de vergunning, niet voor de niet verlening.

Bijgevoegd is dus nogmaals het verzoek om een aanvraag, voor een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd. Met het verzoek deze aanvraag in behandeling te nemen en daar op de kortst
mogelijke termijn een beslissing op te nemen. In de Vc is daarvoor een termijn gegeven van
24 uur. U begrijpt dat deze termijn al reeds ruim is verstreken.
Doch mijn cliënte heeft belang bij een zo spoedig mogelijke beslissing. Bij het uitblijven
daarvan zal zij genoodzaakt zijn zich tot de rechter te wenden en om een spoedvoorziening verzoeken.

Op grond van bovengenoemde gronden dient aan mevrouw B. een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te worden toegekend.

Redenen waarom:

Cliënte u verzoekt aan haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verstrekken.

Ik verzoek u vriendelijk de ontvangst van deze brief te bevestigen.

In afwachting van uw reactie, verblijf ik,

Met vriendelijke groet,

Els van Blokland

BEZWAARSCHRIFT, d.d. 19 november 2002

B., wonende te Almere, voor deze plaats woonplaats kiezende ten kantore van
Bonnema c.s. advocaten aan de Willemsstraat 24b, (1015 JD) te Amsterdam, waarvan mr E.M. van Blokland in deze tot gemachtigde wordt gesteld en als zodanig zal optreden met het
recht van vervanging,

1. Op 23 oktober 2002 heeft betrokkene een aanvraag, ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van Ve B9 (zie bijlage l). Op deze aanvraag is tot op heden geen beslissing genomen. Cliënte meent dat de redelijke termijn om te beslissen op deze aanvraag thans is verstreken. Ik heb diverse malen contact gehad met de behandelend ambtenaar van de Vreemdelingendienst Flevoland, voornaam J. Ik heb daarna contact gezocht met directie IND Zuid West, Noord Oost. Ik heb uiteindelijk een bevestigingsbrief gekregen van de uw directie, regionale Directie Midden. Ik heb gebeld met uw directie dd 1 5 november 2002. Ik zou nog diezelfde middag worden teruggebeld door B van H maar tot op heden heb ik niets vernomen.

2. Cliënte kan zich met het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag niet-verenigen en
komt derhalve in bezwaar.

3. Cliënte meent dat zij aan de voorwaarden voldoet.

4. In eerste instantie is geweigerd de aangifte op te nemen. Hiertegen is bezwaar aangetekend. Daarna is overgedaan tot het opnemen van de aangifte.

5. Betrokkenen heeft aangifte (15 oktober 2002) gedaan van mensenhandel.

6. Echter de aangifte is niet direct gemeld bij de contactpersoon mensenhandel c.q. heeft niet
geleid tot de verlening van een verblijfsvergunning B-9.

7. Mevrouw B. is door de politie doorverwezen naar het Bureau Vreemdelingenzaken
van de politie Flevoland.

8. Aan haar is verder geen mogelijkheid geboden om een verblijfsvergunning aan te vragen.
Ook is aan haar geen beschikking uitgereikt dat op het verzoek om een verblijfsvergunning, negatief is beslist.

9. Er dient binnen 24 uur een besluit genomen te worden op de aanvraag. De aangifte dient
immers te worden beschouwd als ambtshalve aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning (Vc B 9 4.4).

10. In de vreemdelingencirculaire (Vc B9) wordt bepaald dat reeds bij een geringe aanwijzing
van mensenhandel betrokkenen moeten worden gewezen op hun rechten de vreemdelingencirculaire betreffende.

11. Echter de verlening van een verblijfsvergunning is niet afhankelijk van de beslissing van
het OM om wel of niet tot vervolging over te gaan. Dit kan alleen een grond zijn voor de
intrekking van de vergunning, niet voor de niet verlening.

12. Er is dus nogmaals verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van
Vc B-9. Met het verzoek deze aanvraag in behandeling te nemen en daar op de kortst mogelijke termijn een beslissing op te nemen.

13. In de Ve is daarvoor zoals gezegd een termijn gegeven van 24 uur.

14. Betrokkene heeft belang, bij een zo spoedig mogelijke beslissing

15. Door u is binnen de daarvoor aan u beschikbare tijd (volgens de Vc 24 uur) geen beslissing genomen. Tegen deze weigering een beslissing te nemen wordt door middel van dit schrijven bezwaar ingediend.

