Instantie: Rechtbank Rotterdam, 27 november 2002

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Werkneemster heeft zich ziek gemeld na seksuele intimidatie. Door de Arbo-dienst en UWV-Gak wordt zij echter niet als arbeidsongeschikt aangemerkt. Zij heeft daarom geen recht op doorbetaling van haar loon op grond van art. 7:629 (loondoorbetaling tijdens ziekte). Desalniettemin oordeelt de kantonrechter (voorzieningenrechter) dat aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat werkneemster recht heeft op doorbetaling van haar loon op grond van art. 7:628 omdat de arbeid niet is verricht door een oorzaak die redelijkerwijs voor rekening van werkgever behoort te komen. Het oordeel van beide artsen versterkt de positie van werkneemster op dit punt.

Volledige tekst

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

A. heeft bij dagvaarding gevorderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gewezen als
voorlopige voorziening, N. te veroordelen om aan A. te betalen:

a. het vanaf de maand juli 2002 verschuldigde bruto salaris ad € 1.425 per maand en
zo vervolgens maandelijks tot 17 november 2002;

b. de verhoging ex artikel 7:625 BW over het sub a gevorderde;

c. de vakantiebijslag, voor zover opeisbaar;

d. de wettelijke rente over het sub a tot en met e gevorderde vanaf de datum van opeisbaarheid van de vordering tot die van voldoening, met veroordeling van N. in de kosten van de procedure.

De zaak is behandeld ter terechtzitting, waar partijen, N. in de persoon van haar directeur D. van O., en hun gemachtigden zijn verschenen. Gelijktijdig zijn verzoeken van N. en A. tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen behandeld. N. heeft mondeling op de eis van A. geantwoord en verweer gevoerd. De gemachtigde van N. heeft een pleitnota overgelegd. Van hetgeen verder is verhandeld, zijn aantekeningen gemaakt. Deze bevinden zich bij de processtukken. Ter zitting is een datum voor de uitspraak van dit vonnis bepaald.

DE VASTSTAANDE FEITEN

Tussen partijen staat het volgende vast:

A., geboren op 2 mei 1982, is sinds 17 mei 2002 bij N. In dienst voor de duur van zes maanden. Zij vervulde daar de functie van telefoniste/administratief medewerkster. Haar salaris bedraagt € 1.425 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag. De arbeid werd gewoonlijk verricht te Rotterdam.

Op 17 juni heeft A. zich ziek gemeld. Op 2 juli en 4 juli is a. niet op het spreekuur van de arbo-dient verschenen. N. heeft daarop de loonbetaling gestopt en heeft er bij A. op aangedrongen contact op te nemen met de arbo-dienst.

Per brief van 25 juli 2002 schreef de arbo-arts D. van Santen aan N. Onder meer als volgt:

“Op het moment van beoordeling achtte ik uw medewerker niet meer arbeidsongeschikt op medische gronden. Zij is op dit moment echter niet in staat het werk in uw organisatie te hervatten. De aard van deze problematiek is echter niet langer medisch en ik heb haar dan ook geadviseerd om juridische hulp te zoeken om haar probleem op te lossen.”

Per brief van 9 augustus 2002 schreef de gemachtigde van A. aan die van N. onder meer als volgt:

“Kort na indiensttreding werd cliënte geconfronteerd met ongewenste intimiteiten van de zijde van de heer Van O. Als gevolg van deze ongewenste intimiteiten heeft cliënte zich ziek moeten melden. Inmiddels heeft de arbo-dienst geoordeeld, dat cliënte op medische gronden niet langer ongeschikt is, maar dat zij haar werkzaamheden voor uw cliënte niet kan
hervatten.

Allereerst is het van belang dat cliënte het oordeel van de arbo-arts niet juist acht. Cliënte is in psychisch opzicht erg aangedaan. In dit kader heeft zij UVW Gak dan ook verzocht orn een second opinion, die naar alle verwachting op korte termijn zal plaatsvinden. Voorts zal cliënte vandaag nog aangifte bij de politie doen van hetgeen op het werk is voorgevallen….”

Per brief van 11 september 2002 schreef de gemachtigde van A. aan die van N. onder meer als volgt:

“Inmiddels heb ik ook een afschrift van het proces-verbaal van aangifte ontvangen en kan ik de beschuldiging van cliënte nader specificeren. Eerder was dit voor mij nagenoeg onmogelijk, omdat cliënte in psychisch opzicht bijzonder is aangedaan en daardoor heel moeilijk over de ontstane situatie kan praten.

Thans is mij duidelijk geworden dat de ongewenste intimiteiten ongeveer 2 weken na aanvang van het contract voor bepaalde tijd zijn gestart. Cliënte werd in het kantoor van uw de heer Van O. geroepen. De deur werd direct achter haar gesloten, waarna zij ongewenst werd betast. Cliënte heeft uw cliënt op dat moment te kennen gegeven hiervan niet te zijn gediend.

Een week later ontstond er weer een dergelijke situatie waarbij de heer Van O. de borsten en vagina van cliënte betast heeft, terwijl cliënte stevig werd vastgehouden en daardoor geen kant op kon. Op dat moment was cliënte in tranen en heeft zij wederom te kennen gegeven van dergelijke zaken niet gediend te zijn. Cliënte kreeg toen als antwoord, dat zij vooral tegen niemand iets mocht zeggen, omdat zij anders grote problemen zou krijgen.

Enige dagen later werd cliënte via een collega, S. genaamd, wederom op het kantoor van Van O. geroepen. Wat er toen gebeurde overtrof hetgeen bij de eerdere gelegenheden was gebeurd. Hierop volgend heeft cliënte zich ziek gemeld, omdat zij de situatie niet langer aankon.”

De gevraagde second opinion heeft A. ontvangen in de vorm van een brief van UVW gak van 3 september 2002, ondertekend door G. B.. Deze schrijft onder meer:

“Op grond van de resultaten van ons onderzoek zijn, wij van oordeel dat u per 25 juli 2002 niet als gevolg van ziekte/gebrek, maar gezien de zich op de werkplek voorgedane feiten ongeschikt bent voor het verrichten van het eigen werk als administratief medewerker, omdat een spoedige uitval bij hervatting te verwachten is en er feitelijk sprake is van zogenaamde situatieve arbeidsongeschiktheid.”

Bij deze brief behoort een rapport, ondertekend door Dr W.T.M., arts, gedateerd 29 augustus 2002. Hieraan kan onder rneer het volgende worden ontleend:

“Belanghebbende is een 20-jarige vrouw, die werkzaam is als administratief medewerker voor 40 uur/week (5×8). Het betreft een klein bedrijf (7-8 werknemers), waarvan op kantoor (administratie) alleen belanghebbende zelf (5×8), een administratief medewerkster (3×8) en haar werkgever aanwezig zijn. Zij is per 17-5-02 in dienst getreden en is sindsdien, op de dagen dat haar collega niet aanwezig was, door haar werkgever lastig gevallen en sexueel misbruikt.

Belanghebbende meldde zich op 17-06-02 ziek en voelde zich gedurende 9 weken niet goed, was misselijk en moest frequent overgeven. Via haar huisarts kreeg zij medicatie en hersteld van deze lichamelijke klachten, maar nam geen contact op met haar werkgever of de arbodienst i.vm. de angst voor herhaling van de ongewenste intimiteiten. De werkgever heeft het salaris van belanghebbende per direct stopgezet en haar aangezegd dat zij weer moest komen werken. Zij is naast lichamelijke intimidatie van werkgever ook door hem bedreigd als zij zou gaan praten over het gebeurde. I..v.m. een aanzegging van de werkgever en de arbodienst d.d. 15-07-02 (als zijnde belanghebbende ‘haar laatste kans’) nam zij op 18-07-02 telefonisch contact op met de arbodienst en sprak met een vrouwelijke arbo-arts over het gebeurde. Deze arts had begrip voor de situatie en nodigde haar uit voor een gesprek. Op 25-07-02 verscheen zij op het spreekuur en vertelde het gebeurde opnieuw aan de aanwezige (mannelijke) arbo-arts. Deze verrichtte geen lichamelijk onderzoek, belanghebbende gaf aan geestelijke klachten te hebben. Deze arbo-arts deelde haar mee geen ziekte/gebrek te kunnen constateren en meldde haar hersteld per 25-07-02.”

Het rapport bevat als conclusie ongeveer dezelfde tekst als hierboven uit de begeleidende brief van 3 september 2002 aangehaald, maar met de toevoeging:

“Deze conclusie is gebaseerd op het feit dat de psychische belastbaarheid van belanghebbende door situatieve factoren van het eigen werk wordt overschreden.”

Per brief van 30 oktober 2002 aan de gemachtigde van N. schreef de officier van justitie dat de stukken in deze zaak hem onvoldoende aanleiding gaven om tot verdere vervolging over te gaan.

HET GESCHIL EN DE BEOORDELING DAARVAN

Vast staat dat A. sinds 17 juni 2002 de overeengekomen arbeid niet heeft verricht. Het gaat hier om de toepassing van de eerste leden van de artikelen 7:628 en 7:629 BW, hierna in omgekeerde volgorde behandeld.

Uit de hierboven aangehaalde brief van de arbo-arts van 25 juli 2002 komt naar voren dat naar diens mening A. niet meer arbeidsongeschikt is op medische gronden. Zoals blijkt uit het rapport van de second opinion arts van 29 augustus 2002, acht deze A. weliswaar ongeschikt acht voor haar werk, maar verklaart hij daarbij uitdrukkelijk dat dit geen gevolg is van ziekte of gebrek.

Gezien dit eensluidend medisch oordeel mag voorshands niet worden aangenomen dat A. in de tijd na 25 juli 2002 door ziekte verhinderd was de arbeid te verrichten. Artikel 7:629 lid 1 BW kan daarom in dit stadium geen toepassing vinden.

Uit de brief van de arbo-arts blijkt dat deze A. “niet in staat” acht haar werk bij N. te hervatten. De second opinion arts gebruikt hier de tem “ongeschikt”. Het termgebruik van beide artsen is opmerkelijk naast het door beiden uitgesproken medisch oordeel “niet ziek”. Strikt genomen is met die uitspraak de rol van de deskundige in het kader van de ziekteverzuimregels uitgespeeld.

Dat beide artsen zich op dit punt toch uitlaten kan echter wel betekenis hebben voor de toepassing van artikel 7:628 BW lid 1. Uit hun uitlatingen blijkt dat beiden geloof hechten aan de lezing van A. omtrent de betwiste intimidatie, tenminste in zoverre
dat zij zeker verband leggen tussen gedragingen van de werkgever, in de persoon van Van O., en het gedrag van A.. Verwacht mag worden dat de twee artsen, in het geval zij (in verband met een mogelijk tussen partijen te voeren odemprocedure) als getuigen zullen worden gehoord, hun zienswijze op dit punt zullen bevestigen en waar nodig toelichten. Daarbij is niet van belang of hieruit ook af te leiden is of het gaat om strafbaar handelen.

Door de rol die beide artsen hier kunnen spelen, wordt de bewijspositie van A. in een bodemprocedure niet weinig versterkt Van de zijde van N. is niets naar voren gebracht dat hieraan afdoet. Het komt daarom in dit stadium waarschijnlijk voor, dat de
rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat A. de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van N. behoort te komen.

Uit het bovenstaande volgt, dat de vordering van A. behoort te worden toegewezen. Omdat N. in het ongelijk is gesteld, moet deze in de proceskosten worden veroordeeld.

DE BESLISSING

de kantonrechter,

recht doende als voorzieningenrechter,

veroordeelt N. om aan A. te betalen:

a. het vanaf de maand juli 2002 verschuldigde bruto salaris ad € 1.425 per maand en zo vervolgens maandelijks tot 17 november 2002;

b. de verhoging ex artikel 7:625 BW over het sub toegewezen bedrag;

c. de vakantiebijslag, voor zover opeisbaar;

d. de wettelijke rente over het sub a tot en met c gevorderde vanaf de datum van opeisbaarheid van de vordering tot die van voldoening;

veroordeelt N. in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van A. begroot op € 229,56 aan verschotten en € 350 aan salaris voor haar gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Los

Instantie: Europees Hof voor de rechten van de mens, 26 november 2002

Instantie

Europees Hof voor de rechten van de mens

Samenvatting


Het tekortschieten van de hulpverlening ten aanzien van de bescherming van kinderen tegen herhaald seksueel misbruik en fysieke mishandeling wordt de overheid aangerekend en beschouwd als schending van art. 3 EVRM, het verbod op onmenselijke dan wel vernederende behandeling. De overheid heeft een positieve verplichting om maatregelen te nemen teneinde misbruik en mishandeling te voorkomen, of minimaal het risico of de schade te beperken.

Volledige tekst

PROCEDURE

1. The case originated in an application (no. 33218/96) against the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland lodged with the Commission under former Article 25 of the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms (“the Convention”) by four United Kingdom nationals, E., H., L. and T. (“the applicants”), on 2 July 1996. It was transmitted to the Court on 1 November 1999 in accordance with Article 5 § 3, second sentence, of Protocol No. 11 to the Convention, the Commission not having completed its examination of the case by that date.

2. The applicants, who had been granted legal aid, were represented by Messrs Henderson & Sons, solicitors practising in Dumfries. The United Kingdom Government (“the Government”) were represented by their Agent, Mr C. Whomersley of the Foreign and Commonwealth Office, London. The President of the Chamber acceded to the applicants’ request not to have their names disclosed (Rule 47 § 3 of the Rules of Court).

3. The applicants alleged that the local authority had failed to protect them from abuse by their stepfather and that they had no remedy in this respect. They invoke Articles 3, 8 and 13 of the
Convention.

4. The application was allocated to the Third Section of the Court (Rule 52 § 1 of the Rules of Court). Within that Section, the Chamber that would consider the case (Article 27 § 1 of the Convention) was constituted as provided in Rule 26 § 1.

5. By a decision of 23 October 2001, the Court declared the application admissible and deliberated on the merits.

6. The applicants and the Government each filed observations on the merits (Rule 59 § 1). The Chamber having decided, after consulting the parties, that no hearing on the merits was required (Rule 59 § 2 in fine), the parties replied in writing to each other’s observations.

7. On 1 November 2001 the Court changed the composition of its Sections (Rule 25 § 1). This case was assigned to the newly composed Second Section.

THE FACTS

I. THE CIRCUMSTANCES OF THE CASE

8. The applicants, E., H., L. and T. were born in 1960, 1961, 1963 and 1965 respectively and live in Scotland. E., L. and T. are sisters and H. is their brother.

A. The circumstances of the case

9. The applicants’ mother had six children by her husband. After the death of the applicants’ father in 1965, their mother cohabited with W.H. Two further children were born in that relationship.

10. The family, living in a local authority flat in Dumfries, were known to the social services of Dumfries and Galloway Regional Council (“the local authority”). The records provided by the Government show that they were principally concerned from 1970 onwards in relation to the mother’s severe financial difficulties. The mother suffered from bad health and it was noted in 1973 that when she had a broken arm she always kept one of the children off school (presumably to help in the home) and was likely to be summoned before the Education Sub-Committee. Problems with rent and electricity arrears were noted as recurring through 1975 and 1976, as well as continuing health difficulties suffered by the mother. An entry on August 1976 noted that the eight children were all happy though overcrowded and that there were no behavioural problems.

11. On 16 November 1976, it was recorded however that E., the first applicant, who had been causing concern as she had been staying out at night, was found semi-conscious at a nearby flat, having taken an overdose. It was noted that the mother was to take her to attend a psychiatric clinic. The medical notes recorded that E. complained that she disliked intensely her mother’s cohabitee W.H. who hit her, shouted and upset her so much that she ran away with intent to kill herself.

12. A social work report dated 25 November 1976 noted that the family consisted of six daughters and two sons living with their mother. W.H., the father of the two youngest children, was recorded as not cohabiting and the mother had stated that she would not marry him as she would be worse off financially. The state of the home was said to fluctuate according to the mother’s health but was considered to be adequately furnished with a warm, friendly atmosphere. The mother had always demonstrated a great deal of concern for her children and had perhaps overindulged them at times. In spite of the fact that there was much juvenile delinquency in the area, this was noted as being the first time that any of her children had given cause for concern. The mother’s ambivalent attitude to school attendance was commented on.

13. In December 1976, E. left school and the social services gave assistance in finding employment.

14. On 7 January 1977, L., the third applicant, then aged 13, ran away from home, following an incident in which she claimed that W.H. had attempted to rape her. She was referred as an emergency by the police to the social services. The police interviewed all the family. It is not apparent that the family, in particular the children, were interviewed by social workers concerning the implications of L.’s disclosures. No steps were taken to refer them to the Reporter of the Children’s Hearing.

