Instantie: Minister van Buitenlandse Zaken, 11 september 2002

Instantie

Minister van Buitenlandse Zaken

Samenvatting


Betrokkene heeft met een beroep op de Associatieovereenkomst tussen de EG en Polen een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel ‘arbeid als zelfstandig prostituee’. Het bezwaar richt zich tegen het uitblijven van een beschikking. Betrokkene is eerder, in 1999 en 2001, veroordeeld vanwege het bezit van een vals reisdocument (art. 231 lid 2 Sr).Betrokkene stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van het HvJEG van 20 november 2001 (RN 2002/2 , 1458), dat de aanvraag beoordeeld dient te worden aan de hand van het openbare orde criterium zoals dat voor EG gemeenschapsonderdanen geldt. De minister volgt deze redenering niet. Gesteld wordt dat het in onderhavig geval geen gedraging betreft die een lidstaat, in casu Nederland, van eigen onderdanen aanvaardt, maar overtreding van een in het WvSr opgenomen artikel, welke overtreding voor eigen onderdanen eveneens strafbaar is gesteld. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Volledige tekst


(…)

3. ONTSTAAN EN VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Betrokkene is vreemdelinge in de zin van artikel 1, aanhef en onder m, van de Vreemdelingenwet. Op 8 april 1998 is tegen betrokkene een maatregel van bewaring opgelegd, welke op 9 april 1998 opgeheven is, waarna op 14 april 1998 de uitzetting van betrokkene heeft plaatsgevonden. Vervolgens is op 7 september 2001 wederom een maatregel van bewaring opgelegd, welke op 17 september 2001 opgeheven is, waarna op 23 oktober 2001 de uitzetting van betrokkene heeft plaatsgevonden.
Op 8 januari 2002 heeft betrokkene een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend met als doel “arbeid als zelfstandig prostituee”. Op 29 januari 2002 heeft betrokkene bij de Nederlandse Diplomatieke Vertegenwoordiging te Warschau een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend met als doel “verblijf bij partner A.”.
Op 6 maart 2002 is namens betrokkene onderhevig bezwaarschrift ingediend. Op laatstgenoemde datum is tevens verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 17 juni 2002 is het verzoek door de rechtbank te Den Haag, zittinghoudende te Amsterdam, afgewezen.
Bij brief van 18 juni 2002 is door de gemachtigde van betrokkene aangegeven dat de op 29 januari 2002 ingediende aanvraag komt te vervallen.

4. MOTIVERING VAN DE BESCHIKKING

De inhoud van het dossier is bij de besluitvorming betrokken.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dienen belanghebbenden, voordat op het bezwaarschrift wordt beslist. In de gelegenheid te worden gesteld zich te doen horen. Van het horen kan op grond van artikel 7:3 van deze wet worden afgezien.
De gronden die namens of door betrokkene worden aangevoerd in het bezwaarschrift leiden niet tot een ander oordeel dan verwoord in de hierboven genoemde beschikking, waarin gemotiveerd is ingegaan op de van belang zijnde aspecten van de zaak. De overwegingen uit de beschikking worden overgenomen en dienen hier als ingelast te worden beschouwd. Naar aanleiding van hetgeen thans is aangevoerd, wordt aanvullend het volgende overwogen.

Betrokkene heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking, verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige.
Nog daargelaten of in onderhevig geval wordt voldaan aan de voorwaarden tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking, verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige, wordt overwogen dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet kan worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
Hierbij is het volgende van belang.
Op grond van artikel 3.77, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet, op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien:
er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;
1. de vreemdeling de echtgenoot of echtgenote, het minderjarige kind, de partner of het meerderjarige kind, bedoeld in artikel 29, onder e en f, van de Vreemdelingenwet, is van een in Nederland verblijvende vreemdeling ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat deze zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, of
2. de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij terzake van misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard.
Ingevolge het tweede lid wordt bij de toepassing van het eerste lid, onder c, mede betrokken de buiten Nederland gepleegde inbreuk op de openbare orde, voor zover die naar Nederlands recht een misdrijf oplevert.
Bij de toepassing van de voorgaande leden komt aan gratieverlening geen betekenis toe.
Op grond van het gestelde in hoofdstuk B1/2.2.4.1 van de Vreemdelingencirculaire wordt de aanvraag afgewezen, indien de vreemdeling ter zake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard, of sprake is van een veroordeling of oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (artikel 37 Wetboek van Strafrecht) en terbeschikkingstelling (artikel 37a Wetboek van Strafrecht) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend.
De veroordeling hoeft niet onherroepelijk te zijn geworden. Ook indien hoger beroep is ingesteld tegen een veroordeling in eerste aanleg, of cassatieberoep is ingesteld tegen een veroordeling in hoger beroep, wordt de aanvraag afgewezen. In dit geval is gebleken namelijk dat betrokkene, bij onherroepelijk geworden vonnis van 9 juni 1999 is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 231, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.
Voorts is uit telefonische navraag op 30 augustus 2002 bij het Parket van Amsterdam gebleken, dat betrokkene wegens overtreding van artikel 231, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht op 7 mei 2001 veroordeeld is tot drie maanden gevangenisstraf. Tegen deze beslissing is op 22 augustus 2001 beroep ingesteld.
Tenslotte is uit een bericht van de korpschef van politieregio Amsterdam-Amstelland van 18 juni 2002 (‘Model M62’) gebleken dat betrokkene in politie-opsporings-systemen staat gesignaleerd als niet tot Schengengebied toe te laten vreemdeling. Betrokkene staat gesignaleerd tot 17 september 2006.
Geconcludeerd wordt dat betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde.

Bij brief van 8 januari 2002 heeft de gemachtigde gesteld dat de aanvraag beoordeeld dient te worden aan de hand van het openbare orde criterium zoals dat voor EG gemeenschapsonderdanen geldt. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in Luxemburg in de zaak Jany van 20 november 2001, met name naar het overwogene onder 58 tot en met 61 in dit arrest.
Vorenvermeld argument wordt niet gevolgd en wel om het volgende.
Volgens overweging 58 van het arrest mag de lidstaat van ontvangst ingevolge artikel 53 van de associatieovereenkomst Gemeenschappen/Polen afwijken van de toepassing van de bepalingen van die overeenkomst op het gebied van vestiging, met name om redenen van openbare orde.
In overweging 59 is vermeld dat een nationale autoriteit zich, volgens de rechtspraak van het Hof, slechts op een afwijking uit hoofde van de openbare orde kan beroepen indien er een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging bestaat die een fundamenteel belang van de samenleving raakt.
Overweging 60 zegt dat een gedraging niet kan worden geacht ernstig genoeg te zijn om beperkingen op de toelating of het verblijf op het grondgebied van een lidstaat van een onderdaan van een andere lidstaat te rechtvaardigen, ingeval de eerste staat ten aanzien van dezelfde gedraging, indien zij uitgaat van eigen onderdanen, geen repressieve maatregelen of andere op bestrijding ervan gerichte reële en effectieve maatregelen treft.
In overweging 61 wordt geconcludeerd dat gedragingen die een lidstaat van eigen onderdanen aanvaardt, niet beschouwd kunnen worden al een werkelijke bedreiging voor de openbare orde in de context van de associatieovereenkomst Gemeenschappen/Polen.
Zoals uit overweging 62, onder verwijzing naar punt 21, van het arrest valt op te maken betreft het in onderhevig arrest raamprostitutie en straatprostitutie, welke in Nederland (onder voorwaarden) is toegestaan en in gemeentelijke verordeningen is gereglementeerd.
In onderhevig geval betreft het echter geen gedraging die een lidstaat, i.c. Nederland, van eigen onderdanen aanvaardt, maar overtreding van een in het Wetboek van Strafrecht opgenomen artikel, waarvan overtreding voor eigen onderdanen eveneens strafbaar is gesteld.
Reeds daarom, en nog afgezien van de vraag of betrokkene in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als zelfstandige, wordt de aanvraag afgewezen.

Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer van de belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Deze clausule wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid genoemd.
Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan, bij afweging van alle aan de orde komende belangen, aanleiding bestaat de aanvraag toch in te willigen.
Niet gebleken is immers van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat een beslissing overeenkomstig bedoeld beleid in dit geval zou leiden tot nadelige of voordelige gevolgen voor één of meer belanghebbenden, die onevenredig zouden zijn in verhouding met de door bedoeld beleid te dienen belangen. Evenmin is gebleken dat strikte naleving van vorenbedoeld beleid, gelet op de strekking ervan en de onderliggende wettelijke regeling, in dit geval niet nodig is en bovendien een onevenredig nadeel zou opleveren voor één of meer belanghebbenden.
Er bestaat daarom geen aanleiding de verblijfsvergunning onder de gevraagde beperking te verlenen in afwijking van het ter zake gevoerde beleid. Uit de inhoud van het bezwaarschrift, beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de bestreden beschikking, blijkt reeds aanstonds dat de bezwaren van betrokkene ongegrond zijn, terwijl er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. In verband hiermee is op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht afgezien van het horen van belanghebbenden.
(…)

Noot

Of Tarts and Public Policy: Misunderstanding Community Law
What is the extent of the right of Member States to exclude or expel nationals of the Central and Eastern European countries on the basis of public policy, public security or public health? This question has recently been addressed by the Dutch Visadienst (kenmerk nr. 9804-14-4026). In an astonishing interpretation of Community law the Dutch authorities decided that a Polish national who sought to come to the Netherlands to exercise a self employed activity as a prostitute could be refused a visa on the basis of public policy, notwithstanding the fact that in the Netherlands exercising a self employed activity as a prostitute is not a prohibited activity. This case follows a series of refusals by the Dutch authorities to grant work and residence permits to nationals of Central and Eastern European countries who seek to exercise their rights of self employment in the Netherlands where the economic activity to be undertaken is in the sex business.

Between 1991 and 1996 the European Community entered into agreements with ten countries in Central and Eastern Europe and the Baltic area. Each of these agreements contains a provision permitting nationals of those countries to engage in self employed activities in any of the EU Member States. As nationals of those countries started to use their new rights problems arose. A number of Member States, the Netherlands included, questioned whether this right of establishment (i.e. self employment) was actually binding on the Member States. In other words, could an individual national of one of these states rely directly on the agreements where national law provided for the contrary? The European Court of Justice was called in to determine this question and decided affirmatively, the right to self employment can be used directly by nationals of these countries and a corollary to the right is the right to enter and reside on the territory of the state.

The Dutch authorities have had particular difficulties with the self employment right as regards CEEC prostitutes. The first reference to the European Court of Justice from a Dutch court on the meaning of the self employment provision in the Agreements was on this specific issue. In a decision of 20 November 2001, the European Court of Justice held first that prostitution is an economic activity. It then continued to find that it can be carried out as a self employed activity and thus was covered by the terms of the Europe Agreements. The resistance of the Dutch authorities to the consequences of the Jany judgment has been substantial. Leaving aside the reaction in the Dutch press, the IND has continued to refuse to issue residence permits to nationals of the CEECs who seek to exercise self employed activities as prostitutes. The reasons for these refusals have become increasingly tenuous. In previous issues of this journal I have discussed the IND refusals of residence permit on the grounds of lack of prior long stay visas (Mvv’s). In the current decision, the IND has relied on another provision – the right of Member States to refuse the benefit of the Agreements in circumstances where there are grounds on the basis of public policy, public security and public health.
Art. 53 and 58 of the EC Poland Association Agreement are the source of the discussion in the current case as regards the meaning of the public policy provision and its use in respect of nationals of Poland (though the same arguments also apply to all the Central and Eastern European countries with Agreements in force). I shall consider each of the articles separately, suffice here the say that the Art. 53 argument is one based on the meaning of public policy, public security and public health; the Art. 58 argument is based on the right reserved to the Member States in the Agreements to apply their national laws in respect of certain aspects of immigration.

The Article 53 Argument: Public Policy, Public Security and Public Health
Art. 53 of the Poland Agreement (mirrored in all the others) allows the right of establishment to be subject to limitations justified on grounds of public policy, public security or public health. These three grounds also appear in exactly the same form in the EC Treaty relating to nationals of the Member States and limitations on their rights of free movement. Not surprisingly, the European Court of Justice has already been asked to determine, and has already answered, in 1982, the extent to which the right of free movement may be limited on these grounds in respect of prostitutes. The answer then was that Member States cannot use the limitations to prevent the movement of nationals of other Member States unless they take repressive measures against their own nationals as regards the exercise of the same activities. Somewhat surprisingly, following the Jany judgment, a German court referred a case to the European Court of Justice on whether a prostitute, national of another Member State could exercise Community free movement rights. Sensibly, on a national resolution of the case, the national court withdrew the reference on 12 December 2002 before it came to a hearing before the European Court of Justice.

So the first question is whether the concepts of public policy, public security and public health in Art. 53 of the Europe Agreement (Poland) can have a different meaning from the counter part provision of the EC Treaty. The IND considers in this decision that it can. The wording of Art. 53 makes it clear that the limitations which the state can place on the exercise of a self employed activity by a Polish national is finite. There are three grounds and they are spelt out. There does not appear from this provision to be any additional category or ground on which the State can limit access to the territory or economic activity. Indeed the wording of Art. 53 is clearer and more precise and unconditional than the equivalent wording as regards the right of self employment for Community nationals.
Accordingly, it is not surprising that in the case of Jany the European Court of Justice made it absolutely clear that the meaning of the three public policy, security and health limitations in the Europe Agreements had the same meaning as the counterpart provisions in the EC Treaty:

’58. Admittedly, as follows from Art. 53 of the Association Agreement between the Communities and Poland and Art. 54 of the Association Agreement between the Communities and the Czech Republic, which were not referred to by the national court in its questions, the host Member State may derogate from application of the provisions of those Agreements governing establishment on grounds of, inter alia, public policy.
59. However, as the United Kingdom Government and the Commission have correctly pointed out, under the Court’s case-law a national authority’s use of a public-policy derogation presupposes that there is a genuine and sufficiently serious threat affecting one of the fundamental interests of society (see Joined Cases 115/81 and 116/81 Adoui and Cornuaille [1982] ECR 1665, paragraph 8, Case C-348/96 Calfa [1999] ECR I-11, paragraph 21, and, on the interpretation of the provisions adopted within the context of the association arrangements between the European Economic Community and Turkey, Case C-340/97 Nazli [2000] ECR I-957, paragraphs 56 to 61).
60. Although Community law does not impose on Member States a uniform scale of values as regards the assessment of conduct which may be considered to be contrary to public policy, conduct may not be considered to be of a sufficiently serious nature to justify restrictions on entry to, or residence within, the territory of a Member State of a national of another Member State where the former Member State does not adopt, with respect to the same conduct on the part of its own nationals, repressive measures or other genuine and effective measures intended to combat such conduct (Adoui and Cornuaille, cited above, paragraph 8).
61. Consequently, conduct which a Member State accepts on the part of its own nationals cannot be regarded as constituting a genuine threat to public order within the context of the Association Agreement between the Communities and Poland and that between the Communities and the Czech Republic. Applicability of the public-policy derogation set out in Articles 53 and 54 of those Agreements respectively is thus subject, in the case of Polish and Czech nationals wishing to pursue the activity of prostitution within the territory of the host Member State, to the condition that that State has adopted effective measures to monitor and repress activities of that kind when they are also pursued by its own nationals.
62. That condition is not met in the present case. As pointed out in paragraph 21 of this judgment, window prostitution and street prostitution are permitted in the Netherlands and are regulated there at communal level.’

What is clear from this passage from the judgment is that the European Court of Justice considers that the limitation contained in Art. 53 has the same scope and extent as Art. 46 EC relating to Community nationals. It specifically extends its jurisprudence regarding the treatment of Community nationals on the grounds of public policy, public security and public health to Polish nationals. Further, it also notes that the concept of public policy, public security and public health have a single meaning as regards the rights of movement or residence of individuals in Community law. It specifically brings into the equation its judgment in respect of the meaning of the exclusion grounds for Turkish workers protected under the EC Turkey Association agreement and its subsidiary legislation, Nazli [2000] ECR I-957.
Thus the Court has interpreted the public policy and security limitations as meaning that it is not open to a Member State (including the Netherlands) to refuse a visa, admission or access to economic activity within its territory to a Polish national who seeks to be self employed on the territory as a prostitute solely on the grounds of public policy, public security or public health. So long as prostitution is permitted in the Netherlands and indeed even regulated at the communal level (though regulation is not required for these purposes) the public policy provisions cannot be used against Polish prostitutes seeking to exercise their activities as self employed on that ground alone.

Turning then to the Court’s interpretation of the public policy provision in respect of Community nationals as set out in the Calfa judgment, the Dutch authorities appear to be suffering from some confusion about the fact that it is absolutely necessary for the State to have measures adopted against own nationals in respect of the behaviour for which it seeks to use the ground against a Community nationals before it can apply such measures against a Europe Agreement national. The European Court of Justice accepted that the penalty which can be applied to nationals of other Member States under the public policy provision can include measures which cannot be taken against nationals of the State itself. However no measure can be taken against nationals of other Member States unless the same behaviour among nationals of the State itself are subject to criminal sanctions. In the Calfa judgment (about an Italian national in Greece convicted of a drugs offence and ordered to be expelled), the European Court of Justice made this abundantly clear:

’25. It follows that an expulsion order could be made against a Community national such as Ms Calfa only if, besides her having committed an offence under drugs laws, her personal conduct created a genuine and sufficiently serious threat affecting one of the fundamental interests of society.’

It is worth noting from this extract, that the commission of a criminal offence itself by a national of another Member State is not enough to justify expulsion. What is critical to the right of a State to use public policy as a ground to refuse admission or expel a person protected by Community law (be it the right to receive services or the right of establishment under the EC Poland Association Agreement) is that there is a conviction as well as a genuine and sufficiently serious threat. It is not a matter of one or the other but both: the activity must be a criminal offence for own nationals, the Polish national must have been convicted of the offence in respect of which own nationals are also criminally liable, and then on top of that the State must justify that the individual constitutes a genuine and sufficient serious threat affecting one of the fundamental interests of society. This threshold can never be satisfied where the activity in question does not constitute a criminal offence in the host State. Thus the decision of the Dutch authorities appears particularly flawed as it fulfils neither of the two criteria: unless the Netherlands makes prostitution by its own nationals illegal and pursues them for exercising it as an illegal activity, it cannot use the public policy provision to exclude or expel an Agreement national prostitute who is self employed.

Art. 58 of the Agreement
Art. 58 of the Poland Europe Agreement provides for Member States to apply their national rules to persons seeking to exercise self employed activities under the terms of the Agreements but only in so far as is consistent with the right itself. The Dutch authorities have taken the view that this provision permits them to reject applications from CEEC nationals seeking to establish themselves as self employment in the Netherlands on the basis of national law grounds. According to the IND, as Dutch domestic legislation (i.e. the circular) states that visas and residence permits are not to be given to CEEC nationals for this purpose on grounds of public policy, Art. 58 justifies the continued application of the national law provision.

The scope of Art. 58 has already been considered by the European Court of Justice in the Jany judgment. The Court made it clear that the scope of Art. 58 does not overlap with Art. 53. Art. 53 covers the question of the specific limitations, while Art. 58 covers the substantial requirements, which must not interfere with the genuine exercise of the rights. Paragraphs 28 and 29 of the Jany judgment state this in no uncertain terms.
Thus Art. 58 provides for the general check against national legislation regarding the exercise of the right of establishment, subject to the limitations contained in the Agreements. Art. 53 is a specific measure which covers, both fully and completely, and to the exclusion of Art. 58, extent of ‘public policy, public security and public health’. The territory of the provisions cannot be enlarged through a creative use of Art. 58 of the Agreements. The reasoning for this is self evident. If Art. 58 of the Agreements could extend the meaning of public policy, public security and public health beyond the scope of Art. 53 then the latter Art. would be deprived of all purpose. There would no longer be any need for it – and as a general principle of Community law, no provision may be without purpose.

Conclusion
The meaning of public policy, public security and public health in the Agreements is covered solely and exclusively by Art. 53 (Poland, and similar provisions in other Agreements). The three limitations cannot be extended through a creative application of Art. 58 no matter how convenient this might be for the Dutch authorities.
Secondly, the words ‘public policy, public security and public health’ as contained in Art. 53 have the same meaning as in the EC Treaty. This means that they cannot be applied to exclude, for example, a Polish national from access to the territory and economic activity as a self employed prostitute in circumstances where prostitution carried out as a self employed activity by a national of the State in question is not subject to any criminal sanction but is in fact regulated at the communal level. The Dutch authorities would be well advised to check carefully the jurisprudence of the European Court of Justice in this field before seeking to limit and exclude nationals of the Europe Agreement countries.
As a final note, following the Copenhagen Council meeting in December 2002, it is now determined that by May 2004 nationals of all these countries (with the exception of Bulgaria and Romania) as well as Malta and Cyprus will become citizens of the Union as their states accede to the Union. While there will be a delay for free movement of workers from these countries (except Maltese and Cypriots who will have immediate rights), the right of self employment will continue to apply seamlessly from the Europe Agreements to the Accession Agreements. Thus by the time any further reference on the meaning of the right of self employment reaches the European Court of Justice, the individuals, the subjects of the case, will in fact probably already be citizens of the Union. While legally this may not be central or indeed relevant to any such further reference, politically it is of great significance.

Elspeth Guild
Professor of European Immigration Law, University of Nijmegen; partner Kingsley Napley, solicitors, London

Rechters

Brief aan de Eerste Kamer over het initiatiefwetsvoorstel ‘Spreekrecht voor slachtoffers’

Aan de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Amsterdam, 10 september 2002

Geachte dames en heren,

Over het initiatief-voorstel tot invoering van spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden is inmiddels het nodige gezegd en geschreven; laatstelijk in de nota naar aanleiding van het verslag d.d. 2 september 2002 (TK 27 632, nr. 8).
Door het Clara Wichmann Instituut is deze discussie steeds met belangstelling gevolgd, en onder meer via het tijdschrift Nemesis is ook een bijdrage aan deze discussie geleverd.
Zoals u wellicht bekend is kent het Clara Wichmann Instituut een werkgroep seksueel geweld; een werkgroep waarin juristen, voornamelijk advocaten die slachtoffers van seksueel geweld bijstaan, ervaringen uitwisselen en kennis overdragen. Ook in deze werkgroep is het voorgestelde spreekrecht voor slachtoffers aan de orde geweest. Naar aanleiding van die bespreking willen wij thans enkele punten aanvoeren die in dit kader, en vanuit het gezichtspunt van (de advocaat van) slachtoffers van seksueel geweld relevant zijn. Wij hebben ons uitdrukkelijk niet tot doel gesteld het gehele wetsvoorstel te becommentariëren.

Voorop moet worden gesteld dat de wens om zelf, persoonlijk, op de terechtzitting te spreken bij slachtoffers van seksueel geweld niet vaak wordt gevoeld. Het is in Nederland momenteel goed gebruik dat waar mogelijk slachtoffers van seksueel geweld door de Rechter Commissaris worden gehoord, zodat zij niet tijdens een openbare terechtzitting met de verdachte worden geconfronteerd en moeten spreken over veelal zeer vernederende ervaringen. Het merendeel van de slachtoffers is hier erg blij mee.
Ook het feit dat steeds meer slachtoffers zich laten bijstaan door een gespecialiseerde advocaat die namens hen het woord kan voeren, maakt dat minder de noodzaak om zelf te spreken wordt gevoeld.

Het vermoeden bestaat dan ook dat de sterke wens tot het invoeren van een spreekrecht met name afkomstig is van nabestaanden. Ook de in de nota naar aanleiding van het verslag aangehaalde positieve ervaringen met het spreekrecht zijn afkomstig van ouders van vermoorde kinderen.
Met recht kan de vraag gesteld worden of er bij de slachtoffers zelf een grote behoefte bestaat aan een spreekrecht naast de bestaande mogelijkheden zich te laten horen, en of het huidige wetsvoorstel op de beste wijze aan een eventuele behoefte voldoet, of dat er betere mogelijkheden zijn.

Het thans voorgestelde spreekrecht is processueel zwaar "opgetuigd": het slachtoffer moet al in een zeer vroeg stadium aangeven of hij of zij van het spreekrecht gebruik wil maken, het slachtoffer wordt opgeroepen voor de zitting, en de zitting wordt bij niet verschijnen aangehouden. Dit legt een grote druk op het slachtoffer. Vlak na de aangifte zal het slachtoffer niet kunnen beoordelen of hij of zij later (vaak een jaar later) van het spreekrecht gebruik zal willen maken. De kans is groot dat men hier voor kiest, en zich hieraan gebonden acht. Er mag dan formeel sprake zijn van keuzevrijheid van het slachtoffer; de ervaring leert dat mensen denken dat het nadelig voor hun positie zal zijn wanneer ze geen gebruik maken van alle mogelijkheden die ze wordt geboden. Dit klemt temeer nu slachtoffers niet zonder meer aanspraak kunnen maken op deskundige advisering. De noodzakelijke voorlichting waarover de nota naar aanleiding van het verslag spreekt kan niet in wetgeving worden vastgelegd, maar is een kwestie van beleid. De uitvoering hiervan zal moeten worden overgelaten aan enerzijds het openbaar Ministerie, dat noodgedwongen zal volstaan met het geven van schriftelijke informatie, en anderzijds vrijwilligers van Slachtofferhulp, die veelal zelf ook niet alle juridische consequenties van het wel of niet spreken kunnen overzien, en bovendien niet alle slachtoffers persoonlijk spreken. De gratis rechtsbijstand voor slachtoffers waarvoor ingevolge de motie De Graaf c.s. wetgeving wordt voorbereid heeft, anders dan in de nota naar aanleiding van het verslag wordt aangenomen, uitdrukkelijk geen betrekking op de rechtsbijstand aan slachtoffers in de strafprocedure. Afgezien van een mogelijke landelijke invoering van de juridische vroeghulp aan slachtoffers van seksueel geweld (Juridische Opvang slachtoffers Seksueel geweld) is een deskundige en doeltreffende advisering van alle slachtoffers niet op korte termijn te verwachten.
Het is de vraag of het belang van het slachtoffer om te worden gehoord niet met minder zware middelen kan worden gediend; middelen die minder druk op het slachtoffer leggen om in persoon ter zitting (en dus in het openbaar en in aanwezigheid van de verdachte) te spreken.

Want er is wel degelijk een belang van het slachtoffer om beter gehoord te worden. Het is juist dat slachtoffers zich vaak miskend voelen tijdens een terechtzitting: alle aandacht gaat uit naar de verdachte; zijn verhaal staat centraal, en zijn advocaat mag overal op reageren. Zelf heeft de verdachte het laatste woord.
Slachtoffers willen doorgaans niets liever dan dat hun kant van het verhaal aan de orde komt. Het is in hun belang dat de officier van justitie, de rechter en vaak ook de verdachte en zijn advocaat zo uitgebreid mogelijk worden geïnformeerd over de gevolgen die het misdrijf voor het slachtoffer heeft gehad.
Een schriftelijke slachtofferverklaring, die niet te lang voor de zitting is opgesteld is hiervoor een uitstekend middel, zoals ook mag blijken uit de positieve evaluatie van het project "Slachtofferbejegenaar"in Roermond.
Voorts kunnen ook in het kader van een vordering als benadeelde partij (in de nota naar aanleiding van het verslag aangeduid als schadeclaim op grond van de Wet Terwee) de gevolgen van het misdrijf aan de orde worden gesteld. In tegenstelling tot hetgeen in de nota naar aanleiding van het verslag wordt genoemd geldt dit ook voor de immateriële gevolgen van het misdrijf; de benadeelde partij kan ook een vordering indienen voor de door hem of haar geleden immateriële schade (smartengeld). Een toelichting op de vordering van de benadeelde partij kan door het slachtoffer zelf gegeven worden, waarmee in feite in het spreekrecht is voorzien, of door zijn of haar advocaat of gemachtigde. De praktijk wijst uit dat de meeste slachtoffers hun advocaat het woord laten doen.
Het voorgestelde spreekrecht voegt weinig toe aan deze mogelijkheden voor het slachtoffer om iets te (laten) zeggen over de gevolgen van het misdrijf, maar kent zoals eerder aangegeven wel een aantal nadelen en bezwaren.

Een ander punt is dat slachtoffers vaak tijdens de zitting de behoefte krijgen om zich te kunnen uiten in reactie op wat ze tijdens de zitting horen. Het gaat dan niet zozeer om een gestructureerde verklaring over de gevolgen van het misdrijf, maar om een kort (waarschijnlijk vaak emotioneel) statement, vergelijkbaar met het laatste woord van de verdachte. Voor een dergelijke uiting biedt de huidige wetgeving geen ruimte, en ook het thans voorgestelde spreekrecht voorziet hierin niet. Wanneer men aan deze behoefte van slachtoffers tegemoet zou willen komen zou gedacht kunnen worden aan een aanvulling van artikel 311 Sv, in die zin dat vóór de bepaling betreffende het laatste woord van de verdachte wordt opgenomen dat de voorzitter de eventueel aanwezige slachtoffers in de gelegenheid stelt kort het woord te voeren.

In het voorgaande is aangegeven dat vanuit de belangen van slachtoffers, en dan met name van slachtoffers van seksueel geweld, meer nadelen dan voordelen verbonden zijn aan het voorgestelde spreekrecht. De mogelijkheid van de schriftelijke slachtofferverklaring in combinatie met het indienen van een vordering als benadeelde partij biedt voldoende mogelijkheden de gevolgen die het misdrijf voor het slachtoffer heeft gehad onder de aandacht te brengen en hierover zo nodig ter zitting te spreken of laten spreken. Voor de behoefte om (emotioneel) te reageren op hetgeen ter zitting gebeurt biedt het wetsvoorstel geen oplossing; deze oplossing zou eventueel gevonden kunnen worden in een "een-na-laatste-woord" voor het slachtoffer.

