Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 december 2001

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkneemster treedt in dienst voor onbepaalde tijd (met een proeftijd van twee maanden). Op moment van in dienst treding is werkneemster zwanger. De werkgever is hiervan op de hoogte. Enkele dagen na indiensttreding meldt werkneemster zich ziek ten gevolge van arbeidsongeschiktheid vanwege zwangerschap. Werkgever beëindigt arbeidsovereenkomst tijdens proeftijd. De Commissie oordeelt dat de werkgever onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 22 februari 2001 verzocht mevrouw L. te Z (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Stichting de Thuiszorg Icare te Zwolle (hierna: wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht, als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling, door de met haar gesloten arbeidsovereenkomst in de proefperiode met onmiddellijke ingang op te zeggen.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 23 oktober 2001.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– L. (verzoekster)
– mw. mr. J.C.E. Siebenga-Moggré (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– mw J. (consulente)
– dhr. mr. C.J.M. van Zeijl (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. Mr. J.E. Goldschmidt (voorzitter)
– dhr. mr. H.F. van den Haak (Commissielid)
– dhr. mr. dr. A.C. Hendriks (Commissielid)
– mw. mr. A.K. de Keizer (secretaris)

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten
3.1. Verzoekster is op 1 september 2000 bij de wederpartij in dienst getreden in de functie van thuishulp A, een functie die zij niet eerder had vervuld. Partijen zijn een dienstverband overeengekomen van (gemiddeld) 21 uur per week, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een proeftijd van twee maanden.

3.2. Verzoekster heeft zich enkele dagen na indiensttreding ziek gemeld. Ten gevolge van deze arbeidsongeschiktheid heeft zij de eerste weken van haar aanstelling slechts in geringe mate ervaring kunnen opdoen in het werken met cliënten. Zij heeft bij drie verschillende cliënten gewerkt.

3.3. Verzoekster heeft de wederpartij enkele weken voor indiensttreding op de hoogte gesteld van haar zwangerschap. Verzoekster heeft de wederpartij op 8 september 2000 schriftelijk verzocht om vermindering van het aantal te werken uren. Verzoekster heeft hierbij aangegeven dat dit verzoek werd ingegeven door fysieke klachten en het advies van haar huisarts om het in verband met de zwangerschap rustiger aan te doen. Dit verzoek is per 15 september 2000 door de wederpartij gehonoreerd. De arbeidsduur bedroeg sindsdien, conform het verzoek van verzoekster, (gemiddeld) 15 uur per week. Er waren geen klachten over het functioneren van verzoekster, noch van haar cliënten noch van leidinggevenden bij de wederpartij.

3.4. De wederpartij heeft op 25 oktober 2000 mondeling laten weten gebruik te maken van de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd per direct te beëindigen. Verzoekster was op dat moment nog steeds arbeidsongeschikt. De wederpartij heeft als reden voor de beëindiging van het dienstverband opgegeven dat zij niet in de gelegenheid was een gefundeerd oordeel te vormen over het functioneren van verzoekster, omdat de laatste te weinig voor haar had gewerkt.

De standpunten van partijen
Verzoekster stelt het volgende.

3.4. Verzoekster heeft zich korte tijd na indiensttreding ziek gemeld. Haar arbeidsongeschiktheid werd veroorzaakt door aan zwangerschap gerelateerde complicaties. Vanwege deze complicaties heeft verzoekster de wederpartij op 8 september 2000 schriftelijk verzocht de omvang van haar aanstelling terug te brengen van 21 naar 15 uur per week. Na haar werkzaamheden te hebben hervat, heeft zij zich om dezelfde redenen op 25 september 2000 opnieuw ziek moeten melden. Op 2 oktober 2000 is verzoekster weer aan het werk gegaan. Diezelfde dag viel zij wederom uit.

3.6. Verzoekster heeft haar leidinggevende eind september 2000 uitvoerig geïnformeerd over de oorzaak van haar arbeidsongeschiktheid.

3.7. Verzoekster is op 25 oktober 2000 ontslagen vanwege haar veelvuldige afwezigheid door ziekte ten gevolge van zwangerschapsklachten. Verzoekster stelt dat er door de wederpartij nooit opmerkingen zijn gemaakt over haar functioneren. De door haar bezochte cliënten waren ook tevreden over haar werk.

3.8. Nu de wederpartij de opzegging enkel en alleen stoelt op de geringe aanwezigheid van verzoekster maakt de wederpartij verboden onderscheid naar geslacht. Afwezigheid of verminderde inzetbaarheid is namelijk een onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg van zwangerschap en moet daarom op één lijn worden gesteld met de zwangerschap zelf. Onderscheid op grond van beperkte inzetbaarheid vanwege zwangerschap levert derhalve direct onderscheid op grond van geslacht op.

De wederpartij stelt het volgende.

3.9. Uit het feit dat de wederpartij met verzoekster een arbeidsovereenkomst is aangegaan, terwijl men wist dat zij zwanger was, blijkt dat zwangerschap op zich geen belemmering is voor het aangaan van een arbeidsovereenkomst.

3.10. Verzoekster heeft in totaal zes x drie uur werkzaamheden bij cliënten uitgevoerd. Daarnaast heeft zij een introductiedag bij de wederpartij gevolgd en enkele andere onderdelen van het inwerkprogramma gevolgd. De arbeidsrelatie is beëindigd omdat haar functioneren, vanwege het beperkt aantal in de praktijk gewerkte uren in de proeftijd, niet gefundeerd viel te beoordelen.
Bij de wederpartij bestond bovendien lichte twijfel over de geschiktheid van verzoekster voor haar werkzaamheden.
Deze twijfel betrof de contactuele vaardigheden van verzoekster en haar attitude ten opzichte van het werk. Zo bevreemdde het de wederpartij dat verzoekster tijdens een introductiebijeenkomst een appel at en daarvoor geen verklaring gaf. De wederpartij vond het daarnaast vreemd dat verzoekster nooit een blijk van waardering had gegeven voor het feit dat haar vanwege haar ziekte bloemen waren toegestuurd, en desgevraagd enkel de ontvangst hiervan bevestigde.

3.11. Vanwege de veelvuldige afwezigheid van verzoekster was de wederpartij niet in de gelegenheid een gefundeerd oordeel te vormen over haar functioneren. De proeftijd speelt bij de thuiszorg, bij de huidige arbeidsmarkt, een steeds belangrijker rol als toets op geschiktheid voor een zorgfunctie. Thuiszorginstellingen zien zich, anders dan in het verleden toen men te maken had met sollicitanten die bewust kozen voor een beroep in de zorg, genoodzaakt om vrijwel iedereen die solliciteert een functie aan te bieden; tijdens de proeftijd moet dan wel blijken of betrokkenen daadwerkelijk geschikt zijn voor de functie.

3.12. Als een medewerker in die tijd niet goed functioneert wordt hij/zij daarop direct aangesproken. Men kan niet het risico nemen, gelet op het bovenstaande, dat iemand voor onbepaalde tijd wordt aangesteld van wie niet voldoende is komen vast te staan dat hij/zij geschikt is voor de functie.

3.13. De leidinggevende van verzoekster heeft tijdens het ontslaggesprek ook met zoveel woorden meegedeeld dat het ontslag zijn oorzaak vindt in de frequente afwezigheid van verzoekster, waardoor haar functioneren niet goed kon worden beoordeeld. Tijdens dit gesprek is niet gesproken over de twijfels omtrent het functioneren van verzoekster. De wederpartij vond het niet gepast om deze twijfels aan de orde te stellen, nu dit door verzoekster zou kunnen worden opgevat als een verwijt achteraf.

3.14. De vraag die thans aan de orde is, is nog nooit eerder aan de Commissie of de rechter voorgelegd. Op basis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG) moet worden geconcludeerd dat ziekte wegens zwangerschap niet altijd op een lijn dient te worden gesteld met zwangerschap zelf.
Daarbij merkt de wederpartij op dat niet vast staat dat de ziekte zelf zijn oorzaak vindt in de zwangerschap. Ontslag tijdens de proeftijd wegens ziekte, al dan niet door zwangerschap veroorzaakt, kan dus geoorloofd zijn.

3.15. Dat er geen sprake is van onderscheid op grond van geslacht blijkt ook uit het volgende. Als verzoekster een man was geweest en even frequent had verzuimd, had de wederpartij op exact dezelfde manier gehandeld.

3.16. Ook vanuit het oogpunt van de redelijkheid valt er het nodige te zeggen voor het standpunt van de wederpartij. De wederpartij moet namelijk de mogelijkheid hebben om het functioneren van een werknemer tijdens de proeftijd te kunnen beoordelen.
Het gesloten systeem van de gelijkebehandelingswetgeving moet in gevallen als het onderhavige met een beroep op de redelijkheid en billijkheid kunnen worden opengebroken, een standpunt waarvoor ook binnen de literatuur steun valt te vinden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt naar geslacht, als bedoeld in de gelijkebehandelingwetgeving, door verzoekster tijdens haar proeftijd te ontslaan.

4.2. Ingevolge artikel 7:646, eerste lid, BW is het verboden bij het aangaan of beëindigen van de arbeidsovereenkomst onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen. Artikel 7:646, vijfde lid, BW bepaalt dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen moet worden verstaan direct en indirect onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap is blijkens deze bepalingen een vorm van direct onderscheid.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Commissie geldt dat ook indien zwangerschap niet de enige of doorslaggevende reden is geweest voor de beëindiging van een arbeidsverhouding, maar daarbij wel een rol heeft gespeeld, er sprake is van strijd met de wetgeving gelijke behandeling.1 De Commissie heeft in dit verband reeds eerder geoordeeld dat beperkte inzetbaarheid door ziekte ten gevolge van zwangerschap als een onlosmakelijk gevolg van de zwangerschap moet worden beschouwd en daardoor op één lijn moet worden gesteld met de zwangerschap zelf.2 Onderscheid op grond van beperkte inzetbaarheid door ziekte ten gevolge van zwangerschap levert derhalve direct onderscheid op. Dit standpunt is kort geleden nog eens bevestigd door het HvJ EG. Volgens het Hof verzetten artikel 5, eerste lid, van richtlijn 76/207/EEG en artikel 10 van richtlijn 92/85/EEG zich tegen het ontslag van een werkneemster wegens zwangerschap (o.a.) wanneer zij vanwege de zwangerschap tijdens een belangrijk deel van de overeengekomen periode niet kan werken.3

4.4. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak is verder van belang dat het HvJ EG in een reeks arresten heeft overwogen dat in het kader van arbeidsverhoudingen de situatie van een zwangere werkneemster niet dan wel niet zonder meer kan worden vergeleken met de situatie van een zieke (mannelijke) werknemer, die afwezig is wegens arbeidsongeschiktheid.4 Er is sprake van discriminatie in de zin van het EG-recht, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare gevallen of wanneer eenzelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties. Dit is met name van belang bij de beoordeling van de vraag of bepaalde onderdelen van een regeling al dan niet onderscheid op grond van geslacht inhouden, omdat er geen rekening wordt gehouden met zwangerschap als eigensoortige seksegebonden omstandigheid.

4.5. De Commissie overweegt met betrekking tot de positie van zwangere vrouwen tijdens de proeftijdperiode het volgende.

4.6. Artikel 7:652 BW biedt partijen de mogelijkheid bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst een proeftijd af te spreken.
De reden daarvan is dat partijen desgewenst de gelegenheid moeten hebben om, alvorens voor de toekomst gebonden te zijn, zich gedurende een, met het oog op de belangen van de werknemer, beperkte periode proefondervindelijk op de hoogte te stellen van elkanders hoedanigheden en van de geschiktheid van de werknemer voor de bedongen arbeid.5 Vanwege deze doelstellingen bepaalt artikel 7:676 BW dat ieder van de partijen tijdens de proeftijd gerechtigd is om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen en zijn de wettelijke bepalingen inzake ontslagbescherming gedurende deze periode niet van toepassing.
Dit is ingeval van zwangerschap niet anders. Indien een werkgever tijdens de proeftijd op grond van objectieve en zakelijke criteria concludeert dat een zwangere werkneemster niet geschikt is voor haar functie, dan is de werkgever gerechtigd om de arbeidsverhouding met haar te beÙindigen. Deze uitleg strookt met artikel 10, eerste lid, van richtlijn 92/85/EEG van 19 oktober 1992 (‘zwangerschapsrichtlijn’), dat uitdrukkelijk bepaalt dat zwangere vrouwen in ‘uitzonderingsgevallen die geen verband houden met hun toestand en overeenkomstig nationale wetten en/of praktijken’ kunnen worden ontslagen. Dat ook de wetgever meent dat de arbeidsverhouding met een zwangere werknemer in uitzonderingsgevallen kan worden opgezegd, blijkt uit het feit dat de wetgever ervan heeft afgezien het opzegverbod bij zwangerschap (art. 7:670 lid 2 BW) van toepassing te verklaren op de proefperiode.

4.7. De werkgever heeft aldus vrijheid om de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd op te zeggen om hem moverende redenen. Hieruit volgt nog niet dat een werkgever deze bevoegdheid mag aanwenden om de arbeidsverhouding met een werknemer, c.q. een zwangere vrouw, tijdens de proeftijd met onmiddellijke ingang te beëindigen om redenen die onverenigbaar zijn met het doel van de proeftijd. Zo heeft de Hoge Raad aangegeven dat de opzeggingsbevoegdheid tijdens de proeftijd niet mag worden misbruikt. Van zodanig misbruik is, aldus de Hoge Raad, sprake indien moet worden aangenomen dat de beÙindiging berustte op discriminatie.6 In het verlengde hiervan is het niet toegestaan om de opzeggingsbevoegdheid tijdens de proeftijd aan te wenden wegens zwangerschap van de werknemer of om redenen die anderszins strijd opleveren met de gelijkebehandelingswetgeving.7 De werkgever maakt zich, anderzijds, niet schuldig aan overtreding van de gelijkebehandelingswetgeving indien deze aannemelijk kan maken dat er tijdens de proeftijd gerede twijfels zijn ontstaan over de geschiktheid van een zwangere werkneemster en deze twijfels zijn gebaseerd op objectieve en zakelijke criteria, die niets van doen hebben met de zwangerschap van de werkneemster.(8)

4.8. Aan de orde is thans de vraag of de zwangerschap van verzoekster (mede) een rol heeft gespeeld bij het besluit van de wederpartij om de arbeidsovereenkomst met haar tijdens de proeftijd met onmiddellijke ingang te beëindigen.