15. On 7 January 1977, W.H. was arrested by the police and charged with indecently assaulting E. and L.

16. On 8 January 1977, W.H. entered a guilty plea concerning charges involving offences of indecent behaviour against E. and L. before Dumfries Sheriff Court. The pleas were accepted by the prosecution and the case proceeded on the basis that W.H. had committed one act of indecency against E. between 20 October 1972 and 31 August 1976, and two acts of indecency against L. between 1 January 1975 and 7 January 1977. The Sheriff requested the social services to prepare social enquiry and psychiatric reports. W.H. was not detained pending sentence. According to the applicants, he returned to live at the applicants’ home.

17. On 11 January 1977, the applicants stated that the police submitted a report to the children’s social worker, S., expressing concern that the children should be protected from further abuse. The Government have found no trace of any such report in existence.

18. On 28 January 1977, W.H. appeared before the Sheriff for sentencing. The social enquiry report dated 18 January 1977 stated inter alia that the family lived in a four room local authority flat in an area where there was a high incidence of social problems. The home was adequately furnished and maintained to a reasonable standard. The mother was described as a caring woman who did not enjoy good health but who put her childrens’ interests first. The family was considered as appearing a happy well-adjusted group though they were well known to the social services as they had been given assistance from time to time. The children attended school regularly and appeared happily settled. W.H. was recorded as admitting the offence and as being more than ashamed of his conduct, though he could offer no explanation for these actions. It was noted that he did not appear to realise fully the serious nature of these charges. Since the alleged offence he had obtained accommodation outside the applicants’ home – it indicated an address in the same apartment block. It was further noted that the mother was not prepared to accept the charges relating to this man and stated that they had plans to marry in the Spring as they had had a close relationship for many years. It was concluded that, in view of the serious nature of the offences, it would be necessary for firm control to be exercised over the accused for a period of time.

19. The psychiatric report found that W.H. did not show any psychiatric abnormality. His criminal record showed one prior minor offence of dishonesty.

20. W.H. was sentenced by the Sheriff to two years’ probation. The applicants state that this was with a condition that he cease to reside at the applicants’ address. The Government have found no record of that condition attaching to the probation order and stated that the probation file cannot now be found. They accepted however that it was the social services’ responsibility to supervise W.H.’s probation. According to the recollection of Mr M., who was the supervising officer for part of that period (after June 1977), he would have made it clear to W.H. that he was not permitted to live in the family home due to the nature of the offences. He recalled visiting W.H. at a separate address in Dumfries during this period and sending mail to that address. He believed that W.H. was living there and not at the applicants’ home. In the precognition annexed to the Government’s observations, Mr M., who was also probation officer for E. and acted as replacement for the family social worker, recalled however that he did have suspicions that W.H. might still be living at the family home and that on visiting the family home two or three times unexpectedly he found W.H. “just leaving”. He did not consider that there was sufficient evidence of W.H. breaching the conditions attached to his probation order to justify taking the matter further.

21. The social worker, Mr R., visited the home on 22 occasions between 24 January and the end of June 1977 and did not see W.H. However, his notes recorded in March 1977 a suspicion that the mother was still cohabiting with W.H. When Mr M. took over the case, he noted that W.H. was not living there (social work case notes entry of 6 August 1977) and that W.H. was not contributing financially to his children. In his later affidavit, he stated that this entry was based on information from the mother. Entries indicated concerns about school attendance and that the mother had been repeatedly told that she should not keep the girls off school. In September 1977, it was noted that the school had expressed concerns about the welfare of T., the fourth applicant, which was attended to by a senior social worker. A school meeting concerning the children’s attendance was arranged but the mother and H., the second applicant, failed to attend. In November 1997, the social worker paid an unexpected visit to the home and found that W.H. was there. Both he and the mother denied that he was living there.

22. According to a social enquiry report of 1 June 1977 drawn up by Mr R. when E. was charged with criminal damage before the Sheriff Court, she had left home in about February 1977. No reference was made to the past history of sexual abuse in the home though it was stated that she had left home after a scene with the man who was at that time co-habiting with her mother. E. was found guilty of malicious mischief on 15 June 1997 and sentenced to two years’ probation. Social work case notes also recorded that by March 1977 she had left home. According to her claims lodged in later proceedings, E. finally left home on her 17th birthday, in October 1977.

23. School attendance was still recorded as a problem in December 1977 for the remaining girls at home. H., the second applicant, had now left school officially. In her later statements, L. recalled that during 1977 she was on occasion taken into temporary local authority care in connection with problems of running away.

24. In January 1978, the mother was recorded as giving her various health problems as the reason for keeping L. and T. off school. It was noted that her speech was slurring, among other symptoms, but that she had shown reluctance in going to see her doctor or in allowing the social workers to approach her doctor. In February 1978, she was keeping one or both girls off school to help her at home or to run messages.

25. In March 1978, it was noted that the house was becoming even more disordered and the younger children and the mother were becoming more unkempt. The mother gave the impression of having given up. In June 1978, the mother was finally referred through her doctor for hospital tests, though she failed to attend the appointments set. In October 1978, it was noted that the house stank and that the carpet was matted. The mother informed the social worker that W.H., who lived in Derbyshire, had invited her to go and live with him there. She gave up that idea shortly afterwards.

26. In January 1978, L. was referred to a Children’s Hearing for failure to attend school. In the background report drawn up by Mr M. for the hearing, explanation was given of the financial and health difficulties of the mother and it was stated that it was the mother who kept L. from school to help in the home. There was no reference to the history of sexual abuse in the home. In April 1978, L. was living temporarily in a social work establishment known as the Closeburn Assessment Centre. On 22 April 1978, she ran away from the home and was returned. At a date unspecified, she went back to live at home.

27. H., aged 17, left the family home in or about 1978.

28. On or about 15 January 1979, L. left home after an argument with her mother about going out at night and was brought back by the police who referred the matter to the social services. After discussion with the mother, L. was taken into care by the social services until 20 February 1979.

29. On 16 March 1979, the school attended by L. called a multi-disciplinary meeting to discuss the problems of non-attendance of a number of the children of the family. Though a social worker was invited to attend, none was present.

30. On 28 March 1979, L. was transferred to a residential centre but left the following day to return home. At about the same time, the applicants’ mother changed address. L. lived with her there for about a week and then left to live with a friend. She took an overdose and was admitted to hospital. A letter dated 11 April 1979 from the psychiatric registrar to L.’s G.P. noted that “… she doesn’t get on well with her mother’s cohabitee. The relationship with Mum’s cohabitee seems a bit peculiar”.

31. After being discharged from hospital on 9 April 1979, L. went to live with a 50 year old man with whom she had a sexual relationship. On 17 April 1979, the police picked up L. who told them about the relationship. The mother agreed that L. was beyond her control and agreed that she be put in a place of safety. An order lasting one month was made to that effect. From 18 April 1979, she was made the subject of compulsory care measures by the local authority which brought her before the Children’s Hearing. In the background report drawn up by the social worker Mr E. for the hearing, details were given of the mother’s financial difficulties and ill-health and comment was made that, apart from truancy, the family had not been in any trouble. No reference was made to the past sexual abuse. The hearing extended the place of safety order. L. was sent to Closeburn Assessment Centre from 18 April to 18 June 1979. She appears to have remained there for most of the period until her 16th birthday on 28 July 1979, at which date she ceased to be subject to the legislation governing the compulsory education of children. Efforts were then made to find employment for her. Social work notes of 1 August 1979 concerning L. recorded that, when the social worker accompanied her to the mother’s home for a visit, a man described as L.’s stepfather was present in the living room.

32. Entries in the social work notes for the family during 1979 continued to emphasise financial difficulties. An entry in February 1979 referred to problems of school attendance of ten years’ standing and the mother’s frequent summoning before the school council.

33. On 7 April 1979, it was noted that the family had moved to a larger home, a self-contained house provided by the local authority.

34. Through 1979-1981, financial difficulties were noted as continuing, and the mother’s health and general state deteriorating to such an extent that she rarely got out of bed.

35. The applicants’ mother died in 1981. It appeared that she had been suffering, inter alia, from undiagnosed multiple sclerosis. The applicants’ elder sister (aged 22) took on the mothering role in the family home.

36. T. left home in November 1984, after she had become pregnant and had a child. By January 1988, she was living at an address with her 3 year old daughter and was in contact with the social services concerning her financial problems. In February 1988, she indicated to her social worker that she had been subject to sexual abuse in the past. In April 1988, she disclosed that this had involved her step-father W.H. as well as other men, one of whom had been convicted of rape. As at the time she was in regular contact with W.H., whom she considered had reformed, she was counselled concerning the risk to her own child.

37. Following counselling, E., L. and T. reported the history of abuse by W.H. to the police in or about November 1988. In her statement of 13 January 1989, L. stated that after W.H. had been arrested in 1977, various social workers used to come around and she and the others had had to tell them that W.H. was not living with them anymore. When they came to the house, W.H. used to hide and her mother used to keep the children out of their way if possible. She recalled wanting to tell a social worker what was happening but was so petrified of W.H. that she did not. W.H. continued to interfere with her and had sex with her a couple of times after the court case.

38. Charges were brought against W.H. of committing sexual offences against E., L. and T.

39. At his trial before the High Court on 20 July 1989, W.H. pleaded guilty to four charges and not guilty to two charges. The prosecution accepted his pleas. W.H. was duly convicted of serious acts of indecency against E. between 19 October 1967 and 18 October 1972 and of further such acts against her between 1 September 1976 and 18 October 1976; of serious acts of indecency against L. between 28 July 1968 and 31 December 1974; and of similar acts against T. between 28 August 1974 and 27 August 1978. Only part of the latter charge concerned the period after W.H.’s earlier conviction on 8 January 1977.

40. The trial was adjourned for sentencing reports to be obtained. On 20 July 1989, the High Court sentenced W.H. to a two year suspended sentence of imprisonment, having regard to the reports which indicated that he now lived in Yorkshire and that most of the offences predated his earlier conviction in 1977. However, it was only at this time that the applicants alleged that they became aware that W.H. had been subject to criminal proceedings in 1977 and that he had been placed on probation on the condition that he did not reside in their home.

41. On 18 June 1992, the four applicants brought proceedings against the local authority seeking damages on the basis that the local authority had failed to carry out its statutory duties, in particular, that W.H. had breached his probation order by residing at the family home and that the social services had, or ought to have, known this and had failed to report the breach to the court or to take the children into care.

42. On 4 January 1996, following the decision of the House of Lords in X. and Others v. Bedfordshire County Council ([1995] 3AER 353) and in the light of counsel’s advice that their case was indistinguishable, the applicants consented to an order that their action be dismissed.

43. In or about 1992 to 1993, the applicants applied for compensation to the Criminal Injuries Compensation Scheme in respect of the abuse suffered. In their applications, they alleged as follows:

(i) E. stated that from about 1967 she suffered 10 years of abuse from W.H. The first incident which she recalled was when she was 6 or 7 when he struck her, sending her flying into the wall. Soon after, he began coming into her room at night and doing things to her, requiring her to masturbate him. If she cried, he would punch her in the face. From the age of 12, he used to make the girls have a bath together and would touch them all over their bodies, inserting his finger into them. Often he would keep her off school and would abuse her sexually. He assaulted her often, coming up behind her to hit her on the back of the head. He also used to stand on her naked feet with his shoes on and twist, pinch her with his nails and punch her. This physical abuse happened on a daily basis. He would also get her and the others to strip to the waist and hit each other with dog chains. This conduct continued regularly until she left home on her 17th birthday (19 October 1977). She recalled going to the social services when she was aged 14 and telling them that W.H. was living with them when he was not supposed to. Nothing happened as a result. While the social services were coming to the house, she did not remember them talking to her. She recalled that this period was before she was 14 or 15, before 1974 or 1975. When she was 15, she started running away from home. On one occasion she took pills. When she was visited by the police in hospital, she told them that W.H. was interfering with her. She also told this to a psychiatrist whom she saw soon after. However, W.H. continued interfering with her. W.H. was only arrested after L. had run away from home in January 1977. E. had suffered serious problems since that time, having made several suicide attempts and having developed a severe drink problem. A psychiatric report of 24 April 1992 concluded that her symptoms accorded with a diagnosis of severe post traumatic stress disorder.

(ii) H. stated that he suffered from physical abuse, assaults and threats of violence from W.H. from about 1967. From about the age of 6 or 7, W.H. used to punch him in the stomach and bash him against the wall. He also made him and the others strip to the waist and punch and hit each other with chains. These relentless assaults went on regularly until he left home during 1978. A psychiatric report of 9 June 1992 concluded that he had long term relationship problems, poor self confidence and long standing personality difficulties.

(iii) L. stated that she had suffered sexual and physical abuse from W.H. from 1969 until she left home in about 1979 and on occasion after that. W.H. had started interfering with her when she was about 5 or 6. The first thing she remembered was him bathing her with her sister E. and rubbing her private parts. Hardly a day went past when he did not do something of a sexual nature to her (e.g. touching her breasts or private parts) or batter her. When she was older, he made her touch him on his private parts and perform oral sex. He made her and the other children hit each other with chains and whips and would sometimes join in. She was often left with bad bruises and a bleeding nose. From the age of 11 or 12, he had sexual intercourse with her several times. When she ran away in January 1977, she told the police and he was arrested. However, he returned home and started interfering with her again, having intercourse with her and punching or kicking her if she refused. She ran away again in Spring 1977 and was put into a home, first in Dumfries, then Annan and finally Closeburn, which she eventually left in 1979 when she was 16. At that point, she did not return home but went to stay with her sister and then embarked in a series of relationships. When she visited her mother on 1 January 1980, W.H. put his hands up her skirt but let her go when she threatened to tell her boyfriend. On another occasion in 1981, W.H. tried to fondle her but she got up and left. She had never been able to tell anyone about these things as she was scared of him and thought that he would severely assault her. A psychiatric report of 24 April 1992 concluded that her symptoms, including nightmares and sleep disturbance, accorded with a diagnosis of severe post traumatic stress disorder.

(iv) T. stated that she had suffered sexual and physical abuse from W.H. from about 1971 to 1989. Though she did not remember anything specifically before the age of 9, she slept in the same bed as L. and remembered him coming naked into the bed with them. From an early age, he used to stand on her naked feet in his shoes and twirl round, nip her and punch her in the stomach. She had black eyes occasionally. When she was 9, she remembered him making her touch him and masturbate him. She had to do that to him two or three times a week when he came home from work. He then started keeping her off school and would lie down on the bed naked, making her take her clothes off and masturbate him. This occurred two or three times a week. When she was 10 or 11, he began to touch her breasts and rub his penis over her until he ejaculated. When she was 14, he forced her to have sexual intercourse with him. He did not repeat that but continued touching her and making her masturbate him or have oral sex. This continued until 1984 when she was able to leave home – she deliberately got pregnant by having sex with someone she knew, so that the local authority would provide her with accommodation away from home. In 1987, W.H. started coming to her house and would try to touch and grab her. She became very depressed and suicidal. She then told the Family Centre about the abuse. A psychiatric report of 24 April 1992 concluded that her symptoms, including low self-esteem, fear, mistrust and depression, accorded with a diagnosis of severe post traumatic stress disorder.

44. Though the applicable provisions did not permit claims for injuries from violence arising before 1 October 1979 where the victim and assailant were in the same household, the Criminal Injuries Compensation Board (“CICB”), in an apparent oversight, made an assessment awarding 25,000 pounds sterling (GBP) to E., L. and T. for general damages. They appealed against the failure to award damages for loss of earnings. As it was noted that in the proceedings for the fourth applicant T. that most of her injuries had arisen before 1979, the applicants E. and L. withdrew their appeals to prevent their awards being reconsidered altogether. In deciding T.’s appeal, the Board decided that as she had sustained some damage post-October 1979 it would not disturb the award but made no award for alleged loss of earnings or damage to employment prospects. H. did not receive any award. A letter dated 23 July 1992 from the CICB indicated that his application had been rejected in that his claim had not been made within three years of the incident giving rise to the claim and the Chairman had decided not to waive the requirement in his case.

45. On 30 January 1996, the applicants requested the Commissioner for Local Administration in Scotland to undertake an investigation into their allegations of negligence and maladministration by the local authority. By letter dated 8 February 1996, the Ombudsman stated that he had no jurisdiction pursuant to section 24(6)c of the Local Government (Scotland) Act 1975, which precluded investigations where the complainants had a remedy by way of proceedings in a court of law, and that, even if he had jurisdiction, he would not have undertaken an investigation due to the lapse in time since the events occurred. By letter of 22 February 1996, he declined to reconsider his decision.

B. Social work expert reports submitted by the parties

Reports by Ms Ann Black submitted by the Government

46. The Government submitted two reports by Ms Black, a social work consultant who has worked for more than 30 years in the field of child care, principally in Scotland.

