Instantie: Rechtbank Groningen, 31 mei 2002

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


Zie voor het feitencomplex deuitspraak van de voorzieningenrechter rechtbank Groningen d.d. 25 april 2002. In de onderhavige bodemprocedure vordert X dat Y wordt veroordeeld om de tatoeage van P. binnen zes maanden volledig te verwijderen, subsidiair deze onherkenbaar te maken door het aanbrengen van een andere tatoeage. Een en ander op verbeurte van een dwangsom van 200 per dag, wanneer Y niet na ommekomst van zes maanden een verklaring van een medicus kan overleggen waaruit het verwijderen c.q. onherkenbaar maken van de tatoeage blijkt. Het gevorderde komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat het primair gevorderde wordt toegewezen, met beperking van de dwangsom tot een maximum van € 40.000.

Volledige tekst

PROCESVERLOOP

Tegen gedaagde is verstek verleend.

Eiser heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden en onder overlegging van produkties, gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen om:
Primair: de tatoeage, zoals genoemd in alinea 4 van de inleidende dagvaarding, volledig te laten te verwijderen, hetgeen zou moeten blijken uit een verklaring afkomstig van een medicus, waaruit kan worden afgeleid dat de tatoeage is verwijderd en daarbij voorts te bepalen dat gedaagde een dwangsom zal verbeuren van 200 euro per dag, wanneer hij niet na ommekomst van zes maanden na het in dezen te wijzen vonnis deze verklaring kan overleggen;
subsidiair: de tatoeage, zoals genoemd in alinea 4 van de inleidende dagvaarding, onherkenbaar te laten maken door middel van het plaatsen van een tatoeage die geen afbeelding van eiser bevat over de tatoeage van het gezicht van [P] op een wijze waardoor [P] op geen enkele wijze te herkennen is, het geen zou moeten blijken uit een verklaring afkomstig van een medicus daarbij voorts te bepalen dat gedaagde een dwangsom zal verbeuren van 200 euro per dag, wanneer hij niet na ommekomst van zes maanden na het in deze zaak te wijzen vonnis deze verklaring kan overleggen;
met veroordeling in de kosten van deze procedure.

Vervolgens is door eiser vonnis gevraagd.

RECHTSOVERWEGINGEN

Het gevorderde komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat toewijzing kan volgen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsommen aan een maximum zal worden gebonden.

Nu de rechtbank het primair gevorderde zal toewijzen, zal hetgeen onder subsidiair gevorderde worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

1. veroordeelt gedaagde om de tatoeage, zoals genoemd in alinea 4 van de inleidende dagvaarding, volledig te laten te verwijderen;

2. bepaalt dat gedaagde binnen zes maanden na betekening van dit vonnis een verklaring afkomstig van een medicus dient te overleggen waaruit kan worden afgeleid dat de tatoeage is verwijderd;

3. bepaalt dat gedaagde een dwangsom van € 200 euro (tweehonderd euro) zal verbeuren voor iedere dag dat hij na het verstrijken van een termijn van zes maanden na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan de onder 2. opgenomen veroordeling te voldoen, met dien verstande dat maximaal € 40.000 euro (veertigduizend euro) aan dwangsommen verbeurd zal kunnen worden;

4. veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van eiser begroot op 258,18 euro aan verschotten, vermeerderd met de eventueel niet voor verrekening vatbare omzetbelasting en 390,25 euro aan salaris van de procureur;

5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Molema

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 23 mei 2002

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


B. vordert schadevergoeding van T. op grond van onrechtmatige daad, hierin bestaande dat T. als psychiater een affectieve relatie met haar is aangegaan terwijl zij in het kader van leertherapie bij hem in behandeling was. T. heeft het onrechtmatig handelen erkend, en voor het begin van de procedure ƒ 20.000 aan B. betaald; hij betwist meer verschuldigd te zijn.
Anders dan de rechtbank, die had geoordeeld dat het aangaan en gedurende meer dan een jaar laten voortduren van de relatie voor een niet onbelangrijk deel aan B. zelf moest worden toegerekend en op grond daarvan de vergoedingsplicht van T. beperkte tot 70% van de schade van B., oordeelt het hof dat de vergoedingsplicht van T. niet verminderd moet worden. Noch het feit dat de therapeutische relatie een leertherapie betrof, noch de leeftijd van B. (destijds 36 jaar) of haar opleidingsniveau als orthopedagoge/psychotherapeute in opleiding, rechtvaardigen het oordeel dat het aangaan en laten voortbestaan van de seksuele relatie in die mate (mede) aan B. zouden moeten worden toegerekend, dat de vergoedingsplicht van T. dienovereenkomstig zou moeten worden verminderd. Ook in een leertherapie ontstaat immers een volwaardige en volledige therapeutische relatie, waarin de patiënt/leerling zijn (haar) persoonlijke problemen en gevoelens prijsgeeft en daardoor in een afhankelijke en kwetsbare positie komt te verkeren ten opzichte van de arts/leraar. Er kan niet geoordeeld worden dat van B. zelf een meer prudent gedrag had mogen worden verwacht. De door T. overtreden zorgvuldigheidsnorm (als psychiater geen affectieve/seksuele relatie aangaan met een patiënt) is er naar zijn aard juist op gericht de patiënt te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van deze handelwijze, ook indien de patiënt zelf zou bewilligen in de seksuele relatie. De arts dient immers te beseffen dat de patiënt door de afhankelijkheids- en vertrouwensrelatie belemmerd wordt in een evenwichtige en vrije afweging; hij dient zich dan ook zonder meer te onthouden van het aangaan van een seksuele relatie. T. zal de door zijn onrechtmatig handelen ontstane schadeposten volledig dienen te vergoeden.
Terzake van inkomstenderving wijst het hof een bedrag van ƒ 7500 netto toe. Terzake van therapiekosten wijst het hof -na een tweetal bewijsopdrachten- een bedrag van ƒ 17.360 toe. Voor de bepaling van de immateriële schadevergoeding gaat het hof ervan uit dat het onrechtmatig handelen van T. ruim een jaar heeft geduurd, tot psychische klachten heeft geleid, en houdt het hof voorts rekening met een noodzakelijke therapie van drie jaren. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op ƒ 5.000. Het hof ziet geen gronden om op de voorgaande punten nog rekening te houden met verdere schadevergoeding, en wijst de vordering tot een schadevergoeding op te maken bij staat af. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten worden de kosten van rechtsbijstand, gemaakt ten behoeve van de tuchtzaak toegewezen. Het hof overweegt: ‘Indien een arts onrechtmatig handelt jegens een patiënt door een gedraging die ook tuchtrechtelijk ontoelaatbaar is (zoals het aangaan van een seksuele relatie met de patiënt), dient hij rekening te houden met de mogelijkheid dat de patiënt een klacht tegen hem in zal dienen. Het indienen van zo’n klacht is dan ook aan te merken als het redelijkerwijs te verwachten gevolg van het onrechtmatig handelen. Dat geldt evenzeer indien de arts zijn aansprakelijkheid jegens de patiënt erkent. Ook dan heeft de patiënt er in het algemeen een gerechtvaardigd belang bij om een tuchtzaak tegen de arts te beginnen, niet alleen in het kader van het verwerkingsproces, maar ook om de gedraging als misstand aan de kaak te kunnen stellen ten overstaan van de tuchtrechter. De patiënt zal dan ook de in redelijkheid voor de tuchtzaak gemaakte kosten kunnen verhalen op de arts.’ Hieronder vallen ook de kosten van de rechtsbijstand bij het indienen en de behandeling van de klacht. Ook de kosten van de rechtsbijstand in het kader van de schikkingsonderhandeling komen voor vergoeding in aanmerking. Totaal wordt voor de buitengerechtelijke kosten een bedrag van ƒ 6941,33 toegewezen.
Net als de rechtbank compenseert het hof de proceskosten. Echter niet omdat partijen een affectieve relatie hebben gehad (op welke grond de rechtbank naar het oordeel van het hof ten onrechte compensatie had toegepast), maar omdat de toegekende schadevergoeding aanzienlijk lager was dan hetgeen B. had gevorderd, terwijl T. zijn aansprakelijkheid in het geding niet betwist heeft, zodat geoordeeld wordt dat partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld.
De volledige tekst is niet opgenomen.