16. Gezien het feit dat er geen beslissing is genomen binnen de daarvoor gestelde termijn van
24 uur en ook in de weken daarna geen beslissing is genomen op het verzoek om een aanvraag verblijfsvergunning is betrokkene genoodzaakt zich tot de rechter te wenden en om een spoedvoorziening te verzoeken. Haar opvang vervalt en haar inkomen vervallen op grond van het uitblijven van uw beslissing in deze.

Op grond van bovengenoemde gronden dient aan mevrouw B. een verblijfsvergunning
regulier voor bepaalde tijd te worden toegekend

MET HET VERZOEK:

Het bezwaar gegrond te verklaren en betrokkene alsnog in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op grond van Vc B9.

Gemachtigde,
E.M. van Blokland

Rechters

Instantie: Rechtbank Maastricht, 28 november 2002

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Partijen zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd. In het kader van de echtscheiding is door
partijen een convenant opgesteld waarbij zonder verdere onderbouwing en in afwijking van
de huwelijkse voorwaarden wordt gesteld dat de vrouw met een bedrag van ƒ 141.000
wordt overbedeeld, welk bedrag zij aan de man dient te vergoeden. In het convenant is de
uitsluiting van art. 3:196 BW opgenomen. De vrouw wordt ernstig benadeeld door de
bepalingen in het convenant en zij weigert de vergoeding verder aan de man te voldoen.
Wanneer de man in rechte nakoming van het convenant vordert stelt de vrouw een
reconventionele eis in, waarin zij vernietiging van het convenant vordert.
De rechtbank oordeelt in het eindvonnis als volgt:
– de door partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden hebben slechts derdenwerking en
zien niet op de interne rechtsverhouding van partijen, zo blijkt uit de antwoorden van partijen
op de door de rechtbank gestelde vragen;
– de in art. 9 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verdeling van de tot dan toe
formeel bestaand hebbende gemeenschap van goederen is niet uitgevoerd, hetgeen inhoudt dat
deze zaken blijven toebehoren aan de gemeenschap van goederen die bij het aangaan van het
huwelijk is ontstaan;
– bij de ontbinding van het huwelijk moesten de op dat moment in de gemeenschap aanwezige
zaken tussen partijen verdeeld worden. Nu partijen ter zake die verdeling een convenant
hebben gesloten, hebben zij de gevolgen van de echtscheiding overeenkomstig het bepaalde in
art. 1:100 BW bij geschrift dus anders geregeld dan in gelijke delen.
– aan de berekening in het convenant ligt het uitgangspunt ten grondslag dat partijen wilden
delen alsof er een gemeenschap van goederen was; tevergeefs beroept de vrouw zich dan ook
op een vernietigbare verdeling ex art. 3:196 BW.
De rechtbank honoreert echter wel het verweer ex art. 3:51, lid 3 BW van de vrouw, namelijk
het beroep op de vernietigingsgrondter afwering van een op de rechtshandeling steunende
vordering, waar het betreft de betalingsverplichting van de vrouw op basis van het convenant.
De rechtbank constateert in dat kader dat een aantal goederen bij de verdeling niet zijn
meegenomen, terwijl deze goederen uitgaande van de wens van partijen wel in de
gemeenschap vielen; dat een aantal kostenposten zonder verrekening aan de vrouw zijn
toebedeeld en dat er geen verrekening heeft plaatsgevonden van de saldi op de diverse
bankrekeningen. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens valt echter de omvang van
de gemeenschap in geldswaarde niet vast te stellen. Een en ander leidt tot het oordeel dat de
wijze waarop tussen partijen aan de hand van het convenant is verdeeld er niet van getuigt dat
daarbij op de onderliggende rechtsbetrekking van partijen de in lid 3 van art. 3:166 BW
voorgeschreven redelijkheid en billijkheid in acht is genomen maar dat sprake is van een
dusdanige benadeling van de vrouw, dat haar op art. 3:51 lid 3 BW gegronde verweer tegen de
vordering van de man slaagt. De man moet aan de vrouw terugbetalen hetgeen zij reeds uit
hoofde van het convenant aan de man heeft betaald.

