Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 9 april 2002

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Het hof acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel door twee of meer verenigde personen ten aanzien van in totaal tien slachtoffers. Daarnaast acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van een van de slachtoffers en aan overtreding van de Wet wapens en munitie.
Ten aanzien van de op te leggen straf overweegt het hof onder meer dat verdachte de vrouwen naar Nederland heeft gehaald terwijl hij de werkelijke omstandigheden waaronder zij hier zouden verblijven voor hen heeft verzwegen. Eenmaal in Nederland werden de vrouwen onder toezicht gehouden en werd een aantal van hen voorgehouden dat zij een schuld hadden opgebouwd en opbouwden. Tevens heeft verdachte buitensporige werktijden en arbeidsomstandigheden voor de vrouwen bepaald. Bovendien werden zij verplicht een groot deel van, en soms al, hun verdiensten aan hem af te staan. Mede hierdoor werd het voor de betrokken vrouwen onmogelijk gemaakt ten aanzien van het uitoefenen van de prostitutie vrije keuzes te maken en zelfstandige beslissingen te nemen. Dit alles geschiedde in een sfeer van dreiging en geweld. Het gedrag van verdachte kan volgens het hof worden beschouwd als een stelselmatige onderdrukking, waaraan de betreffende vrouwen in Nederland ten prooi vielen, met welke onderdrukking klaarblijkelijk werd beoogd mogelijke weerstand van de vrouwen te breken en te voorkomen dat zij met de prostitutie zouden stoppen of voor zichzelf zouden gaan werken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een van de vrouwen. Hierdoor heeft hij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden, hetgeen nadelige psychische gevolgen van mogelijk lange duur met zich meebrengt.
X wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. De vordering tot schadevergoeding van een van de slachtoffers (het slachtoffer dat tevens is verkracht) wordt toegewezen voor een bedrag van 2269 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijftig dagen hechtenis.

Volledige tekst

BEPERKT APPEL

Het hoger beroep van de verdachte en van de officier van justitie is, blijkens de mededeling ter terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET APPÈL VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie in zijn appèl niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu aannemelijk is dat de officier van justitie in hoger beroep is gekomen met als enig doel de eenparigheidsregel van artikel 424 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering voor het opleggen van een zwaardere straf in hoger beroep te omzeilen.

HET HOF VERWERPT DIT VERWEER.

In het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en omstandigheden gesteld noch aannemelijk geworden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de officier van justitie alléén met het door de raadsman gestelde oogmerk hoger beroep heeft ingesteld.

HET ONDERZOEK VAN DE ZAAK

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 16 januari 2001 en 22 februari 2001 en in hoger beroep van 31 januari 2002 en 26 maart 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

DE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is – voorzover in hoger beroep aan de orde – tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

DE GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

Het hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 onderdeel H, nietig is omdat dat onderdeel van de tenlastelegging in onvoldoende mate een specifieke aanduiding van de daarin vermelde vrouwen geeft.

ONRECHTMATIGE WETGEVING

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er voor wat betreft het ten laste gelegde onder 1 en 2 sprake is van onrechtmatige wetgeving. Hij heeft betoogd dat de aan feit 1 ten grondslag liggende strafbaarstelling van artikel 250 ter lid 1 onder 2( van het Wetboek van Strafrecht in de Nederlandse samenleving overbodig is en de officier van justitie de mogelijkheid geeft bewijsproblemen terzake van feiten als onder 2 ten laste gelegd, strafbaar gesteld onder artikel 250 ter lid 1 onder 1( van het Wetboek van Strafrecht, waarbij een vorm van dwang of misleiding bewezen moeten worden, te ontlopen. Op grond daarvan dient de vervolging van feiten zoals onder 1 en 2 tenlastegelegd volgens de raadsman geen enkel in Nederland na te streven doel.

De toelichting die de raadsman geeft kan zijn stelling dat er sprake zou zijn van onrechtmatige wetgeving niet dragen. Het verweer faalt derhalve.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen.

DE BEWEZENVERKLARING

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 5 is tenlastegelegd, met dien verstande dat

1.
hij in de maand juli 1999, in Nederland en in Polen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk M.D. [slachtoffer 1] (ook wel K[.] of C[.] geheten) in een ander land, te weten Nederland, in de prostitutie te brengen, die vrouw in Polen heeft benaderd en voorgesteld en overgehaald om in Nederland in de prostitutie te werken en haar daartoe per auto naar Nederland heeft meegenomen en in Nederland heeft ondergebracht in de woning van verdachte,

en

hij op tijdstippen in de periode van de maanden juli 1999 tot en met oktober 1999, in/vanuit Nederland en in Polen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk A.K. [slachtoffer 2] (ook wel A[.] geheten) in een ander land, te weten Nederland, in de prostitutie te brengen, die vrouw in Polen heeft benaderd en voorgesteld en overgehaald, om in Nederland in de prostitutie te werken en haar daartoe in Polen geld voor een nieuw paspoort en vanuit Nederland geld voor de busreis naar Nederland of Duitsland heeft verstrekt en haar van Polen naar Nederland heeft laten komen en in Nederland heeft ondergebracht in de woning van verdachte,

en

hij op tijdstippen in de periode van de maanden juli 1999 tot en met oktober 1999, in/vanuit Nederland en in Polen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk M.W. [slachtoffer 3] (ook wel K[.] of M[.] met het zwarte haar of M[.] W. geheten) en M.A. [slachtoffer 4] (ook wel M[.] S. met blonde haar of blonde M[.] geheten) in een ander land, te weten Nederland, in de prostitutie te brengen, die vrouwen in Polen heeft benaderd en voorgesteld en/of overgehaald om in Nederland in de prostitutie te werken en die vrouwen per bus naar Nederland heeft meegenomen en/of vanuit Nederland geld voor de reis naar Nederland en/of een paspoort heeft verstrekt en heeft ondergebracht in de woning van verdachte,

en

hij op tijdstippen in de periode van de maanden oktober 1999 tot en met november 1999, in Nederland en in Polen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk M.I. [slachtoffer 5] (ook wel M[.] geheten) in een ander land, te weten Nederland, in de prostitutie te brengen, die vrouw in Polen heeft benaderd en voorgesteld en overgehaald, om in Nederland in de prostitutie te werken en haar daartoe naar Nederland heeft laten komen en na aankomst in Nederland heeft ondergebracht in de woning van verdachte,

en

hij op tijdstippen in de periode van de maand oktober 1999 tot en met januari 2000, in Nederland en in Polen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk J.B. [slachtoffer 6] (ook wel J[.] geheten) in een ander land, te weten Nederland, in de prostitutie te brengen, die vrouw in Polen heeft benaderd en voorgesteld om in Nederland in de prostitutie te werken en haar daartoe per bus naar Nederland heeft meegenomen en heeft ondergebracht in de woning van verdachte,

en

hij op tijdstippen in de periode van de maand november 1999 tot en met januari 2000, in Nederland en in Polen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk A.A. [slachtoffer 7] (ook wel A[.], A[.] geheten) in een ander land, te weten Nederland, in de prostitutie te brengen, die vrouw in Polen heeft benaderd en voorgesteld en overgehaald, om in Nederland in de prostitutie te werken en haar daartoe per bus naar Nederland heeft meegenomen en ondergebracht in de woning van verdachte,

en

hij op tijdstippen in de periode van de maand december 1999 tot en met januari 2000, in/vanuit Nederland en in Litouwen en Polen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk J. [slachtoffer 8] (ook wel I[.] geheten) in een ander land, te weten Nederland, in de prostitutie te brengen, die vrouw in Litouwen heeft benaderd en voorgesteld om in Nederland in de prostitutie te werken en haar daartoe per bus naar Nederland heeft meegenomen en heeft ondergebracht in de woning van verdachte,

en

hij op tijdstippen in de periode van de maanden juli 1999 tot en met januari 2000, in/vanuit Nederland en in Polen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk K.A. [slachtoffer 9] (ook wel B[.] geheten) in een ander land, te weten Nederland, in de prostitutie te brengen, die vrouw in Polen heeft benaderd en voorgesteld en overgehaald om in Nederland in de prostitutie te werken en vanuit Nederland geld voor de busreis naar Nederland heeft verstrekt en heeft ondergebracht in de woning van verdachte.

2.
hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 januari 2000, in de gemeente Almaar en Polen en/of Litouwen en/of Tsjechië, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

A.

ten aanzien van M.D. [slachtoffer 1] (ook wel K[.] of C[.] geheten) die in een zwakke sociale en economische/financiële positie verkeerde, in de periode van 1 juli 1999 tot en met 18 augustus 1999,

– haar heeft voorgehouden dat zij in de prostitutie veel geld kon verdienen en dat de inkomsten op fifty/fifty basis verdeeld zouden worden en dat zij een appartement zou krijgen en dat iedere prostituee op de Achterdam een beschermer nodig had en
– de werkelijke omstandigheden waaronder zij in Nederland zou verblijven en/of werken voor haar heeft verzwegen en
– haar in een woning van verdachte heeft ondergebracht en
– een prostitutiewerkplek voor haar heeft geregeld en
– haar van en naar de prostitutiewerkplek heeft gebracht en nagenoeg voortdurend op haar werkplek en/of daarbuiten onder toezicht heeft gehouden en heeft meegedeeld, dat zij haar klanten niet langer dan 15 minuten mocht laten blijven en dat zij 50,- moest vragen en
– haar prostitutiewerktijden heeft bepaald en
– haar verdiensten geheel of gedeeltelijk heeft doen afstaan en haar heeft voorgehouden dat zij een schuld had in verband met voorgefinancierde kosten en/of andere voorschotten en vergoedingen heeft gevraagd voor kosten van huisvesting of andere diensten of werkzaamheden en
– haar meermalen heeft geslagen en
– haar anderszins door woorden en gebaren en gedrag vrees heeft aangejaagd en angst heeft ingeboezemd en
– misbruik heeft gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht dat mede door bovengenoemde handelingen ten opzichte van die [slachtoffer 1] is ontstaan en misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 1] doordat die [slachtoffer 1] de Nederlandse taal onvoldoende machtig was en die [slachtoffer 1] onvoldoende bekend was met het prostitutiebeleid in Alkmaar en die [slachtoffer 1] feitelijk onvoldoende bekend was hoe in Alkmaar in de prostitutie werd of kon worden gewerkt;

en

B.

ten aanzien van A.K. [slachtoffer 2] (ook wel A[.] geheten) die in een zwakke sociale en economische/financiële positie verkeerde, in de periode van 1 juli 1999 tot en met 18 augustus 1999,

– haar heeft voorgehouden dat zij in de prostitutie veel geld kon verdienen en dat de inkomsten op fifty/fifty basis verdeeld zouden worden en
– haar de werkelijke omstandigheden waaronder zij in Nederland zou verblijven en/of werken heeft verzwegen en
– haar in een woning van verdachte heeft ondergebracht en
– voor haar een prostitutiewerkplek heeft geregeld en
– haar nagenoeg altijd van en naar de prostitutiewerkplek heeft gebracht en nagenoeg voortdurend op haar werkplek en/of daarbuiten onder toezicht heeft gehouden en heeft meegedeeld, dat zij haar klanten niet langer dan 15 minuten mocht laten blijven en dat zij ƒ 50 moest vragen en
– haar verdiensten geheel of gedeeltelijk heeft doen afstaan en haar heeft voorgehouden dat zij een schuld had en/of opbouwde in verband met voorgefinancierde kosten en/of andere voorschotten en hoge vergoedingen heeft gevraagd voor kosten van huisvesting of andere diensten of werkzaamheden en
– haar heeft geslagen en
– haar anderszins door woorden en/of gebaren en/of gedrag vrees heeft aangejaagd en angst heeft ingeboezemd en
– misbruik heeft gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht dat mede door bovengenoemde handelingen ten opzichte van die [slachtoffer 2] is ontstaan en misbruik heeft gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 2] doordat die [slachtoffer 2] de Nederlandse taal onvoldoende machtig was en die [slachtoffer 2] feitelijk onvoldoende bekend was hoe in Alkmaar in de raamprostitutie werd of kon worden gewerkt;

en

C.

ten aanzien van M.W. [slachtoffer 3] (ook wel K[.] of M[.] W. of M[.] met de zwarte haren geheten) in de periode van 1 juli 1999 tot en met 11 januari 2000,

– haar heeft voorgehouden dat zij in de prostitutie veel geld kon verdienen en dat de inkomsten op fifty/fifty basis verdeeld zouden worden en
– haar de werkelijke omstandigheden waaronder zij in Nederland zou verblijven en/of werken heeft verzwegen en
– haar in een woning van verdachte heeft ondergebracht en
– voor haar een prostitutiewerkplek heeft geregeld en
– haar van en naar de prostitutiewerkplek heeft gebracht en nagenoeg voortdurend op haar werkplek en/of daarbuiten toezicht heeft gehouden en
– haar prostitutiewerktijden heeft bepaald en
– haar verdiensten geheel of gedeeltelijk heeft doen afstaan en haar heeft voorgehouden dat zij een schuld had en opbouwde in verband met voorgefinancierde kosten of andere voorschotten en hoge vergoedingen heeft gevraagd voor kosten van huisvesting of andere diensten of werkzaamheden en
– haar door woorden en/of gebaren en/of gedrag vrees heeft aangejaagd en angst heeft ingeboezemd en
– misbruik heeft gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht dat mede door bovengenoemde handelingen ten opzichte van die [slachtoffer 3] is ontstaan;

en

D.

ten aanzien van M.A. [slachtoffer 4] (ook wel M[.] S. of blonde M[.] geheten) in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 11 januari 2000,

– haar heeft voorgehouden dat zij in de prostitutie veel geld kon verdienen en dat de inkomsten op fifty/fifty basis verdeeld zouden worden en
– haar de werkelijke omstandigheden waaronder zij in Nederland zou verblijven en/of werken heeft verzwegen en
– haar in een woning van verdachte heeft ondergebracht en
– voor haar een prostitutiewerkplek heeft geregeld en
– haar van en naar de prostitutiewerkplek heeft gebracht en nagenoeg voortdurend op haar werkplek en/of daarbuiten onder toezicht heeft gehouden en heeft meegedeeld, dat zij haar klanten niet langer dan 15 minuten mocht laten blijven en dat zij ƒ 50 moest vragen en haar toegevoegd dat zij te weinig verdiende en
– haar prostitutiewerktijden heeft bepaald en
– haar verdiensten heeft doen afstaan en haar heeft voorgehouden dat zij een schuld had en opbouwde in verband met voorgefinancierde kosten en/of andere voorschotten en hoge vergoedingen heeft gevraagd voor kosten van huisvesting of andere diensten of werkzaamheden en
– haar door woorden en/of gebaren en/of gedrag vrees heeft aangejaagd en angst heeft ingeboezemd en
– misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht dat mede door van bovengenoemde handelingen ten opzichte van die [slachtoffer 4] is ontstaan en misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 4] doordat die [slachtoffer 4] de Nederlandse taal onvoldoende machtig was en dat die [slachtoffer 4] onvoldoende bekend was met het prostitutiebeleid in Alkmaar en die [slachtoffer 4] feitelijk niet of onvoldoende bekend was hoe in Alkmaar in de prostitutie werd of kon worden gewerkt;

en

E.

ten aanzien van M.I. [slachtoffer 5] (ook wel M[.] geheten) in de periode van 1 oktober 1999 tot en met 27 november 1999,

– haar heeft voorgehouden dat zij in de prostitutie veel geld kon verdienen en
– haar de werkelijke omstandigheden waaronder zij in Nederland zou verblijven en/of werken heeft verzwegen en
– haar in een woning van verdachte heeft ondergebracht en
– voor haar een prostitutiewerkplek heeft geregeld en
– haar nagenoeg altijd van en naar de prostitutiewerkplek heeft gebracht en nagenoeg voortdurend op haar werkplek en/of daarbuiten onder toezicht heeft gehouden en
– haar prostitutiewerktijden heeft bepaald en
– haar verdiensten geheel of gedeeltelijk heeft doen afstaan en haar heeft voorgehouden dat zij een schuld had en opbouwde in verband met voorgefinancierde kosten en of andere voorschotten en geld dat aan haar familie in Polen was overgemaakt en hoge vergoedingen heeft gevraagd voor kosten van huisvesting of andere diensten of werkzaamheden en
– haar door woorden en/of gebaren en/of gedrag vrees heeft aangejaagd en angst heeft ingeboezemd en
– misbruik heeft gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht dat mede door bovengenoemde handelingen ten opzichte van die [slachtoffer 5] is ontstaan en misbruik heeft gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 5] doordat die [slachtoffer 5] de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig was;

en

G.

ten aanzien van R. [slachtoffer 10] (ook wel R[.] geheten) die in een zwakke sociale en economische/ financiële positie verkeerde in het jaar 1999

– haar in een woning van verdachte heeft ondergebracht en
– voor haar prostitutiewerkplekken heeft geregeld en
– haar nagenoeg altijd van en naar de prostitutiewerkplek heeft gebracht en nagenoeg voortdurend op haar werkplek en daarbuiten onder toezicht heeft gehouden en haar toegevoegd dat zij te weinig verdiende en
– haar prostitutiewerktijden heeft bepaald en
– haar verdiensten heeft doen afstaan en haar heeft voorgehouden dat zij een schuld had opgebouwd en opbouwde in verband met kosten en/of voorschotten en/of vergoedingen en
– haar heeft gepakt bij en/of geknepen in de arm en
– haar anderszins door woorden en/of gebaren en/of gedrag vrees heeft aangejaagd en angst heeft ingeboezemd en
– misbruik heeft gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht dat mede door bovengenoemde handelingen ten opzichte van die [slachtoffer 10] is ontstaan en misbruik heeft gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 10] doordat die [slachtoffer 10] de Nederlandse taal onvoldoende machtig was;

door welke andere bovenomschreven feitelijkheden, en/of door welke bovenomschreven bedreiging met een of andere feitelijkheden, en door welk bovenomschreven misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, en/of door welke bovenomschreven misleiding, toen en daar verdachte en diens mededader(s) voornoemde personen, te weten:

A. M.D. [slachtoffer 1] en
B. A.K. [slachtoffer 2] en
C. M.W. [slachtoffer 3] en
D. M.A. [slachtoffer 4] en
E. M.I. [slachtoffer 5] en
G. R. [slachtoffer 10]
tot prostitutie hebben gebracht;

3.
hij in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 18 augustus 1999, in de gemeente Alkmaar door geweld en bedreiging met geweld M.D. [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn penis gebracht in de vagina van die [slachtoffer 1] en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte die [slachtoffer 1] op de bank heeft gegooid en de kleding van die [slachtoffer 1] omlaag heeft getrokken en die [slachtoffer 1] met de dood heeft bedreigd en daardoor voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

5.
hij in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 januari 2000, in de gemeente Alkmaar een wapen van categorie III, te weten een pistool (kaliber 9 mm, serienummer A01730), en munitie van categorie III, te weten patronen (kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

DE STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

Mensenhandel door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

Verkrachting.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 5 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht en met betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van ƒ 5000 als schadevergoeding.

De verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep doen instellen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander of anderen vele malen schuldig gemaakt aan mensenhandel. Verdachte heeft hierbij een leidinggevende en coördinerende rol gespeeld. Verdachte heeft met het oogmerk van financieel gewin, gedurende de periode vanaf juli 1999 tot januari 2000 negen vrouwen naar Nederland gehaald of doen overkomen terwijl hij de werkelijke omstandigheden waaronder zij in Nederland zouden verblijven voor hen heeft verzwegen.

Eenmaal in Nederland werden deze vrouwen onder toezicht gehouden. Vervolgens heeft hij een aantal van hen voorgehouden dat zij een schuld hadden opgebouwd en opbouwden. Tevens heeft verdachte buitensporige prostitutiewerktijden en arbeidsomstandigheden voor de vrouwen bepaald.

Bovendien werden de vrouwen verplicht een groot deel van, en soms al hun verdiensten aan verdachte af te staan. Mede hierdoor werd het voor de vrouwen onmogelijk gemaakt ten aanzien van het uitoefenen van de prostitutie vrije keuzes te maken en zelfstandig beslissingen te nemen. Daarbij komt dat dit alles geschiedde in een sfeer van dreiging en geweld, die door verdachte werd gecreëerd.
Het gedrag van verdachte kan worden beschouwd als stelselmatige onderdrukking, waaraan de desbetreffende vrouwen in Nederland ten prooi vielen en met welke onderdrukking klaarblijkelijk werd beoogd mogelijke weerstand van de vrouwen te breken en te voorkomen dat zij met de prostitutie zouden stoppen of voor zich zelf zouden gaan werken.
Daarnaast heeft verdachte zich op gewelddadige en intimiderende wijze schuldig gemaakt aan verkrachting van één van de vrouwen. Hierdoor heeft hij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden, hetgeen nadelige psychische gevolgen van mogelijke lange duur met zich mee kan brengen.

Het hof heeft kennis genomen van het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, d.d. 14 december 2001, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder tot gevangenisstraffen van aanzienlijke duur is veroordeeld. Voorts is kennis genomen van het persoonsdossier van verdachte, bestaande uit twee rapporten van reclasseringsinstellingen (d.d. 3 juli 1997 en 14 augustus 1997) en een rapport van de Brijderstichting van 22 maart 2002.
Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van een duur zoals door de rechtbank bepaald, alleszins passend en geboden is.

De inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, d.d. 28 december 2000, onder de nummers 1, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 14, 15, 17, 23, 27, 28, 31, 32, 33 en 34 dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

Het inbeslaggenomen voorwerp, zoals vermeld onder nummer 22, dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde I. [betrokkene 1].

Het inbeslaggenomen voorwerp, als vermeld onder de nummer 30, dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde Z. [betrokkene 2].

DE VORDERING TOT SCHADEVERGOEDING

Mr. G.A.M. [raadsman], postbus [nummer], [vestigingsplaats], heeft namens de benadeelde partij M.D. [slachtoffer 1], die zich in deze strafzaak heeft gevoegd, een vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van ƒ 10.120 (€ 4592,26) ingediend.

De rechtbank heeft in eerste aanleg de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van ƒ 5.000 (€ 2269) en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw voor het hele bedrag gevoegd.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal tot een bedrag van € 2269 (ƒ 5.000) worden toegewezen, nu aannemelijk is dat door haar tengevolge van het bewezenverklaarde schade is geleden en wel tenminste tot dat bedrag.

Het hof zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, daar dit deel van de vordering niet van eenvoudige aard is.
Het hof zal verdachte, die naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting opleggen tot betaling van een bedrag van € 2269 (ƒ 5.000) aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en de maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 242, 250 ter (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

DE BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van hetgeen onder 2, onderdeel H is ten laste gelegd, nietig.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (VIJF) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

en voorts

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, d.d. 28 december 2000, onder de nummers 1, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 14, 15, 17, 23, 27, 28, 31, 32, 33 en 34 aan verdachte.

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, zoals vermeld onder nummer 22, aan de rechthebbende, zijnde I. [betrokkene 1].

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, als vermeld onder de nummer 30, aan de rechthebbende, zijnde Z. [betrokkene 2].

Veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij D.M. [slachtoffer 1], p/a mr. G.A.M. [raadsman], Postbus [nummer], [vestigingsplaats], te betalen een bedrag van € 2269 (ƒ 5.000), als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken, tot op heden begroot op € 54,45.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer M.D. [slachtoffer 1] te betalen de somma van € 2269 (ƒ 5.000), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk.

Rechters

Mrs. Bockwinkel, Schreuder en Van Breukelen-Van Aarnhem

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 5 april 2002

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Na een kinderloos huwelijk van 14 jaar volgt in 1986 de echtscheiding. Partijen werkten beiden zowel voor als tijdens het huwelijk en hadden in de periode voor het huwelijk pensioen opgebouwd. Zij hebben een geschil over de verdeling van de door hen beiden opgebouwde pensioenrechten. De vrouw stelt dat in het geheel geen verrekening van haar pensioen dient plaats te vinden omdat de situatie van partijen in het Boon/Van Loon-arrest wezenlijk verschilt van hun eigen situatie. Subsidiair stelt zij dat de Wet verevening pensioenrechten na scheiding van 28 april 1994 analogisch moet worden toegepast.
Bij het Boon/Van Loon-arrest waren de voorwaarden:
1. het pensioen is bestemd te voorzien in de behoefte van beide echtgenoten,
2. de financiering van het pensioen uit de gemeenschap moet worden bezien als het resultaat van gemeenschappelijke inspanningen van beide echtgenoten, gelet op de gebruikelijke taakverdeling binnen het huwelijk.
In de aanhangige procedure stelt de vrouw dat de verdiencapaciteit van beide partijen door het huwelijk niet was geschaad; de vrouw deed de huishouding naast haar werk, zodat niet gezegd kon worden dat het pensioen van de vrouw het resultaat was van gezamenlijke inspanningen van partijen. Ook het feit dat een groot deel van de pensioenrechten was opgebouwd voor het huwelijk kwam niet overeen met hetgeen bij het Boon/Van Loon-arrest als uitgangspunt diende.
In zijn vonnis heeft de rechtbank de verdeling vastgesteld, waarbij de rechtbank wel afwijkt van de berekeningen van de door de rechtbank benoemde deskundige. Deze heeft zijn berekeningen gebaseerd op het Boon/Van Loon-arrest. Volgens deze berekeningen krijgt de vrouw, op het moment dat beiden een pensioenuitkering krijgen, door de voor vrouwen ongunstige sterftetabellen ruim f. 6.000,- per jaar minder dan de man, terwijl de totale pensioen-aanspraken grotendeels door haar zijn opgebouwd. Dit is de rechtbank te gortig en de rechtbank beslist dat zo lang beide partijen in leven zijn, ieder van partijen een gelijk bedrag zal ontvangen.
Het subsidiaire verzoek van de vrouw om de Wet verevening pensioenrechten analoog toe te passen wordt verworpen. De Hoge Raad zegt daarover dat terecht in aanmerking is genomen dat het in dit geval om een verrekening van de pensioenrechten op grond van de verdeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen waren gehuwd gaat en niet om een pensioenverevening als bedoeld in de Wet pensioenverevening.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Verweerder in cassatie – verder te noemen: de man – heeft bij exploit van 4 juni 1992 eiseres tot cassatie – verder te noemen: de vrouw – gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschap aldus vast te stellen dat:
1. de pensioenrechten in die zin worden verdeeld dat de vrouw vanaf haar pensioendatum (10 december 1994) jaarlijks ƒ 13.710 aan de man zal betalen in maandelijkse termijnen van ƒ 1.142,50, te verhogen overeenkomstig de indexeringsbepalingen van de desbetreffende pensioenfonds(en);
2. de vrouw aan de man de helft van de aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing 1985 ad in totaal ƒ 642, derhalve ƒ 321 zal voldoen;
3. de vrouw de helft van hetgeen zij over 1985 ter zake van belastingen en/of premieheffing heeft (terug)ontvangen aan de man zal voldoen;
4. de vrouw aan de man de helft van de kosten van het opstellen van het proces-verbaal van zwarigheden zal voldoen, derhalve ƒ 2.206,70;
5.de vrouw te veroordelen tot voldoening van de wettelijke rente over de bedragen onder 2, 3 en 4, ingaande de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening.

De vrouw heeft de vorderingen bestreden en ten aanzien van de vordering tot verdeling van de opgebouwde pensioenrechten geconcludeerd: primair tot afwijzing van de vordering tot verdeling van de opgebouwde pensioenrechten vanaf de pensioendatum, subsidiair tot afwijzing van de vordering tot verdeling van de opgebouwde pensioenrechten voor zover het betreft de pensioenrechten die vóór het huwelijk zijn opgebouwd, tot afwijzing van de vordering tot verrekening van de aanslagen en (terug)ontvangen inkomstenbelasting en premieheffing 1985, en tot referte zover het betreft de vordering tot verrekening van de kosten verbonden aan het opstellen van het proces-verbaal van zwarigheden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 december 1994 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 19 oktober 1995 de vrouw in de gelegenheid gesteld stukken in het geding te brengen. Bij tussenvonnis van 4 juli 1996 heeft de Rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen en daartoe vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 10 september 1998 de verdeling van de gemeenschap aldus vastgesteld dat de pensioenrechten worden verdeeld overeenkomstig het bepaalde in dit vonnis in de rechtsoverwegingen 3 en 5. Voorts heeft de Rechtbank bepaald dat de vrouw ter zake van inkomstenbelasting en premieheffing 1985 aan de man dient te betalen ƒ 451,50, dit laatste bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juni 1992, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit eindvonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Daarbij heeft de vrouw gevorderd voormeld eindvonnis te vernietigen en geconcludeerd ten aanzien van de verdeling van de opgebouwde pensioenrechten vanaf de pensioendatum primair tot afwijzing van deze vordering, subsidiair tot matiging van het recht op pensioenverdeling met een beroep op de redelijkheid en billijkheid zodanig dat de waardeberekening op nihil uitkomt, en meer subsidiair tot matiging van het recht op pensioenverdeling conform de normen die gelden sinds de invoering van de pensioenwet d.d. 1 mei 1995. De man heeft incidenteel appel ingesteld.
Bij arrest van 22 februari 2000 heeft het Hof, rechtdoende in het principaal en incidenteel hoger beroep de bestreden vonnissen van de Rechtbank te Arnhem bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Jhr. J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1 Partijen zijn op 30 juni 1972 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 22 september 1986 ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het vonnis waarbij tussen hen echtscheiding is uitgesproken. Partijen hebben een geschil over de verdeling van de door hen opgebouwde pensioenrechten. De Rechtbank heeft in haar eindvonnis de verdeling vastgesteld. Dit vonnis is door het Hof bekrachtigd.

3.2.1 Onderdeel II keert zich tegen rov. 4.10 van het arrest van het Hof. Daarin heeft het Hof het subsidiair aangevoerde standpunt van de vrouw verworpen. Dit standpunt hield in dat de aan de man toe te delen pensioenrechten zodanig zullen worden gematigd dat in feite de Wet verevening pensioenrechten na scheiding van 28 april 1994 (Stb. 342) analogisch wordt toegepast. Het Hof was van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden – het huwelijk van partijen was kinderloos, beiden hadden inkomen en opgebouwd pensioen vóór het huwelijk, hun verdiencapaciteit was niet geschaad, de vrouw deed de huishouding, het pensioen was niet het resultaat van gezamenlijke inspanningen van partijen en de vrouw heeft ruimschoots aan haar verzorgingsplicht op grond van art. 1:81 BW jegens de man voldaan – niet ertoe leiden dat voormelde wet, die van een geheel andere maatstaf uitgaat, analogisch kan worden toegepast. Het Hof achtte “onverkorte toepassing van pensioenverrekening” die tot gevolg heeft dat de vrouw het grootste gedeelte van haar ouderdomspensioen moet uitkeren aan de man, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Matiging zoals door de Rechtbank toegepast, is naar het oordeel van het Hof gelet op alle omstandigheden wel aanvaardbaar.

3.2.2 Het onderdeel klaagt dat deze oordelen van het Hof onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig zijn, doch tevergeefs.

3.2.3 Het Hof heeft terecht in aanmerking genomen dat het in dit geval gaat om een verrekening van de pensioenrechten op grond van de verdeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen waren gehuwd en niet om een pensioenverevening als bedoeld in genoemde wet. Aan deze pensioenverevening ligt immers een ander uitgangspunt, namelijk de verzorgingsplicht van de echtgenoten jegens elkaar, ten grondslag.

3.2.4 Hiervan uitgaande is het oordeel van het Hof dat erop neerkomt dat er geen grond is om ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de vrouw anders te oordelen dan het Hof reeds had gedaan met betrekking tot het primaire beroep op matiging, dat in de kern eveneens ertoe strekte dat slechts de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zouden worden verdeeld, niet onbegrijpelijk.

3.3 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. BESLISSING

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het in geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

CONCLUSIE A-G MR. HUYDECOPER

FEITEN EN PROCESVERLOOP

1) In deze zaak klaagt de eiseres tot cassatie (de vrouw) over de door het hof Arnhem vastgestelde pensioenverrekening. De vrouw verdedigt dat verweerder in cassatie (de man) geen recht heeft op pensioenverrekening; of althans dat er gronden zijn voor ver(der)gaande matiging van de aanspraak daarop van de man.

2) De klachten spelen tegen de achtergrond van de volgende feiten:

De partijen zijn op 30 juni 1972 in gemeenschap van goederen gehuwd. De vrouw was toen 42 jaar, de man 45 jaar. Zij hadden tot dan toe beide gewerkt en pensioenrechten opgebouwd, zij het in zeer verschillende mate (de door de vrouw opgebouwde rechten zijn aanzienlijk ruimer dan die van de man). Na het huwelijk zijn beide partijen blijven verdienen, met dien verstande dat de man toen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking kwam. Het betrof voor beide partijen het eerste huwelijk.
Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van een echtscheidingsvonnis in de registers van de Burgerlijke Stand op 22 september 1986.

3) Na de scheiding konden partijen het over de pensioenverrekening niet eens worden. Dat vormde (naast enkele andere geschilpunten van betrekkelijk ondergeschikt belang, die bovendien inmiddels opgelost zijn) de inzet van deze procedure.
Die is er vooralsnog in uitgemond dat zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat de man aanspraak kan maken op pensioenverrekening; met dien verstande dat de verrekening billijkheidshalve gematigd moet worden, zodat de man niet méér van het in totaal beschikbare pensioen krijgt dan de vrouw, maar beide partijen even veel ontvangen.