Volledige tekst

De volledige tekst is niet opgenomen.

Rechters

Mrs Van Manen, Heuveling van Beek en Barbas

Instantie: Raad van State, 22 mei 2002

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Overschrijding bevoegdheden. Geen goedkeuring voor bestemmingsplannen van de gemeenten Barneveld en Elburg. Beide gemeenteraden wilden met deze bestemmingsplannen de vestiging en exploitatie van bordelen en andere seksinrichtingen in hun gemeenten geheel verbieden. Dit ter bescherming van de openbare zeden. De Raad van State oordeelt dat dit een onjuist motief is.

Volledige tekst

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2000 heeft de gemeenteraad van Barneveld, op voorstel van burgemeester en wethouders van 21 november 2000, vastgesteld het bestemmingsplan “Gedeeltelijke herziening bestemmingsplanvoorschriften”.
Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 27 maart 2001, kenmerk RE2001.956, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 augustus 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R.C.F. Stolk, ambtenaar van de gemeente Barneveld, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. I. Smeenk, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om – in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen – te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.2. Met het plan wordt beoogd de vestiging van seksinrichtingen in de gehele gemeente Barneveld uit te sluiten. Hiertoe voorziet het plan in een wijziging van de algemene gebruiksbepaling van 76 bestemmingsplannen waardoor het gebruik van gronden, gebouwen, vaar- en / of voertuigen voor een seksinrichting wordt verboden.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders goedkeuring onthouden aan het plan.

2.3. Appellant kan zich met het bestreden besluit niet verenigen op de in het beroepschrift aangegeven gronden.

2.4. Verweerders hebben goedkeuring aan het plan onthouden wegens strijd met artikel 250 van het Wetboek van Strafrecht. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat het plan een absoluut verbod op het in bedrijf hebben van een seksinrichting inhoudt. Zij menen dat het plan leidt tot een algehele uitsluiting van prostitutie en dat een absoluut verbod in strijd is met de bedoelingen van de wetgever, die immers de gemeentebesturen de mogelijkheid heeft geboden een regulerend beleid te voeren.

2.5. Op 1 oktober 2000 is in werking getreden de wet Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, enige andere wetboeken en enige wetten (opheffing algemeen bordeelverbod), van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 464. Deze wet heeft onder meer tot doel het beheersen en reguleren van prostitutie, het verbeteren van de bestrijding van exploitatie van onvrijwillige prostitutie en het beschermen van de positie van prostitué(e)s.

2.5.1. De Afdeling stelt vast dat artikel 250 van het Wetboek van Strafrecht niet is gewijzigd bij de Wet opheffing algemeen bordeelverbod. Deze bepaling regelde zowel voor de wetswijziging als daarna, en ten tijde van het bestreden besluit niets omtrent de vestiging en exploitatie van seksinrichtingen. Daarnaast vormt tengevolge van de in 2.5 genoemde wetswijziging het beroepshalve of vanwege gewoonte opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door anderen met derden als bedoeld in artikel 250bis (oud) van het Wetboek van Strafrecht geen misdrijf tegen de zeden meer. Hieruit volgt dat verweerders artikel 250 noch enige andere bepaling uit het Wetboek van Strafrecht ten grondslag hadden kunnen leggen aan hun onthouding van goedkeuring.

Reeds hierom is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met de eis van een deugdelijke motivering zoals neergelegd in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Gelet op het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht overweegt de Afdeling omtrent hetgeen partijen verdeeld houdt het volgende.

2.6.1. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder A, van het plan wordt aan de begripsbepalingen van de bestemmingsplannen waarop het plan betrekking heeft, toegevoegd dat onder seksinrichting wordt verstaan een terrein, gebouw, vaar- of voertuig waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichten (lees: seksinrichtingen) worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder B, van het plan wordt aan de gebruiksbepalingen van de bestemmingsplannen waarop het plan betrekking heeft, toegevoegd dat onder verboden gebruik in ieder geval begrepen wordt een gebruik voor een seksinrichting.

2.6.2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening stelt de gemeenteraad voor het gebied van de gemeente dat niet tot de bebouwde kom behoort een bestemmingsplan vast, waarbij, voor zover dit ten behoeve van de ruimtelijke ordening nodig is, de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en zo nodig, in verband met de bestemming, voorschriften worden gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. Deze voorschriften mogen slechts om dringende redenen een beperking van het meest doelmatige gebruik inhouden.

Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

Ingevolge artikel 151a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de gemeenteraad een verordening vaststellen waarin voorschriften worden gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling.

2.6.3. De Afdeling overweegt dat aan de gemeenteraad in beginsel de bevoegdheid toekomt in een bestemmingsplan het gebruik van terreinen, gebouwen, vaar- of voertuigen voor seksinrichtingen te reguleren. Deze bevoegdheid dient te worden uitgeoefend ter behartiging van het belang van een goede ruimtelijke ordening en dient derhalve gestoeld te zijn op ruimtelijk relevante overwegingen en criteria. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat, wanneer een gemeenteraad het nodig oordeelt in een plan een regeling te treffen ten aanzien van een met name genoemde – legale – beroeps- of bedrijfsactiviteit, hij motiveert waarom die activiteit naar zijn mening zich uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onderscheidt van andere mogelijke vormen van gebruik van terreinen, gebouwen, vaar- of voertuigen.

2.6.4. Zoals blijkt uit de onder 2.5. genoemde wetswijziging heeft de wetgever in formele zin vanaf 1 oktober 2000 de vestiging en exploitatie van seksinrichtingen gelegaliseerd. Aldus heeft de wetgever te kennen gegeven dat de bescherming van de zeden een verbod, zoals dat voorheen in het Wetboek van Strafrecht was opgenomen, niet meer rechtvaardigt. De wetgever heeft het kennelijk voldoende geacht dat, in plaats van dat voorheen bestaande verbod, gemeenten thans een regulerend beleid voeren, dat wil zeggen, nadere regels stellen voor de uitoefening van dit soort bedrijven, doch die uitoefening niet als zodanig bij voorbaat geheel verbieden.

2.6.5. Blijkens de toelichting op het plan en het verhandelde ter zitting heeft de gemeenteraad beoogd het gebruik van terreinen, gebouwen, vaar- of voertuigen voor seksinrichtingen onmogelijk te maken vanwege de negatieve invloed van seksinrichtingen op de kwaliteit van de leef-, woon- en werkomgeving. Hierbij heeft de gemeenteraad doorslaggevend geacht dat de vestiging van seksinrichtingen leidt tot een aantasting van de sociaal-maatschappelijke structuur en indruist tegen de overheersende ethische opvattingen van de Barneveldse bevolking. Aldus heeft de gemeenteraad naar het oordeel van de Afdeling aan het plan een motief ten grondslag gelegd dat in overwegende mate strekt tot bescherming van de openbare zeden, dat wil zeggen een motief dat, zoals hiervoor is overwogen, reeds door de wetgever in formele zin volledig is afgewogen.