Deze procedure is gegarandeerd door het Proefprocessenfonds Clara Wichmann

Volledige tekst

1. HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

In deze zaak, waarin bij vonnis van 29 april 1999 op een vrijwaringsincident is beslist dat de oproeping in vrijwaring wordt toegelaten en voorts bij tussenvonnis van 5 oktober 2000 de man is toegelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat de aan het convenant ten grondslag liggende berekening post voor post de resultante was van nadrukkelijk tussen partijen gevoerd overleg, is bij (tussen)vonnis van 21 maart 2002 vastgesteld dat de man is geslaagd in het leveren van dat bewijs.
In genoemd vonnis van 21 maart 2002 is een comparitie gelast tot het verstrekken van inlichtingen (ter zake een tiental vraagpunten) en het beproeven van een regeling.
Genoemde comparitie van partijen heeft op 25 juni 2002 plaatsgevonden. Voorafgaande aan deze comparitie hebben beide partijen bij brief van 16 april 2002 (de man) en 13 juni 2002 (de vrouw) al een aantal vraagpunten besproken en stukken overgelegd.
Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.
Op grond van het verhandelde ter comparitie heeft de man bij akte nog een productie in het geding gebracht.
Ook op grond van het verhandelde ter terechtzitting, waar is bepaald dat na het nemen van genoemde akte partijen worden geacht vonnis te hebben gevraagd, is hierna bepaald dat de uitspraak van dit vonnis heden plaatsvindt

2. VERDERE BEOORDELING
In conventie en in reconventie:

2.1 Aan de hand van de door partijen gegeven antwoorden op de in het tussenvonnis van 21 maart 2002 nader gestelde vragen komt de rechtbank tot het oordeel dat de huwelijkse voorwaarden die partijen kort na het aangaan van hun tweede huwelijk zijn overeengekomen slechts derdenwerking hebben en niet zien op de interne rechtsverhouding van partijen die dit huwelijksregime (uitsluiting van elke gemeenschap) normaal gesproken met zich meebrengt.
Uit deze vaststelling en het feit dat partijen op een enkele uitzondering na alle aangehouden bankrekeningen tezamen hebben gevoerd, volgt, nu partijen in dit kader nog hebben verklaard dat de bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden in artikel 9 overeengekomen verdeling van de tot dan toe formeel bestaand hebbende gemeenschap van goederen niet is uitgevoerd, dat partijen ervoor gekozen hebben dat de in artikel 9 vermelde zaken blijven toebehoren aan de gemeenschap van goederen die bij het aangaan van het tweede huwelijk is ontstaan. Een en ander betekent met andere woorden dat partijen, na de huwelijkse voorwaarden te zijn overeengekomen en na deze overeenkomstig de voorschriften te hebben laten vastleggen, in hun interne verhouding de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen als voorheen hebben voortgezet.
Hieruit volgt dat, toen het tweede huwelijk van partijen op 4 juli 1996 werd ontbonden, de op dat moment in de gemeenschap aanwezige zaken tussen partijen verdeeld moesten worden. Nu partijen ter zake die verdeling op 27 juni 1996 een convenant hebben gesloten, hebben zij de gevolgen van de echtscheiding overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:100 BW bij geschrift dus anders geregeld dan in gelijke aandelen.

2.2 Uit de voor, tijdens en nog na de comparitie verstrekte nadere gegevens en informatie volgt dat partijen nog tijdens hun huwelijk de – weliswaar op naam van de vrouw sta[adres 2]rend[adres 1] 1] en [adres 2] hebben vervreemd en de nog op deze zaken drukkende hypotheekleningen met de opbrengst hebben afgelost. De opbrengst ervan is, althans van het pand [adres 1], ook gebruikt om de aanschaf van de beleggingspanden [te S.] en t[te G.] aan te schaffen. De aankoopkosten van deze op 30 juni 1995 respectievelijk 1 februari 1996 aangeschafte panden zijn verder gefinancierd via hypotheekleningen, die enkel, naar thans moet worden aangenomen vanwege de gestelde derdenwerking van de huwelijkse voorwaarden, net als de panden zelf op naam van de vrouw zijn gesteld.
Nu er op grond van dit alles vanuit gegaan moet worden dat, zoals door de man en mr. Stassen in hun getuigenverklaringen is gesteld, partijen in het kader van de echtscheiding een verdeling wensten alsof er een gemeenschap van goederen bestond, betekent dit met andere woorden in deze zaak dat alle vermogensbestanddelen van partijen deel uitmaken van die gemeenschap en dus bij deze verdeling moeten worden betrokken.
Uit dien hoofde is het logisch dat partijen ondanks het bestaan van huwelijkse voorwaarden, met uitzondering van de gelden die verband hielden met het timmerbedrijf van de man, gezamenlijke rekeningen bij een aantal banken, waaronder de postbank, hebben gevoerd en alle geldelijke mutaties via die rekeningen hebben laten lopen. Op die wijze is de (netto) opbrengst van het op 1 februari 1996 vervreemde pand [adres 1] en het per 14 juni 1996 verkochte pand [adres 2] op die gezamenlijke bankrekeningen van partijen terechtgekomen. In het licht hiervan ligt voorts voor de hand dat in het convenant onder meer de AMEV-polis aan de vrouw is toegescheiden onder verrekening van de helft van de afkoopwaarde ervan zoals door de man is aangegeven in de bij het convenant horende berekening. Op grond van die berekening dient de vrouw uiteindelijk de somma van ƒ 141.000 aan de man te voldoen.