4) De vrouw heeft tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld. De man heeft tot verwerping doen concluderen, en een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingesteld. De vrouw heeft daarop gereageerd, maar partijen hebben in het incident geen arrest gevraagd. Zij hebben vervolgens ieder hun standpunt schriftelijk toegelicht, en gerepliceerd en gedupliceerd.

BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL

5) Het gaat in deze zaak om een echtscheiding die heeft plaatsgevonden tussen de datum van het arrest HR 27 november 1981, NJ 1982, 503 m.nt. EAAL en WHH – het arrest dat veelal wordt aangeduid als het Boon/Van Loon-arrest – en de datum van 1 mei 1995, de datum waarop de Wet van 28 april 1994, Stb. 342 – de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding(2) – in werking trad. Dat betekent dat de rechtsverhouding die in deze zaak ter beoordeling staat wordt beheerst door de in het arrest Boon/Van Loon neergelegde regels, en dat daarop de vereveningswet niet van toepassing is(3). Dat is ook het uitgangspunt van het cassatiemiddel, zij het dat dat verdedigt dat een juiste toepassing van de regels uit het arrest Boon/Van Loon in dit geval tot uitkomsten leidt of had moeten leiden, die men eerder bij toepassing van het “nieuwe recht” zou verwachten.

6) De stelling van middel I die ik als primair zou willen aanduiden – nl. de stelling van subonderdeel 1 van dit middel – is toegespitst op de in rov. 12 van het arrest Boon/ Van Loon ontwikkelde gedachtegang. Ik geef die gedachtegang in het volgende citaat weer:

“Voor de vraag wanneer een zodanige verrekening op haar plaats is, is voorts van belang dat terzake van pensioenrechten als de onderhavige niet alleen verknochtheid bestaat met de persoon van de rechthebbende op het pensioen, maar in de regel tevens een niet te verwaarlozen band met de persoon van de andere echtgenoot. Voor wat betreft de ouderdomspensioenen bestaat deze band hierin dat het pensioenrecht, zo de rechthebbende gehuwd is, uit maatschappelijk oogpunt bestemd is te voorzien in de behoeften van beide echtgenoten en dat voorts de opbouw van een zodanig pensioen, in verband met de gehele of gedeeltelijke financiering daarvan uit de gemeenschap en de bij velen bestaande taakverdeling binnen het huwelijk, in beginsel moet worden gezien als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten, voortvloeiende uit de zorg die zij krachtens art. 81 Boek 1 BW aan elkaar verschuldigd zijn.”

7) Het middel verdedigt met een beroep op deze overwegingen een regel van de omgekeerde strekking, die ik parafraseer als: voor de verrekening waarop de geciteerde overweging ziet is (dus) geen plaats, als (of: voorzover) de pensioenen in kwestie niet bestemd zijn te voorzien in de behoeften van beide echtgenoten en (of) niet zijn opgebouwd als resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van de echtgenoten.
Daarmee bepleit het middel dus een lezing a contrario van wat de Hoge Raad in deze passages uit het arrest Boon/Van Loon heeft overwogen. Ik veroorloof mij de opmerking dat die benadering vaker onjuist blijkt te zijn, dan juist.

8) De hier door het middel verdedigde gedachte heeft echter in ander verband wel aanhang vergaard. Nadat het arrest Boon/Van Loon was gewezen is door verschillende schrijvers verdedigd dat, als uitvloeisel van de verplichtingen uit hoofde van art. 1:81 BW waarnaar het arrest verwijst en/of als uitvloeisel van de redelijkheid en billijkheid, (ex-) echtgenoten ook buiten het kader van de huwelijkse goederengemeenschap bepaalde aanspraken kunnen doen gelden op vermogensbestanddelen die hetzij met het oog op de verzorging van beide echtgenoten, hetzij als resultaat van hun gezamenlijke inspanning (of allebei tegelijk) zijn opgekomen.
Daarbij werd dan aansluiting gezocht bij de overwegingen uit het arrest waarvan de meest relevante passages zojuist werden weergegeven. Deze schrijvers bepleitten een extensieve en/of analogische toepassing van de beginselen die zij daaruit hadden afgeleid (terwijl het middel, als gezegd, een toepassing a contrario suggereert).
Uit HR 4 december 1987, NJ 1988, 678 m.nt. EAAL en HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 576 m.nt. EAAL blijkt echter dat voor de extensieve/analogische uitleg die de hier bedoelde schrijvers verdedigd hadden, geen plaats is(4).

9) In het in voetnoot 2 al genoemde arrest HR 26 oktober 2001, RvdW 2001, 167 was, voorzover mij bekend voor de eerste maal, de a contrario gedachtegang die het middel verdedigt (mede) aan de orde. Cassatiemiddel II in die zaak verdedigde dat de omstandigheden van dat geval, waaronder het feit dat het pensioenrecht waarvan verrekening verlangd werd voor het overgrote deel vóór het huwelijk van de betrokken partijen was opgebouwd en dat dat huwelijk zelf maar betrekkelijk kort stand had gehouden, tot afwijzing of aanmerkelijke beperking van de aanspraak op pensioenverrekening moesten leiden. Daarbij deed het middel (mede) een beroep op de gedachten die in het hoger weergegeven citaat uit het arrest Boon/Van Loon tot uitdrukking komen.

10) De Hoge Raad verwierp deze klacht met verwijzing naar de gronden waarop A-G De Vries Lentsch – Kostense tot verwerping had geconcludeerd. Uit die gronden citeer ik nu het volgende:

“Dit middel ziet eraan voorbij dat in een geval als het onderhavige waarin partijen van echt zijn gescheiden voordat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding in werking trad en nadat Uw Raad het Boon/Van Loon-arrest wees, verrekening van pensioenrechten plaatsvindt niet zoals bij de Wet verevening pensioenrechten onverschillig voor welk huwelijksgoederenregime partijen hebben geopteerd, doch uitsluitend in het kader van de verdeling van een tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen en derhalve ook uitsluitend voorzover de partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. De kwestie van de pensioenverrekening is daarmee in een geval als het onderhavige “gereduceerd” tot de vraag of het bewuste pensioen in de gemeenschap valt, dan wel wegens bijzondere verknochtheid met de persoon van de rechthebbende buiten de gemeenschap blijft en tot de vraag op welke wijze het pensioen, zo het in de gemeenschap valt, in de verdeling moet worden betrokken. Met zijn klacht dat het Hof in verband met de relatief korte duur van het huwelijk de vóór het huwelijk reeds opgebouwde pensioenen geheel of gedeeltelijk buiten de verdeling van de gemeenschap had moeten houden, neemt dit middel kennelijk – in lijn met het Boon/Van Loon-arrest – tot uitgangspunt dat het pensioen niet wegens bijzondere verknochtheid buiten de gemeenschap valt. Het strookt niet met het rechtskarakter van de gemeenschap van goederen om bij de verrekening uitsluitend dat deel van het pensioen in aanmerking te nemen dat staande het huwelijk is opgebouwd. De gemeenschap omvat immers alle tegenwoordige en toekomstige goederen der echtgenoten (voorzover niet sprake is van bijzondere verknochtheid of van een uitsluitingsclausule als bedoeld in art. 1:94 BW), zodat de vóór het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zonder meer in de gemeenschap vallen en voor verdeling in aanmerking komen tenzij van verrekening in het geheel geen sprake kan zijn, ook niet van het staande huwelijk opgebouwde pensioen, omdat een bijzondere verknochtheid van het pensioen aan de gerechtigde zich daartegen verzet. Derhalve is het Hof terecht ervan uitgegaan dat de korte duur van het huwelijk op zichzelf niet een reden is de voor het huwelijk reeds opgebouwde pensioenen geheel of gedeeltelijk buiten de verrekening te houden.”
11) Ik misken niet dat de vraag waarop de zojuist geciteerde overwegingen het antwoord geven, niet in alle opzichten identiek is aan de vraag die middel I onder 1 in de onderhavige zaak aansnijdt. Zo wordt in het onderhavige cassatieberoep wéél verdedigd dat de in geding zijnde pensioenaanspraken wegens bijzondere verknochtheid buiten de gemeenschap (moeten) vallen. Dat neemt niet weg dat de beslissing uit HR 26 oktober 2001 relevant licht op deze zaak werpt:
– het arrest Boon/Van Loon stelt buiten twijfel dat pensioenaanspraken als de onderhavige in de regel niet in die mate verknocht zijn aan de gerechtigde dat zij niet – ook niet bij wege van verrekening – in de verdeling van de gemeenschap mogen worden betrokken.
– De gedachten die de Hoge Raad tot deze uitkomst hebben geleid, rechtvaardigen niet een extensieve/analogische toepassing, waardoor ook buiten het geval van goederengemeenschap vergelijkbare aanspraken geldend kunnen worden gemaakt (zie de in al. 8 hiervóór aangehaalde rechtspraak), en
– eenmaal gegeven dat pensioenaanspraken in de verdeling van de gemeenschap moeten worden betrokken, levert (de lange duur van de voorhuwelijkse pensioenopbouw of) de korte duur van het huwelijk niet een voldoende rechtvaardiging op om af te wijken van het met het rechtskarakter van de goederengemeenschap verbonden uitgangspunt dat alle bestaande en toekomstige goederen van de echtgenoten tot de gemeenschap behoren (het arrest van 26 oktober 2001).

Aanvaarding van het in middel I onder 1 verdedigde standpunt is met deze combinatie van bevindingen niet te rijmen. Bij aanvaarding van dat standpunt wordt immers wèèl aan de gedachten die in de geciteerde passages uit het arrest Boon/Van Loon naar voren komen een (bredere) gelding gegeven, terwijl die gelding blijkens de in al. 8 aangehaalde rechtspraak slechts beperkt is; en dat standpunt strookt niet met het rechtskarakter van de huwelijkse goederengemeenschap, terwijl een afdoende rechtvaardiging om daarvan af te wijken ontbreekt (zie ook de beschouwingen in de al. 14 – 16 hierna). Dus moet de slotsom zijn dat het in dit middel(onderdeel) verdedigde standpunt geen goed recht is.

12) Subonderdelen 2 en 3 van middel I bestrijden, met een rechtsklacht en een motiveringsklacht, het oordeel van het hof dat er in dit geval onvoldoende grond is voor (verdere) matiging van de verrekeningsaanspraak van de man – waarbij ik de aantekening plaats dat zowel rechtbank als hof al aanleiding hadden gezien voor een niet onaanzienlijke correctie, ten voordele van de vrouw, op wat aan de man volgens de in het arrest Boon/Van Loon neergelegde uitgangspunten zou toekomen(5).

13) De (rechts)klacht van subonderdeel 2 is mij, intussen, niet volstrekt duidelijk geworden. Onjuist lijkt mij in elk geval het verwijt dat het hof zich heeft beperkt tot twee in het arrest Boon/Van Loon gegeven voorbeelden. Het hof heeft die twee voorbeelden als oriëntatiepunten gebruikt – volkomen terecht, nu het ongetwijfeld (mede) ter nadere oriëntatie van de praktijk geweest is, dat de Hoge Raad die voorbeelden heeft genoemd. Het hof heeft stellig niet geoordeeld – ook niet impliciet – dat niet ook in andere gevallen matiging denkbaar zou zijn.
De onduidelijkheid waar ik mee zit betreft subonderdeel 2.3. De daar verdedigde stelling dat matiging met inachtneming van alle relevante omstandigheden moet worden beoordeeld lijkt mij juist(6) – maar lijkt mij ook wel een waarheid als een koe. Ik zie dan ook niet de minste aanleiding voor de gedachte dat het hof in dit opzicht een andere opvatting heeft gehuldigd. Het middel noemt ook geen (relevante) omstandigheden die het hof ten onrechte buiten beschouwing zou hebben gelaten. Al met al geeft het middelonderdeel zo weinig specifiek aan, welk aspect van de beslissing van het hof onjuist wordt geacht en om welke reden, dat ik meen dat de klacht niet aan art. 407 lid 2 Rv. voldoet. In aansluiting daarop lees ik, zoals in de rede ligt, in het middelonderdeel (ook) geen klacht die ik als gegrond zou aanmerken.

14) Als men zich overigens afvraagt welke omstandigheden gewicht in de schaal leggen als het gaat om de beoordeling van een beroep op matiging van een aanspraak op pensioenverrekening, denkt men daarbij toch in de eerste plaats aan omstandigheden die overeenkomst vertonen met de verschillende in het arrest Boon/Van Loon (in rov. 13, slot) genoemde voorbeelden. Daarbij gaat het om omstandigheden die (kunnen) meebrengen dat de aanspraak op verrekening van de (ex-)echtgenoot minder zwaar moet worden gewogen dan de “claims” die anderen, inclusief de andere echtgenoot zelf, met betrekking tot de voor verrekening aangewezen middelen kunnen doen gelden. De door de Hoge Raad gegeven voorbeelden geven aan dat dat het geval kan zijn, onder andere als de betreffende middelen zijn opgebracht met het oog op verzorging van anderen dan de (ex-)echtgenoot die aanspraak op verrekening maakt, of als de ene echtgenoot al op andere wijze tegemoet is gekomen aan de verzorging van de betreffende ex-echtgenoot(7). De zinnetjes “Het geld is eigenlijk voor een ander bestemd” en “Dit geld komt U niet toe omdat voor Uw pensioen al andere middelen zijn opgebracht”, geven de strekking van wat ik hier bedoel (sterk) vereenvoudigd weer.

15) Daarentegen ben ik geneigd om aan omstandigheden die ten principale zouden moeten afdingen op de billijkheid van de verdelingsaanspraak uit hoofde van een goederengemeenschap, maar weinig gewicht toe te kennen.
Het wettelijke instituut van de goederengemeenschap kan nu eenmaal de ene echtgenoot zeer bevoordelen ten opzichte van de andere(8). Soms is zo’n bevoordeling in alle opzichten gerechtvaardigd, omdat de bevoordeelde echtgenoot zijn wederhelft in een langjarig huwelijk tot trouwe steun en troost is geweest; maar in andere gevallen kan zo’n bevoordeling soms als hoogst onbillijk en arbitrair treffen. Toch moet er, denk ik, niet meer dan een minimum aan ruimte worden gelaten om op een dergelijke grond de aanspraak op verdeling van de gemeenschap ter discussie te stellen; en er lijkt mij weinig reden om op die vuistregel weer een (sub)uitzondering te maken voor het geval van verrekening van pensioenaanspraken als gemeenschapsbestanddeel.

16) Omstandigheden zoals zojuist in al. 14 omschreven houden nauw verband met “de bijzondere aard van pensioenrechten als de onderhavige”; naar dat gegeven heeft de Hoge Raad in rov. 13 van het arrest Boon/Van Loon volgens mij niet voor niets verwezen. Omstandigheden zoals zojuist in al. 15 bedoeld, vertonen dat nauwe verband niet. Zij kunnen meebrengen dat het feit dat de ene (ex-)echtgenoot bij helfte met de andere moet delen de schijn oproept van een onverdiend voordeel voor de een, en een even onverdiend nadeel voor de ander – maar dat is aan het enigszins aleatoire karakter van de goederengemeenschap inherent. Er is geen reden om in de context van de pensioenverrekening méér ruimte voor deze “billijkheidscomponent” te laten, dan wanneer het om andere boedelbestanddelen gaat.
Deze beschouwingen brengen mij ertoe, het eens temeer juist te noemen dat het hof de voorbeelden uit het arrest Boon/Van Loon als (belangrijk) oriëntatiepunt heeft gebruikt. Volgens mij zijn die voorbeelden inderdaad richtinggevend als het gaat om de omstandigheden die bij een beroep op matiging van pensioenverrekeningsaanspraken gewicht in de schaal (mogen) leggen.
Zoals in al. 11 hiervóór al aangestipt, dragen deze beschouwingen ook bij tot de slotsom dat de in deze zaak aangevoerde argumenten geen andere uitkomst rechtvaardigen, dan die waartoe de Hoge Raad in HR 26 oktober 2001, RvdW 2001, 167 met betrekking tot het cassatiemiddel onder II is gekomen.

17) Met deze omweg ben ik aangeland bij subonderdeel 3 van middel I, de motiveringsklacht die subonderdeel 2 “flankeert”.
Ook dit subonderdeel geeft niet nader aan welke omstandigheden het hof ten onrechte niet, of onvoldoende in de afweging zou hebben betrokken, en geeft ook overigens (behoudens een herhaling van de eerste klacht van subonderdeel 2, zie daarvoor al. 13 hiervóór) niet aan welk bezwaar er tegen de motivering van het hof zou bestaan. Ook hier meen ik dus dat de klacht niet aan art. 407 lid 2 Rv. voldoet; en meen ik, voorzover daarover anders te oordelen zou zijn, dat de klacht geen gegrond bezwaar tegen de motivering van het arrest van het hof inhoudt.