2.6.6. Gelet op het vorenoverwogene is de Afdeling van oordeel dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan zich niet alleen, zoals onder 2.6.5. is overwogen, heeft gebaseerd op een onjuist motief, maar ook de grenzen van zijn bij artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleende bevoegdheid heeft overschreden door zich bij die vaststelling niet uitsluitend te richten op de behartiging van het belang van een goede ruimtelijke ordening.

2.6.7. Nu uit het vorenstaande volgt dat verweerders ook bij het nemen van een nieuw besluit niet anders kunnen beslissen dan het onthouden van goedkeuring aan het plan, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 27 maart 2001, kenmerk RE2001.956;

III. onthoudt goedkeuring aan het bestemmingsplan “Gedeeltelijke herziening bestemmingsplanvoorschriften” dat bij besluit van

12 december 2000 door de gemeenteraad van Barneveld is vastgesteld;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. gelast dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Rechters

Mr. R.H. Lauwaars, mr. A. Kosto en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 21 mei 2002

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Hoger beroep van de uitspraak van Rechtbank Zwolle d.d. 4 april 2001. Y heeft het jongste kind van partijen met messteken gedood en beide andere kinderen levensgevaarlijk verwond. X vordert schadevergoeding zowel voor de twee kinderen, als voor haarzelf. Het hof bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank, en oordeelt dat het handelen van Y onrechtmatig jegens X is, nu hij het oogmerk had haar te treffen. Aan de vraag of er sprake is van shockschade komt het hof daarom niet toe. Het hof overweegt: ‘Zijn agressie was blijkens die brief niet tegen de kinderen maar tegen X gericht. Door in het kader van hun relationele strijd, de kinderen te doden zou hij haar psychisch op de meest ernstige wijze treffen. Daarmee had zijn handelen kennelijk bewust ten doel X, emotioneel te treffen, en is het gestelde oogmerk, als bedoeld in art. 6:106 aanhef en onder a BW en tevens het onrechtmatig handelen jegens X gegeven. Derhalve behoeft geen bespreking meer of en in hoeverre Y door onrechtmatig handelen jegens X aan haar shockschade heeft toegebracht.’
De volledige tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Volledige tekst

De volledige tekst is niet opgenomen.

Rechters

Mrs Makkink, Van Loo en Wefers Bettink

Instantie: Rechtbank Middelburg, 17 mei 2002

Instantie

Rechtbank Middelburg

Samenvatting


Werkneemster verzoekt na haar bevalling in deeltijd, gedurende de middaguren, te mogen werken. Werkgever staat deeltijdarbeid toe maar weigert toestemming voor het verrichten daarvan in de middaguren. In zijn tussenvonnis van 18 januari 2002 overweegt de Kantonrechter: …5.4 Op 1 juli 2000 is in werking getreden de Wet aanpassing arbeidsduur (hierna: WAA). Het verzoek van G. om voor 19 uur te mogen werken en uitsluitend ’s middags kan worden opgevat als een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur en om spreiding van de uren als bedoeld in art. 2 lid 1 en lid 6 WAA. 5.5. Nu partijen zich niet op die wet hebben beroepen, valt niet uit te sluiten dat art. 2 van die wet niet van toepassing is omdat bij Go. cs tene tijde dat G. het verzoek deed minder dan 10 werknemers in dienst waren. Indien art. 2 niet van toepassing is, dan dient de erkgever op grond van art. 2 lid 12 tweede zin WAA een regeling te treffen met betrekking tot het recht van de werknemers op aanpassing van de arbeidsduur. Go. cs dienen zich erover uit te laten welke regeling gold en hoe zij die regeling hebben toegepast op het verzoek van G. ……..
In het eindvonnis van 17 mei 2002 stelt de Kantonrechter dat, hoewel de Waa niet van toepassing is omdat minder dan tien werknemers in dienst zijn, het criterium van art. 2 lid 6 Waa wel van toepassing omdat dit kan worden gezien als een uitwerking van het beginsel van goed werkgeverschap van art. 7:611 BW. In casu leidt dit echter tot de slotsom dat de vordering van werkneemster moet worden afgewezen.
De verschrijving in het eindvonnis ten aanzien van de proceskosten (1989 euro in plaats van 810 euro) wordt met een herstelvonnis gewijzigd.

Volledige tekst

HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De navolgende proceshandelingen zijn verricht na het tussenvonnis van 16 november 2001;
– nadere uitlatingen

DE VERDERE BEOORDELING VAN DE ZAAK

1. De kantonrechter verwijst naar en handhaaft hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.

2. Uit de nadere uitlatingen van partijen blijkt dat bij Go. cs ten tijde dat G. heeft verzocht haar arbeidstijd aan te passen (van 38 naar 19 uur) minder dan 10 werknemers in dienst waren. Hieruit volgt dat op het verzoek van G. art. 2 lid 1 t/m 11 van de WAA niet van toepassing was.
Voorts is vast komen te staan dat Go. cs geen regeling had getroffen met betrekking tot het recht van haar werknemers op aanpassing van de arbeidsduur als bedoeld in art. 2 lid 12 van de WAA.

3. Go. cs hebben, ondanks het ontbreken van die regeling, het verzoek van G. tot aanpassing van de arbeidsduur gehonoreerd. De wens van G. om de verminderde arbeidsuren te spreiden in die zin dat zij uitsluitend ’s middags zou werken hebben zij niet gehonoreerd en in afwijking daarvan bepaald dat G. ’s ochtends diende te werken.

4. Indien de WAA wel van toepassing zou zijn geweest, dan zouden Go. cs alleen dan van de door G. gewenste spreiding hebben mogen afwijken indien zij daarbij een zodanig belang hadden dat de wens van G. daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moest wijken (art. 2 lid 6 WAA).

5. Er is geen goede reden om dit criterium ook niet toe te passen in de gevallen dat art. 2 lid 6 WAA niet direct van toepassing is omdat bij een werkgever minder dan 10 werknemers in dienst zijn. Dit criterium kan worden gezien als een uitwerking van de eisen van goed werkgever- en goed werknemerschap die op grond van art. 7:611 BW voor iedere arbeidsverhouding gelden.

6. Go. cs hebben ter onderbouwing van hun beslissing dat G. ’s ochtends diende te werken aangevoerd dat het werken in de
middaguren een onoverkomelijk probleem opleverde aangezien de werkzaamheden zich concentreren op de ochtenduren. G. heeft deze stelling betwist en aangevoerd dat zij altijd evenveel ’s ochtends als ’s middags heeft gereden.

7. Go. cs hebben voorts gesteld dat zij G. hebben gevraagd of haar moeder (die voor kinderopvang zou zorgen) haar werkzaamheden niet kon verplaatsen van de ochtenduren naar de middaguren en dat G. daarop heeft gereageerd geantwoord “als ik ’s middags niet kan werken dan moet je me maar ontslag geven”. G. heeft deze stelling niet betwist.