Voor nabestaanden kan het spreekrecht wellicht wel een goed instrument zijn, hoewel naar onze ervaring en overtuiging ook hier een goede schriftelijke slachtofferverklaring vaak effectiever is. Om te bereiken dat ook nabestaanden tijdens de strafzitting mondeling uiteen kunnen zetten wat voor hen de gevolgen van het misdrijf zijn geweest is het echter de vraag of een dergelijke grote ingreep in het strafproces nodig is. Naar onze mening is het zinvoller en efficiënter om ervoor te zorgen dat voor nabestaanden de mogelijkheid zich als benadeelde partij te voegen wordt uitgebreid, zodat zij die processuele ingang kunnen benutten om ter zitting te spreken over de gevolgen van het misdrijf. Het aangekondigde wetsvoorstel voor de vergoeding van affectieschade biedt hiervoor mogelijkheden, omdat het daarmee ook voor nabestaanden mogelijk wordt om, zij het in beperkte mate, vergoeding van immateriële schade te vorderen. Nabestaanden kunnen dan in het kader van een vordering benadeelde partij hun immateriële schade toelichten en onderbouwen door te spreken over de gevolgen die het misdrijf voor hen heeft gehad.

Wij hopen met bovenstaande opmerkingen een nuttige bijdrage te leveren aan de discussie over het spreekrecht, en meer in het algemeen over de positie van het slachtoffer. Wij blijven ook in de toekomst graag bij deze discussie betrokken, en zijn altijd bereid tot het verstrekken van een nadere toelichting.

Namens de werkgroep seksueel geweld van het Clara Wichmann Instituut

Margreet de Boer

beleidsmedewerkster geweld tegen vrouwen

Instantie: Raad van Toezicht Verzekeringen, 9 september 2002

Instantie

Raad van Toezicht Verzekeringen

Samenvatting


Klaagster heeft namens haar twee minderjarige (adoptief)kinderen haar echtgenoot, de verzekerde, aansprakelijk gesteld voor de schade die beide kinderen hebben geleden ten gevolge van seksueel misbruik door hem. Vervolgens heeft klaagster de kwestie aan de verzekeraar gemeld. De verzekeraar beroept zich op de (oude) opzetclausule, waarin dekking voor opzettelijk toegebracht letsel is uitgesloten. De Raad stelt dat op grond van het arrest Aegon/Van der Linden (HR 6 november 1998, NJ 1999, 220) voor een geslaagd beroep op deze opzetclausule vereist is dat – nu van beogen van het letsel geen sprake was – de verzekerde zich ervan bewust was dat het in feite toegebrachte letsel het zekere gevolg van zijn handelen zou zijn. Aan dit vereiste is hier niet voldaan: hoewel duidelijk is dat er letsel is, zijn de aard en omvang hiervan a fortiori onbekend. De zekerheid dat er enig letsel zal zijn is niet voldoende.

Volledige tekst


(Â…)
Inleiding
Klaagster treedt op als de wettelijke vertegenwoordiger van twee minderjarige kinderen, die zij en haar echtgenoot hebben geadopteerd. Laatstgenoemde heeft ten behoeve van het gezin bij verzekeraar een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren gesloten.
In artikel 4 van de op deze verzekering van toepassing zijnde poliswaarden is onder meer bepaald:
“1. Opzet. a Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zeker gevolg is van zijn handelen of nalaten”.
Klaagster heeft haar echtgenoot aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het feit dat hij de voormelde kinderen seksueel heeft misbruikt. Vervolgens heeft deze de kwestie aan verzekeraar gemeld.

De klacht
Verzekeraar stelt zich op het standpunt dat de opzetuitsluiting van toepassing is. Dit is echter niet te rijmen met de rechtspraak en de literatuur. Verzekeraar schaadt de goede naam van het verzekeringsbedrijf. Hij neemt een onverdedigbaar standpunt in.

Het standpunt van de verzekeraar
Klaagster heeft als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen geen directe actie jegens verzekeraar. Waar het hier gaat om het weigeren van dekking aan klaagsters echtgenoot, heeft slechts laatstgenoemde een actie jegens verzekeraar, tenzij sprake zou zijn van overgang van rechten door middel van een door partijen ondertekende akte van overdracht. Omdat het dispuut in hoofdzaak gaat om de opzetclausule, maakt verzekeraar mede gelet op de bereidheid van klaagsters echtgenoot tot medewerking aan bedoelde overdracht er verder geen punt van dat die akte hem (nog) niet heeft bereikt.
Het gaat hier om de toepasselijkheid van de ‘oude’ opzetclausule. Deze clausule heeft in de literatuur en de jurisprudentie veel aandacht gekregen, onder meer Hoge Raad 6 november 1998 (NJ 1999, 220 inzake AEGON/Van der Linden). Uiteindelijk heeft de discrepantie tussen de door verzekeraars beoogde strekking van de clausule en de blijkens de rechtspraak herhaaldelijk daaraan toegekende beperkte werking geleid tot een herziening van de opzetclausule. De ‘nieuwe’ opzetclausule maakt deel uit van de standaardmodelpolis AVP 2000. De oorspronkelijke bedoeling wordt daarin beter geformuleerd: van dekking is uitgesloten aansprakelijkheid door opzettelijk handelen.
Duidelijk is dat het daarbij primair aankomt op de vraag of de opzet van de verzekerde op de gedraging gericht was, waarbij niet relevant is of de opzet tevens gericht was op de schade. Waar in de onderhavige kwestie de ‘oude’ opzetclausule van toepassing is en beslissende betekenis wordt toegekend aan de vraag of de opzet mede gericht is op de schade, moet de vraag beantwoord worden of de dader beoogd heeft schade toe te brengen dan wel het ontstaan van schade voor hem het zekere gevolg is van zijn handelen.
In het arrest AEGON/Van der Linden overweegt de Hoge Raad:
“Een in de voorwaarden van een aansprakelijkheidsverzekering als de onderhavige opgenomen bepaling als de opzetclausule heeft in een geval waarin een verzekerde letsel heeft toegebracht, geen verdere strekking dan van de dekking uit te sluiten de aansprakelijkheid van een verzekerde die het in feite toegebrachte letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn.”
en:
“Overigens verdient nog aantekening dat de rechter onder omstandigheden uit de gedragingen van de verzekerde kan afleiden dat deze het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn”.
Zie ook RvT I – 98/19 en I – 98/20.
Verzekeraar moet dus aantonen dat klaagsters echtgenoot – ervan uitgaande dat hij het toebrengen van lichamelijk/geestelijk letsel aan de kinderen niet heeft beoogd – ten tijde van het seksuele misbruik van zijn kinderen zich ervan bewust was dat zijn handelen het feitelijk toegebrachte letsel tot gevolg zou hebben. Daarbij zij opgemerkt dat de voorhanden gegevens weliswaar enig inzicht geven in de aard van het opgetreden fysieke en psychische letsel, maar vooralsnog niet (voldoende) duidelijk is wat de omvang van deze schade is. Verzekeraar gaat ervan uit dat van schade sprake is en het dispuut geen puur academisch karakter heeft. De feitenrechter heeft een zekere vrijheid om aan de hand van de omstandigheden van het geval de toepasselijkheid van de polisbepaling te beoordelen.
Blijkens het proces-verbaal is sprake van incest. Dit is een ernstige vorm van seksueel misbruik, temeer daar de kinderen (ten tijde van de aangifte bij de politie) 13 en 8 jaar oud waren. De handelingen hebben zich over een ruime periode afgespeeld, namelijk van 27 oktober 1995 tot 6 maart 2001.
Uit de medische verklaringen van de huisarts blijkt dat sprake is van incesthandelingen door klaagsters echtgenoot. Laatstgenoemde erkent zowel ten overstaan van de politie als ten overstaan van een getuige het gepleegde seksuele misbruik. Hij werd verdacht van verkrachting van zijn minderjarige onder zijn gezag staande kinderen, gemeenschap hebben met zijn minderjarige onder zijn gezag staande kinderen en ontucht plegen met een weerloos persoon zijnde zijn minderjarige kinderen die onder zijn gezag staan.
Blijkens een brief van zijn advocaat is klaagsters echtgenoot veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, alsmede 240 uur werkstraf. Verder zijn als bijzondere voorwaarden opgelegd ondertoezichtstelling van de reclassering en medewerking aan behandeling door een psychiatrisch ziekenhuis.
Klaagsters echtgenoot was ermee bekend dat de kinderen afkomstig zijn uit een buitenlands pleeggezin, aldaar mishandeld waren met letsel tot gevolg en, wat het oudste kind betreft, reeds eerder blootgesteld aan seksueel misbruik. Hieruit kan in elk geval worden afgeleid dat de kinderen erg kwetsbaar zijn en, waar sprake zou moeten zijn van een veilige geborgenheid in het gezin, zij deze helaas (wederom) hebben moeten ontberen.
Uit deze feiten, in onderling verband bezien en met name gelet op de ernst van het gepleegde seksuele misbruik, blijkt dat klaagsters echtgenoot zich ervan bewust moet zijn geweest dat het door de kinderen opgelopen fysieke en psychische letsel het zekere gevolg moet zijn geweest van zijn handelen. Naar algemene ervaringsregels is zeker dat kinderen van deze leeftijd als gevolg van stelselmatig seksueel misbruik letsel oplopen.
Dit geldt a fortiori als het gaat om voor wat betreft afkomst en achtergrond weerloze kinderen die reeds eerder zijn mishandeld/seksueel misbruikt en waarbij de dader bij herhaling willens en wetens zijn vertrouwenspositie ten opzichte van hen schendt.
Het gaat niet aan te stellen dat het seksuele misbruik in zijn algemeenheid niet is gericht op het toebrengen van (letsel)schade aan het slachtoffer maar op het bevredigen van de eigen lustgevoelens van de dader. Als dit laatste zo zou zijn, wil dat niet zeggen dat de daardoor aan het slachtoffer toegebrachte schade niet mede geacht kan worden het zekere gevolg van het handelen te zijn.
Niet gesteld of gebleken is dat klaagsters echtgenoot de handelingen heeft gepleegd uit geestelijke nood of als gevolg van een geestelijke stoornis op grond waarvan voor hem de schade niet het zekere gevolg van zijn handelingen was. Hij zal moeten stellen en bewijzen dat hij door een geestesstoornis de gevolgen van zijn daden niet juist kon inschatten of dat hij de gevolgen wel had voorzien maar hem geen verwijt kon worden gemaakt van zijn handelen (HR 27 maart 1987 NJ 1987, 658 en 659).
Waar opzet – ook in dat geval – uit de gedraging zelf kan en mag worden afgeleid valt met name uit RvT I-98/20 impliciet te herleiden dat sprake is van schade die het zekere gevolg is van het handelen van de dader, wanneer deze een glas of fles heeft gebroken om daarmee het slachtoffer te lijf te gaan. Een dergelijke impliciteit is ook in de onderhavige kwestie aan de orde nu uit het proces-verbaal blijkt dat, waar klaagsters echtgenoot aangeeft dat het ontbreken van een seksuele relatie met klaagster voor hem reden was tot contact met zijn minderjarige kinderen, hij verder geen reden aangeeft waarom hij het deed, anders dan alleen voor de kinderen. Waar hem door de getuige wordt voorgehouden dat zijn gedrag maatschappelijk niet wordt getolereerd, wordt dit door hem niet ontkend.
Daarbij komt dat klaagsters echtgenoot heeft verklaard van zichzelf over zijn gedrag geschrokken te zijn. Hij heeft het oudste kind gevraagd er met niemand over te praten en er niets over in haar dagboek te schrijven. Voorts heeft hij verklaard tegen haar te hebben gezegd dat een dergelijk contact niet behoort.
Uit dit alles – in het bijzonder ook dat hij bleef doorgaan met het seksueel misbruik, ook toen de kinderen bij herhaling hadden aangegeven daarvan niet gediend te zijn – mag worden afgeleid dat hij zich ervan bewust was dat het door hem aan de kinderen toegebrachte fysieke/psychische letsel het zekere gevolg van zijn handelen zou zijn.
Een beroep op slachtofferbescherming mag geen reden zijn een beroep op de opzetclausule niet toe te laten of het bewijsrisico met betrekking tot de toepasselijkheid van de clausule bij verzekeraar te laten. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren biedt in beginsel nog steeds de schadeveroorzaker dekking tegen de financiële gevolgen van zijn handelen. Vanuit deze optiek kunnen dan ook in kwesties als de onderhavige vraagtekens worden geplaatst bij het moeten verlenen van dekking, voor de schadevergoedingsplicht in kwestie die immers voortvloeit uit een door de verzekerde gepleegde reeks van ernstige gevallen van seksueel misbruik. In beginsel is de positie van de schadeveroorzaker en het slachtoffer dan ook niet anders dan wanneer de aansprakelijkheidsverzekeraar op grond van bijvoorbeeld verzwijging of niet-betaling van de premie geen dekking behoeft te bieden.

Het commentaar van klaagster
Klaagster heeft, kennis genomen hebbend van het verweer van verzekeraar, haar klacht gehandhaafd en nog nader toegelicht. Zij merkt op dat blijkens een uitgebracht psychiatrisch rapport de dader als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en ten tijde van het plegen van zijn daden niet besefte dat hij schade veroorzaakte.

Het overleg met verzekeraar
Ter zitting is de klacht met verzekeraar besproken.

Het oordeel van de Raad
1. In zijn arrest van 6 november 1998, NJ 1999, 220, heeft de Hoge Raad overwogen dat de onderhavige opzetclausule in een geval waarin een verzekerde letsel heeft toegebracht, geen verdere strekking heeft dan van de dekking uit te sluiten de aansprakelijkheid van een verzekerde die het in feite toegebrachte letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn, zulks onder de aantekening dat de rechter onder omstandigheden uit de gedragingen van de verzekerde kan afleiden dat deze het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn.
2. Volgens dit criterium is voor een geslaagd beroep door verzekeraar op deze opzetclausule vereist – nu van beogen van letsel hier geen sprake is – dat klaagsters echtgenoot zich ervan bewust was dat het in feite aan de kinderen toegebrachte letsel het zekere gevolg van zijn handelen zou zijn.
3. Aan dit vereiste is hier niet voldaan. Noch uit de stukken van het dossier, noch uit hetgeen verzekeraar ter zitting naar voren heeft gebracht blijkt dat reeds thans min of meer concreet kan worden vastgesteld dat de bedoelde meisjes lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen als gevolg van het sexuele misbruik gepleegd door klaagsters echtgenoot. A fortiori zijn de aard en de omvang van een dergelijk letsel onbekend. Daarom kan de stelling van verzekeraar dat voor klaagsters echtgenoot zeker was dat ‘het in feite toegebrachte letsel’ het gevolg van zijn sexueel misbruik was, niet opgaan.
4. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat de factoren die verzekeraar in zijn verweerschrift heeft opgesomd ten betoge dat voor klaagsters echtgenoot zekerheid bestond omtrent enig letsel voor de meisjes, van welke aard en omvang dan ook, daartoe niet toereikend zijn. Zelfs grote waarschijnlijkheid is niet hetzelfde als zekerheid.
5. Verzekeraar heeft dan ook door met een beroep op de in artikel 4 van de op de verzekering van toepassing zijnde polisvoorwaarden opgenomen opzetclausule dekking te weigeren de goede naam van het verzekeringsbedrijf geschaad. De Raad verbindt hieraan de consequentie dat verzekeraar de claim alsnog in behandeling moet nemen, met inachtneming van het overigens in de polisvoorwaarden bepaalde.

De beslissing
De Raad verklaart de klacht gegrond.
(Â…)

Rechters

Mr. Mendel, mr. Beukenhorst, drs. de Bouter, mr. Cleton en mr. Dil-Stork

Brief aan de leden van de vaste Tweede-Kamercommissies voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties over de evaluatie van de Algemene wet gelijke behandeling

Brief aan de leden van de vaste Tweede-Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 6 september 2002

Onlangs ontving het Clara Wichmann Instituut (CLWI) het definitieve kabinetsstandpunt inzake de evaluatie van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). In een eerder stadium heeft het CLWI gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren op het concept kabinetsstandpunt ter zake.
Graag willen wij uw aandacht vragen voor een aantal punten uit ons eerdere commentaar, waar het kabinet naar ons oordeel niet of onvoldoende op in is gegaan in het definitieve kabinetsstandpunt. Gezien onze doelstelling en expertise richten wij ons met name op de gelijke behandeling op grond van sekse.

materiële – formele gelijkheid:
In tegenstelling tot bijvoorbeeld het VN-Vrouwenverdrag, kent de Awgb een formele en symmetrische benadering: formele gelijkheid staat voorop; positieve actie is toegestaan bij wijze van uitzondering. Het CLWI pleit ervoor dat de AWGB wordt vormgegeven als instrument voor het bewerkstelligen van materiele gelijkheid, en daartoe een benadering kiest zoals ook het VN-Vrouwenverdrag dat doet.

overheidshandelen
Het CLWI acht het van groot belang dat ook eenzijdige, publiekrechtelijke rechtshandelingen van de overheid onder de werkingssfeer van art. 7 van de Awgb worden gebracht. Het door het kabinet steeds gehanteerde argument dat dit niet noodzakelijk is, nu de overheid reeds gebonden is aan artikel 1 van de Grondwet en de beginselen van behoorlijk bestuur achten wij niet overtuigend: iedereen is immers gebonden aan discriminatieverboden; de toepasselijkheid van de Awgb geeft hieraan een nadere invulling, en geeft een eenvoudig toegankelijke toetsingsmogelijkheid. Wij zien het aangekondigde onderzoek naar de opportuniteit van het onder de Awgb en andere gelijkebehandelings-wetgeving brengen van eenzijdig overheidshandelen met belangstelling tegemoet, en dringen er op aan dat dit onderzoek met voortvarendheid wordt uitgevoerd.

verenigingsleven
In tegenstelling tot het kabinet is het CLWI van oordeel dat het feit dat de Awgb geen betrekking heeft op het -interne- verenigingsleven wel degelijk tot problemen heeft geleid. Wij wijzen op het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling in de zogenaamde SGP-zaak. In deze zaak is onmiskenbaar sprake van ongelijke behandeling en discriminatie van vrouwen; het CGB achtte zich echter niet bevoegd in deze zaak te oordelen, juist omdat het om handelen binnen een vereniging ging.
Ook verenigingen dienen zich aan de Nederlandse grondwet te houden en zich te onthouden van discriminatie; naar het oordeel van het CLWI is er geen legitieme reden het verenigingsleven uit te sluiten van de werkingssfeer van de Awgb.

pensioenvoorzieningen
Het CLWI acht de redenering van het kabinet dat ongelijke behandeling van mannen en vrouwen bij het afsluiten van particuliere lijfrentes en -levens-verzekeringen redelijk is omdat het om een privé-aangelegenheid gaat onbegrijpelijk. De werkingssfeer van de gehele Awgb strekt zich immers mede uit tot het aanbieden van goederen en diensten, ook privé. Daarenboven zijn zelfstandige ondernemers voor hun oudedags-voorziening veelal aangewezen op particuliere verzekeringen, die daarmee voor hen de zelfde functie hebben als de pensioenvoorzieningen voor werknemers.
Het gebruik van geslachtsafhankelijke actuariële factoren levert directe discriminatie op, en zou ook in het kader van de Awgb verboden moeten zijn. Het VN-Vrouwenverdrag kent overigens geen uitzonderingsbepalingen ten aanzien van particuliere verzekeringen, zodat het hanteren van geslachtsafhankelijke premies in strijd met dit Verdrag moeten worden geacht.
Het CLWI heeft met instemming kennis genomen van de bereidheid van het kabinet om voor de mogelijkheid van pensioenopbouw de ondergrens te stellen op 50% van het dienstverband voorafgaand aan het aanvaarden van de deeltijdfunctie.

motiveringsplicht
Nu zowel de Commissie Gelijke Behandeling als alle relevante NGO"s pleiten voor een uitwerking van de in art. 121 Grondwet bedoelde motiveringsplicht voor de rechterlijke macht wanneer van de oordelen van de Commissie wordt afgeweken, is het kabinetsoordeel hier geen aanleiding voor te zien niet overtuigend. In de praktijk wordt de noodzaak voor een dergelijke uitwerking gevoeld; er zijn geen inhoudelijke tegenargumenten, zodat het voor de hand ligt deze bepaling aan de Awgb toe te voegen.

Wij verzoeken u bovengenoemde punten bij uw evaluatie van de Algemene wet gelijke behandeling te betrekken.

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 21 augustus 2002

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Bij de bepaling van de hoogte van de kinderalimentatie oordeelt het hof het redelijk dat 100% van de draagkrachtruimte daarvoor wordt aangewend, nu gebleken is dat alle kosten van het kind (waaronder de kosten voor de crèche) voor rekening van de moeder komen.

Volledige tekst

(…) Â…)
VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat – voor zover in hoger beroep van belang – tussen de partijen het volgende vast.
De partijen zijn op 23 november 1994 te Marokko gehuwd. Uit dit huwelijk is geboren de thans nog minderjarige: N., geboren op (…) 1999, hierna te noemen: N., die sinds het uiteengaan van de partijen feitelijk bij de moeder verblijft.
Bij beschikking van 29 december 1999 heeft de rechtbank te Rotterdam onder meer tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken, die is ingeschreven op 14 maart 2000. Er is daarbij geen kinderalimentatie opgelegd.
Bij verzoekschrift dat op 4 september 2001 bij de rechtbank te Rotterdam is ingekomen heeft de moeder verzocht tot vaststelling van een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie van ƒ 350 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Bij de bestreden beschikking is de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 12 oktober 2001 bepaald op ƒ 350 per maand.
Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.
Ten aanzien van de vader:
De vader is geboren op (…) 1974 en is alleenstaand. Sinds 12 november 2002 is de vader in dienst van (…) en bedraagt zijn inkomen ƒ 2.639 (€ 1.197,50) bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, volgens salarisspecificaties over de weken 49 tot en met 52 van 2001 en de weken 1 tot en met 1 9 van 2002. Hij is ziekenfondsverzekerd voor zijn ziektekosten.
De vader heeft de volgende maandelijkse lasten:
ƒ 350 (€ 159) schuld postbank;
ƒ 25 (€ 11) kosten woon-werk verkeer.
Ten aanzien van de moeder:
De moeder is geboren op (Â…) 1973 en is alleenstaand. Als onweersproken staat vast dat haar inkomen € 1.200 netto per maand is, exclusief vakantietoeslag.
De moeder heeft de volgende maandelijkse lasten:
ƒ 558 (€ 253) huur;
ƒ 295 (€ 134) crèche N.;
ƒ 317 (€ 144) schuld C.;
ƒ 121 (€ 55) schuld P.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de draagkracht van de vader ten aanzien van de kinderalimentatie. De behoefte van N. aan een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie staat als niet bestreden vast.
2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de kinderalimentatie met ingang van 12 oktober 2001 op nihil te stellen, althans een bijdrage te bepalen als het hof juist acht. Ter terechtzitting heeft de vader zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie voor de periode van 12 oktober 2001 tot 12 november 2001 op nihil te stellen en met ingang van 12 november 2001 geen hogere alimentatie te bepalen dan ƒ 66 (€ 30) per maand. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof de vader in de proceskosten te veroordelen.
3. Vaststaat dat het arbeidscontract van de vader met zijn voormalige werkgever M. op 10 augustus 2001 door tijdsverloop is geëindigd. In april 2001 werd de vader ziek en depressief. Aanvankelijk kreeg hij geen loon doorbetaald, maar bij vonnis voorlopige voorzieningen van 10 september 2001 heeft de kantonrechter te Rotterdam de voormalige werkgever veroordeeld om het achterstallige loon over de periode 1 juli tot 10 augustus 2001 te betalen. Over de maanden mei en juni 2001 heeft de kantonrechter echter geen uitspraak gedaan, omdat de loongegevens over die maanden niet volledig waren.
Vervolgens heeft de vader een uitkering uit hoofde van de Werkloosheidswet aangevraagd die door het GAK is geweigerd. Dit alles heeft er in geresulteerd dat de vader over de maanden mei en juni 2001 geen inkomsten heeft gehad.
De vader stelt dat hij voor de periode van 12 oktober tot 12 november 2001 geen draagkracht heeft om enig bedrag aan kinderalimentatie te betalen, omdat hij met ingang van 10 augustus 2001 geen inkomsten meer had en over de periode daaraan voorafgaand niet zijn volledige loon heeft ontvangen. De moeder is daarentegen van mening dat het aan de lakse houding van de vader te wijten is dat hij in die periode geen inkomen heeft gehad, hetgeen voor zijn eigen rekening en risico dient te komen.
Het hof acht het niet redelijk om de vader voor de periode van 12 oktober tot 12 november 2001 een onderhoudsplicht op te leggen, nu hij in die periode geen inkomsten had, hetgeen hem niet te verwijten viel gezien zijn psychische en fysieke klachten en het relatief korte tijdsverloop sinds het einde van zijn vorige dienstverband.
4. De vader stelt ter terechtzitting dat hij met ingang van 12 november 2001 een bedrag aan kinderalimentatie zou kunnen betalen van maximaal ƒ 66 (€ 30) per maand. Daarbij voert de
vader aan kosten van woon-werkverkeer een bedrag van ƒ 100 (€ 45) op, omdat de reiskostenvergoeding die de vader voor dit doel van zijn huidige werkgever ontvangt volgens hem niet kostendekkend is. Volgens de berekening van de moeder is deze vergoeding wel toereikend. Het hof neemt ƒ 25 (€ 11) per maand aan kosten woon-werkverkeer in aanmerking, rekening houdend met 440 kilometer per maand a ƒ 0,275 (€ 0,12) per kilometer en een reiskostenvergoeding van gemiddeld ƒ 100 (€ 44) per maand. Weliswaar stelt de vader dat rekening moet worden gehouden met de omgangskosten, maar in de door hem overgelegde draagkrachtberekening voert hij geen bedrag op en hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de omgangsregeling ook daadwerkelijk met enige regelmaat nakomt. Het hof laat de omgangskosten dan ook buiten beschouwing.
5. De moeder is van mening dat de vader zijn volledige draagkrachtruimte (100%) moet aanwenden voor het betalen van kinderalimentatie. Het hof verenigt zich met deze stelling van
de moeder, nu gebleken is dat alle kosten van N. voor rekening van de moeder komen, zodat het hof het op die grond redelijk acht de vader meer te laten betalen dan de gebruikelijke normen bepalen.
6. Op grond van het bovenstaande laat de draagkracht van de vader met ingang van 12 november 2001 een kinderalimentatie toe van ƒ 187 (€ 85) per maand, zodat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen.
7. Nu de bestreden beschikking wordt vernietigd ziet het hof geen reden de vader in de proceskosten te veroordelen.

BESLISSLING

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 12 november 2001 op ƒ 187 (€ 85) per maand;
(…)

Rechters

Mrs. Dusamos, Van den Wildenberg en Zeven-Postma

Instantie: Rechtbank Zwolle, 21 augustus 2002

Instantie

Rechtbank Zwolle

Samenvatting


Partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Zij hebben een geschil over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Zij verschillen van mening over de omvang van de gemeenschap, de wijze van verdeling en de waarde van verschillende gemeenschapsgoederen. Een van de zaken die partijen verdeeld houdt is of het aan de man uitgekeerde smartengeld al dan niet verbruikt is. Van het smartengeld van f. 110.000 is een bedrag van f. 99.367,19 voor de aankoop in 1992 van de woning gebruikt. De man stelt dat voor verdeling van de opbrengst van de verkoop van het huis een bedrag van f. 110.000 aan hem behoort te worden toegescheiden. De rechtbank overweegt dat deze uitkering naar haar aard bestemd is om te dienen als compensatie voor leed, zoals pijn, verdriet en verminderde levensvreugde, dat de man heeft ondergaan en – gelet op zijn letsel: het verlies van zijn rechterbeen – in de toekomst nog zal ondergaan. De vergoeding is derhalve uitsluitend afgestemd op aan de persoon van de man nadelige gevolgen van het ongeval. In dat licht moet geoordeeld worden dat het smartengeld naar haar aard op bijzondere wijze aan de man is verknocht en dat die verknochtheid meebrengt dat het smartengeld niet in volle omvang in de te verdelen gemeenschap valt (zie ook HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 693). Volgens de rechtbank is er echter aanleiding om het bedrag niet in zijn geheel buiten de verdeling te houden. Zij overweegt daartoe als volgt. Toekenning van smartengeld brengt naar zijn aard mee dat het als compensatie voor het leed wordt aangewend en derhalve in de loop der tijd wordt verbruikt. De wijze waarop het wordt aangewend, alsmede tijdsverloop, in die zin dat het huwelijk na het letsel danwel de smartengelduitkering nog voor een langere periode heeft voortgeduurd, kunnen omstandigheden zijn om te oordelen dat de smartengelduitkering, hoewel verknocht, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet (geheel) buiten de verdeling behoort te worden gelaten.
Vaststaat dat van het smartengeld van f. 110.000 een bedrag van f. 99.367,19 voor de aankoop van de woning in 1992 is gebruikt. Van het restant bedrag van het smartengeld van ruim f. 10.000,- heeft de vrouw onweersproken gesteld dat het is gebruikt ‘voor ditjes en datjes’, zodat dat bedrag is verbruikt en de man geen aanspraak kan maken op toedeling daarvan. Toescheiding van het bedrag van f. 99.367,19 aan de man acht de rechtbank evenwel niet aanvaardbaar. Daarvoor is redengevend dat er een langere periode is verstreken na uitkering van het smartengeld tot aan het uiteengaan van partijen. De rechtbank bepaalt het bedrag aan smartengeld dat ten gunste van de man buiten de verdeling blijft op een bedrag van f. 80.000.
Ook de koopsompolis blijft buiten de verdeling, nu de man onweersproken heeft gesteld deze polis te zijn aangegaan om hem te compenseren in zijn inkomen.
Teneinde de vrouw alsnog in de gelegenheid te stellen te reageren op een aantal stellingen van de man, en voorts teneinde nadere inlichtingen te verkrijgen en te onderzoeken of er een minnelijke schikking mogelijk is bepaalt de rechtbank dat er een comparitie van partijen zal worden gehouden.