47. In her first affidavit dated 26 March 2002, Ms Black stated that with the exception of cases of incest there was in the 1970s no real appreciation of the incidence of, and consequences for victims of, child sexual abuse within families. Circulars referred to non-accidental injury without specific reference to sexual abuse which was not recognised as a particular issue. It was only in the 1980s that literature began to arrive in the United Kingdom from the United States on the subject of child sex abuse and initially this was regarded as controversial. The first real recognition of the problem in the United Kingdom was a CIBA publication “Child Sexual Abuse in the Family” published in 1984. A Working Group on the topic was set up by the Social Work Services Group of the Scottish Office in which she was involved and which reported in 1985.

48. According to her experience, during the 1970s and before, where a case of incest or sexual abuse had been identified, the focus would be on ensuring that the perpetrator was punished. Little or no attention was given to the needs of the victim and once the perpetrator was convicted that would be seen as the end of the matter. There was no real appreciation of the extent to which abusers might continue to abuse their victims over many years or of the skills of abusers in avoiding detection. Social workers were not given any specific training about child sex abuse. There was also the practice at the time of local authorities keeping their probation and child care functions separate, with social workers working separately rather than as part of a team and there was a tendency for there to be relatively little interaction between schools and social work departments.

49. In her view, after W.H. had been convicted and sentenced to probation in January 1977, it would have been generally assumed that any continuing problem would have been resolved, particularly if a condition in his probation was that he was not allowed to live in the family home. No work would have been envisaged with the victims unless they were showing obvious distress or problems. A mere suspicion that the W.H. was in breach of the probation order, and his presence found in the house during the day, would not have been sufficient proof of breach. He was the father of two of the mother’s youngest children, contact with the family was not prohibited and his presence in the house would have even been seen as positive. Even if they had considered the possible breach of probation further, they would not have gone on to consider possible harm to the children. It would have been standard practice to make specific appointments to visit the home in order to avoid wasted time and she would not have expected the social worker to make spot checks or call at unexpected times to check on W.H.. As was the practice, social services provided support for the mother who had considerable problems in running the home, and would have had a tendency not to investigate the causes of any running away or of truancy, particularly where the child was close to school leaving age. Nor would it have been expected at the time for the social workers to make a point of talking individually to the children, unless for the purpose of a specific report.

50. In her additional comments of 20 May 2002, added in the light of the examination of further documents, Ms Black noted that at the meeting convened by the school in March 1979 concerning L. the social work department had not sent a participant though invited to do so. The school problems drawn to the attention of the social services did not appear to have prompted the social worker to suggest a meeting to try to draw together the issues for the family and this meant that the full extent of the problems that L. and the others in the family faced were not discussed by the wider group of professionals who knew the family. By this time, the use of case conferences was well established in social work practice.

51. She also noted that following E.’s overdose of pills in November 1976, the social services did not appear to react to E.’s dislike of W.H. and her allegations of an earlier sexual assault and his shouting and hitting. Nor was there any social work follow-up when L. ran away in January 1977, beyond a visit of the emergency social worker, or any discussion with E. and L. after W.H. had been sentenced. Even if social workers at the time were not aware of the incidence of sexual abuse, the incidents with the two girls and the evident distress shown by them should have usefully led to an attempt to discuss with them individually how things were at home, in particular to establish the severity of past incidents and whether any other children in the house were at risk of sexual or physical abuse.

52. Further, in the light of Mr R’s report to the court which commented on the need for firm control of W.H. and the mother’s refusal to accept that he had committed the offences, this made the assurances given by W.H. and the mother that W.H. was not living in the home much less safe to rely on. Mr R. did not appear to have issued any warning to them about the consequences of breaching the probation order. When the report was made on E. in June 1977 there was no reference to the sexual abuse or home difficulties. Also the report to the Children’s Hearing on L. in January 1978 failed to give a full picture of her difficulties. Throughout the case there was an emerging pattern of different people not using the information available to assess the safety of the girls and W.H.’s adherence to the probation conditions. After the report on E. in June, it could have been expected that the workers involved in the family would have increased their scrutiny of the living arrangements in the family. The lack of detail in the reports on L. deprived the Children’s Hearing of vital information which could have led them to place L. on supervision and afforded more opportunity for her to speak about the home situation.

53. Though by January 1977 E. was too old to be referred to the reporter of the Children’s Hearing, grounds existed for referring L. at that time. Given the abuse, her level of truancy, the poor financial and material circumstances in the family and the offence of W.H., coupled with allegations by E. as to shouting and hitting in the family home, she considered that a referral of L. ought to have been made. This would have given an opportunity for all the different agencies involved with the family to contribute to the discussion and for the Hearing to appreciate the full extent of the problems. Though L. might not have been removed in the first instances, a supervision requirement would have allowed closer contact and more individual work. The Reporter would also have had the opportunity to consider whether any other children in the household were in need of compulsory measures of care.

54. She concluded that the failure to share significant issues with the Children’s Hearing about L., the failure to work collaboratively with the school, the lack of attention to the assessed need for firm control of the situation after W.H. was placed on probation and the lack of attention to the significance that the mother did not believe her daughters’ complaints against W.H., all contributed to a failure to help get the girls the support they were likely to need after the conviction of W.H. and disclosed a failure in the approach taken to the family by the social work department.

Reports by Mr Richard Jack submitted by the applicants

55. The applicants provided three reports dated 20 March, 13 May and 10 June 2002 by Mr Richard Jack, a consultant in social work with experience in social work practice over 28 years.

56. He stated that from 1975, when circular SW1/75 was issued, a mult-disciplinary approach by professionals was promoted in respect of neglect and child protection, though sexual abuse was not explicitly referred to. While public and professional acknowledgement of a significant child abuse problem did not emerge until the mid-1970’s, in this case E. and L. had made disclosures which were believed and not in doubt. Literature as to the nature of the problem was available to practitioners, in particular with Kempe and Kempe’s work published in 1978, inter alia, identifying clear indicators as to the behaviour exhibited by abused children.

57. Despite long-term problems with the family and notes of truanting dating back to 1973, there was minimal reference to dialogue between the social services and the education authority. There was no reference in the social work records to the disclosures made by E. to medical personnel or to a visit to her in hospital by an emergency social worker, disclosing a significant breakdown in communication. The family social worker Mr E. appears to have had no clear knowledge as to the situation, while Mr M., who later supervised probation of W.H., was not a qualified social worker and did not appear to have proper knowledge of the seriousness and persistence of the offences in issue.

58. Once disclosures had been made by E. and L. in 1977, it would have been reasonable, given the ages of the children, to discuss W.H. with them outwith the presence of the mother. A serious discussion ought to have taken place in the social services as to the potential risks to the children in the household and at the very minimum a report should have been prepared for the Reporter to the Children’s Hearing. In fact there was nothing to suggest that the social services explored W.H.’s impact on the children in the family at all.

59. The social service records noted clear suspicions that W.H. continued to live in the household. Though it was stated in the context of the probation order that firm control was needed, no steps were taken such as further enquiries from neighbours or the local police as to W.H.’s actual place of residence. Breach of the probation order was a very serious matter and should have triggered a referral of his case back to the court and of the children to the Reporter.

60. When L.’s truancy was referred to the Children’s Hearing in 1978, there was no reference to the background of her running away in January 1977 or to the history of neglect and turbulent dynamics in the family. It was negligent of the social services not to provide the panel with full information. Nor when there was a case study meeting at the school in March 1979 did any social worker attend. There was never any multi-disciplinary case conference which reviewed in a full, objective and accurate manner the history and circumstances of the family.

II. RELEVANT DOMESTIC LAW AND PRACTICE

Probation

61. Imprisonment is used in Scotland only where there is no alternative. One alternative is probation, which was at the relevant time imposed under section 384 of the Criminal Procedure (Scotland) Act 1975. When an offender is placed on probation he is allowed to retain his liberty during the period of probation but must comply with the requirements of the probation order. In all cases the order requires the offender to be of good behaviour, conform to the directions of the supervising officer and to inform the supervising officer if he changes residence or employment. Other requirements may be imposed, such as conditions as to the place of residence. If the offender fails to comply with requirements of the probation order, that failure may be reported to the sentencing court by the supervisory officer or other responsible officials of the Social Work Department. The supervising officer has a degree of discretion where there is an apparent breach of the order. He may warn the probationer about the conduct if he considers a warning is likely to alter the probationer’s behaviour. If he reports the matter to the court, the court then investigates the matter. If the failure is proved to its satisfaction, the court can impose a variety of penalties including sentencing the probationer to imprisonment for the offence for which he was placed on probation.

Child care provisions

62. The care and protection of children in Scotland was governed for most of the relevant period by the Social Work (Scotland) Act 1968 (the “1968 Act”).

63. There was a duty on local authorities under section 15(1) of the 1968 Act to receive a child under 17 into care when it appeared to an authority that his parent or guardian was unable, by reasons of illness, mental disorder or other circumstance, from providing proper accommodation, maintenance and upbringing. The test was whether the intervention was necessary in the interests of the welfare of the child. Compulsory measures of care were also required under section 32 for children in need, including those who were suffering unnecessarily or were the victims of cruelty. Under section 37(1), anyone with reasonable cause to believe a child fell into this category could inform the Reporter to the Children’s Panel of the matter.

64. The Children’s Panel was a tribunal specifically designed to cope with cases involving children. The Reporter had investigative powers to establish the condition of the welfare of the child and had three options: to take no further action, to refer the case to the Social Work Department for them to give guidance or support, or to convene a Children’s Hearing. The Children’s Panel had the power to order the child to submit to a supervision requirement in accordance with such conditions as it saw fit or to reside in a special establishment.

65. After the entry into force of the Children Act 1975, the local authority had a duty to cause inquiries to be made, unless it did not deem them necessary.

66. Under section 37(2) of the 1968 Act, a police constable or other person authorised by a court or justice of the peace could take a child to “a place of safety”, e.g. if offences had been committed in relation to the child, including cruelty or the infliction of unnecessary suffering.

Remedies available to victims of abuse

Civil actions

67. Physical or sexual abuse of a child will generally constitute a civil wrong (such as assault), as well as a criminal offence, and give rise to an action for damages by the perpetrator.

68. Actions in civil damages may also lie against the social work department (local authority) either in respect of alleged wrongdoing (e.g. negligence, or wilful abuse of power) for its own actions or vicariously for the actions of its staff.

69. Under Scots law, a body carrying out statutory functions will be liable in damages to a person affected by its performance or non-performance of those functions (in the absence of a wilful disregard of its duties) only if the statute expressly or impliedly provides for such a liability, or the relationship between the statutory body and the person in question is of such a nature as to create a common law duty of care, and the statutory body violated that duty (i.e. was negligent).

70. As set out in Z. and Others v. the United Kingdom [GC], (no. 29392/95, ECHR 2001-V), negligence arises in specific categories of situations. These categories are capable of being extended. There are three elements to the tort (delict) of negligence: a duty of care, breach of the duty of care and damage. The duty of care may be described as the concept which defines the categories of relationships in which the law may impose liability on a defendant in damages if he or she is shown to have acted carelessly. To show a duty of care, the claimant must indicate that the situation comes within an existing established category of cases where a duty of care has been held to exist. In novel situations, in order to show a duty of care, the claimant must satisfy a threefold test, establishing:
– that damage to the claimant was foreseeable;
– that the claimant was in an appropriate relationship of proximity to the defendant; and
– that it is fair, just and reasonable to impose liability on the defendant.

The leading case is Caparo Industries v. Dickman ([1990] 2 AC 605).

71. If the courts decide that as a matter of law there is no duty of care owed in a particular situation, that decision will (subject to the doctrine of precedent) apply in future cases where the parties are in the same relationship.

72. The decision in X and Others v. Bedfordshire County Council ([1995] 3 AER 353) is the leading authority in the United Kingdom in this area. The House of Lords there held that local authorities could not be sued for negligence or for breach of statutory duty in respect of the discharge of their functions concerning the welfare of children. The children in that case had suffered severe neglect and abuse from their parents and had alleged that the local authority had failed to protect them, inter alia, by not exercising their power to take them into care at an earlier stage. As regards the claims that the local authority owed a duty of care to the applicants pursuant to the tort of negligence, Lord Browne-Wilkinson in his leading judgment found that no duty of care arose as it was not fair, just or reasonable to impose one on the local authority in their exercise of this aspect of their duties.

73. More recently, in the case of W. and Others v. Essex County Council ([1998] 3 AER 111) in a case concerning the claims of a family, parents and children, that they had suffered abuse and damage due to the foster placement in their home by the local authority of a 15 year old boy who was a suspected sexual abuser, the Court of Appeal held that a duty of care lay towards the children of the family, while the House of Lords on 16 March 2000 ([2000] 2 WLR 601) held that the parents could also arguably claim that they were owed a duty of care. The House of Lords had also given judgment on 17 June 1999 in Barrett v. the London Borough of Enfield ([1999] 3 WLR 79). That case concerned the claims of the plaintiff, who had been in care from the age of ten months to seventeen years, that the local authority had negligently failed to safeguard his welfare causing him deep-seated psychiatric problems. The local authority had applied to strike out the case as disclosing no cause of action. The House of Lords, upholding the plaintiff’s appeal, unanimously held that the case of X and Others v. Bedfordshire County Council did not in the circumstances of this case prevent a claim of negligence being brought against a local authority by a child formerly in its care.

Criminal Injuries Compensation

74. The Criminal Injuries Compensation Authority (known at the relevant time as the Criminal Injuries Compensation Board – CICB) may make an award where it is satisfied on the balance of probabilities that an applicant is a victim of a criminal offence and suffered the harm alleged. Payments of some 210 million GBP are paid out each year. However, under the rules in force until 1 October 1979, there was a complete bar on claims where the victim and the assailant were living together at the same time as members of the family.
Judicial review

75. The acts, omissions and decisions of social work agencies carrying out statutory functions in connection with the welfare of children in Scotland are subject to judicial review by the Court of Session. Decisions by the local authority, for example, concerning the place of residence of children or recording the name of an abuser on a register have been quashed. Damages may be awarded in such proceedings.

Local Government Ombudsman

76. Persons aggrieved by the actions or omissions of social work agencies may complain to the Commissioner for Local Administration in Scotland whose functions include investigation of written complaints by persons who claim to have suffered from the maladministration of local authorities (Part II of the Local Government (Scotland) 1975 as amended). The Local Government Ombudsman may recommend an appropriate remedy, including the payment of compensation. Though the local authority is not legally obliged to pay the compensation recommended, it is the general practice to do so.

77. There are restrictions on the investigations which may be conducted. Section 24(4) of the 1975 Act above requires a person to bring a complaint within 12 months from the day on which the complainant had notice of the matters concerned, though there is a discretion to consider complaints outside this time-limit if the Ombudsman considers it reasonable to do so. He may not investigate any matter in which the person aggrieved has or had a remedy by way of proceedings in any court of law (section 24(6)c).

THE LAW

I. ALLEGED VIOLATION OF ARTICLE 3 OF THE CONVENTION

78. Article 3 of the Convention provides:
“No one shall be subjected to torture or to inhuman or degrading treatment or punishment.”

A. The parties’ submissions

1. The applicants

79. The applicants submitted that taken as a whole the evidence established that they were abused by W.H., that the abuse continued after January 1977, that there were material faults in the handling of the situation by the social services and that they sustained loss and damage as a result. They submitted that the local authority was aware of proven sexual abuse in January 1977 in relation to E. and L. and that this had been ongoing for some time before January 1977. They therefore knew of the risk of future ill-treatment to the children and ought to have been aware of the continuation of actual abuse.

80. The local authority failed however to take the protective measures necessary and provided for in the statutory framework. Already in January 1977 there were grounds for referral of the children to the Reporter to the Children’s Panel due to the serious concerns for their welfare (the mother was unable to cope, school attendance was atrocious, E. had attempted suicide, and E. and L. had been sexually abused). A hearing would then have been held and the situation properly investigated. The failure to refer the children precluded further steps being taken to protect their welfare.

81. There was also a failure properly to supervise W.H.’s probation. It was noted that he had been found in the home and yet no further investigation into the situation occurred. No consideration was given either to a referral to the Reporter on the basis that a convicted sexual offender had been in contact with the household. Nor did L.’s known behaviour (running away, truancy and offending) lead the social services to hold a multidisciplinary conference to investigate the cause of her behaviour while information about the background of sexual abuse by W.H. was not passed on by the social services to relevant agencies including the Children’s Panel when it dealt with L. concerning truancy in 1978 and care measures in 1979.

82. The applicants submitted that the local authority should have been aware of the risk of continued abuse, arguing that there was recognition at the time that sexual abuse occurred in families, that W.H. was found guilty of serious sexual offences of abuse which had been going on for some time and the recorded suspicion that he continued to cohabit in the home. It should also have been apparent to the local authority that there was a possible connection between the disturbed behaviour of E. and L. and ongoing sexual abuse. No steps were taken to talk individually to the children, social work concerns seeming to concentrate on matters of rent and finance. Visits by social workers were also made at regular and pre-arranged times which allowed W.H. to evade notice most of the time.