8. In beginsel bepalen Go. cs de spreiding van de arbeidsuren omdat zij als werkgever het ondernemersrisico dragen en met het oog daarop ook de bedrijfsvoering moeten kunnen bepalen. Kennelijk waren zij van mening dat de bedrijfsvoering het meest was gediend met het werken van G. tijdens de ochtenduren en die beslissing komt, gelet op de grootte van het bedrijf, niet onredelijk voor zodat die moet worden gerespecteerd. Daarnaast had van G. als goed werknemer verwacht mogen worden dat zij had uitgelegd waarom haar moeder haar werkzaamheden niet anders kon spreiden zodat zij wel in staat zou zijn om kinderopvang in de ochtenduren te verzorgen.

9. De slotsom is dat Go. cs aan G., die vanaf 1 maart 2001 geen werkzaamheden heeft verricht, volgens de hoofdregel van art. 7:627 BW geen loon is verschuldigd. De daarop betrekking hebbende vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. Wel toewijsbaar zijn de vordering wegens 8% vakantietoeslag over het loon van Å  2.544,10 bruto over de maand februari 2001 is Å  203,53 bruto, de tot 25% beperkte wettelijke verhoging daarover en de wettelijke rente vanaf 1 juli 2001 aangezien de vakantietoeslag op grond van art. 17 WMM uiterlijk op 30 juni 2001 betaald diende te zijn.

10. G. zal als de partij die nagenoeg volledig in het ongelijk wordt gesteld worden veroordeeld in de proceskosten.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Go. cs hoofdelijk aan G. te betalen € 115, 45 (ƒ 254,41) wegens vakantietoeslag en wettelijke verhoging met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2001;

veroordeelt G. in de proceskosten aan de zijde van Go. cs gevallen, tot deze uitspraak begroot op € 1.989 wegens salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Rechters

Mr. Melens

Instantie: President Rechtbank Zwolle, 16 mei 2002

Instantie

President Rechtbank Zwolle

Samenvatting


Eiser X (de eventuele vader) vordert in kort geding de niet verschenen gedaagde Y (de moeder) op straffe van een dwangsom te veroordelen haar medewerking te verlenen aan DNA-onderzoek ter vaststelling van zijn biologisch vaderschap over haar in 1999 geboren kind. Eiser stelt een stoplichtrelatie met de moeder gehad te hebben gedurende de twee jaar voorafgaand aan de geboorte van het kind. Eiser stelt tevens vanaf de geboorte regelmatig omgang met het kind te hebben. Ook zou de moeder eerdere beloftes om mee te werken aan een DNA-test teneinde twijfels bij eiser omtrent zijn eventuele vaderschap weg te nemen, niet zijn nagekomen. Zij handelt daarmee in strijd met haar rechtsplicht, aldus de president. De presidentacht het spoedeisend belang ter zitting aangetoond. Voorts overweegt de president dat eiser een persoonlijk belang heeft om te weten of hij de verwekker is van het kind, welk belang niet alleen van emotionele aard is maar ook van financiële in verband met eventuele (toekomstige) alimentatieaanspraken van Y voor het kind. Afgezien van dit persoonlijk belang speelt het algemeen belang een rol, in die zin dat het voor een ieder van groot belang is om zijn verwekker te kennen. De president is van oordeel dat eiser een gerechtvaardigd belang heeft bij toewijzing van de vordering, mede gelet op het feit dat Y in een eerder stadium wel haar medewerking aan een DNA-test had toegezegd. Y wordt veroordeeld om medewerking te verlenen aan DNA-onderzoek van het betreffende kind voorzover zij voor DNA-bepaling geschikt materiaal voorhanden heeft. Indien zij geschikt materiaal voorhanden zou hebben is zij verplicht tot afgifte daarvan. De begrenzing ligt in het feit, dat Y niet gehouden is de minderjarige zelf mee te nemen teneinde materiaal ter toetsing af te geven. Indien dit wel eisers bedoeling was, had hij het kind zelf in rechte dienen te betrekken. Er is geen hoger beroep ingesteld.

Volledige tekst

PROCESGANG

Eiser heeft gedaagde doen dagvaarden in kort geding.

Tegen de niet verschenen gedaagde is verstek verleend.

De vordering van eiser strekt ertoe bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen om na betekening van het vonnis haar medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek, uit te voeren door het CLB, afdeling Immunogenetica te Amsterdam, door te verschijnen op de eerstvolgende afspraak die door eiser met het CLB wordt gemaakt voor het uitvoeren van het onderzoek en tijdens die afspraak, op de wijze zoals voorgeschreven door het CLB, DNA-materiaal ter beschikking te stellen aan het CLB zomede mee te werken aan afgifte van DNA-materiaal van [minderjarig kind van gedaagde] voornoemd, zulks op straffe van een aan eiser te verbeuren dwangsom van €euro 1.000,- per keer voor elke keer dat gedaagde na betekening van het vonnis in gebreke blijft aan het gevorderde te voldoen, met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

Eiser heeft zijn vordering doen toelichten, waarna hij verzocht heeft om vonnis te wijzen.

1 MOTIVERING

1.1 In dit geding is in voldoende mate gebleken van het spoedeisend belang van eiser bij de vordering.

1.2 Bij gebreke van betwisting door gedaagde staat het door eiser feitelijk aan de vordering ten grondslag gelegde vast, te weten dat partijen in 1998 en 1999 een affectieve en seksuele relatie, die werd gekenmerkt door onderbrekingen, hebben gehad, dat gedaagde op 25 augustus 1999 het leven heeft geschonken heeft gegeven aan een kind over wie zij het ouderlijk gezag heeft, dat eiser vanaf de geboorte regelmatig omgang heeft met het minderjarige kind, en dat gedaagde aanvankelijk heeft gezegd dat een derde de biologische vader is van het minderjarige kind, maar later heeft verklaard dat eiser de biologische vader is. Hoewel gedaagde een aantal keren heeft toegezegd dat zij zou meewerken aan een DNA-test om eiser zekerheid te verschaffen over diens eventuele vaderschap, en eiser daartoe al concrete afspraken met het CLB, afdeling Immunogenetica te Amsterdam had gemaakt, is gedaagde die toezeggingen evenzo vele keren niet nagekomen. Laatstelijk heeft eisers raadsvrouw gedaagde tot de verlangde medewerking gesommeerd. Gedaagde heeft niet voldaan aan die sommatie.

1.3 Eiser heeft in dit kort geding veroordeling gevorderd van gedaagde om mee te werken aan een DNA-onderzoek ten einde bij eiser levende twijfels over zijn eventuele vaderschap van het minderjarige kind van gedaagde weg te nemen. Bij de beoordeling van die vordering is te verwachten dat met het onderzoek van het DNA van het kind de gewenste zekerheid voor eiser kan worden verkregen, in welke zin dan ook. Eiser heeft een persoonlijk belang om te weten of hij de verwekker is van het kind, welk belang niet alleen van emotionele aard is maar ook van financiële in verband met eventuele (toekomstige) alimentatieaanspraken van gedaagde voor het kind. Afgezien van dit persoonlijk belang speelt het algemeen belang een rol, in die zin dat het voor een ieder van groot belang is om zijn verwekker te kennen. In dat licht is het recht van het kind om zijn ouders te kennen vastgelegd in artikel 7 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. Door ondanks toezeggingen niet aan het verlangde DNA-onderzoek mede te werken handelt gedaagde in strijd met haar rechtsplicht.