Volledige tekst

PROCESGANG

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen, dat op 12 september 2001 is uitgesproken.

Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden.

Vervolgens hebben partijen nog de volgende processtukken gewisseld:
– een conclusie van repliek in reconventie tevens houdende een wijziging en vermeerdering van eis van de zijde van de vrouw;
– een conclusie van dupliek in reconventie van de zijde van de man.

Ten slotte is op verzoek van partijen op het griffiedossier vonnis bepaald.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

in conventie

De vordering van de man strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. zal bepalen dat de vrouw haar medewerking zal verlenen aan het uitbrengen van taxaties van de echtelijke woning aan [adres], de daarin aanwezige inboedelgoederen en de twee auto’s, een en ander op straffe van een dwangsom;
2. zal bevelen dat de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap zodanig zal worden gescheiden en gedeeld dat de vrouw aan de man heeft te betalen de helft van de waarde van de woning, een en ander met verrekening van de waarde van de daarin behorende inboedel – zover de vrouw toedeling daarvan wenst;
3. zal bepalen dat de vrouw van de waarde van genoemde woning na aftrek van de hypothecaire verplichtingen voorafgaand aan de verdeling der helften eerst aan de man een bedrag van f. 110.000 heeft uit te betalen terzake van aan de man toekomend smartengeld;
4. zal bevelen dat de vrouw aan de man ter beschikking zal stellen de inboedelgoederen als vermeld op de aan de dagvaarding vermelde lijst, op straffe van een dwangsom;
5. zal bevelen dat de vrouw zal meewerken aan verevening van de door haar opgebouwde pensioenrechten;
6. zal bevelen dat de vrouw opgave doet van de omvang van het door haar opgebouwde spaarloon en door haar verkregen aandelenopties, met bevel deze met de man te verdelen.

Daartegen is door de vrouw verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de vorderingen.

in reconventie

De vrouw heeft in reconventie – na wijziging van eis – gevorderd primair dat de rechtbank de scheiding en deling van de goederengemeenschap als volgt zal vaststellen:

* Aan de vrouw wordt toegescheiden:
– de opbrengst van de woning met de daarop rustende hypotheek en levensverzekering;
– de schuld aan Ballast Nedam ad € 3.267;
– haar pensioenopbouw;
– de spaarloonregeling;
– een deel van de inboedel en de door haar gebruikte auto (kenteken [kenteken 1]).

* Aan de man wordt toegescheiden:
– de koopsompolis Interpolis;
– de polis Stad Rotterdam;
– een deel van de inboedel en de door hem gebruikte auto (kenteken [kenteken 2]);
– de trekker Oliver type 70;
– zijn pensioenopbouw,

waarna partijen uit hoofde van de boedelscheiding niets meer van elkaar te vorderen hebben, subsidiair dat de rechtbank een redelijke scheiding en deling vast zal stellen.

Daartegen is door de man verweer gevoerd.

MOTIVERING

in conventie en in reconventie

1.1 Gelet op de samenhang van de vordering in reconventie met de vordering in conventie, zullen deze te zamen worden beoordeeld.

Vaststaande feiten

1.2 Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist -mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden- het volgende vast.

1.2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Op 12 januari 2001 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2.2 In 1992 heeft de man een bedrag aan smartengeld ontvangen van f. 110.000 vanwege een bedrijfsongeval waarbij hij zijn rechterbeen verloor. Van dit bedrag is f. 99.367,19 gebruikt voor de aankoop van een woning van partijen in 1992. In 1995 hebben partijen de woning aan [adres] gekocht.

1.2.3 In 1997 heeft de man van zijn voormalige werkgever een uitkering ontvangen, waarvan f. 100.000 is gestort in een polis bij Stad Rotterdam en f. 104.447 in een koopsompolis bij Interpolis. De koopsompolis bij Interpolis keert gedurende de periode van 5 december 1997 tot 5 december 2017 f. 8.400 per jaar aan lijfrente uit.

Het geschil

1.3 Partijen wensen beiden tot een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te komen. Partijen verschillen echter van mening over de omvang van de gemeenschap, de wijze van verdeling en de waarde van verschillende gemeenschapsgoederen.

1.4 De rechtbank zal hierna puntsgewijs de door partijen naar voren gebrachte boedelbestanddelen bespreken.

Woning Hertenkamplaan
1.5 Uit de stellingen van partijen in de conclusies van repliek respectievelijk dupliek blijkt dat partijen de woning inmiddels wensen te verkopen. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat een taxatie van de woning niet meer opportuun is nu na verkoop van de woning de verkoopprijs onder aftrek van de hypothecaire verplichtingen betreffende de woning en de aan de verkoop verbonden kosten tussen partijen bij helfte kan worden verdeeld, met inachtneming van hetgeen hierna in 1.10 is overwogen.

Smartengeld
1.6 De man stelt zich op het standpunt dat voor verdeling van de opbrengst van de verkoop van het huis een bedrag van f. 110.000 aan hem behoort te worden toegescheiden vanwege aan hem uitgekeerd smartengeld. Dit smartengeld is aan hem verknocht en valt derhalve niet in de gemeenschap.

1.7 De rechtbank overweegt als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad hangt het antwoord op de vragen in hoeverre een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich er tegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

Een (aanspraak op) vergoeding van immateriële schade, die naar haar aard bestemd is om te dienen als compensatie voor het leed dat de betrokkene heeft ondergaan en nog zal ondergaan, kan ertoe leiden – zo ook het door partijen meermalen geciteerde arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1997, NJ 1998, 693 – dat wordt geoordeeld dat deze op bijzondere wijze aan betrokkene is verknocht en dat die bijzondere verknochtheid meebrengt dat de (aanspraak op) vergoeding bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling moet vallen.

1.8 In onderhavig geval is sprake geweest van een smartengelduitkering in 1992. Deze uitkering is naar haar aard bestemd om te dienen als compensatie voor het leed, zoals pijn, verdriet en verminderde levensvreugde, dat de man heeft ondergaan en – gelet op zijn letsel: het verlies van zijn rechterbeen – in de toekomst nog zal ondergaan. De vergoeding is derhalve uitsluitend afgestemd op aan de persoon van de man nadelige gevolgen van het ongeval. In dat licht moet geoordeeld worden dat het smartengeld naar haar aard op bijzondere wijze aan de man is verknocht en dat die verknochtheid meebrengt dat het smartengeld niet in volle omvang in de te verdelen gemeenschap valt.

1.9 De rechtbank is voorts van oordeel dat er aanleiding bestaat om het bedrag van f. 110.000 niet in zijn geheel buiten de verdeling van de gemeenschap te laten. Daartoe overweegt zij als volgt.

Toekenning van smartengeld brengt naar haar aard mee dat het als compensatie voor het leed wordt aangewend en derhalve in de loop der tijd – over een kortere of langere periode afhankelijk van het uitgavenpatroon van de betrokkene – wordt verbruikt. De wijze waarop het smartengeld wordt aangewend, alsmede tijdsverloop, in die zin dat het huwelijk na het letsel danwel de smartengelduitkering nog voor een langere periode heeft voortgeduurd, kunnen omstandigheden zijn om te oordelen dat de smartengelduitkering, hoewel verknocht, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet (geheel) buiten de verdeling behoort te worden gelaten.

1.10 Vaststaat dat van het smartengeld van f. 110.000 een bedrag van f. 99.367,19 voor de aankoop van de woning in 1992 is gebruikt. Van het restant bedrag van het smartengeld van ruim f. 10.000 heeft de vrouw onweersproken gesteld dat het is gebruikt ‘voor ditjes en datjes’. De rechtbank is van oordeel dat dat bedrag derhalve is verbruikt, zodat de man niet thans nog aanspraak kan maken op toedeling daarvan.

Dat het bedrag van f. 99.367,19 opgegaan is en thans niet meer te herleiden zou zijn, zoals de vrouw heeft gesteld, kan de rechtbank niet volgen. Van dit bedrag is immers in 1992 een woning door partijen gekocht. Vervolgens is in 1995 mede van de opbrengst van de verkoop van dat huis – zoals ook valt af te leiden uit productie 2 van de door de vrouw ter gelegenheid van de eerder gehouden comparitie van partijen genomen akte – de woning aan de Hertenkamplaan gekocht. Het deel van het smartengeld dat in de eerste woning is gestoken moet geacht worden te zijn gebruikt voor de aankoop van de woning aan de Hertenkamplaan en kan uit de opbrengst van de verkoop van die woning worden afgescheiden.

Desalniettemin acht de rechtbank het niet aanvaardbaar om aan de man dit gehele bedrag toe te scheiden, alvorens de opbrengst van de woning tussen partijen te verdelen. Daarvoor is redengevend dat er een langere periode is verstreken na uitkering van het smartengeld tot aan het uiteengaan van partijen, terwijl partijen nog een tiental jaren gehuwd zijn geweest na het door de man overkomen ongeval. De stelling van de man dat ook de vrouw de desbetreffende immateriële schade gedurende een periode van tien jaren heeft mee ervaren brengt de rechtbank ertoe het bedrag aan smartengeld dat ten gunste van de man buiten de verdeling blijft naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen op € 36.302,42 (ƒ 80.000). Dit bedrag dient derhalve voor verdeling van de opbrengst van de verkoop van het huis aan de man te worden toegescheiden.

Koopsompolis Interpolis
1.11 Nu de man onweersproken heeft gesteld dat de koopsompolis bij Interpolis is aangegaan om de man te compenseren in zijn inkomen en deze aanspraak geeft op een maandelijkse lijfrente-uitkering van f. 700 is de rechtbank van oordeel dat in de lijn van eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1997 deze buiten de verdeling moet blijven. Deze heeft immers betrekking op financiële nadelen (gederfde arbeidsinkomsten) die na ontbinding van het huwelijk uitsluitend door de man worden geleden.

Polis Stad Rotterdam
1.12 De man heeft, tegenover de stelling van de vrouw dat de polis van Stad Rotterdam deel uitmaakt van de gemeenschap en volledig bij de verdeling dient te worden betrokken, bij conclusie van dupliek aangegeven dat deze polis aan de invaliditeit van de man is verknocht. De bedoeling van partijen met deze polis was volgens hem om ook na 2017 (wanneer de lijfrente-uitkeringen uit de koopsompolis van Interpolis stoppen) nog een aanvullend inkomen te genieten. Ter ondersteuning van deze stelling heeft hij een brief van een financieel adviseur van de Rabobank in het geding gebracht.

Aangezien de vrouw onvoldoende in de gelegenheid is geweest om op het standpunt van de man te reageren zal de rechtbank wederom een comparitie van partijen gelasten, zoals hieronder nader uitgewerkt, om de vrouw in staat te stellen op de stelling van de man te reageren.

Inboedel, auto’s, trekker
1.13 De man heeft bij conclusie van dupliek gesteld dat de inboedel intussen is verdeeld, waarbij hij zich kan vinden in de waardering van de goederen overeenkomstig de door de vrouw ingebrachte taxatie, behoudens de waardering van de trekker Oliver en de beide auto’s. Hiervoor verzoekt hij om een hertaxatie.

De vrouw heeft niet kunnen reageren op deze stellingen. Bovendien heeft de man niet aangegeven hoe de inboedel is verdeeld danwel in hoeverre partijen menen terzake deze verdeling nog iets van elkaar te vorderen te hebben. De rechtbank zal derhalve de te houden comparitie van partijen tevens benutten om de vrouw in de gelegenheid te stellen te reageren op deze stellingen van de man alsmede voor het geven van inlichtingen omtrent de afhandeling van de verdeling van de inboedel en de waardering van de trekker en de auto’s.

1.14 Overigens acht de rechtbank de stelling van de man dat de door de vrouw ingeschakelde beëdigde taxateur met zijn taxatie van de trekker en de auto’s de plank geheel misslaat zonder nadere toelichting en stukken tot dusver onvoldoende onderbouwd.

Spaarloon, aandelenopties
1.15 De man heeft uiteindelijk gesteld het redelijk te vinden dat de na oktober 1999 door de vrouw opgebouwde bedragen betreffende de spaarloonregeling en premiespaarregeling alleen aan haar toekomen. De rechtbank concludeert dat de vrouw van de tot oktober 1999 door haar opgebouwde bedragen van f. 6.721,45 en f. 8.688,03 de helft, zijnde € 3.496,26 (f. 7.704,74) aan de man dient te betalen.

Nu de man de stelling van de vrouw dat er geen sprake is van aandelenopties niet heeft weersproken, neemt de rechtbank dit als vaststaand aan en zal zij deze post niet verder bespreken.

Schuld Ballast Nedam
1.16 De vrouw heeft gesteld dat zij een schuld van f. 12.000 bij haar werkgever Ballast Nedam is aangegaan in verband met de inrichting van de echtelijke woning, waarvan voor datum echtscheiding f. 4.800 was afgelost. De restschuld dient bij de door haar gevorderde wijze van verdeling aan haar te worden toegescheiden.

De man heeft zich in de conclusie van dupliek op het standpunt gesteld dat de vrouw van de schuld aan haar werkgever Ballast Nedam per saldo niets terugbetaalt.

1.17 De rechtbank overweegt dat uit de terzake ingediende producties blijkt dat aan de vrouw in 1995 een bedrag van f. 12.000 is uitgekeerd als loonvoorschot. Dit wordt – volgens de regeling van de werkgever – een renteloze lening genoemd, waarvan jaarlijks 10 % wordt afgeboekt, welke afboeking geldt als inkomen. De rechtbank merkt op dat uit de salarisstroken waarop de jaarlijkse afboekingen staan lijkt te kunnen worden afgeleid dat de afboekingen inkomsten zijn boven op het reguliere inkomen van de vrouw en zij derhalve van haar reguliere inkomen geen aflossingen betaalt, hetgeen het standpunt van de man ondersteunt.

Omdat het standpunt van de man eerst bij dupliek naar voren is gebracht zal de rechtbank de vrouw bij de te houden comparitie van partijen in de gelegenheid stellen op het standpunt van de man te reageren. De rechtbank geeft de vrouw in overweging voorafgaande aan de comparitie van partijen stukken van haar werkgever in het geding te brengen, waaruit blijkt in hoeverre de aflossingen daadwerkelijk op haar drukken.

Pensioenrechten
1.18 Op grond van artikel 1:94 Burgerlijk Wetboek vallen pensioenrechten waarop de Wet pensioenverevening bij scheiding van toepassing is alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen niet in de gemeenschap. Aangezien gesteld noch gebleken is dat partijen de toepasselijkheid van de Wet pensioenverevening bij scheiding op de wijze voorzien in deze wet hebben uitgesloten dienen de gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenrechten te worden verevend overeenkomstig deze wet.

Comparitie van partijen
1.19 De rechtbank acht een verschijning van partijen gewenst als in het dictum nader aan te geven.

Indien partijen zich voorstellen ter comparitie akte te vragen van schriftelijke verklaringen, stukken in het geding te brengen of aan de hand van bescheiden hun standpunten toe te lichten, wordt hun verzocht ter voorbereiding van de comparitie de desbetreffende geschriften tenminste een week voor de vastgestelde zittingsdag aan de wederpartij en aan de rechtbank toe te zenden.

1.20 De comparitie van partijen kan tevens worden benut voor het onderzoeken van de mogelijkheden van een minnelijke schikking of van andere regelingen tussen partijen, alsmede voor overleg omtrent het verder verloop van het geding.

Voor de comparitie worden twee uren uitgetrokken.

1.21 In afwachting van de comparitie van partijen wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

BESLISSING

in conventie en in reconventie

Partijen worden uitgenodigd om in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd, vergezeld van hun raadslieden, op nader te bepalen dag en uur te verschijnen in het gebouw locatie Spoorstate te Zwolle, aan de Hanzelaan 351, zulks voor het geven van inlichtingen als bedoeld in rechtsoverwegingen 1.12, 1.13 en 1.17 en voor het onderzoeken van de mogelijkheden van een minnelijke regeling. De zaak zal weer worden opgeroepen op de rolzitting van woensdag 4 september 2002 voor opgave van verhinderdata door beide partijen ambtshalve peremptoir.

Verder houdt de rechtbank iedere beslissing aan.

Rechters

Mr. Rikaart-Gerard

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 13 augustus 2002

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De vakbond en de Acht Mei beweging dienen ieder twee verzoeken in bij de Cgb met betrekking tot de vraag of het Pensioenfonds van de Nederlandse Bisdommen dan wel de RK Bisschoppenconferentie in strijd met gelijke behandelingswetgeving handelen door alleen partner- en nabestaandenpensioen toe te kennen aan gehuwden. De Acht Mei Beweging wordt in beide verzoeken niet ontvankelijk verklaard omdat men niet tot doel heeft belangenbehartiging van de medewerkers. De vakbond wordt in één verzoek (die jegens de Bisschoppenconferentie) niet ontvankelijk verklaard omdat rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen niet onder de bescherming van de Awgb vallen. In één zaak spreekt de Cgb wel een inhoudelijk oordeel uit, namelijk in de zaak tussen de vakbond en het pensioenfonds. Het pensioenfonds is namelijk geen zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van art. 3 Awgb. De Cgb oordeelt met betrekking tot het nabestaandenpensioen dat het maken van onderscheid tussen gehuwden en personen met een geregistreerd partnerschap (in de zin van Boek 1 BW) in strijd is met art. 5 lid 1 sub d Awgb (het verbod tot het maken van onderscheid in arbeidsvoorwaarden op grond van burgerlijke staat). De uitzondering van art. 5 lid 6 Awgb is niet van toepassing, nu deze uitzondering slechts ziet op het onderscheid tussen gehuwden en ‘gewoon’ samenwonenden. Ook bij het partnerpensioen is sprake van verboden onderscheid op grond van burgerlijke staat. Aangezien de uitzondering van art. 5 lid 6 slechts ziet op nabestaandenpensioen, heeft dit verboden onderscheid zowel betrekking op het onderscheid tussen gehuwden en geregistreerde partners als op het onderscheid tussen gehuwden en ‘gewoon’ samenwonenden.

Volledige tekst

1 PROCESVERLOOP

1.1 Verzoeker heeft de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) verzocht om een oordeel over de vraag of verweerder in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling door aan pastores (priesters, diakens en pastoraal werkers), die deelnemen aan het pensioenfonds dat is opgericht door verweerder, alleen een partnerpensioen en een nabestaandenpensioenvoorziening toe te kennen indien zij gehuwd zijn.
Op 7 februari 2001 is het verzoekschrift door de Commissie ontvangen. De Commissie heeft verzoeker bij brief van 25 april 2001 verzocht om nadere gegevens te verstrekken. De Commissie heeft deze informatie op 4 juli 2001 ontvangen.

1.2 De Commissie heeft verweerder in de gelegenheid gesteld op het verzoekschrift te reageren met een verweerschrift. Op 13 september 2001 heeft verweerder de Commissie meegedeeld dat hij zich aansluit bij de inhoud van het verweerschrift van het Pensioenfonds voor de Nederlandse Bisdommen, verweerder in de gevoegde zaak. Op 27 september 2001 is dit verweerschrift door de Commissie ontvangen.

1.3 Op 21 februari 2002 heeft de Commissie een zitting gehouden, waar partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten mondeling toe te lichten.

1.4 Verzoeker heeft ook het Pensioenfonds voor de Nederlandse Bisdommen als verweerder aangewezen. In die zaak is een oordeel uitgesproken op 13 augustus 2002 met als oordeelnummer 2002-113. Soortgelijke verzoeken zijn ingediend door de Federatie Vereniging van Pastoraal Werkenden Nederland, vereniging van r.-k. pastores en de Commissie Mensenrechten in de kerk van de Acht Mei Beweging. In die zaken zijn oordelen uitgesproken op 13 augustus 2002 met als oordeelnummers 2002-110 en 2002-111, respectievelijk 2002-114 en 2002-115. Alle zaken zijn ter zitting gevoegd behandeld.

1.5 In verband met de vraag omtrent de ontvankelijkheid van verzoeker heeft verzoeker de Commissie na de zitting nader geïnformeerd over zijn activiteiten. De Commissie heeft deze informatie op 1 maart 2002 ontvangen.

1.6 Verweerder heeft de Commissie na de zitting nader geïnformeerd over de arbeidsrechtelijke positie van pastoraal werkenden. De Commissie heeft deze informatie op 1 maart 2002 ontvangen. Op 5 maart 2002 heeft de Commissie het bericht ontvangen dat voornoemde stukken geen aanleiding geven tot een nadere reactie van de kant van verzoeker.

2 FEITEN

2.1 Verweerder heeft in zijn vergadering van 12 december 1972 besloten tot oprichting van het Pensioenfonds van de Nederlandse Bisdommen (hierna: het pensioenfonds). Het pensioenfonds draagt sinds 1 januari 1973 de zorg voor de pensioenvoorziening van de priesters, diakens en pastoraal werkers van de rooms-katholieke Nederlandse bisdommen.

2.2 De rooms-katholieke kerk onderscheidt drie groepen pastores: priesters, diakens en pastoraal werkers.

Priesters en diakens zijn clerici met plichten en rechten die aan hun wijding en incardinatie worden ontleend. Zij zijn bedienaren van het geestelijk ambt. Indien zij werkzaam zijn bij de kerkelijke instellingen, is er geen sprake van een reguliere werkgever-werknemersverhouding. Wel hebben zij een pseudo-werknemersstatus voor de afdracht van belastingen.

Priesters en diakens kunnen ingevolge de voorschriften van de rooms-katholieke kerk niet huwen of een geregistreerd partnerschap aangaan, tenzij zij reeds voor hun wijding gehuwd zijn.

Pastoraal werkers zijn leken, mannen en vrouwen, in die zin dat zij geen geestelijk ambt bekleden. Pastoraal werkers mogen wel trouwen (burgerlijk en kerkelijk), maar mogen geen geregistreerd partnerschap aangaan.

2.3 Priesters en pastoraal werkers kunnen werkzaam zijn bij een kerkelijke instelling of bij een niet-kerkelijke instelling, zoals het Ministerie van Defensie of een ziekenhuis. In beide gevallen is er sprake van een reguliere werkgevers-werknemersverhouding.
Een pastorale opdracht van de bisschop maakt deel uit van de aanstelling, respectievelijk de arbeidsovereenkomst. Deze opdracht wordt onder andere niet verleend aan personen die leven in een situatie die niet overeenkomt met de leer en de voorschriften van de kerk, of kan deze personen in dat geval worden ontnomen. In de aanstelling, respectievelijk de arbeidsovereenkomst is ontneming van de bisschoppelijke zending opgenomen als ontbindende voorwaarde.

2.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de statuten van het pensioenfonds heeft het bestuur van het pensioenfonds een tweetal reglementen vastgesteld ten behoeve van de deelnemers. Reglement I is vastgesteld ten behoeve van de priesters, diakens en pastoraal werkers, reglement II ten behoeve van de overige personen die in het pastoraat werkzaam zijn, zoals huishoudsters. Personeelsleden uit de laatstgenoemde categorie van personen, kunnen op verzoek van een bisdom of een instituut als deelnemer aan het pensioenfonds worden toegelaten. In het verleden hadden deze personeelsleden een eigen pensioenfonds.

2.5 Op grond van artikel 1, onder 2, van reglement II is de geregistreerde partner gelijkgesteld met de echtgeno(o)t(e) van de deelnemer. Reglement I kent een dergelijke bepaling niet.

2.6 Artikel 1 van de statuten bepaalt dat het pensioenfonds een publieke kerkelijke rechtspersoon is in de zin van canon 116 van het Wetboek van Canoniek recht en dat het een zelfstandig onderdeel vormt van het rooms-katholiek kerkgenootschap in Nederland.

2.7 Naar aanleiding van de wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), de wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) als gevolg van de per 1 januari 1998 in werking getreden Wet geregistreerd partnerschap (1), heeft het bestuur van het pensioenfonds een studiecommissie gevraagd om na te gaan of hieruit bepaalde gevolgen voortvloeien voor het pensioenreglement ten behoeve van pastores. Eén van de conclusies van het rapport is dat de AWGB voor het pensioenfonds geen betekenis heeft, omdat het een zelfstandig onderdeel van het rooms-katholiek kerkgenootschap is en omdat het maken van onderscheid naar burgerlijke staat ten aanzien van zijn deelnemers rechtstreeks in verband staat met de belijdenis van de rooms-katholieke kerk.

Verweerder heeft op zijn vergadering van 20 en 21 april 1998 besloten de conclusies van dit rapport over te nemen.

3 STANDPUNTEN VAN VERZOEKER EN GRONDEN VAN HET VERZOEK

3.1 In het burgerlijk recht is een verscheidenheid aan samenwoon- en zorgrelaties geregeld. De kerk biedt echter enkel ruimte aan het (kerkelijk) huwelijk, en dan nog uitsluitend beperkt tot de verbintenis van man en vrouw. Dit beleid staat op gespannen voet met de Nederlandse wetgeving.

3.2 In de katholieke kerk zijn pastores (priesters, diakens en pastoraal werkers) werkzaam, die de zorg en verantwoordelijkheid voor de partner hebben vastgelegd in een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap. Op grond van een aanstelling door de bisschop zijn deze pastoraal werkenden verplicht deelnemer aan het pensioenfonds. Zij kunnen echter geen partnerpensioen of een nabestaandenpensioenvoorziening opbouwen.

Ook enkele priesters hebben de zorg voor een partner neergelegd in een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap. Opmerkelijk is dat de bisschoppen onlangs hebben laten weten geen bezwaar te hebben tegen een geregistreerd partnerschap van priesters, zo lang het maar niet gaat om de bezegeling van een affectieve relatie. In de praktijk worden verschillende samenlevingsvormen, die in strijd zijn met de decreten van de rooms-katholieke kerk, ook getolereerd. De zorgplicht voor een partner kan worden neergelegd in een geregistreerd partnerschap, waarbij de celibaatsverplichting blijft gelden. Het gaat niet aan om in dergelijke gevallen onderscheid te maken bij de opbouw van partner- en nabestaandenpensioenvoorzieningen.

Op grond van de zending van een bisschop zijn er inmiddels ook pastoraal werkers en priesters werkzaam in zorginstellingen, de krijgsmacht en justitiële inrichtingen, die zijn aangesloten bij de pensioenfondsen PGGM en ABP en daar wel de mogelijkheid hebben partner- en nabestaandenpensioen op te bouwen.

3.3 In de pensioenregeling wordt bij de toekenning van het partnerpensioen en de nabestaandenpensioenvoorziening onderscheid gemaakt op grond van burgerlijke staat (artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, AWGB, jo. artikel 1 AWGB). Uit het recht om normen te stellen ten aanzien van de door de rooms-katholieke kerk gewenste samenlevingsvormen, vloeit niet zonder meer voort dat het verweerder vrij staat om verzekerden uit te sluiten van bepaalde pensioenrechten indien zij samenleven op een wijze die indruist tegen de kerkelijke normen. Het recht van godsdienstvrijheid kan niet onbeperkt worden uitgeoefend. Verweerder maakt onbeperkt gebruik van het recht op godsdienstvrijheid, met als gevolg dat deelnemers aan het pensioenfonds geen gebruik kunnen maken van enkele pensioenrechten, zoals die in Nederland gangbaar zijn.

3.4 Het door verweerder gemaakte onderscheid valt niet onder de in artikel 5, tweede lid, aanhef en onderdeel a, AWGB opgenomen beperking van het verbod van onderscheid op grond van, onder meer, burgerlijke staat. Het gemaakte onderscheid ziet namelijk niet op eisen die aan de functievervulling zelf worden gesteld, maar op een onderscheid in de toekenning van pensioenrechten. Bovendien wordt zonder meer onderscheid gemaakt op grond van het enkele verschil in burgerlijke staat, hetgeen eveneens niet door de wet wordt toegestaan.

3.5 Verweerder komt geen beroep toe op de uitzondering op het verbod van onderscheid op grond van burgerlijke staat bij de opbouw van pensioenrechten, zoals vervat in artikel 5, zesde lid, AWGB. Deze uitzondering is opgenomen om pensioenfondsen in de gelegenheid te stellen om tot 1 januari 2000 voorzieningen te treffen voor ongehuwd samenwonenden. Hoewel ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de overgangsperiode al ruimschoots was overschreden, was artikel 5, zesde lid, AWGB op dat moment nog niet aangepast. Indien geen sprake is van een overgangssituatie, kan echter geen beroep worden gedaan op deze uitzondering (CGB 7 oktober 1998, oordeel 1998-110 en 19 oktober 1998, oordeel 1998-115). Aangezien verweerder in het geheel niet van plan is om een beroep te doen op de overgangsvoorziening, kan hij zich niet beroepen op artikel 5, zesde lid, AWGB.