2. The Government

83. The Government did not consider that it would be appropriate for the Court in assessing to what extent the applicants has suffered ill-treatment to go beyond the conclusions of the domestic courts, which had found W.H. guilty of specific offences against E., L. and T. in 1977 and 1989, as this would involve finding W.H. guilty of serious criminal offences in proceedings to which he was not a party. As the second applicant H.’s allegations referred most vividly to ill-treatment at an early age, only mentioning in sweeping terms alleged continuation of abuse after the first conviction in 1977, his statements in their view did not provide an adequate basis for making specific findings about ill-treatment after 7 January 1977. The Government also pointed to the evidential difficulties arising from the allegations which concerned events occurring more than 20 years ago and the incomplete evidence which was available. However, they accepted that the conduct for which W.H. was convicted in respect of E., L. and T. amounted to inhuman or degrading treatment.

84. The Government understood that the applicants were alleging that from January 1977, and not before, the social services were or should have been aware that there was a risk of sexual abuse from W.H. continuing. They submitted that, following his conviction in January 1977, the Social Work Department had no evidence that W.H. was continuing to reside in the home. Although Mr R. had a suspicion that the mother was still cohabiting with W.H., he had visited the house very frequently without seeing W.H. and, in the view of the social work consultant Ms Anne Black, given the low level of awareness about child sexual abuse at the time, she would not have expected him to pursue his suspicions further. None of the applicants, when seen by the social workers or interviewed for various purposes, gave any hint that W.H. was still living in their home or continuing to abuse them. Though the social worker Mr M. recalled that he found W.H. leaving the home on two to three occasions, the notes indicated that the mother and W.H. both denied that he was living there, and he took the view that W.H.’s visits during the day while the children were at school was not tantamount to living there and did not constitute sufficient evidence of a breach of his probation to justify further action.

85. There were no other features which would have led the social workers to suspect that the applicants were still suffering abuse. They were concerned in the problems of school attendance and the difficulties arising from the mother’s illness and lack of money, and it was not unreasonable for the social workers to believe that the children’s problems at the time were associated with general problems arising from their environment. They submitted therefore that the social services did not have knowledge of any continuing abuse and, having regard to practice and understanding at the time, they could not legitimately be criticised for failing to appreciate that W.H. was continuing to abuse the applicants.

86. The Government agreed with the applicants that the social services’ actions were nonetheless inadequate in certain respects, particularly with regard to the support offered to the applicants after W.H.’s conviction in 1977. The most serious omission was the failure to make a reference to the Reporter of the Children’s Hearing after that conviction. This would have been likely to have led to a supervision order in respect of L., leading to closer contact with her and the family. Further, there should have been greater vigilance in supervising W.H. with less reliance on the assurances of W.H. and the mother that he was not living in the home, and the background report on E. prepared for court in June 1977, and the social enquiry report on L. prepared in January 1978 and in April 1979 should have referred to the previous circumstances surrounding the disclosure of abuse and the conviction of W.H.; there should have been social work input at the case conference meeting held in relation to L. in March 1979; and the visit by the police to L. in April 1979 should have led to discussion about the situation at home.

87. However, notwithstanding these failings, it could not be said that any different conduct on the part of the authorities would have necessarily led to discovery of any further incidents of abuse by W.H. There had been ongoing contact between the applicants and the social services over this period without any disclosures being made. Similarly, even if the possibility of a breach of probation proceedings had been more seriously considered, the social services still had had no concrete evidence that he was living in the home. In the circumstances, it could not be said that there was a violation of Article 3 in respect of the applicants.

B. The Court’s assessment

1. General principles

88. Article 3 enshrines one of the most fundamental values of a democratic society. It prohibits in absolute terms torture or inhuman or degrading treatment or punishment. The obligation on High Contracting Parties under Article 1 of the Convention to secure to everyone within their jurisdiction the rights and freedoms defined in the Convention, taken together with Article 3, requires States to take measures designed to ensure that individuals within their jurisdiction are not subjected to torture or inhuman or degrading treatment, including such ill-treatment administered by private individuals (see A. v. the United Kingdom judgment of 23 September 1998, Reports of Judgments and Decisions 1998-VI, p. 2699, § 22). These measures should provide effective protection, in particular, of children and other vulnerable persons, and include reasonable steps to prevent ill-treatment of which the authorities had or ought to have had knowledge (mutatis mutandis, Osman v. the United Kingdom, judgment of 28 October 1998, Reports 1998-VIII, § 116). Thus a failure, over four and a half years, to protect children from serious neglect and abuse of which the local authority were aware disclosed a breach of Article 3 of the Convention in the case of Z. and Others v. the United Kingdom ([GC] no. 29392/95, ECHR 2001-V, § 74-75).

2. Application in the present case

89. The Court recalls that the four applicants allege that they suffered sexual and physical abuse from W.H. over a long period of time. There is no doubt that the treatment described (see paragraph 43) falls within the scope of Article 3 of the Convention as inhuman and degrading treatment. Certain of the assaults on E., L. and T. were subject to criminal proceedings and W.H. was convicted in January 1977 and July 1989 in respect of seven offences.

90. The Government have argued that no findings of ill-treatment should be made beyond those of the criminal courts as this would be tantamount to finding W.H. guilty of further criminal offences in proceedings to which he is not a party. The Court notes that the Government do not contest the applicants’ allegations or argue that they are false or erroneous or unsubstantiated. The Criminal Injuries Compensation Board indeed made substantial awards to E., L. and T., which would imply that the allegations of long standing abuse were upheld. It is true that no award was made to the second applicant, H., and that no charges concerning him were ever brought against W.H.. It does not appear that H. made any disclosure about physical abuse until relatively late, in the context of the civil proceedings brought in 1992. However, the statements of the other applicants, his sisters, support his claims concerning the violence and physical battering that occurred in the home and the psychological reports submitted are consistent with a history of abuse.

91. The Court is satisfied that it may make a finding on the materials before it, which are uncontroverted, that the applicants suffered abuse as described. It does not consider that this may be construed as any determination of guilt of criminal offences on the part of W.H., any more than the accepted findings of ill-treatment of the child applicants in the case of Z. and Others v. the United Kingdom (cited above) disclosed any attribution of criminal responsibility on the part of the children’s parents. Criminal law liability is distinct from international law responsibility under the Convention, this Court not being concerned with reaching any findings as to guilt or innocence under domestic law (see, for example, Avsar v. Turkey, no. 25657/94, ECHR 2001, § 284).

92. The question therefore arises whether the local authority (acting through its Social Work Department) was, or ought to have been, aware that the applicants were suffering or at risk of abuse and, if so, whether they took the steps reasonably available to them to protect them from that abuse.

93. The parties appear agreed that it is the period after January 1977 which is in issue, no disclosures or evidence of sexual or physical abuse arising before E.’s overdose and L’. running away from home in November 1976 and January 1977 respectively. Though in certain statements E. has a recollection of making a complaint about W.H. in or about 1974, her memory is uncertain on the details and the applicants do not rely on this as proving knowledge of the abuse before 1977. The parties do disagree whether the authorities should have been aware of the abuse that continued thereafter.

94. The Court recalls that until T. made disclosures of sexual abuse to her social worker in 1988 there is no indication that any of the children in the house made any complaint about W.H.’s ongoing assaults after January 1977. The Government take the view that there was nothing to alert the social workers that he continued to be a risk and that in the light of knowledge and practice at the time the fact that he had been found in the family home after the conviction in January 1977 would not have been regarded as any significant cause for alarm or have provided sufficient ground for action against him.

95. However, the Court notes that the Government accept that even if it was not a formal condition of his probation it would have been understood that W.H. was no longer permitted to reside in the applicant’s home. An examination of the materials reveals the following factors:
– W.H. had been charged with a series of serious sexual offences against two children of the family indicating a background of repetitive offending;
– the disclosures made by E. in hospital indicated that there was also an element of physical abuse present in the home;
– E. and L. both showed serious levels of distress and disturbance arising out of the situation of known abuse in the home, which had contributed to E. taking an overdose of pills and L. running away;
– the social enquiry report dated 28 January 1977 produced by the social worker Mr R. noted that W.H. did not appear to accept the serious nature of the charges and that the mother also did not accept the charges against him and talked of marriage;
– that report concluded that it would be necessary for firm control to be exercised over the accused for a period of time;
– the notes of Mr R. gave the opinion in March 1977 that the mother was still cohabiting;
– the affidavits of the social worker Mr M. indicate that he regarded W.H. as dishonest and likely not to tell the truth when it suited him;
– Mr M. in the same affidavits recalled meeting W.H. leaving the home two or three times when he called unexpectedly;
– a social enquiry report dated 1 June 1977 drawn up in respect of E.’s appearance for criminal damage noted that she had left home after a scene with the man cohabiting with her mother, at a date unspecified but which would appear to be about March 1977 (see paragraph 22);

96. The Court is satisfied that from these elements that the social services should have been aware that the situation in the family disclosed a history of past sexual and physical abuse from W.H. and that, notwithstanding the probation order, he was continuing to have close contact with the family, including the children. Even if the social services were not aware he was inflicting abuse at this time, they should have been aware that the children remained at potential risk. The fact that at the relevant time there was not the knowledge of the prevalence of, and persistence of, sexual offenders victimising children within a family that there exists now, is not significant in this case where, as the applicants emphasise, the social services knew tha

Noot

Anno 2003 kan er geen misverstand bestaan over het feit dat de overheid positieve verplichtingen heeft sociaal kwetsbaren te beschermen tegen inbreuken op de persoonlijke levenssfeer. In rap tempo heeft de persoonlijke levenssfeer, met het daarmee samenhangende recht op fysieke en psychische integriteit, vaste voet aan de grond gekregen in de Europese rechtscultuur en is een bron van aanspraken geworden jegens de overheid. Opmerkelijk daarbij is dat het niet zozeer gaat om reeds gerealiseerde inbreuken, maar juist om de voorkoming daarvan. Zo werd bijvoorbeeld in het Osman-arrest schending van art. 8 EVRM aangenomen wegens falende politiebescherming tegen een belagende leraar (EHRM 28 oktober 1998, NJCM 1999, nr. 4). Maar ook in eigen land is sprake van een vlucht naar voren binnen het strafrecht. Illustratief is de waardering van de, indertijd omstreden, belagingsbepaling ex art. 285b Sr (zie onlangs: Elise Oostwegel en Marieke Vreugdenhil, ‘Van slachtoffer tot klaagster’, Nemesis 2003 nr. 1). Steeds meer verwordt het strafrecht tot sociaal interventierecht, met bijbehorende positieve verplichtingen voor de (strafrechtelijke) overheid (eerder: M.S. Groenhuijsen, Stalking, ‘Strafrecht als interventierecht’, Delikt en Delinkwent 1998, p. 521-527).
Deze schijnbaar onomkeerbare ontwikkeling is evenwel niet onomstreden; strafrecht is immers ultimum remedium en behoort slechts te worden ingezet waar andere middelen tekort schieten (C.M. Pelser, ‘De morele verplichting van de overheid om inbreuken op de persoonlijke levenssfeer strafbaar te stellen’, in: M. Moerings, Morele kwesties in het strafrecht, Deventer 1999, p. 217-247). Waar het sociaal kwetsbaren betreft, in het bijzonder minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik, gelden in de praktijk echter vaak eigen wetten en wordt van de overheid extra zorg en oplettendheid verwacht. Zo ook in de zaak E. en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, waar Groot-Brittanië (niet voor de eerste keer overigens) wordt veroordeeld wegens schending van art. 3 EVRM: het verbod op een onmenselijke dan wel vernederende behandeling.
Nu is het evident dat de overheid haar onderdanen niet mag blootstellen aan een dergelijke behandeling, maar tot waar geldt die verantwoordelijkheid? Beperkt het verbod, met de daaraan verbonden zorgverplichtingen zich tot handelingen die rechtstreeks samenhangen met de uitvoering van overheidstaken – zoals het optreden van politie, of het op al te strikte wijze ten uit voer leggen van vrijheidsstraffen -, of vallen ook handelingen van private personen daaronder? Zoals eerder bleek uit de zaak Z. en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk (EHRM 2001, no. 29392/95) stelt het Europese Hof zich op het laatste standpunt. Zo ook in de voorliggende zaak, waar het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk wordt gesteld voor een falende hulpverlening aan slachtoffers van ernstig seksueel misbruik.

Hoe luiden de feiten? Klagers, drie zussen en één broer, behoren tot een ‘probleemgezin’ dat bekend is bij de hulpverlening. Alle vier worden zij slachtoffer van jarenlang seksueel misbruik en/of mishandeling door hun stiefvader, W.H. De duur van het seksueel misbruik varieert, maar is steeds langdurig. Zo wordt E. gedurende elf jaar seksueel misbruikt, haar zus L. tien jaar en een derde zus, T., gedurende een periode van achttien jaar. Hun broer, H., wordt ‘slechts’ mishandeld. Alle slachtoffers lijden aan ernstige psychiatrische stoornissen ten gevolge van het seksueel misbruik en de mishandelingen. W.H. wordt in januari 1977 ter zake van zeven feiten voorwaardelijk veroordeeld en ondertoezicht gesteld voor een periode van twee jaar. Dit in overeenstemming met het Schotse strafrecht, waarin alleen vrijheidsstraf wordt opgelegd als geen alternatief voor handen is. Eén van de – niet formeel door de rechter uitgesproken – voorwaarden die W.H. wordt opgelegd door de maatschappelijk werker onder wiens toezicht hij staat, is dat hij niet meer bij het gezin mag wonen.
De twee maatschappelijk werkenden die, in de periode die volgt, zijn belast met het toezicht, vermoeden dat W.H. zich niet aan deze voorwaarde houdt, maar treffen hem bij de – steeds op voorhand aangekondigde! – huisbezoeken niet thuis aan. Pas in november 1977, een half jaar nadat W.H. onder toezicht is gesteld, wordt hij tijdens een huisbezoek in de woning aangetroffen. Samen met de moeder ontkent hij echter in het huis te wonen, hij is slechts op bezoek. Vanuit het maatschappelijk werk wordt geen actie ondernomen.
Tussentijds is E. veroordeeld ter zake van het plegen van een strafbaar feit en heeft zij een zelfmoordpoging ondernomen. Hoewel de behandelend psychiater meldt dat E. aanzienlijke problemen lijkt te hebben met haar stiefvader, wordt in de rapportage ten behoeve van haar ondertoezichtstelling geen melding gemaakt van het eerdere seksueel misbruik door W.H. Er volgt een uithuisplaatsing. Wanneer E. na enige tijd naar huis terugkeert, stelt haar begeleidend maatschappelijk werkster vast dat ook W.H. in het huis woont, bij het gezin. Ook nu volgt geen nadere actie.
In 1988 verlaat E., inmiddels zelf moeder geworden, het ouderlijk huis en wordt daarbij begeleid vanuit het maatschappelijk werk. Dan gaat de bal rollen en in november 1988 doen E., L. en T. aangifte ter zake van seksueel misbruik door hun stiefvader. Hun broer, H., onderneemt op dat moment nog geen juridische actie. W.H. wordt wederom veroordeeld, waarbij in de strafmaat rekening wordt gehouden met het feit dat de meeste van de bewezenverklaarde feiten plaats hebben gevonden voor de eerdere veroordeling in 1977 (de Engelse variant van art. 63 Sr). Pas op dat moment wordt het de slachtoffers duidelijk dat W.H. indertijd in het kader van zijn eerdere veroordeling onder toezicht was gesteld en uit dien hoofde niet bij het gezin mocht wonen. Het blijkt dat W.H. al die tijd heeft in hetzelfde huis heeft gewoond met de slachtoffers, hetgeen door hen uit angst voor W.H. niet is gemeld aan de bezoekende hulpverleners.
De slachtoffers, waaronder inmiddels ook H. begrepen, dienen vervolgens onder meer een aanvraag voor geldelijke compensatie in bij de Criminal Injuries Compensation Board, welke aanvraag gegrond wordt verklaard, met uitzondering van de aanvraag van H. Daarnaast maken zij een civiele procedure aanhangig, welke uitspraak uiteindelijk wordt voorgelegd aan het Europese Hof.
Klagers stellen dat twee fouten zijn gemaakt. Gezien het feit dat de autoriteiten reeds in januari 1977 bekend waren met de problemen binnen het gezin, dan wel minimaal ernstige vermoedens dienomtrent koesterden, hadden maatregelen moeten worden genomen ten behoeve van de kinderen (par. 80). Bovendien is men tekort geschoten in het toezicht houden op W.H., in het kader van diens voorwaardelijke veroordeling (par. 81). Zo had men bijvoorbeeld een multidisciplinair overleg kunnen houden, waarop de problemen van het gezin intregaal ter bespreking stonden en een gezamenlijk hulpverleningsplan had kunnen worden opgesteld.
De Britse overheid geeft toe dat een en ander geen schoonheidsprijs verdient, maar stelt daar tegenover dat de hulpverlening eind zeventiger jaren niet bekend was met het fenomeen seksueel misbruik, hetgeen adequaat reageren heeft bemoeilijkt. Bovendien voert de regering aan dat niet zeker is dat adequaat ingrijpen het continuerende seksueel misbruik had kunnen voorkomen (par. 87).