1.4 Gelet op het vorenoverwogene is de president van oordeel dat eiser een gerechtvaardigd belang heeft bij toewijzing van de vordering. De vorderding is derhalve toewijsbaar, mede gelet op het feit dat gedaagde in een eerder stadium diverse keren haar medewerking aan een DNA-onderzoek heeft toegezegd. Daarbij wordt wel opgemerkt dat de in het dictum op te nemen veroordeling slechts een beperkte strekking heeft. Slechts wanneer gedaagde voor DNA-bepaling beschikbaar materiaal voorhanden zou hebben, is zij gehouden dit af te geven aan het laboratorium. Het dictum strekt echter niet zover dat de minderjarige gehouden is zich te begeven naar het CLB, afdeling Immunogenetica te Amsterdam, om aldaar DNA-materiaal af te staan. Voor zover eiser zijn vordering ook daartoe had willen doen strekken, had hij het kind zelf in rechte dienen te betrekken, derhalve door gedaagde in haar hoedanigheid van met het ouderlijk gezag beklede ouder van het minderjarige kind (mede) te dagvaarden.

1.5 De gevorderde dwangsom wordt als in het dictum bepaald gematigd en gemaximeerd.

1.6 Omdat partijen voormalige partners zijn, bestaat er aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder der partijen belast blijft met de eigen kosten.

BESLISSING

De president als voorzieningenrechter in kort geding:

I veroordeelt gedaagde om na betekening van het vonnis haar medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek, uit te voeren door het CLB, afdeling Immunogenetica te Amsterdam, door te verschijnen op de eerstvolgende afspraak die door eiser met het CLB wordt gemaakt voor het uitvoeren van het onderzoek en tijdens die afspraak, op de wijze zoals voorgeschreven door het CLB, DNA-materiaal ter beschikking te stellen aan het CLB zomede mee te werken aan afgifte van DNA-materiaal betreffende het minderjarige kind [minderjarig kind van gedaagde], op straffe van verbeurte van een dwangsom van €euro 250,- per keer voor elke keer dat gedaagde na de betekening van het vonnis in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van €euro 12.500,-;

II compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder der partijen belast blijft met de aan de eigen zijde gevallen kosten;

III verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

mr. Maan

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 8 mei 2002

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Bij arrest van 11 oktober 2000 heeft het Gerechtshof Leeuwarden B. veroordeeld tot betaling aan D. van een voorschot van ƒ 18.620, vermeerderd met wettelijke rente, wegens onrechtmatige seksuele contacten met D. (RN 2001/3, nr. 1328). Tevens is B. veroordeeld in de proceskosten van de verschillende procedures. B vordert thans voor de Rechtbank Amsterdam dat D. het door hem aan haar betaalde terugbetaalt. Tevens vraagt hij de rechtbank voor recht te verklaren dat de vordering van D. is verjaard, althans dat B. niet onrechtmatig jegens D. heeft gehandeld, althans dat D. tengevolge van de handelingen van B. geen schade heeft geleden. In reconventie vordert D. een hogere schadevergoeding, mede omdat haar schade is vergroot doordat de onderhavige procedure haar genezingsproces belemmert. De rechtbank oordeelt de handelwijze van B. (het als man van gevorderde leeftijd met seksuele bedoelingen benaderen van de minderjarige D., die niet hem persoonlijk bezocht maar op de boerderij kwam om met schoolvriendinnetjes paard te rijden) als maatschappelijk uiterst onbetamelijk en daarmee als onrechtmatig. Ook de stelling dat D. geen schade heeft geleden wordt verworpen; deze schade blijkt uit het eerder opgestelde deskundigenrapport. Ten aanzien van de relatieve verjaringstermijn van vijf jaar uit art. 3:310 BW oordeelt de rechtbank dat deze relatieve verjaring volgens vaste rechtspraak niet loopt zolang de vordering niet geldend gemaakt kan worden door omstandigheden die aan de schuldenaar toegerekend moeten worden, doch eerst vanaf het tijdstip dat die omstandigheden het geldend maken van de vordering niet meer verhinderen. In casu vormden de psychische schade die D. tengevolge van het seksueel misbruik door B. leed een verhindering om haar rechten geldend te maken. De rechtbank volgt B. niet in zijn stelling dat D. vanaf 1992, toen zij therapeutische hulp inriep, in staat was haar rechten geldend te maken. B. voert slechts veronderstellenderwijs aan dat in de therapie de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen ter sprake zal zijn gekomen. Indien dat al juist zou zijn, staat daarmee niet vast dat dit ook reeds in het begin van de therapie het geval is geweest. De stelling van D. dat de relatieve verjaringstermijn eind 1995 is aangevangen wordt gevolgd.
Ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding overweegt de rechtbank dat deze minder omvangrijk is dan door D. gesteld. Wel stelt D. naar het oordeel van de rechtbank terecht dat het aan de opstelling van B. moet worden toegeschreven dat haar schade nog toeneemt, aangezien hij niet heeft berust in het arrest van het gerechtshof, maar haar in rechte heeft betrokken, waarbij hij opnieuw de onrechtmatigheid van zijn handelen en de daaruit voortgevloeide schade ontkent en betwist, met als gevolg dat D. zich daartegen moet verweren. Van algemene bekendheid is dat in gevallen als deze een rechterlijke veroordeling als erkenning van aangedaan leed wordt opgevat en daarmee het herstel van het slachtoffer kan bevorderen. Waar D. juist om deze reden -hoewel minder was toegewezen dan zij had gevorderd- afzag van een bodemprocedure, had het op de weg van B. gelegen in de uitspraak van het hof te berusten ten einde niet opnieuw zout in de wonde te strooien. De immateriële schade wordt vastgesteld op ƒ 20.000, Na aftrek van het betaalde voorschot wordt aanvullend ƒ 5.000 (2.268,90) toegewezen.
De volledige tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Volledige tekst

De volledige tekst is niet opgenomen.

Rechters

Mr. Röell

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 7 mei 2002

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Bij co-ouderschap, waarbij de kinderen beurtelings bij één van de ouders verblijven en de zorg voor hen wordt gedeeld, kan de bijstandsbehoevende ouder niet als alleenstaande of als alleenstaande ouder worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever er ook bewust van afgezien het begrip co-ouder te definiëren en daarvoor een afzonderlijke norm in de wet op te nemen. Dit betekent dat de gemeente de bijstand dient af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het individuele geval. De door de gemeente Zwijndrecht gehanteerde regeling dat de ouder, afhankelijk van de feitelijke verblijfplaats van de kinderen en de daaraan gekoppelde verzorging, een bijstandsuitkering ontvangt naar de norm van een alleenstaande sec dan wel verhoogd met een co-oudertoeslag van 10% is niet in strijd met de Abw dan wel anderszins onaanvaardbaar.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. G.A.H. Wiekamp, advocaat te Hendrik-Ido-Ambacht, op bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht op 30 juli 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 maart 2002. Appellant is daar verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Wiekamp voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door C.M.T. de Paepe, werkzaam bij de gemeente Zwijndrecht.

II. MOTIVERING

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 8 december 1993 is de echtscheiding tussen appellant en [ex-echtgenote] uitgesproken. Blijkens het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant van 15 juli 1993 is tussen partijen onder meer overeengekomen dat zij gezamenlijk de ouderlijke macht voortzetten, dat zij onderling afspraken zullen maken over het verblijf van de kinderen (die respectievelijk zijn geboren [in] 1981 en [in] 1984) bij ieder van hen en dat zij ieder voor de helft zullen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Bij besluit van 5 juli 1996 is de eerder aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 1 januari 1996 gewijzigd en verhoogd met een zogenoemde co-oudertoeslag.