Mocht de Commissie van oordeel zijn dat artikel 5, zesde lid, AWGB in zijn algemeenheid aan toetsing aan de AWGB in de weg staat, dan geldt dit niet voor het onderscheid dat wordt gemaakt tussen gehuwden en geregistreerd partners. Per 1 januari 1998 is in de PSW een gebod tot gelijke behandeling opgenomen. Deze wet is onverkort van toepassing op de onderhavige pensioenregeling. Nu het aldus per 1 januari 1998 niet is toegestaan om onderscheid te maken tussen gehuwde en geregistreerde partners, wordt het gemaakte onderscheid niet gedekt door artikel 5, zesde lid, AWGB, aangezien volgens de wettelijke regeling de aldaar bedoelde overgangssituatie vanaf die datum in ieder geval niet meer geldt voor regelingen waarin een dergelijk onderscheid wordt gemaakt (in gelijke zin: CGB 8 september 1998, oordeel 1998-98, 15 december 1998, oordeel 1998-135 en 22 december 1998, oordeel 1998-149). In casu zal de Commissie daarom in ieder geval moeten beoordelen of het onderscheid tussen gehuwden en geregistreerde partners valt onder één van de in de AWGB genoemde verbodsbepalingen.

3.6 Tenslotte is verzoeker van oordeel dat nimmer een beperking kan worden toegestaan ten aanzien van het in de AWGB neergelegde beginsel indien dit in strijd komt met de Nederlandse wet, zoals in casu de PSW. Ook het kerkelijk recht gaat hiervan uit, nu in Canon 231, par. 2 van het Wetboek van Canoniek recht expliciet is bepaald dat leden in kerkelijke dienst recht hebben op een passende vergoeding, met inachtneming van de voorschriften van het burgerlijk recht.

3.7 Eén en ander betekent niet dat verweerder daarmee gedwongen wordt om levenslopen op te nemen in zijn interne regelingen die hij in strijd acht met zijn godsdienstige overtuiging. Indien en voor zover de aan de kerk verbonden pastores samenleven op een wijze die indruist tegen de leer van de kerk, dan staan daartoe andere rechtspositionele sancties ter beschikking. Op deze wijze kan worden voorkomen dat pensioenclaims op kerkelijke middelen worden gelegd op grond van een levensstaat die de kerk zelf beschouwt als strijdig met haar belijdenis.

4 STANDPUNTEN VAN VERWEERDER EN GRONDEN VAN HET VERWEER

4.1 De rooms-katholieke kerk houdt vast aan het kerkelijk huwelijk als een onontbindbare relatie tussen man en vrouw, waarbij een seksuele samenleving en samenwoning tussen man en vrouw ook alleen in zo een huwelijk mogelijk is. Deze opvatting wijkt af van de wijze waarop in onze samenleving allerlei samenlevingsvormen worden beoordeeld en deels ook in wetgeving hun regeling hebben gekregen. De vrijheid van godsdienst impliceert dat de kerk gerechtigd is terzake afwijkende opvattingen te hebben en zich ernaar te gedragen.

De rechtsnormen voor alle personen in de kerk zijn met name vastgelegd in het Wetboek van Canoniek recht. Binnen de kerkelijke setting wordt ervan uitgegaan dat priesters, diakens en pastoraal werkers leven conform de regels die voor hen zijn vastgesteld (voor priesters en diakens: Boek II, hoofdstuk III, canones 273 tot en met 289 Wetboek van Canoniek recht; voor de pastoraal werkers gelden soortgelijke regels die zijn vastgelegd in rechtspositiereglementen). Verzoeker lijkt hieraan voorbij te gaan.

4.2 Dat in de burgerlijke maatschappij allerlei samenlevingsvormen tot ontwikkeling komen die maatschappelijk door velen worden aanvaard maar in strijd zijn met de leer van de kerk, wordt door de kerkleiding als een feit waargenomen. Of dergelijke samenlevingsvormen ook in de kerk worden aanvaard, is enkel en alleen een beslissing van de kerkelijke overheid. Het grondrecht van vrijheid van godsdienst impliceert nu juist de vrijheid van belijdenis en beleving van gemeenschappelijke waarden, ook al verschillen deze van de in de maatschappij gangbare opvattingen. De leiding van de kerk kan door de staat niet worden gedwongen levensvormen in haar interne regelingen op te nemen, die zij in strijd acht met haar godsdienstige overtuiging. De kerk wordt in de praktijk geconfronteerd met afwijking van de norm, maar dat betekent niet dat zij deze norm niet zou mogen handhaven.

De discussies binnen de katholieke theologie en het kerkelijk recht over huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwoning zijn voor de onderhavige kwestie niet van belang, zolang deze niet hebben geresulteerd in nieuwe leeruitspraken door de kerkelijke overheid.

4.3 Het is niet juist dat de bisschoppen geen bezwaar zouden hebben tegen een geregistreerd partnerschap van priesters, zoals verzoekers stellen. De bisschoppen achten het geregistreerd partnerschap van priesters net zo onverenigbaar met hun celibaatgelofte als het burgerlijk huwelijk. Zij beschouwen het geregistreerd partnerschap als een onjuist middel voor een priester om aan zijn verantwoordelijkheid op materieel gebied voor een eventuele huishoudster of huisgenoot vorm te geven. Alle diocesane bisschoppen hebben op 1 mei 2001 een gelijkluidend Algemeen Decreet uitgevaardigd, waarin het geregistreerd partnerschap voor priesters en ongehuwde diakens wordt verboden. Dit Decreet heeft kracht van wet vanaf 1 juni 2001. In het begeleidend schrijven van Kardinaal Simonis van 26 april 2001 is de reden hiervan duidelijk beargumenteerd.

De kerk vordert van pastoraal werkers dat zij hun persoonlijk leven inrichten volgens de leer van de kerk en dus ook geen andere vorm van samenleving aangaan dan die van een kerkelijk huwelijk. Die regel wordt in de praktijk ook gehandhaafd. Ongehuwd samenwonen is voor de bisschoppen in alle gevallen aanleiding om een gevraagde kerkelijke zending niet te verlenen. Indien in een later stadium zou worden geconstateerd dat niettemin ongehuwd wordt samengewoond, dan wordt de betrokkene daarop gewezen en verzocht zich ter zake te conformeren aan de kerkelijke leer. Indien dat niet gebeurt wordt de kerkelijke zending ingetrokken. Zo is ten aanzien van geestelijke verzorgers bij de krijgsmacht bepaald dat een schriftelijke intrekking door de zendende instantie van de goedkeuring door de bisschop van de Nederlandse strijdkrachten gelijk staat aan het verlies van een vereiste voor benoembaarheid (artikel I, onderdeel D 7 van het Koninklijk Besluit van 17 januari 1967, nr. 124 (Stb. 1967, 91) jo. artikel 4, vierde lid van het Besluit van 3 maart 1984 inzake regeling aanstelling van geestelijke verzorgers bij de krijgsmacht (Stb. 1984, 99)).

In de door de bisschoppen vastgestelde beleidsnota “Meewerken in het pastoraat” wordt expliciet gesteld dat de kerk van pastoraal werkers verlangt dat “hun persoonlijke levenswandel in overeenstemming is met hun functie van pastoraal werker”. Datzelfde is ook neergelegd in het rechtspositiereglement voor pastoraal werkers. Het betreft hier beleid dat vanuit Rome wordt verordonneerd.

De kerk houdt niet vast aan het burgerlijk huwelijk, zoals verzoeker heeft gesteld, maar aan het kerkelijk huwelijk. In de praktijk vallen beide echter samen. Een pastoraal werker die conform de leer van de kerk kerkelijk is gehuwd, is per definitie ook burgerlijk gehuwd (zie artikel 1:68 van het Burgerlijk Wetboek (BW), welke bepaling wordt gesanctioneerd door artikel 449 van het Wetboek van Strafrecht), terwijl iemand die een geregistreerd partner heeft zeker niet kerkelijk is gehuwd. Indien wordt afgezien van het in de praktijk zich nimmer voordoende geval van een pastoraal werker die burgerlijk is gehuwd, doch weigert kerkelijk te huwen, volgt uit het vorenstaande dat het voormelde onderscheid burgerlijk gehuwd of geregistreerd partnerschap in feite samenvalt met het verschil van al of niet kerkelijk gehuwd zijn. Indien derhalve een pastoraal werker een geregistreerd partner zou hebben, dan komt dat erop neer dat hij bewust een permanente regeling heeft willen treffen met een andere persoon, doch weigert dat te doen in de vorm van een (kerkelijk) huwelijk. Zo een levenswandel is willens en wetens voortdurend in strijd met de leer van de kerk. Hij wordt als pastoraal werker dan ook zeker niet aangenomen en indien mocht blijken dat hij een geregistreerd partner heeft of samenwoont zonder gehuwd te zijn, dan wordt hij daarop gewezen en verzocht zich te conformeren aan de kerkelijke leer. Gebeurt dat niet, dan wordt de zending ingetrokken en wordt hij als pastoraal werker ontslagen.

Het zou de leer van de kerk schaden indien zij zou toestaan dat voorgangers als pastoraal werkers in hun privé-leven anders zouden mogen handelen dan zij namens diezelfde kerk terzake aan gelovigen dienen voor te houden. De kerk is gerechtigd dit beleid door te trekken naar de toekenning van pensioenrechten, waarmee de kerk uitwerking geeft aan de zorgplicht voor haar medewerkers. De kerk wenst geen financiële middelen te verstrekken aan het onderhoud van personen die in de visie van de kerk in zonde leven. De kerk treft in dergelijke situaties geen sancties via de pensioenvoorziening.

4.4 De AWGB is op grond van artikel 3, aanhef en onderdeel a, AWGB niet van toepassing op rechtsverhoudingen binnen het kerkgenootschap. Het afdwingen van rechtsgevolgen bij samenwoonconstructies van priesters, diakens en pastoraal werkers die in strijd zijn met de leer en de voorschriften van de kerk, zou de vrijheid van godsdienst in haar kern treffen.

4.5 Deze vrijstellingsbepaling is ook van toepassing op regelingen betreffende pensioen- en spaarvoorzieningen. Het hier aan de orde zijnde punt heeft te maken met de verhouding tussen de AWGB en de PSW. In de AWGB is opgenomen dat het verbod op het maken van onderscheid niet geldt voor zover het betrekking heeft op rechtsverhoudingen binnen een kerkgenootschap. Het gevolg van de wetsystematiek is dat het beginsel van gelijke behandeling in andere wetten dient te worden doorgevoerd met inachtneming van de AWGB.

In artikel 5, zesde lid, AWGB was voorzien dat onderscheid mocht worden gemaakt op grond van burgerlijke staat bij pensioenvoorzieningen. Bij latere wijziging van de PSW is dat artikel geschrapt. Op geen enkele wijze kan uit de parlementaire geschiedenis van de wijziging van de PSW worden afgeleid dat laatstgenoemde wet zou dienen te worden beschouwd als een lex specialis ten opzichte van de AWGB, waardoor de vrijstellingsbepaling van artikel 3 AWGB niet langer het hier aan de orde zijnde terrein van pensioen- en spaarvoorzieningen zou raken.

5 BEOORDELING VAN HET VERZOEK

5.1 In geding is de vraag of verweerder in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling door aan pastores (priesters, diakens en pastoraal werkers), die deelnemen aan het pensioenfonds dat door verweerder is opgericht, alleen een partnerpensioen en een nabestaandenpensioenvoorziening toe te kennen indien zij gehuwd zijn.

5.2 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van verzoeker gelden de volgende overwegingen.

Verzoeker is als onderdeel van de ABVAKABO FNV (hierna: de vakbond) geen zelfstandige rechtspersoon. De vakbond is een vereniging die zich blijkens artikel 2, achtste lid, van haar statuten onder meer ten doel stelt belangen te behartigen van individuele en collectieve personen die, aangewezen door het bondsbestuur, op enigerlei wijze werkzaamheden uitoefenen binnen de gebieden, waarin de vakbond haar activiteiten uitoefent. Uit een brief van de secretaris van de vakbond blijkt dat de vakbond, zowel individueel als collectief, de belangen behartigt van de rooms-katholieke pastores. Hiertoe heeft het bondsbestuur, op grond van artikel 2, achtste lid, van haar statuten, de groep Werkers bij de Kerkelijke Overheid ingesteld. Het indienen van een verzoekschrift dat ziet op een door verzoeker gesteld onderscheid op grond van burgerlijke staat bij de pensioenvoorziening van pastores, kan worden gezien als een activiteit die valt binnen de doelstelling van de vakbond waarvan verzoeker onderdeel uitmaakt. Verzoeker kan derhalve worden aangemerkt als (onderdeel van) een vereniging in de zin van artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel e, AWGB. Verzoeker is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

5.3 Ter beantwoording van de onder 5.1 geformuleerde rechtsvraag is van belang artikel 1 AWGB, waarin bepaald is dat de wet onder meer ziet op onderscheid tussen personen op grond van burgerlijke staat. In artikel 3, aanhef en onderdeel a, AWGB is bepaald dat de AWGB niet van toepassing is op rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, alsook binnen andere genootschappen op geestelijke grondslag. Allereerst dient derhalve te worden vastgesteld of de rechtsverhouding tussen verweerder en pastores een rechtsverhouding is binnen een (zelfstandig onderdeel van een) kerkgenootschap als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel a, AWGB.

In de memorie van antwoord (MvA) is het begrip kerkgenootschap omschreven als “een organisatie van aangeslotenen welke zich de gemeenschappelijke godsverering van de aangeslotenen op de grondslag van de gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen ten doel stelt en welke als kerkgenootschap wil gelden. In Nederland zijn dit bijvoorbeeld de Rooms-Katholieke Kerkprovincie, (…)” (Kamerstukken II, 1990/91, 22 014, nr. 5. p. 76).

Verweerder is onderdeel van de rooms-katholieke kerkprovincie in Nederland. Dit kerkgenootschap is in de MvA, zoals hiervoor vermeld, expliciet genoemd als een kerkgenootschap in de zin van artikel 3 AWGB. Regelingen betreffende de arbeidsvoorwaarden, waaronder die betreffende de pensioenvoorziening van de priesters, diakens en pastoraal werkers, zijn dan ook te beschouwen als rechtsverhoudingen binnen een kerkgenootschap, waarop de AWGB niet van toepassing is ingevolge artikel 3, aanhef en onderdeel a, AWGB. De AWGB is derhalve niet van toepassing op het bestreden handelen van verweerder.

6 OORDEEL

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat ingevolge artikel 3 van de Algemene wet gelijke behandeling deze wet niet van toepassing is op het bestreden handelen van de Rooms-Katholieke Bisschoppenconferentie.

(1) Wet van 5 juli 1997 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met opneming daarin van bepalingen voor het geregistreerd partnerschap, Stb. 324.

Rechters

Mrs. Brons, Van der Burg, Heringa en De Groot

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 9 augustus 2002

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verweerster stelt dat de dagen van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof die in de schoolvakantie vielen niet als genoten vakantieverlof mogen worden aangemerkt, zodat zij recht heeft om deze dagen alsnog buiten de schoolvakanties op te nemen. Zij meent dat de dagen waarop zij zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten niet zonder haar instemming door de school als vakantie mogen worden aangemerkt. Tevens voert zij aan dat, door het ontbreken van compensatie, de school in haar arbeidsvoorwaarden een verboden onderscheid maakt op grond van geslacht.
De Hoge Raad stelt haar in het ongelijk en oordeelt dat het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RpbO) niet voorziet in de toekenning van een aantal vakantiedagen maar slechts in een regeling dat in bepaalde periodes waarin geen onderwijs wordt gegeven (de schoolvakanties) vakantieverlof wordt genoten. Dit betekent dat een werknemer recht heeft op een minimum vakantieaanspraak krachtens art. 7:634 BW. Ingevolge art. 7:634 BW bedraagt dat minimum bij een voltijdsbetrekking twintig werkdagen per jaar. Gelet op de spreiding en duur van schoolvakanties zal verweerster deze dagen kunnen opnemen gedurende de andere schoolvakanties. Verder stelt de Hoge Raad dat art. I-C2 lid 1 Rpbo in beginsel sekseneutraal is: mannelijke en vrouwelijke leerkrachten hebben gelijkelijk recht op vakantieverlof gedurende de schoolvakanties. Verweerster kan haar vakantiedagen opnemen tijdens andere schoolvakanties gedurende het jaar. Er is dan ook geen sprake van een direct onderscheid als bedoeld in art. 7:646 lid 5, eerste volzin BW. Echter, voor zover een lerares door samenloop van zwangerschapsverlof met schoolvakantie toch nadeel ondervindt doordat zij minder tijd heeft voor haar niet lesgebonden werkzaamheden, met name in het kader van deskundigheidsbevordering, dan kan er toch sprake is van een door art. 7:646 lid 1 jo. lid 5 BW verboden onderscheid.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Verweerster in cassatie – verder te noemen: de lerares – heeft bij exploit van 26 mei 1999 eiseres tot cassatie – verder te noemen: de Stichting – gedagvaard voor de Kantonrechter te Utrecht en gevorderd:
i. te verklaren voor recht dat de vastgestelde vakantiedagen die samenvallen met het zwangerschaps- en bevallingsverlof van de lerares (in totaal 6 weken) niet worden aangemerkt als vakantiedagen;
ii. te verklaren voor recht dat de lerares het recht heeft de onder sub I bedoelde vakantiedagen buiten de periode van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof en buiten de vastgestelde schoolvakanties op te nemen;
iii. de Stichting te veroordelen er aan mee te werken dat de lerares de wegens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof niet genoten vakantiedagen, met behoud van salaris, aansluitend aan haar bevallingsverlof, althans op een ander in overleg te bepalen tijdstip gelegen buiten de vastgestelde schoolvakanties, op kan nemen en de lerares zulks binnen 14 dagen na het te dezen te wijzen vonnis schriftelijk te bevestigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

De Stichting heeft de vorderingen bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 31 mei 2000 de vordering afgewezen.
Tegen het vonnis van de Kantonrechter heeft de lerares hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Utrecht.
Bij vonnis van 2 mei 2001 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de lerares alsnog toegewezen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft de Stichting beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De lerares heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Hof van het ressort.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De lerares is op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst van de Stichting. Op deze arbeidsovereenkomst zijn, naast de bepalingen van titel 10 van boek 7 BW, de overige voorwaarden bij de akte van benoeming, de titels I, III en IV van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO) en de Raamovereenkomst primair onderwijs 1998-2000 van toepassing.
(ii) De lerares is benoemd als groepsleerkracht aan een basisschool te Woerden die onder het bevoegd gezag van de Stichting valt.
(iii) Gedurende het tijdvak van 17 mei 1999 tot 6 september 1999 heeft de lerares zwangerschaps- en bevallingsverlof genoten. In dit tijdvak vielen zes weken schoolvakantie.
(iv) Het RpbO kent geen regeling voor compensatie bij het samenvallen van zwangerschaps- en bevallingsverlof met de schoolvakanties. De lerares heeft niet ermee ingestemd dat de Stichting de periode van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof die met de schoolvakanties samenvalt aanmerkt als vakantieverlof.

3.2 De lerares heeft een verklaring voor recht gevorderd, zakelijk inhoudend dat de dagen van de schoolvakantie die met haar zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvallen niet als genoten vakantieverlof behoren te worden aangemerkt en dat zij het recht heeft die dagen alsnog op te nemen buiten de schoolvakanties. Daarnaast vorderde de lerares dat aan de Stichting wordt gelast om aan dit laatste medewerking te verlenen op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.3 Aan haar vorderingen heeft de lerares primair ten grondslag gelegd dat ingevolge art. 7:636 (oud) in verbinding met 7:645 (oud) BW de dagen waarop zij zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten niet zonder haar instemming door de Stichting mogen worden aangemerkt als vakantieverlof. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat, door het ontbreken van compensatie, de Stichting in haar arbeidsvoorwaarden een door art. 7:646 (oud) BW verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt. Het ontbreken van compensatie raakt alleen vrouwelijke, geen mannelijke leerkrachten. Wanneer een zwangerschaps- en bevallingsverlof dat gedeeltelijk samenvalt met de schoolvakanties niet wordt gecompenseerd buiten de schoolvakanties, hebben vrouwelijke werknemers in verband met hun zwangerschap en bevalling per saldo minder vakantieverlof dan hun mannelijke collega’s.

3.4 De Stichting heeft met betrekking tot de primaire grondslag van de vordering als verweer aangevoerd, kort samengevat, dat art. I-C2 RpbO niet inhoudt dat aan de lerares een bepaald aantal vakantieverlofdagen per jaar toekomt. Nu over vakantieverlofdagen tussen partijen niets is overeengekomen, wordt het aantal vakantieverlofdagen waarop de lerares aanspraak heeft bepaald door het wettelijk minimum van art. 7:634 BW. De twaalf weken schoolvakantie bieden, ook na aftrek van de zes weken waarin het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenviel met een schoolvakantie, voldoende ruimte voor de lerares om de vier weken vakantieverlof op te nemen waarop art. 7:634 BW haar recht geeft. Met betrekking tot de subsidiaire grondslag van de vordering heeft de Stichting betwist dat er sprake is van een verboden onderscheid.

3.5 De Kantonrechter heeft de vordering afgewezen. De Rechtbank heeft de vorderingen toewijsbaar geoordeeld op de primaire grondslag, ten overvloede geoordeeld dat de vorderingen ook op de subsidiaire grondslag toewijsbaar zijn, en met vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter de vorderingen toegewezen. Hiertegen keert zich het middel.

3.6.1 Onderdeel 1 klaagt dat de Rechtbank door in rov. 4.8 te oordelen – zakelijk weergegeven – dat het RpbO een regeling van lagere orde is dan het BW, heeft miskend dat de vakantieaanspraak van leraren in het primair onderwijs niet door het BW, maar op grond van de Wet van 2 april 1998, Stb. 1998, 228, houdende de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), door het RpbO wordt geregeld, althans dat de vakantieregeling in het BW moet worden gehanteerd in overeenstemming met de regeling in het RpbO.

3.6.2 Bij de beoordeling van het onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Titel II, afdeling 1, WPO stelt regels voor het openbaar basisonderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder basisonderwijs. Art. 33 lid 2 WPO bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor leraren in het basisonderwijs bij of krachtens amvb voorschriften worden vastgesteld omtrent onder meer vakantie, aanspraken op salaris in geval van ziekte of ongeval, ontslaguitkeringen, alsmede omtrent andere rechten en verplichtingen. De desbetreffende amvb is het RpbO (KB van 28 februari 1985, Stb. 110, nadien herhaaldelijk gewijzigd). Met betrekking tot vakantieverlof voor onderwijzend personeel bepaalt art. I-C2 lid 1 RpbO: “Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, geniet de betrokkene gedurende de schoolvakanties dan wel de periode waarin de instelling geen onderwijs verzorgt of examens afneemt, vakantieverlof met behoud van bezoldiging.” Leraren in het basisonderwijs worden aangesteld door het bevoegd gezag. Voor het openbaar basisonderwijs geldt in beginsel het college van b en w als bevoegd gezag (art. 1 onder d WPO). Hier is sprake van een eenzijdige aanstelling. De rechtspositie van leraren in het openbaar basisonderwijs wordt rechtstreeks beheerst door het RpbO. Voor het bijzonder basisonderwijs is het bevoegd gezag een rechtspersoon als bedoeld in art. 55 WPO. In dit geval is dat de Stichting. De rechtspositie van leraren in het bijzonder basisonderwijs wordt niet rechtstreeks, maar indirect beheerst door het RpbO. Ingevolge art. 59 WPO moet de akte van benoeming van een leraar in het bijzonder basisonderwijs tenminste bepalingen bevatten van gelijke inhoud als vastgesteld in het RpbO. Aldus wordt gewaarborgd dat de rechtspositie van leraren in het bijzonder basisonderwijs niet minder is dan die van leraren in het openbaar basisonderwijs.

3.6.3 Nu een leraar in het bijzonder basisonderwijs werkzaam is op grond van een gewone arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en nu noch art. 7:615 BW noch enige andere wettelijk bepaling zodanige leerkrachten uitzondert van de toepasselijkheid van titel 10 van Boek 7 BW, brengt dit mee dat voor deze leraren de dwingendrechtelijke bepalingen van titel 7.10 niet opzijgezet kunnen worden door bepalingen van het RpbO. Dat geldt dus ook voor de dwingendrechtelijke bepalingen van de art. 7:634 – 644 BW inzake vakantie en verlof. In zoverre faalt onderdeel 1.
Ook voor een lerares in het bijzonder basisonderwijs geldt derhalve dat de dwingendrechtelijke bepaling van art. 7:636 (oud) BW eraan in de weg staat dat de dagen waarop zij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht wegens zwangerschaps- of bevallingsverlof, zonder haar instemming kunnen worden aangemerkt als genoten vakantie(verlof). Voor zover onderdeel 1 uitgaat van een andere opvatting, faalt het derhalve evenzeer.
Opmerking verdient nog dat het ingevolge het bij de wetten van 30 november 2000, Stb. 545 en 546, gewijzigde en op 1 februari 2001 in werking getreden art. 7:636 (nieuw) zonder meer niet is toegestaan zulke dagen aan te merken als genoten vakantie(verlof).

3.7 Onderdeel 2 betoogt dat de Rechtbank heeft miskend dat het RpbO niet de omvang van de vakantieaanspraak bepaalt en/of dat het RpbO niet het aantal vakantiedagen garandeert. Het RpbO regelt niet meer, aldus het onderdeel, dan dat het verlof moet worden genoten gedurende de schoolvakanties.
Het onderdeel is gegrond. Aangenomen moet worden dat, zoals ook de Centrale Raad van Beroep als hoogste bestuursrechter in een door een lerares, werkzaam in het openbaar onderwijs, aangespannen zaak heeft geoordeeld (CRvB 17 mei 2001, JB 2001, 217), art. I-C2 lid 1 RpbO niet voorziet in de toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen. Deze bepaling voorziet slechts in een specifieke, los van de duur van de betrekking staande, regeling dat in bepaalde, nader omschreven, periodes waarin geen onderwijs wordt gegeven – te weten: gedurende de schoolvakanties – vakantieverlof wordt genoten.
Opmerking verdient nog dat, hoewel art. I-C2 RpbO niet de omvang van de vakantieaanspraak bepaalt, dit niet tot gevolg heeft dat de lerares geen recht heeft op een bepaald aantal vakantiedagen per jaar. Art. 7:634 BW houdt immers in dat de werknemer recht heeft op een minimumvakantieaanspraak. Van dat recht kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken. Ingevolge art. 7:634 bedraagt dat minimum bij een voltijdsbetrekking twintig werkdagen per jaar. In het onderhavige geval is niet gesteld dat een groter aantal vakantiedagen per jaar is overeengekomen dan het wettelijk minimum. Gelet op de spreiding en duur van de schoolvakanties is aannemelijk dat de lerares, ook indien zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, deze twintig dagen vakantie zal kunnen opnemen gedurende de (resterende) schoolvakanties. In de onderhavige zaak moet in cassatie trouwens als in hoger beroep niet bestreden ervan uitgegaan worden dat de lerares in 1999 gedurende zes weken vakantieverlof heeft genoten.

3.8 De gegrondbevinding van onderdeel 2 brengt mee dat de onderdelen 3 en 4 geen behandeling behoeven en dat thans aan de orde komen de onderdelen 5 en 6 die betrekking hebben op de subsidiaire grondslag. Te dien aanzien heeft de Rechtbank geoordeeld dat het RpbO, bij gebreke van een compensatieregeling, direct onderscheid maakt tussen vrouwen en mannen en dat het RpbO op deze grond in strijd is met art. 7:646 BW en op dit punt buiten toepassing dient te blijven (rov. 4.13).

3.9 Art. I-C2 lid 1 RpbO is sekseneutraal: mannelijke en vrouwelijke leerkrachten hebben gelijkelijk recht op vakantieverlof gedurende de schoolvakanties. Zoals reeds in 3.7 is overwogen is aannemelijk dat de lerares, ook indien zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, de haar toekomende vakantie kan opnemen gedurende de (resterende) schoolvakanties. In zoverre is geen sprake van een verboden onderscheid als in art. 7:646 bedoeld.
Gelet op de uiteenzetting in de conclusie van de Advocaat-Generaal in de zaak C01/193 onder 3.9 en 3.10, in welke zaak eveneens heden uitspraak is gedaan, moet worden aangenomen dat leerkrachten in het basisonderwijs, bij een fulltimewerkweek (ook) tijdens de schoolvakanties (geacht worden te) werken aan niet lesgebonden taken, met name deskundigheidsbevordering. Denkbaar is dat een lerares van wie het zwangerschaps- en bevallingsverlof (gedeeltelijk) samenvalt met (een) schoolvakantie(s), toch een zodanig nadeel ondervindt dat geoordeeld moet worden dat sprake is van een door art. 7:646 lid 1 in verbinding met lid 5 BW verboden onderscheid in arbeidsvoorwaarden. Dit kan zich voordoen wanneer zij, in verband met de door haar (gedeeltelijk) gedurende school-vakanties genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof gedurende de (resterende) schoolvakanties minder tijd heeft voor haar niet lesgebonden werkzaamheden, met name in het kader van deskundigheidsbevordering, dan haar mannelijke collega’s.

3.10 Het in 3.9 overwogene leidt tot de slotsom dat van een direct onderscheid als bedoeld in art. 7:646 lid 5, eerste volzin, geen sprake is. Voor zover de Rechtbank evenwel heeft geoordeeld dat sprake is van indirect onderscheid dat door wetsduiding, namelijk art. 7:646 lid 5, tweede volzin, als direct onderscheid moet worden gekwalificeerd, heeft de Rechtbank haar oordeel niet toereikend gemotiveerd. Immers, de Rechtbank heeft niet aangegeven in welk opzicht sprake is van een zodanige discriminatie en heeft voorts de in onderdeel 5b bedoelde stellingen zonder toereikende redengeving gepasseerd.