Het Europese Hof oordeelt unaniem dat art. 3 EVRM is geschonden: als gevolg van de falende hulpverlening zijn klagers blootgesteld aan een onmenselijke en vernederende behandeling door W.H., hetgeen voor rekening komt van de Britse overheid. Het Hof overweegt daartoe dat art. 1 de staten verplicht tot het garanderen van de rechten en vrijheden vermeld in het EVRM. In verband met art. 3 brengt dit met zich dat staten zijn gehouden maatregelen te treffen om een onmenselijke behandeling tegen te gaan ‘including such ill-treatment administered by private individuals’ (par. 88). ‘These measures’, vervolgt het Hof, ‘should provide effective protection, in particular, of children and other vulnerable persons, and include reasonable steps to prevent ill-treatment of which the authorities had or ought to have had knowledge’. Het argument van de Britse regering dat het Hof zich bij het beoordelen van de feiten dient te beperken tot het seksueel misbruik waarvoor W.H. is veroordeeld, wordt als niet relevant afgedaan. Haar beslissing, zo stelt het Hof, ‘does not consider (…) any determination of guilt of criminal offences on the part of W.H. (…) Criminal law liability is distinct from international law responsibility under the Convention’. Het Hof houdt zich niet bezig ‘with reaching any findings as to guilt or innocence under domestic law’ (par. 91). Afgaande op het voorliggende materiaal stelt het Hof vast dat klagers, waaronder H., schade hebben opgelopen vanwege handelingen gepleegd door W.H., welke handelingen door adequate hulpverlening hadden kunnen worden voorkomen.
De kernvraag is dan ook ‘whether the local authority (acting through its Social Work Department) was, or ought to have been, aware that the applicants were suffering or at risk of abuse and, if so, whether they took the steps reasonably available to them to protect them from that abuse’ (par. 92). Om vast te kunnen stellen of dat zo is, zet het Hof de feiten op een rijtje (par. 95), en concludeert daaruit dat de lokale hulpverlening ‘should have been aware’ van het seksueel misbruik en de mishandelingen die hadden plaatsgevonden in het verleden en dat men had kunnen weten dat W.H. in strijd met de instructie thuis was blijven wonen. Het, door de Britse overheid naar voren gebrachte argument dat de hulpverlening toentertijd onvoldoende bekend was met seksueel misbruik wordt van tafel geveegd: zélfs al zou dat zo zijn geweest, dan nog hadden de lokale autoriteiten in dit specifieke geval voldoende aanwijzingen gelet op de veroordeling van W.H. ter zake (par. 96). Achteraf erkennen dat men tekort is geschoten biedt geen soelaas; er is sprake van ‘consistent failure’ en ‘no-effective co-operation or exchange of information’ (par. 98).
Het door de Britse overheid aangevoerde argument dat het hier om ‘rotte appelen’ gaat, die elkaar sowieso zouden hebben aangestoken, wordt – terecht! – afgewezen: ‘The test under Article 3 however does not require it to be shown that “but for” the failing or omission of the public authority ill-treatment would not have happened. A failure to take reasonable available measures which could have had a real prospect of altering the outcome or mitigating the harm is sufficient to engage the responsibility of the State’ (par.98). Sterker nog: juist het falen van de overheid heeft het verloop van de feiten negatief beïnvloed en zodoende bijgedragen tot het ontstaan van de schade (par. 100). Unaniem word besloten tot schending van art. 3 EVRM.
Wat leert deze uitspraak? Ten eerste wordt bevestigd dat uit art. 3 positieve zorgverplichtingen voortvloeien voor de (strafrechtelijke) overheid. Dat sluit aan op het Nederlandse beleid ter zake van seksueel misbruik, ook daar ligt het accent op preventie en (multidisciplinaire) samenwerking. Niettegenstaande de gedachte dat het strafrecht in beginsel terughoudend moet worden toegepast, welk uitgangspunt in beginsel ook voor seksueel misbruik geldt, wordt strafrechtelijke interventie hier gewaardeerd vanwege haar instrumentele functie. Waar nodig wrikt strafrechtelijk ingrijpen de veelal sterk gesloten problematiek van seksueel misbruik open en biedt het in een later stadium houvast om, al dan niet in samenwerking met hulpverlenende autoriteiten, enige drang en controle uit te kunnen oefenen. Garanties tegen falende hulpverlening zijn daarmee niet gegeven. Zeker niet wanneer, zoals blijkt uit de recente evaluatie van de Rutgers/Nisso Groep, de hulpverlening zich verschanst achter eigen professionele muren (Mechteld Höing, e.a., Hulp aan slachtoffers van seksueel geweld, Rutgers/Nisso Groep, Utrecht 2003). Een dergelijke houding werpt drempels op voor de noodzakelijke samenwerking en benadeelt (potentiële) slachtoffers. Nu roept dat niet noodzakelijk risico’s op voor een veroordeling van Nederland ter zake van overtreding van art. 3, maar een gewaarschuwd hulpverlener telt voor twee en voorkomen is beter dan een gedwongen genezing. Nu de Europese rechtscultuur steeds duidelijker kenmerken van een claimcultuur gaat vertonen, met daaraan verbonden rechtsgevoeligheid voor het individuele welzijn als te beschermen rechtsgoed (zie onder meer: R. Pieterman, ‘Van gevaar naar schade; veranderingen in de visie op schade’, Justitiële Verkenningen 1999 nr. 9, p. 26-43), doen hulpverlening en lokale autoriteiten er goed aan openheid van zaken te geven en toenadering tot elkaar te zoeken.
Een andere belangrijke bevinding uit het voorliggende arrest is de vaststelling dat de overheid niet alleen voor eigen daden verantwoordelijk is, maar ook zélf verantwoordelijkheid heeft te nemen voor het handelen van derden wanneer daaruit schade dreigt te ontstaan voor sociaal kwetsbaren. Ten aanzien van hen die zichzelf niet afdoende kunnen beschermen geldt dat de overheid tot taak heeft aanvullende bescherming te bieden, ook als dat vergaande interventie in de persoonlijke levenssfeer met zich meebrengt. Voorop staat het welzijn van sociaal kwetsbaren, in het bijzonder van minderjarige slachtoffers.
Vanuit deze invalshoek ‘bekritiseert’ het Hof terecht de suggestie van de Britse regering dat niet de falende hulpverlening verantwoordelijk is voor de door slachtoffers opgelopen schade, maar het milieu waaruit zij komen. Slechts ‘goede burgers’ mogen aanspraak maken op inspanningen van de overheid, anders is het maar weggegooide moeite, zo klinkt het. Nu mag men tegenwoordig wellicht wat vermoeid zijn geraakt van de welzijnsbenadering (men leze de analyse van David Garland, The culture of Control, Oxford 2002), maar grondrechten werken nu eenmaal zonder aanschijns des persoons. Daarom zijn het nu juist grondrechten: die hoef je niet te ‘verdienen’, die heb je gewoon! Nu is het zaak ze te krijgen. De uitleg van art. 3 EVRM in termen van positieve verplichtingen als gegeven door het Hof biedt daarbij in ieder geval een flinke steun in de rug.

Renée Kool

Rechters

Mrs. Costa, Bratza, Loucaides,Bîrsan, Jungwiert, Butkevych, Thomassen

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 20 november 2002

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Werkneemster is voor vier dagen per week werkzaam als unit-coach, een leidinggevende functie. Na haar bevalling werkt zij geruime tijd drie dagen per week op grond van ouderschapsverlof en vervolgens door middel van het opnemen van één vakantiedag per week. Haar functioneren wordt in deze periode als zeer goed beoordeeld. Werkgever weigert akkoord te gaan met aanpassing van de arbeidsovereenkomst van vier naar drie dagen per week. De kantonrechter is van oordeel dat het beleid van werkgever ten aanzien van unit-coaches (‘1-baas-concept en continue bereikbaarheid’) onvoldoende zwaarwichtig is om niet aan de vordering van werkneemster tegemoet te komen. Het bestaan van bijzondere omstandigheden is onvoldoende aannemelijk geworden.

Volledige tekst

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

(….)
DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, deels door bescheiden gestaafd, wordt uitgegaan van het navolgende:
– gedaagde – hierna KLM – heeft de begeleiding van het bij haar werkzame cabine crew-personeel aldus gestructureerd dat door Unit-coaches Local Cabin Crew individuele loopbaan begeleiding wordt gegeven aan groepen van tussen 250 en 300 personeelsleden;
– vorenbedoeld uitgangspunt voor de omvang van die groepen is gekozen om een in de ogen
van KLM optimale span of control te bewerkstelligen;
– eiseres – hierna S. – is sedert 12 maart 1984 bij KLM in dienst, laatstelijk als
Unit-coach Local Cabin Crew met een arbeidsduur van vier dagen van acht uur per week;
– in die kwaliteit begeleidt zij een groep van circa 120 japanse en Indiase steward(e)s(sen);
– S. heeft, aansluitend aan haar zwangerschapsverlof in de periode van 1 november
2001 tot 1 november 2002 iedere week één dag ouderschapsverlof opgenomen en sindsdien iedere week één dag vakantie;
– in die periode heeft zij met een collega Unit-coach Local Cabin Crew, die eveneens gedurende drie dagen van acht uur per week werkt, zij het op complementaire dagen, en die begeleiding geeft aan een andere groep met beduidend minder dan 120 buitenlandse steward(e)s(sen), afspraken gemaakt om op de dagen dat zij niet werkte desnodig voor haar in te springen;
– het functioneren van S. gedurende die periode is door KLM als zeer goed beoordeeld en er hebben zich in die periode geen problemen voorgedaan ten aanzien van de goede invulling van de functie van S.,
– S. heeft medio juni 2002, met een beroep op het bepaalde in de Wet aanpassing
arbeidsduur, nauwkeurig gemotiveerd aan KLM verzocht de arbeidsduur van haar aanstelling te verminderen tot drie dagen van acht uur per week;
– KLM heeft dat verzoek van S. mondeling op 3 september 2002 en bij brief op 11 september 2002 van de hand gewezen met een beroep op het in haar onderneming toegepaste 1-baas concept, onder aanvoering dat de bereikbaarheid van de unit coach een kritische succesfactor zou zijn, en heeft daarbij S. een andere, gelijk gehonoreerde, speciaal voor haar gecreëerde, zij het projectmatige functie voor de door haar gewenste deeltijd aangeboden;
– ook bij nadere correspondentie hebben partijen elkaar niet van hun gelijk weten te overtuigen.
S. vordert thans bij wijze van voorziening veroordeling van KLM om haar in de gelegenheid te stellen haar huidige functie gedurende drie dagen per week, en wel op de dinsdagen, woensdagen en donderdagen, te laten uitoefenen.
S. heeft aan haar vordering de stellingen ten grondslag gelegd dat zij in verband met haar recent moederschap een groot belang heeft bij de door haar gewenste arbeidsduur, dat zij krachtens het bepaalde in de Wet aanpassing arbeidsduur in beginsel recht heeft op inwilliging van haar verzoek, dat zulks slechts anders zou zijn indien zwaarwegende bedrijfsbelangen van KLM zich daartegen zouden verzetten, dat dat laatste zich blijkens de probleemloze gang van zaken in de afgelopen periode van meer dan een jaar niet voordoet en KLM dat in haar reacties op het verzoek ook niet heeft gesteld alsmede dat de haar aangeboden andere functie niet optimaal aansluit bij haar capaciteiten en de continuïteit daarvan bovendien onzeker is. Voorts heeft S. erop gewezen dat de door KLM nagestreefde continue bereikbaarheid van de unit coaches ook overigens niet kan worden gerealiseerd doordat een andere collega ook slechts op drie dagen per week in die functie werkt en doordat andere unit coaches regelmatig voor het verrichten van andere taken gedurende langere periodes afwezig moeten zijn.
KLM heeft vooropgesteld dat zij bij wijze van bedrijfspolitiek in het algemeen het verrichten
van arbeid in deeltijd aanvaardt. Zij heeft ten verwere aangevoerd dat naleving van het door
haar zorgvuldig gekozen bedrijfsbeleid ten aanzien van Unit-coaches van een dusdanig belang is dat het vermijden van enige individuele inbreuk daarop voor haar een zwaarwegend belang oplevert. Het huidige beleid zou zijn ontwikkeld omdat de daaraan voorafgegane andere structuur niet voldeed. Bij Unit-coaches zou de bereikbaarheid van dusdanig doorslaggevend belang zijn, in het licht van het feit dat begeleiding moet worden gegeven aan groepen van veelal 200 of meer personen die veelal onderweg zijn en dus beperkt zijn in hun mogelijkheden om contact te hebben met de Unit-coach, dat een minimale arbeidsduur van vier dagen van acht uur per week als onmisbaar is te beschouwen. Zij heeft er daarbij voorts op gewezen dat de huidige omvang van de unit van S. niet normgevend mag zijn, nu KLM
recht en belang heeft om S. ook in een andere unit te werk te kunnen stellen. Tevens zou van belang zijn dat het tijdelijk opvangen van een unit door een coach van een andere unit, gezien de cultuurverschillen tussen de personen van de verschillende units, belangrijke nadelen oplevert. Tenslotte heeft KLM gewezen op het feit dat toewijzing van de vordering tot roostertechnische problemen zal leiden, die een deugdelijke oplossing vergen, waarmee enige tijd gemoeid zal zijn. Rekening houdende met het feit dat de door haar aangeboden functie redelijk goed aansluit bij de capaciteiten van S., zou de vordering jurisprudentie daarom thans afgewezen dienen te worden. De kantonrechter is voorshands van oordeel
dat het door KLM ten aanzien van Unit-coaches voorgestane beleid, hoezeer dat ook zorgvuldig tot stand gekomen moge zijn, niet een voldoende zwaarwichtig belang voor haar
oplevert om niet aan de vordering van S. tegemoet te komen. Het door de wetgever
voorgestane beleid houdt immers in dat in beginsel een recht op arbeidsduuraanpassing be-
staat, dat slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden doorgebroken. Het bestaan
van dergelijke bijzondere omstandigheden kan slechts worden aangenomen na vergelijking
van alle bijzondere aspecten van het geval en is in dit geval, gezien de onbetwist bevredigende
gang van zaken in de afgelopen periode, onvoldoende aannemelijk geworden.
Rekening houdende met het feit dat de gevraagde voorziening ertoe strekt om te bewerkstelligen dat de reeds gedurende meer dan een jaar bestaande en wederzijds als bevredigend verlopen aangemerkte situatie wordt gecontinueerd totdat de bodemrechter desgevraagd terzake zal hebben beslist, zal de vordering worden toegewezen. Het is immers ongewenst dat, vooruitlopend op een mogelijk andere beslissing, mogelijk tijdelijk wijzigingen in de bestaande en niet onbevredigend verlopen gang van zaken
worden doorgevoerd.
KLM dient te worden aangemerkt als in het ongelijk gestelde partij en te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De volgende voorziening wordt getroffen:
KLM wordt veroordeeld om S. haar huidige functie van Unit Coach Local Cabin Crew te laten uitoefenen gedurende acht uur per dag op dinsdagen, woensdagen en donderdagen.
KLM wordt veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van S. tot op deze uitspraak begroot op € 429,57 waarvan € 270 als salaris van de gemachtigde van S.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. De Jong Schouwenburg

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 7 november 2002

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Het beroep van de vrouw op het bepaalde in art. 1: 153 lid 1 BW wordt gehonoreerd met als gevolg dat de door de man verzochte echtscheiding pas zal worden toegewezen nadat een billijke nabestaandenpensioenvoorziening voor de vrouw zal zijn getroffen. In deze zaak doet de vrouw een geslaagd beroep op het (aloude) pensioenverweer ex art. 1:153 BW, waarbij zij zich tegen het verzoek van de man tot echtscheiding verzet, zolang er geen redelijke voorziening is getroffen voor haar recht op nabestaandenpensioen bij (voor)overlijden van de man, dat door de echtscheiding verloren dreigt te gaan.

Volledige tekst

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 17 mei 2001 het inleidende verzoekschrift van de man ingekomen waarin wordt verzocht tussen partijen, Nederlanders, echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed uit te spreken.
Voorts is hierbij verzocht een nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te treffen.