Bij besluit van 24 juni 1998 heeft gedaagde onder toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals dit luidt sedert 1 juli 1997, het besluit van 5 juli 1996 herzien en de uitkering met ingang van 1 januari 1996 nader vastgesteld op de norm voor een alleenstaande zonder co-oudertoeslag. De reden daarvoor was dat bij heronderzoek was gebleken dat de destijds gemaakte afspraken omtrent het beurtelings verblijf van de kinderen bij appellant en zijn gewezen echtgenote in de praktijk geen gestalte hadden gekregen.
Het daartegen gerichte bezwaarschrift is bij besluit van 4 september 1998 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat appellant heeft erkend dat zijn beide zoons sedert 1 januari 1996 niet voor tenminste 50% van de tijd bij hem thuis hun verblijf hebben gehad en daar zijn verzorgd.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 september 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, kort gezegd, in aanmerking genomen dat de door gedaagde alsnog toegepaste alleenstaandennorm in overeenstemming is met het door hem ter zake van onder meer co-ouderschap gevoerde en kenbaar gemaakte beleid, terwijl niet van bijzondere omstandigheden is gebleken die tot afwijking van dat beleid noopten.
Ten aanzien van de toegepaste terugwerkende kracht heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde daartoe gerechtigd was, aangezien appellant de ingevolge artikel 65 van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door gedaagde geen mededeling te doen van de omstandigheid dat de feitelijke invulling van het co-ouderschap duidelijk anders was dan aanvankelijk was besproken en overeengekomen.

Namens appellant is de aangevallen uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
Daarbij is naar voren gebracht dat appellant er mee zou kunnen leven als de co-oudertoeslag met ingang van 1 september 1997 zou worden beëindigd.

De Raad stelt vast dat de herziening van het recht op uitkering blijkens het bestreden besluit berust op artikel 69, derde lid aanhef en onder a, van de Abw, zoals deze bepaling sedert 1 juli 1997 luidt. Dit is niet juist nu de herziening deels ziet op het recht op uitkering over een periode vóór 1 juli 1997. Het besluit op bezwaar komt in zoverre wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit geheel in stand is gelaten.

De Raad acht het aangewezen om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij overweegt daartoe het volgende.

a. Met betrekking tot de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van de Abw wordt onder alleenstaande verstaan de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Artikel 4, aanhef en onder b, van de Abw bepaalt dat onder alleenstaande ouder wordt verstaan de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Abw stemmen burgemeester en wethouders de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon.

De Raad is van oordeel dat bij een zogenoemd co-ouderschap, waarbij de kinderen beurtelings bij één van de ouders verblijven en de zorg voor hen wordt gedeeld, de bijstandbehoevende ouder – gelet op evenvermelde begripsomschrijvingen – niet als alleenstaande of alleenstaande ouder kan worden aangemerkt. Blijkens de wetgeschiedenis heeft de wetgever er ook bewust van afgezien het begrip co-ouder te definiëren en daarvoor een afzonderlijke norm in de wet op te nemen. Dit betekent dat burgemeester en wethouders in voorkomende gevallen van co-ouderschap de bijstand dienen af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het individuele geval. Het staat hen daarbij vrij terzake richtlijnen vast te stellen.

Gedaagde hanteerde ten tijde in geding ten aanzien van co-ouderschapsregelingen de richtlijn, inhoudende dat aan de bijstandbehoevende ouder afhankelijk van de feitelijke verblijfplaats van de kinderen en de daaraan gekoppelde verzorging een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande sec dan wel verhoogd met een co-oudertoeslag van 10% (zijnde de helft van het verschil tussen de (landelijke) alleenstaandennorm en de norm voor een alleenstaande ouder) werd verleend. De Raad acht deze richtlijn niet in strijd met de Abw dan wel anderszins onaanvaardbaar.

Onder de gedingstukken bevindt zich een op 17 april 1996 gedateerde en door appellant ondertekende gespreksbevestiging, waaruit kan worden afgeleid dat de kinderen op fifty-fifty basis ten huize van appellant respectievelijk zijn gewezen echtgenote zouden verblijven.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat voor de Raad vast dat de kinderen van appellant in weerwil van de in evengenoemde gespreksbevestiging neergelegde afspraken van meet af aan niet in betekenende mate ten huize van appellant hebben verbleven. Daarmee staat tevens vast dat appellant ten tijde in geding voor de toepassing van de Abw als alleenstaande moet worden aangemerkt en derhalve slechts aanspraak kon maken op de bijstandsnorm voor een alleenstaande.
De omstandigheid dat appellant in het bijzonder in de beginperiode feitelijk regelmatig – met name op de dagen dat zijn gewezen echtgenote wegens het verrichten van werkzaamheden afwezig was – ten huize van zijn gewezen echtgenote als oppas en verzorger na schooltijd heeft gefungeerd maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellant dat hij in die periode regelmatig kosten ten behoeve van de kinderen heeft gemaakt, aangezien het bij dergelijke kosten, voorzover zij meer bedragen dan in het familieverkeer als gebruikelijk en redelijk moet worden beschouwd, in de rede ligt een financiële regeling met de gewezen echtgenote te treffen.

Ten aanzien van de toegepaste terugwerkende kracht onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Hij voegt daar nog aan toe dat het appellant onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de feitelijke verblijfsituatie van de kinderen van doorslaggevende betekenis was voor de toekenning van de co-oudertoeslag.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voorzover dit betrekking heeft op onderhavige periode in stand kunnen blijven.

b. Met betrekking tot de periode van 1 juli 1997 tot 24 juni 1998

De hiervoor onder a. vermelde gegevens bieden naar het oordeel van de Raad voldoende steun voor het standpunt van gedaagde dat de kinderen van appellant ook in deze periode in hoofdzaak verbleven in de woning van de gewezen echtgenote van appellant. Daar komt nog bij dat appellant zelf heeft aangegeven dat, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, aan de feitelijke zorg voor de kinderen door hem (ook ten huize van zijn gewezen echtgenote) per 1 september 1997 een einde is gekomen.
Aangezien appellant van een en ander in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenplicht geen mededeling aan gedaagde heeft gedaan, was gedaagde derhalve gerechtigd tot herziening van de bijstandsuitkering over de onderhavige periode.

De Raad ziet in het geval van appellant voorts geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd is om van herziening van de bijstandsuitkering af te zien.

De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 voor vernietiging in aanmerking komt en voor het overige dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644 in beroep wegens verleende rechtsbijstand en op eenzelfde bedrag in hoger beroep eveneens wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover deze ziet op de herziening van de uitkering van appellant over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997;
Verklaart het inleidend beroep van appellant in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 4 september 1998 in zoverre;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 4 september 1998 geheel in stand blijven;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288, te betalen door de gemeente Zwijndrecht;
Bepaalt dat de gemeente Zwijndrecht aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 102,10 (f 225) vergoedt.