3.11 De op het in 3.10 overwogene gerichte klachten van de onderdelen 5 en 6 zijn derhalve gegrond. Voor het overige behoeven deze onderdelen geen behandeling meer. Na verwijzing zal moeten worden onderzocht of sprake is van een verboden onderscheid in de arbeidsvoorwaarden als bedoeld in 3.10, tweede volzin. Aantekening verdient nog hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.21 is opgemerkt.

4. BESLISSING

De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 2 mei 2001;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de lerares in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 372,61 aan verschotten en € 1.590,– voor salaris.

CONCLUSIE A-G Mr. F.F. LANGEMEIJER

1. DE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP

1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

1.1.1. Verweerster in cassatie (hierna: de lerares) is op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst van destijds de Stichting Katholiek Basisonderwijs Woerden, thans de Stichting Katholieke Scholen Westelijk Weidegebied. In deze conclusie wordt gesproken van: de Stichting. Op deze arbeidsovereenkomst zijn, naast de bepalingen van titel 10 van boek 7 BW, de overige voorwaarden bij de akte van benoeming, de titels I, III en IV van het Rechtpositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO) en de Raamovereenkomst primair onderwijs 1998-2000 van toepassing.

1.1.2. De lerares is benoemd als groepsleerkracht aan een basisschool te Woerden die onder het bevoegd gezag van de Stichting valt.

1.1.3. Gedurende het tijdvak van 17 mei 1999 tot 6 september 1999 heeft de lerares zwangerschaps- en bevallingsverlof genoten. In dit tijdvak vielen zes weken schoolvakantie.

1.1.4. Het RpbO kent geen regeling voor compensatie bij het samenvallen van zwangerschaps- en bevallingsverlof met de schoolvakanties. De lerares heeft niet ermee ingestemd dat de Stichting de periode van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof die met de schoolvakanties samenvalt aanmerkt als vakantieverlof.

1.2. De lerares heeft op 26 mei 1999 de Stichting gedagvaard voor de kantonrechter te Utrecht en een verklaring voor recht gevorderd, zakelijk inhoudend dat de dagen van de schoolvakantie die met haar zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvallen niet als genoten vakantieverlof behoren te worden aangemerkt en dat zij het recht heeft die dagen alsnog op te nemen buiten de schoolvakanties. Daarnaast vorderde de lerares dat aan de Stichting wordt gelast om aan dit laatste medewerking te verlenen op straffe van verbeurte van een dwangsom.

1.3. Aan haar vorderingen heeft de lerares primair ten grondslag gelegd dat ingevolge art. 7:636 (oud) j?. 7:645 BW de dagen waarop zij zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten niet zonder haar instemming door de Stichting mogen worden aangemerkt als vakantieverlof. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat, door het ontbreken van compensatie, de Stichting in haar arbeidsvoorwaarden een door art. 7:646 BW verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt. Het ontbreken van compensatie raakt alleen vrouwelijke, geen mannelijke leerkrachten. Wanneer een zwangerschaps- en bevallingsverlof dat gedeeltelijk samenvalt met de schoolvakanties niet wordt gecompenseerd buiten de schoolvakanties, hebben vrouwelijke werknemers in verband met hun zwangerschap en bevalling per saldo minder vakantieverlof dan hun mannelijke collega’s.

1.4. De Stichting heeft m.b.t. de primaire grondslag van de vordering als verweer aangevoerd, kort samengevat, dat art. I-C2 RpbO niet inhoudt dat aan de lerares een bepaald aantal (circa 60) vakantieverlofdagen per jaar toekomt. Nu over vakantieverlofdagen tussen partijen niets is overeengekomen, wordt het aantal vakantieverlofdagen waarop de lerares aanspraak heeft bepaald door het wettelijk minimum van art. 7:634 BW. De 12 weken schoolvakantie bieden, ook na aftrek van de 6 weken waarin het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenviel met een schoolvakantie, voldoende ruimte voor de lerares om de vier weken vakantieverlof op te nemen waarop art. 7:634 BW haar recht geeft. M.b.t. de subsidiaire grondslag van de vordering heeft de Stichting betwist dat er sprake is van een verboden onderscheid. De Stichting verwees naar de adviezen die de landsadvocaat hieromtrent heeft uitgebracht(1).

1.5. Bij vonnis van 31 mei 2000 heeft de kantonrechter de vordering van de lerares afgewezen. Met betrekking tot de primaire grondslag overwoog de kantonrechter dat de lerares aan art. I-C2 RpbO niet een recht ontleent op een aantal vakantieverlofdagen dat overeenkomt met het aantal dagen dat de schoolvakanties duren (rov. 5). Verder heeft de kantonrechter het verweer van de Stichting gevolgd: de resterende weken van de schoolvakanties waren voldoende om het wettelijk minimum aan vakantieverlof op te nemen. Met betrekking tot de subsidaire grondslag van de vordering heeft de kantonrechter overwogen dat het ontbreken van compensatie voor de dagen waarop het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvalt met een schoolvakantie niet leidt tot een direct onderscheid naar geslacht: art. I-C2 RpbO geldt gelijkelijk voor mannen en vrouwen. Het toestaan van de gevorderde compensatie zou niet leiden tot het voorkomen of opheffen van benadeling van vrouwen, maar zou leiden tot een bevoordeling van vrouwen; aldus de kantonrechter.

1.6. De lerares heeft hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Utrecht. Grief I stelde de primaire grondslag van de vordering aan de orde. Bij vonnis van 2 mei 2001 heeft de rechtbank deze grief gegrond bevonden, het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van de lerares alsnog toegewezen. De rechtbank was van oordeel dat uit art. I-C2 RpbO niet alleen kan worden afgeleid dáát vakantie wordt genoten gedurende de schoolvakanties, maar ook hoeveel vakantieverlofdagen overeengekomen zijn (rov. 4.7). Uitgaande van de dwingend-rechtelijke bepaling van art. 7:636 BW, heeft de lerares haar aanspraak op vakantieverlof over de dagen waarin het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenviel met de schoolvakantie behouden. Derhalve moeten deze dagen buiten de schoolvakanties worden gecompenseerd (rov. 4.8).

1.7. Ten overvloede heeft de rechtbank tevens de subsidiaire grondslag van de vordering besproken, welke in grief II aan de orde was gesteld. De rechtbank was van oordeel dat het RpbO door het ontbreken van compensatie direct onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen. Dat is een door art. 7:646 BW verboden onderscheid. De rechtbank voegde hieraan toe dat gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof het genot van vakantie de facto onmogelijk is en dat vrouwen zich daardoor in een ongunstiger arbeidsvoorwaardenpositie bevinden dan hun mannelijke collega’s (rov. 4.11 – 4.13).

1.8. De Stichting heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De lerares heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, met re- en dupliek.

2. BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL

2.1. De verhouding tussen het BW en het RpbO, de wettelijke regelingen omtrent zwangerschaps- en bevallingsverlof en de bepalingen in het BW en het RpbO m.b.t. vakantieverlof worden beschreven in de inleidende beschouwingen van mijn gelijktijdig genomen conclusie in de zaak C 01/193 HR.

2.2. Onderdeel 1 van het cassatiemiddel is gelijkluidend aan onderdeel 1 van het middel in de zaak C 01/193 HR en wordt toegelicht met dezelfde argumenten. Het betoogt dat de dwingendrechtelijke bepalingen in titel 10 van boek 7 BW behoren te wijken voor de vakantiebepalingen in het RpbO. De klacht dient n.m.m. te worden verworpen op de gronden die in de conclusie in de zaak C 01/193 HR zijn uiteen gezet.

2.3. De onderdelen 2 en 3 hebben betrekking op dezelfde problematiek die aan de orde was in de onderdelen 2 en 3 van het cassatiemiddel in de zaak C 01/193 HR. De Stichting is van mening dat tussen partijen niet een vast aantal vakantieverlofdagen per jaar is overeengekomen, ook niet door middel van het toepasselijk verklaren van titel I RpbO op de arbeidsovereenkomst. In onderdeel 2 doet de Stichting in dit verband een beroep op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 17 mei 2001, JB 2001, 217 m.nt. AWH. De CRvB heeft overwogen dat art. I-C2 lid 1 RpbO niet voorziet in de toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen van leerkrachten. In het belang van het onderwijs is voorzien in een specifieke, los van de omvang en van de duur van de betrekking staande, regeling dat in bepaalde, nader omschreven periodes waarin geen onderwijs wordt gegeven vakantieverlof wordt genoten.

2.4. De lerares bestrijdt deze klachten met de stelling dat de uitspraak van de CRvB het openbaar onderwijs betrof; op leerkrachten in het openbaar onderwijs is titel 10 van boek 7 BW niet toepasselijk. Het overnemen van de redenering van de CRvB door de burgerlijke rechter zou tot het resultaat leiden dat een leerkracht in het bijzonder onderwijs geen enkel recht op vakantieverlofdagen zou hebben. Dat resultaat is in strijd met art. 7:634 BW, aldus de lerares(2).
2.5. De uitspraak van de CRvB had inderdaad betrekking op een leerkracht in het openbaar onderwijs. De stelling dat de redenering van de CRvB niet gevolgd kan worden voor het bijzonder onderwijs lijkt mij echter onjuist. Indien art. I-C2 RpbO niet het overeengekomen aantal dagen vakantieverlof bepaalt, heeft zulks niet tot gevolg dat de lerares helemaal geen recht op vakantieverlof zou hebben. Voor dat geval bepaalt art. 7:634 BW immers dat een werknemer – dus ook een leerkracht in het bijzonder basisonderwijs – recht heeft op een minimum aan vakantieverlof: bij een full-time betrekking kort gezegd vier weken per jaar.

2.6. In de conclusie in de parallelzaak C 01/193 HR heb ik diverse argumenten vóóóór en tegen het volgen van de uitleg van de CRvB behandeld. Zoals in die conclusie is uiteen gezet, weegt voor mij het zwaarst het onderscheid dat het RpbO zelf maakt tussen de vakanties van het onderwijzend en die van het niet-onderwijzend personeel: dat duidt erop dat voor onderwijzend personeel geen vakantiedagen worden opgebouwd. Daarnaast heb ik in die conclusie betoogd dat rechtsonzekerheid te duchten is indien de hoogste bestuursrechter (voor het openbaar onderwijs) en de hoogste burgerlijke rechter (voor het bijzonder onderwijs) een tegenovergestelde uitleg zouden geven aan art. I-C2 lid 1 RpbO. Om deze redenen ware de uitleg welke de CRvB aan art. I-C2 lid 1 RpbO heeft gegeven ook in deze zaak te volgen. Dit voert tot de gevolgtrekking dat onderdeel 2 terecht is voorgesteld. Onderdeel 3 behoeft in dat geval geen nadere bespreking. Ook in dit geding is geen beroep gedaan op individuele, van het RpbO afwijkende afspraken tussen de lerares en de Stichting met betrekking tot het aantal vakantieverlofdagen.

2.7. Onderdeel 4 ziet op de vraag of de Vereniging de instemming van de lerares nodig had voor het aanmerken van de dagen als vakantieverlof. Dit onderdeel kan onbesproken blijven wanneer onderdeel 2 slaagt.

2.8. De onderdelen 5 en 6 keren zich tegen de overwegingen ten overvloede (rov. 4.9 – 4.13), welke betrekking hebben op de subsidiaire grondslag van de vordering. Ik schets in het kort de relevante communautaire en nationale voorschriften. Van belang is allereerst Richtlijn 76/207/EEG van de Raad d.d. 9 februari 1976, betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (hierna: de Richtlijn gelijke behandeling m/v)(3). Het beginsel van gelijke behandeling in deze richtlijn houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht is uitgesloten, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie (art. 2). De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden zonder discriminatie op grond van geslacht. De lid-staten nemen daartoe de nodige maatregelen (art. 5).

2.9. In Nederland is aan deze richtlijn uitvoering gegeven door de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1980, 86, hierna: Wet gelijke behandeling m/v). Bij die gelegenheid is tevens een discriminatieverbod in het arbeidsrecht (art. 1637ij BW) opgenomen. Bij wet van 27 april 1989, Stb. 168, is de Wet gelijke behandeling m/v herzien. In éééén opzicht ging de herziene wet verder dan de Richtlijn. Door een amendement-Groenman werd aan de omschrijving in art. 1 toegevoegd: “Onder direct onderscheid wordt mede verstaan, onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap”(4). De verruimde omschrijving van het begrip “direct onderscheid” werd eveneens opgenomen in art. 1637ij BW. Sedert de overbrenging van art. 1637ij naar titel 10 van boek 7 BW verbiedt art. 7:646 BW de werkgever in de arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen. Het vijfde lid van art. 7:646 bepaalt dat onder direct onderscheid mede wordt verstaan: onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. Deze wetsduiding heeft tot gevolg dat op de objectieve rechtvaardigingsgronden bedoeld in het zesde lid van art. 7:646, welke betrekking hebben op indirect onderscheid, door de werkgever geen beroep kan worden gedaan in geval van onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. Bedingen in strijd met art. 7:646 lid 1 BW zijn nietig(5).

2.10. De Algemene wet gelijke behandeling (wet van 2 maart 1994, Stb. 230) voorziet in bescherming tegen méééér vormen van discriminatie dan alleen het onderscheid tussen mannen en vrouwen; zie art. 1 van die wet. De Algemene wet gelijke behandeling laat de voorschriften van de Wet gelijke behandeling m/v en in art. 7:646 BW onverlet: zie art. 4. Voor de beoordeling van deze middelonderdelen behoeven de bepalingen van de Algemene wet gelijke behandeling geen bespreking. Een verbod van discriminatie is ook te vinden in internationale bepalingen, waaronder art. 14 EVRM (uitsluitend m.b.t. de door het EVRM beschermde rechten en vrijheden) en art. 26 IVBP. In het debat in feitelijke instanties en in cassatie hebben deze internationale bepalingen geen rol gespeeld. De discussie is toegespitst op art. 7:646 BW en op de EG-richtlijnen.

2.11. Art. 2, derde lid, van de Richtlijn gelijke behandeling m/v schept ruimte voor positieve discriminatie in voorschriften tot bescherming van de vrouw, met name regels omtrent zwangerschap en moederschap. Tot zulke normen behoort Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie(6); hierna aangeduid als: de Zwangerschapsrichtlijn. Beide richtlijnen kwamen aan de orde in HvJ EG 27 oktober 1998, NJ 1999, 518 (Boyle e.a./Equal Opportunities Commission), waarnaar ik kortheidshalve moge verwijzen(7). Dat arrest biedt voor het huidige vraagstuk geen oplossing: in de zaak Boyle was de verhouding tussen ziekteverlof en bevallingsverlof aan de orde alsmede de consequenties daarvan voor de datum van ingang.

2.12. De Commissie gelijke behandeling (Cgb) heeft in een oordeel van 10 december 1998 onder meer overwogen(8):
“In het RpbO worden mannelijk en vrouwelijk onderwijspersoneel in die zin gelijk behandeld dat in geen enkel geval compensatie plaatsvindt indien iemand feitelijk niet in staat is vakantie te genieten in de vaste schoolvakantieperiodes van de school. Deze regeling betreft alleen ziekte en bevat geen specifieke bepaling voor zwangerschap. Door de toepassing van de bepaling die ziekte en zwangerschap gelijkstelt, worden arbeidsongeschiktheid wegens zwangerschap en arbeidsongeschiktheid wegens ziekte als gelijke gevallen behandeld, terwijl ze ongelijke gevallen zijn.”

2.13. Na deze uitspraak van de Cgb, die in onderwijskringen de aandacht heeft getrokken, hebben verscheidene leerkrachten het standpunt ingenomen dat het ontbreken van compensatie voor dagen waarin het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvalt met een schoolvakantie een verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen oplevert. De Centrale Raad van Beroep heeft zich in zijn eerdergenoemde beslissing van 17 mei 2001 ook over dit vraagstuk uitgesproken. Volgens de CRvB is er geen sprake van gelijkstelling van zwangerschapsverlof met ziekte: de bepaling van art. I-C2 lid 1 RpbO geeft slechts aan dat tijdens de schoolvakanties verlof wordt genoten. De CRvB nam daarom geen verboden gelijke behandeling van ongelijke gevallen aan (rov. 6.2). De CRvB nam afstand van de uitleg die de Cgb aan het arrest-Boyle had gegeven (rov. 6.3)(9). Tenslotte was de CRvB van oordeel dat van een verlies van rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst bij zwangerschap en bevalling geen sprake is:
“Zoals hiervoor (…) is overwogen is niet aan de orde een ongeclausuleerd recht op (omstreeks 60) vakantie(dagen) of vrij op te nemen vakantieverlof, maar de specifieke verlofregeling in het onderwijs, die betrokkene vrij stelt van werkzaamheden tijdens schoolvakanties met behoud van bezoldiging. Dat recht blijft behouden, ook al geniet de zwangere werkneemster (reeds) op andere gronden verlof met behoud van bezoldiging en zou kunnen worden gesteld dat zij niet in staat is het vakantieverlof te consumeren. Tot de conclusie dat van verslechtering van arbeidsvoorwaarden sprake is in geval van samenloop als hier in geding, kan de Raad dan ook niet komen.” (rov. 6.4).

2.14. De CRvB was voorts van oordeel dat art. I-C2 RpbO sekseneutraal is geformuleerd, zodat van een directe discriminatie tussen mannen en vrouwen geen sprake is (rov. 7.2). M.b.t. het beroep op indirecte discriminatie tussen mannen en vrouwen, overwoog de CRvB dat – voor zover de omstandigheid dat buiten de schoolvakanties geen vrij opneembaar vakantieverlof kan worden opgenomen al als een nadeel kan worden beschouwd – dit nadeel zich niet voordoet als gevolg van de zwangerschap; het is inherent aan de rechtsbetrekking in het onderwijs en valt niet terug te voeren op een onderscheid op grond van een verboden criterium (rov. 7.3). Overigens beschouwde de CRvB het ontbreken van compensatie niet als een nadeel, maar hoogstens als het uitblijven van een voordeel (rov. 7.4).

2.15. De verschillende uitkomst van de beslissing van de Cgb en die van de CRvB wordt grotendeels verklaard doordat de Cgb ervan uitgaat dat het bevoegd gezag de leerkracht over de volle duur van de schoolvakantie in de gelegenheid moet stellen “feitelijk vakantie te genieten”. De CRvB leest in art. I-C2 RpbO niet een recht op een vast aantal vakantieverlofdagen. Daarnaast is er een verschil in benadering van de vraag of er discriminatie is. De motivering door de CRvB werd in de vorige alinea’s reeds besproken. De motivering van de Cgb omvat, naar de kern genomen, de volgende stappen: (i) de wet(10) bepaalt dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof voor de toepasselijke rechtspositieregeling gelijk wordt gesteld met verhindering om arbeid te verrichten wegens ziekte; (ii) de toepasselijke rechtspositieregeling, het RpbO, biedt leerkrachten die tijdens een schoolvakantie ziek zijn geen recht op compensatie van de desbetreffende dagen; (iii) de werkgever mag zwangerschap en bevalling niet gelijk stellen met arbeidsongeschiktheid door ziekte(11); (iv) door toepassing van de onder (ii) genoemde regel op een lerares van wie het zwangerschaps- en bevallingsverlof gedeeltelijk samenvalt met een schoolvakantie, heeft de werkgever ongelijke gevallen (ziekte resp. zwangerschap/bevalling) ten onrechte gelijk behandeld(12). In de wet is inmiddels niet langer sprake van gelijkstelling van zwangerschaps- en bevallingsverlof met ziekte. De redenering van de Cgb is alleen bruikbaar wanneer er sprake is van zodanige gelijkstelling.

2.16. In het thans bestreden vonnis – gewezen vóóóór de uitspraak van de CRvB – heeft de rechtbank aangenomen dat er sprake is van direct onderscheid in de arbeidsvoorwaarden tussen mannen en vrouwen. Die kwalificatie heeft tot gevolg dat de Stichting zich niet met vrucht op een rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid kan beroepen; zie alinea 2.9 hiervoor. De rechtbank heeft het ontbreken van compensatie voor de dagen waarop het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenviel met een schoolvakantie aangemerkt als een verboden onderscheid. Dat oordeel wordt in onderdeel 5 onder a – d en in onderdeel 6 aangevallen.

2.17. Onderdeel 6 is naar zijn strekking de verstgaande klacht. Uitgaande van 12 weken schoolvakantie per jaar, kan een lerares in het basisonderwijs, van wie zes weken van het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvallen met een schoolvakantie, de vier weken vakantieverlof waarop zij ingevolge art. 7:634 BW recht heeft nog opnemen in de resterende zes weken van de schoolvakanties (vgl. rov. 5 Ktr.). Zelfs een lerares van wie 8 weken van het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvallen met een schoolvakantie, zou haar vier weken vakantieverlof nog kunnen opnemen binnen de schoolvakanties. In de redenering van de Stichting zou dit voldoende moeten zijn om het beroep van de lerares op discriminatie tussen mannen en vrouwen van de hand te wijzen (zie subonderdeel 5 onder c).

2.18. Op het eerste gezicht lijkt de Stichting daarin gelijk te hebben: de lerares krijgt de vakantieverlofdagen waarop zij recht heeft. Hiertegen kan echter worden ingebracht dat het wettelijk verbod van onderscheid tussen mannen en vrouwen zich niet beperkt tot de toekenning van vakantieverlofdagen (in de betekenis die titel 10 van boek 7 BW aan “vakantieverlof” geeft). Art. 7:646 BW spreekt immers in algemene zin over onderscheid in de arbeidsvoorwaarden. Ook de artikelen 1 en 5 van de Richtlijn gelijke behandeling m/v spreken in algemene termen over arbeidsvoorwaarden. Het behoeft geen betoog dat het begrip “arbeidsvoorwaarden” in de Richtlijn verdragsautonoom moet worden uitgelegd. Hoewel in dit cassatiemiddel niet aan de orde(13), is het bovendien nuttig te weten dat art. 11 lid 2 van de Zwangerschapsrichtlijn voorschrijft dat in geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof naast het behoud van bezoldiging of het genot van een passende uitkering ook de “rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst” van de desbetreffende werkneemster moeten worden gewaarborgd.

2.19. Indien art. I-C2 lid 1 RpbO wordt verstaan op de wijze waarop de CRvB deze bepaling uitlegt, hebben de leerkrachten geen recht op een bepaald aantal (60) dagen vakantieverlof per jaar. De bepaling houdt slechts in een recht van de leerkracht om gedurende de schoolvakanties de lesvrije periode te gebruiken voor het opnemen van vakantieverlof alsmede voor het verrichten van niet-lesgebonden werkzaamheden. Met name het onderdeel “deskundigheidsbevordering”(14), een tijdsdeel dat de leerkracht nota bene naar eigen inzicht mag invullen, behoort m.i. onmiskenbaar tot “de arbeidsvoorwaarden”. Indien hierover twijfel mocht bestaan, ligt een prejudiciëële vraag aan het HvJ EG in de rede.

2.20. Wanneer een leerkracht, van wie het zwangerschaps- en bevallingsverlof gedeeltelijk samenvalt met de schoolvakanties, haar vakantieverlofdagen (de vier weken van art. 7:634 BW) nog binnen de schoolvakanties kan opnemen, kan er dus niettemin sprake zijn van een verboden onderscheid in de arbeidsvoorwaarden. Dit kan worden geïïllustreerd als volgt. Ik neem hierbij tot uitgangspunt dat van een lerares niet verwacht mag worden dat zij de periode van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof gebruikt voor (wel of niet les-gebonden) werkzaamheden. Een lerares, van wie 8 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvallen met een schoolvakantie, houdt na het opnemen van haar 4 weken vakantieverlof ex art. 7:634 BW geen tijd meer over om haar niet les-gebonden werkzaamheden in de schoolvakanties te verrichten. Een lerares, van wie 6 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvallen met een schoolvakantie, houdt na het opnemen van haar 4 weken vakantieverlof ex art. 7:634 BW nog maar twee weken van de schoolvakanties over. In die twee weken zou zij de niet-lesgebonden werkzaamheden moeten “proppen” waarvoor haar mannelijke collega’s acht weken (12 weken schoolvakantie min 4 weken wettelijk vakantieverlof) ter beschikking hebben. Het is om deze reden denkbaar dat een lerares, van wie het zwangerschaps- en bevallingsverlof gedeeltelijk samenvalt met de schoolvakantie, niets tekort komt aan vakantieverlofdagen in de zin van art. 7:634 BW en tóóch nadeel ondervindt ten gevolge van een verboden onderscheid in de arbeidsvoorwaarden. Dit kan zich voordoen wanneer zij, in vergelijking met mannelijke leerkrachten, minder tijd krijgt om haar niet-lesgebonden taken te verrichten, met andere woorden: minder “vakantieverlof” krijgt in de betekenis die art. I-C2 lid 1 RpbO daaraan geeft. Dit voert mij tot de slotsom dat, óóóók bij het slagen van onderdeel 6, verwijzing zal moeten volgen.

2.21. Na verwijzing zal moeten worden onderzocht of inderdaad sprake is van een verboden onderscheid in de arbeidsvoorwaarden(15). Aantekening verdient dat een dergelijke benadeling op uiteenlopende wijzen kan worden opgeheven. Het is mogelijk om door het toekennen van extra vrije dagen buiten de schoolvakanties het nadeel op te heffen (dan zou de vordering toewijsbaar zijn). Het is in beginsel ook denkbaar dat een dergelijke benadeling wordt weggenomen door de desbetreffende lerares in de rest van het jaar zodanig te ontlasten van haar niet-lesgebonden werkzaamheden dat zij reëëel toekomt aan het opnemen van haar vakantieverlofdagen en aan haar 10 % tijd voor deskundigheidsbevordering (voor een full-timer: 166 uur per jaar): dan is er geen behoefte meer dan compensatie. Partijen hebben zich tot dusver slechts in algemene termen uitgesproken over de vraag of de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof in mindering komt op de normjaartaak van de lerares(16).

2.22. Op basis van de thans vastgestelde feiten kon de rechtbank m.i. niet komen tot haar oordeel dat hier van discriminatie sprake is. Art. I-C2 lid 1 RpbO is op zichzelf sekseneutraal: mannelijke en vrouwelijke leerkrachten hebben gelijkelijk recht op verlof gedurende de schoolvakanties. Van een direct onderscheid tussen mannen en vrouwen is geen sprake. In zoverre acht ik de klacht van onderdeel 5 a gegrond. Indien de rechtbank heeft bedoeld dat sprake is van een indirect onderscheid dat door wetsduiding (art. 7:646 lid 5 BW) als “direct onderscheid” moet worden gekwalificeerd, acht ik de klacht van onderdeel 5 b gegrond. De rechtbank heeft in dat geval niet aangegeven in welk opzicht er sprake is van discriminatie en heeft de in het onderdeel bedoelde stellingen van de Stichting zonder toereikende redengeving gepasseerd. Subonderdeel 5 onder d behoeft na het voorgaande geen bespreking meer.

3. CONCLUSIE

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het hof van het ressort.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

1 Adviezen van de landsadvocaat d.d. 29 april en 17 mei 1999 (Aanhangsel Handelingen TK nr. 1666, zittingsjaar 1998/99), overgelegd bij CvD. Deze adviezen betroffen de implicaties van het (hierna te bespreken) oordeel van de Commissie gelijke behandeling d.d. 10 december 1998, AB 1999, 256 m.nt. RH.
2 S.t. namens de lerares, blz. 13 en blz. 20-21.
3 PbEG L 039 d.d. 14 feb. 1976, ook opgenomen in editie S&J 213.
4 TK 1987/88, 19 908, nr. 34.
5 Zie verder: losbl. Arbeidsovereenkomst, aant. 7 en 9-13 op art. 7:646 BW (A.M. Gerritsen); I.P. Asscher-Vonk en K. Wentholt, Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (1994).
6 Pb EG L 348 d.d. 28 nov. 1992; ook in editie S&J 213.
7 Het arrest is ook gepubliceerd in RN 1999 nr. 1002 m.nt. M. Monster onder nr. 1003; in SEW 2000 blz. 298 e.v. m.nt. P. Foubert en B. Koopman en in Ondernemingsrecht 1999 nr. 10 m.nt. M.R. Mok.
8 AB 1999, 256 m.nt. RH (alinea 4.8); besproken door E. Cremers-Hartman, Tijdschrift voor de Onderwijspraktijk 1999/5 blz. 2 e.v.
9 De Cgb veronderstelt dat het lopende zwangerschaps- en bevallingsverlof voor de duur van de schoolvakantie wordt opgeschort. Dat valt inderdaad niet te lezen in het Boyle-arrest. Het is evenmin te verenigen met de regel dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof aaneengesloten wordt verleend.
10 De Cgb heeft het oog op art. 2 van de (op 1 december 2001 ingetrokken) wet van 6 juni 1991, Stb. 347.
11 Dat zwangerschap niet gelijk te stellen is met ziekte werd beslist in HvJ EG 14 juli 1994 (Webb/Emo Air Cargo), C-32/93, Jur. EG 1994 blz. I-3567, rov. 25.
12 Volgens vaste rechtspraak is sprake van discriminatie wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties: o.m. HvJ EG 30 juni 1998, NJ 1999, 476 (Brown/Rentokil), rov. 30.
13 In hoger beroep is subsidiair wel een beroep op de Zwangerschapsrichtlijn gedaan: zie MvG onder 19 en de reactie van de Stichting bij MvA blz. 5.
14 Zie: art. I-R203 lid 3 RpbO.
15 Zie over dit onderwerp: M. Vegter, Zwangerschap en discriminatie, Nemesis 2000, blz. 118 e.v. (met een reactie van C. Tobler in Nemesis 2001, blz. 121 e.v.); H.S.C. Crebolder, Gelijke rechten voor zwangere werkneemsters?, ArbeidsRecht 1999/4 blz. 4 e.v.
16 Vgl. MvA blz. 5: “Het zwangerschapsverlof wordt van de normjaartaak afgetrokken en gaat derhalve niet ten koste van het vakantieverlof zoals appellante stelt”. Zie ook middelonderdeel 5 onder b.