De vrouw heeft bij verweerschrift, tevens verzoekschrift, geen verweer gevoerd tegen hetgeen door de man is verzocht en zich dienaangaande gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de vrouw harerzijds de rechtbank verzocht een nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te treffen.
De man heeft daarop een verweerschrift ingediend. De vrouw heeft vervolgens een aanvullend verweerschrift ingediend, tevens inhoudende een nader verzoek. De man heeft naar aanleiding daarvan een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2002 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal.
De behandeling is vervolgens aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen hun ingenomen standpunten met nadere stukken te onderbouwen.
De vrouw heeft vervolgens nadere stukken in het geding gebracht.
De mondelinge behandeling is voortgezet op 14 oktober 2002. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

Het ingediende verzoekschrift met overgelegde bescheiden voldoet aan de in artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vermelde voorschriften.

De rechtbank heeft de in deze beschikking vermelde voornamen en geslachtsnamen van partijen en de datum en plaats van de huwelijksvoltrekking overgenomen uit het desbetreffende bescheid.

De vrouw heeft in haar aanvullend verweerschrift alsnog verweer gevoerd tegen de verzochte echtscheiding en daarbij tevens de rechtbank verzocht om de verzoeken van de man, waaronder begrepen de echtscheiding, niet eerder toe te wijzen dan nadat ten opzichte van beide partijen een billijk te achten voorziening ten behoeve van de vrouw is getroffen omtrent het feit dat als gevolg van de door de man verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht van de vrouw op uitkeringen aan haar na vooroverlijden van de man verloren zou gaan en voorts om daartoe een termijn te stellen waarbinnen de betreffende voorziening moet zijn getroffen.

Nadat op 13 mei 2002 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden is de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen met nadere stukken te onderbouwen.

Namens de vrouw zijn vervolgens nadere onderbouwende stukken in het geding gebracht.
De behandeling is vervolgens voortgezet op 14 oktober 2002 bij welke gelegenheid de man onder andere heeft aangegeven dat een eventuele verzekering via de “Zwolsche Algemeene” geregeld kan worden.

Met betrekking tot voormeld pensioenverweer overweegt de rechtbank als volgt.

Als gesteld en niet, of niet langer, weersproken staat vast dat zonder vervangende voorziening de vrouw een risico loopt geen nabestaandenpensioen te ontvangen in geval van vooroverlijden van de man; dit als gevolg van een recente wijziging in het pensioenreglement van de [naam bedrijfspensioenfonds], bij welke stichting het pensioen van de man is verzekerd.

Mede gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen met betrekking tot de alimentatie, is de vrouw voor haar inkomen afhankelijk van een bijdrage van de man en, bij eventueel vooroverlijden van de man, van een nabestaandenpensioen uit te keren door de pensioenverzekeraar van de man.

In het licht van het voorgaande treft het beroep van de vrouw op het bepaalde in artikel 153 lid 1 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek doel, en kan de verzochte echtscheiding eerst worden toegewezen, nadat een billijke voorziening is getroffen.

De vrouw heeft aangevoerd dat tot het treffen van een billijke voorziening behoort de conversie van de pensioenrechten van de man, hetgeen ten tijde dat de vrouw 62 jaar wordt een zelfstandig recht op pensioen oplevert ongeacht het al dan niet in leven zijn van de man.
De rechtbank verwerpt deze stelling van de vrouw. Zij kan recht doen gelden op de “gewone” verevening van pensioenrechten ingevolge de Wet verevening pensioenrechten. Vaststaat dat de conversie van het pensioen een aanzienlijk financieel nadeel oplevert voor de man. De man heeft aangegeven bereid te zijn het hiervoor aangegeven risico van het niet verkrijgen van een nabestaandenpensioen in het geval van vooroverlijden af te dekken via een overlijdensrisicoverzekering. Hij heeft voorts aangegeven daartoe alle benodigde medewerking te verlenen, waaronder het ondergaan van een medische keuring.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden van het geval, een overlijdensrisicoverzekering welke, bij vooroverlijden van de man, de vrouw (al dan niet via een koopsom) recht geeft op een uitkering ter grootte van de door haar te ontvangen alimentatie, welke alimentatie, zoals hierna zal worden overwogen 2.300,= euro per maand zal bedragen, als een ten opzichte van beide partijen billijk te achten voorziening is aan te merken. De rechtbank is er daarbij, mede gelet op het feit dat de man dit niet heeft weersproken, van uitgegaan dat het een overlijdensrisicoverzekering betreft met een looptijd totdat de vrouw 70 jaar wordt, waarbij de uitkering in de loop der tijd een aflopend karakter kent.

De behandeling van het verzoek tot echtscheiding zal pro forma worden aangehouden tot 10 februari 2003 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen de rechtbank te berichten omtrent het daadwerkelijk aangaan van vorenbedoelde overlijdensrisicoverzekering.

Ten aanzien van de door de vrouw verzochte alimentatie overweegt de rechtbank het volgende.
Ter zitting is gebleken dat de man zijn aanvankelijke verweer dat de vrouw in staat moet worden geacht om in eigen levensonderhoud te voorzien niet langer handhaaft. De man erkent daarmee dat de vrouw behoefte heeft aan een uitkering tot haar levensonderhoud.
De man heeft aangevoerd dat de vrouw op termijn in staat moet worden geacht om zich enige inkomsten uit arbeid te verwerven, waarbij hij ervan uitgaat dat dat op enig moment een inkomen van 800,= euro per maand zou moeten opleveren, waarbij de vrouw dan tevens tegen ziektekosten is verzekerd.

Gelet op de omstandigheid dat de vrouw, die thans 55 jaar oud is, op haar 19e met de man in het huwelijk is getreden, dat partijen ten tijde van hun huwelijk een traditionele rolverdeling kenden en de omstandigheid dat de vrouw als gevolg van medische beperkingen, hetgeen door de man niet wordt betwist, momenteel niet in staat is om enige werkzaamheden te verrichten, gaat de rechtbank ervan uit de vrouw, bij ongewijzigde omstandigheden, niet in staat is om in eigen levens-onderhoud te voorzien. Op dit moment valt niet te voorzien of de vrouw op enig moment (voor een deel) in eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank zal daarmee derhalve geen rekening houden.

De vrouw heeft, gestaafd met bescheiden, haar behoefte gesteld op minimaal 2.301,87 euro bruto per maand. De man kan, blijkens de zijde van de vrouw overgelegde draagkrachtberekening met onderliggende bescheiden, deze bijdrage voldoen.
De man heeft de van de zijde van de vrouw overgelegde draagkrachtberekening inhoudelijk niet weersproken. Voorts heeft de man van zijn zijde geen draagkrachtberekening overgelegd waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat de man niet of niet geheel in staat is de verzochte bijdrage te voldoen.

De rechtbank is van oordeel, gelet op alle beschikbare gegevens, dat de man een draagkrachtruimte heeft ter grootte van de behoefte van de vrouw.

Ter gelegenheid van de uit te spreken echtscheiding zal derhalve worden bepaald dat de man een bedrag van 2.300,= euro per maand aan de vrouw zal betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Houdt iedere verdere beslissing pro forma aan tot 10 februari 2003 in afwachting van uitlatingen van partijen, zoals hierboven nader omschreven.

Rechters

Mr. Van der Molen

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 6 november 2002

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


In Bijlage VI van EG-Verordening 1408/71 is een regeling opgenomen die voorziet in de mogelijkheid van vrijwillige verzekering voor de Aow/Anw van de huwelijkspartner van een werknemer die verplicht verzekerd is in Nederland. Appellante heeft gebruik gemaakt van deze regeling, die verzekering mogelijk maakt zolang de echtgenoot in Nederland verplicht verzekerd is. De verzekering eindigt op het moment waarop de echtgenoot 65 jaar wordt. Appellante acht dit in strijd met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, nu meer mannen dan vrouwen werkzaam zijn en mannen in de regel ouder zijn dan hun echtgenote. De CRvB overweegt dat de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering beoogt een regeling te treffen voor de niet verzekerde partner van een in Nederland verplicht verzekerde werknemer, inhoudende dat deze zich kan verzekeren tegen gunstiger voorwaarden dan de nationale regeling. Deze doelstelling is objectief gerechtvaardigd. Het gekozen middel ten aanzien van het einde van deze vrijwillige verzekering is noodzakelijk om het gestelde doel te kunnen bereiken. Geen indirect onderscheid naar geslacht.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 24 januari 2000 heeft gedaagde aan appellante doen weten dat zij over de periode 1 januari 1998 tot 6 oktober 1999 is opgenomen “in de vrijwillige AOW/Anw verzekering in het EG-recht.”

Bij besluit van 21 maart 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 januari 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 26 oktober 2000, verzonden op 23 maart 2001, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante is op bij beroepschrift van 1 mei 2001 aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 31 juli 2002 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 augustus 2002, waar appellante in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. A.H. Gersie, werkzaam bij gedaagde.

II. MOTIVERING

Appellante is geboren [in] 1937 in [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk). Zij bezit, sinds haar huwelijk in 1963 met H.J. Dikmans, geboren op 6 oktober 1934, de Nederlandse nationaliteit. Na aanvankelijk woonplaats te hebben gehad in Nederland, is het gezin in 1977 verhuisd naar België. Appellante heeft na haar huwelijk geen betaalde werkzaamheden (meer) verricht. Haar man, die vanaf 1964 heeft gewerkt bij Unilever, genoot sinds 19 augustus 1985 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij vertrek uit Nederland is door appellante geen regeling getroffen aangaande de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). In 1990 heeft appellante bij gedaagde een aanmeldingsformulier ingediend voor de vrijwillige AOW/AWW-verzekering volgens Bijlage VI van EG-Verordening 1408/71. Bij besluit van 24 oktober 1990 heeft gedaagde aan appellante laten weten dat zij met ingang van 2 augustus 1989 is opgenomen in de vrijwillige AOW/AWW-verzekering ingevolge genoemde Bijlage VI. Daarbij is aangegeven dat zolang appellantes echtgenoot in Nederland verplicht verzekerd is voor de AOW en de AWW appellante vrijwillig verzekerd blijft en dat appellante geen premie hoeft te betalen, zolang zij zelf geen inkomsten heeft.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde aan appellante laten weten dat haar bevoegdheid om deel te nemen aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering, zoals geregeld in Bijlage VI bij EG-Verordening nr. 1408/71, per 6 oktober 1999 is geëindigd. Als motivering voor deze beslissing heeft gedaagde gewezen op het bereiken van de 65-jarige leeftijd door appellantes echtgenoot op 6 oktober 1999 en is voorts verwezen naar punt 2, sub f, van Bijlage VI, onderdeel J van EG-Verordening nr. 1408/71. Op grond van deze bepaling bestaat voor appellante niet meer de mogelijkheid deel te nemen aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering ingevolge het EG-recht, aldus gedaagde.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 januari 1996, gepubliceerd in RSV 1997/57, verworpen.

In hoger beroep heeft appellante als grieven aangevoerd dat de beëindiging van haar vrijwillige verzekering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd door haar echtgenoot op de voet van art. 2, sub f, van voornoemde Bijlage VI de vrije vestiging van haar man en haarzelf in andere lidstaten van de Unie belemmert, dat hierdoor haar recht op familieleven wordt geschonden en dat door die toepassing vrouwen worden gediscrimineerd.
Gedaagde heeft, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad, geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

De Raad overweegt als volgt.

Met ingang van 2 augustus 1989 is in Bijlage VI, onderdeel J (Nederland), onder het kopje ‘Toepassing van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (AOW)’, onderdeel f en verder, van EG-Verordening 1408/71, een regeling opgenomen welke voorziet in de mogelijkheid van vrijwillige verzekering AOW/Anw van de huwelijkspartner van een krachtens genoemde wetten verplicht verzekerde werknemer of zelfstandige over tijdvakken welke zijn gelegen na 2 augustus 1989. Blijkens de tweede volzin van onderdeel f, vervalt -voor zover hier van belang- de mogelijkheid van vrijwillige verzekering met ingang van de dag waarop de verplichte verzekering van de werknemer of de zelfstandige eindigt of waarop deze de leeftijd van 65 jaar bereikt.

De Raad heeft in voormelde uitspraak van 17 januari 1996 geoordeeld dat deze regeling, als uitgelegd door de Raad, geen strijd oplevert met het beginsel van vrij verkeer van werknemers in de Europese Gemeenschap. Daarnaast heeft de Raad geoordeeld dat de stelling dat de hier aan de orde zijnde regeling discriminerend is voor vrouwen door hem niet wordt onderschreven. De Raad ziet geen grond hierover thans, onder het recht van de Europese Unie, anders te oordelen.

De Raad merkt in dat verband nog op dat, anders dan is gesteld door appellante, het hier aan de orde zijnde onderdeel van Bijlage VI in overeenstemming is met de doelstellingen van Verordening 1408/71 als verwoord in de Considerans. De regeling faciliteert het vrij verkeer binnen de gemeenschap door aan de niet verzekerde partner van migrerende werknemers en zelfstandigen de mogelijkheid toe te kennen tot vrijwillige verzekering ingevolge de AOW/Anw, in het geval van appellante zelfs premievrij. De regeling draagt ook bij aan de verhoging van de levensstandaard van migrerenden zoals appellante, nu, zonder de hier aan de orde zijnde regeling, appellante vanaf 1989 geen aanspraak had kunnen maken op vrijwillige verzekering.
Het feit dat aan de toepasselijkheid van deze regeling grenzen zijn gesteld, in casu de beëindiging van de mogelijkheid van vrijwillige verzekering van appellante wegens het bereiken van de leeftijd van 65 jaar door haar echtgenoot, vloeit naar het oordeel van de Raad voort uit het accessoire karakter van appellantes aan de regeling te ontlenen bevoegdheid tot vrijwillige verzekering. Deze beperking van de bevoegdheid tot vrijwillige verzekering laat evenwel het hiervoor beschreven ‘begunstigende’ karakter van de regeling op zich zelf onverlet.

De Raad begrijpt de stelling van appellante dat zij wordt gediscrimineerd aldus dat, naar haar oordeel, de beëindiging van de bevoegdheid tot vrijwillige verzekering bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar van de verplicht verzekerde partner, in strijd moet worden geacht met het, ook door de gemeenschapswetgever te respecteren, algemene rechtsbeginsel dat verplicht tot gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Deze regeling zal ertoe leiden dat de bevoegdheid tot vrijwillige verzekering van vrouwen in veel meer gevallen vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal worden beëindigd dan bij mannen, nu meer mannen dan vrouwen werkzaam zijn en mannen in de regel ouder zijn, zodat het bereiken van de leeftijd van 65 jaar van de vrouwelijke partner op hun bevoegdheid tot vrijwillige verzekering geen invloed zal hebben.

De Raad stelt voorop dat in Bijlage VI, onderdeel J, sub f, van de Verordening beoogd wordt een regeling te treffen voor de niet ingevolge de AOW/Anw verzekerde partner van een in Nederland verplicht verzekerde werknemer of zelfstandige inhoudende dat deze zich, in afwijking van de nationale Nederlandse regeling inzake vrijwillige verzekering voor die wetten, vrijwillig kan verzekeren tegen gunstiger voorwaarden dan voorzien in de nationale regeling. Naar het oordeel van de Raad is deze doelstelling naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd te achten. Het gekozen middel ten aanzien van het einde van deze vrijwillige verzekering op grond van Bijlage VI is naar het oordeel van de Raad noodzakelijk om het gestelde doel te kunnen bereiken en levert derhalve geen verboden (indirect) onderscheid naar geslacht op.