Rechters

Mrs. Van Sloten, Van der Kolk-Severijns en Roelofs

Instantie: Rechtbank Utrecht, 1 mei 2002

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Rangorde criteria verjaring.
De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de vraag naar de verjaring beheerst wordt door het huidig recht, nu de vordering op 1 januari 1993 volgens oud BW, dat een verjaringstermijn van 30 jaar kende, nog niet was verjaard. De vordering van M ziet op schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Een dergelijke vordering verjaart ingevolge het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW door verloop van vijf jaar nadat de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Vaststaat dat de termijn van twintig jaar nog niet is verstreken, zodat ter beoordeling is de vraag of de hiervoor vermelde termijn van vijf jaar reeds is verstreken. Pas bij een bevestigend antwoord op deze vraag komt de vraag naar de eventuele toepassing van artikel 3:310 lid 4 BW aan de orde. In dit vierde lid – geldend per 1 september 1994 met onmiddellijke werking – is bepaald dat in het geval van een minderjarig slachtoffer van een zedendelict als artikel 247 WvSr de civielrechtelijk vordering tot vergoeding van de schade niet verjaart zolang het recht tot strafvervolging niet door verjaring is vervallen. De bepaling beoogt derhalve deze slachtoffers extra bescherming te bieden tegen het mogelijke gevaar van verjaring. Gelet op deze bedoeling kan het standpunt dat W kennelijk heeft ingenomen, dat het vierde lid ook kan meebrengen dat de verjaring van de civielrechtelijke vordering eerder plaatsvindt dan uit de toepassing van het eerste lid van artikel 3:310 BW zou voortvloeien, niet worden aanvaard’. Volgt toewijzing van een voorschot op de materiële en immateriële schade ad ƒ 6271,48, alsmede vergoeding van de overige schade, nader op te maken bij staat.
De volledige tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Volledige tekst

De volledige tekst is niet opgenomen.

Rechters

Mr. Elkema

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 1 mei 2002

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Bij de echtscheiding in 1999 heeft de rechtbank ten laste van de vader voor de kinderen een bedrag van ƒ 250,– per kind per maand vastgesteld en voor de vrouw een bedrag van ƒ 1.090,-. Een jaar later, in oktober 2000, verzoekt de man de rechtbank op grond van gewijzigde omstandigheden, de alimentatie voor de vrouw en kinderen op nihil te stellen, althans op een bedrag dat de rechtbank juist acht. De rechtbank bepaalt daarop dat de kinderalimentatie ƒ 60,- per maand per kind wordt en dat de alimentatie voor de vrouw op nihil wordt gesteld. De vrouw gaat hiervan in beroep. In geschil is de draagkracht van de man. De man is opnieuw getrouwd en zijn nieuwe echtgenote is na de geboorte van een baby gestopt met werken. De vrouw stelt dat aan de huidige echtgenote van de man wel enige verdiencapaciteit moet worden toegekend en dat zij in staat moet worden geacht drie dagen per week te werken naast de verzorging van de baby. Met het oog daarop overweegt het hof als volgt: nu de man niet heeft betwist dat zijn nieuwe partner in staat is zich inkomsten uit arbeid te verwerven en zij op de hoogte was van de bestaande financiële verplichtingen van de man, brengt de afweging van de belangen van de kinderen van partijen en het kind van de man en zijn huidige echtgenote met zich dat het hof bij de berekening van de draagkracht van de man er van uitgaat dat zijn nieuwe partner, uitgaande van een tweedaagse werkweek, eigen inkomsten van per saldo ƒ 1.400,- netto per maand kan verwerven. Het hof acht het mogelijk dat de huidige echtgenote, gelet op de arbeidsmarkt in het onderwijs waarin zij werkzaam was, desnoods als invalkracht, een aantal uren kan werken dat goed te combineren is met de verzorging van een zeer jong kind. Het hof acht de echtgenote van de man niet in staat volledig in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien zodat met toepassing van de gezinsnorm en het daarbij behorende percentage van 45% de draagkracht van de man zal worden vastgesteld.
Een ander interessant detail in deze uitspraak betreft de door de man opgevoerde woonlasten. De vrouw is van mening dat slechts met de woonlasten van de vroegere huurwoning van de man rekening moet worden gehouden omdat door het kopen van een woning de woonlasten van de man sterk zijn gestegen en zo een te zwaar stempel drukken op de draagkracht van de man. De man stelt dat hij is verhuisd omdat zijn vroegere huurwoning niet geschikt was voor een gezin. Ter zitting heeft de man echter erkend dat de huurwoning qua ruimte geschikt was voor het bewonen door een gezin, waarop het hof concludeert dat de noodzaak tot het kopen van een woning niet is aangetoond en uitgegaan wordt van de huurlasten van de vorige woning. Ook het argument van de man dat zijn vroegere woon- en leefomgeving voor kinderen niet geschikt is acht het hof niet doorslaggevend voor de verhuizing, mede gelet op de zeer jonge leeftijd van het kind.
Met vernietiging van de beschikking van de rechtbank stelt het hof de kinderalimentatie vast op ƒ 275,- per kind per maand en aan de vrouw wordt een alimentatie toegekend van ƒ 345,- per maand.

Volledige tekst

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 8 augustus 2001 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 19 juni 2001.

De man heeft op 14 januari 2002 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De vrouw heeft op 28 februari 2002 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof brieven met bijlage(n) ingekomen, gedateerd 6 september 2001en 18 september 2001.

Van de zijde van de man is bij het hof een brief met een bijlage ingekomen, gedateerd 20 maart 2002.

Op 22 maart 2002 is de zaak mondeling behandeld.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat – voor zover in hoger beroep van belang – tussen de partijen het volgende vast.
De partijen zijn op 12 december 1985 gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarige:[R.], geboren op 24 juli 1990 en
[M.], geboren op 5 januari 1993, hierna te noemen: de kinderen.

Bij beschikking van 26 november 1999 heeft de rechtbank te ‘s-Gravenhage onder meer tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken, die is ingeschreven op 2 februari 2000. Bij die beschikking heeft de rechtbank de vader ƒ 250 per maand per kind alimentatie opgelegd, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van de datum dat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Tevens is de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van de vrouw gesteld op ƒ 1.090 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van de dag waarop de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De kinderen verblijven sinds het uiteengaan van partijen feitelijk bij de vrouw.

Bij verzoekschrift dat op 17 oktober 2000 bij de rechtbank te ‘s-Gravenhage is ingekomen heeft de man verzocht, op grond van gewijzigde omstandigheden, de beschikking van 26 november 1999 te wijzigen in die zin, dat de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van de vrouw alsmede de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 6 juni 2001 op nihil worden gesteld, althans op een zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht.

Bij de bestreden beschikking is bepaald – met wijziging van de beschikking van 26 november 1999 – dat de man met ingang van 17 juni 2001 een kinderalimentatie van ƒ 60 per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Tevens is bepaald dat de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van de vrouw met ingang van 17 juni 2001 op nihil wordt gesteld.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de man

De man is geboren op 22 maart 1960 en is op 12 april 2000 opnieuw gehuwd. Uit dit huwelijk is op 27 maart 2001 een kind geboren en de nieuwe echtgenote is in verwachting van haar tweede kind. De man is in loondienst als hoofd administratie. Zijn bruto loon exclusief vakantietoeslag bedraagt ƒ 5.748 per maand blijkens de salarisspecificatie van maart 2001. Hij is particulier verzekerd voor ziektekosten. Na haar zwangerschapsverlof, dat afliep op 17 juni 2001, is zijn echtgenote gestopt met werken en zij heeft thans geen inkomsten. Voordien werkte ze op basis van een 85,53 % werkweek in het bijzonder onderwijs en verdiende daarmee ƒ 4.236 bruto per maand blijkens de salarisspecificatie van maart 2001.

Ten aanzien van de vrouw.

De vrouw is geboren op 3 augustus 1963. Zij is bejaardenverzorgende en per vier weken bedraagt haar bruto inkomen € 952 volgens de salarisspecificatie van januari 2002.
De vrouw vormt met de twee minderjarige kinderen van partijen een eenoudergezin. De behoefte van de vrouw en de kinderen staat niet ter discussie.