2.3 De zojuist vermelde en aan het convenant ten grondslag gelegde berekening is achteraf, zoals in deze procedure in het vonnis van 21 maart 2002 onder 2.3 is overwogen, door de vrouw tevergeefs aangevochten op grond van het bepaalde in artikelen 3:196 BW en 3:51 lid 1 BW.
Op grond van hetgeen hierboven onder 2.1 is overwogen in relatie met hetgeen in het tussenvonnis van 21 maart 2002 onder 2.5 is overwogen dient thans te worden nagegaan of de betalingsverplichting die de vrouw op basis van de op 27 juni 1996 overeengekomen verdeling heeft op grond van het verweer van de vrouw en het bepaalde in artikel 3:51 lid 3 BW nog ongedaan gemaakt kan dan wel moet worden.
Nu te dier zake in HR. 25.10.1996, NJ 1997,68 is bepaald dat het beroep op een vernietigingsgrond ook gedaan kan worden ’ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel’, zoals in casu gedaan bij conclusie van antwoord tegen een door de man als eiser ingestelde vordering tot nakoming van een vernietigbare rechtshandeling welk beroep als gevolg van het bepaalde in lid 3 van artikel 3:51 BW niet aan verjaring is onderworpen, overweegt de rechtbank in het licht hiervan als volgt:

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:94 BW omvat de gemeenschap wat haar baten betreft – kort gezegd – alle (tegenwoordige en toekomstige) goederen van de echtgenoten en wat de lasten betreft alle schulden van ieder van de echtgenoten.
Wanneer het convenant en de daarbijbehorende berekening onder de specifieke omstandigheden van dit geval hieraan worden gerelateerd valt aanstonds op dat de tijdens het huwelijk van partijen aangeschafte panden [adres] [te S.] en [adres] [te G.], die volgens partijen een waarde vertegenwoordigen van ƒ 700.000 en waarop toen hypotheekverplichtingen rustten van ƒ 350.000, niet bij de verdeling zijn betrokken. Ook valt op dat de man wel de verbouwingskosten die, naar zijn stellingen, door zijn timmerbedrijf in en aan die panden zijn uitgevoerd integraal aan de vrouw heeft toebedeeld.
Verder valt bij eerste oogopslag op dat de man de aan de panden [adres 1] en [adres 2] uitgevoerde verbouwingskosten eveneens integraal aan de vrouw in rekening brengt, terwijl de opbrengsten bij verkoop van deze panden na aftrek van de daarop nog rustende hypotheken, op de gezamenlijke bankrekeningen van partijen zijn geïïnd. Naar het oordeel van de rechtbank wil dit onder meer zeggen dat de man wel heeft meegedeeld in de revenuen die de vervreemding met zich heeft gebracht, maar dat hij achteraf vindt en kennelijk omdat de panden bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden formeel – in het kader van de derdenwerking – aan de vrouw waren toebedeeld, dat de kosten van de aan deze panden aangebrachte verbeteringen (waardoor aangenomen moet worden dat er een betere prijs voor is verkregen bij de verkoop ervan) geheel voor rekening van de vrouw dienen te komen.
Op grond van de stellingen van partijen moet in deze zaak aangenomen worden dat alle aan de onroerende zaken die partijen hebben bezeten uitgevoerde verbeteringen en verbouwingen zijn uitgevoerd door het timmerbedrijf van de man. Nu is vastgesteld dat al de genoemde onroerende zaken deel uit hebben gemaakt van de gemeenschap van goederen van partijen, houdt dit al in dat de door de man becijferde verbouwingskosten ad ƒ 294.180- dus niet door de vrouw gedragen moeten worden maar door de gemeenschap van partijen. De man heeft dus ter zake de verbouwingskosten geen vordering op de vrouw, zoals door hem blijkens zijn berekeningswijze is aangenomen. Die vordering op de gemeenschap van goederen, derhalve op de man en de vrouw samen, komt, als die al bestaat, feitelijk toe aan zijn bedrijf.