Met betrekking tot de grief van appellante dat de beëindiging van de bevoegdheid tot vrijwillige verzekering afbreuk doet aan haar aanspraken op grond van artikel 8 van het EVRM, oordeelt de Raad dat gesteld noch gebleken is dat de regeling in de Bijlage, inclusief de beëindigingsregeling, op zich zelf appellante beperkt in de beleving van haar gezinsleven. De gestelde mogelijke beperking van appellantes gezinsleven is het gevolg van een door appellante op de toepassing van de Bijlage gebaseerde gevolgtrekking. Van een direct causaal verband tussen (de toepassing van de) Bijlage en de gestelde inbreuk op appellantes gezinsleven is in die omstandigheden, naar het oordeel van de Raad, geen sprake.
De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uit het voorafgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. De Vries, Simon en Wulffraat-van Dijk

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 6 november 2002

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


NN is de aansprakelijkheidsverzekeraar van B. B. Is veroordeeld voor het plegen van ontucht met J.; J. heeft B. hiervoor in 1994 aansprakelijk gesteld. In 1996 heeft B. een voorschot op de schadevergoeding aan J. betaald. In 2000 heeft J. B. aangesproken voor het restant van de schade. B. heeft dit niet betaald. B. heeft de schade in augustus 2000 gemeld aan zijn verzekeraar (NN), en zijn vordering op NN gecedeerd aan J. De verzekeraar weigert uit te keren. J. vordert thans onder meer een verklaring voor recht dat de verzekeraar op basis van cessie verplicht is de schade die zij ten gevolge van het seksueel misbruik door B. heeft geleden en nog zal lijden te vergoeden. De rechtbank wijst de vordering af op grond van verjaring. J. vordert als rechtsopvolger van B. nakoming van een verplichting uit de verzekeringsovereenkomst. Deze vordering verjaart vijf jaar nadat deze opeisbaar is geworden. De vordering jegens NN is opeisbaar geworden vanaf het moment dat B. zijn vorderingsrecht geldend heeft kunnen maken, dus vanaf het moment dat B. aan NN kenbaar had kunnen maken dat hij een beroep wenste te doen op de verzekeringsovereenkomst. Dit moment ligt op het tijdstip dat B. door J. aansprakelijk was gesteld (1994). B. heeft zijn schade eerst in 2000 gemeld. De verjaring is niet gestuit door de brieven en betalingen tussen J. en B. Niet relevant is wat zich heeft afgespeeld in de (rechts)verhouding tussen B. en J., nu de kwestie van de verjaringstermijn zich afspeelt in de rechtsverhouding tussen B. en NN. Nu B. zijn schade te laat heeft gemeld heeft J. geen vorderingsrecht (krachtens cessie) jegens NN.

Deze procedure is gegarandeerd door het proefprocessenfonds Clara Wichmann.

Volledige tekst

RECHTSOVERWEGINGEN

1. FEITEN

1.1. NN is de aansprakelijkheidsverzekeraar van B. Van B. is de stiefvader van J.

1.2. J. heeft op 6 juni 1994 aangifte gedaan van ontucht gepleegd door Van B.

1.3. Op 21 juni 1994 is van B. hiervoor aangehouden en in verzekering gesteld.

1.4. Op 10 november 1994 is van B. door (de advocaat van) J. civielrechtelijk aansprakelijk gesteld.

1.5 Van B. is voor het plegen van ontucht veroordeeld op 23 januari 1996.

1.6 Op 27 maart 1996 heeft (de advocaat van) J. Van B. verzocht om een voorschot op de schadevergoeding ad ƒ 5.000. Van B. heeft dit betaald.

1.7 Op 2 augustus 2000 heeft J. Van B. aangesproken voor het restant van de schade ad ƒ 150.000. Dit bedrag is betaald door Van B.

1.8 Op 9 augustus 2000 heeft van B. de schade gemeld aan NN. Op diezelfde datum heeft Van B. zijn vordering op NN krachtens de verzekeringsovereenkomst, gecedeerd aan J.

1.9 NN heeft geweigerd tot uitkering over te gaan.

2. VORDERING. GRONDSLAG EN VERWEER

2.1 J. vordert, na wijziging van eis:

– een verklaring voor recht dat NN op basis van de cessie verplicht is de schade te vergoeden die J. geleden heeft, nog lijdt en ook in de toekomst zal lijden als gevolg van het seksueel misbruik dat Van B. van J. maakte;

– NN te veroordelen in de preprocessuele kosten;

– NN te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2 J. legt aan haar vordering ten grondslag dat NN. verplicht is op grond van de door Van B. met NN gesloten verzekeringsovereenkomst haar schade te vergoeden en dat J. op grond van de cessie de schade rechtstreeks bij NN kan claimen.

2.3 NN heeft tegen de eis gemotiveerd verweer gevoerd.

3. BEOORDELING

3.1 Het meest verstrekkende verweer van NN is het beroep op verjaring van de vordering. NN stelt daartoe dat in juni 1994, toen J. bij de politie aangifte deed tegen Van B., de termijn begint te lopen van de verjaring en dat dus in juni 1999 de vordering is verjaard nu er in de periode juni 1994-juni 1999 geen sprake is geweest van een (rechtsgeldige) stuitingshandeling. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

3.2 In casu vordert J., als rechtsopvolger van Van B. krachtens cessie, nakoming van de (uitkerings)verplichting uit de verzekeringsovereenkomst. Een vordering tot nakoming verjaart ingevolge art. 3:307 BW vijfjaren nadat de vordering opeisbaar is geworden. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit kader op dat de vraag of er in casu sprake is van een rechtsgeldige cessie (een punt dat partijen ook verdeeld houdt), in het midden kan blijven omdat indien vast komt te staan dat de vordering van Van B. jegens NN is verjaard, daarmee ook de grondslag van de cessie komt te ontvallen en in dat geval J. als rechtsopvolger van Van B. niets meer van NN te vorderen kan hebben.
De vraag die echter eerst beantwoord dient te worden is vanaf welk tijdstip de verjaringstermijn begint te lopen, dus vanaf welk tijdstip de vordering van Van B. jegens NN opeisbaar is geworden. Dat is in dit geval vanaf wanneer hij zijn vorderingsrecht jegens NN geldend heeft kunnen maken (vgl. HR 11 oktober 2002, RvdW 2002, 159), dus vanaf het moment dat Van B. bij NN kenbaar heeft kunnen maken dat hij een beroep wenste te doen op de verzekeringsovereenkomst. Bij brief van 10 november 1994 is Van B. door (de advocaat
van) J. aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Vanaf dat tijdstip had Van B. zijn rechten uit de verzekeringsovereenkomst kunnen effectueren door nakoming van NN te verlangen en begon de verjaringstermijn te lopen (tot 11 november 1999). Vast staat dat Van B. bijna zes jaren nadien, op 9 augustus 2000 de schade heeft gemeld bij NN. Resteert het antwoord op de vraag of in de periode 10 november 1994 – 10 november 1999 de verjaring
rechtens is gestuit. J. meent dat de verjaring is gestuit op 27 maart 1996 en op 2 augustus 2000 (zie rov. 1.6 en 1.7). Hierin kan de rechtbank J. niet volgen. Immers, vast staat dat NN ook toen niet op de hoogte is gebracht van deze brieven c.q. betalingen en in deze gáát het er juist om of Van B. de lopende verjaring jegens NN heeft gestuit. Niet relevant is wat zich heeft afgespeeld in de (rechts)verhouding tussen Van B. en J., nu de kwestie van de
verjaringstermijn zich afspeelt in de rechtsverhouding tussen Van B. en NN.

3.3 Het voorgaande leidt er toe dat nu de verjaringstermijn is aangevangen op 10 november 1994 en niet rechtsgeldig (ex art. 3:317 BW) is gestuit, de verjaring is voltooid op 11 november 1999 en Van B. met zijn melding op 9 augustus 2000 te laat is geweest. Dit heeft tot gevolg dat J. geen vorderingsrecht (krachtens cessie) heeft jegens NN. J. stelt in het licht van art. 6 van de polisvoorwaarden onvoldoende om in dit geval aan te nemen dat NN zich als
redelijk handelend verzekeraar niet op verjaring zou kunnen beroepen. De vordering van J. zal daarom worden afgewezen. De overige stellingen en weren van partijen behoeven derhalve geen bespreking meer. J. zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De rechtbank:
– wijst de vordering af;
– veroordeelt J. in de kosten van het geding aan de zijde van NN tot op deze uitspraak begroot op € 181,51 aan verschotten en € 780 aan salaris procureur.

Rechters

Mrs. Willink, Dozy, Klik

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Arnhem, 28 oktober 2002

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Arnhem

Samenvatting


De aanvraag verblijfsvergunning om arbeid als zelfstandig prosituee te verrichten is buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een mvv. Deze handelwijze is mogelijk in strijd met de associatieverdragen. Oordeel gebaseerd op het arrest Barkoci en Malik van 27 september 2001 van het Hof van Justistie EG en op de omstandigheid dat de rechtbank prejudiciele vragen aan dit Hof heeft voorgelegd over deze kwestie. Voorlopige voorziening toegewezen.

Volledige tekst

Het procesverloop

Op 1 november 2000 heeft verzoekster een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf met als doel arbeid als zelfstandige prostituee ingediend. Bij besluit van 15 november 2000 heeft de korpschef van de regiopolitie Groningen namens verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld.

Verzoekster heeft daartegen op 16 november 2000 bezwaar gemaakt. Verzoekster is medegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 16 november 2000 heeft verzoekster verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 7 oktober 2002. Verzoekster is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De standpunten van partijen

1. Verweerder heeft verzoeksters aanvraag met toepassing van artikel 16a van de Vw buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Gesteld noch gebleken is dat verzoekster onder één van de vrijstellingscategorieën van artikel 16, derde lid, van de Vw of van artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit (Vb) valt. Bovendien heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beroep van verzoekster op de associatieovereenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten enerzijds en Bulgarije anderzijds (associatieovereenkomst van 8 maart 1993, Trb. 1995, 129)(hierna: de associatieovereenkomst) niet leidt tot een ander oordeel. Daarbij is gewezen op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 27 september 2001 inzake Barkoci en Malik (JV 2001/304), Kondova (JV 2001/305) en Gloszcuk (JV 2001/S318) en van 20 november 2001 inzake Jany (JV 2002/2). Verweerder concludeert daaruit dat de eis te beschikken over een mvv een geoorloofde voorafgaande controle is. Hierbij heeft verweerder voorts verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2002 (JV 2002/277) en van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, van 30 augustus 2002 (Awb 00/68166).

2. Verzoekster heeft aangevoerd dat het onredelijk is een mvv te verlangen wanneer betrokkene als zelfstandige prostituee arbeid wenst te verrichten. Voorts heeft verzoekster erop gewezen dat de nevenzittingsplaats Assen van de rechtbank in een soortgelijke zaak aanleiding heeft gezien om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. Reeds hierom moet volgens verzoekster worden geoordeeld dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, zodat het verzoek dient te worden toegewezen. Voorts heeft verzoekster verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 20 augustus 2002 (Awb 01/10238).

De beoordeling

3. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. Ter beoordeling staat of het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2000, strekkende tot buiten behandeling stelling van de aanvraag, wegens het ontbreken van een mvv een redelijke kans van slagen heeft.

5. Ingevolge artikel 4:5 van de Awb, voor zover van belang, kan een aanvraag buiten behandeling worden gesteld indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

6. Ingevolge het bepaalde in artikel 16a, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag om toelating slechts in behandeling genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, welke hij heeft aangevraagd bij en welke hem verstrekt is door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf.

7. Niet in geschil is dat verzoekster niet valt onder één van de in de nationale regelgeving genoemde uitzonderingscategorieën. Evenmin staat der discussie dat er geen sprake is van een bijzonder individueel geval op grond waarvan de zogenoemde hardheidsclausule zou moeten worden toegepast.

8. Het geding spitst zich toe op de vraag of de buiten behandeling stelling van de aanvraag vanwege het enkele ontbreken van een mvv in strijd komt met de associatieovereenkomst.

9. In artikel 45 van de associatieovereenkomst is bepaald dat elke lidstaat vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst voor de vestiging van Bulgaarse vennootschappen en onderdanen en voor de exploitatie van op zijn grondgebied gevestigde Bulgaarse vennootschappen en onderdanen een behandeling verleent die niet minder gunstig is dan die welke aan de eigen vennootschappen en onderdanen wordt verleend.

10. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de associatieovereenkomst belet geen enkele bepaling van deze overeenkomst partijen hun wetten en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende toelating en verblijf, tewerkstelling, arbeidsvoorwaarden, de vestiging van natuurlijke personen en het verrichten van diensten toe te passen, mits zij dat niet op zodanige wijze doen dat de voor een partij uit een specifieke bepaling van de overeenkomst voortvloeiende voordelen teniet worden gedaan of beperkt.

11. In het eerdergenoemde arrest Barkoci en Malik heeft het Hof zich uitgesproken over de reikwijdte van de artikelen 45 en 59 van de associatieovereenkomst tussen de EG en de Tsjechische Republiek, welke artikelen gelijkluidend zijn aan die van de associatieovereenkomst met Bulgarije. Het Hof heeft geconcludeerd dat de non-discriminatiebepaling in artikel 45, eerste lid, van de associatieovereenkomst, gelet op haar bewoordingen, een voldoende duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke resultaatsverplichting inhoudt die geschikt is om door een Tsjechische onderdaan rechtstreeks voor een nationale rechterlijke instantie van een lidstaat in te roepen.

12. Voorts heeft het Hof in dit arrest geconcludeerd dat het recht van vestiging in de zin van artikel 45, eerste lid, van de associatieovereenkomst als uitvloeisels van dat recht, een recht op toelating en een recht op verblijf omvat voor Tjechische onderdanen die activiteiten van industriële, commerciële en ambachtelijke aard en activiteiten van de vrije beroepen in een lidstaat wensen uit te oefenen. Uit de bewoordingen zelf van artikel 59, eerste lid, van de associatieovereenkomst volgt evenwel dat deze rechten niet absoluut zijn en dat de uitoefening ervan in voorkomend geval door de regels van de lidstaat van ontvangst betreffende toelating, verblijf en vestiging van Tjechische onderdanen kan worden beperkt.

13. Verder heeft het Hof geconcludeerd dat de artikelen 45, derde lid en 59, eerste lid, van de associatieovereenkomst zich in beginsel niet verzetten tegen een stelsel van voorafgaande controle, dat de verlening van een inreis- en verblijfsvergunning door de bevoegde immigratieautoriteiten afhankelijk stelt van het bewijs door de aanvrager, dat hij werkelijk voornemens is een werkzaamheid als zelfstandige te beginnen, zonder tegelijkertijd arbeid in loondienst te verrichten of een beroep op de openbare middelen te doen, en dat hij van meet af aan over voldoende financiële middelen beschikt en een redelijke kans van slagen heeft. Lidstaten mogen daarbij op grond van hun eigen vreemdelingenwetgeving materiële eisen stellen.

14. De rechter volgt verzoekster niet in de stelling dat uit voornoemd arrest zonder meer zou volgen dat het stellen van het mvv-vereiste in strijd komt met de associatieovereenkomst.

15. Het Hof gaat in rechtsoverweging 69 in op de specifieke regelgeving en beleidstoepassing die in het Verenigd Koninkrijk geldt en toetst deze aan de bepalingen van de associatieovereenkomst. Het Hof overweegt daarbij:

“Zonder dat behoeft te worden ingegaan op de vraag of artikel 59, eerste lid, van de associatieovereenkomst de lidstaat van ontvangst toestaat een Tsjechische onderdaan zonder reisvisum de toegang tot zijn grondgebied te weigeren, kan derhalve worden volstaan met het onderzoek of de toepassing van de nationale vreemdelingenwetgeving in haar geheel door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, daaronder begrepen de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van de Secretary of State om in individuele gevallen af te zien van het vereiste van het bezit van een reisvisum, verenigbaar is met de voorwaarde aan het eind van de eerste volzin van artikel 59, lid 1.”

16. In antwoord op vraag 4 overweegt het Hof vervolgens:

“De voorwaarde aan het einde van de eerste volzin van artikel 59, eerste lid, van de associatieovereenkomst moet aldus worden uitgelegd, dat de verplichting om in het woonland vóór vertrek naar de lidstaat van ontvangst een reisvisum te verkrijgen, … niet tot doel of gevolg heeft om de uitoefening door Tsjechische onderdanen van de hun door artikel 45, derde lid, van de assocatieovereenkomst verleende rechten onmogelijk of buitengewoon moeilijk te maken, mits de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst bij de behandeling van aanvragen om toelating met het oog op vestiging die krachtens de overeenkomst bij het punt van aankomst in die staat worden ingediend, aldus uitoefenen dat aan een Tsjechisch onderdaan zonder reisvisum een inreisvergunning op een andere grondslag wordt verleend, indien zijn aanvraag duidelijk en onmiskenbaar voldoet aan dezelfde materiële vereisten als bij de aanvraag van een reisvisum in de Tsjechische Republiek zou zijn toegepast.”

17. In tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk kent Nederland niet de praktijk dat bij het ontbreken van een mvv niettemin een vergunning tot verblijf kan worden verleend als aan de materiële voorwaarden daarvoor is voldaan. Integendeel, verweerder hanteert de eis van een voorafgaande mvv zeer strikt, en maakt hierop alleen in nauw omschreven gevallen, waaronder verzoekster niet valt, een uitzondering.