4.9. Aan de wederpartij valt toe te geven dat het hoge verzuim van verzoekster tijdens de proeftijd een op het doel ervan gericht volledig oordeel over haar geschiktheid voor de betrokken functie belemmert. Evenwel, het aldus ontstane gebrek aan voldoende beoordelingsmogelijkheden is niet concludent om aan te nemen dat verzoekster de nodige capaciteiten zou missen voor het vervullen van de functie van thuishulp A.

4.10. Voorts zijn de door de wederpartij naar voren gebrachte twijfels over de geschiktheid aan haar geschiktheid ontleend aan een tweetal -door verzoekster niet weersproken- feitelijke gedragingen van verzoekster als hierboven onder 3.10. vermeld (‘het appel- en het bloemenincident’). Aan deze enkele gedragingen van verzoekster valt echter, gelet op de aard ervan, noch apart noch tezamen in redelijkheid enige maatgevende betekenis toe te kennen als toetssteen of indicatie voor het toekomstige functioneren van verzoekster als thuishulp A uit een oogpunt van professionele attitude of habitus en contactuele vaardigheden. Dit klemt te meer in het licht van het ook door de wederpartij erkende feit dat geen van de drie cliënten aan wie verzoekster, zij het kort, zorg heeft verleend en geen van de bij de wederpartij werkzame leidinggevenden klachten over haar heeft geuit. Wat de laatsten betreft heeft onbetwist ook geen van hen verzoekster destijds op haar evenbedoelde gedragingen aangesproken en haar onder ogen gebracht dat zij aanleiding gaf tot twijfel of zij wel aan de functie-eisen zou kunnen voldoen, terwijl zulks wel te verwachten was gelet op het onder 3.12. beschreven beleid van de wederpartij in dezen. De wederpartij, die hiertoe onder de gegeven omstandigheden wèl was gehouden, is er in de visie van de Commissie dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er gerede twijfels bestonden over de geschiktheid van verzoekster voor de functie van thuishulp A.

4.11. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de wederpartij geacht moet worden aan het ontslag niet een waardeoordeel omtrent het functioneren van verzoekster ten grondslag te hebben gelegd overeenkomstig doel en strekking van de proeftijd als de onderhavige. Derhalve resteert als enige gebleken ontslaggrond slechts de veelvuldige afwezigheid sec van verzoekster.
Deze afwezigheid hield evenwel direct verband met haar zwangerschap en de ziekteverschijnselen die daarmee gepaard (kunnen) gaan.

4.12. Bij deze feitelijke gang van zaken en in aanmerking genomen de hiervoor onder 4.2. tot en met 4.7. uiteengezette regelgeving betreffende de bescherming op grond van zwangerschap in relatie tot de proeftijdperiode komt de Commissie tot de slotsom dat in casu sprake is van ontslag in strijd met artikel 7:646 BW, hetgeen moet worden aangemerkt als het maken van verboden direct onderscheid.

4.13. Uitgaande van het in concreto voorliggende, op rechtens verboden onderscheid te beoordelen feitencomplex, en de vrijheid die er voor partijen bestaat om de arbeidsovereenkomst in de proeftijd te beëindigen, ziet de Commissie geen aanleiding om nader in te gaan op de vraag of de noties van redelijkheid en billijkheid van toepassing zijn.

4.14. Hieraan voegt de Commissie tot goed begrip nog ten overvloede toe dat zij aanneemt dat bij de wederpartij niet doelbewust een discriminatoir motief voor het ontslag heeft (mee)gespeeld.
Een aanwijzing voor haar in zoverre zuiver te achten ontslagintentie ligt besloten in het onweersproken feit dat zij verzoekster in dienst heeft genomen in de wetenschap dat zij op dat moment zwanger was. Daarmee bestond er voor de wederpartij een risico dat verzoekster beperkt(er) inzetbaar zou zijn.
De objectieve orde van de onder 4.2 tot en met 4.7 aangeduide regelgeving staat er evenwel aan in de weg om het risico van de beperkte inzetbaar eenzijdig bij verzoekster te leggen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting de Thuiszorg Icare te Zwolle jegens mevrouw L. te Z onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als bedoeld in artikel 7:646 BW door de arbeidsovereenkomst met mevrouw L. tijdens de proefperiode met onmiddellijke ingang op te zeggen.

Noten
1 Commissie gelijke behandeling 23 mei 1995, oordeel 1995-15; 11 december 1997, oordeel 1997-126; 22 april 1999, oordeel 1999-34.
2 Commissie gelijke behandeling 9 juli 1997, oordeel 1997-83; 14 mei 1997, oordeel 1997-58.
3 HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-109/00 (Tele Danmark t. HK).
4 HvJ EG 14 juli 1994, zaak C-32/93 (Webb), Jur. 1994, p. I-3567, JAR 1994, 169, RN 1994, 423, m.nt. L. Senden; HvJ EG 13 februari 1996, zaak C-342/93 (Gillespie), Jur. 1996,
p. I-475; HvJ EG 30 april 1998, zaak C-136/95 (Thibault), Jur. 1998, p. I-2011, RN 1998, 925; HvJ EG 30 juni 1998, zaak C-394/96 (Brown), Jur. 1998, p. I-4225, NJ 1999, 476;
HvJ EG 27 oktober 1998, zaak C-411/96 (Boyle), Jur. 1998, p. I-6441, JAR 1999, 14; HvJ EG 19 november 1998, zaak C-66/96 (Pedersen), RN 1999, 1003 en HvJ EG 3 februari 2000, zaak C-207/98 (Mahlburg), NJ 2000, 389.
5 HR 2 oktober 1987, NJ 1988, 233, m.nt. P.A. Stein en HR 8 mei 1992, NJ 1992, 480.
6 HR 13 januari 1995, NJ 1995, 430, m.nt. P.A. Stein, NJCM-Bull. 1995, p. 334, m.nt. G.J.J. Heerma van Voss.
7 Commissie gelijke behandeling 15 januari 1997, oordeel 1997-02; 13 maart 1998, oordeel 1998-23. Zie ook Rechtbank ‘s-Gravenhage 27 oktober 1999, JAR 2000, 77; Kantonrechter ‘s-Gravenhage 1 december 1998, JAR 1999, 6 en Kantonrechter ‘s-Gravenhage 15 november 1990, NJ 1991, 776.
8 Commissie gelijke behandeling 10 december 1997, oordeel 1997-125.

Noot

Een werkneemster treedt op 1 september 2000 in dienst bij een thuiszorgorganisatie als thuishulp A. Zij treedt in dienst voor onbepaalde tijd. Partijen komen een proeftijd van twee maanden overeen. Op het moment dat de werkneemster in dienst treedt, is zij (net) zwanger. De werkgever is hiervan op de hoogte. Enkele dagen na aanvang van het dienstverband meldt de werkneemster zich ziek wegens aan de zwangerschap gerelateerde complicaties. Na één week vraagt zij om vermindering van haar aantal uren van 21 naar 15 uur per week. De werkgever stemt daarmee in. Als gevolg van de ziekte kan de werkneemster in de eerste weken van haar dienstverband niet veel werken. Zij werkt in totaal bij drie verschillende cliënten. Op 25 september 2000 meldt de werkneemster zich weer ziek. Op 2 oktober gaat zij weer aan het werk, maar valt diezelfde dag weer uit. Op 25 oktober beëindigt de werkgever het dienstverband met gebruikmaking van het proeftijdbeding. De werkgever voert met name aan dat hij vanwege de ziekte van de werkneemster niet in de gelegenheid is geweest om een gefundeerd oordeel te vormen over haar functioneren. De werkneemster vraagt het oordeel van de Commissie gelijke behandeling.
De Commissie gelijke behandeling (hierna: CGB) oordeelt dat de werkgever onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. De CGB stelt daartoe vast dat beperkte inzetbaarheid door ziekte als gevolg van zwangerschap op één lijn moet worden gesteld met de zwangerschap zelf. Ontslag wegens de beperkte inzetbaarheid is dus een ontslag wegens zwangerschap. Een dergelijk ontslag is in strijd met de gelijke behandelingswetgeving. De CGB overweegt wel dat het hoge verzuim van de werkneemster tijdens de proeftijd een volledig oordeel over haar geschiktheid voor de betrokken functie belemmert. Dit brengt echter niet mee dat het ontslag niet discriminatoir is. De regelgeving inzake gelijke behandeling staat er aan in de weg om het risico van de beperkte inzetbaarheid eenzijdig bij de werkneemster neer te leggen.

Dit oordeel is een voorbeeld van een uitspraak waarvan je je kunt afvragen of de gelijke behandelingswetgeving, zoals uitgelegd door de CGB, hier niet zijn doel voorbij schiet. De werkgever heeft niet willen discrimineren want heeft bewust een zwangere werkneemster aangenomen. Deze heeft de functie al na een paar dagen niet meer volledig kunnen vervullen en is na enkele weken volledig uitgevallen. Gaat het niet te ver om dit risico volledig bij de werkgever neer te leggen? Niet ondenkbaar is dat deze werkgever zich in het vervolg wel drie keer zal bedenken voor hij nog een keer een zwangere vrouw voor onbepaalde tijd in dienst neemt. De strikte gelijke behandelingswetgeving keert zich dan tegen verbetering van de positie van (zwangere) vrouwen. Ook is het de vraag of het wel aan collega’s is uit te leggen dat het dienstverband van deze wegens zwangerschap zieke vrouw niet beëindigd mag worden, terwijl ontslag wel is toegestaan in geval van ziekte van een mannelijke collega of van een niet-zwangerschapsgerelateerde ziekte van een vrouwelijke collega. Eén en ander pleit ervoor om in een geval als dit in te breken op het discriminatieverbod bij zwangerschap. De vraag is dan of dit rechtens mogelijk is, oftewel of de CGB tot een dergelijk oordeel had kunnen komen? Naar mijn mening is dit het geval. De CGB had een beroep kunnen doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 2 BW (bij overeenkomsten, artikel 6:2 lid 2 bij alle verbintenissen). Het oordeel had dan kunnen luiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de werkgever gevergd kan worden dat hij de werkneemster, die door haar ziekte niet heeft laten zien of zij geschikt is voor het werk, in dienst houdt. Ook de omstandigheid dat het ontslag in dit geval niet om discriminatoire redenen is gegeven, is hierbij van belang.(a) Had de werkgever willen discrimineren op grond van zwangerschap, dan had hij ook geen zwangere vrouw in dienst had genomen. Het is dit laatste aspect dat deze zaak anders maakt dan andere proeftijdontslagen van zwangere vrouwen. Daarbij is immers veelal minder duidelijk of hieraan een discriminatoir of een ander motief ten grondslag ligt.
Toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW is uiteraard niet geheel onproblematisch. Concreet roept het in een geval als dit twee vragen op. De eerste daarvan is of een dergelijke toepassing zich wel verhoudt met het wettelijk systeem dat uitgaat van een gesloten stelsel van discriminatiegronden; de tweede of met die benadering niet teveel afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van zwangere vrouwen. Ik zal op beide punten ingaan.
Wat betreft het eerste punt lijkt het mij dat er wel degelijk ruimte bestaat om in bijzondere gevallen te oordelen dat toepassing van het verbod op het maken van onderscheid naar zwangerschap naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit volgt mijns inziens uit de artikelen 6:2 en 6:248 BW die de mogelijkheid geven om in een concreet geval ook een wettelijke bepaling opzij te zetten op grond van de hiervoor genoemde maatstaven. Ook de auteurs van de evaluatie van de AWGB zien hiervoor ruimte in die gevallen waarin het onverkort vasthouden aan het verbod op rechtvaardiging van onderscheid naar zwangerschap evident in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid. (b)
Ten aanzien van het tweede punt, of het inbreken op het discriminatieverbod bij zwangerschap wel wenselijk is, zie ik twee problemen. Het eerste is dat, als in een zaak als de onderhavige geoordeeld zou worden dat het ontslag gerechtvaardigd is mede omdat de werkgever niet heeft willen discrimineren, aangezien hij juist een zwangere vrouw in dienst heeft genomen, veel nadruk komt te liggen op de bedoeling van de werkgever. Werkgevers zullen dan mogelijk niet zwangerschap of afwezigheid wegens zwangerschap als ontslagreden opgeven, maar een andere, niet-verdachte, reden.(c) Op dit punt zullen dan discussies ontstaan. Uitgangspunt is echter dat, indien de werkneemster aantoont dat er prima facie sprake lijkt te zijn van discriminatie – wat zeker het geval zal zijn bij ontslag van een zwangere werkneemster – het aan de werkgever is om aan te tonen dat geen sprake was van discriminatie. Dit zal niet snel aangenomen kunnen worden. Alleen in een geval als onderhavige uitspraak kan de werkgever naar mijn mening ontsnappen aan het oordeel dat hij onderscheid naar geslacht heeft gemaakt, omdat hij, door een zwangere vrouw in dienst te nemen, duidelijk heeft gemaakt zwangerschap op zichzelf geen bezwaar te vinden tegen het aangaan (en voortzetten) van een dienstverband. Daarbij is het ook relevant dat het gaat om een ontslag tijdens proeftijd en niet om een gewoon ontslag.
De tweede, meer algemene, vraag is of door het eenmalig toelaten van rechtvaardigingsgronden voor een onderscheid naar zwangerschap/geslacht niet de deur op een kier wordt gezet voor het rechtvaardigen van onderscheid wegens zwangerschap in gevallen waarin dat minder gewenst is. Dit gevaar is niet denkbeeldig. Afwezigheid wegens zwangerschapsverlof blijft vaak lastig in te passen in de dagelijkse praktijk binnen een onderneming – vervangers voor een paar maanden zijn niet altijd te vinden – en dit geldt nog sterker voor afwezigheid wegens ziekte door zwangerschap voorafgaand aan het verlof. Dat betekent dat het verbod op onderscheid naar zwangerschap voortdurend onder druk staat. Bovendien is er geen garantie dat rechters zich steeds terughoudend zullen opstellen bij het toetsen van rechtvaardigingsgronden voor onderscheid naar zwangerschap indien hiertoe de ruimte bestaat. Tegenover dit risico staat, zoals gezegd, dat ook een te vergaande bescherming zich ook tegen vrouwen zelf kan keren en dat er niet altijd grond is om ziekte door zwangerschap anders te behandelen als ziekte door andere oorzaken. Beide punten worden ook aangestipt door Veldman in haar redactioneel over “het afwezigheidsrisico bij zwangerschap, zorg en ziekte” in Nemesis nummer 2 van dit jaar. (d) Veldman zoekt de oplossing voor het dilemma in het voorlopig ongemoeid laten van de bescherming van de zwangere werkneemster, omdat naar haar mening deze bescherming nog zijn beslag moet krijgen in het dagelijks functioneren van bedrijfsleven en overheidsorganisatie. Ik acht dit uitstel van executie. In een groot aantal organisaties is men inmiddels wel gewend aan ontslagbescherming tijdens en wegens zwangerschap. Ook dan blijft staan dat niet voor alle situaties maatregelen getroffen kunnen worden, zoals bijvoorbeeld voor de situatie in de hier besproken casus. (e) Mijns inziens is het daarom onomtkoombaar om nu al, anno 2002, een antwoord te formuleren op de vraag hoe ver de bescherming van zwangere werkneemsters moet gaan. Zoals gezegd voel ik daarbij het meest voor de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid in die gevallen waarin het onverkort vasthouden aan het verbod op rechtvaardiging van onderscheid naar zwangerschap evident in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid. Een dergelijke voorzichtige benadering voorkomt dat het discriminatieverbod te ver wordt opgerekt, maar biedt aan de andere kant handvaten voor begrenzing ervan.
Terug naar de CGB. De CGB heeft artikel 6:248 BW niet toegepast. Onder punt 4.13 merkt de CGB op dat “uitgaande van het in concreto voorliggende, op rechtens verboden onderscheid te beoordelen feitencomplex, en de vrijheid die er voor partijen bestaat om de arbeidsovereenkomst in de proeftijd te beëindigen, (Â…) de Commissie geen aanleiding (ziet) om nader in te gaan op de vraag of de noties van redelijkheid en billijkheid van toepassing zijn.” Onder punt 4.14 voegt de CGB daaraan toe dat de gelijke behandelingswetgeving eraan in de weg staat om het risico van de beperkte inzetbaarheid eenzijdig bij de werkneemster te leggen. Deze formulering is in zoverre cryptisch dat hieruit niet duidelijk wordt of de CGB vindt dat de wetgeving geen ruimte biedt voor het rechtvaardigen van een ontslag wegens zwangerschap waar dit wel zou moeten, of dat de CGB meent dat in alle gevallen onverkort vastgehouden moet worden aan het verbod op rechtvaardiging van directe discriminatie. Naar mijn mening is het wel degelijk mogelijk om in een casus als deze artikel 6:248 lid 2 BW toe te passen en zou deze toepassing ook hier wenselijk zijn. Voor zover de CGB van mening is dat dit niet kan, deel ik dat standpunt niet. Het is te hopen dat de CGB in een eventueel volgend geval alsnog expliciet maakt hoe zij tegen deze kwestie aankijkt. Dan maakt in elk geval duidelijk waar de CGB in deze staat.