Rechters

Mrs. Herreman, Fleers, Breukhorst, Hammerstein en KopA-G Langemeijer

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 9 augustus 2002

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht is schending van mensenrechten geen grond voor immateriële schadevergoeding.
F. heeft zich in 1979 laten steriliseren. De sterilisatie is mislukt tengevolge van een fout van de arts en F. heeft een dochter gekregen. De Stichting is in 1988 is door de rechtbank veroordeeld om ƒ 31.000 aan F. te betalen, zijnde de contante waarde van de opvoedingskosten van haar dochter tot haar achttiende levensjaar. In het onderhavige geding vordert F. onder meer vergoeding van schade ter zake van verlies van verdiencapaciteit ter hoogte van het bedrag dat zij met het minimumloon verdiend zou hebben in de periode van 1984 tot 1997, en vergoeding van immateriële schade, begroot op ƒ 30.000. Bij tussenarrest van 20 juni 2000 heeft het hof aangegeven deskundige voorlichting te behoeven en er is een comparitie van partijen gelast. Ten aanzien van de immateriële schade overwoog het hof in het tusenarrest dat er geen sprake was van geestelijk letsel. Het tegen deze overweging gerichte incidentele cassatieberoep wordt door de Hoge Raad verworpen. Het hof had voorts, uitgaande van de toepasselijkheid van het vóór 1 januari 1992 geldende recht, de grondslag voor vergoeding van immateriële schade gezocht in een inbreuk op mensenrechten, in casu de
aantasting van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Het hof overwoog dat de fout van de arts het wezenlijke en enige belang van F. bij de sterilisatie heeft aangetast, namelijk het belang om niet zwanger te raken en geen kinderen
meer te krijgen. Dit is volgens het hof een aantasting van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, van dien aard en ernst dat, ook naar het voor 1 januari 1992 geldende recht F. deswege recht kan doen gelden op vergoeding van immateriële schade. Het cassatieberoep van de Stichting richt zich onder meer tegen deze overweging. De Hoge Raad oordeelt dat het hof op dit punt blijk heeft gegeven van een onjuiste
rechtsopvatting, doordat het heeft miskend dat volgens het in casu toepasselijke recht van voor 1 januari 1992 een vordering tot vergoeding van immateriële schade slechts voor toewijzing in aanmerking komt, indien sprake is van geestelijk letsel (vgl. HR 21 februari 1999, Nj 1999, 145). Volgt vernietiging en verwijzing.
Deze zaak is gegarandeerd door het Proefprocessenfonds Clara Wichmann.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIE

Verweerster in cassatie – verder te noemen: [verweerster] – heeft bij exploit van 28 juli 1997 eiseres tot cassatie – verder te noemen: KUN – gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem en, voor zover in cassatie van belang, gevorderd:
1. schadevergoeding ter zake van verlies aan verdiencapaciteit van [verweerster] ter hoogte van het bedrag dat zij met het minimumloon verdiend zou hebben in de periode 1984 tot 1 mei 1997;
2. vergoeding van immateriële schade begroot op ƒ 30.000;
3. betaling van kosten van buitengerechtelijke rechtshulp ter hoogte van ƒ 3.400.

KUN heeft de vorderingen bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 25 maart 1999 KUN veroordeeld aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 3.300, vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 17 december 1992 tot de dag van betaling. Hetgeen meer of anders is gevorderd heeft de Rechtbank afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. In hoger beroep heeft [verweerster] haar eis gewijzigd en gevorderd KUN te veroordelen:
– tot vergoeding van het verlies aan verdienvermogen van [verweerster], nader op te maken bij staat;
– tot betaling van immateriële schadevergoeding ter hoogte van ƒ 30.000;
– tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van ƒ 3.249,91.

Bij tussenarrest van 20 juni 2000 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing aangehouden.
Het tussenarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.HET GEDING IN CASSATIE

Tegen het tussenarrest van het Hof heeft KUN beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt in het principale beroep: tot niet-ontvankelijkverklaring van KUN ten aanzien van onderdeel 2 en tot vernietiging voor het overige; en in het incidentele beroep: tot verwerping van het beroep.
De advocaat van KUN heeft op 3 mei 2002 op die conclusie gereageerd.

3. UITGANGSPUNT IN CASSATIE

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerster], geboren op [geboortedatum] 1941, gehuwd en reeds moeder van twee kinderen, heeft zich in juni of juli 1979 in het Academisch Ziekenhuis St. Radboud door een aldaar in dienst zijnde arts laten steriliseren. Haar kinderen waren toen omstreeks 16 en 15 jaar oud.
(ii) De sterilisatie is mislukt ten gevolge van een fout van de arts. De zwangerschap werd eerst geconstateerd toen [verweerster] ruim vier of vijf maanden zwanger was. Op 9 maart 1984 is [verweerster], die toen inmiddels 42 jaar oud was, door middel van een keizersnede bevallen van een dochter.
(iii) In juni 1984 is [verweerster] gescheiden gaan wonen van haar echtgenoot. Zij is vervolgens van echt gescheiden. Zij heeft, als alleenstaande moeder, de zorg voor het kind steeds alleen gedragen.
(iv) Over de periode van 1984 tot 1 mei 1997 heeft [verweerster] steeds een uitkering uit hoofde van de Algemene Bijstandswet ontvangen.
(v) Met ingang van 1 mei 1997 heeft [verweerster], aanvankelijk in het kader van een Melkert-baan, nadien regulier als bibliotheekmedewerkster bij een scholengemeenschap gewerkt. Zij werkt 36 uur per week in die werkkring en verdient het minimumloon (bruto ƒ 2.300 per maand).
(vi) KUN is civielrechtelijk aansprakelijk voor de gevolgen van de mislukte sterilisatie. De gevolgen van de fout van de arts moeten worden beoordeeld naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht.

3.2.1 In 1988 heeft [verweerster] KUN en de Stichting tot beheer en bestuur van het Sint Radboudziekenhuis (hierna: de stichting), die toentertijd het Radboudziekenhuis exploiteerde, gedagvaard en gevorderd haar ƒ 31.000 te betalen, zijnde de contante waarde van de opvoedingskosten van haar dochter tot haar achttiende levensjaar, met nevenvorderingen. De rechtbank heeft de vordering tegen KUN afgewezen en in de zaak tegen de stichting een tussenvonnis gewezen, waarin is geoordeeld dat het bedrag van ƒ 31.000 kan worden toegewezen. Dit bedrag is betaald en de zaak is geroyeerd.

3.2.2 Bij brief van 17 december 1992 heeft de advocaat van [verweerster] de stichting onder meer geschreven:
“Op 14 december 1989 heeft de rechtbank te Arnhem een tussenvonnis gewezen, waarin de aansprakelijkheid van het Radboud werd vastgesteld en de schadevergoeding werd toegewezen. Inmiddels is dit bedrag ook betaald door het Radboud.
Cliënte heeft daarnaast ook immateriële schade geleden. (…)
Op grond van bovenstaande argumenten is cliënte van mening dat zij recht op vergoeding van immateriële schade heeft. Zij behoudt zich dat recht uitdrukkelijk voor ex art. 3:317 BW.”
Vervolgens heeft [verweerster] bij exploit van 25 november 1993 de Raad van Bestuur Academisch Ziekenhuis Nijmegen gedagvaard en gevorderd gedaagde te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens gemiste carrièrekansen en gederfd inkomen, nader op te maken bij staat, alsmede tot vergoeding van de immateriële schade, begroot op ƒ 30.000, met nevenvorderingen. Bij vonnis van 3 oktober 1996 heeft de rechtbank de inleidende dagvaarding nietig verklaard.

3.3.1 In het onderhavige geding heeft [verweerster] gevorderd KUN te veroordelen tot betaling van onder meer (a) vergoeding van schade ter zake van verlies van verdiencapaciteit ter hoogte van het bedrag dat zij met het minimumloon verdiend zou hebben in de periode van 1984 tot 1 mei 1997, en (b) vergoeding van immateriële schade, begroot op ƒ 30.000. De Rechtbank heeft de vordering met betrekking tot verlies van verdiencapaciteit afgewezen, op de grond, kort samengevat, dat [verweerster] tot aan de geboorte van haar dochter in 1984 geen arbeidsverleden had en ook geen concrete plannen had om werk te vinden, maar hooguit een nog niet geconcretiseerd voornemen had haar leven te veranderen door te pogen tot de arbeidsmarkt toe te treden. Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van immateriële schade heeft de Rechtbank vooropgesteld dat ingevolge art. 1407 (oud) BW slechts aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat indien de mislukte sterilisatie heeft geleid tot letsel, waaronder tevens te verstaan geestelijk letsel. Zij heeft geoordeeld dat, voor zover de vordering erop is gegrond dat de mislukte sterilisatie heeft geleid tot geestelijk letsel, [verweerster] onvoldoende heeft gesteld. Zij heeft voorts, overeenkomstig het standpunt van [verweerster], de keizersnede aangemerkt als lichamelijk letsel en de immateriële schade ter zake daarvan naar billijkheid geschat op ƒ 3.000.

3.3.2 Het Hof heeft met betrekking tot de door [verweerster] gederfde arbeidsinkomsten overwogen deskundige voorlichting te behoeven omtrent de vraag of aannemelijk is dat [verweerster] in de jaren vanaf 1984 als werkneemster geboren in 1941, mogelijk na scholing, een (vrijwel) voltijdse baan zou hebben kunnen verwerven (rov. 5.8). Voorts heeft het Hof een comparitie van partijen noodzakelijk geoordeeld voor het verkrijgen van nadere inlichtingen, in het bijzonder van [verweerster] (rov. 5.11).
Met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade heeft het Hof overwogen dat de fout van de arts het wezenlijke en enige belang van [verweerster] bij de sterilisatie heeft aangetast, namelijk het belang om niet zwanger te raken en geen kinderen meer te krijgen. Die aantasting is een aantasting van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van dien aard en ernst dat, ook naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht, [verweerster] deswege recht kan doen gelden op vergoeding van immateriële schade (rov. 6.5).

4. BEOORDELING VAN HET MIDDEL IN HET PRINCIPALE BEROEP

4.1 KUN heeft bij memorie van antwoord aangevoerd dat de toenmalige advocaat van [verweerster] in een gesprek met de verzekeraar van KUN uitdrukkelijk heeft gesteld dat geen claim voor inkomstenderving zou volgen, en toen zou hebben gezegd “er is geen arbeidsverleden en [verweerster] heeft ook niet het voornemen te gaan werken”. Het Hof is aan het terzake door KUN gedane bewijsaanbod voorbijgegaan op de grond dat het de opmerking van de advocaat van [verweerster] in die zin heeft verstaan dat [verweerster] vóór de komst van haar derde kind nooit werkzaamheden in dienstbetrekking in die omvang heeft verricht dat daarmee duurzaam, althans gedurende enige tijd het netto minimumloon werd verkregen (rov. 5.6).
Onderdeel 1.3 klaagt terecht dat het Hof, aldus overwegende, is uitgegaan van een ongeoorloofde prognose omtrent het resultaat van de bewijslevering doordat het heeft miskend dat ingeval is aangeboden te bewijzen hetgeen in een gesprek is gezegd, de interpretatie van de uitlatingen, evenals van het verband waarin deze zijn gedaan, pas na de bewijslevering behoort plaats te vinden.

4.2 [Verweerster] heeft bij memorie van grieven gesteld dat zij na de geboorte van haar derde kind vanaf november 1984 gemiddeld 20 uur per week oppaswerk heeft verricht en daarnaast een bijstandsuitkering heeft genoten. KUN heeft naar aanleiding daarvan aangevoerd dat zij aldus feitelijk een inkomen heeft genoten dat zij – de geboorte van het kind weggedacht – gelet op opleiding en arbeidsverleden nooit zou hebben kunnen overtreffen, zodat zij door de komst van het kind geen schade wegens verlies van arbeidsinkomsten heeft geleden. Het Hof is aan deze stelling van KUN wat betreft de periode na november 1984 voorbijgegaan, op de grond dat [verweerster] te kennen heeft gegeven geen bewijs van deze werkzaamheden te kunnen leveren. Deze werkzaamheden kunnen dan ook, aldus het Hof, niet meewegen bij de beoordeling van het hypothetisch inkomen en evenmin bij de bepaling van het werkelijk genoten inkomen, nu ook KUN niet heeft aangeboden te bewijzen dat en tot welk bedrag [verweerster] boven de bijstandsuitkering arbeidsinkomsten genoot.
Aldus overwegende heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan de omstandigheid dat [verweerster] geen bewijs kan leveren van de door haar gestelde werkzaamheden en – in aanmerking genomen dat op [verweerster] de bewijslast rust van hetgeen zij, zo de sterilisatie zou zijn geslaagd, zou hebben verdiend en van hetgeen zij in feite heeft verdiend – het ontbreken van een aanbod van KUN te bewijzen dat en tot welk bedrag [verweerster] boven de bijstandsuitkering arbeidsinkomsten heeft genoten, kunnen bijdragen tot ’s Hofs oordeel dat de huishoudelijke werkzaamheden van [verweerster] in het geheel niet kunnen meewegen bij de bepaling van het werkelijk genoten inkomen. De onderdelen 2.3.1 – 2.3.3, die hierover klagen, treffen derhalve doel.
4.3 Bij de beoordeling van onderdeel 3 moet worden vooropgesteld dat het Hof de vraag of blijkens de stellingen van [verweerster] sprake is van geestelijk letsel, ontkennend heeft beantwoord (rov. 6.6), welk oordeel, naar blijkt uit hetgeen hierna in 5.1 naar aanleiding van onderdeel 1 van het middel in het incidentele beroep zal worden overwogen, in cassatie tevergeefs wordt bestreden. Het Hof heeft, uitgaande van de toepasselijkheid van het vóór 1 januari 1992 geldende recht, de grondslag voor vergoeding van immateriële schade gezocht in inbreuk op mensenrechten, zoals genoemd in rov. 6.3 van zijn arrest, en vervolgens geoordeeld dat de keuze voor een toekomst zonder verdere zwangerschap(pen) en zonder de zorg voor nog meer kinderen “de wezenlijke inrichting van haar bestaan en dus haar persoonlijke levenssfeer betreft” en dat de aantasting van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van dien aard en ernst is dat, ook naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht, [verweerster] recht kan doen gelden op vergoeding van immateriële schade.
Met dit een en ander heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het heeft miskend dat naar het te dezen toepasselijke vóór 1 januari 1992 geldende recht in een geval als het onderhavige een vordering tot vergoeding van immateriële schade slechts voor toewijzing in aanmerking komt, indien sprake is van geestelijk letsel (vgl. HR 21 februari 1997, nr. 16197, NJ 1999, 145).
De onderdelen 3.3 en 3.4, die hierover klagen, treffen derhalve doel. Voor het overige behoeft onderdeel 3 geen behandeling.

5. BEOORDELING VAN HET MIDDEL IN HET INCIDENTELE BEROEP

5.1 Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van geestelijk letsel. Het Hof heeft daartoe in de eerste plaats in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat [verweerster] psychologische of psychiatrische hulp heeft gezocht, en voorts overwogen dat uit de stellingen van [verweerster] juist niet te putten valt dat van een mentale aantasting sprake is. Dit een en ander geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en berust zozeer op een aan het Hof voorbehouden waardering van omstandigheden van feitelijke aard dat het in cassatie voor het overige niet op juistheid kan worden onderzocht. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

5.2 Onderdeel 2, dat klaagt dat het Hof het in de memorie van grieven vervatte verzoek tot een voorlopig deskundigenonderzoek niet heeft aangemerkt als een voldoende concreet bewijsaanbod, kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft het verzoek immers buiten beschouwing gelaten op de grond dat, nadat de griffier erop had gewezen dat daartoe een afzonderlijk verzoekschrift nodig was, [verweerster] daarop niet meer heeft gereageerd (rov. 6.4).

5.3 In zijn rov. 6.7 heeft het Hof overwogen dat het bij de bepaling van de omvang van de vergoeding voor immateriële schade meeweegt dat het om een kennelijk onopzettelijke fout gaat. Voor zover onderdeel 3 bestrijdt dat het Hof deze omstandigheid mocht meewegen, faalt het, aangezien de rechter bij de begroting van de vergoeding voor immateriële schade alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de zwaarte van het aan de aansprakelijke gemaakte verwijt, mag meewegen. Voor zover het onderdeel klaagt dat het Hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, ziet het eraan voorbij dat een rechtsoordeel niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden. Het onderdeel faalt derhalve.

6.BESLISSING

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 20 juni 2000;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van KUN begroot op € 505,90 aan verschotten en € 1.590 voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van KUN begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.365,- voor salaris.

CONCLUSIE A-G MR. J. SPIER

1.FEITEN

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende, door het Hof Arnhem in het in cassatie bestreden arrest, vastgestelde feiten.

1.2 [Verweerster] heeft zich medio 1979 in het Academisch Ziekenhuis Nijmegen door een arts die aldaar in dienst was laten steriliseren. Deze sterilisatie is door de fout van die arts mislukt. De zwangerschap werd eerst na vier tot vijf maanden ontdekt. Op 9 maart 1984 is de toen 42 jaar oude [verweerster] van een dochter bevallen.

1.3 In juni 1984 is [verweerster] gescheiden gaan wonen van haar man. “Vervolgens” is zij gescheiden. Zij heeft als alleenstaande moeder de zorg voor het kind gedragen.

1.4 Tussen 1984 en 1 mei 1997 heeft [verweerster] een ABW-uitkering genoten. Sedert 1 mei 1997 werkt ze, aanvankelijk in het kader van een “Melkert-baan”, “thans” als bibliotheekmedewerkster, laatstelijk voor 36 uur per week. Zij verdient “sedertdien” het minimumloon, d.i. ƒ 2300 bruto per maand.

1.5 KUN is civielrechtelijk aansprakelijk voor de gevolgen van de mislukte sterilisatie. Het oude recht is toepasselijk.

2.VERLOOP VAN DE PROCEDURE

2.1 Bij dagvaarding van 28 juli 1997 heeft [verweerster] van KUN, voorzover thans nog van belang, gevorderd betaling van schadevergoeding ter zake van:

a. verlies aan verdiencapaciteit over de onder 1.4 genoemde periode; daarmee wordt bedoeld het verschil tussen de ABW-uitkering en het minimumloon (bij cve overgelegde dagvaarding in de eerdere procedure)(1); bij mvg wordt die vordering gewijzigd, des dat aanspraak wordt gemaakt op “de schade ontstaan als gevolg van verlies aan verdienvermogen nader op te maken bij staat” (blz. 7 en petitum);
b. smart ten bedrage van ƒ 30.000.

2.2 Zij heeft deze vordering gestoeld op haar uiteenzettingen in een bij cve in geding gebracht procesdossier van een eerdere procedure, gericht tegen een niet bestaande (rechts)persoon. Daaraan ontleen ik het volgende.

2.3.1 Wat de inkomensschade betreft, wordt betoogd dat zij ten gevolge van de zwangerschap was aangewezen op een ABW-uitkering. Zonder zwangerschap zou ze een baan om in haar levensonderhoud te voorzien en scholingsmogelijkheden hebben gezocht. Voorts maakt ze aanspraak op schadevergoeding als gevolg van gemiste carrièrekansen.

2.3.2 Zij heeft onder meer in geding gebracht een “certificaat” van 1 juli 1994 waaruit blijkt dat zij voor twee vakken (Nederlands en Engels) een examen heeft afgelegd (met goed gevolg) in het kader van middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (MAVO(2)).

2.4 De smartengeld-vordering wordt gegrond op:

* de keizersnee-operatie met de gevolgen van dien, zoals een litteken;
* een verstoorde toekomstverwachting;
* het niet meer wensen van een kind van haar toenmalige man;
* tegenstrijdige gevoelens en de angst dat het kind zou merken niet welkom te zijn;
* verhoogde risico’s, bijvoorbeeld ten aanzien van haar gebit.

2.5 KUN heeft, voorzover in cassatie nog van belang, ten verwere aangevoerd dat [verweerster] zich uitsluitend haar aanspraken wegens smartengeld heeft voorbehouden. Zij trekt daaruit de conclusie dat de vordering voor het overige is verjaard. Zij beroept zich daarbij op een brief van de toenmalige advocate van [verweerster](3) (cva onder 3). Een deel van die brief wordt geciteerd in rov. 2.5 van het vonnis van de Rechtbank in de onderhavige procedure.

2.6 Voor het overige verwijst KUN eveneens naar haar stellingname in de eerdere procedure waaraan ik ontleen:

* betwist wordt dat [verweerster], de kunstfout (bedoeld zal zijn: de daarop volgende geboorte) weggedacht, het minimumloon zou hebben verdiend; in dat verband wordt bestreden dat ze plannen had te gaan werken;
* de stellingen ter zake van de gemiste carrière zijn onvoldoende concreet en bewijs daarvoor ontbreekt;
* smartengeld is niet aan de orde; KUN bestrijdt dat sprake was van letsel; als al sprake was van psychisch letsel (hetgeen eveneens wordt betwist) is dat geen grond voor toekenning van smartengeld.

2.7 Het onder 2.5 weergegeven verweer riposteert [verweerster] met de stelling dat de in die brief onder het hoofdje smartengeld genoemde componenten “ook grote materiële schadeposten in zich houden”. Daarom strijdt het betoog van KUN met redelijkheid en billijkheid (cvr blz. 2).

2.8 Bij vonnis van 25 maart 1999 heeft de Rechtbank Arnhem de vordering toegewezen tot een beloop van ƒ 3.300.

2.9 De Rechtbank staat eerst stil – het is in ander verband thans nog van belang – bij het beroep van KUN op verjaring. In dat kader ziet zij onder ogen of de onder 2.5 genoemde brief, waarin [verweerster], naar het oordeel van de Rechtbank, aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade, geldt als een stuitingshandeling voor andere schade. Zij beantwoordt die vraag bevestigend (rov. 4.3).

2.10 Dat door [verweerster] in de eerste procedure en in eerdere correspondentie geen voorbehoud is gemaakt ter zake van materiële schade staat aan haar huidige vordering niet in de weg (rov. 5.2).

2.11 Ten gronde oordeelt de Rechtbank dat verlies aan verdiencapaciteit als gevolg van zwangerschap en geboorte in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt (rov. 6.2).

2.12 Op grond van een aantal in rov. 6.3 genoemde feiten en omstandigheden concludeert de Rechtbank dat vaststaat

“dat [verweerster] tot aan de geboorte van haar dochter in 1984 geen concrete plannen had om werk te vinden, hooguit een nog niet geconcretiseerd voornemen haar leven te veranderen door te pogen tot de arbeidsmarkt toe te treden. [verweerster] heeft niets gesteld noch bewijs ter zake aangeboden betreffende de vraag of zij, gezien haar afwezige arbeidsverleden en haar leeftijd, medio jaren tachtig een reële kans had een baan te vinden”.

Dit voert tot afwijzing van de vordering wegens verlies van verdiencapaciteit.

2.13 De vordering wegens smartengeld kan slechts worden toegewezen voorzover sprake was van (geestelijk) letsel (rov. 6.5). Volgens de Rechtbank heeft [verweerster] onvoldoende gesteld nopens geestelijk letsel dat meer is dan psychisch onbehagen (rov. 6.7). Vergoeding is wel op haar plaats wegens de (gevolgen van de) keizersnede. Daarvoor kent zij ƒ 3.000 toe (rov. 6.8). Wegens buitengerechtelijke kosten komt [verweerster] ƒ 300 toe (rov. 6.9).

2.14 [Verweerster] is van het vonnis in hoger beroep gekomen.

2.15.1 Grief I kant zich tegen het oordeel dat er geen reële kans bestond dat [verweerster] een baan zou kunnen vinden. In de toelichting wordt gesteld dat zij “zich niet (kan) herinneren ooit een expert van de verzekeraar (…) gesproken te hebben, of ooit iets gezegd te hebben over haar arbeidsverleden”. Evenmin is met de maatschappelijk werkster van het ziekenhuis “over werk gesproken” (blz. 4).

2.15.2 Zij voert aan haar hele leven te hebben gewerkt, “zij het vaak wel in kleine baantjes”. Deze stelling wordt verder uitgewerkt en mondt hierin uit dat ze tussen 1975 en 1980 gemiddeld 24 – 30 uur per week werkte; de volgende vier jaar minimaal 20 uur per week (4), maar vaak ook veel meer in de sfeer van kinderoppas en huishoudelijk werk. Na de geboorte van haar dochter bleef ze werkzaam met oppaswerk gedurende 20 uur per week. Verklaringen van de desbetreffende gezinnen kan zij niet overleggen omdat deze allemaal zijn verhuisd, terwijl het “bij deze baantjes (…) niet gebruikelijk is “loonstrookjes af te geven”. “De reden waarom zij tot nu toe in de procedure hier niets over gezegd heeft ligt in het feit dat ze er geen bewijs van heeft en daarom dacht dat het zinloos zou zijn om erover te beginnen” (blz. 5).(5) Met bedoelde werkzaamheden verdiende ze niet veel en “kwam daarmee lang niet boven de bijstandsnorm uit en bleef dus (tot 1 mei 1997, JS) afhankelijk van de ABW” (blz. 6).

2.15.3 Vervolgens gaat [verweerster] nader in op de kwestie van de verstoorde toekomstverwachting (blz. 6/7).

2.16.1 Met betrekking tot de smartengeld-vordering voert grief II en de toelichting daarop aan dat wel degelijk sprake was van geestelijk letsel. In dat kader wordt betoogd dat:
* [verweerster] geen kinderen meer had willen krijgen;
* het desondanks krijgen van een kind een inbreuk is op haar persoonlijksrecht;
* zij een video hometraining heeft gedaan wegens de scheidingsangst van haar dochter “zodat” er wel degelijk geestelijk letsel is;
* haar leven een geheel andere invulling heeft gekregen, waardoor ze – onder meer – gesprekken met leeftijdgenoten ontbeert, door haar dochter als oma wordt gezien, de tijd mist alleen te zijn, terwijl de grotere woning die nodig is meer poetswerk vergt.

2.16.2 Zij dringt aan op een voorlopig deskundigenonderzoek (blz. 10).

2.17 KUN stelt voorop heen te stappen over haar bezwaren tegen het vonnis (mva onder 3).

2.18 Volgens KUN zou de toenmalige raadsvrouwe van [verweerster] (mr Weusten) op 1 december 1986 zijn bezocht door Sunnotel, destijds werkzaam bij de Hollandsche Soc. In dat gesprek

“werd uitdrukkelijk gesteld dat geen claim zou volgen voor inkomstenderving, omdat deze niet werd geleden. Mr. Weusten stelde “er is geen arbeidsverleden en [verweerster] had ook niet het voornemen te gaan werken”.

KUN biedt aan Sunnotel als getuige te doen horen (onder 5). Zij wijst er daarbij op dat deze mededeling overeenstemde met hetgeen in de eerdere procedures werd gevorderd (onder 6).

2.19 KUN acht het uitgesloten dat [verweerster]

“een arbeidscapaciteit te gelde had kunnen maken met een groter rendement dan dat van de ABW-uitkering verhoogd met het inkomen in halftime (kennelijk ook nog zwart betaald) dienstverband” (onder 8).

2.20 KUN sluit haar uiteenzetting af met de opmerking dat er geen inkomensschade is geleden (onder 10).

2.21 Naar het oordeel van KUN blijkt niet van geestelijk letsel; er is evenmin aantasting in de persoon (onder 12).

2.22 Bij arrest van 20 juni 2000 heeft het Hof Arnhem het bestreden vonnis vernietigd. Het heeft een comparitie gelast.

2.23 Het Hof begrijpt grief I “voorshands” aldus dat wordt gevorderd

“de schade wegens het derven van arbeidsinkomsten van [verweerster] over de jaren 1984 tot 1 mei 1997 alsnog te doen begroten op het in die jaren geldende netto minimumloon verminderd met de door haar ontvangen bijstandsuitkering” (rov. 5.2).

2.24 Het Hof meent dat tussen partijen niet in geschil is dat [verweerster] in de periode 1984/1996 niet meer buitenshuis kon werken. Aldus kon zij geen baan aanvaarden waarmee ze het netto minimumloon kon verdienen (rov. 5.3).

2.25.1 Het Hof gaat er van uit dat [verweerster] vóór de komst van haar derde kind nooit werkzaamheden in dienstverband heeft verricht waarmee duurzaam (althans gedurende enige tijd) het netto minimumloon kon worden verkregen. Zo verstaat het Hof ook de door KUN vermelde opmerking van mr Weusten. Daarom gaat het Hof voorbij aan het bewijsaanbod van KUN.

2.25.2 Ook de oppas- en huishoudelijke werkzaamheden van [verweerster] waren, naar ’s Hofs oordeel, niet van een zodanige omvang dat daarmee duurzaam of gedurende enige tijd het netto minimumloon kon worden verdiend (rov. 5.6).

2.26 Het Hof gaat er voorts van uit dat:
* [verweerster] vóór de komst van het kind geen voor het krijgen van een baan relevante opleiding had genoten;
* [verweerster], gezien haar beperkte arbeidservaring en ontbrekende scholing, voor het verkrijgen van arbeidsinkomsten ter grootte van het netto minimumloon was aangewezen op (vrijwel) voltijdse arbeid (rov. 5.7).

2.27 Het Hof heeft behoefte aan deskundige voorlichting over de vraag of [verweerster], mogelijk na scholing, redelijkerwijs een (vrijwel) fulltime baan in de horeca had kunnen verkrijgen. Het stipt daarbij aan dat aan het bewijs van de hypothetische arbeidsinkomsten geen zware eisen mogen worden gesteld (rov. 5.8).