2.4 In het convenant is het bedrijf van de man, dat, ingevolge de afspraak dat er intern tussen partijen gemeenschap van goederen geldt ,dus feitelijk deel uitmaakt van die tussen partijen te verdelen gemeenschap zonder enige vorm van verrekening aan de man toebedeeld. Volgens de man is dit gebeurd vanwege het feit dat de waarde van het bedrijf in onderling overleg op nihil is gesteld omdat uit de slotbalans van 1995 was gebleken dat er naast een negatief kapitaal van ƒ 28.000, — een negatieve liquiditeitspositie was en dat de in het bedrijf gerealiseerde winst voor belastingen slechts ƒ 32.908 beliep.
Gelet op de algemeen geldende opvatting dat de waardering van te verdelen gemeenschapsgoederen – kort gezegd – plaatsvindt op het moment dat die verdeling daadwerkelijk zijn beslag krijgt, indien partijen niet anders zijn overeengekomen, valt, nu dit laatste niet is gesteld of anderszins geleken, niet in te zien waarom de man geen opdracht heeft gegeven om per 30 juni 1996 een (eind)balans te maken, aangezien was voorzien dat het huwelijk per 4 juli 1996 zou worden ontbonden en op grond van het convenant per 1 augustus 1996 zou worden verdeeld. Dit klemt zeer omdat aangenomen moet worden dat, als de onder 2.3 genoemde en door de man becijferde verbouwingskosten in de resultaten van het bedrijf waren meegenomen, het aan de man toe te bedelen bedrijf op grond van de dan voorhanden zijnde cijfers niet zonder enige vorm van verrekening aan hem toegescheiden zou zijn.

2.5 Uit het convenant blijkt niet dat partijen de saldi van de 10 gevoerde bankrekeningen met elkaar hebben verrekend, terwijl uit een door de vrouw overgelegd afschrift ter zake de op naam van beide partijen staande rekening met nr. 61.35.23.954 blijkt dat daarop per 8 februari 1996 een saldo voorkomt van ƒ 242.175,25. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet zonder meer aan te nemen dat van dit bedrag op de datum dat partijen het convenant hebben opgemaakt, niets meer op deze of een van de andere rekeningen van partijen over zou zijn.

2.6 Uit het vorenstaande moet worden opgemaakt dat de omvang van de te verdelen boedel ten tijde van het opstellen van het convenant aan de hand van de door partijen in deze procedure verstrekte gegevens in geldswaarde niet is vast te stellen. Wel volgt uit de nadere informatie dat ten onrechte voor de somma van ƒ 294.180 verbouwingskosten ten laste van het aandeel in de gemeenschap van de van de vrouw zijn gebracht terwijl dit op grond van het hierboven overwogene slechts de helft van dit bedrag kan zijn. Uit de bij het convenant behorende berekening blijkt verder dat aan de man de gehele opbrengst van het pand [adres 2] ad ƒ 120.000, het weiland [M.] ad ƒ 42.500, de stacaravan ad ƒ 35.000 en een spaarrekening met een saldo van ƒ 8.134 is toebedeeld, niet tegenstaande het feit dat partijen overeengekomen waren dat er tussen hen intern een gemeenschap van goederen als huwelijksregime existeerde. Hieruit volgt dat de helft van dit bedrag, zijnde ƒ 102.817 aan de vrouw had moeten toekomen.
In het licht hiervan en nog rekening houdende met het feit dat de saldi van de bankrekeningen niet zijn verdeeld en ook niet aangenomen kan worden dat het bedrijf van de man zonder enige vorm van verrekening aan de man kan worden toebedeeld, oordeelt de rechtbank dat de wijze waarop tussen partijen aan de hand van het convenant is verdeeld er niet van getuigt dat daarbij op de onderliggende rechtsbetrekking van partijen de in lid 3 van artikel 3:166 BW voorgeschreven redelijkheid en billijkheid in acht is genomen maar dat sprake is van een dusdanige benadeling van de vrouw, dat haar op artikel 3:51 lid 3 BW tegen de vordering van de man gegronde verweer slaagt.
Dit betekent dat de vordering van de man afgewezen moet worden.

2.7 In het tussenvonnis van 5 oktober 1999 is al uitgemaakt dat de door de vrouw in reconventie ingestelde vordering om het convenant te vernietigen niet toewijsbaar is, nu die is gegrond op artikel 3:196 BW en artikel 3: 44 BW. Nu lid 3 van artikel 3:51 BW slechts hanteerbaar is als afweermiddel tegen een vordering als door de man ingesteld, kan deze vordering van de vrouw dus op basis van deze bepaling niet toegewezen worden.