Marlies Vegter

(a) Zie ook de Cgb onder punt 4.14.
(b) Gelijke behandeling: regels en realiteit, I.P. Asscher-Vonk en C.A. Groenendijk (red.), Den Haag 1999. Ik heb hier eerder over geschreven in ‘Zwangerschap en discriminatie, de pijnpunten van het gesloten stelsel van discriminatiegronden’, Nemesis 2000 nr. 4, p. 118-125.
(c) Zie overigens ook de werkgever in deze zaak die twee ondergeschikte kritiekpunten ten aanzien van het functioneren noemde teneinde aan te geven dat het ontslag niet alleen berustte op de afwezigheid wegens zwangerschapsklachten. Het ging daarbij ook om het eten van een appel door de werkneemster tijdens een introductiebijeenkomst zonder daarvoor een verklaring te geven en het feit dat ze nooit een blijk van waardering had gegeven voor tijdens haar ziekte aan haar gestuurde bloemen en desgevraagd alleen de ontvangst daarvan had bevestigd.
(d) P. 25-28.
(e) Zie ook HvJ EG 4 oktober 2001, RN-kort 2002/1, 1413, Tele-Danmark, waarin een werkneemster die een tijdelijk dienstverband had, na het gevolgd hebben van een interne bedrijfsopleiding gedurende twee maanden, aangaf dat ze zwanger was en daardoor in de komende periode van het dienstverband grotendeels afwezig zou zijn vanwege verlof.

Rechters

Mrs. Goldschmidt, Van Den Haak, Hendriks

Instantie: , 30 november -1

Instantie

Samenvatting

test

Volledige tekst

Rechters

Instantie: , 30 november -1

Instantie

Samenvatting

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Hoge Raad, 30 november 2001

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Uit de – inmiddels verbroken – relatie van de vader en de moeder zijn drie
kinderen geboren over wie de moeder het gezag uitoefent. De kinderen zijn
onder toezicht gesteld. SJG is benoemd tot gezinsvoogdes. SJG moet de ouders
onder meer begeleiden in de omgang met de kinderen. Omdat de omgangsregeling
niet zonder problemen verliep heeft SJG de vader voorgesteld bij hem thuis
video-opnamen te maken van de omgang met zijn kinderen om zo tot een beter
hulpverleningsplan te kunnen komen. De vader heeft zijn aanvankelijk gegeven
toestemming voor de opnamen ingetrokken, waarna SJG – na inwilliging van een
verzoek daartoe door de rechtbank – de omgangsregeling heeft beëindigd. Het
hof heeft de beschikking bekrachtigd. Het hof heeft daarbij overwogen dat SJG
bevoegd moet worden geacht tot inmenging in het privé-leven van de vader op
grond van met name art. 1:258 BW. De klacht tegen deze overweging treft
volgens de Hoge Raad doel. Art. 1:258 BW kan hier immers geen toepassing
vinden omdat deze bepaling alleen van toepassing is op de met het gezag
belaste ouder. Toch leidt het niet tot cassatie omdat het hof andere
overwegingen aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Het hof heeft
geoordeeld dat het recht op omgang aan de vader moet worden ontzegd omdat uit
de omstandigheden volgt dat omgang tussen vader en kinderen in strijd is met
de zwaarwegende belangen van de kinderen. Daarbij heeft het hof
klaarblijkelijk allereerst in aanmerking genomen dat de omgang tussen vader
en kinderen niet goed liep en dat deze, in verband met de belangen van de
kinderen, alleen mogelijk en verantwoord kan zijn, indien de vader meewerkt
aan de daartoe noodzakelijke hulpverlening van SJG.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 26 oktober 1999 ter griffie van de Rechtbank te Zwolle ingediend
verzoekschrift heeft verweerster in cassatie – verder te noemen: SJG – zich
gewend tot die Rechtbank en verzocht de omgangsregeling zoals deze op 17 mei
1999 is vastgesteld te wijzigen in die zin dat er geen omgang meer
plaatsvindt tussen verzoeker tot cassatie – verder te noemen: de vader – en
de kinderen.
De vader heeft het verzoek bestreden en verzocht de omgangsregeling uit te
breiden met een weekeinde per 14 dagen waarbij de kinderen vanaf
zaterdagmorgen tot zondagavond bij de vader verblijven.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 28 december 1999 de beschikking van 17
mei 1999 in die zin gewijzigd dat er geen omgang zal zijn tussen de vader en
de minderjarige kinderen. Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij beschikking van 23 mei 2000 heeft het Hof de bestreden beschikking
bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
SJG heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Moltmaker
strekt tot verwerping van het beroep.

3. BEOORDELING VAN DE MIDDELEN

3.1 Het gaat in cassatie om het volgende.
Uit de – inmiddels verbroken – relatie van de vader en de moeder zijn drie
kinderen geboren over wie de moeder het gezag uitoefent. De kinderen zijn
onder toezicht gesteld. SJG is benoemd tot gezinsvoogdes. SJG zou de ouders
onder meer moeten begeleiden in de omgang met de kinderen. Bij beschikking
van 17 mei 1999 heeft de Rechtbank een omgangsregeling vastgesteld onder
begeleiding van SJG. De omgang verliep niet zonder problemen. SJG heeft de
vader voorgesteld bij hem thuis video-opnamen te maken van de omgang met zijn
kinderen om zo beter tot een hulpverleningsplan te kunnen komen. De vader
heeft zijn aanvankelijk gegeven toestemming voor de opnamen ingetrokken.
Vervolgens heeft de Rechtbank op verzoek van SJG de omgangsregeling
beëindigd. Deze beschikking is door het Hof bekrachtigd.

3.2.1 Het Hof heeft in rov. 4.6 overwogen dat het niet de mening van de vader
deelt dat video-opnamen een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn privé-leven
betekenen, aangezien het hier, naar het oordeel van het Hof, gaat om een
inmenging in het privé-leven van de vader waartoe SJG op grond van “de
desbetreffende wettelijke bepalingen (het hof denkt met name aan artikel
1:258 BW) bevoegd moet worden geacht en die noodzakelijk is in het belang van
de bescherming van de gezondheid van de kinderen”.

3.2.2 Middel I bestrijdt deze overweging met een reeks van rechts- en
motiveringsklachten.

3.2.3 Bij de beoordeling van deze klachten dient uitgangspunt te zijn dat,
zoals het Hof heeft aangenomen en in cassatie niet is bestreden,
video-opnamen als hier bedoeld een zodanige inbreuk in de persoonlijke
levenssfeer van de vader opleveren dat zij zonder toestemming van de vader
niet mogen plaatsvinden, tenzij de vader door SJG op grond van een wettelijke
bepaling kan worden bevolen aan dergelijke video-opnamen zijn medewerking te
verlenen.

3.2.4 Het Hof heeft als een daartoe in aanmerking komende wettelijke bepaling
alleen art. 1:258 BW vermeld. Deze bepaling kan echter in het onderhavige
geval reeds daarom geen toepassing vinden, omdat de vader niet de met het
gezag belaste ouder is als bedoeld in het tweede lid van deze bepaling.

3.2.5 Niet duidelijk is waarop het Hof het oog heeft gehad met zijn
verwijzing naar de “desbetreffende wettelijke bepalingen”. SJG heeft zich
niet op enige wettelijke bepaling beroepen op grond waarvan of krachtens
welke zij de bevoegdheid heeft de vader te dwingen mee te werken aan
video-opnamen, die een inbreuk zouden kunnen betekenen op zijn in art. 10
Gr.w. beschermde recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

3.2.6 Het middel treft dus doel. Het kan echter niet tot cassatie leiden op
grond van het navolgende.

3.3 De overwegingen die het Hof blijkens rov. 4.5-4.7 aan zijn beslissing ten
grondslag heeft gelegd moeten kennelijk aldus worden verstaan dat het Hof
heeft geoordeeld dat het recht op omgang aan de vader moet worden ontzegd
omdat uit de omstandigheden die door het Hof zijn vermeld, volgt dat omgang
tussen de vader en de kinderen in strijd is met de zwaarwegende belangen van
de kinderen. Daarbij heeft het Hof klaarblijkelijk allereerst in aanmerking
genomen dat de omgang tussen de vader en de kinderen niet goed liep en dat
deze, in verband met de belangen van de kinderen, alleen mogelijk en
verantwoord kan zijn, indien de vader meewerkt aan de daartoe noodzakelijke
hulpverlening en begeleiding van de zijde van SJG waartoe de vader niet in
voldoende mate bereid is gebleken. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de
kinderen van de omgang met de vader negatieve gevolgen ondervonden, zoals
door het Hof nader aangegeven. Ten slotte heeft het Hof aanwijzingen gevonden
dat de kinderen in hun ontwikkeling werden en worden geschaad. Middel II
bestrijdt deze overwegingen niet, doch gaat uit van de veronderstelling dat
de weigering van de vader om aan de video-opnamen mee te werken bij het
oordeel van het Hof de doorslag heeft gegeven. Dit middel mist blijkens het
vorenstaande feitelijke grondslag. Nu de niet bestreden overwegingen van het
Hof zijn beslissing kunnen dragen, moet het beroep van de vader worden
verworpen.

4. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

CONCLUSIE A-G mr. Moltmaker

Edelhoogachtbaar college,

1 FEITEN EN PROCESGANG

1.1 Voor de feiten verwijs ik naar de in cassatie bestreden beschikking van
het hof. Uit de relatie tussen verzoeker tot cassatie (de vader) en […] (de
moeder) zijn drie kinderen geboren: [kind 1] (geboren in 1989), [kind 2]
(geboren in 1991) en [kind 3] (geboren in 1993). De vader heeft de kinderen
erkend. De relatie tussen partijen is verbroken.