18. Nu het Hof zich in dit arrest niet heeft uitgelaten over de vraag of een aanvraag om toelating in zijn algemeenheid buiten behandeling kan worden gesteld vanwege het enkele ontbreken van een mvv, heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, bij uitspraak van 16 september 2002 (Awb 01/6660, 01/27933, 01/18190, 01/18209, 01/18067, 01/12591) over deze kwestie prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof. Daarbij is het Hof, kort samengevat, gevraagd of het met de associatieovereenkomst verenigbaar is dat de bevoegde autoriteit bij de beoordeling van een in Nederland ingediende aanvraag om een vergunning tot verblijf met het oog op vestiging overeenkomstig de associatieovereenkomst, afziet van elke inhoudelijke toetsing uitsluitend om reden dat de mvv ontbreekt, alsmede of het bij de beantwoording van deze vraag verschil uitmaakt of duidelijk en onmiskenbaar is voldaan aan de materiële eisen die worden gesteld voor toelating. Daarnaast is de vraag gesteld of het bij de beantwoording van de eerste vraag relevant is of de indiener van de aanvraag om een vergunning tot verblijf ten tijde van de aanvraag al dan niet op een andere titel rechtmatig verblijf had in Nederland.

19. Het door het Hof geformuleerde antwoord op vraag 4 in de zaak Barkoci en Malik (rechtsoverweging 16) en de aangehaalde prejudiciële vragen van de nevenzittingsplaats Assen brengen de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat de handelwijze van verweerder om de aanvraag om vergunning zonder meer buiten behandeling te stellen, waarbij niet wordt overwogen of, ondanks het ontbreken van een mvv, niet toch een vergunning zou moeten worden verleend omdat de aanvraag duidelijk en onmiskenbaar voldoet aan dezelfde materiële eisen als bij de aanvraag van een mvv, aangevraagd in het land van herkomst, zouden zijn toegepast, mogelijk in strijd moet worden geacht met de associatieovereenkomst. Gelet hierop heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen.

20. Het verzoek wordt, gelet op het vorenstaande, toegewezen. Er bestaat aanleiding een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat uitzetting achterwege blijft tot twee weken nadat op het bezwaar is beslist.

21. Voorts bestaat aanleiding tot veroordeling van verweerder in de proceskosten en aanwijzing van de Staat tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht. De proceskosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 322,- euro (1 punt voor het verzoekschrift, waarde per punt 322,- euro wegingsfactor 1).

22. De rechter ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 33b van de Vw.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

– wijst het verzoek toe;

– bepaalt dat uitzetting achterwege blijft tot twee weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

– veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van 322,- euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te voldoen;

– wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het griffierecht ad 102,10 euro aan verzoekster te vergoeden.

Rechters

mr. S. Wijna

Instantie: Rechtbank Haarlem, 18 oktober 2002

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit op 26 april 2000 een zoon is geboren (Z). Gedurende het conceptietijdvak bestond voornoemde relatie. De man vordert dat de vrouw op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld medewerking te verlenen aan een DNA-test, waardoor onomstotelijk kan worden vastgesteld of hij de biologische vader is. Hij stelt dat hij als gevolg van uitlatingen van gedaagde gerede twijfel heeft over de vraag of hij de biologische vader is. De vrouw weigert medewerking. De rechter weegt het belang van de man bij het verkrijgen van absolute zekerheid omtrent zijn vaderschap af tegen het aan de vrouw toevertrouwde belang van Z bij behoud van zijn lichamelijke integriteit. In het kader van deze belangenafweging verdient opmerking, aldus de rechter, dat de vrouw zich van de geboorte af aan op het standpunt heeft gesteld dat eiser de biologische vader van Z is. De twijfel is volgens de vrouw ontstaan na conflicten over de boedelscheiding en wordt door haar gekwalificeerd als ‘juridisch stalken’.
Voor toewijzing van de vordering bij wijze van voorlopige voorziening is slechts plaats als eiser een spoedeisend belang heeft. Voor zover dat belang er in bestaat dat eiser een eventueel omgangsrecht met Z wenst te effectueren is dit onvoldoende omdat voor een daartoe strekkend verzoek de erkenning van eisers vaderschap door gedaagde het vertrekpunt kan zijn. Bedoeld belang zou wel daarin kunnen liggen dat de man het omgangsrecht met Z alleen wil realiseren indien voor hem iedere twijfel omtrent het biologisch vaderschap is uitgesloten. Wil een dergelijk belang grond kunnen zijn voor toewijzing van de vordering dan is het vereist dat eiser redelijke gronden voor zijn twijfel kan geven. De rechter oordeelt dat eiser daar niet in is geslaagd zodat de vordering wordt afgewezen.

Volledige tekst

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 Ter terechtzitting van 8 oktober 2002 heeft eiser overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna onder 3. weergegeven en die vordering toegelicht. gedaagde heeft tegen deze vordering verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities en heeft vervolgens een voorwaardelijke vordering in reconventie ingesteld als hierna onder 5. vermeld.

1.2 Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 18 oktober 2002 of zoveel eerder als mogelijk.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:
a. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
b. Op 26 april 2000 is uit gedaagde een zoon geboren, M.. Gedurende het conceptietijdvak bestond voornoemde relatie.

3. DE VORDERING IN CONVENTIE EN DE GRONDSLAG DAARVAN

3.1eiser vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde veroordeelt om na betekening van het ten deze te wijzen vonnis binnen een termijn van zeven dagen medewerking te verlenen aan een DNA-test met de minderjarige M., op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag, voor iedere dag of gedeelte daarvan, dat gedaagde in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen, met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

3.2 eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij als gevolg van uitlatingen van gedaagde gerede twijfel heeft over de vraag of hij de biologische vader is van M.. gedaagde weigert medewerking te verlenen aan een DNA-test. gedaagde dient simpelweg toe te staan dat er wangslijmvlies bij M. wordt afgenomen. Uit deze test kan onomstotelijk worden vastgesteld of eiser M.’ biologische vader is. eiser verkeert al geruime tijd, ongeveer tweeëëneenhalf jaar, in het ongewisse.

4. HET VERWEER IN CONVENTIE EN DE SLOTSOM DAARVAN

gedaagde heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan. Op dit verweer zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. DE VOORWAARDELIJKE VORDERING IN RECONVENTIE EN DE GRONDSLAG DAARVAN

Voor zover de voorzieningenrechter gedaagde zou veroordelen mee te werken aan een DNA-test, af te nemen bij M., vordert gedaagde, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad eiser veroordeelt tot betaling van de DNA-test en hem veroordeelt in de kosten van dit geding.

6. HET VERWEER IN VOORWAARDELIJKE RECONVENTIE

eiser heeft zich na wat discussie ter zitting gerefereerd.

7. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

In conventie
7.1De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van eiser aldus, dat deze is gericht tegen gedaagde in haar hoedanigheid van met het ouderlijk gezag beklede ouder van de minderjarige M..

7.2 Ter beantwoording van de vraag of de vordering voor toewijzing in aanmerking komt, dient een weging van de over en weer in het geding zijnde belangen plaats te vinden. Naar eiser heeft gesteld bestaat zijn belang daarin dat hij absolute zekerheid wil verkrijgen over de vraag of hij de biologische vader van M. is. Hiertegenover staat het aan gedaagde toevertrouwde belang van M. bij behoud van zijn lichamelijke integriteit, hetgeen impliceert dat gedaagde niet zonder goede grond gedwongen kan worden M. te onderwerpen aan onderzoeken aan zijn lichaam of van erfelijk materiaal.

7.3 In het kader van de hiervoor genoemde belangenafweging verdient opmerking dat gedaagde zich van de geboorte af aan op het standpunt heeft gesteld dat eiser de biologische vader van M. is en dat zij onweersproken heeft opgemerkt dat ook eiser daaraan aanvankelijk niet twijfelde. Die twijfel is volgens gedaagde pas opgeworpen nadat partijen over andere kwesties, zoals de verdeling van wat antieke bordjes, conflicten hadden gekregen en wordt door haar gekwalificeerd als “juridisch stalken”. Gedaagde heeft verder aangevoerd dat er geen enkele grond is voor (redelijke) twijfel aan het biologisch vaderschap van eiser. gedaagde heeft daarbij gerefereerd aan een gesprek tussen partijen waarin eiser een concrete datum en plaats zou hebben geopperd waarop M. zou zijn verwekt.

7.4 Voor toewijzing van de vordering bij wijze van voorlopige voorziening is slechts plaats als eiser bij die vordering een spoedeisend belang heeft. Voor zover dat belang er in bestaat dat eiser een eventueel omgangsrecht met M. wenst te effectueren is het onvoldoende voor de gevraagde voorziening omdat voor een daartoe strekkend verzoek de erkenning van eisers vaderschap door gedaagde het vertrekpunt kan zijn.

7.5 Bedoeld belang zou wel daarin kunnen zijn gelegen dat eiser het omgangsrecht met M. enkel wil realiseren indien voor hem iedere twijfel omtrent het biologische vaderschap is uitgesloten. Wil een dergelijk belang grond kunnen zijn voor toewijzing van de vordering dan is het vereist dat eiser redelijke gronden voor zijn twijfel kan geven.

7.6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser in dit laatste niet is geslaagd. gedaagde heeft de door de voorzieningenrechter aan haar gestelde vraag of zij met andere mannen dan eiser in de conceptieperiode omgang heeft gehad stellig ontkennend beantwoord. eiser heeft tegenover deze ontkenning geen concrete aanwijzingen gesteld die zijn -kennelijk eerst later opgekomen- twijfel aan zijn biologisch vaderschap kunnen rechtvaardigen. De opmerking “M. lijkt niet op mij” is daartoe onvoldoende. Dat gedaagde van twee van haar vier andere kinderen zou hebben gezegd dat de wettelijke vader een ander is dan de biologische, is door gedaagde bestreden.

7.7 Het voorgaande brengt met zich mee dat de belangenafweging in het voordeel van gedaagde dient uit te vallen. De gevraagde voorziening zal dan ook worden geweigerd.

7.8 Nu partijen een affectieve relatie hebben gehad zullen de proceskosten worden gecompenseerd aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
In voorwaardelijke reconventie

7.9 Nu de voorziening in conventie wordt geweigerd, is aan de voorwaarde voor de reconventionele vordering niet voldaan, zodat de voorzieningenrechter verstaat dat deze vordering niet is ingesteld.

8. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:
In conventie
Weigert de gevraagde voorzieningen.
Compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

In reconventie
Verstaat dat de vordering niet is ingesteld.

Rechters

Mr. Schotman

Brief aan Tweede Kamer over huiselijk geweld

Aan de leden van de Tweede Kamer-fracties
die deelnemen aan het Algemeen Overleg Huiselijk Geweld
op 17 oktober 2002

Amsterdam, 14 oktober 2002

Geachte Kamerleden,

Met het oog op het Algemeen Overleg op 17 oktober a.s. wil het Clara Wichmann Instituut (expertise vrouw en recht) graag een aantal punten onder uw aandacht brengen.

Het Clara Wichmann Instituut is betrokken geweest bij het interdepartementale project huiselijk geweld. Hoewel er altijd meer te wensen is, waren wij zeer te spreken over de maatregelen die in het kader van dat project zijn gestart, en de maatregelen die zijn voorgesteld in de nota Privé Geweld Publieke Zaak, die door het vorige kabinet als kabinetsnota is aangenomen. Hoewel het huidige kabinet heeft gesteld de kabinetsnota te onderschrijven, constateren wij dat niet alle voorstellen een plaats hebben gekregen in de kabinetsplannen voor de komende tijd. Wij maken ons hier enige zorgen over, en verzoeken u om tijdens het Algemeen Overleg van de betrokken ministers expliciet de bevestiging te vragen dat alle maatregelen en voorstellen zoals opgenomen in de kabinetsnota Privé Geweld Publieke Zaak ook door het huidige kabinet worden gedragen en uitgevoerd.

Op 3 oktober jl. heeft op initiatief van TransAct en de Federatie Opvang een overleg plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van enkele landelijke organisaties die betrokken zijn geweest bij het interdepartementale project huiselijk geweld. Ook het CLWI heeft aan dit overleg deelgenomen. Naar aanleiding van hetgeen daar is besproken willen wij vanuit onze specifieke expertise speciale aandacht vragen voor een aantal onderwerpen die met name op het terrein van justitie liggen:

"Huiselijk Geweld maakt expliciet onderdeel uit van het Integraal veiligheidsprogramma IVP2″ (pagina 11 kabinetsnota)

Hoewel het Strategisch Akkoord van dit kabinet voor een groot deel gewijd was aan het thema Veiligheid, leek deze veiligheid op te houden bij de voordeur: er werd geen woord besteed aan huiselijk geweld. Ook in de justitiebegroting komt huiselijk geweld onder de noemer van het veiligheidsbeleid niet tot nauwelijks aan de orde. Het is van groot belang dat er keer op keer op wordt gehamerd dat veiligheid niet bij de voordeur ophoudt, en dat huiselijk geweld blijvend onderdeel gaat uitmaken van het Integraal veiligheidsprogramma.

"De minister van justitie wil twee experimentele projecten organiseren voor juridische vroeghulp aan slachtoffers van huiselijk geweld en op basis daarvan oordelen over landelijke invoering van deze vroeghulp"(kabinetsnota p. 12)
"De Minister van Justitie onderzoekt of het vergoedingenbesluit Rechtsbijstand aangesproken kan worden voor juridische ondersteuning van het slachtoffer tijdens een strafprocedure tegen de pleger"(p.11)
Hoewel de Minister in zijn antwoorden op vragen inzake de vervolging wegens meineed van een slachtoffer van verkrachting (brief van 26 juli, 28 000 VI, nr. 70)de uitvoering van de kabinetsnota op deze punten nogmaals bevestigt, worden deze maatregelen (en de daarvoor benodigde financiële middelen) niet genoemd in de justitiebegroting. Wij zouden graag duidelijkheid krijgen omtrent de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze maatregelen uitgevoerd zullen worden en het hiervoor beschikbare budget. Wellicht kunt u die duidelijkheid in het kader van het Algemeen Overleg vragen.

"De IND is verzocht om op basis van gedegen dossieronderzoek vast te stellen waarom veel aanvragen om een zelfstandige verblijfsvergunning van slachtoffers van huiselijk geweld niet meteen, in eerste instantie, worden toegekend. Op basis van de bevindingen zullen maatregelen worden getroffen om dit probleem terug te dringen" (p. 30 kabinetsnota)
Hoewel ook minister Nawijn blijkens zijn uitlatingen in de pers aan vrouwen die het slachtoffer zijn van mishandeling door hun man een zelfstandige verblijfsvergunning wil verstrekken, bevat de justitiebegroting hiervoor geen concrete plannen. Wij zouden graag willen weten of het IND onderzoek inmiddels is uitgevoerd, wat de resultaten hiervan zijn, en welke de maatregelen zullen zijn die worden genomen om dit probleem terug te dringen.

Overigens wordt door het Clara Wichmann Instituut (net als door tal van andere organisaties), al jaren aangedrongen op het verstrekken van een zelfstandige verblijfstitel aan vrouwen die tengevolge van mishandeling hun relatie verbreken.

Tot slot willen we niet onvermeld laten dat we verheugd zijn dat het onderzoek naar de mogelijke uithuisplaatsing van plegers van huiselijk geweld met voortvarendheid ter hand wordt genomen. Wij hopen dat deze voortvarendheid bij de verdere behandeling van dat dossier wordt voortgezet.

Ik hoop dat u bovengenoemde punten tijdens het Algemeen Overleg aan de orde wilt stellen.

Met vriendelijke groet,

Margreet de Boer
beleidsmedewerkster

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 16 oktober 2002

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Nu de man ontkent de verwekker van het kind te zijn gelast de rechtbank een deskundigenonderzoek. Blijkens het rapport van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst is de man vrijwel zeker wel de biologische vader en alimentatieplichtig. Hij werkt – evenals de vader in de hierna opgenomen uitspraak van het Hof ‘s-Gravenhage 4 december 2002 – als taxichauffeur in loondienst. De vrouw stelt dat het inkomen van de man moet worden verhoogd met 10% wegens door hem ontvangen fooien. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling en acht, gelet op de huidige maatschappelijke ontwikkelingen en economische welstand een percentage van 3% meer in de rede.
Met betrekking tot de kosten van het deskundigenonderzoek overweegt de rechtbank als volgt: ‘De rechtbank is met de man van oordeel dat de destijds bij hem gerezen twijfel omtrent zijn biologisch vaderschap niet zonder meer ongerechtvaardigd was. Daarbij is in aanmerking genomen dat op de geboorteakte van de minderjarige geen gegevens van de vader worden vermeld. Het met deze procedure beoogde resultaat kon slechts door middel van een deskundigenonderzoek worden bereikt. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat partijen de hieraan verbonden kosten ieder bij helfte zullen voldoen.’ Volgt: vaststelling kinderbijdrage van €100,- per maand met ingang van geboortedatum van het kind en veroordeling van de man en de vrouw ieder tot betaling van de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek. (Red.: Deze beschikking is nog niet in kracht van gewijsde gegaan).
De volledige tekst is niet opgenomen.

Volledige tekst

De volledige tekst is niet opgenomen.

Rechters

Mr. Nanne