2.28 Het Hof volgt KUN niet in haar betoog dat van schade wegens verlies van arbeidsinkomsten geen sprake is. Het overweegt daartoe dat, met uitzondering van de niet genoegzaam bestreden werkzaamheden bij [betrokkene 1], de werkzaamheden vóór 1984

“niet kunnen meewegen bij de beoordeling van het hypothetisch inkomen en evenmin bij de bepaling van het werkelijk verkregen inkomen”.

Immers heeft [verweerster] te kennen gegeven het bewijs daarvan niet te kunnen leveren, terwijl KUN niet te bewijzen heeft aangeboden dat [verweerster] boven de bijstandsuitkering arbeidsinkomsten genoot en wat de hoogte daarvan was (rov. 5.9 en 5.10).

2.29 Het Hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen van [verweerster] als omschreven in rov. 5.11.

2.30 Met betrekking tot de vordering wegens smartengeld gaat het [verweerster] er, naar ’s Hofs oordeel, om dat zij “op andere wijze in haar persoon is aangetast”. Het Hof vervolgt:

“Volgens vaste jurisprudentie omvat dit – ook naar oud recht – louter psychisch letsel, mits van voldoende ernstig karakter, terwijl ook aanvaard is dat inbreuken op mensenrechten, zoals inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, op het gezinsleven en op de lichamelijke en psychische ongeschondenheid recht geven op schadevergoeding (…).” Het Hof verwijst in dit verband naar HR 1 november 1991, NJ 1992, 58 (rov. 6.3).

2.31 Het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht laat het Hof, op de in rov. 6.4 vermelde grond, buiten beschouwing.

2.32 Het Hof meent dat het enig doel van de sterilisatie was het niet meer krijgen van kinderen. Deze keuze betreft “de wezenlijke inrichting van haar bestaan en dus de persoonlijke levenssfeer”. De “onverwachte en ongewenste” komst van een kind was een “ernstige verstoring van de door de sterilisatie gegronde verwachtingen” en leverde een “wijziging van haar leefwereld” op. De fout van de arts heeft het belang om geen kinderen te krijgen aangetast. Dit belang is

“een aantasting van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van dien aard en ernst dat, ook naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht, [verweerster] deswege recht kan doen gelden op vergoeding van immateriële schade” (rov. 6.5).

2.33 Van geestelijk letsel is, naar ’s Hofs inzicht, geen sprake. Daarvoor is “veeleer” nodig een blijvende althans langdurige aantasting van het geestelijk functioneren. Bij intense aantasting is een kortere duur wellicht genoeg. Psychologische of psychiatrische hulp is geen vereiste, maar wel een aanwijzing. Daaromtrent is evenwel niets gesteld of gebleken. Omdat [verweerster] zich – kort gezegd – niet uit het veld heeft laten slaan, is het “niet passend” om van geestelijk letsel te spreken (rov. 6.6).

2.34 Het Hof rondt af met gegrondbevinding van grief II. Bij de uiteindelijke bepaling van de hoogte van de vergoeding moet in elk geval meewegen dat het gaat om een onopzettelijke fout (rov. 6.7).

2.35 KUN heeft zich tijdig voorzien van beroep in cassatie. Dat is door [verweerster] tegengesproken; harerzijds is incidenteel beroep ingesteld.

3. INLEIDING

3.1 Het gaat hier om een proefprocedure. De inzet daarvan is, volgens [verweerster], “uitspraken te krijgen waarin rekening gehouden wordt met de feitelijke situatie waarin vrouwen zich bevinden, waarin ook rekening gehouden wordt met de consequenties van zorgtaken”.(6)

3.2 Als ik het goed zie, dan zit het principiële karakter van de zaak, in de visie van [verweerster], in de onder 2.1 onder a geformuleerde vordering.

3.3 Nog geheel daargelaten dat die vordering niet bepaald duidelijk is, wil het mij voorkomen dat de vraag of deze gegrond is een zeer hoog feitelijk gehalte heeft. Het principiële aspect is mij daarom niet erg duidelijk geworden.

3.4 Mogelijk meent [verweerster] (of degene die deze procedure subsidieert) dat het principiële gelegen is in de vraag wat rechtens heeft te gelden wanneer, na verloop van jaren, niet met stelligheid valt aan te geven wat de vrouw, de geboorte weggedacht, zou hebben verdiend. Ook dat lijkt mij veeleer een feitelijke dan een juridische vraag. Met juistheid heeft het Hof er in dat verband op gewezen dat aan het bewijs van hypothetische arbeidsinkomsten geen strenge eisen mogen worden gesteld.(7)

3.5 Daar komt bij dat deze procedure weinig geschikt is voor het uitvechten van principes op dit vlak om ten minste de volgende redenen:
* om niet geheel duidelijke redenen heeft [verweerster] ervoor gekozen om in etappes te procederen. Zij heeft het aldus aan zich zelf te wijten dat relevante gegevens verloren zijn gegaan;
* haar stellingen zijn nogal summier en bovendien niet erg eenduidig. Het Hof heeft dat (ten dele) met de mantel der liefde bedekt;
* er lijkt een zekere spanning te bestaan tussen de beweerdelijk genoten inkomsten (waarover letterlijk niets wordt gezegd) en de genoten ABW-uitkering. Het is moeilijk voorstelbaar dat [verweerster] niet ten minste iets had kunnen zeggen over de hoogte van haar pretense inkomsten.

3.6 Van meer algemene betekenis is wél de smartengeld problematiek. Vooral in het principale beroep wordt de vraag aangekaart of, buiten gevallen van geestelijk of lichamelijk letsel, grond bestaat voor toekenning. Ook in cassatie zijn partijen nogal sober geweest in het opdissen van de opvattingen in doctrine en rechtspraak.

4. BESPREKING VAN DE KLACHTEN IN HET PRINCIPALE BEROEP

4.1 Onderdeel 1 kant zich tegen het passeren van het bewijsaanbod van KUN en de interpretatie van de – door KUN gestelde – mededeling van mr Weusten (zie onder 2.18).

4.2 Deze klacht loopt hierin vast dat de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de feitenrechter. Ik geef graag toe dat een andere interpretatie zeer wel mogelijk was geweest en zelfs voor de hand had gelegen. Maar dat is niet de inzet van het onderdeel. Het onderdeel voert niet aan dat ’s Hofs interpretatie onbegrijpelijk is.

4.3 Ten overvloede: de stelling van KUN is om een aantal onderling verweven redenen niet aanstonds plausibel. In de eerste plaats is onduidelijk waarom zij daar eerst in appèl mee komt. Bovendien valt op dat zij geen verklaring van Sunnotel overlegt. Nu geen verklaring is overgelegd, zal moeten worden aangenomen dat deze er ofwel niet is, ofwel dat zij voor KUN minder behulpzaam is. Daarom komt niet veel gewicht aan de stelling toe.(8)

4.4 Bij gebreke van een op schrift gesteld stuk, valt uit te sluiten dat Sunnotel zich (thans) 16 jaar later nog nauwkeurig kan herinneren wat destijds is besproken, waarbij valt te bedenken dat hij ongetwijfeld vele van dit soort gesprekken voerde. Anders gezegd: wat hij ook (ongetwijfeld te goeder trouw) verklaart, is onvoldoende om de stelling van KUN als waar te kunnen aannemen. Het gaat hier m.i. niet (louter) om een verboden bewijsprognose. De bewering van KUN is, gezien de onaannemelijkheid, onvoldoende onderbouwd.

4.5 Het tweede onderdeel trekt ten strijde tegen hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent de schade wegens verlies aan arbeidsinkomsten (rov. 5.9 en 5.10).

4.6 Ik stel voorop dat het bestreden oordeel betrekking heeft op de bespreking van de eerste grief. Het Hof overweegt expliciet dat het deze “voorshands” op een bepaalde wijze verstaat (rov. 5.2). Een definitief oordeel over de inhoud en strekking van de grief heeft het Hof nog niet gegeven. Daarmee is ook hetgeen volgt niet meer dan een voorshands oordeel. Daar komt nog bij dat ook uit rov. 5.11 zonneklaar blijkt dat het Hof in deze kwestie nog geen definitief oordeel heeft geveld. KUN is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.

4.7 Alvorens – mede uit een oogpunt van proceseconomie – ten overvloede in te gaan op de klachten lijkt goed aan te geven hoe ik de – inderdaad niet bijster duidelijke – rov. 5.9 en 5.10, in het licht van de context, versta.

4.8.1 Ik meen ’s Hofs oordeel als volgt te kunnen weergeven:

a. vast staat dat [verweerster], als gevolg van de post-sterilisatie geboorte, vanaf 1984 gedurende twaalf jaar niet buitenshuis heeft kunnen werken (rov. 5.3);
b. vóór deze geboorte heeft [verweerster] nimmer werkzaamheden in dienstverband verricht waarmee zij, over een relevante periode, het netto minimumloon had kunnen verdienen (rov. 5.6);
c. gezien haar beperkte werkervaring één ontbrekende scholing zou [verweerster] (vrijwel) “voltijds” moeten werken om het minimumloon te kunnen verdienen (rov. 5.7);
d. vanaf 1989 is de bereidheid tot scholing één “permanente bereidheid tot werken” gebleken (rov. 5.8).

4.8.2 Bij deze stand van zaken gaat het er, volgens het Hof, om of [verweerster] “in de jaren vanaf 1984 (…), mogelijk na scholing, een (vrijwel) full time baan zou hebben kunnen verwerven”. Daarbij heeft het Hof dan in het bijzonder het oog op de horeca (rov. 5.8).

4.8.3 In rov. 5.10 respondeert het Hof op de in rov. 5.9 weergegeven bewering van KUN dat, veronderstellenderwijs aannemend dat [verweerster] na 1980 gedurende 20 uur per week zou hebben gewerkt, zij nimmer een hoger inkomen had kunnen genieten dan zij daadwerkelijk had. Het Hof passeert dit betoog omdat – kort gezegd – [verweerster] over de periode na 1984 haar stellingen niet kan bewijzen, behoudens haar werkzaamheden voor [betrokkene 1] (zie onder 2.15.2). Daarom gaat het Hof aan de stellingen van KUN voorbij.

4.9.1 Het in rov. 4.8.3 genoemde oordeel bedoelt ongetwijfeld voort te bouwen op ’s Hofs onder 4.8.1 en 2 weergegeven oordeel. In mijn eigen woorden gezegd komt het neer op het volgende: thans (in 2000, het jaar van ’s Hofs arrest) is geen relevant materiaal meer voorhanden om een verantwoord oordeel te vellen over hetgeen [verweerster], gelet op haar eerdere werkzaamheden, na 1984 had kunnen verdienen. Daarom maakt het Hof zich los van het arbeidsverleden van [verweerster] en richt het zich op de onder 4.8.2 genoemde vraag die onmiskenbaar voortbouwt op hetgeen onder 4.8.1 onder d werd vermeld.

4.9.2 In deze benadering, waarin het zwaartepunt wordt gelegd in een gebleken bereidheid tot scholing en werken vanaf 1989 (andermaal 4.1.8 onder d) is ’s Hofs oordeel voor de periode 1984 – 1989 niet geheel duidelijk. Het middel behelst daaromtrent geen klacht. Ik neem aan dat de reden daarvan is dat het Hof voor die periode nog geen definitief oordeel heeft geveld omdat het te dier zake een aantal nadere gegevens heeft gevraagd, zoals de vraag wanneer het voornemen tot het volgen van een opleiding is gerijpt; zie rov. 5.11.

4.10 Onderdeel 2.2 ziet voorbij aan ’s Hofs hierboven onder 4.8.1 onder d en 4.8.2 en 4.9.1 gememoreerde gedachtegang. In die visie gaat het betoog van KUN inderdaad niet op. Kennelijk heeft het Hof dat tot uitdrukking willen brengen in rov. 5.10 die in samenhang met de voorafgaande rechtsoverwegingen moet worden gelezen.

4.11 Onderdeel 2.3 klaagt er op zich terecht over dat het laatste deel van de laatste volzin van rov. 5.10 (vanaf: “nu ook”) onjuist is. Inderdaad rust de bewijslast op [verweerster] zoals de subonderdelen 2.3.1 en 2.3.3 met juistheid aanvoeren.

4.12 Zulks kan KUN evenwel niet baten omdat ’s Hofs oordeel – voor de periode vanaf 1989 – tegen de achtergrond van zijn in cassatie niet bestreden vaststelling zoals weergegeven onder 4.8.1 sub d niet onbegrijpelijk is. Aangenomen zal daarom moeten worden dat de door onderdelen 2.3.1 en 2.3.3 wéél bestreden passage een – niet gelukkig – obiter dictum is.

4.13 Subonderdeel 2.3.2 mist op dezelfde grond belang.

4.14 De subonderdelen 2.3.3.2 en 2.3.3.3 lopen eveneens stuk op ’s Hofs onder 4.8.1 sub d vermelde oordeel. In het licht daarvan doet hetgeen deze subonderdelen van belang achten niet meer ter zake.

4.15 Onderdeel 3 keert zich tegen ’s Hofs oordeel over de immateriële schade.

4.16 Ik begrijp ’s Hofs gedachtegang aldus. De sterilisatie beoogde een toekomst zonder (de zorg voor) kinderen. Bij zo’n keuze gaat het om “de wezenlijke inrichting van haar ([verweerster], JS) bestaan en dus haar persoonlijke levenssfeer.” Door de posterieure geboorte is van de beoogde toekomst niets terecht gekomen; het Hof werkt dat nader uit. Door de ernst van de aantasting kan [verweerster] aanspraak maken op smartengeld (rov. 6.5).

4.17.1 Uit de samenhang met rov. 6.3 valt m.i. op te maken dat het Hof bij bedoelde aantasting het oog heeft op een inbreuk op mensenrechten. Op welk(e) mensenrecht(en) het Hof concreet doelt, blijkt niet. Het is ook moeilijk in te zien.(9)

4.17.2 Het meest in de buurt komt m.i. art. 16 Universele Verklaring rechten van de mens en art. 12 EVRM. Het gaat in casu evenwel, anders dan in die bepalingen, niet om het recht een gezin te stichten maar juist – iets te kort gezegd – om het recht dat niet verder te doen.

4.17.3 Gedacht zou ook nog kunnen worden aan art. 8 EVRM (“family life”). Met respect voor familie- en gezinsleven in de zin van deze bepaling heeft het onderhavige geval weinig te maken. Respect voor haar keuze bestaat zeker,(10) maar daar gaat het rechtens niet om. In de rechtspraak van het EHRM is m.i. geen aanknopingspunt te vinden dat art. 8 ziet op gevallen als in deze procedure aan de orde.(11) Veronderstellenderwijs aannemend dat een situatie als de onderhavige zou vallen onder art. 8 EVRM (hetgeen ik niet geloof) leidt dat niet tot de slotsom dat [verweerster] aanspraak heeft op vergoeding van smartengeld. Vergoeding daarvan zou immers geen zinvolle bijdrage leveren aan de door art. 8 EVRM beschermde verhouding (een normaal gezinsleven) tussen haar en haar dochter.(12)

4.18 Voorzover het Hof zich dus heeft gebaseerd op inbreuk op een mensenrecht is zijn oordeel onjuist. Daarover klaagt het middel evenwel niet. Mede gelet op de s.t. lijkt KUN te menen dat ’s Hofs oordeel is gegrond op een regel van Nederlands recht. Het mist daarom feitelijke grondslag en behoeft strikt genomen geen bespreking.

4.19 Hierna ga ik ervan uit dat KUN zich niet bekommert – en rechtens niet behoeft te bekommeren (13) – om de precieze juridische grondslag van het bestreden arrest en dat voor het slagen van de klachten voldoende is dat de door het Hof naar voren geschoven inbreuk of aantasting in een geval als het onderhavige de vordering van [verweerster] niet kan dragen. Zo vat ik de kern van het onderdeel op.

4.20 In het wrongful birth-arrest(14) is de vraag summierlijk aan de orde geweest. In die zaak had het Hof overwogen:

“De vordering tot vergoeding van immateriële schade komt reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking omdat niet is gebleken dat de psychische gevolgen (…) van de geboorte en de opvoeding van het kind en van de daarmee verband houdende omstandigheid dat zij niet op het door haar beoogde tijdstip buitenshuis kon gaan werken, (…) van zodanige aard zijn, dat sprake is van geestelijk letsel dat grond geeft voor een vordering tot vergoeding van immateriële schade” (rov. 18).

4.21 Onderdeel 3 van het cassatiemiddel (van mr Wuisman) bracht daartegen in dat het Hof eraan voorbij had gezien dat – voorzover thans van belang – de vrouw door het op zich nemen van de zorg van het kind en het niet buitenshuis gaan werken “te kampen kreeg met de frustratie dat zij niet de beoogde positie had van een vrouw met een werkkring buitenshuis, die haar (…) niet alleen arbeidsvreugde zou geven maar ook de gelegenheid om zich verder te ontwikkelen en te vormen”. De klacht vervolgt dan:

“Deze omstandigheden, die alle een vorm van derving van levensvreugde inhouden in verband met een ongewenste, aan een medische beroepsfout toe te schrijven ingrijpende verandering in de persoon van O. (het weer zwanger worden), vormen rechtens (…) een voldoende grond om aan O. een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.”

Met name ook bestrijdt het onderdeel ’s Hofs oordeel dat voldoende grond voor afwijzing zou zijn dat – kort gezegd – geen sprake is van geestelijk letsel.

4.22 Deze klacht vindt geen gehoor bij de toenmalige A-G Vranken en evenmin bij Uw Raad. A-G Vranken besteedt, in rechtsvergelijkend perspectief (15), ampel aandacht aan deze kwestie; voor zijn belangwekkende uiteenzettingen verwijs ik naar de conclusie, met name onder 10, 13 – 15, 22, 25 – 31 en 40. Volgens Vranken is het “minst bevredigend, m.i. zelfs ronduit onjuist, (…) wanneer men de oplossing zou willen zoeken op het niveau van de dogmatiek, bijvoorbeeld in het begrip schade of in de gezinsplanning als persoonlijkheidsrecht” (23).

4.23.1 Uw Raad vat ’s Hofs oordeel kernachtig samen: van geestelijk letsel was geen sprake. Terstond hierop volgt afdoening van de klacht: ’s Hofs “met feitelijke waarderingen verweven oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering” (rov. 3.14).

4.23.2 Ik neem reeds een voorschot op het navolgende door kort te verwijlen bij de betekenis van dit arrest. M.i. kan het arrest niet anders worden begrepen dan aldus: onder de vigeur van het oude recht werd de deur voor smartengeldvorderingen buiten de sfeer van geestelijk (of lichamelijk) letsel gesloten gehouden. De ferme bewoordingen en het achterwege blijven van vaak voorkomende tournures als in beginsel etq wijzen daarop.

4.23.3 Reeds onder het oude recht heeft de Hoge Raad in bepaalde gevallen smartengeld gegrond op “aantasting van de persoon”.(16) Daarmee is m.i. niet per se gezegd dat in feite reeds werd geanticipeerd op art. 6:106 lid 1 onder b BW. De gevallen waarin zulks geschiedde pasten in de opvattingen in binnen- en buitenland dat in dergelijke gevallen vergoeding aangewezen is. Staat men haar niet toe, dan zou in feite niets tegen dergelijke handelingen kunnen worden ondernomen. De vraag of in de rechtspraak reeds volledig werd geanticipeerd op hetgeen thans is geregeld in art. 6:106 lid 1 onder b BW behoeft op de hierna te ontwikkelen gronden m.i. geen beantwoording. Voldoende is thans te constateren dat in voorkomende gevallen, waarin toekenning van smartengeld (in hoge mate) wenselijk werd geacht, de mogelijkheid reeds bestond te grijpen naar het wapen van “aantasting in de persoon”.

4.23.4 Hoewel het cassatiemiddel in de wrongful birth-zaak niet per se dwong het te lezen in de zojuist bedoelde sleutel, bood het m.i. ruim voldoende aanknopingspunten om een eventuele vergoedingsverplichting buiten de sfeer van geestelijk letsel de omhelzen. Nu Uw Raad die handschoen niet heeft aangenomen, sterker, deze in de meest algemene bewoordingen afwijst, zal m.i. mogen worden aangenomen dat Uw Raad naar oud recht geen enkele mogelijkheid zag of wilde aanvaarden om tot vergoeding te geraken. Daarop wijst ook het slot van de hierboven geciteerde rov.: “Reeds hierop stuit het onderdeel af” (cursivering toegevoegd).

4.24.1 Alvorens stil te staan bij de reacties op dit arrest en een korte rechtsvergelijkende excursie te maken, lijkt goed nog enkele aspecten van het arrest in herinnering te roepen.

4.24.2 In de eerste plaats is m.i. van belang dat het geven van een aanspraak (met betrekking tot bepaalde kosten) niet betekent dat het kind als schadefactor wordt gezien. Uw Raad wijst er op dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het voorkomen van anonieme gezinsuitbreiding en het aanvaarden van het kind zodra het is geboren. Bovendien moet het mogelijk zijn het kind duidelijk te maken dat het niet zelf als schadefactor wordt gezien, nog daargelaten dat zo’n indruk door liefdevol grootbrengen zou kunnen worden geloochenstraft (rov. 3.9). In casu zal mogen worden aangenomen dat [verweerster] haar dochter aldus heeft grootgebracht.

4.24.3 Heel kort gezegd wordt, bij wege van obiter dictum, overwogen dat de bomen niet tot in de hemel groeien. De boodschap is duidelijk dat bovenmatige kosten van opvoeding c.a. niet voor vergoeding in aanmerking komen. Bovendien wordt matiging geïndiceerd ingeval de arts niet is verzekerd (rov. 3.11).

4.24.4 Ten slotte wordt nog aandacht geschonken aan het argument der voordeelstoerekening. Dienaangaande wordt overwogen:

“Veeleer moet ervan worden uitgegaan dat immateriële voordelen slechts in rekening behoren te worden gebracht bij de vaststelling van immateriële schade” (rov. 3.10).

4.25.1 In de literatuur is het arrest in het algemeen zeer positief ontvangen. Het oordeel inzake smartengeld is enigszins verdeeld. De teneur is onmiskenbaar een oproep tot terughoudendheid.

4.25.2 Brunner kan zich vinden in het gegeven oordeel maar tekent daarbij aan dat het hem niet zou verbazen als de rechter het inbreuk maken “om te bepalen of en wanneer zij een kind wil krijgen” zou gaan zien als een inbreuk op een persoonlijkheidsrecht in de zin van art. 6:106 BW.(17)

4.25.3 Hijma meent dat in ernstiger gevallen waarin van geestelijk letsel kan worden gesproken vergoeding niet ondenkbaar is. Maar hij maant tot voorzichtigheid.(18)

4.25.4 Stolker spreekt de hoop uit dat de rechter vergoeding blijft beperken tot (hooguit) situaties waarin er geestelijk letsel is.(19)

4.25.5 Vansweevelt vraagt zich – in meer algemene context – af waarom niet de gewone regels van het aansprakelijkheidsrecht worden toegepast. Bij een andere opvatting spelen z.i. teveel subjectieve factoren een rol.(20) Hij geeft het intrigerende voorbeeld van de fabrikant die een verkeerd condoom op de markt brengt.(21) Naar zijn oordeel is niet juist dat de ouders in beginsel geen “morele schadevergoeding” kunnen eisen.(22)

4.25.6 In het NJB van 14 maart 1997 spreekt een aantal auteurs zich over het arrest uit waarin met name ook de ethische en rechtspolitieke vragen aan bod komen. De filosoof Cobben meent dat de schade in de allereerste plaats immaterieel is; zijn inziens zou daarvoor een forse vergoeding op haar plaats zijn.(23)

4.25.7 Hartlief juicht de terughoudende koers van Uw Raad toe; dat geldt ook voor de voordeelstoerekening bij immateriële schade. Zie ik het goed dan meent hij dat voor vergoeding slechts plaats is bij een “erkend psychisch ziektebeeld”.(24)

4.26.1 In twee belangrijke recente dissertaties is ampel aandacht aan deze kwestie en meer in het algemeen aan de betekenis van persoonlijkheidsrechten geschonken. Lindenbergh betoogt – terecht m.i. – dat betekenis toekomt aan de maatschappelijke waardering van belangen zoals deze zich geleidelijk heeft gevormd.(25) Hij maant evenwel tot een zekere terughoudendheid.(26) Vergoeding wegens eventuele psychische belasting als gevolg van het bestaan van het kind moet z.i. buiten beschouwing blijven; schending van persoonlijkheidsrechten biedt daarvoor geen stevige grondslag.(27) In een latere publicatie is Lindenbergh, als ik het goed zie, enigszins opgeschoven ten gunste van vergoeding.(28)

4.26.2 Volgens Verheij is de vraag of een smartengeld-vordering kan worden gehonoreerd naar geldend recht niet gemakkelijk te beantwoorden.(29) Hij meent dat de rechtshandhavingsfunctie de sleutel is die de poort naar vergoeding opent; in dat verband tekent hij aan dat gezinsuitbreiding een ingrijpende verandering van het persoonlijk leven is en “derhalve” een inbreuk op de privacy vormt.(30) Daartegen pleit, nog steeds volgens Verheij, dat de rechtshandhaving sowieso reeds aan bod komt omdat materiële schade moet worden vergoed. Zelf zou hij “er geen moeite mee hebben om steeds smartengeld toe te kennen wegens een inbreuk op het recht op gezinsplanning”.(31) Extra rechtshandhaving acht hij in deze context “verdedigbaar”. Ook niet-toekenning is in zijn ogen verdedigbaar.(32)

4.27.1 Tot slot van onze (mijn) zoektocht enkele impressionistische rechtsvergelijkende kanttekeningen.(33)

4.27.2 Smartengeldvorderingen worden niet toegewezen naar Belgisch (34), Grieks (35) en Zuid-Afrikaans (36) recht.

4.27.3 Naar Engels recht is smartengeld mogelijk, doch slechts voor de gevolgen van de zwangerschap en een tweede operatie.(37) Hetzelfde geldt voor Duits recht, waarbij het gaat om bedragen in de orde van grootte van 3000 Euro;(38) onder Oostenrijks contractenrecht lijkt eenzelfde oplossing te worden gevonden.(39)

4.27.4 Hoewel Frans recht in beginsel afwijzend staat tegenover vergoeding van schade ten gevolge van een mislukte sterilisatie, is zij onder meer mogelijk ingeval de moeder psychische schade lijdt als gevolg van de geboorte.(40) Naar ik begrijp, is de verstoring van toekomstplannen en -verwachtingen geen basis voor vergoeding.(41) Recente Spaanse rechtspraak is verdeeld.(42) Datzelfde geldt voor de Verenigde Staten.(43)

4.28 Het wordt tijd de balans op te maken. M.i. heeft Uw Raad in het uitvoerig besproken wrongful birth-arrest toekenning van smartengeld beperkt tot gevallen waarin sprake is van geestelijk letsel van een zekere ernst; zie onder 4.23. De feiten in deze zaak spelen zich af véér voor de datum waarop dat arrest is gewezen. Alleen al om die reden moeten er bijzonder klemmende gronden zijn om thans anders te oordelen. Daarbij stip ik aan dat ten minste aan twijfel onderhevig is of het met terugwerkende kracht veranderen van het aansprakelijkheidsrecht verenigbaar is met art. 1 Eerste Protocol EVRM.(44)

4.29.1 Het gaat hier, als gezegd, (gedeeltelijk) om een principiële procedure. Als men per se wil, zijn er verschillende mogelijkheden om te komen tot een ander oordeel dan in het hiervoor uitvoerig besproken wrongful birth-arrest.

4.29.2 In de eerste plaats zou kunnen worden benadrukt dat hier sprake is van een andere juridische grondslag (te weten: aantasting in de persoon). Om de onder 4.23 aangegeven reden lijkt die opvatting mij intussen minder juist.

4.29.3 Ook zou kunnen worden beklemtoond – en daarvoor valt meer te zeggen – dat art. 6:106 lid 1 onder b BW een zekere verruiming biedt ten opzichte van het oude recht, waarbij het m.i. niet noodzakelijk is om nauwkeurig aan te geven waar dat het geval is. [Verweerster] vindt bij deze benadering geen baat omdat deze procedure, naar het Hof in cassatie niet bestreden, heeft geoordeeld, door het oude recht wordt beheerst. Mocht Uw Raad menen dat de vordering thans wel mogelijk is, dan lijkt het met het oog op de rechtsontwikkeling en (vermoedelijk vele) zaken waarin die vraag speelt zinvol zulks aan te geven.

4.29.4 Kortom: het lijkt zinvol om onder ogen te zien of op de voet van art. 6:106 lid 1 onder b BW vergoeding van smartengeld mogelijk is wanneer geen sprake is van geestelijk of lichamelijk letsel.

4.30 Ik onderschrijf de opvatting van de toenmalige A-G Vranken dat men zich hier los moet maken van denken in juridische dogmatiek. Met Vansweevelt (en anderen) meen ik dat voorkomen moet worden dat een beslissing te veel afhankelijk is van toevallige ethische (maar daarmee niet minder subjectieve) opvattingen waarvan onduidelijk is of deze op een breed maatschappelijk draagvlak kunnen bogen.
4.31.1 Het sterkste argument pro vergoeding is ongetwijfeld een gevalsvergelijking.(45) Het is, in elk geval op het eerste gezicht, niet goed uit te leggen waarom vergoeding wéél mogelijk is ingeval van relatief triviale gevallen van letsel c.a. en niet in een geval als het onderhavige waarin het leven van een vrouw, door wanprestatie of onrechtmatige daad van een derde, een geheel andere invulling krijgt dan zij had gewild.