1.2 De moeder heeft het gezag over de kinderen. Bij beschikking van 13
oktober 1998 (verlengd bij beschikking van 30 september 1999) zijn de
kinderen onder toezicht gesteld(1). Verweerster in cassatie (de stichting) is
benoemd tot gezinsvoogdes. Doel van de ondertoezichtstelling was een
gezinsvoogd te doen functioneren als buffer of scheidsrechter tussen de
ouders en zo nodig hulp aan de kinderen op gang te brengen. De gezinsvoogd
zou bovendien de ouders moeten begeleiden in de benadering naar elkaar en in
de omgang met de kinderen.(2)

1.3 De stichting heeft zich op de voet van art. 1: 263b BW gewend tot de
rechtbank te Zwolle met een verzoekschrift primair strekkende tot stopzetting
van de tussen de vader en de kinderen bestaande omgangsregeling en
subsidiair, voor het geval de vader zich akkoord zou verklaren met het
hulpverleningsplan, wijziging van de omgangsregeling. Bij beschikking van 17
mei 1999 heeft de rechtbank, omdat de vader zich ter zitting akkoord heeft
verklaard met het hulpverleningsplan, het subsidiaire verzoek van de
stichting toegewezen. Zij heeft voor de duur van de ondertoezichtstelling met
ingang van een door de stichting te bepalen datum de omgangsregeling gesteld
op één dag per twee weken onder begeleiding van de stichting.

1.4 De omgangsregeling verliep niet zonder problemen. De stichting heeft de
vader voorgesteld bij de vader thuis video-opnamen te maken van zijn omgang
met de kinderen om zo tot een beter hulpverleningsplan te kunnen komen. De
vader heeft zijn aanvankelijk gegeven toestemming voor de opnamen
ingetrokken.

1.5 De stichting heeft zich vervolgens opnieuw tot de rechtbank te Zwolle
gewend met het verzoek de omgangsregeling stop te zetten. De vader heeft
zelfstandig verzocht de omgangsregeling uit te breiden.

1.6 De rechtbank heeft bij beschikking van 28 december 1999 het verzoek van
de stichting toegewezen en de beschikking van 17 mei 1999 gewijzigd in die
zin dat er geen omgang tussen de vader en de kinderen zal zijn. Het verzoek
van de vader heeft de rechtbank afgewezen.

1.7 De vader heeft tegen de beschikking van de rechtbank hoger beroep
ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. De stichting heeft een
verweerschrift ingediend.

1.8 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd bij beschikking
van 23 mei 2000 en heeft daartoe als volgt overwogen:

“4.4 De vader is van mening dat de stichting het verzoek tot stopzetting van
de omgangsregeling niet had mogen doen op grond van zijn weigering tot
deelname aan de video-opnamen, tot medewerking waarvan hij zich eerder wel
bereid had verklaard.

4.5 Het hof acht het verzoek van de stichting echter redelijk, gezien het
verloop van de omgangsregeling tot op dat moment. De stichting heeft ondanks
alle pogingen om te komen tot een hulpverleningsaanbod waarmee aan de
belangen van de kinderen en van de vader recht zou worden gedaan en waarbij
rekening is gehouden met de mogelijkheden van de vader om te komen tot begrip
en inzicht in de belevingswereld van de kinderen, vast moeten stellen dat de
vader niet bereid was mee te werken aan de uitvoering van het
hulpverleningsplan en het aanvaarden van hulp bij de opvoeding. De
omstandigheid dat de kinderen hierdoor in hun ontwikkeling worden geschaad,
heeft ertoe geleid dat de omgangsregeling gestopt diende te worden om
zodoende de belangen van de kinderen veilig te stellen. De opvatting van de
vader dat de omgangsregeling mede is stop gezet omdat de vader de
kinderrechter wraakte is kennelijk onjuist, omdat het verzoek van de
stichting op het moment van de wraking reeds was ingediend.

4.6 De mening van de vader dat de video-opnamen van de omgang met zijn
kinderen een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn privé-leven betekenen, deelt
het hof niet, aangezien het hier weliswaar gaat om een inmenging in het
privé-leven van de vader, maar een inmenging waartoe de stichting op grond
van de desbetreffende wettelijke bepalingen (het hof denkt met name aan
artikel 1:258 BW) bevoegd moet worden geacht en die noodzakelijk is in het
belang van de bescherming van de gezondheid van de kinderen.

4.7 Naar het oordeel van het hof heeft de stichting de omgangsregeling
vervolgens terecht stopgezet. De omgangsregeling verliep niet goed. De vader
wilde de hem aangeboden hulp niet accepteren en niet meewerken aan de
video-opnames die er onder meer toe strekten een duidelijk beeld te krijgen
van de manier waarop de vader met de kinderen omgaat. Door deze weigering van
de vader werd het onverantwoord om de omgang door te laten gaan. De kinderen
waren onrustig en prikkelbaar wanneer zij naar de vader toegingen en gaven
zowel de moeder als de gezinsvoogd te kennen niet te willen. Na een bezoek
vertoonden zij negatief gedrag, waarbij er sprake was van veel ruzies en
conflicten tussen de kinderen onderling. Uit niets is gebleken dat deze
reacties een gevolg zijn geweest van een negatieve houding van de moeder. Het
hof is met de stichting van oordeel dat een omgangsregeling op deze manier
niet in het belang van de kinderen is.”

1.9 Tegen deze beschikking heeft de vader tijdig beroep in cassatie
aangetekend. De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

2 BEOORDELING VAN HET CASSATIEMIDDEL

2.1 Cassatiemiddel I

2.1.1 Cassatiemiddel I is gericht tegen rov. 4.6 van de beschikking van het
hof en is verdeeld in vier onderdelen. Onderdeel 1 bevat geen klacht.
Onderdeel 3, dat klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de
stichting een aanwijzing kon richten aan de vader omdat aanwijzingen als
bedoeld in art. 1:258 BW zich niet kunnen richten tot de niet met gezag
belaste ouder, zal ik als eerste behandelen.

2.1.2 Het onderdeel betoogt terecht dat een aanwijzing slechts kan worden
gericht tot de met gezag belaste ouder of het kind zelf. Dat volgt in de
eerste plaats uit lid 2 van artikel 1:258 BW waarin is bepaald dat de met
gezag belaste ouder en het kind verplicht zijn de aanwijzing op te volgen.
Het volgt ook uit het karakter van de ondertoezichtstelling: een beperking
van het ouderlijk gezag.

2.1.3 Het voorgaande kan echter op zichzelf niet tot cassatie leiden. In de
eerste plaats heeft het hof niet geoordeeld dat er sprake was van een tot de
vader gerichte aanwijzing, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag
mist. Het hof heeft klaarblijkelijk bedoeld dat het de stichting vrijstond de
vader te verzoeken mee te werken aan de video-opnamen. Een dergelijk verzoek
valt binnen de doelstelling van de ondertoezichtstelling zoals die in dit
geval is uitgesproken en binnen de hulpverleningstaak die de stichting bij de
ondertoezichtstelling toebedacht heeft gekregen. Indien de vader zijn
toestemming voor de opnamen zou hebben gehandhaafd, zou inderdaad van een
ongerechtvaardigde inbreuk op zijn privé-leven geen sprake zijn geweest.
Daarbij komt nog het volgende. Het hof heeft zijn beslissing gegrond op zijn
overweging dat de omgang tussen de vader en de kinderen onder de huidige
omstandigheden niet in het belang van de kinderen is. Deze overweging van het
hof wordt in cassatiemiddel I noch in cassatiemiddel II bestreden. Het
middelonderdeel faalt derhalve.

2.1.4 Onderdeel 2 stelt op zichzelf terecht dat een aanwijzing schriftelijk
gegeven dient te worden. Bij deze klacht heeft de vader geen belang, gezien
het feit dat het hof niet heeft geoordeeld dat de stichting een aanwijzing
tot de vader heeft gericht (zie nr. 2.1.3).

2.1.5 Onderdeel 4 vraagt de Hoge Raad, eventueel bij wijze van obiter dictum,
uitspraak te doen over de vraag of een opdracht om mee te werken aan een
video-opnamen tijdens de omgangsregeling tussen een ouder en zijn of haar
kinderen kan worden beschouwd als een aanwijzing in de zin van artikel 1:258
BW.

2.1.6 Ik stel voorop dat de vader ook bij dit onderdeel geen belang heeft
(zie nr. 2.1.3) en dat het dan ook niet tot cassatie kan leiden. Voor het
geval dat Uw Raad aanleiding zou vinden om aan de in het middel opgeworpen
vraag een overweging ten overvloede te wijden, merk ik het volgende op.

2.1.7 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de bevoegdheid aanwijzingen te geven
op drie manieren wordt beperkt:
1) de aanwijzing moet het doel van de ondertoezichtstelling kunnen dienen;
2) de aanwijzing mag niet in strijd zijn met het recht en
3) de aanwijzing kan slechts een opdracht tot een doen of nalaten behelzen.
Zo wordt in de MvT Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 23 003, nr. 3, p.
35, gezegd:

“De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak merkt op dat het wetsvoorstel aan
de gezinsvoogdij-instelling geen beperkingen lijkt op te leggen, behalve in
geval van voorgenomen uithuisplaatsing, waarvoor machtiging van de
kinderrechter vereist is. Als gevolg daarvan is het onzeker of bij sommige
aanwijzingen niet sprake is van een algehele ontneming van het gezag van de
ouder, zoals bij het verlenen van plaatsvervangende toestemming bij een
ernstige operatieve ingreep bij de minderjarige, aldus de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak. De bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen is
in het wetsvoorstel mijns inziens echter voldoende beperkt doordat een
aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling moet kunnen dienen. De
bepaling van de grenzen geschiedt uiteindelijk door de rechter. Voorts geldt
dat een aanwijzing in geen geval in strijd mag komen met het recht. Zo zal
een aanwijzing van de gezinsvoogdij-instelling betreffende de omgang van een
ouder met zijn kind een eerdere beschikking van de rechter inzake omgang niet
opzij kunnen zetten omdat de gezinsvoogdij-instelling geen aanwijzing kan
geven die in strijd is met een rechterlijke uitspraak. Evenmin omvat de
bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing de bevoegdheid tegenover een
derde het ouderlijk gezag uit te oefenen; zij behelst slechts de bevoegdheid
tot het geven van een opdracht tot een doen of nalaten. (…)”

2.1.8 Mariëlle Bruning, Knelpunten in de nieuwe OTS-wet:
aanwijzingsbevoegdheid van de gezinsvoogd, grenzen en bescherming van
betrokkenen, FJR 1997, p. 95 merkt het volgende op:

“(…) Een gezinsvoogd kan aldus niet door het geven van een aanwijzing de
met gezag belaste ouder dwingen aan een uithuisplaatsing mee te werken. In
het verlengde van deze uitspraak lijkt mij noodzakelijk te stellen dat een
ouder ook niet gedwongen kan worden aan een psychologisch onderzoek mee te
werken (in het kader van het recht op contra-expertise ex art. 810a Rv). Dit
is geen aanwijzing op grond van art. 1:258 lid 1 BW, namelijk een aanwijzing
noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Ook het
Vedivo hanteert een dergelijk uitgangspunt bij het toepassen van de
aanwijzingsbevoegdheid. Een aanwijzing kan volgens Jan Jonkers ‘geen zaken
betreffen die de ouder zelf aangaan. Ook mogen door de aanwijzing geen
grondrechten worden beperkt.'(3) De aanwijzing mag niet zo ver gaan dat de
staatkundige vrijheid van de ouder(s) of minderjarige wordt beperkt.”

2.1.9 Jan Jonkers schrijft (in: Jan Jonkers/Harry van den Bosch/Anita Ayal,
De ondertoezichtstelling, juridische handleiding voor de uitvoeringspraktijk,
1996, p. 46/47) het volgende:

“4.1.3 De inhoud van een aanwijzing
Het onderwerp van de aanwijzing kan uitsluitend zaken inhouden die de
opvoeding en verzorging van de betreffende minderjarige aangaan. De
aanwijzing kan alleen worden opgelegd aan de minderjarige en de ouder(s) met
gezag. Het is dus niet mogelijk een pleegouder een aanwijzing te geven, wel
echter een kind dat in een pleeggezin is geplaatst. Een aanwijzing kan ook
geen zaken betreffen die de ouder zelf aangaan. Ook mogen door de aanwijzing
geen grondrechten worden beperkt: een aanwijzing mag bijvoorbeeld niet
inhouden dat een kind naar een school van een bepaalde signatuur zou moeten,
maar wel dat het naar een
OM-school moet.
Waar precies de grenzen liggen, zal mogelijk in de praktijk blijken uit de
rechtspraak.

(…)

4.1.7 Voorbeelden
Een aanwijzing kan vele zaken inhouden. Enkele voorbeelden: het volgen van
een bepaalde cursus door het kind, het handhaven van bepaalde huisregels; het
kind een bepaalde orthopedagogische behandeling doen geven; het voor dit kind
noodzakelijk geachte contact tussen het kind en een derde toelaten; het
onthouden van een ouder van contact met een uit huis geplaatst kind; de
plicht het kind te plaatsen in een voorziening voor dagopvang, bijvoorbeeld
een MKD.
Een aanwijzing mag niet gericht zijn op de ouder zelf, zoals bijvoorbeeld de
plicht om in therapie te gaan.”