BEOORDELING

1. In geschil is de draagkracht van de man.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de man af te wijzen, althans de door de man te betalen kinderalimentatie en alimentatie ten behoeve van de vrouw te stellen op een bedrag en met ingang van een datum zoals het hof vermeent te behoren. De man bestrijdt haar beroep.

3. In incidenteel appèl verzoekt de man de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin door de man te betalen kinderalimentatie op ƒ 60 per maand per kind is gesteld en verzoekt te bepalen dat de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 17 juni 2001 alsnog op nihil wordt gesteld. De vrouw verzet zich daartegen.

4. Het hof houdt rekening met voornoemde vaststaande feiten en laat deze meewegen.

5. Op grond van de door de vader aangevoerde gewijzigde omstandigheden, die door de vrouw in hoger beroep niet zijn bestreden, zal het hof de draagkracht van de vader opnieuw beoordelen. Het hof gaat daarbij uit van de volgende gegevens.

t.a.v. verdiencapaciteit huidige echtgenote van de man
6. De vrouw is het eens met het oordeel van de rechtbank dat aan de huidige echtgenote van de man enige verdiencapaciteit kan worden toegekend doch zij betoogt dat het door de huidige echtgenote van de man te verdienen inkomen, uitgaande van een driedaagse werkweek, op ƒ 2.375, netto per maand gesteld moet worden. De man blijft bij zijn standpunt dat er geen verdiencapaciteit aan zijn echtgenote kan worden toegerekend en dat hij als enig kostwinner beschouwd moet worden. Hij voert daartoe – kortgezegd – aan dat de keuze die hij met zijn echtgenote heeft gemaakt, dat zij de volledige verzorging van een kind (c.q. kinderen) op zich gaat nemen, gerespecteerd dient te worden.
De vrouw heeft de zorg over de nog jonge kinderen van partijen ( 9 en 11 jaar) en voorziet door middel van een parttime baan gedeeltelijk in haar levensonderhoud en dat van de kinderen. Om geheel te (blijven) voorzien in haar eigen levensonderhoud en dat van de kinderen heeft de vrouw, als gevolg van de beslissing van de rechtbank en in afwachting van deze uitspraak, een aanvullende hypotheek moeten afsluiten. Bovendien heeft ze haar werkzaamheden uitgebreid naar 20 a 24 uren per week door voornamelijk in de weekenden te gaan werken, waardoor ze haar kinderen op die tijden alleen moet laten. Het voorgaande in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende alimentatie omdat van haar niet verwacht kan worden dat ze thans haar werkzaamheden nog meer kan uitbreiden. Het feit dat de man is hertrouwd is onvoldoende om aan te nemen dat hij geen draagkracht heeft tot betaling van een bijdrage ten behoeve van de kinderen van partijen en de vrouw. Nu de man niet heeft betwist dat zijn nieuwe partner na 17 juni 2001 in staat is zich inkomsten uit arbeid te verwerven en zij op de hoogte was van de bestaande financiëële verplichtingen van de man, brengt de afweging van de belangen van de kinderen van partijen en het kind van de man en zijn huidige echtgenote met zich dat het hof bij de berekening van de draagkracht van de man er van uitgaat dat zijn nieuwe partner, uitgaande van een tweedaagse werkweek, eigen inkomsten van per saldo ƒ 1.400 netto per maand kan verwerven. Het hof acht het mogelijk dat de huidige echtgenote, gelet op de arbeidsmarkt in het onderwijs waarin zij werkzaam was, desnoods als invalkracht, een aantal uren kan werken dat goed te combineren is met de verzorging van een zeer jong kind.

7. Het voorgaande betekent dat het hof de echtgenote van de man niet in staat acht volledig in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en dat met toepassing van de gezinsnorm en het daarbij behorende percentage van 45% de draagkracht van de vader zal worden vastgesteld.

t.a.v. de kosten van kinderopvang
8. Het hof zal rekening houden met de kosten van kinderopvang gedurende twee dagen. Uitgaande van een gezamenlijk netto gezinsinkomen van ƒ 5.600 per maand komen de kosten neer op ƒ 678 per maand volgens de door de man overgelegde tabel van de Stichting Kinderopvang [woonplaats]. De daarmee samenhangende fiscale aftrek neemt het hof bij de berekening in aanmerking. Met de door de man gestelde, doch door de vrouw bestreden, extra kosten als het halen en brengen en hogere voedingskosten houdt het hof geen rekening, nu deze niet aannemelijk zijn gemaakt.

t.a.v. de woonlasten
9. De vrouw is van mening dat slechts met de woonlasten van de vroegere huurwoning van de man rekening moet worden gehouden omdat door het kopen van een woning zijn woonlasten sterk zijn gestegen waardoor deze een te zware stempel drukken op de draagkracht van de man. De man stelt dat hij is verhuisd omdat zijn vroegere huurwoning niet geschikt was voor een gezin. Hij meent dat de werkelijke woonlasten ad. ƒ 1.600 netto per maand meegenomen moeten worden, die volgens hem marktconform en in overeenstemming met zijn gezinsinkomen zijn. Nu de man ter zitting heeft erkend dat de huurwoning qua ruimte geschikt was voor het bewonen door een gezin en derhalve de noodzaak tot het kopen van een woning niet is aangetoond, zal het hof slechts rekening houden met de toenmalige huur van ƒ 1.089 per maand. Het door de man gestelde omtrent het niet geschikt zijn van vroegere woon- en leefomgeving voor kinderen acht het hof niet doorslaggevend voor de verhuizing, mede gelet op de zeer jonge leeftijd van het kind. De meer woonkosten zal de man uit zijn draagkrachtvrije ruimte dienen te voldoen.

t.a.v. de premie ziektekostenverzekering
10. Nu het hof, zoals onder 6 overwogen, uitgaat van een verhoogd gezinsinkomen, zal het hof rekening houden met de premie ziektekostenverzekering voor het gezin van in totaal ƒ 711 per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde polis met bijlage van 1 april 2001 en de verklaring van 16 mei 2001 van [de verzekeraar]. Voornoemd bedrag zal worden verminderd met de fictieve gemiddelde nominale premie voor twee volwassenen a ƒ 60 per maand in totaal en met de door de werkgever van de man verstrekte vergoeding van ƒ 128 per maand.

11. Voorts houdt het hof rekening met de door de rechtbank meegenomen en door partijen niet bestreden ƒ 80 per maand aan verwervingskosten.

12. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man een alimentatie toelaat van ƒ 275 per maand per kind-, en rekening houdend met het fiscale voordeel in verband met de buitengewone lastenaftrek voor de minderjarigen alsmede met het te realiseren fiscale voordeel met betrekking tot partneralimentatie, een alimentatie voor de vrouw resteert van ƒ 345 per maand. Een draagkrachtvergelijking van de partijen leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat de bestreden uitspraak niet aan de wettelijke maatstaven voldoet en derhalve dient te worden vernietigd. Teneinde te voorkomen dat de man wordt geconfronteerd met een groot bedrag aan achterstallige alimentatie zal het hof de bestreden beschikking met ingang van 1 januari 2002 vernietigen.

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met ingang van 1 januari 2002, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2002 op € 125 (ƒ 275) per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

kent aan de vrouw, ten laste van de man, met ingang van 1 januari 2002, een alimentatie toe van € 157 (ƒ 345) per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Rechters

Mrs. Duindam, Van den Wildenberg, Van Oldenborgh