4.31.2 Zelfs als men voorbij ziet aan – door de wet geregelde – gevallen als in het water gevallen pakketreizen (46), levert de rechtspraak een keur van gevallen waarin vergoeding is toegekend voor gevallen die, naar objectieve maatstaven gemeten, bepaaldelijk minder ingrijpend zijn voor de benadeelde.(47) Een greep uit vele: a) een onrechtmatig gelegd beslag;(48) b) opzegging van een krediet;(49) c) gevallen waarin de persoonlijke levenssfeer wordt aangetast, doorgaans door publicaties (50) en d) niet ernstig lichamelijk letsel.(51)

4.32 Bezien vanuit juridische optiek gaan de vergelijkingen mank. Hoe men ook moge denken over de wenselijkheid van toekenning van smartengeld in gevallen als zojuist bedoeld, zij past binnen het stelsel van de wet en is daarmee in feite onvermijdelijk.(52)

4.33 Een geval als het onderhavige káán worden gebracht onder art. 6:106 lid 1 onder b BW. Káán, want een noodzaak daartoe bestaat niet. Uit de wetsgeschiedenis valt niet op te maken of de wetgever zulks heeft gewild. Als gezegd biedt ook de rechtspraak daarvoor geen basis, terwijl de doctrine evenmin in meerderheid daarvoor pleit. Bij die stand van zaken komt het m.i. aan op de kracht van de argumenten voor en tegen.

4.34 Tegen het aannemen van vergoeding pleit m.i. in de eerste plaats dat niet blijkt van een duidelijke maatschappelijke wens (53) om een vergoedingsplicht in het leven te roepen. Hiervoor bleek dat ook in het buitenland voorzichtigheid en terughoudendheid troef is.

4.35 Bij verschillende gelegenheden heb ik er op gewezen dat het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht m.i. uit balans is geraakt. Te weinig oog bestaat voor interne gevalsvergelijking. Als men zich daaraan wil zetten, dan is er m.i. onvoldoende reden om zich te beperken tot hetgeen onder 4.31 werd opgemerkt. Veeleer ligt in de rede het hele stelsel van aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht in de particuliere sfeer onder de loep te nemen. Dat is evenwel geen taak van de rechter. Daar komt bij dat hij, zeker binnen de helaas betrekkelijk beperkte tijd die voor individuele zaken beschikbaar is, niet (steeds) alle consequenties van deze of gene keuze zal kunnen overzien.

4.36 Bij deze stand van zaken past terughoudendheid bij het inslaan van nieuwe wegen buiten de duidelijk door wetgeving en eerdere rechtspraak geplaveide paden. Dat geldt eens te meer nu “interne gevalsvergelijking” niet aanstonds pleit voor het aannemen van een vergoedingsplicht. Immers is zuinigheid troef waar het betreft de kosten van opvoeding c.a. ingeval van wrongful birth.(54) Ligt het vergoeden van niet materiële schade dan wel voor de hand?

4.37 Daar komt bij dat, in het licht van allerhande onzekerheden over hetgeen de toekomst voor het aansprakelijkheidsrecht in petto heeft, verdere uitbouw van het aansprakelijkheidsrecht gedegen onderbouwing behoeft.(55) Er zijn in casu stellig redenen voor aan te voeren, maar er pleit ook veel tegen. Dan heeft de Romeinse wijsheid om ingeval van twijfel te “abstineren” aan betekenis nog niet ingeboet.

4.38 Voorstanders van toekenning van smartengeld in gevallen als de onderhavige zullen ongetwijfeld aanvoeren dat de vrees voor verstrekkende consequenties overtrokken lijkt, dat nog maar zeer de vraag is of het aansprakelijkheidsrecht daadwerkelijk aan de vooravond staat van stormachtige ontwikkelingen in feitelijke zin en dat het daarom niet aangaat om op zich wenselijke ontwikkelingen tegen te houden. Deze veronderstelde tegenwerping raakt de kern van mijn betoog. Ik sta daarbij langer stil.

4.39 Vooropgesteld zij dat in casu m.i. geen sprake is van een situatie waarin de wenselijkheid van een vergoedingsplicht zich opdringt. Daarvoor zijn, als gezegd, wéél argumenten aan te voeren; argumenten die zeker ook gewicht in de schaal leggen. Niet te ontkennen valt dat verstoring van een gewenste toekomst een ingrijpende aangelegenheid is.

4.40.1 Daarmee is nog niet gezegd dat de balans van – huiselijk gezegd – een post sterilisatie geboorte negatief is. De vraag of dat in een concreet geval zo is, valt m.i. ook nauwelijks te beantwoorden. Hoewel begrijpelijk is dat [verweerster] die vraag vanuit het “heden” tracht te beantwoorden, is hoogst twijfelachtig of dat het juiste perspectief is.

4.40.2 Veronderstellenderwijs al aannemend dat

* de balans negatief is over de gehele periode dat haar kind nog thuis woont – of dat zo is valt slechts na afloop te zeggen –
* dat dit soort discussies in de rechtszaal thuishoren en
* dat de rechter daarover een zinvol oordeel kan vellen,

wordt over het hoofd gezien dat er (in veruit de meeste gevallen) een leven is nadat het kind het huis zal hebben verlaten om bijvoorbeeld te gaan studeren, werken of trouwen. In veel gevallen (niet in alle, maar wat kan een rechter daarover in een concreet geval zeggen?) komt er een moment waarop kinderen vooral een bron van troost en vreugde (kunnen) zijn. Als men de niet materiële gevolgen van de geboorte op geld wil gaan waarderen, is er geen goede grond om met deze laatste omstandigheid géén rekening te houden.

4.41 Ik kan het ook anders zeggen. Het is vrijwel ondoenlijk om een zinvolle maatstaf te vinden om de smart te meten en daarmee om een verantwoord bedrag vast te stellen. Wanneer men, zoals Uw Raad eerder heeft gesuggereerd (56), immaterieel voor- en nadelen tegen elkaar moet gaan afwegen, is het – in elk geval bij de geboorte van gezonde kinderen – m.i. verstandig (in beginsel) aan te nemen dat de voordelen de nadelen in evenwicht houden. Voor smartengeld is dan in gevallen als het onderhavige geen plaats.(57)
4.42 Tegen deze achtergrond bezien, kom ik in feite niet meer toe aan de andere elementen van de onder 4.38 opgeroepen tegenwerpingen. Ten overvloede daarover toch een korte beschouwing.

4.43 Naast hetgeen ik reeds eerder heb opgemerkt over de onzekerheden die de toekomst in petto heeft, wijs ik op het volgende. Wie de rechtspraak volgt en wie kennis neemt van de vele vragen die – begrijpelijkerwijs, bezien vanuit de optiek van benadeelden, daartoe ten dele aangespoord door de wetenschap die allerlei openingen en mogelijkheden ziet of probeert te creëren (58) – alleen al de laatste twee jaar aan Uw Raad zijn voorgelegd, wordt bevangen door een zekere vrees. Zou het in de meeste gevallen gaan om eenmalig voorkomende gebeurtenissen, dan zouden de consequenties veelal beperkt zijn. Maar daar gaat het zelden om.

4.44 Daar komt bij dat het openen of zelfs maar op een kier zetten van de deur waarop [verweerster] klopt consequenties kan hebben die moeilijk zijn te overzien.(59) Het gebeurt helaas met regelmaat dat een wanprestatie of onrechtmatige daad verstrekkende gevolgen heeft; dat daardoor levens een andere wending of invulling krijgen.(60) Nu de argumenten pro vergoeding niet, laat staan duidelijk, zwaarder wegen dan die contra, verdient het varen van een voorzichtige koers m.i. de voorkeur.

4.45.1 Bedacht moet nog worden dat sterilisaties, naar ik meen, zéér regelmatig plaatsvinden. Stolker gaat uit van een aantal van 1,4 miljoen tussen 1971 en 1985.(61) Bij een dergelijke veelheid moet het mogelijk zijn de oplossing te zoeken in first party-verzekeringen voor niet materiële schade, al dan niet aangeboden door de artsen of ziekenhuizen.(62) Het voordeel daarvan is niet alleen dat gecompliceerde en belastende procedures worden voorkomen, belangrijker nog lijkt mij dat betrokkenen zelf kunnen kiezen voor welk bedrag zij zich willen verzekeren. Men zou zich kunnen voorstellen dat in de behandelingsovereenkomst wordt opgenomen dat de behandelaar de premie vergoedt wanneer later blijkt dat een fout is gemaakt.

4.45.2 Een dergelijke oplossing is m.i. ook daarom te verkiezen omdat gerede twijfel mogelijk is over de (blijvende) verzekerbaarheid van medische aansprakelijkheid.(63)

4.46.1 Ik kom tot een afronding. Bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling bestaat, buiten gevallen van geestelijk of lichamelijk letsel, voor toekenning van smartengeld in dit soort gevallen geen grond. Dat geldt voor het huidige recht en daarmee a fortiori voor het oude recht.(64) Voor het oude recht had Uw Raad m.i. reeds in die zin geoordeeld; zie hierboven onder 4.23.

4.46.2 Voor heroverweging van de eerder door Uw Raad geformuleerde regel pleiten zeker argumenten. Doch zijn m.i. niet zo zwaarwegend dat er voldoende grond is om smartengeld thans toe te kennen buiten gevallen van letsel. Daarbij weegt voor mij zwaar dat binnen en buiten ons land door velen tot terughoudendheid wordt gemaand. Bovendien zijn de consequenties van een ruimhartiger koers moeilijk te overzien.

4.46.3 Bij deze stand van zaken verdient het geen aanbeveling om in casu aan te nemen dat sprake is van aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106 lid 1 onder b BW. Of een dergelijke regel reeds bestond onder het oude recht is dan zonder belang.

4.46.4 Met het oog op thans in feitelijke aanleg aanhangige procedures en – naar valt aan te nemen – vele gevallen die de rechter (nog) niet hebben bereikt, zou het m.i. nuttig zijn dat Uw Raad ook – al dan niet als obiter dictum – over het huidige recht een oordeel geeft.

4.47 Dit alles brengt mee dat de kernklacht van onderdeel 3 hout snijdt. Op de afzonderlijke klachten behoef ik daarom niet in te gaan.

4.48 Volledigheidshalve stip ik nog aan dat subonderdeel 3.5 niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. omdat niet wordt aangegeven waar KUN een dergelijke stelling in feitelijke aanleg heeft aangevoerd.(65)

5. BESPREKING VAN HET INCIDENTELE MIDDEL

5.1 Onderdeel 1 bestrijdt ’s Hofs oordeel dat in casu geen sprake is van geestelijk letsel of een aantasting in de persoon “door het toebrengen van psychische storingen”. In dit verband wijst [verweerster] op:
a. een video training bij een maatschappelijk werkster om te kunnen omgaan met de scheidingsangst van haar dochter;
b. de tijd die zij nodig had om haar plannen te herzien en de beperking dier plannen;
c. het missen van gesprekken met leeftijdgenoten en de daardoor ontstane vereenzaming;
d. het worden aangezien voor oma als gevolg van het leeftijdverschil.

Volgens het onderdeel had het Hof op deze stellingen moeten ingaan.

5.2 Ik stel voorop begrip te hebben voor de frustratie van [verweerster] toen zij tot de ontdekking kwam dat de sterilisatie niet het beoogde effect teweeg heeft gebracht; ook ’s Hofs arrest getuigt daarvan. Daarmee is evenwel niet gezegd dat deze rechtens ook moet leiden tot vergoeding. Er zijn veel andere situaties waarin het persoonlijk leven van iemand diep wordt beroerd maar waarin zulks juridisch niet kan worden vertaald in een aanspraak op financiële compensatie. Dat geldt zowel voor de vestiging van aansprakelijkheid als voor de toekenning van (onder meer) smartengeld.

5.3 Voorzover het onderdeel bedoelt te betogen dat, in een geval als het onderhavige, geestelijk of lichamelijk letsel geen voorwaarde is voor toekenning van smartengeld berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Ik moge verwijzen naar hetgeen daarover is gezegd bij de bespreking van het derde onderdeel in het principale beroep.

5.4.1 Voor het overige mist de klacht goeddeels feitelijke grondslag. In rov. 6.2 geeft het Hof een overzicht van de stellingen van [verweerster]. Het ligt voor de hand aan te nemen dat het deze vervolgens in zijn oordeel heeft betrokken.

5.4.2 Alleen de door het onderdeel gereleveerde video training (zie onder 5.1 sub a) komt in ’s Hofs weergave van de stellingen van [verweerster] niet voor.

5.5 Het Hof heeft onmiskenbaar geoordeeld dat de in rov. 6.2 genoemde omstandigheden – hoe ingrijpend voor [verweerster] ook – rechtens zonder belang zijn. Zulks omdat daaruit niet valt op te maken – en door [verweerster] trouwens ook niet is gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt – dat daardoor geestelijk letsel in de zin van art. 6:106 lid 1 onder b BW is ontstaan. Dat oordeel berust op een aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten. Het is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

5.6 Wat de video training betreft, heeft het Hof kennelijk aangenomen dat daardoor evenmin geestelijk letsel is ontstaan en dat deze er evenmin op wijst. Het heeft blijkbaar geoordeeld dat het tegendeel door [verweerster] onvoldoende is gesteld zodat afzonderlijke bespreking overbodig was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het onderdeel loopt hierop stuk.

5.7 Onderdeel 2 verwijt het Hof het “verzoek tot een voorlopig deskundigenonderzoek” niet als een bewijsaanbod te hebben aangemerkt. In het licht van “het gestelde” wordt dit onbegrijpelijk geoordeeld.

5.8 Het onderdeel voldoet niet aan de eisen van art. 410 lid 1 Rv. omdat niet uit de verf komt wat wordt bedoeld met “het gestelde”.

5.9 [Verweerster] ziet er trouwens aan voorbij dat, blijkens rov. 6.4, zij door de griffier van het Hof opmerkzaam is gemaakt op de omstandigheid dat het door haar gedane verzoek bij afzonderlijk verzoekschrift moest worden gedaan. Het Hof signaleert met juistheid dat [verweerster] daarop niet heeft gereageerd, waarbij het college stellig het oog heeft op hetzij het op de juiste wijze indienen van een dergelijk verzoek dan wel het bij akte of anderszins aangeven dat zij bewijs aanbood van haar stellingen.

5.10 Ik stip nog aan dat [verweerster] – gedeeltelijk door fouten van een harer rechtshulpbezorgers – thans in de derde procedure tegen KUN is verwikkeld en dat deze betrekking heeft op een feitencomplex uit 1979. Zeker bij die stand van zaken had [verweerster] niet (langer) kunnen volstaan met het enkel betrekken van stellingen zonder deze sua sponte enigszins (met deskundige verklaringen of anderszins) te onderbouwen. Ook partijen zelf moeten er een bijdrage aan leveren dat het recht binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM zijn loop kan krijgen.

5.11 Ten slotte miskent het onderdeel, zoals mr Van Staden ten Brink met juistheid opmerkt, dat een procespartij geen recht heeft op deskundigenonderzoek (s.t. onder 4.29).

5.12 Onderdeel 3 kant zich tegen ’s Hofs oordeel dat bij de bepaling van de omvang der vergoeding rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat sprake is van “een kennelijk onopzettelijke fout”. Als ik het goed zie dan gaat de klacht ervan uit dat ’s Hofs oordeel moet worden geplaatst in de sleutel van rechterlijke matiging. Bronnen voor de opvatting dat de mate van verwijtbaarheid zonder belang is, geeft de s.t. niet.

5.13 Voorzover het onderdeel een motiveringsklacht vertolkt ziet het eraan voorbij a) dat een rechtsoordeel daarmee niet met vrucht kan worden bestreden en b) dat het Hof aan een inhoudelijk oordeel nog niet is toegekomen.

5.14 Zou Uw Raad toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht dan faalt zij. Zowel in het kader van rechterlijke matiging(66) als bij de begroting van immateriële schade heeft de rechter een grote vrijheid. Bij beide mag de aard van de aansprakelijkheid meewegen.(67) Bij die stand van zaken valt moeilijk in te zien waarom de zwaarte van het verwijt geen rol zou mogen spelen. Te minder omdat zulks expliciet steun vindt in de parlementaire geschiedenis.(68)

5.15 Alle klachten in het incidentele beroep zijn m.i. ongegrond.

Conclusie

Deze conclusie strekt:

in het principale beroep:
tot niet-ontvankelijkheid-verklaring van KUN ten aanzien van onderdeel 2;
tot vernietiging voor het overige;

in het incidentele beroep
tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Met juistheid signaleert de Rechtbank in rov. 1 van haar vonnis dat het dossier van KUN onvolledig is. KUN heeft daarin geen aanleiding gevonden nadien het dossier te completeren.
2 Rov. 5.4 onder e van ’s Hofs arrest.
3 Deze brief trof ik slechts in het B-dossier aan. Niet wordt aangegeven op welke passage(s) wordt gedoeld. Hetgeen in de cva onder 3 in de eerdere procedure werd vertolkt, is met deze uiteenzetting onverenigbaar.
4 Overgelegd wordt een verklaring op briefpapier van Shellstation “De Kwakkenberg” waarin zekere [betrokkene 1] verklaart dat [verweerster] “in de periode juli 1980 tot november 1984” minimaal 20 uur per week heeft gewerkt “als kinderopvang en zorgde voor huishoudelijk werk”.
5 Hoe dit betoog valt te rijmen met de in de voorafgaande noot geciteerde verklaring van [betrokkene 1] wordt niet vermeld.
6 Mvg blz. 1.
7 O.m. HR 15 mei 1998, NJ 1998, 624 rov. 3.5.2; ingevolge rov. 3.5.1 komt het aan op de redelijke verwachting.
8 Mr Van Staden ten Brink lijkt dat te onderkennen. Ik vermoed dat hij om die reden in de s.t. onder 1.3 refereert aan de eerdere procedure. Ook daarin is, voorzover valt na te gaan, geen verklaring van Sunnotel overgelegd. Dat is vreemd als Sun Alliance zich destijds werkelijk al realiseerde dat zijn verklaring heel belangrijk was.
9 E.M.H. Hirsch Ballin spreekt in NJB 1997 blz. 478 over “het mensenrecht op gezinsplanning”. Niet geheel duidelijk is of hij daarbij het oog heeft op een bestaand recht; nog minder waar dat op zou zijn gebaseerd. Zie voorts, met name voor vindplaatsen, Schadevergoeding (Lindenbergh) art. 106 aant. 27.5.
10 Vgl. HR 21 februari 1997, NJ 1999, 145 CJHB rov. 3.8 tweede alinea.
11 Vgl. A-G Strikwerda voor HR 22 februari 2002, RvdW 2002, 48 onder 50 – 55 en A-G Langemeijer voor HR 8 september 2000, NJ 2000, 734 ARB onder 2.21 – 2.27.
12 Vgl. HR 22 februari 2002, RvdW 2002, 48 rov. 6.3.
13 Voor die opvatting is zeker het nodige te zeggen, al was het maar omdat ’s Hofs bedoeling niet uitmunt door helderheid.
14 HR 21 februari 1997, NJ 1999, 145 CJHB rov. 3.14.
15 Veel waardevolle rechtsvergelijkende gegevens zijn ook te vinden bij Thierry Vansweevelt, NTBR 1997 blz. 321 e.v.
16 HR 1 november 1991,NJ 1992, 58 rov. 3.5 (inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, bestaande in inbreuk op privacy) en HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 277 LWH rov. 3.5 (afdrukken van een naaktfoto). Zie voorts Asser-Hartkamp I (1988) nr 465.
17 NJ-noot onder 4. Dit betoog ziet m.i. enigszins voorbij aan de inkleding van de klacht en hetgeen daarover hiervoor werd gezegd.
18 AA 1997 blz. 438.
19 A&V 1997 blz. 102; eender in WPNR 6262 blz. 195.
20 NTBR 1997 blz. 322.
21 Idem.
22 Idem blz. 323/4.
23 NJB 1997 blz. 481. Zie ook G.G.G.J. van Roermund, RMThemis 1998 blz. 3 – 10.
24 Vrb 1997 blz. 34; aan het slot wijst hij erop dat denkbaar is dat anders wordt geoordeeld bij de geboorte van een niet gezond kind (blz. 35).
25 Smartengeld blz. 151.
26 Blz. 152 en 155.
27 Blz. 161/2.
28 Tijdschrift voor Vergoeding van Personenschade 2000 blz. 34/5; het betreft een bespreking van een vonnis van Rb. ‘s-Gravenhage 2 februari 2000. Die zaak ligt in zoverre anders dat het daarin gaat om de geboorte van een ernstig gehandicapt kind.
29 Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon blz. 507.
30 Blz. 508.
31 In een eerdere publicatie had hij zich m.i. stelliger uitgelaten ten gunste van vergoeding: VR 1998 blz. 355.
32 Blz. 508/509.
33 Zie ook Christian von Bar, Gemeineuropäisches Deliktsrecht I nr 582; zelf is hij geen voorstander van vergoeding.
34 H.A. Cousy en Anja Vanderspikken, in U. Magnus (ed.), Unification of Tort Law: Damages blz. 40.
35 Konstantinos D. Kerameus, in Magnus, a.w. blz. 114; daarbij verdient aantekening dat de reden is gelegen in het niet kunnen vorderen van smartengeld ingeval van wanprestatie.
36 Johann Neethling, in Magnus, a.w. blz. 168.
37 W.V.Horton Rogers, in Magnus, a.w. blz. 68/9. Ik stip hierbij aan dat de Engelse rechter in 2000 terughoudender is geworden dan hij was, zulks op gronden van “public policy”, Rogers t.a.p. Zie ook Macfarlane v. Tayside Health Board, afgedrukt in Walter van Gerven e.a. (red.), Tort Law (2000) blz. 92 e.v.
38 Ulrich Magnus, in dezelfde, blz. 101.
39 Helmut Koziol, in Magnus, a.w. blz. 20.
40 Suzanne Galand-Carval, in Magnus, a.w. blz. 85; een ruimhartiger koers wordt gevaren als sprake is van een gehandicapt kind.
41 Zie het bij Van Gerven, a.w. geciteerde arrest uit 1991 van de eerste kamer van de Cour de Cassation.
42 Zie uitvoerig Miquel Martin Casals, in Ulrich Magnus en Jaap Spier (ed.), European Tort Law, Liber Amicorum for Helmut Koziol blz. 179 e.v., met name blz. 179/180 en 187 e.v.
43 Zie Dan B. Dobbs, The Law of Torts (2000) blz. 791 e.v.; zie voorts Gary Schwartz, in Magnus, a.w. blz. 179.
44 Als Uw Raad thans vergoeding wil toekennen, kan dit probleem worden ondervangen door aan te geven dat in deze zaak, anders dan in de procedure die heeft geleid tot het eerdere arrest, sprake is van een andere juridische invalshoek, te weten: aantasting in de persoon.
45 In vergelijkbare zin A.J. Verheij, VR 1998 blz. 355 en mijn ambtgenoot Langemeijer voor HR 8 september 2000, NJ 2000, 734 ARB onder 27.
46 Art. 7:510 BW.
47 Zie voor vele voorbeelden Schadevergoeding art. 106 aant. 27.
48 HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366 CJHB rov. 5.
49 HR 2 mei 1997, NJ 1997, 662 Ma.
50 Zie voor voorbeelden Schadevergoeding art. 106 aant. 27.6 en Jane Wright, Tort Law & Human Rights (2001) blz. 163 e.v. Volledigheidshalve: de rechter mag ook afzien van toekenning van een bedrag: HR 27 april 2001, NJ 2002, 91 CJHB.
51 Zie nader Schadevergoeding art. 106 aant. 23.
52 In de hiervoor onder a) en b) genoemde gevallen werd duidelijk gemaakt dat een voorwaarde voor vergoeding is dat daadwerkelijk sprake is van geestelijk of lichamelijk letsel; voor inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (privacy) is, in het licht van de parlementaire geschiedenis, een basis te vinden; zie bijv. PG boek 6 blz. 380 en 382/3.
53 Vgl. HR 4 mei 2001, RvdW 2001, 99 rov. 3.7.2.
54 Zie onder 4.24.3.
55 Vgl. HR 22 februari 2002, RvdW 2002, 48 rov. 4.1 en mijn Rampscenario’s.
56 Zie onder 4.24.4.
57 Voor de onderhavige zaak speelt dit geen rol in het licht van ’s Hofs in de laatste volzin van rov. 6.7 gegeven – in cassatie niet bestreden – oordeel.
58 Dat is geen verwijt. Het is de taak van de wetenschap om na te denken over de stand van het recht en om te doordenken waartoe nieuwe wetgeving en rechtspraak zou kunnen leiden.
59 In vergelijkbare zin A-G Langemeijer voor HR 8 september 2000, NJ 2000, 734 ARB sub 27.
60 Ik voel mij niet geroepen om voorbeelden te geven; zie bijvoorbeeld Martin Casals, a.w. blz. 188 e.v. en W.V.Horton Rogers (ed.), Damages for Non-Pecuniary Loss in a Comparative Perpective (2001).
61 Aansprakelijkheid van de arts blz. 15.
62 In vergelijkbare zin Lord Slynn of Hadley, geciteerd door Van Gerven, a.w. blz. 94.
63 Zie O.A. Haazen en J. Spier, preadvies NJV 1996 blz. 19-22. Vgl. Thierry Vansweevelt, De beroepsaansprakelijkheidsverzekering van arts en ziekenhuis: een vergelijkende analyse nr 37.
64 Of eenzelfde regel heeft te gelden in een situatie dat een gehandicapt kind is geboren, laat ik thans rusten.
65 HR 11 januari 2002, NJ 2002, 82.
66 Dat volgt reeds uit de tekst van art. 6:109 BW. Ik laat daarbij rusten of deze bepaling in casu toepassing kan vinden; het middel behelst daaromtrent immers geen klacht.
67 Asser-Hartkamp I (2000) nr 466 en Schadevergoeding art. 106 aant. 31.
68 PG boek 6 blz. 388.

Rechters

Mrs. Neleman, Aaftink, Beukenhorst, de Savomin Lohman, Kop; A-G Spier

Instantie: Raad van State afdeling bestuursrechtspraak, 5 augustus 2002

Instantie

Raad van State afdeling bestuursrechtspraak

Samenvatting


De zaak betreft een tweede asielverzoek van een Soedanees echtpaar. Aan hun tweede aanvraag leggen zij (o.m.) het bestaan van een reëel risico op besnijdenis van hun, na de afwijzing van de eerste aanvraag geboren dochter ten grondslag. De Afdeling oordeelt dat gesteld noch gebleken is dat in de door het echtpaar in de eerste procedure aangevoerde ervaringen in het land van herkomst enige grond is gelegen om aan te nemen dat wegens bijzondere individuele omstandigheden bij terugkeer van appellanten naar dat land een reëel risico bestaat dat hun dochter in strijd met hun wensen zal worden besneden. Zodanige omstandigheden, voorgevallen na afloop van de eerste procedure, zijn aan de herhaalde aanvraag evenmin ten grondslag gelegd. Derhalve komt het beroep op de geboorte van hun dochter neer op een verwijzing naar de algehele situatie aangaande besnijdenis in het land van herkomst, hetgeen geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is, als bedoeld in art. 4:6 lid 1 Awb. De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, overwogen dat de staatssecretaris de herhaalde aanvraag onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikkingen heeft mogen afwijzen.

Volledige tekst


1. PROCESVERLOOP

Bij afzonderlijke besluiten van 14 juni 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) herhaalde aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 4 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te ”s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ”s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 juli 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1. Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde grieven.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan zij zich, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.

2.1.1. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000, meer in het bijzonder van artikel 91 – gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12 – is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op snelle en doelmatige wijze af te doen. De gewone behandeling wordt gereserveerd voor zaken waarin dergelijke vragen wel zijn gerezen.

2.1.2. Hetgeen in grief 1 is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat deze grief geen vraag opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeft, wordt, gelet op het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.2. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.
Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van die wet wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.2.1. Het toetsingskader in deze zaak wordt bepaald door voormeld artikel 4:6 van de Awb, mede bezien in verband met het bepaalde in voormeld artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Indien een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het oordeel komt dat daartoe geen termen zijn, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit. Het door appellanten ingestelde beroep kon dan ook slechts leiden tot de beoordeling of de staatssecretaris zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat zich na de eerdere in rechte onaantastbare besluiten, waarbij appellanten toelating is geweigerd, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.

2.3. Appellanten betogen in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hun stelling dat hun vijf maanden oude dochter bij terugkeer naar Soedan het slachtoffer zal worden van besnijdenis, geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, is.

2.3.1. Deze grief faalt. Uit voormeld artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, vloeit voort dat het aan de vreemdeling is om bij de aanvraag bijzondere, individuele omstandigheden aan te voeren die aannemelijk maken dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Gesteld noch gebleken is dat in de door appellanten in de eerste procedure aangevoerde ervaringen in het land van herkomst enige grond is gelegen om aan te nemen dat wegens bijzondere individuele omstandigheden bij terugkeer van appellanten naar dat land een reëel risico bestaat dat hun dochter in strijd met hun wensen zal worden besneden. Zodanige omstandigheden, voorgevallen na afloop van de eerste procedure, zijn aan de herhaalde aanvraag evenmin ten grondslag gelegd. Derhalve komt het beroep op de geboorte van hun dochter neer op een verwijzing naar de algehele situatie aangaande besnijdenis in het land van herkomst, hetgeen geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.
De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, overwogen dat de staatssecretaris de herhaalde aanvragen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikkingen heeft mogen afwijzen.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. BESLISSING

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. Loeb, Van Wagtendonk, Vlasblom