2.1.10 Dat een aanwijzing nimmer de ouder zelf mag betreffen, lijkt mij te
absoluut geformuleerd. Een ondertoezichtstelling betreft weliswaar het kind,
maar raakt uit de aard der zaak ook de ouder(s). Kinderen zijn immers
(naarmate zij ouder worden in afnemende mate) afhankelijk van hun ouders voor
hun geestelijke, zedelijke en lichamelijke gezondheid. Art. 1:257, eerste lid
BW draagt aan de gezinsvoogdij-instelling dan ook op aan de met gezag belaste
ouder hulp en steun te bieden teneinde de bedreiging van de zedelijke of
geestelijke belangen of de gezondheid van het kind af te wenden. Vaak moet
binnen een ondertoezichtstelling aan de opvoedkundige capaciteiten van de
ouder (waaraan soms door het kind zelf betreffende omstandigheden bijzondere
eisen worden gesteld) worden gesleuteld. Indien de oorzaak van de bedreiging
van het kind is gelegen in het gebrek aan opvoedkundige capaciteiten van de
ouder(s) en een aanwijzing op dat gebied aan de ouder zou niet mogelijk zijn,
dan is het welslagen van de ondertoezichtstelling volledig (nog meer dan toch
al het geval is) afhankelijk van de bereidheid van de ouder om mee te werken.
Mijns inziens is een aanwijzing die de ouder in diens interactie met het kind
aangaat in beginsel wel mogelijk; een dergelijke aanwijzing blijft binnen het
kader van de ondertoezichtstelling (zie ook nr. 2.1.7). Ik zou aan de door
Jonkers gebruikte formulering dan ook willen toevoegen dat de aanwijzing niet
een zaak mag betreffen die uitsluitend de ouder zelf aangaat.

2.1.11 Hoewel het maken van video-opnamen van de omgang tussen een ouder en
zijn kinderen in dit kader heel nuttig kan zijn, ben ik toch van mening, dat
een ouder daartoe niet via een aanwijzing direct of indirect mag worden
gedwongen. Daargelaten, dat de kans op succes bij een niet-vrijwillige
medewerking gering lijkt, acht ik dit een zodanige inbreuk op de persoonlijke
levenssfeer van de ouder, dat op grond van art. 10 Gw een uitdrukkelijke
wetsbepaling nodig zou zijn om dit mogelijk te maken.

2.2 Cassatiemiddel II

2.2.1 Cassatiemiddel II is gericht tegen de rov. 4.5 en 4. 7 en is verdeeld
in twee onderdelen. Onderdeel 1 van dit middel betoogt dat de weigering van
de vader om mee te werken aan de video-opnamen de doorslag heeft gegeven voor
het oordeel van het hof dat de omgangsregeling terecht is stopgezet. Deze
veronderstelling mist feitelijke grondslag. Wellicht heeft die omstandigheid
voor de stichting de doorslag gegeven om haar verzoekschrift tot stopzetting
in te dienen, maar het hof heeft zijn beslissing gegrond op zijn oordeel dat
de omgang tussen de vader en de kinderen onder de huidige omstandigheden
(waarin de kinderen gedragsproblemen vertonen nadat zij omgang met de vader
hebben gehad en de vader weigert hulp te accepteren om die gedragsproblemen
in de toekomst te voorkomen) niet in het belang van de kinderen is. Het
onderdeel faalt derhalve.

2.2.2 Onderdeel 2 bevat een motiveringsklacht. Het klaagt dat onbegrijpelijk
is het oordeel van het hof dat de vader aangeboden hulp weigert. Ook deze
klacht faalt. Het oordeel van het hof, dat een waardering van feitelijke
omstandigheden behelst en om die reden aan het hof als feitenrechter is
voorbehouden, is niet onbegrijpelijk, te minder in het licht van de volgende
omstandigheden:
1) de vader heeft zijn medewerking aan het hulpverleningsplan toegezegd (zie
nr. 1.3); desondanks verliep de hulpverlening moeizaam;
2) de rechtbank heeft vastgesteld dat de vader conform zijn verzoek na de
beschikking van 17 mei 1999 (waarvan in deze procedure wijziging wordt
verzocht) een andere gezinsvoogd toegewezen heeft gekregen, met welke
gezinsvoogd de vader ook geen contact meer wenste (bijlage 8 bij het
verweerschrift van de stichting in hoger beroep);
3) uit de evaluatie van de hulpverlening (bijlage 5 bij het verweerschrift
van de stichting in hoger beroep) blijkt dat het maken van video-opnamen niet
de enige wijze is waarop getracht is de vader hulp te bieden bij de omgang
met de kinderen.

3 CONCLUSIE

De cassatiemiddelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het
beroep.

1 De beschikking waarbij de kinderen onder toezicht zijn gesteld bevindt zich
niet in het dossier. Of de ondertoezichtstelling ook nu nog voortduurt, is
voor de onderhavige zaak in verband met art. 1:263b, derde lid BW niet van
belang.
2 Zie inleidend verzoekschrift van de stichting d.d. 26 oktober 1999.
3 Zie nr. 2.1.9 hierna.

Rechters

Mrs. Mijnssen, Herrmann, Aaftink, De Savornin Lohman en Hammerstein; A-GMoltmaker

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 27 november 2001

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Een fysiotherapeut wordt veroordeeld wegens seksueel misbruik van een aantal patiënten. Ten aanzien van verschillende slachtoffers worden verschillende delicten bewezen geacht: verkrachting, gemeenschap met een slachtoffer van wie hij wist dat zij in lichamelijke onmacht verkeerde en ontucht met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en zorg had toevertrouwd. Het ontucht plegen met een andere patiënt wordt niet bewezen geacht. De rechtbank bespreekt de bestanddelen van de verschillende delictsomschrijvingen uitgebreid.
Het verweer van de raadsman dat de verklaringen van de aangeefster niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat een aantal voorschriften uit de Aanwijzing opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties van het College van procureurs-generaal niet is nageleefd wordt verworpen. Hoewel de genoemde aanwijzing recht in de zin van art. 99 van de Wet op de rechterlijke organisatie bevat, bevat de aanwijzing geen rechten van de verdachte of beleid op naleving waarvan de verdachte op grond van de beginselen van een goede procesorde aanspraak kan maken.

Volledige tekst

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 november 2001.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 augustus 2001.
Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.
De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.
Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en onder 6 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Onder 1 is tenlastegelegd: verkrachting in 1989 (art. 242 Sr – oud).
Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende bewijs dat verdachte voorafgaand aan de vleselijke gemeenschap met aangeefster geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd (in de betekenis die daaraan toekomt in het toen geldende art. 242 Sr).
Aangeefster heeft op 26 juni 2001 bij de rechter-commissaris verklaard dat het geweld dat de verdachte gebruikte, voor haar bestond uit het feit dat hij met zijn penis bij haar binnenkwam. Dit geweld is niet te duiden als geweld in de zin van art. 242 (oud) Sr, te weten zodanig geweld voorafgaande aan de vleselijke gemeenschap dat de weerstand van het slachtoffer breekt.Ook overigens is met betrekking tot dit feit niet gebleken van (bedreiging met) geweld in de zin van genoemde bepaling zoals die toen luidde.

Onder 6 is tenlastegelegd: het als werker in de gezondheidszorg ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd (art. 249 Sr).
Volgens vaste rechtspraak kan niet worden gesproken van het plegen van ontucht indien bij de patiënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest. Uit de verklaringen van aangeefster en van verdachte leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van een min of meer gelijkwaardige relatie tussen aangeefster en verdachte, welke relatie niet is beïïnvloed door de relatie van fysiotherapeut en patiënt. Dat seksuele contacten tussen hen zich ook voordeden tijdens fysiotherapeutische behandelingen doet daaraan niet af.

De bewezenverklaring
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna is vermeld

2.

hij op een tijdstip in of omstreeks de maand juni 1989 te Liempde buiten echt vleselijke gemeenschap heeft gehad met [slachtoffer 2] van wie hij wist dat zij in staat van onmacht verkeerde, immers heeft hij, verdachte, toen daar zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gestopt/geduwd terwijl hij (uit hoofde van zijn functie als behandelend fysiotherapeut van
die [slachtoffer 2]) wist dat die [slachtoffer 2] haar benen nauwelijks kon bewegen;

3.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode 1 mei 1993 tot en met 31 oktober 1993 te Boxtel en op tijdstippen in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996 te Liempde en in de gemeente Boxtel, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 3], die zich als patiënt aan verdachte’s hulp en zorg had toevertrouwd, immers heeft hij als fysiotherapeut tijdens de behandeling (meermalen) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 3] gestopt/geduwd;

4.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode 1 juli 1989 tot en met 1 september 1989 te Liempde door geweld een vrouw, te weten [slachtoffer 4], heeft gedwongen met hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, te weten het stoppen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 4], welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, opzettelijk gewelddadig (terwijl die [slachtoffer 4] tijdens een (massage)behandeling op een behandeltafel lag) (onverhoeds) de (boven)arm(en) van die [slachtoffer 4] (stevig) heeft vastgepakt en vastgehouden en vervolgens onverhoeds op de behandeltafel is gesprongen en op die [slachtoffer 4] is gaan zitten/liggen en (vervolgens) zijn, verdachtes, knie tussen de benen van die [slachtoffer 4] heeft gezet en de benen van die [slachtoffer 4] uit elkaar heeft geduwd;

5.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode 1 december 1991 tot en met 31 december 1995 te Liempde of in de gemeente Boxtel, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 5], die zich als patiënt aan verdachte’s hulp en zorg had toevertrouwd, immers heeft hij als fysiotherapeut tijdens de behandeling (meermalen) – zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 5] gestopt/geduwd, en/of – de borst(en) van die [slachtoffer 5] gestreeld/aangeraakt;

Algemene overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring

De raadsman heeft betoogd dat de aan de hoofden van de parketten gegeven”Aanwijzing opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties”van het College van procureurs-generaal (Stcrt. 1999, 174; in werking getreden op 1 oktober 1999; hierna genoemd de Aanwijzing) in deze zaak toepasselijk is en dat bij het opnemen van de verklaringen van de aangeefsters dusdanig is verzuimd deze Aanwijzing op te volgen dat de verklaringen van de aangeefsters niet mogen worden gebruikt voor het bewijs. Volgens de raadsman zijn in het bijzonder twee voorschriften uit de Aanwijzing niet gevolgd, te weten (i) dat moet worden getracht de aangeefsters te horen buiten aanwezigheid van hun vertrouwenspersoon en (ii) dat de zogenaamde expertisegroep moet worden geconsulteerd indien, zoals in dit geval, de aangifte aspecten vertoont die verbonden zijn met hervonden herinneringen.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De door de raadsman bedoelde Aanwijzing is een algemene aanwijzing van het college van procureurs-generaal betreffende de uitoefening van taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie als bedoeld in art. 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De strekking van de Aanwijzing is blijkens haar inleiding (“”Achtergrond””) het geven van instructies aan openbaar ministerie en politie teneinde de kwaliteit van de opsporing in zaken betreffende seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties te verbeteren. Meer in het bijzonder gaat het om een normering van de verlangde professionaliteit van degenen die beroepshalve zijn betrokken bij de opsporing en vervolging van zedenzaken en om de onderbouwing van de stappen die in dergelijke zaken worden genomen.
In de Aanwijzing worden geen rechtstreekse rechten toegekend aan verdachten in zedenzaken. Evenmin wordt in de Aanwijzing met betrekking tot de door de raadsman genoemde voorschriften beleid geformuleerd dat rechtstreeks de positie van de verdachte raakt of rechtstreeks diens belangen beoogt te waarborgen, op de naleving van welk beleid de verdachte op grond van de beginselen van een goede procesorde aanspraak kan maken.

Bij de beoordeling van het verweer kan in het midden blijven of in het onderhavige geval bij de opsporing de Aanwijzing in acht is genomen. Het enkele feit van niet-inachtneming brengt immers gelet op de aard en de strekking van de Aanwijzing niet eo ipso mee dat de in het opsporingsonderzoek verkregen verklaringen van de aangeefsters niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.
De rechtbank moet zich een oordeel vormen over de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Dit staat los van de vraag of de voorschriften in de Aanwijzing zijn nageleefd, zij het dat deze voorschriften wat hun inhoud betreft – en niet: enkel op grond van het feit dat ze in de Aanwijzing staan – van belang kunnen zijn bij de hier bedoelde oordeelsvorming van de rechtbank.

Aan het vorenstaande doet niet af dat, zoals de raadsman terecht heeft opgemerkt, een Aanwijzing van het College van procureurs-generaal recht kan zijn in de zin van art. 99 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit heeft immers wel tot gevolg dat de Hoge Raad als cassatierechter kan toetsen of de Aanwijzing is geschonden, maar brengt nog niet mee dat de Aanwijzing rechtstreeks rechten of belangen van de verdachte waarborgt waarop de verdachte een beroep kan doen. Kort gezegd: Dat een Aanwijzing recht in de zin van art. 99 van de Wet op de rechterlijke organisatie bevat, betekent nog niet dat zij rechten van de verdachte bevat.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld (pleitnota blz. 3 onderaan) een beroep te doen op art. 359a Sv overweegt de rechtbank dat de Aanwijzing, gelet op haar aard en strekking, geen voorschriften geeft die begrepen kunnen worden onder de in art. 359a Sv bedoelde bij het voorbereidend onderzoek in acht te nemen vormen.

Gesteld noch gebleken is dat de bij het onderhavige opsporingsonderzoek gevolgde werkwijze niet verenigbaar is met een eerlijke procesvoering.

Derhalve verwerpt de rechtbank de stelling van de raadsman dat het enkele niet-naleven van de Aanwijzing meebrengt dat de aangiftes niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Wat betreft de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aangiftes overweegt de rechtbank in algemene zin dat zij zich daarbij rekenschap heeft gegeven (onder meer) van de lange periode tussen het aangegeven delict en de aangifte en van de problematiek van het herhaald ophalen van herinneringen en van de invloed van therapieën op de betrouwbaarheid van het geheugen. Dit betekent echter niet dat de aangiftes waarbij deze aspecten aan de orde zijn reeds daardoor onbetrouwbaar zijn.