18) Middel II bestrijdt het oordeel van het hof met betrekking tot de door de vrouw bepleite (analoge) toepassing van de verrekeningsmethodiek uit de vereveningswet.
Ik acht (ook) de in dit middel aangevoerde argumenten niet doeltreffend.

19) In de eerste plaats is het zo dat de vereveningswet zowel voor wat betreft de rechtsgrond als voor wat betreft de uitwerking, op geheel andere uitgangspunten berust dan de regel van het arrest Boon/Van Loon. De meest in het oog springende verschillen zijn: de erkenning van een verrekeningsaanspraak, ongeacht het huwelijksgoederenregime van partijen (en het daarmee samenhangende uitgangspunt dat de aanspraak niet berust op huwelijksvermogensrechtelijke verdeling, maar op een verzorgingsplicht gedurende en na het huwelijk); de beperking van de aanspraak tot staande het huwelijk opgebouwde rechten – terwijl het arrest Boon/Van Loon van het in al. 10 genoemde “rechtskarakter van de gemeenschap van goederen” uitgaat, en daar de consequentie van trekt; en de beperking tot ouderdomspensioenen, terwijl het arrest Boon/Van Loon ook betrekking heeft op, bijvoorbeeld, nabestaandenpensioen(9).
De vaststelling van het hof in de hier bestreden overweging (rov. 4.10) dat de vereveningswet van een geheel andere maatstaf uitgaat, is dus onmiskenbaar juist. Dat op zichzelf vormt al een voldoende begrijpelijke grond voor de beslissing om aan de uit de vereveningswet blijkende beginselen niet, in de wezenlijk andere context van een beoordeling aan de hand van de regel van het arrest Boon/Van Loon, analogisch toepassing te geven.

20) Bovendien had het hof in de voorafgaande overwegingen al aangegeven waarom het onvoldoende gronden aanwezig zag voor de door de vrouw bepleite matiging. Daarin ligt besloten dat, voorzover de vereveningswet wèèl verdergaande matiging zou indiceren, het hof die matiging niet aangewezen achtte, en ook waarom het hof daar zo over dacht.
Ik zou geneigd zijn geweest een motiveringsgebrek aan te nemen wanneer het hof bij de beoordeling van het beroep op de vereveningswet een heel andere uitkomst had bereikt dan eerder was gebeurd bij het beroep op matiging – dan zou met enig recht hebben kunnen worden gezegd dat onvoldoende duidelijk was waarom de weging in de ene context zo geheel anders kon uitvallen dan in de andere. Daarentegen vind ik de uitkomst die het hof in feite bereikt heeft, hoezeer die voor de vrouw teleurstellend moge zijn, alleszins begrijpelijk.

21) Middel II sub 2 betoogt dat het hof de derde grief van de vrouw verkeerd heeft gelezen. De beoordeling van de aan de gedingstukken te geven uitleg is echter voorbehouden aan de rechter(s) van de feitelijke instanties. De toelichting op grief 3 zegt trouwens (vrijwel) letterlijk datgene, wat daar volgens het middel door het hof ten onrechte in zou zijn gelezen (en zegt daarbij, dat het vooral dáárom gaat). Ik beoordeel deze klacht daarom als niet gegrond.

DE INCIDENTELE VORDERING

22) Nadat blijkbaar niet in een eerder stadium een beslissing op de incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gevraagd, hebben partijen daar inmiddels geen belang meer bij. Het ligt immers in de rede dat die beslissing niet eerder zal kunnen worden gegeven dan het arrest van de Hoge Raad ten principale. Dan zal ofwel (en in die zin zal ik concluderen) het arrest van het hof in gewijsde gaan, ofwel een beslissing volgen waardoor tenuitvoerlegging van de uitspraak van het hof niet meer aan de orde is.
Omdat partijen gewezen echtgenoten zijn, komt compensatie van de proceskosten het meest in aanmerking; zodat er ook met het oog op de kosten geen noodzaak is voor een beslissing in het incident. Ik meen dat de Hoge Raad zou kunnen verstaan dat voor een beslissing in het incident geen aanleiding meer is(10); en ik zal mij verder onthouden van bespiegelingen over de merites van de incidentele vordering.

CONCLUSIE

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

1 De cassatiedagvaarding is van 22 mei 2000, zodat het beroep binnen de termijn van art. 402 Rv. is ingesteld.
2 Ik zal deze hierna ter vermijding van omhaal aanduiden als “de vereveningswet”.
3 Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 26 oktober 2001, RvdW 2001, 167, onder nr. 9; HR 23 mei 1997, NJ 1998, 222 m.nt. WMK, rov. 3.4 en 3.5; T&C Burgerlijk Wetboek, boeken 1, 2, 3 en 5 (2001), Van Duijvendijk – Brand, aant. 4 en 5 bij art 1:94 BW; Asser – De Boer (1998), nr. 308; Kraan, Het Huwelijksvermogensrecht (1998), p. 30; Van Mourik – Verstappen, Handboek voor het Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding (1997), nr. 5.1; Van Mourik, Huwelijksvermogensrecht (1996), nrs. 53.1 en 53.4.
4 De conclusies van de A-G’n Franx en Asser voor de twee hier aangehaalde arresten houden voortreffelijke overzichten in van de destijds in de literatuur naar voren gebrachte opvattingen.
5 Daarbij wil ik niet verhelen dat ik de berekeningen van de (actuariële) deskundige die ertoe leiden dat de man het grootste deel van de in totaal betaalbaar gestelde pensioenen zou ontvangen, niet op hun merites kan beoordelen. In cassatie moeten deze berekeningen intussen als gegeven worden aanvaard; zij waren in appel niet ter discussie gesteld.
6 Met de kanttekening dat het arrest van 14 mei 1993, NJ 1994, 271 m.nt. EAAL waarop in dit subonderdeel een beroep wordt gedaan betrekking heeft op het zgn. “pensioenverweer” van art. 1: 153 BW, een onderwerp dat zo weinig verband houdt met de (matiging van de) aanspraak op pensioenverrekening waar het in deze zaak om gaat, dat dit arrest mij voor de onderhavige zaak niet relevant lijkt.
7 In de literatuur is overigens wel geopperd dat ook het feit dat uit andere (“externe”) bronnen in die verzorging is voorzien, gewicht in de schaal kan leggen.
8 Het kan ook tot aanmerkelijke benadeling leiden. (Ook) die kan soms zeer “hard” uitvallen, bijvoorbeeld als door de ene echtgenoot aangebracht vermogen ten offer valt aan door de andere echtgenoot veroorzaakte schulden.
9 Zie hierover bijvoorbeeld De Bruijn c.s., Het Nederlandse Huwelijksvermogensrecht (1999), nr. 333; Klaassen – Eggens – Luijten, Huwelijksgoederen- en Erfrecht, eerste gedeelte (1999), p. 109 – 113; Asser – De Boer (1998), nr. 615a; Van Mourik – Verstappen, Handboek voor het Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding (1997), p. 406 – 407.
10 Zie bijv. HR 7 december 2001, zaaknr. R01/038, rov. 5.3. en de conclusie van A-G Moltmaker voor HR 6 november 1987, NJ 1988, 829 m.nt. EAA, onder nr. 3.5.

Rechters

Mrs. Neleman, Van der Putt-Lauwers, Aaftink, Beukenhorst, Hammerstein, A-G Huydecoper

Instantie: Hof van Justitie EG, 19 maart 2002

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


De zaak betreft een klacht van een mannelijke ambtenaar bij het ministerie
van Landbouw over de kinderopvangregeling van het ministerie. Deze bepaalt
dat kinderopvang in principe uitsluitend ter beschikking staat aan
vrouwelijke medewerkers. Kinderen van mannelijke werknemers kunnen alleen in
noodgevallen in aanmerking komen voor een kinderopvangplaats. Achtergrond van
de regeling is de wens van het ministerie om een situatie van
ondervertegenwoordiging van vrouwen tegen te gaan.
Het Hof van Justitie verklaart voor recht dat het EG-recht (art. 2, lid 1 en
4 van de richtlijn 76/207) zich niet verzet tegen een regeling die door een
ministerie is ingevoerd ter bestrijding van een situatie van zware
ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen dat ministerie en die, in een
context die wordt gekenmerkt door een tekort aan geschikte en betaalbare
kinderopvang, de in aantal beperkte gesubsidieerde kinderopvangplaatsen die
het ministerie ter beschikking van zijn personeel stelt, uitsluitend
voorbehoudt aan vrouwelijke werknemers, terwijl mannelijke werknemers slechts
toegang tot die plaatsen kunnen krijgen in door de werkgever te beoordelen
noodgevallen. Dit geldt echter alleen mits de regeling ten opzichte van
mannelijke alleenstaande ouders op gelijke wijze wordt toegepast als bij
vrouwelijke werknemers.

Volledige tekst

ARREST

1. Bij verzoek van 8 december 1999, binnengekomen bij het Hof op 16 december
daaraanvolgend, heeft de Centrale Raad van Beroep krachtens artikel 234 EG
een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 2, leden 1 en
4, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding
en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB
39, blz. 40; hierna: richtlijn).

2. Deze vraag is gerezen in een geding tussen L. en de minister van het
ministerie waarbij hij werkzaam is, het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij (hierna: ministerie van LNV), ter zake van de weigering van de
minister om L.’s kind toegang te verlenen tot het door het ministerie
gesubsidieerde stelsel van kinderopvang op grond dat die toegang in beginsel
alleen is voorbehouden aan vrouwelijke werknemers van het ministerie.

RECHTSKADER

Communautaire bepalingen
3. Artikel 1, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
Deze richtlijn beoogt de tenuitvoerlegging in de lidstaten van het beginsel
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot
het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de
beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (…). Dit
beginsel wordt hierna beginsel van gelijke behandeling genoemd.

4. Artikel 2 van de richtlijn luidt:
1) Het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de hierna volgende
bepalingen houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond
van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de
echtelijke staat of de gezinssituatie.
(…)

4) Deze richtlijn vormt geen belemmering voor maatregelen die beogen te
bevorderen dat mannen en vrouwen gelijke kansen krijgen, in het bijzonder
door feitelijke ongelijkheden op te heffen welke de kansen van de vrouwen op
de in artikel 1, lid 1, bedoelde gebieden nadelig beïnvloeden.

5. Artikel 5, lid 1, van de richtlijn bepaalt:

De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de
arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor
mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond
van geslacht.

6. Onder uitdrukkelijke verwijzing in de considerans naar artikel 2, lid 4,
van de richtlijn, wordt de lidstaten in Aanbeveling 84/635/EEG van de Raad
van 13 december 1984 betreffende de bevordering van positieve acties voor
vrouwen (PB L 331, blz. 34) met name verzocht:

1) een beleid van positieve actie aan te nemen, dat ten doel heeft de
feitelijke ongelijkheden die vrouwen in het beroepsleven ondervinden, weg te
nemen en een gemengde werkgelegenheid te bevorderen; dit beleid moet passende
algemene en specifieke maatregelen omvatten die in het kader van het
nationale beleid en de nationale gebruiken (…) ten uitvoer worden gelegd,
teneinde:

a) de voor werkende of werkzoekende vrouwen nadelige effecten die het
resultaat zijn van attitudes, gedragspatronen en structuren welke berusten op
het denkbeeld van een traditionele verdeling van de rollen van mannen en
vrouwen in de samenleving, weg te nemen of te compenseren;

b) de deelneming van vrouwen aan de verschillende beroepsactiviteiten in de
sectoren van het beroepsleven waar zij thans ondervertegenwoordigd zijn te
bevorderen, en dit met name in de sectoren met toekomst en op hoge niveaus
van verantwoordelijkheid, om tot een betere benutting van het menselijk
potentieel te komen;
(…)

3) maatregelen voor positieve acties te nemen, na te streven of aan te
moedigen in de overheidssector en in de particuliere sector;

4) er zorg voor te dragen dat de positieve acties zoveel mogelijk acties
omvatten die betrekking hebben op de volgende aspecten:

(…)

– aanpassing van de arbeidsomstandigheden (…)

(…)

(…)

8) mede in de overheidssector initiatieven ter bevordering van de gelijke
kansen te ontplooien, die als voorbeeld kunnen dienen, (…)

(…)

Nationale bepalingen

7. Artikel 1a van de Wet Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen van 1
maart 1980 (hierna: WGB) bepaalt:

1. In de openbare dienst mag het bevoegd gezag geen onderscheid maken tussen
mannen en vrouwen (…) in de arbeidsvoorwaarden (…)

(…)

(…)

8. Artikel 5 WGB luidt echter:

Van het in de artikelen 1a, 2, 3 en 4 bepaalde mag worden afgeweken indien
het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te
plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen en
het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.

(…)

9. Het ministerie van LNV heeft op 15 november 1993 circulaire nr. P 93-7841
(hierna: circulaire) vastgesteld, krachtens welke het een bepaald aantal
kinderopvangplaatsen ter beschikking stelt van zijn vrouwelijke werknemers.
Deze plaatsen, waarvan het aantal in 1995 128 bedroeg, worden over de
directies en diensten van het ministerie van LNV verdeeld naar gelang van het
aantal tewerkgestelde vrouwelijke werknemers, en wel in een verhouding van
één kinderopvangplaats op twintig vrouwelijke werknemers. Het gaat ten dele
om plaatsen in een eigen kinderdagverblijf van het ministerie van
NV en ten dele om plaatsen die het ministerie bij gemeentelijke
kinderopvangcentra huurt.

10. Werknemers die voor hun kind een kinderopvangplaats hebben gekregen
moeten een ouderbijdrage betalen, waarvan het bedrag wordt vastgesteld op
basis van hun inkomen en voor kinderen van eenzelfde gezin degressief is.
Deze bijdrage wordt rechtstreeks op het salaris van de werknemers ingehouden.

11. De circulaire bepaalt onder meer:

Kinderopvang staat in principe uitsluitend ter beschikking aan vrouwelijke
medewerkers van LNV, tenzij sprake is van een noodgeval, dit ter beoordeling
van de directeur.

HOOFDGEDING EN DE PREJUDICIELE VRAAG

12. L. is ambtenaar bij het ministerie van LNV. Zijn echtgenote is bij een
andere werkgever in dienst.

13. Op 5 december 1995 heeft L. het ministerie van LNV verzocht, een
kinderopvangplaats te reserveren voor zijn nog ongeboren kind. Op 20 december
1995 werd deze aanvraag afgewezen, op grond dat kinderen van mannelijke
werknemers alleen in noodgevallen in aanmerking kunnen komen voor een
kinderopvangplaats als in het hoofdgeding aan de orde is.

14. Bij brief van 28 december 1995 heeft L. bij het ministerie van LNV
bezwaar aangetekend tegen dit afwijzende besluit. Diezelfde dag heeft hij de
Commissie gelijke behandeling verzocht om een oordeel over de vraag, of het
standpunt van het ministerie van LNV verenigbaar was met de WGB.

15. In een brief van 22 februari 1996 aan de Commissie gelijke behandeling
heeft het ministerie van LNV onder meer gesteld, dat het in de circulaire
gemaakte onderscheid naar geslacht was ingegeven door de wens van het
ministerie om een situatie van ondervertegenwoordiging van vrouwelijke
werknemers tegen te gaan. In dit verband heeft het opgemerkt, dat op 31
december 1994 van de in totaal 11 251 werknemers er slechts 2 792 vrouw
waren, die bovendien ondervertegenwoordigd waren in de hogere schalen.

16. Het oordeel van 25 juni 1996 van de Commissie gelijke behandeling luidde,
dat het ministerie van LNV niet in strijd had gehandeld met de artikelen 1a,
lid 1, en 5 WGB. Volgens de Commissie was het algemeen bekend, dat vrouwen
vaker dan mannen om redenen verband houdend met de opvang van hun kinderen
afzien van het aangaan of de voortzetting van een dienstverband, en mocht men
er redelijkerwijze van uitgaan, dat het tekort aan kinderopvang voor hen dus
een doorslaggevende factor kon zijn om hun werk op te geven. Volgens de
Commissie gelijke behandeling was de circulaire derhalve gerechtvaardigd door
het streven, het uitstromen van vrouwelijke werknemers te verminderen, en
stond zij in redelijke verhouding tot dat doel. De Commissie gelijke
behandeling deed voorts de aanbeveling, in de circulaire duidelijk aan te
geven dat alleenstaande mannelijke werknemers als noodgeval in aanmerking
konden komen voor een kinderopvangplaats. Bovendien wees zij erop, dat de
circulaire niet kon worden geacht voor altijd in overeenstemming te zijn met
de WGB, maar dat uit regelmatige evaluaties zou moeten blijken of de
betrokken regeling nog steeds geschikt was.

17. Het kind van L. is op 5 juli 1996 geboren.

18. Op basis van het oordeel van de Commissie gelijke behandeling, in
afwachting waarvan het zijn besluit had opgeschort, heeft het ministerie van
LNV L.’s bezwaar op 11 september 1996 ongegrond verklaard.