2.8 De vrouw heeft voorts nog gevorderd dat, nu de man de haar in de akte van huwelijkse voorwaarden toebedeelde oldtimers, heeft vervreemd, hij gehouden is haar uit dien hoofde de somma van ƒ 67.350 te vergoeden.
Nu in dit vonnis eerder is uitgemaakt dat partijen intern hebben geleefd naar een huwelijksgoederenregime van een gemeenschap van goederen, kan ten aanzien van de drie in mei en juni 1995 vervreemde oldtimers slechts gelden dat de opbrengst daarvan in de gemeenschap van goederen is gevallen. Nu zulks een jaar voor de ontbinding van het huwelijk is gebeurd, moet er vanuit gegaan worden dat de opbrengst ervan als een bate in de gemeenschap is gevallen. Het gaat niet aan om daar thans nog verdeling van te vragen,.

2.9 Dat ligt anders ter zake de terugvordering van de op grond van het convenant aan de man in termijnen betaalde som van totaal ƒ 6.750.
Nu hierboven onder 2.6 is uitgemaakt dat er geen grond is om aan te nemen dat de man uit hoofde van het convenant een vordering heeft op de vrouw, volgt daaruit dat de inmiddels op basis daarvan voldane som onverschuldigd is betaald.
De man dient dat bedrag derhalve aan de vrouw terug te betalen.

2.10 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen, behoeft al hetgeen overigens nog door partijen over en weer is aangedragen niet meer te worden behandeld.
Er staat enkel nog open de te nemen beslissing in zake de over en weer gevorderde proceskosten.

Partijen zijn ex-echtelieden. Naar aanleiding van het bepaalde in artikel 56 (oud en artikel 237 nieuw) Rv zal de rechtbank de kosten van deze hoofdprocedure daarom tussen partijen compenseren op de wijze als hierna in het dictum zal worden bepaald.

Op grond van vaste rechtspraak (onder meer HR 21 november 1952, NJ 1953,50) is in casu de man, wanneer in de hoofdzaak zijn vordering wordt afgewezen, gehouden de door de vrouw in de vrijwaringszaken gemaakte kosten voor zijn rekening te nemen, nu uit het (tussen)vonnis van 29 april 1999 is gebleken dat de vrouw de eis tot vrijwaring jegens mr. Stassen en notaris mr. Schutgens niet ongegrond heeft ingsteld en dus een belang van de vrouw bij die vrijwaringen aanwezig mag worden geacht. Op grond hiervan zal de rechtbank de man veroordelen om de aan de zijde van de vrouw in de vrijwaringszaken opgekomen kosten aan haar te voldoen omdat de kosten in de vrijwaringszaken zijn veroorzaakt door het instellen van de vordering in de hoofdzaak en die vordering is gebleken ten onrechte te zijn ingesteld.
De rechtbank begroot deze kosten op een totaalsom van € 3.457,80 (ƒ 7.620), zijnde de aan de vrouw zelf opgekomen kosten in de zaak met rolnummer 48246/HA ZA 99-494 zijnde het salaris van haar procureur ad 780,50 (fl 1.720 en de door de vrouw in deze zaak te betalen kosten aan de gedaagde in vrijwaring zijnde diens griffierecht ad 167,90 (ƒ 390) en het procureursalaris aan de zijde van gedaagde ad 780,50 (ƒ 1.720).
In de zaak met rolnummer 48248/HA ZA 99-495 dient deze rekenoperatie nogmaals uitgevoerd te worden, hetgeen uiteindelijk dan resulteert in genoemd bedrag van 3.793,60.

De rechtbank:

In conventie

wijst het gevorderde af;

In reconventie

Veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen de som van € 3.061 (ƒ 6.750);

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

In conventie en in reconventie

compenseert de kosten van deze procedure met rolnummer 42885/HA ZA 98-1277 aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt de man in de kosten aan de zijde van de vrouw opgekomen in de vrijwaringszaken met rolnummer 48246/HA ZA 99-494 en 48248/HA ZA 99-495 en begroot deze kosten op 3.457,80 (ƒ 7.620). Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in artikel 56 lid 1 Rv(oud) [artikel 237 lid 1 NRv] te voldoen aan de griffier van deze rechtbank.

Rechters

Mrs. Elliens, Casparie en Voogt