Bijzondere overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring

Feit 2
Tenlastegelegd is: vleselijke gemeenschap met iemand van wie hij wist dat zij in staat van onmacht verkeerde (art. 243 Sr – oud).
De raadsman heeft aangevoerd dat aangeefster niet in een absolute onmacht verkeerde om zich te verzetten en dat een zeker verzet mogelijk was geweest, zodat niet kan worden gesproken van”onmacht”in de zin van art. 243 Sr – oud.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Het gaat in deze bepaling om een toestand van fysieke weerloosheid die zijn oorzaak vindt in een bij het slachtoffer zelf bestaand onvermogen om te handelen, met name om zich te verzetten tegen het plaatshebben van vleselijke gemeenschap.
Vaststaat dat aangeefster na een heupoperatie in juni 1989, waarbij zij een nieuwe heup kreeg, in bed lag toen verdachte haar bezocht. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij wist dat aangeefster haar geopereerde been niet mocht belasten. Aangeefster heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij haar benen niet kon bewegen, dat verdachte haar benen gewoon aan de kant legde en vervolgens bij haar binnendrong.
Naar het oordeel van de rechtbank was bij deze stand van zaken bij aangeefster sprake van een zodanige toestand van fysieke weerloosheid dat zij niet bij machte was zich te verzetten tegen of te onttrekken aan de seksuele handelingen van verdachte.”Onmacht”in de zin van art. 243 Sr – oud hoeft geen absolute onmacht te zijn, het gaat erom of in de gegeven omstandigheden de onmacht zodanig is dat de resterende mogelijkheden tot (fysiek) verzet redelijkerwijs niet effectief zijn. Dit was volgens de rechtbank het geval.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat aangeefster met de gemeenschap heeft ingestemd nu zij bij machte was verbaal haar wil te uiten en niet tegen verdachte heeft gezegd dat zij die gemeenschap niet wilde. Daarbij komt volgens de raadsman betekenis toe aan de seksuele contacten die reeds eerder tussen aangeefster en verdachte hadden plaatsgevonden en waarbij aangeefster ook niet had kenbaar gemaakt deze niet te wensen.
De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Aangeefster heeft bij het tenlastegelegde feit niet gezegd of anderszins duidelijk te kennen gegeven dat zij instemde met het seksuele contact. Uit het feit dat eerder dergelijke contacten hadden plaatsgevonden mocht verdachte niet afleiden dat aangeefster wel instemde, temeer niet daar die contacten plaatsvonden in een relatie waarin aangeefster afhankelijk was van verdachte (als fysiotherapeut) en verdachte zulks ook wist.

Feit 3
Dit feit wordt door verdachte deels ontkend (periode 1993) en overigens in feite erkend.
De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de verklaring van aangeefster wat betreft de delictsperiode en zal ook de periode 1993 bewezen verklaren.

Feit 4
Tenlastegelegd is: verkrachting in 1989 (art. 242 Sr – oud).
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachtes opzet niet gericht was op het tegen de wil van aangeefster gemeenschap met haar hebben aangezien verdachte geen”neen-signalen”kreeg van aangeefster. In dit verband wijst de raadsman op de opvatting van de rapporterende psycholoog dat deze het aannemelijk acht dat verdachte er daadwerkelijk van overtuigd was dat aangeefster gemeenschap met verdachte wilde.
De rechtbank verwerpt dit verweer nu verdachte door zijn handelwijze – te weten het tijdens een massage onverhoeds stevig vastpakken van aangeefster en het onverhoeds op de behandeltafel springen en op aangeefster gaan liggen zonder zich te hebben overtuigd van haar instemming – minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster de gemeenschap niet wilde. Dat verdachte in zijn perceptie geen”neen-signalen”opving kan in redelijkheid niet worden uitgelegd als instemming van aangeefster met seksuele gemeenschap, ook niet indien, zoals verdachte stelt, hij tevoren aangeefster had gestreeld waartegen zij zich niet zou hebben verzet.

Verdachte heeft voorts betwist dat hij geweld heeft gebruikt.
De rechtbank acht het geweld echter bewezen. Aangeefster heeft eenduidig en consistent verklaard dat verdachte tijdens een massage onverhoeds haar bovenarmen heeft vastgepakt en vastgehouden en vervolgens onverhoeds op de behandeltafel is gesprongen en haar benen uit elkaar heeft geduwd. Verdachte heeft erkend dat het mogelijk is dat hij tijdens de gemeenschap aangeefsters bovenarmen heeft vastgepakt.

Feit 5
Dit feit wordt door verdachte erkend voor wat betreft de periode tot en met 1995, maar ontkend voor de periode vanaf 1996. Aangeefster heeft echter verklaard dat de seksuele contacten voortduurden tot en met januari 2001.
De rechtbank acht de delictsperiode vanaf 1996 niet bewezen. In dit verband overweegt de rechtbank dat enerzijds aangeefster op sommige punten minder aannemelijk heeft verklaard (blz. 215 van het dossier) wat niet past bij het beeld dat de rechtbank van verdachte heeft, terwijl anderzijds verdachte wel heeft toegegeven dat hij na 1995 met een tweetal andere patiënten nog seksuele contacten heeft gehad, maar dit ontkent ten aanzien van aangeefster.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.
Artikel 242 Wetboek van Strafrecht en artikel 243 Wetboek van Strafrecht zijn laatstelijk gewijzigd bij Wet van 9 oktober 1991, in werking getreden op 1 december 1991.
De nieuwe bepalingen zijn, voor zover hier van belang, in geen enkel opzicht gunstiger voor verdachte. Daarom wordt het recht toegepast dat gold ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
10, 27, 28, 31, 57, 242 (oud), 243 (oud), 249, 251 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.
Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6:
– een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
– ontzetting uit het recht tot uitoefening van enig beroep of functie in de gezondheidszorg voor de duur van 9 jaren.

De op te leggen straffen.
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:
a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.
b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij zijn de volgende omstandigheden ten bezware van verdachte gebleken:
– de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
– de mate van het leed dat de slachtoffers is aangedaan (ernstige aantasting van lichamelijke en geestelijke integriteit);
– de feiten hebben zich uitgestrekt over een lange periode en hebben -ook per slachtoffer- veelvuldig plaatsgevonden;
– verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem stelden als behandelend fysiotherapeut en daarbij mede gebruik gemaakt van het feit dat deze vrouwen persoonlijk in moeilijke omstandigheden verkeerden;
– verdachte heeft welbewust de grenzen van zijn professionaliteit als fysiotherapeut overschreden, zelfs nadat hij in 1990 door de geneeskundig inspecteur voor een vergelijkbare zaak was gewaarschuwd en hij deze inspecteur schriftelijk had bericht dat hij maatregelen had genomen “om herhaling te voorkomen”;
– de feiten moeten volledig aan verdachte worden toegerekend.

Met betrekking tot de mate van de toerekenbaarheid van de feiten aan verdachte overweegt de rechtbank het volgende:

De psycholoog drs. A.F.J.M. Zwegers komt in zijn pro-justitita rapport van 28 september 2001 tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en theatrale kenmerken. Naar zijn oordeel is de verdachte een dogmatische, zelfzuchtige en vooral zeer egocentrische man, wat te verklaren is uit zijn levensgeschiedenis. Verdachte had een onberekenbare en driftige vader die niet uitnodigde tot identificatie en verdachte angstig maakte, waardoor verdachtes psychosexuele ontwikkeling is gestagneerd. Aannemelijk is dat verdachte door zijn egocentrische beleving en zijn neurotische identificatie met de slachtoffers waarschijnlijk werkelijk overtuigd was dat de slachtoffers wilden wat hij met hen deed. Dit neemt echter, aldus drs. Zwegers, niet weg dat verdachte volledig besefte dat zijn handelen ontoelaatbaar en strafbaar was, voor zover het plaatsvond vanuit zijn positie als behandelaar. Binnen deze bandbreedte werd een beroep gedaan op zijn zelfbeheersing. Drs. Zwegers adviseert om de verdachte te beschouwen als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

De psychiater dr. P.J.A. van Panhuis komt in zijn pro-justitia rapport van 24 september 2001 tot de conclusie dat verdachte niet lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, dat weliswaar enkele aspecten van zijn karakter zouden kunnen worden beschouwd als emotioneel scheefgegroeid, maar niet in die mate dat kan worden gesproken van een persoonlijkheidsstoornis. Dit heeft een zekere, beperkte rol gespeeld bij het plegen van het tenlastegelegde. Er is slechts een zeer beperkte mate van verminderde toerekeningsvatbaarheid, hooguit zou men deze licht verminderd kunnen noemen. Aan de andere kant heeft, aldus dr. Van Panhuis, verdachte voldoende verstandelijke capaciteiten en heeft hij niet een dusdanige levensloop ondergaan dat gezegd kan worden dat hij zo scheef gegroeid is dat hij zijn eigen gedrag op emotionele wijze niet zou kunnen besturen.

De rechtbank heeft in het rapport van drs. Zwegers geen overtuigende onderbouwing aangetroffen dat verdachte een zodanige persoonlijkheidsstoornis zou hebben dat het feit hem minder dan normaal kan worden toegerekend. Ook al kan verdachte worden beschreven als een zeer egocentrische man die zich sterk met zijn slachtoffers identificeerde, dat neemt niet weg dat hij zeer goed wist dat hij binnen een fysiotherapeutische relatie geen sexuele contacten met patiëntes mocht hebben en dat hij zich, in de termen van het psychologisch rapport,”binnen deze bandbreedte”moest beheersen. De rechtbank ziet niet dat verdachte door zijn persoonlijkheid en karakter – zoals beschreven in de beide pro-justitia rapporten – minder dan normaal in staat was deze zelfbeheersing op te brengen. Dit volgt in wezen ook uit het psychiatrisch rapport zoal hierboven aangehaald. De psychiater adviseert uit te gaan van een nauwelijks meetbare vermindering van de toerekeningsvatbaarheid (“”zeer beperkte mate””, “”hooguit licht verminderd””) omdat hij geen persoonlijkheidsstoornis heeft kunnen vaststellen terwijl hij verdachte voldoende in staat acht zijn gedrag op emotionele wijze te sturen.
Bij deze stand van zaken acht de rechtbank het niet realistisch om een verminderde toerekenbaarheid van de feiten aan de verdachte aan te nemen. Zij rekent daarom de verdachte de bewezenverklaarde feiten volledig aan.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte nu hij over een zo lange reeks van jaren en met zoveel patiënten seksuele handelingen heeft verricht en daarmee is doorgegaan na een waarschuwing van de geneeskundig inspecteur, zo lang mogelijk moet worden ontzet uit het recht om het beroep van fysiotherapeut uit te oefenen.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt ontzet uit het recht om welk beroep dan ook in de gezondheidszorg uit te oefenen. De rechtbank zal dit niet doen nu blijkens artikel 251, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht ontzetting slechts mogelijk is uit het beroep waarin het misdrijf is begaan.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 6 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 2:
Het buiten echt vleselijke gemeenschap hebben met een vrouw van wie hij weet dat zij in staat van bewusteloosheid of onmacht verkeert.
(artikel 243 (oud) Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van feit 3:
Het als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.
(artikel 249 tweede lid, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 249, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van feit 4:
Verkrachting.
(artikel 242 (oud) Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van feit 5:
Het als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.
(artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 249, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen:

Een gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaren.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Ontzet verdachte uit het recht tot uitoefening van het beroep van fysiotherapeut voor de duur van 8 jaren.

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 1989 tot en met 31 december 1989 te Boxtel en/of te Liempde door geweld en/of bedreiging met geweld een vrouw, te weten [slachtoffer 1], heeft gedwongen met
hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, te weten het (meermalen) stoppen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1], welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,
verdachte, (telkens) opzettelijk gewelddadig en/of opzettelijk dreigend – (terwijl die [slachtoffer 1] tijdens een (massage)behandeling op een behandeltafel lag) die [slachtoffer 1] (onverhoeds) (stevig) heeft vastgepakt en/of (vervolgens)
(stevig) heeft vastgehouden en/of (vervolgens/daarbij) op de behandeltafel op en/of naast die [slachtoffer 1] is gaan liggen en/of (hard) tegen die [slachtoffer 1] heeft (aan)geduwd en/of (onverhoeds) (boven)op die [slachtoffer 1] is gaan zitten en/of
(vervolgens) met zijn hand(en) (met kracht) de benen van die [slachtoffer 1] uit elkaar heeft geduwd en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, benen tussen de benen van die [slachtoffer 1] heeft gezet/gewrongen, en/of – die [slachtoffer 1] (hard) tegen een muur en/of een kapstok heeft geduwd en aldus (vervolgens) een bedreigende situatie voor die [slachtoffer 1] heeft doen ontstaan;

(artikel 242 (oud) Wetboek van Strafrecht)

2.
hij op een tijdstip in of omstreeks de maand juni 1989 te Liempde buiten echt vleselijke gemeenschap heeft gehad met [slachtoffer 2] van wie hij wist dat zij in staat van onmacht verkeerde, immers heeft hij, verdachte, toen daar
(meermalen) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gestopt/geduwd terwijl hij (uit hoofde van zijn functie als behandelend fysiotherapeut van die [slachtoffer 2]) wist dat die [slachtoffer 2] haar benen niet of nauwelijks kon bewegen;

(artikel 243 (oud) Wetboek van Strafrecht)

3.
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode 1 mei 1993 tot en met 31 oktober 1993 te Boxtel en/of op een of meer tijdstippen in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996 te Liempde en/of in de gemeente Boxtel, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 3], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte’s hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij als fysiotherapeut tijdens de behandeling (meermalen) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 3] gestopt/geduwd;

(artikel 249 Wetboek van Strafrecht)