19. Het door L. tegen dit besluit ingestelde beroep is bij vonnis van 8
oktober 1996 door de Arrondissementsrechtbank ‘s-Gravenhage ongegrond
verklaard. Deze rechterlijke instantie, die zich uitsluitend op basis van
nationaal recht heeft uitgesproken, heeft het oordeel van de Commissie
gelijke behandeling onderschreven.

20. L. heeft op 13 november 1996 bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep
tegen dit vonnis ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat het ministerie van LNV
niet had aangetoond, dat door de kinderopvangregeling daadwerkelijk meer
vrouwen na hun zwangerschapsverlof in dienst zijn gebleven. Voorts heeft hij
gesteld, dat bij het overgrote deel van de Nederlandse ministeries voor de
toegang tot door hen gesubsidieerde kinderopvang geen onderscheid wordt
gemaakt tussen mannen en vrouwen, hetgeen aangeeft dat de omvang van de ter
beschikking staande middelen geen argument kan zijn om mannelijke werknemers
van het ministerie van
NV van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kinderopvangregeling uit te
sluiten. Deze uitsluiting is zijns inziens ook in strijd met artikel 2 van de
richtlijn.

21. Volgens het ministerie van LNV kan de betrokken regeling juist wel
gerechtvaardigd zijn uit hoofde van artikel 2, lid 4, van de richtlijn. De
voorrang van vrouwen zou zijn ingegeven door de wens van het ministerie om
bestaande ongelijkheden tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers, zowel
wat het aantal bij het ministerie tewerkgestelde vrouwen als hun spreiding
over de functieniveaus betreft, op te heffen. Het creëren van gesubsidieerde
kinderopvangplaatsen kan wel degelijk bijdragen tot het wegwerken van deze
feitelijke ongelijkheid.

22. De Centrale Raad van Beroep beklemtoont om te beginnen, dat er verschil
van mening lijkt te bestaan over de vraag, of artikel 2, lid 4, van de
richtlijn kan worden toegepast op maatregelen betreffende kinderen van
werknemers, in het bijzonder wanneer blijkt dat het doel van bevordering van
gelijke kansen ook kan worden bereikt door werknemers van beide geslachten
voor die maatregelen in aanmerking te laten komen. Vervolgens merkt hij op,
dat maatregelen als die waarin de circulaire voorziet volgens sommige auteurs
een traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen bestendigen en
legitimeren. Onder verwijzing naar de arresten van 17 oktober 1995, Kalanke
(C-450/93, Jurispr. blz. I-3051), en 11 november 1997, Marschall (C-409/95,
Jurispr. blz. I-6363), vraagt de Centrale Raad van Beroep zich bovendien af,
of de in de circulaire opgenomen uitzondering, die uitsluitend geldt voor
mannelijke werknemers die in een noodsituatie verkeren, niet een al te
beperkte strekking heeft. Ten slotte vraagt hij zich af, wat de eventuele
invloed is van de omstandigheid dat door de uitsluiting van verzoeker in het
hoofdgeding ook diens echtgenote kan worden benadeeld indien deze bij haar
werkgever evenmin in aanmerking komt voor een kinderopvangvoorziening.

23. Van oordeel dat deze vragen niet aan de hand van de rechtspraak van het
Hof kunnen worden beantwoord, heeft de Centrale Raad van Beroep de
behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag
voorgelegd:

Verzet artikel 2, leden 1 en 4, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9
februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het
arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden, zich tegen een regeling van een werkgever op grond
waarvan gesubsidieerde kinderopvangplaatsen uitsluitend ter beschikking staan
aan vrouwelijke medewerksters, tenzij zich ten aanzien van een mannelijk
werknemer een door zijn werkgever te beoordelen noodgeval voordoet?

PREJUDICIELE VRAAG

24. Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat de artikelen 1a en 5 WGB
uitvoering geven aan de artikelen 1, lid 1, en 2, leden 1 en 4, van de
richtlijn voor de Nederlandse openbare dienst, en dat volgens vaste
rechtspraak de nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht,
met name van een speciaal ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde
nationale wet, zijn nationale recht moet uitleggen in het licht van de
bewoordingen en het doel van die richtlijn (zie, met betrekking tot de
richtlijn, arrest van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt
53).

25. Voorts moet eraan worden herinnerd dat het in de richtlijn neergelegde
beginsel van gelijke behandeling een algemene strekking heeft en dat de
richtlijn ook geldt voor arbeidsverhoudingen in de openbare dienst (zie met
name arresten van 26 oktober 1999, Sirdar, C-273/97, Jurispr. blz. I-7403,
punt 18, en 11 januari 2000, Kreil, C-285/98, Jurispr. blz. I-69, punt 18).

26. Ten aanzien van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregel moet
in de eerste plaats worden opgemerkt, zoals de verwijzende rechterlijke
instantie heeft gedaan, dat de beschikbaarstelling door de werkgever aan zijn
werknemers van kinderopvangplaatsen op of buiten de werkplek, inderdaad als
een arbeidsvoorwaarde in de zin van de richtlijn moet worden aangemerkt.

27. Anders dan de Commissie ter terechtzitting heeft betoogd, gaat het hier
niet veeleer om bezoldiging enkel op grond dat, zoals in het hoofdgeding, de
kosten van deze kinderopvangplaatsen ten dele door de werkgever worden
gedragen.

28. Dienaangaande heeft het Hof immers reeds beslist dat de omstandigheid dat
de vastlegging van bepaalde arbeidsvoorwaarden financiële gevolgen kan
hebben, onvoldoende reden vormt om dergelijke voorwaarden te doen vallen
onder het toepassingsgebied van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120
EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), dat uitgaat van
de nauwe band tussen de aard van de verrichte arbeid en het bedrag van het
loon (arresten van 15 juni 1978, Defrenne III, 149/77, Jurispr. blz. 1365,
punt 21, en 30 maart 2000, Jämo, C-236/98, Jurispr. blz. I-2189, punt 59).

29. Zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie terecht heeft
opgemerkt, is bovendien een maatregel als in het hoofdgeding aan de orde
bovenal van praktische aard. Door de beschikbaarstelling van
kinderopvangplaatsen wordt immers vermeden dat de werknemer met onzekerheden
en problemen te kampen krijgt bij het zoeken naar een zowel geschikte als
betaalbare opvangplaats voor zijn kind. Daarom heeft een dergelijke
maatregel, in het bijzonder in een context die wordt gekenmerkt door een
ontoereikend aanbod van kinderopvangplaatsen, tot voornaamste doel en gevolg
dat de uitoefening van de beroepsactiviteit van de betrokken werknemers wordt
vergemakkelijkt.

30. In de tweede plaats leidt een regeling waarmee een werkgever de
kinderopvangplaatsen die hij ter beschikking van zijn personeel stelt,
uitsluitend voorbehoudt aan vrouwelijke werknemers, tenzij sprake is van een
door hem te beoordelen noodgeval, tot een verschil in behandeling op grond
van geslacht in de zin van de artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van de
richtlijn. De situaties van een mannelijke werknemer en van een vrouwelijke
werknemer, vader respectievelijk moeder van jonge kinderen, zijn immers in
die zin vergelijkbaar, dat beide werknemers gedwongen kunnen zijn gebruik te
maken van kinderopvang omdat zij een beroep uitoefenen (zie in die zin arrest
van 25 oktober 1988, Commissie/Frankrijk, 312/86, Jurispr. blz. 6315, punt
14, en, mutatis mutandis, voor de situatie van mannelijke en vrouwelijke
werknemers die de opvoeding van hun kinderen op zich nemen, arrest van 29
november 2001, Griesmar, C-366/99, nog niet gepubliceerd in de
Jurisprudentie, punt 56).

31. Derhalve moet in de derde plaats worden onderzocht, of een maatregel als
in het hoofdgeding aan de orde is niettemin toelaatbaar is op grond van
artikel 2, lid 4, van de richtlijn.

32. Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak, dat laatstgenoemde bepaling
een nauwkeurig bepaald en beperkt doel heeft, te weten het toestaan van
maatregelen die, hoewel schijnbaar discriminerend, in werkelijkheid de in de
realiteit van het maatschappelijk leven bestaande feitelijke ongelijkheden
beogen op te heffen of te verminderen. Zij staat nationale maatregelen toe op
het gebied van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van
promotiekansen, die in het bijzonder vrouwen bevoordelen met het doel, hen
beter in staat te stellen op de arbeidsmarkt te concurreren en op voet van
gelijkheid met mannen een loopbaan op te bouwen (arresten Kalanke, reeds
aangehaald, punten 18 en 19, en Marschall, reeds aangehaald, punten 26 en 27,
en arrest van 28 maart 2000, Badeck e.a., C-158/97, Jurispr. blz. I-1875,
punt 19).

33. Meer in het bijzonder heeft het Hof geoordeeld, dat artikel 2, leden 1 en
4, van de richtlijn zich niet verzet tegen een nationale regeling betreffende
de openbare dienst die, in beroepen waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn
en waarvoor de staat geen opleidingsmonopolie bezit, ten minste de helft van
de opleidingsplaatsen aan vrouwen voorbehoudt. Na te hebben opgemerkt dat een
dergelijke regeling deel uitmaakt van een beperkt plan ter verwezenlijking
van gelijke kansen, aangezien aan vrouwen geen arbeidsplaatsen worden
voorbehouden, maar opleidingsplaatsen met het oog op de verwerving van een
kwalificatie die later toegang tot beroepen in de openbare dienst kan geven,
en dat zij dus enkel de kansen van vrouwelijke kandidaten in de openbare
sector verbetert, heeft het Hof vastgesteld, dat het hierbij gaat om een
maatregel die de oorzaken van de geringere kansen van toegang van vrouwen tot
de arbeidsmarkt en tot een loopbaan moet wegnemen en die de mogelijkheden
voor hen om op de arbeidsmarkt te concurreren en op voet van gelijkheid met
mannen een loopbaan op te bouwen, dient te verbeteren (arrest Badeck e.a.,
reeds aangehaald, punten 52-55).

34. Gelijk de Nederlandse regering in haar opmerkingen terecht heeft
aangevoerd, kan op grond van soortgelijke overwegingen worden geconcludeerd
dat een maatregel als in het hoofdgeding aan de orde is – en die overigens
beantwoordt aan de richtsnoeren volgende uit de punten 1, 3, 4 en 8 van
aanbeveling 84/635 – niet in strijd is met artikel 2, leden 1 en 4, van de
richtlijn.

35. Anders dan de Commissie in dit verband stelt, loopt het arrest
Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, in niets vooruit op de beslissing in
de onderhavige zaak. Het Hof heeft in punt 15 van dat arrest immers slechts
opgemerkt, dat niets in het hem door de verwerende lidstaat overgelegde
dossier de conclusie toeliet dat het zonder onderscheid handhaven door deze
lidstaat van een hele reeks collectieve arbeidsovereenkomsten waaruit
bijzondere rechten voor vrouwen voortvloeiden, beantwoordde aan de in artikel
2, lid 4, van de richtlijn bedoelde bijzondere situatie.

36. Met betrekking tot de maatregel die in het hoofdgeding aan de orde is,
blijkt in de eerste plaats uit het prejudiciële verzoek, de stukken van het
hoofdgeding en de pleidooien voor het Hof, dat ten tijde van de vaststelling
van de circulaire en van de feiten van het hoofdgeding de situatie binnen het
ministerie van LNV werd gekenmerkt doordat vrouwen zwaar
ondervertegenwoordigd waren, zowel qua aantal als wat de bezetting van posten
in de hogere rangen betreft.

37. In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat, zoals de Commissie gelijke
behandeling in haar oordeel van 25 juni 1996 met name heeft opgemerkt, een
onvoldoende capaciteit aan geschikte en betaalbare kinderopvang meer in het
bijzonder voor vrouwelijke werknemers een reden vormt om hun werk op te geven
(zie dienaangaande eveneens de negende en tiende overweging van de
considerans van Aanbeveling 92/241/EEG van de Raad van 31 maart 1992
betreffende kinderopvang; PB L 123, blz. 16).

38. In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat een maatregel als in
het hoofdgeding aan de orde is, die deel uitmaakt van het beperkt plan ter
verwezenlijking van gelijke kansen voorzover aan vrouwen geen arbeidsplaatsen
worden voorbehouden, maar vrouwen de voortzetting en de ontwikkeling van hun
beroepsloopbaan wordt vergemakkelijkt door bepaalde arbeidsvoorwaarden, in
beginsel behoort tot de maatregelen die de oorzaken van de geringere kansen
van toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt en tot een loopbaan moeten
wegnemen en die hun mogelijkheden om op de arbeidsmarkt te concurreren en op
voet van gelijkheid met mannen een loopbaan op te bouwen, dienen te
verbeteren. De verwijzende rechterlijke instantie dient in dit verband na te
gaan, of de in de punten 36 en 37 van dit arrest genoemde feitelijke
omstandigheden inderdaad zijn komen vast te staan.

39. Dit neemt echter niet weg dat volgens vaste rechtspraak bij de
vaststelling van de draagwijdte van een afwijking van een individueel recht,
zoals de in de richtlijn neergelegde gelijke behandeling van mannen en
vrouwen, steeds het evenredigheidsbeginsel moet worden geëerbiedigd, op grond
waarvan afwijkingen niet verder mogen gaan dan passend en noodzakelijk is ter
verwezenlijking van het nagestreefde doel en zoveel mogelijk een evenwicht
tot stand moet worden gebracht tussen het beginsel van gelijke behandeling en
de eisen van het aldus beoogde doel (reeds aangehaalde arresten Johnston,
punt 38; Sirdar, punt 26, en Kreil, punt 23).

40. In het kader van de in artikel 234 EG neergelegde verdeling van
bevoegdheden is het in beginsel de nationale rechterlijke instantie die op de
eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel moet toezien. Volgens de
rechtspraak is het Hof evenwel bevoegd, de nationale rechterlijke instantie
alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht te
verschaffen welke die rechterlijke instantie in staat stellen de
verenigbaarheid van een nationale maatregel met dat recht te beoordelen voor
de beslechting van het bij haar aanhangig geding. Blijkens punt 22 van dit
arrest stelt de verwijzende rechterlijke instantie in casu bovendien een
aantal specifieke vragen aan de orde die moeten worden beantwoord.

41. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat een maatregel als in het
hoofdgeding aan de orde, die bestemd is om een feitelijke ongelijkheid weg te
nemen, niettemin ook het gevaar zou kunnen inhouden bij te dragen tot het
bestendigen van een traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen.

42. Een dergelijke omstandigheid kan stellig de in de doctrine heersende
opvatting versterken waarop de verwijzende rechterlijke instantie doelt,
namelijk dat indien het doel van de bevordering van gelijke kansen van mannen
en vrouwen dat wordt beoogd met de invoering van een maatregel ten behoeve
van vrouwelijke werknemers die moeder zijn, ook kan worden bereikt indien
deze maatregel tevens ten goede komt aan mannelijke werknemers die vader
zijn, het in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel om mannen van de
maatregel uit te sluiten.

43. In casu moet echter rekening worden gehouden met de omstandigheid dat, in
de context van het eerder genoemde ontoereikende aanbod, het aantal
kinderopvangplaatsen dat op grond van de in het hoofdgeding aan de orde
zijnde maatregel beschikbaar is al beperkt is en dat er voor vrouwelijke
werknemers bij het ministerie van LNV wachtlijsten bestaan. Zelfs die
vrouwelijke werknemers zijn er dus geenszins zeker van dat zij een plaats
kunnen krijgen.

44. Bovendien heeft een maatregel als in het hoofdgeding aan de orde is niet
tot gevolg dat de betrokken mannelijke werknemers elke toegang tot
opvangplaatsen voor hun kinderen wordt ontnomen. Evenals vrouwelijke
werknemers die geen opvangplaats hebben kunnen krijgen in het kader van het
door het ministerie van LNV gesubsidieerde kinderopvangstelsel hebben zij
toegang tot andere plaatsen, welke voornamelijk beschikbaar zijn op de
overeenkomstige dienstenmarkt (zie, mutatis mutandis, voor
opleidingsplaatsen, arrest Badeck e.a., reeds aangehaald, punt 53).

45. Voorts moet eraan worden herinnerd, dat de in het hoofdgeding aan de orde
zijnde maatregel mannelijke werknemers niet volledig van zijn werkingssfeer
uitsluit, maar de werkgever toestaat om aanvragen van mannelijke werknemers
in door hem te beoordelen noodgevallen in te willigen.

46. Ten aanzien van de draagwijdte van deze uitzondering moet worden
opgemerkt, dat zowel het ministerie van LNV in het kader van de in het
hoofdgeding en voor de Commissie gelijke behandeling gevoerde procedures
alsook de Nederlandse regering voor het Hof hebben verklaard, dat mannelijke
werknemers die alleenstaand ouder zijn op die grond toegang zouden moeten
kunnen hebben tot het in het hoofdgeding aan de orde zijnde stelsel van
kinderopvang.

47. Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat een maatregel welke
mannelijke werknemers die alleenstaand ouder zijn uitsluit van de
mogelijkheid om toegang te krijgen tot een door hun werkgever gesubsidieerd
stelsel van kinderopvang, verder zou gaan dan is toegestaan op grond van de
in artikel 2, lid 4, van de richtlijn voorziene afwijking en in ernstige mate
afbreuk zou doen aan het door de richtlijn gewaarborgde individuele recht van
gelijke behandeling. Ten aanzien van die werknemers heeft het argument dat
vrouwen eerder geneigd zijn om hun beroepsloopbaan te onderbreken teneinde de
zorg voor hun jonge kinderen op zich te nemen, overigens niet langer dezelfde
relevantie.

48. In de omstandigheden die in de punten 43 tot en met 47 van dit arrest
uiteen zijn gezet, kan niet worden gesteld, dat het in strijd is met het
evenredigheidsbeginsel dat de circulaire niet aan werknemers van beide
geslachten op voet van gelijkheid toegang tot kinderopvangplaatsen biedt.

49. De omstandigheid dat de echtgenote van verzoeker in het hoofdgeding in
voorkomend geval bij de voortzetting van haar beroepsloopbaan problemen zou
kunnen ondervinden ten gevolge van de behoefte aan kinderopvang, is voor de
toetsing van de gegrondheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde
maatregel aan artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn irrelevant. Wat de
door een werkgever vastgestelde arbeidsvoorwaarden betreft, kan het beginsel
van gelijke behandeling immers per definitie slechts toepassing vinden tussen
de werknemers die bij hem in dienst zijn. Deze bepaling kan derhalve niet
aldus worden uitgelegd, dat zij voor een werkgever die een maatregel treft om
ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen zijn eigen personeel te
bestrijden, de verplichting inhoudt om rekening te houden met overwegingen
verband houdend met het behoud van werk van vrouwelijke werknemers die niet
tot zijn personeel behoren.

50. Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vraag worden
geantwoord, dat artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn zich niet verzet
tegen een regeling die door een ministerie is ingevoerd ter bestrijding van
een situatie van zware ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen dat
ministerie en die, in een context die wordt gekenmerkt door een tekort aan
geschikte en betaalbare kinderopvang, de in aantal beperkte gesubsidieerde
kinderopvangplaatsen die het ministerie ter beschikking van zijn personeel
stelt, uitsluitend voorbehoudt aan vrouwelijke werknemers, terwijl mannelijke
werknemers slechts toegang tot die plaatsen kunnen krijgen in door de
werkgever te beoordelen noodgevallen. Dit geldt echter alleen mits deze
uitzondering ten behoeve van mannelijke werknemers in het bijzonder aldus
wordt uitgelegd, dat diegenen onder hen die alleenstaand ouder zijn onder
dezelfde voorwaarden als vrouwelijke werknemers toegang tot dit stelsel van
kinderopvang kunnen krijgen.

KOSTEN

51. De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie wegens indiening
van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in
aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de
procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale
rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Centrale Raad van Beroep bij verzoek van 8
december 1999 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 2, leden 1 en 4, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari
1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het
arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden, verzet zich niet tegen een regeling die door een
ministerie is ingevoerd ter bestrijding van een situatie van zware
ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen dat ministerie en die, in een
context die wordt gekenmerkt door een tekort aan geschikte en betaalbare
kinderopvang, de in aantal beperkte gesubsidieerde kinderopvangplaatsen die
het ministerie ter beschikking van zijn personeel stelt, uitsluitend
voorbehoudt aan vrouwelijke werknemers, terwijl mannelijke werknemers slechts
toegang tot die plaatsen kunnen krijgen in door de werkgever te beoordelen
noodgevallen. Dit geldt echter alleen mits deze uitzondering ten behoeve van
mannelijke werknemers in het bijzonder aldus wordt uitgelegd, dat diegenen
onder hen die alleenstaand ouder zijn onder dezelfde voorwaarden als
vrouwelijke werknemers toegang tot dit stelsel van kinderopvang kunnen
krijgen.

Rechters

Mrs. Rodríguez Iglesias, Jann, Macken, Colneric, Gulmann, La Pergola,Puissochet, Schintgen en Skouris; A-G Alber

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 13 maart 2002

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Vaststelling alimentatie ten behoeve van de vrouw. De man stelt dat de leeftijd van het jongste kind (geboren in 1985) geen belemmering (meer) behoeft te zijn voor de vrouw om haar werkzaamheden uit te breiden. De vrouw kan fulltime werken. De vrouw stelt in haar verweer dat (1) zijaltijd met instemming van de man in deeltijd heeft gewerkt; (2) de scheiding een zodanige emotionele invloed op haar en haar twee dochters heeft, dat fulltime werken op dit moment niet kan; (3) ook al zou zij haar uren kunnen uitbreiden, zij daarmee dan nog niet volledig in haar levensonderhoud kan voorzien, gelet op de welstand gedurende het langdurige huwelijk. Het hof stelt dat de vrouw op termijn meer uren kan gaan werken, maar ook dan zal zij, gelet op de welstand tijdens het huwelijk, nog behoefte aan alimentatie van de man houden.

Volledige tekst

(…)

VASTSTAANDE FEITEN

Tussen de partijen staat – voor zover in hoger beroep van belang – op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende vast.
De man en de vrouw zijn op (…) 1980 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren de thans minderjarige M., geboren op (…) 1985 en de thans jong-meerderjarige A., geboren op (…) 1982, die beiden bij de vrouw wonen.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken, welke op (…) 2001 is ingeschreven. Bij die beschikking is aan de vrouw ten laste van de man vanaf de dag dat de echtscheidings- beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een alimentatie toegekend van ƒ 1.720 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van M. met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven bepaald op ƒ 350 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en te vermeerderen met de wettelijke indexering.
Hieronder zal het hof bedragen op hele guldens afronden.

Ten aanzien van de man.
De man is geboren op (…) 1951. Hij is alleenstaand. Hij is arbeidsongeschikt. Zijn inkomen bedraagt ƒ 12.778 bruto per maand, bestaande uit ƒ 7.915 salaris en ƒ 4.863 WAO-uitkering. Dit is 90% van zijn oorspronkelijke inkomen. Hij zal op korte termijn – naar ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep verwacht werd, per 1 januari 2002 – starten met het volgen van een reïntegratieplan, waarbij hij zijn werk geleidelijk zal hervatten. Hij is particulier verzekerd voor ziektekosten. Naast de premie voor zichzelf betaalt hij de ziekte-kostenpremie voor de beide dochters van de partijen.
De man heeft de volgende maandlasten:
– ƒ 350 ten behoeve van de kosten van studie van A.
– ƒ 940 kale huur
– ƒ 439 premie ziektekostenverzekering, ten behoeve van hemzelf en de kinderen

Ten aanzien van de vrouw
De vrouw is geboren op (…) 1952. Zij werkt drie dagen per week, 5 uur per dag. Per maand bedraagt haar bruto inkomen uit loon ongeveer ƒ 1.884, exclusief vakantiegeld. Zij is ziekenfondsverzekerd.
Zij heeft de volgende vaste lasten per maand:
– ƒ 818 kale huur, enige servicekosten ƒ 255;
– ƒ 44 aanvullende premie ziekenfonds;
– ƒ 23 premie aanvullende tandartsverzekering;
– ƒ 53 premie begrafenisverzekering.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTEEL APPEL

1. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de alimentatie ten behoeve van haar en, opnieuw beschikkende:
te bepalen dat de man met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting een alimentatie aan haar dient te betalen van ƒ 7.878 (€ 3.575,30) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; en te bepalen dat de man aan de jongmeerderjarige dochter A. als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie een bedrag dient te betalen van € 171 (ƒ 377) per maand, waartoe de jongmeerderjarige de vrouw heeft gemachtigd.

2. De man heeft de grieven van de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie gemotiveerd weersproken. Hij heeft zich gerefereerd aan het verzoek tot vaststelling van alimentatie A., aangezien hij deze reeds betaalt; met dien verstande dat hij het niet nodig acht dat hij daartoe veroordeeld wordt door het hof, zodat hij het hof heeft verzocht te verstaan dat hij deze alimentatie betaalt. In incidenteel appèl verzoekt hij de bestreden beschikking voor wat betreft de alimentatie voor de vrouw nietig te verklaren, althans te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat hij ten behoeve van de vrouw geen alimentatie dient te betalen.

3. Het hof zal het principale en het incidentele hoger beroep, gelet op hun onderlinge samenhang, in het hierna volgende gezamenlijk bespreken. In geschil is zowel de behoefte van de vrouw als de draagkracht van de man.

4. De man betoogt dat de vrouw in redelijkheid geacht moet worden geheel danwel voor een groter gedeelte in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, door voltijds althans meer uren te gaan werken. Hij meent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij haar werkzaamheden uitbreidt. Hiertoe voert hij aan dat de leeftijd van het jongste kind niet zodanig is dat het voor de vrouw noodzakelijk is parttime te (blijven) werken en dat de vrouw, die altijd in de zorgsector heeft gewerkt, goede mogelijkheden heeft haar werktijd uit te breiden wegens de grote vraag naar personeel in die sector.
De vrouw heeft zich hiertegen verweerd, stellende dat zij altijd met instemming van de man in deeltijd heeft gewerkt. Zij voert voorts aan dat zij thans niet meer uren kan gaan werken, doordat de scheiding een grote emotionele invloed heeft op haar en de dochters, die bij haar wonen. Daarnaast voert zij aan dat zelfs indien zij haar uren op termijn zou kunnen uitbreiden, zij daarmee niet volledig in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien, gelet op de welstand tijdens het langdurige huwelijk.
Het hof is van oordeel dat van de vrouw, gelet op haar huidige werk en werkervaring, op termijn in redelijkheid verwacht kan worden dat zij meer uren gaat werken. Het hof is evenwel van oordeel dat de vrouw, gelet op de welstand tijdens het huwelijk, op de duur van het huwelijk en op de taakverdeling binnen het huwelijk, naast haar eigen inkomen – ook indien dit iets hoger zou worden – behoefte heeft aan alimentatie van de man.
De man heeft de hoogte van de verzochte alimentatie betwist, omdat de vrouw haar behoefte aan dat bedrag niet heeft toegelicht, noch met stukken heeft onderbouwd. Het hof is van oordeel dat de behoefte van de vrouw de hierna genoemde alimentatie niet te boven gaat, gelet op haar eigen inkomsten uit arbeid en enige inkomsten uit vermogen en op de huwelijkse welstand.

5. Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt het hof als volgt.
Het hof neemt de inkomensgegevens uit de door de man bij faxbericht van 13 december als productie 5 overgelegde draagkrachtberekening tot uitgangspunt, zoals ter zitting besproken, nu niet is gebleken dat van een hoger inkomen moet worden uitgegaan. Hierbij dient, zoals door de man ter zitting is aangevoerd, nog rekening te worden gehouden met de afdracht van een WW-premie van 5,25%.
Het hof houdt rekening met de kale huur van ƒ 940 per maand, alsmede met ƒ 100 voor aan de woning verbonden servicekosten die door de vrouw als redelijk zijn erkend.
De ziektekostenpremie die de man ten behoeve van zichzelf en de twee dochters betaalt, bedraagt (in 2001) ƒ 5.270 per jaar. Anders dan de vrouw betoogt is de daarin begrepen wettelijke bijdrage (MOOZ en WTZ) niet begrepen in de bijstandsnorm, zodat daarmee wel rekening dient te worden gehouden. Wel dient een fictieve – landelijk gemiddelde – nominale premie van ƒ 30 per maand, die in de bijstandsnorm is begrepen, in mindering te worden gebracht op het in aanmerking te nemen bedrag aan premie. Het hof houdt dan ook rekening et een premie van ƒ 409 per maand.
Voorts houdt het hof redelijkerwijze rekening met ƒ 100 omgangskosten per maand. De vrouw heeft de omgangskosten weliswaar betwist, maar de man heeft onweersproken gesteld dat hij in elk geval weer contact heeft met de jongste dochter en sinds kort een begin van contact met de oudste dochter.
Met de door de man opgevoerde studiekosten ten behoeve van de schoolstudie van de beide dochters van ƒ 400 per maand, die door de vrouw niet danwel onvoldoende zijn bestreden, houdt het hof eveneens rekening. Het hof acht het niet redelijk rekening te houden met de door de man gestelde en door de vrouw betwiste herinrichtingskosten. Weliswaar heeft de man deze kosten met stukken onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de man deze kosten kan voldoen uit het door hem uit de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning verkregen bedrag van ƒ 125.000.
Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man, naast de alimentatie die hij betaalt voor de minderjarige en de jongmeerderjarige, een alimentatie voor de vrouw van ƒ 4.000 (€ 1.815) per maand toelaat, welke alimentatie, rekening houdend met de wederzijdse inkomsten en lasten van de man en de vrouw, in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.
Dit betekent dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd.

6. Gelet op het feit dat de man de alimentatie voor de jongmeerderjarige reeds voldoet, zal het hof dit verstaan.

7. Een en ander leidt tot de volgende beschikking.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:
kent aan de vrouw, ten laste van de man, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een alimentatie toe van ƒ 4.000 (€ 1.815) per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;
sluit de wettelijke indexering per 1 januari 2002 uit, zodat de eerste wettelijke indexering zal zijn per 1 januari 2003;
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en onder aanvulling van de bestreden beschikking:
verstaat dat de man in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige A. een bijdrage betaalt van ƒ 377 (€ 171) per maand, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
(…)

Rechters

Mrs. Pannekoek-Dubois, Van Oldenborgh en Kok

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 6 maart 2002

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vader verzoekt om de kinderbijdrage op nihil te stellen omdat hij geen inkomen heeft. Het hof formuleert eerst het uitgangspunt dat de verplichting tot onderhoud van kinderen een zodanig hoge prioriteit heeft dat het de vader in beginsel niet vrij stond zijn baan op te zeggen, waardoor hij niet meer aan zijn verplichting kon voldoen. Het hof maakt hier echter een uitzondering en meent dat de verwijtbaarheid hier niet zodanig is dat niet, voor enige tijd, met de verminderde draagkracht rekening kan worden gehouden.

Volledige tekst

PROCESVERLOOP

De vader is op 13 juli 2001 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 16 mei 2001.

De moeder heeft op 18 december 2001 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader is bij het hof een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 23 augustus 2001.

Op 30 januari 2002 is de zaak mondeling behandeld. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat voor zover in hoger beroep van belang tussen de ouders het volgende vast.

De vader en de moeder zijn gehuwd geweest [vam 1991 tot 1994]. Uit hun huwelijk zijn de volgende, nog minderjarige, kinderen geboren:
[de zoon], geboren [in] 1991, en
[de dochter], geboren [in] 1993.
De kinderen wonen sinds de echtscheiding feitelijk bij de moeder. Er is noch bij de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 25 mei 1994 noch later bij rechterlijke uitspraak kinderalimentatie vastgesteld.

Op 30 november 1994 hebben de ouders een convenant opgemaakt, waarin zij onder meer zijn overeengekomen, dat de vader een kinderalimentatie zou betalen van ƒ 250, per maand per kind, te vermeerderen met iedere wettelijke indexering.

De vader heeft tot 1 september 2000 de overeengekomen kinderalimentatie exclusief indexeringen betaald. Sinds 1 september 2000 heeft de vader geen kinderalimentatie meer betaald.

Op 7 december 2000 heeft de moeder de rechtbank te ‘s-Gravenhage onder meer verzocht de kinderalimentatie, met ingang van 1 september 2000 en uitvoerbaar bij voorraad, vast te stellen op ƒ 300, per maand per kind.

Bij de bestreden beschikking is het kinderalimentatieverzoek van de moeder toegewezen.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de vader.

De vader is geboren [in] 1956 en is alleenstaand. Hij heeft een opleiding op HBO-niveau (HEAO en 2e graads onderwijsakten Frans en Duits).

Tot 1 januari 2000 werkte de vader fulltime als Hoofd Boekhouding bij een gemeente, tegen een salaris van ƒ 3.000, netto per maand.
Van 1 januari 2000 tot 14 augustus 2000 heeft de vader in Frankrijk gewoond, met de bedoeling aldaar met zijn toenmalige Franse partner een nieuw bestaan op te bouwen. In Frankrijk heeft de vader geen inkomsten kunnen verwerven: hij heeft van zijn vermogen geleefd. Na zijn terugkeer in Nederland heeft de vader afgezien van een uitzendbaan gedurende twee weken, waarmee hij in totaal ƒ 754, netto heeft verdiend geen werk kunnen vinden.
Begin oktober 2000 bedroeg het saldo van zijn rekening bij de Postbank ƒ 11.561, positief.
Sinds 8 augustus 2001 heeft de vader een bijstandsuitkering.