4.
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode 1 juli 1989 tot en met 1september 1989 te Liempde door geweld en/of bedreiging met geweld een vrouw, te weten [slachtoffer 4], heeft gedwongen met hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, te weten het (meermalen) stoppen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 4], welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, opzettelijk gewelddadig en/of opzettelijk dreigend (terwijl die [slachtoffer 4] tijdens een (massage)behandeling op een behandeltafel lag) (onverhoeds) de (boven)arm(en) van die [slachtoffer 4] (stevig) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of (vervolgens/daarbij) (hard) op die (boven)arm(en) heeft gedrukt en/of
(vervolgens) (onverhoeds) op de behandeltafel is gesprongen, althans is gaan zitten/liggen en/of (onverhoeds) (boven)op die [slachtoffer 4] is gaan zitten/liggen en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, knie/been tussen de benen van die [slachtoffer 4]
heeft gezet/gewrongen en/of (daarbij) de benen van die [slachtoffer 4] uit elkaar heeft geduwd;

(artikel 242 (oud) Wetboek van Strafrecht)

5.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 december 1991 tot en met 1 februari 2000 te Liempde en/of in de gemeente Boxtel, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 5], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte’s hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij als
fysiotherapeut tijdens de behandeling (meermalen) – zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 5]
gestopt/geduwd, en/of – de borst(en) van die [slachtoffer 5] gestreeld/aangeraakt;

(artikel 249 Wetboek van Strafrecht)

6.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 december 1991 tot en met 1 maart 2001 te Boxtel, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 6], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte’s hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij als fysiotherapeut tijdens de behandeling (meermalen)
– de borst(en) van die [slachtoffer 6] gemasseerd/aangeraakt, en/of
– zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 6]
gestopt/geduwd, en/of
– die [slachtoffer 6] bewogen om zijn, verdachtes, penis in haar mond te nemen en/of af te trekken en/of vast te pakken;

(artikel 249 Wetboek van Strafrecht)

Rechters

Mrs. Claassens, Valckx, Veldman-Gielen

Instantie: Hof van Justitie EG, 20 november 2001

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Eiseressen hebben met een beroep op de Associatieovereenkomsten met Polen
resp. Tsjechië een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot
verblijf voor het verrichten van arbeid als zelfstandig prostituee. Het Hof
oordeelt dat prostitutie onder het begrip ‘economische activiteiten anders
dan in loondienst’ in de zin van de Associatieverdragen valt, wanneer
vaststaat dat zij door de dienstverrichter wordt beoefend zonder enige
gezagsverhouding met betrekking tot de keuze van deze activiteit, de
arbeidsomstandigheden en de beloning; onder zijn eigen verantwoordelijkheid;
en tegen een beloning die volledig en rechtstreeks aan hem wordt betaald. Het
staat de nationale rechter vrij om in elk afzonderlijk geval aan de hand van
de hem voorgelegde bewijzen na te gaan of aan die voorwaarden is voldaan. De
bepalingen in de Associatieverdragen verzetten zich niet tegen een stelsel
van voorafgaande controle, dat de verlening van een inreis- en
verblijfsvergunning afhankelijk stelt van het bewijs door de aanvrager dat
hij werkelijk voornemens is een werkzaamheid als zelfstandige te beginnen,
dat hij van meet af aan over voldoende financiële middelen voor de
uitoefening van de betrokken zelfstandige activiteit beschikt en een
redelijke kans van slagen heeft.
Deze zaak is een vervolg op RN 1997/6, 816 m.nt. Roelof Haveman,
RN 2000/3, 1184 en RN 2001/6, 1404 (Conclusie A-G Léger
8 mei 2001). Zie ook RN 2001/6, 1403, m.nt. Elspeth Guild.

Volledige tekst

i) voor onderdanen, het recht op toegang tot en uitoefening van economische
activiteiten anders dan in loondienst, alsmede het recht ondernemingen, met
name vennootschappen, waarover zij zeggenschap hebben, op te richten en te
beheren. De toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de
exploitatie van een handelsonderneming door onderdanen strekt zich niet uit
tot het zoeken naar of het aannemen van werk op de arbeidsmarkt en geeft
evenmin recht op toegang tot de arbeidsmarkt van een andere partij. Het
bepaalde in dit hoofdstuk is niet van toepassing op degenen die niet
uitsluitend zelfstandig zijn;
[….
c) .economische activiteiten: met name activiteiten van industriële aard,
activiteiten van commerciële aard, activiteiten van het ambacht en
activiteiten van de vrije beroepen.

23. Artikel 53, lid 1, van de Europa-Overeenkomst Polen luidt:
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing onder voorbehoud van de
beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de
openbare veiligheid en de volksgezondheid.

24. Artikel 58, lid 1, van de Europa-Overeenkomst Polen, opgenomen in
hoofdstuk IV, Algemene bepalingen, luidt:
Voor de toepassing van titel IV van deze Overeenkomst belet geen enkele
bepaling van de Overeenkomst de partijen hun wetten en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende toelating en verblijf, tewerkstelling,
arbeidsvoorwaarden, de vestiging van natuurlijke personen en het verrichten
van diensten toe te passen, mits zij dat niet op zodanige wijze doen dat de
voor een partij uit een specifieke bepaling van de Overeenkomst
voortvloeiende voordelen teniet worden gedaan of beperkt. Deze bepaling doet
geen afbreuk aan de toepassing van artikel 53.
De Europa-overeenkomst Tsjechische Republiek

25. Overeenkomstig artikel 123 is de Europa-overeenkomst Tsjechische
Republiek op 1 februari 1995 in werking getreden.

26. De hiernavolgende bepalingen van de Europa-overeenkomst Tsjechische
Republiek zijn, op enkele redactionele afwijkingen na, gelijkluidend aan de
overeenkomstige bepalingen in de Europa-overeenkomst Polen, waarbij alleen de
nummering van de overwegingen in de preambule (behalve de tweede) en van de
artikelen anders zijn.

27. Volgens de preambule van deze overeenkomst (11)[hebben. de
overeenkomstsluitende partijen erken[d. dat de Gemeenschap en de Tsjechische
Republiek deze [hun traditionele. banden wensen te versterken en nauwe,
duurzame betrekkingen tot stand willen brengen op grond van wederkerigheid,
waardoor de Tsjechische Republiek zal kunnen deelnemen aan het proces van
Europese integratie, en aldus de betrekkingen versterken en uitbreiden die in
het verleden tot stand zijn gebracht […. ;
[….
gelet op de economische en sociale verschillen tussen de Gemeenschap en de
Tsjechische Republiek en daarbij erken[d. dat de doelstellingen van deze
associatie dienen te worden verwezenlijkt door middel van passende bepalingen
in deze overeenkomst;
[….
erken[d. dat het lidmaatschap van de Gemeenschap het einddoel van de
Tsjechische Republiek is en dat deze associatie, naar het oordeel van de
partijen, ertoe zal bijdragen dit doel te verwezenlijken.

28. Volgens artikel 1, lid 2, heeft de associatieovereenkomst onder meer tot
doel de uitbreiding van de handel en harmonische economische betrekkingen
tussen partijen te bevorderen en daarmee de dynamische economische
ontwikkeling en welvaart in de Tsjechische Republiek te stimuleren, alsmede
een passend kader tot stand te brengen voor de geleidelijke integratie van de
Tsjechische Republiek in de Gemeenschap.

29. De relevante bepalingen van de Europa-overeenkomst Tsjechische Republiek
zijn te vinden in titel IV: Het verkeer van werknemers, de vestiging, het
verrichten van diensten.

30. Artikel 45 van de Europa-overeenkomst Tsjechische Republiek, opgenomen in
hoofdstuk II, Vestiging, bepaalt:

3. Elke lidstaat verleent vanaf de inwerkingtreding van deze Overeenkomst
voor de vestiging van vennootschappen en onderdanen van de Tsjechische
Republiek een behandeling die niet minder gunstig is dan die welke aan de
eigen vennootschappen en onderdanen wordt verleend en verleent voor de
activiteiten van op zijn grondgebied gevestigde vennootschappen en onderdanen
van de Tsjechische Republiek een behandeling die niet minder gunstig is dan
die welke aan de eigen vennootschappen en onderdanen wordt verleend.

4. In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

a) vestiging:
i) voor onderdanen, het recht op toegang tot en uitoefening van economische
activiteiten anders dan in loondienst, alsmede het recht ondernemingen, met
name vennootschappen, waarover zij zeggenschap hebben, op te richten en te
beheren. De toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de
exploitatie van een handelsonderneming door onderdanen strekt zich niet uit
tot het zoeken naar of het aannemen van werk op de arbeidsmarkt van een
andere partij.
Het bepaalde in dit hoofdstuk is niet van toepassing op degenen die niet
uitsluitend zelfstandig zijn;
[….
c) .economische activiteiten: met name activiteiten van industriële aard,
activiteiten van commerciële aard, activiteiten van het ambacht en
activiteiten van de vrije beroepen.

31. Artikel 54, lid 1, van de Europa-Overeenkomst Tsjechische Republiek
bepaalt:
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing onder voorbehoud van de
beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de
openbare veiligheid en de volksgezondheid.

32. Artikel 59, lid 1, van de Europa-Overeenkomst Tsjechische Republiek,
opgenomen in hoofdstuk IV, Algemene bepalingen, luidt:
Voor de toepassing van titel IV van deze Overeenkomst belet geen enkele
bepaling van de Overeenkomst de partijen hun wetten en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende toelating en verblijf, tewerkstelling,
arbeidsvoorwaarden, de vestiging van natuurlijke personen en het verrichten
van diensten toe te passen, mits zij dat niet op zodanige wijze doen dat de
voor een partij uit een specifieke bepaling van de Overeenkomst
voortvloeiende voordelen teniet worden gedaan of beperkt. Deze bepaling doet
geen afbreuk aan de toepassing van artikel 54.

B – De Nederlandse regelgeving

33. Volgens artikel 11, lid 5, van de Vreemdelingenwet (12) kan het
verlenen van een vergunning tot verblijf in Nederland aan een vreemdeling
worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

34. Blijkens de verwijzingsbeschikking is de uitlegging die de
staatssecretaris aan deze bepaling geeft, neergelegd in hoofdstuk B 12 van de
Vreemdelingencirculaire van 1994 (13). Deze uitlegging houdt in dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun
aanwezigheid op het nationaal grondgebied een wezenlijk nationaal economisch
belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of
verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating
nopen (14).

35. Ingevolge de Vreemdelingencirculaire (15) moeten onderdaan van
een derde land waarmee de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten een
Associatieovereenkomst hebben gesloten, zoals de Republiek Polen en de
Tsjechische Republiek, die zich uit hoofde van die overeenkomsten in
Nederland wensen te vestigen:
a) voldoen aan de algemene voorwaarden die gelden voor toelating als
zelfstandige en aan de algemene vereisten die voor de uitoefening van de
betrokken activiteit gelden,
b) beschikken over voldoende middelen van bestaan, en
c) geen gevaar vormen voor de openbare rust, openbare orde of nationale
veiligheid.

36. Volgens de Vreemdelingencirculaire wordt een aanvraag tot vestiging niet
ingewilligd, wanneer de door de aanvrager voorgenomen activiteit gewoonlijk
in loondienst wordt verricht. Ten bewijze van het tegendeel kan de
vreemdeling stukken overleggen die zoveel mogelijk van onafhankelijke
personen of instanties afkomstig zijn en waarin de door hem uit te oefenen
functie wordt aangegeven, zoals een bewijs van inschrijving in het
handelsregister van de Kamer van Koophandel of een bewijs van inschrijving
bij een beroepsorganisatie, een bewijs van de belastingdienst dat hij
belastingplichtig is voor de BTW, kopieën van koop-of huurcontracten van
bedrijfspanden of financiële prognoses van accountants of van een
administratiekantoor. Bij vermoeden van een schijnconstructie dient de
aanvraag alsnog te worden voorgelegd aan het ministerie van Economische
Zaken, dat dan nagaat of de betrokkene voornemens is een echte zelfstandige
activiteit uit te oefenen.

III – De prejudiciële vragen

37. Van oordeel dat het geschil in het hoofdgeding uitlegging van het
gemeenschapsrecht vereist, heeft de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage
besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vijf
prejudiciële vragen te stellen:

1) Kunnen Poolse en Tsjechische onderdanen zich rechtstreeks beroepen op de
Overeenkomsten in die zin dat zij tegenover een lidstaat er aanspraak op
kunnen maken dat zij aan het in artikel 44 van de overeenkomst-Polen/45 van
de Overeenkomst-Tsjechië vastgelegde recht op toegang tot en uitoefening van
economische activiteiten anders dan in loondienst en het recht ondernemingen
op te richten en te beheren, ongeacht het op dit punt door de betrokken
lidstaat gevoerde beleid, recht op toelating en verblijf ontlenen?
2) Bij bevestigende beantwoording van deze vraag: ontleent een lidstaat aan
artikel 58 van de Overeenkomst-Polen/59 van de Overeenkomst-Tsjechische
Republiek de vrijheid het recht op toelating en verblijf te onderwerpen aan
nadere voorwaarden, zoals de voorwaarden genoemd in het door Nederland
gevoerde beleid, waaronder de voorwaarde dat de vreemdeling door de
uitoefening van het bedrijf over voldoende middelen van bestaan (dat wil
volgens hoofdstuk A4/4.2.1 Vreemdelingencirculaire 1994 zeggen: een
netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan het bestaansminimum in de zin van
de Algemene Bijstandswet) kan beschikken?