De vader is in verband met zijn depressie onder behandeling bij Parnassia.

BEOORDELING

1. In geschil is ten aanzien van de kinderalimentatie, de draagkracht van de vader vanaf 1 september 2000.

2. De vader verzoekt het inleidende verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie alsnog af te wijzen, althans te bepalen dat deze kinderalimentatie op nihil wordt gesteld met terugwerkende kracht. De moeder bestrijdt zijn beroep.

3. Het hof is van oordeel dat de vader van 1 september 2000 tot 1 september 2002 geen draagkracht had of zal hebben om kinderalimentatie te betalen. Het hof houdt bij dit oordeel rekening met voornoemde vaststaande feiten en het hof overweegt als volgt.
4. De verplichting tot onderhoud van kinderen heeft een zodanig hoge prioriteit dat de vader zich in beginsel dient te onthouden van gedragingen die er toe leiden dat hij niet (meer) in staat is aan die verplichting te voldoen. In zover stond het de vader in beginsel niet vrij zijn baan op te zeggen, ten gevolge waarvan hij in een financieel onzekere situatie geraakte. Gezien de omstandigheden acht het hof de handelwijze van de vader echter alhoewel het verstandiger zou zijn geweest als hij zich eerst van een betaalde baan zou hebben verzekerd voordat hij naar Frankrijk vertrok niet zodanig verwijtbaar dat niet, voor enige tijd, met de verminderde draagkracht van de vader rekening dient te worden gehouden. Het hof weegt daarbij de volgende omstandigheden mee. De vader is naar Frankrijk verhuisd omdat zijn toenmalige Franse partner niet in Nederland kon aarden. Gelet op zijn kwalificaties mocht de vader er van uitgaan dat het hem zou lukken om in Frankrijk binnen redelijke termijn weer een betaalde betrekking te vinden. De vader heeft de periode tot hij werk zou vinden willen overbruggen door zijn kapitaal aan te spreken en hij heeft daaruit tevens de kinderbijdrage betaald tot 1 september 2000. Het is niet aannemelijk dat de vader zich onvoldoende heeft ingespannen om in Frankrijk aan het werk te komen. Ook na zijn terugkeer in Nederland heeft de vader zich daadwerkelijk ingespannen om weer aan het werk te komen. Tot nog toe heeft dat niet het gewenste resultaat gehad

5. De stelling van de vader, dat het hem ook in de toekomst niet mogelijk zal zijn om weer aan het werk te komen, onderschrijft het hof niet. Het hof acht het aannemelijk dat de vader na enige tijd, namelijk vanaf 1 september 2002, weer in staat zal zijn een inkomen te verkrijgen op het niveau van vóór zijn vertrek naar Frankrijk (ƒ 3.000, netto per maand). Weliswaar heeft de vader onweersproken gesteld dat hij in verband met zijn depressie wordt behandeld door Parnassia en heeft hij gesteld dat hij niet tot werken in staat is, maar daar staat tegenover dat de moeder, onweersproken, heeft gesteld dat de vader ook tijdens het huwelijk al kampte met depressies waarvoor hij medicatie kreeg , dat dit hem evenwel niet belette om te werken en dat werk voor hem het beste medicijn was. Het hof ziet de huidige psychische gesteldheid van de vader slechts als een tijdelijke arbeidsbelemmering, die er niet aan in de weg staat dat hij op termijn, namelijk met ingang van 1 september 2002, weer aan het werk zal komen. Andere arbeidsbelemmeringen zijn het hof niet gebleken. Het hof is van oordeel dat de vader een gunstige positie op de arbeidsmarkt heeft, gelet op zijn kwalificaties en werkervaring als Hoofd Boekhouding, waardoor hij in staat moet worden geacht om met ingang van 1 september 2002 weer een arbeidsinkomen van ƒ 3.000, netto per maand te verkrijgen.

6. Uitgaande van een inkomen van ƒ 3.000, netto per maand met ingang van 1 september 2002, en bij gebreke van bijzondere lasten, kan worden aangenomen dat de vader vanaf die datum voldoende draagkracht heeft om de door de moeder gevraagde kinderalimentatie te voldoen. Dat de vader afbetaalt op schulden en dat die last(en) voorrang verdienen boven de onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen heeft de vader niet aannemelijk gemaakt.

7. Uit dit alles volgt dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd voor zover die de ingangsdatum van de daarbij bepaalde kinderalimentatie betreft, met afwijzing van het in eerste aanleg door de moeder meer of anders verzochte, en voor het overige moet worden bekrachtigd.


BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de ingangsdatum van de kinderalimentatie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de bij de bestreden beschikking bepaalde kinderalimentatie van €136,13 (ƒ 300,) per maand per kind zal ingaan met ingang van 1 september 2002;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan ’s hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

Mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Pannekoek-Dubois en Duindam

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Amsterdam, 19 februari 2002

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Amsterdam

Samenvatting


Referente, van Turkse nationaliteit, is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. In april 2001 bevalt zij tijdens een tijdelijk verblijf in Turkije van een zoon. De vader van het kind, waarmee zij in 2000 in Turkije is gehuwd, verblijft in Turkije. Augustus 2001 dient de moeder namens het kind een aanvraag in voor een mvv voor verblijf bij moeder. Zij beschikt over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, ingaande op 1 juli 2001. De mvv wordt afgewezen. Volgens verweerder dienen beide ouders rechtmatig verblijf te hebben, hetgeen hier niet het geval is, resp. voldoet referente niet aan het middelenvereiste, nu haar arbeidsovereenkomst in verband met de bevalling van haar kind in Turkije tot nader order is opgeschort. De president overweegt dat, nu het onderhavige geval geen geval is als genoemd in art. 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 en evenmin een geval als bedoeld in art. 3.23 van het Vb 2000, verweerder zal dienen te bezien of ingevolge art. 3.13, tweede lid, alsnog een verblijfsvergunning aan verzoeker kan worden verleend. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dient verweerder daarbij acht te slaan op hetgeen omtrent art. 3.23 Vb 2000 is opgemerkt in de NvT, in het bijzonder dat is beoogd veilig te stellen dat een in het buitenland geboren kind van een permanent buiten Nederland verblijvende moeder niet op grond van dit artikel toelating kan verkrijgen met voorbijgaan aan het middelenvereiste. De rechtbank acht daarbij van belang dat referente reeds recht op verblijf in Nederland heeft, alsmede dat thans niet is beoogd om ook verzoekers vader voor een verblijfsvergunning in aanmerking te laten komen. Het onderhavige standpunt van verweerder heeft tot consequentie dat, zou referente naar een derde land (waarvoor het vereiste van een mvv geldt) zijn afgereisd en aldaar van verzoeker zijn bevallen, aan verzoeker een mvv zou moeten worden geweigerd, omdat alleen zijn moeder en niet tevens zijn vader, rechtmatig verblijf in Nederland geniet. Dit zou dan tot de onhoudbare situatie leiden dat referente van uit dat derde land, waar zij wellicht met vakantie was, slechts Nederland zou kunnen inreizen met verzoeker indien zij zou voldoen aan de gewone vereisten voor gezinshereniging. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen.
De volledige tekst is niet opgenomen.

Volledige tekst

De volledige tekst is niet opgenomen.

Rechters

Mr. Mildner

Instantie: Rechtbank Haarlem, 15 februari 2002

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres is van mei tot augustus 2000 afwezig geweest wegens zwangerschapsverlof. Na haar terugkeer heeft zij wegens ouderschapsverlof drie dagen gewerkt en zich voornamelijk bezig gehouden met een deel van haar functie, de optiedesk. Voor haar zwangerschap hield werkneemster zich als accountant vooral bezig met internal audits en fiscale aangelegenheden; een klein deel van haar werkzaamheden betrof de optiedesk. Eind 2001 is besloten bij werkgeefster een reorganisatie door te voeren. Als onderdeel daarvan zou de optiedesk verhuizen naar Amstelveen. Werkgeefster heeft werkneemster gevraagd haar werkzaamheden in Amstelveen voort te zetten, hetgeen werkneemster heeft geweigerd. Daarop heeft werkgeefster ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht.
Werkneemster stelt dat het altijd de bedoeling is geweest dat zij haar oorspronkelijke functie weer zou gaan uitoefenen. Haar bereidheid optiedesk-werk te verrichten was slechts tijdelijk, namelijk enkel samenhangend met haar ouderschapsverlof en haar werk gedurende drie dagen per week. Daarom stemt zij niet in met het voorstel van werkgeefster.
De kantonrechter overweegt dat een werkneemster na afloop van haar zwangerschapsverlof in beginsel het werk weer oppakt dat zij heeft achtergelaten toen dit verlof (al dan niet gevolgd door ouderschapsverlof) begon. Deze algemene stelling gaat echter alleen op als zich binnen het bedrijf van de werkgever geen reorganisaties hebben voorgedaan. Van werkgever kan niet verwacht worden dat een reële en/of noodzakelijke reorganisatie wordt opgehouden of slechts gedeeltelijk wordtgeëffectueerd omdat een werkneemster die met zwangerschapsverlof is, op de stoel moet terugkeren die zij heeft verlaten toen zij met verlof ging. Door de wijzigingen die zich hebben voorgedaan in de periode dat werkneemster met verlof was, bestaat het oude takenpakket van werkneemster niet meer. Werkgeefster heeft vervolgens een alleszins redelijk voorstel gedaan, namelijk dat werkneemster het werk bij de optiedesk in Amstelveen kon voortzetten. Daarbij ging het om dezelfde arbeidsvoorwaarden en condities. Toen duidelijk werd dat werkneemster niet op dit aanbod inging, heeft werkgeefster een andere accountantsfunctie aangeboden op de oude werkplek. Van werkneemster had als goed werkneemster verwacht mogen worden dat zij op dit aanbod inging. Nu werkneemster dit niet heeft gedaan, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden zonder toekenning van een vergoeding, tenzij werkneemster alsnog ingaat op de redelijke voorstellen die werkgeefster heeft gedaan.
De volledige tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Volledige tekst

De tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Rechters

Mr. Mellema

Instantie: Regionaal Tuchtcollege Amsterdam, 12 februari 2002

Instantie

Regionaal Tuchtcollege Amsterdam

Samenvatting


A., directeur van een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking, heeft een klacht ingediend tegen D., die aldaar als verpleegkundige heeft gewerkt. D. is eerder op staande voet ontslagen wegens ongewenste intimiteiten met een aantal bewoners; hiervoor is hij ook strafrechtelijk veroordeeld. A. heeft de klacht ingediend, omdat hij wil bewerkstelligen dat D. nooit meer in de zorgsector zal mogen werken. De klacht houdt in dat D. door het hebben van ongewenste seksuele intimiteit met verstandelijk gehandicapte cliënten/bewoners die aan zijn zorg waren toevertrouwd in ernstige mate heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij jegens die cliënten had moeten betrachten. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht gegrond, en overweegt ten aanzien van de op te leggen maatregel: ‘Cliënten die wegens een fysieke en/of verstandelijke handicap en/of wegens psychische omstandigheden extra kwetsbaar zijn, bevinden zich in een zeer afhankelijke positie tegenover een verpleegkundige aan wie zij zich voor hun verzorging en verpleging moeten toevertrouwen. De zorgvraag van deze cliënten kan soms zodanig zijn dat de verpleegkundige alert moet zijn op de grens tussen toelaatbaar en ontoelaatbaar handelen. Hierbij bevindt de cliënt zich in een positie, waarbij het moeilijk of onmogelijk kan zijn zich aan ongewenste en ontoelaatbare handelingen effectief te onttrekken. Het belang van de cliënt vergt dan ook dat zoveel mogelijk het gevaar voor zodanige handelingen wordt onderkend en vermeden. In beginsel dient, indien vaststaat dat een verpleegkundige zich heeft schuldig gemaakt aan ongewenst seksueel gedrag tegenover degenen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd, een maatregel te worden getroffen die herhaling hiervan onmogelijk maakt. Hierbij moet het belang van de verpleegkundige, om zijn beroep geheel of gedeeltelijk te kunnen blijven uitoefenen, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan hier niet is gebleken, dan ook wijken voor het belang van de kwetsbare cliënt’. Volgt de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register en publicatie van de beslissing.

Volledige tekst

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Het college heeft kennisgenomen van:

het klaagschrift met de bijlagen, waaronder de correspondentie met het college en de Inspecteur voor de Gezondheidszorg omtrent de vraag wie in deze zaak gerechtigd is een klacht in te dienen;-het aanvullend klaagschrift van 18 november 2000 met de bijlagen; nadere aanvulling op het klaagschrift van 15 februari 2001;

de brief van klager van 26 maart 2001 met de bijlagen, waaronder de machtiging van de Raad van Bestuur van de E. aan klager tot het indienen van de klacht;

het antwoord van 11 maart 2001 binnengekomen op 18 april 2001 met de bijlagen, waaronder het adviesrapport van de Reclassering van 17 april 2001;

de repliek van 21 juni 2001;

de dupliek van 30 juli 2001;

de correspondentie betreffende het vooronderzoek;

de bevestiging van het telefonisch op 25 januari 2001 binnengekomen bericht van verweerders afwezigheid ter zitting.

Partijen zijn bij brief van 2 augustus 2001 in de gelegenheid gesteld in het kader van het vooronderzoek te worden gehoord, maar hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De klacht is ter openbare terechtzitting van 12 februari 2002 behandeld.
Klager was aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. F., advocaat te G..
Verweerder had laten weten niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.

2. DE FEITEN.

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting is verklaard, kan van het volgende worden uitgegaan:
Klager is als algemeen directeur verbonden aan B., een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking, te H..
Verweerder werkte sinds 1 augustus 1989 als verpleegkundige in B..

In de zomer van 1998 is er melding gemaakt van ongewenste intimiteiten met vier verstandelijk gehandicapte bewoners waaraan verweerder zich zou hebben schuldig gemaakt. Over twee meldingen heeft verweerder een bekentenis afgelegd, de overige twee zaken heeft verweerder ontkend. Verweerder is op 14 augustus 1998 op staande voet ontslagen. Bij vonnis van 1 december 1999 van de Arrondissementsrechtbank te G. is verweerder hiervoor veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, een voor-waardelijke gevangenisstraf van vier maanden met als bijzondere voorwaarde het voortzetten van de behandeling in het Centrum voor ambulante forensische psychiatrie I. te J..

3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT.

Klager stelt dat verweerder door zijn handelen het vertrouwen dat de bewoners van B. in hem mochten stellen in zeer ernstige mate heeft geschonden.
Klager wil bewerkstelligen, dat verweerder nooit meer in de zorgsector zal mogen werken.
Niet alleen verstandelijk gehandicapten, maar ook bijvoorbeeld bejaarden en verpleeghuispatiënten kunnen in een zeer afhankelijke positie verkeren. Om die reden stelt klager dat verpleegkundigen van onbesproken gedrag moeten zijn.
Uit het rapport van de reclassering blijkt dat er een –geringe- kans op recidive bestaat.
Klager verzocht derhalve ter bescherming van de fysiek en emotioneel veelal zeer kwetsbare patiënten doorhaling van verweerders inschrijving in het BIG-register.

De klacht houdt samengevat in dat verweerder door het hebben van ongewenste sexuele intimiteiten met verstandelijk gehandicapte cliënten/bewoners die aan zijn zorg waren toevertrouwd in ernstige mate heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij jegens die cliënten had moeten betrachten.

4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER.

Verweerder stelt dat de klacht ongegrond is en moet worden afgewezen.
Verweerder acht het onterecht dat klager pas zes maanden na beëindiging van de taakstraf en therapie alsnog een klacht tegen hem heeft ingediend.
De reclassering heeft aangegeven dat de therapie verweerder zoveel inzicht heeft gegeven dat werken in de verpleeghuis- of bejaardenzorg mogelijk zou zijn. Verweerder heeft overigens als verpleegkundige goed gefunctioneerd. Werken in de zwakzinnigenzorg wil hij niet meer, hetgeen de reclassering ook niet passend zou hebben gevonden.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager overweegt het college als volgt:
Nu verweerder ten tijde van de hem verweten gedragingen werkzaam was als verpleegkundige in dienst van B., is klager, als algemeen directeur van die instelling (gemachtigd tot het indienen van de klacht door de Raad van Bestuur van de E.), ontvankelijk in zijn klacht. Deze ontvankelijkheid is door het aan verweerder verleende ontslag op staande voet op grond van de hem verweten gedragingen niet komen te vervallen.

Ten aanzien van de klacht overweegt het college als volgt:
Een verpleegkundige dient te allen tijde de integriteit van het lichaam van een patiënt/cliënt, aan zijn of haar zorg toevertrouwd, te eerbiedigen. Verweerder is door de strafrechter veroordeeld wegens ontuchtige handelingen met aan zijn zorgen toevertrouwde verstandelijk gehandicapte cliënten. Hiermee staat vast dat verweerder zich aan die gedragingen heeft schuldig gemaakt.
Verweerder heeft derhalve meerdere malen gehandeld in strijd met de zorg die hij als verpleegkundige behoorde te betrachten ten opzichte van de aan hem toevertrouwde cliënten en daarmee in strijd met artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het college het volgende:
Cliënten die wegens een fysieke en/of verstandelijke handicap en/of wegens psychische omstandigheden extra kwetsbaar zijn, bevinden zich in een zeer afhankelijke positie tegenover een verpleegkundige aan wie zij zich voor hun verzorging en verpleging moeten toevertrouwen. De zorgvraag van deze cliënten kan soms zodanig zijn dat de verpleegkundige alert moet zijn op de grens tussen toelaatbaar en ontoelaatbaar handelen. Hierbij bevindt de cliënt zich in een positie, waarbij het moeilijk of onmogelijk kan zijn zich aan ongewenste en ontoelaatbare handelingen effectief te onttrekken. Het belang van de cliënt vergt dan ook dat zo veel mogelijk het gevaar voor zodanige handelingen wordt onderkend en vermeden. In beginsel dient, indien vaststaat dat een verpleegkundige zich heeft schuldig gemaakt aan ongewenst seksueel gedrag tegenover degenen die aan zijn zorg zijn toever-trouwd, een maatregel te worden getroffen, die herhaling hiervan onmogelijk maakt. Hierbij moet het belang van de verpleegkundige, om zijn beroep geheel of gedeeltelijk te kunnen blijven uitoefenen, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan hier niet is gebleken, dan ook wijken voor het belang van de kwetsbare cliënt.
De omstandigheid dat het verloop van de strafzaak is afgewacht alvorens de klacht in te dienen en dat die indiening daarna nog enige tijd op zich heeft laten wachten, kan aan het voorgaande niet afdoen. Verweerder heeft ook niet gesteld dat hij door dit tijdsverloop in enig belang zou zijn geschaad.

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is en dat verweerder met betrekking tot de klacht een ernstig verwijt kan worden gemaakt, waarvoor het
college oplegging van na te melden maatregel passend acht. Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

6. DE BESLISSING.

Het Regionaal Tuchtcollege legt als maatregel op:
doorhaling van de inschrijving in het register.

Het college bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge art. 71 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geheel in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter bekendmaking worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Verpleegkundig Nieuws, Nursing en TvZ, het Tijdschrift voor Verpleegkundigen en het Maandblad voor de Verstandelijk Gehandicaptenzorg ‘KLIK’.

Rechters

Mr. Poelmann, drs. Arnold, drs. de Koning, drs. Ketels, mr. Milo

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 8 februari 2002

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Eiseres is op 1 januari 1999 in dienst getreden als medewerkster verkoop binnendienst voor 38 uur per week. Op 14 maart 2001 deeltzij haar leidinggevende mee dat zij zwanger is en dat zij na haar verlof parttime wil terugkeren voor drie dagen per week, op maandag, donderdag en vrijdag. Tijdens haar verlof wordt haar verzoek afgewezen. Wel kan zij drie dagen werken in een andere functie. Werkneemster stemt hier niet mee in en vordert bij wege van voorlopige voorziening tewerkstelling in haar eigen functie voor drie dagen per week. De werkgever stelt dat de functie van werkneemster fulltime verricht moet worden. Werkneemster werkt met drie personen op de afdeling, waarvan er één binnenkort uit dienst treedt en één functie gedeeltelijk in buitendienst verricht wordt. Werkgeefster heeft met andere parttimers gesproken over het creëren van een duobaan, maar deze waren daarin niet geïnteresseerd.
De kantonrechter overweegt dat werkgeefster wel heeft aangevoerd dat het noodzakelijk is dat de functie van werkneemster fulltime wordt vervuld, maar niet dat dit niet door twee personen zou kunnen gebeuren. Zij heeft ook zelf pogingen ondernomen om een duobaan te creëren. Het belangrijkste bezwaar van de werkgeefster is dat het kennelijk onmogelijk zou zijn om de vrijkomende uren op te vullen. De kantonrechter stelt vast dat werkgeefster nog niet buiten de onderneming heeft gezocht. Wellicht is het lastig om een medewerker voor 16 uur per week te vinden, maar niets staat eraan in de weg om te werven voor een iets groter aantal uren, zodat er enige overlap in werktijd is tussen werkneemster en de nieuwe medewerker. Dat stelt hen ook in staat om de nodige informatie uit te wisselen. Eén en ander brengt mee dat de vordering van werkneemster tot vermindering van de arbeidsduur toewijsbaar is.
Over de spreiding van de dagen doet de kantonrechter geen uitspraak, omdat nog onvoldoende duidelijk is hoe de belangen van partijen ten aanzien van de te werken dagen zich tot elkaar verhouden.

De volledige tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Volledige tekst

De tekst van de uitspraak is niet opgenomen.

Rechters

Mr. Wiggers

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 5 februari 2002

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Volgens de MvT kan misbruik van uit feitelijk overwicht voortvloeiende verhoudingen -aangeduid als een uitbuitingssituatie – worden verondersteld ‘indien de prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren’ en ‘vrijwilligheid ontbreekt indien de prostituee niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het voortzetten van haar relatie met de exploitant. Dit is niet anders indien de relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan’. Als uitbuitingssituatie wordt onder meer genoemd dat een prostituee illegaal in Nederland verblijft. Degene die de betrokkene tot prostitutie heeft gebracht kan zich er niet op beroepen dat zijn opzet er niet op was gericht dat de betrokkene zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van (het gebruik van) het overwicht dat uit de desbetreffende feitelijke verhoudingen voortvloeide. Anderzijds zal de dader zich wel bewust moeten zijn van de relevante feitelijke omstandigheden waaruit het overwicht voortvloeit, in die zin dat tenminste een voorwaardelijke opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. In casu kan uit de bewijsmiddelen niet anders worden afgeleid dan dat anderen dan de verdachte of zijn mededader(s) de hand hebben gehad in de voordien plaatsgevonden hebbende strafbare feiten en andere misdragingen tegenover de slachtoffers, terwijl uit de bewijsmiddelen niet het opzet kan volgen op bedoelde omstandigheden. Cassatie hoeft echter niet te volgen. Nu de betrokken vrouwen, naar verdachte wist, illegaal in Nederland verbleven, verkeerden dezen in een zodanig afhankelijke positie dat er sprake is van mensenhandel. Niet van belang is of juist die situatie verdachte succesvol maakte in het tot prostitutie brengen van de betrokken vrouwen en of verdachte zich daarvan bewust is geweest. Evenmin is van belang dat wellicht ook andere, hem niet bekende, factoren aan die afhankelijkheid hebben bijgedragen. Beroep verworpen.

Volledige tekst


1. DE BESTREDEN UITSPRAAK

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 30 juli 1997 – de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 en 5 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 3. en 4. “mensenhandel door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot twee jaren en zes maanden gevangenisstraf.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. GEDING IN CASSATIE

2.1. Het beroep – dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken – is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voorzover het betreft de beslissingen ten aanzien van het als feit 3 tenlastegelegde, alsmede ten aanzien van de strafoplegging, en dat de Hoge Raad de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

2.2 De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. BEOORDELING VAN HET EERSTE, HET TWEEDE, HET DERDE EN HET VIERDE MIDDEL

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. BEOORDELING VAN HET VIJFDE MIDDEL

4.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de verwerping door het Hof van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging wegens de toepassing door de politie van een ongeoorloofde opsporingsmethode.

4.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 13 december 1999 is aldaar door de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd zoals weergegeven in de toelichting op het middel onder 5.1.

4.3. Het Hof heeft het verweer in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel, omdat, zakelijk weergegeven, van de zijde van de politie een gedoogbeleid met betrekking tot de […] is gevoerd.
Het hof verwerpt dit verweer.
Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat door de politie met betrekking tot het delict mensenhandel een gedoogbeleid is gevoerd.”

4.4. Het middel is gegrond in zoverre daarin wordt geklaagd dat het Hof door het verweer samen te vatten en te verwerpen als hiervoor onder 4.3 is weergegeven, de strekking van het verweer heeft miskend. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden omdat het verweer slechts had kunnen worden verworpen, nu, ook indien wordt uitgegaan van de in het verweer gestelde feiten, dit niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
Immers, door een wijze van optreden van de politie als in het verweer aangeduid kunnen de belangen van de verdachte niet worden geschaad, met name ook niet diens aanspraak op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

4.5. Het middel faalt.

5. BEOORDELING VAN HET ZESDE MIDDEL EN AMBTSHALVE BEOORDELING VAN DE BESTREDEN UITSPRAAK

5.1. Het middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat, zoals onder 3 mede is bewezen verklaard, [slachtoffer 1] in 1996 slachtoffer was geworden van verkrachting.

5.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezen verklaard:
“dat hij in of omstreeks de periode van 1996 tot en met januari 1997, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of met anderen, door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot prostitutie heeft gebracht, en onder omstandigheden van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht handelingen, heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daardoor in de prostitutie zijn beland hebbende hij en/of een of meer van zijn mededaders, zakelijk weergegeven,

die [slachtoffer 1] (zaak 24), die afkomstig was uit Marokko en die een jong kind in Marokko moest onderhouden en die voordat zij in de na te noemen club “[…]” terechtkwam in 1996 slachtoffer was geworden van verkrachting
– als prostituee laten werken in de club “[…]” te […] en
– onder druk gezet als prostituee te werken ondanks een recent door haar ondergane abortus
– zulks terwijl het krachtens het bepaalde in de vreemdelingenwetgeving aan die [slachtoffer 1] niet was toegestaan in Nederland te verblijven

en die [slachtoffer 2] (zaak 27), afkomstig uit Tsjechië, die voordat zij in na te noemen club “[…]” terechtkwam in 1996 slachtoffer was geworden van mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving en verkrachting en wier paspoort was afgepakt en die door een zekere “[betrokkene A]” en een zekere “[betrokkene B]” onder druk werd gezet een bedrag van 6000 Duitse mark te betalen
– als prostituee laten werken in de club “[…]” te […]
– zulks terwijl het krachtens het bepaalde in de vreemdelingenwetgeving aan die [slachtoffer 2] niet was toegestaan in Nederland te verblijven”.

5.3. Het middel faalt, aangezien het daarin bedoelde onderdeel van de bewezenverklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

5.4.1. De tenlastelegging en bewezen verklaring zijn toegesneden op art. 250ter, eerste lid onder 1 °, (oud) Sr, ten tijde van de bewezen verklaarde feiten luidende:
“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt gestraft met (…)
1 °. Degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid (…) dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding tot prostitutie brengt, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander daardoor in de prostitutie belandt (…)”.

5.4.2. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot die bepaling heeft geleid, houdt in dat “misbruik van uit feitelijk overwicht voortvloeiende verhoudingen” kan worden verondersteld:
“indien de prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Met deze objectivering van het bestanddeel inzake misbruik wordt in artikel 250bis Sr (nieuw) bescherming geboden aan personen die in een seksinrichting in een uitbuitingssituatie werkzaam zijn en wordt zowel bestuurlijk als justitieel optreden mogelijk gemaakt tegen personen die iemand in een dergelijke situatie houden. Voorts wordt door deze objectivering van het bestanddeel misbruik justitieel optreden in het geldend recht mogelijk gemaakt tegen personen die, gebruik makend van een uitbuitingssituatie, iemand in de prostitutie brengen dan wel gebruik makend van een uitbuitingssituatie enige handeling ondernemen met het oogmerk iemand in de prostitutie te brengen. Onder de toepassing van het nu voorgestelde artikel 250ter Sr zullen bovendien ook diegenen vallen die gebruik makend van een uitbuitingssituatie enige handeling ondernemen waarvan zij weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat de ander daardoor in de prostitutie belandt. De hier bedoelde uitbuitingssituaties zullen zich onder meer nogal eens voordoen ten aanzien van personen, die uit het buitenland komen, personen die verslaafd zijn aan verdovende middelen en zeer jonge personen.”

en:
“De in dit verband verboden gedragingen, bestaande in het aanwenden van dwang door geweld of een andere feitelijkheid, het misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, beïnvloeden de wil waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. De omstandigheid dat het slachtoffer reeds eerder bij prostitutie betrokken was, vormt op zich geen aanwijzing inzake vrijwilligheid.”
(Kamerstukken II, 1988-1989, 21 207, nr. 3, blz. 3 e.v.)

In de Memorie van Antwoord is vermeld:
“Het woord (…) wordt in de memorie van toelichting gebruikt ter verduidelijking van het begrip (…). In die memorie wordt gesteld dat van een zodanige uitbuitingssituatie sprake is indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.
Daarbij kan onder meer worden gedacht aan schulden, aangegaan om de reis naar Nederland te betalen. De afbetalingsverplichting kan van dien aard zijn dat de zich prostituerende gedwongen is zich te blijven prostitueren. Meer in het algemeen kan worden gesteld dat het niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen als een uitbuitingssituatie moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat de prostituee niet kan beschikken over haar paspoort of dat haar visum is verlopen, brengt de betrokkene eveneens in de hier bedoelde afhankelijke situatie.”

en
“Ten aanzien van meerderjarigen geldt dat vrijwilligheid ontbreekt, indien de prostituee niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met de exploitant. Dit is niet anders indien de relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan (…).”
(Kamerstukken II, 1988-1989, 21 027, nr. 5, blz. 3 en 7)

5.5. Uit deze wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat, indien zich een situatie voordoet – door de wetgever als uitbuitingssituatie aangeduid – waarin de prostituee niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant – waarbij als een geval waarin een uitbuitingssituatie kan worden verondersteld onder meer wordt genoemd dat de prostitué(e) illegaal in Nederland verblijft – degene die de betrokkene tot prostitutie heeft gebracht niet een beroep erop kan doen dat zijn opzet niet erop gericht was dat de betrokkene zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van (het gebruik van) het overwicht dat uit de desbetreffende feitelijke verhoudingen voortvloeide.

5.6. Anderzijds zal, naar moet worden aangenomen, de dader zich wel bewust moeten zijn van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat tenminste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Anders zouden ook de verdachte niet bekende en ook niet kenbare hoogstpersoonlijke omstandigheden van de betrokkene in het kader van dit misdrijf relevant zijn. Anders dan in art. 250ter, eerste lid onder 3 °, Sr, waarin het bestanddeel van de minderjarigheid geheel is geobjectiveerd, gaat de dader hier dus niet slechts vrijuit indien afwezigheid van alle schuld ten aanzien van zodanige omstandigheden moet worden aangenomen, doch zal het bovenbedoelde opzet uit de bewijsmiddelen moeten kunnen worden afgeleid.

5.7. Overeenkomstig de tenlastelegging is ten aanzien van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] een aantal omstandigheden bewezen verklaard betreffende hetgeen hun is overkomen voordat zij in de club “[…]” kwamen te werken en omtrent hun financiële situatie, alsmede het bestaan van een onderhoudsverplichting. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet anders worden afgeleid dan dat anderen dan de verdachte of zijn mededader(s) de hand hebben gehad in de voordien plaatsgevonden hebbende strafbare feiten en andere misdragingen tegenover die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], terwijl uit de bewijsmiddelen niet het opzet kan volgen op bedoelde omstandigheden. Deze omstandigheden kunnen dus niet onder het in meergenoemde wetsbepaling opgenomen “misbruik” worden begrepen.

5.8. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden in verband met het navolgende. Bewezen is verklaard dat beide vrouwen illegaal in Nederland verbleven. Die omstandigheid en de omstandigheid dat de verdachte en zijn mededader(s) daarop tenminste voorwaardelijk opzet hadden, kunnen uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Uit hetgeen hiervoor onder 5.4 en 5.5 is overwogen volgt dat in een zodanig geval een afhankelijke positie, door de wetgever als een uitbuitingssituatie aangemerkt, mag worden verondersteld en dat niet van belang is of het juist die situatie is geweest die de poging van de verdachte en zijn mededader(s) om de betrokkene tot prostitutie te brengen succesvol heeft doen zijn en of dezen zich daarvan bewust zijn geweest. Evenmin is van belang dat wellicht ook andere, hun niet bekende, factoren aan die afhankelijkheid van de betrokkenen hebben bijgedragen.

6. NADERE AMBTSHALVE BEOORDELING

De verdachte heeft op 4 januari 2000 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 4 september 2001 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen moet leiden tot strafvermindering.

7. SLOTSOM

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 6 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8. BESLISSING

De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Vermindert deze in die zin dat de gevangenisstraf beloopt twee jaren, vier maanden en twee weken;
Verwerpt het beroep voor het overige.

CONCLUSIE A-G mr. Machielse

Rechters

Mrs. Bleichrodt, Corstens, Balkema, Numann, Van Schendel