3) Laat artikel 44 van de Overeenkomst-Polen/45 van de Overeenkomst-Tsjechië
toe prostitutie niet te begrijpen onder economische activiteiten anders dan
in loondienst omdat prostitutie niet valt onder de omschrijving in lid 4,
aanhef en onder c. van artikel 44 van de Overeenkomst-Polen/45 van de
Overeenkomst-Tsjechië, om redenen van zedelijke aard, omdat prostitutie in
(de meeste van) de Associatielanden verboden is en omdat prostitutie moeilijk
controleerbare problemen doet rijzen met betrekking tot de handelingsvrijheid
en de zelfstandigheid van prostituees?

4) Laten artikel 43 EG (voorheen 52 EG-Verdrag) en artikel 44 van de
Overeenkomst-Polen/45 van de Overeenkomst-Tsjechië toe tussen de daarin
respectievelijk voorkomende begrippen .werkzaamheden anders dan in loondienst
en .economische activiteiten anders dan in loondienst een zodanig onderscheid
te maken dat de als zelfstandige uitgeoefende activiteiten van een prostituee
wél onder het in het in artikel 43 EG (voorheen 52 EG-Verdrag) voorkomende
begrip vallen, maar niet onder het in genoemd artikel van de Overeenkomsten
voorkomende begrip vallen?

5) Indien het antwoord op de voorgaande vraag luidt dat het daarin bedoelde
onderscheid toelaatbaar is:

a) verdraagt het zich met artikel 44 van de Overeenkomst-Polen/45 van de
Overeenkomst-Tsjechië en de door deze bepaling beoogde vrijheid van vestiging
aan de zelfstandige, waarop lid 3 van deze bepaling het oog heeft,
minimumeisen ten aanzien van de omvang van de werkzaamheden te stellen en
voorts beperkingen te stellen zoals:
– de ondernemer moet geschoolde arbeid inbrengen,
– er moet sprake zijn van een ondernemingsplan,
– de ondernemer moet zich (eveneens) bezighouden met de bedrijfsvoering en
niet (uitsluitend) met de uitvoerende (productie-)werkzaamheden,
– de ondernemer moet de continuïteit van de onderneming nastreven, onder meer
daarin tot uitdrukking komende dat de ondernemer zijn hoofdverblijf in de
betrokken lidstaat moet hebben,
– er moet sprake zijn van investeringen en het aangaan van langlopende
verplichtingen?

b) laat artikel 44 van de Overeenkomst-Polen/45 van de Overeenkomst-Tsjechië
toe niet als zelfstandige te beschouwen degene die afhankelijk is van en
afdrachtplichtig jegens degene die betrokkene heeft geronseld en/of
tewerkstelt, terwijl vaststaat dat tussen betrokkene en bedoelde derde geen
sprake is van een loondienstverhouding als waartegen de woorden .anders dan
in loondienst in lid 4 van deze bepaling van de Overeenkomsten een dam beogen
op te werpen?

38. Bij lezing van deze vragen kunnen twee vragen worden onderscheiden.

39. Ten eerste de vraag, in hoeverre er voor onderdanen van een derde staat
een recht op toegang tot en verblijf op het grondgebied van een lidstaat kan
voortvloeien uit de in de associatieovereenkomst met die staten geregelde
vrijheid van vestiging.

40. Ten tweede de vraag, of de activiteit van een prostituee als een
economische activiteit anders dan in loondienst kan worden aangemerkt, zodat
de bepalingen van de associatieovereenkomst inzake het recht van vestiging
van toepassing zouden kunnen zijn. Als artikel 44 van de Europa-overeenkomst
Polen en artikel 45 van de Europa-overeenkomst Tsjechische Republiek aldus
moeten worden uitgelegd, dat prostitutie een economische activiteit anders
dan in loondienst is, dan zou het door deze bepalingen voorgeschreven
beginsel van nationale behandeling uit dien hoofde hier toepassing kunnen
vinden.

41. Ik zal eerst ingaan op de vraag betreffende het recht op toelating en
verblijf en daarna de reikwijdte van het begrip economische activiteit anders
dan in loondienst nader bepalen, alvorens uit te maken of dit begrip van
toepassing kan zijn op prostitutie.

IV – Het bestaan van een recht op toelating en verblijf uit hoofde van de
vrijheid van vestiging (eerste en tweede prejudiciële vraag)

42. Met de eerste twee prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter nader
te zien toegelicht, wat de artikelen 44 en 58 van de Europa-overeenkomst
Polen inhouden, en of artikel 44, lid 3, van die overeenkomst rechtstreekse
werking heeft. (16) Onderzocht moet daarom worden of laatstgenoemde
bepaling van dien aard is dat zij voor een particulier rechtstreeks rechten
in het leven roept waarop deze zich voor een rechterlijke instantie van een
lidstaat kan beroepen. Zo ja, dan moet worden uitgemaakt of het recht van
vestiging dat aan Poolse onderdanen toekomt, ook een recht op toelating en
verblijf omvat.

A – De rechtstreekse werking van artikel 44, lid 3, van de
associatieovereenkomst

43. Zoals de advocaten-generaal Mischo en Alber onlangs hebben opgemerkt, kan
een antwoord op de vraag of associatieovereenkomsten rechtstreekse werking
hebben, gemakkelijk worden beantwoord op basis van de vaste rechtspraak van
het Hof. (17)

44. Een bepaling van een door de Gemeenschap met derde landen gesloten
overeenkomst moet worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn, wanneer
zij, gelet op haar bewoordingen en op het doel en de aard van de
overeenkomst, een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst
voor welker uitvoering en werking geen verdere handeling is vereist.
(18)

45. Artikel 44, lid 3, van de associatieovereenkomst legt iedere lidstaat een
verplichting op die in niet vage termen is omschreven en duidelijk is
afgebakend. Het blijkt duidelijk dat de lidstaten gehouden zijn, aan Poolse
vennootschappen en onderdanen een vrijheid van vestiging en
beroepsuitoefening op gelijke voet als aan hun eigen onderdanen toe te staan.

46. Aan het beginsel van non-discriminatie, hier geformuleerd in artikel 44,
lid 3, is al lang rechtstreekse werking toegekend in andere bepalingen inzake
de vrijheid van personenverkeer, zowel in het kader van het Verdrag als van
associatieovereenkomsten. (19) De tekst van dit artikel is even
expliciet ter zake van de inhoud van de gegeven regel. Bovendien wordt de
uitvoering ervan door geen enkele voorwaarde beperkt.

47. Zoals het Hof bij andere associatieovereenkomsten reeds heeft overwogen,
legt de regel van gelijke behandeling een nauwkeurig bepaalde
resultaatsverplichting op en kan zij bij uitstek voor de nationale rechter
door een justitiabele worden ingeroepen met het verzoek, de discriminerende
bepalingen van een wettelijke regeling van een lidstaat die de vestiging van
een Poolse onderdaan afhankelijk stelt van een voorwaarde die niet geldt voor
de eigen onderdanen, buiten toepassing te laten, zonder dat daarvoor
uitvoeringsmaatregelen vereist zijn. (20)

48. Nadere beschouwing van het doel en de aard van de associatieovereenkomst
bevestigt deze zienswijze. Volgens de tweede en de vijftiende overweging van
de preambule en artikel 1, lid 2, heeft de overeenkomst tot doel een
associatie tot stand te brengen om de handel uit te breiden en harmonische
economische betrekkingen tussen partijen te bevorderen en daarmee de
dynamische economische ontwikkeling en welvaart van de Republiek Polen te
stimuleren, teneinde haar toetreding tot de Gemeenschap te vergemakkelijken.

49. Dit doel van de overeenkomst zou niet volledig kunnen worden
verwezenlijkt wanneer de deelnemers aan het economisch leven niet zelf in
staat worden gesteld om naleving van de geformuleerde beginselen af te
dwingen.

50. Bovendien belet volgens vaste rechtspraak van het Hof de omstandigheid
dat de associatieovereenkomst in hoofdzaak tot de economische ontwikkeling
van Polen moet bijdragen en daardoor een zekere onevenwichtigheid bevat in de
door de Gemeenschap jegens dit derde land aangegane verplichtingen, de
Gemeenschap niet, de rechtstreekse toepasselijkheid van sommige bepalingen
ervan te erkennen. (21)

51. Derhalve moet artikel 44, lid 3, van de associatieovereenkomst worden
geacht rechtstreekse werking te hebben, zodat deze bepaling door de
justitiabelen voor de nationale rechter kan worden ingeroepen.

52. Met de vaststelling dat deze bepaling kan worden ingeroepen, is
natuurlijk nog niets gezegd over de uitlegging ervan. Daarom moet worden
nagegaan welke effecten voor het recht op toelating en verblijf kunnen
voortvloeien uit de vestigingsvrijheid, zoals geregeld in artikel 44, lid 3,
van de associatieovereenkomst.

B – Het bestaan van een onvoorwaardelijk recht op toelating en
verblijf

53. De verwijzende rechter vraagt, of de inzake vestigingsregeling van de
associatieovereenkomst voor de lidstaat van ontvangst de verplichting omvat
om aan Poolse onderdanen onder alle omstandigheden een recht op toelating en
verblijf te verlenen.

54. De gedachte dat in het kader van een associatieovereenkomst het recht op
nationale behandeling ter zake van vestiging een onvoorwaardelijk recht op
toelating en verblijf zou omvatten, moet volgens mij worden afgewezen.

55. Het is waar, dat vrijheid van vestiging niet denkbaar is wanneer de staat
van ontvangst met zijn wettelijke regeling een voor onderdanen van derde
landen onoverkomelijke barrière opwerpt tegen toelating tot en verblijf op
zijn grondgebied.
56.
Dit is de strekking van de rechtspraak waarbij het Verdrag of andere
associatieovereenkomsten zijn uitgelegd. Het recht op nationale behandeling
ter zake van vestiging onderstelt, dat aan de onderdanen van derde landen die
toegang willen hebben tot een industriële, commerciële, ambachtelijke of
vrije beroeps-activiteit en deze als zelfstandige willen uitoefenen, een
recht van toelating tot en verblijf op het grondgebied van de lidstaat van
ontvangst wordt verleend. (22)

57. Nochtans moet nader worden gepreciseerd waarom bepaalde grenzen aan dit
recht kunnen worden gesteld. Daarvoor is het belangrijk om het bij de
associatieovereenkomst ingevoerde regeling van de vrijheid van vestiging te
onderscheiden van de regeling in het Verdrag.

58. Door de overeenkomsten tussen artikel 52 van het Verdrag en artikel 44,
lid 3, van de associatieovereenkomst is het verleidelijk om naar
laatstgenoemde bepaling de met betrekking tot artikel 52 van het Verdrag
ontwikkelde rechtspraak over te dragen.

59. Of de aan een verdragsbepaling gegeven uitlegging kan worden uitgebreid
tot een in vergelijkbare, overeenkomstige of zelfs identieke bewoordingen
geformuleerde bepaling in een door de Gemeenschap met een derde land gesloten
overeenkomst, hangt vooral af van het doel dat door elk van deze bepalingen
in haar eigen kader wordt nagestreefd. In dit opzicht is de vergelijking van
de doelstellingen en de context van de overeenkomst enerzijds en die van het
Verdrag anderzijds van groot belang. (23)

60. Het Verdrag beoogt de totstandbrenging van een interne markt, gekenmerkt
door de afschaffing tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije
verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal. (24) De
associatieovereenkomst heeft daarentegen tot doel een passend kader tot stand
te brengen voor de geleidelijke integratie van Polen in de Gemeenschap.
(25)

61. Ofschoon in het vooruitzicht van de toetreding van Polen tot de Europese
Unie op termijn te verwachten is dat alle regels van de Gemeenschap, met name
inzake de vrijheid van vestiging, onbeperkt voor dit land zullen gelden, kan
de vestigingsregeling van de associatieovereenkomst als gevolg van het
noodzakelijkerwijze geleidelijke ritme van de toetreding inhoudelijk niet zo
ver gaan als de inhoud van de overeenkomstige communautaire regeling.

62. Andere associatieovereenkomsten die de toetreding van derde landen tot de
Gemeenschap mogelijk moeten maken, zoals de overeenkomst EEG-Turkije, kennen
geen regeling die aan onderdanen van het betrokken derde land een recht van
vestiging op het grondgebied van de lidstaten toekent. In tegenstelling tot
de overeenkomst EEG-Turkije, staat de associatieovereenkomst geen vrij
verkeer van werknemers toe.

63. Deze verschillen in inhoud, gekoppeld aan vergelijkbare doelstellingen,
versterken de indruk van voorlopig niet voltooide regelingen inzake het vrije
verkeer.

64. De belangrijkste reden om af te zien van een analoge redenering is
evenwel gelegen in de tekst zelf van de associatieovereenkomst.

65. Met de verklaring dat geen enkele bepaling van titel IV van de
overeenkomst, waar artikel 44 deel van uitmaakt, de partijen belet hun wetten
en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende toelating en verblijf en de
vestiging van natuurlijke personen toe te passen, maakt artikel 58, lid 1,
van de associatieovereenkomst het recht van vestiging zoals dit is geregeld,
een meer beperkt recht.

66. Terwijl iedere burger van de Unie rechtstreeks aan het Verdrag het recht
ontleent om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te bewegen en
aldaar te verblijven en daardoor vrij is zich aldaar te vestigen
(26), is deze vrijheid voor een Pools onderdaan beperkt door de nationale
wetgevingen van de lidstaten inzake toelating en verblijf van vreemdelingen.
Het aan Poolse onderdanen toegekende recht op toelating en verblijf is dus
geenszins een absoluut recht.

67. Dit recht kan door de lidstaat van ontvangst worden beperkt, mits, aldus
artikel 58, lid 1, van de associatieovereenkomst, de voordelen die voor een
partij uit een specifieke bepaling van de overeenkomst voortvloeien, daardoor
niet teniet worden gedaan of beperkt.

68. Artikel 44, lid 3, gelezen in samenhang met artikel 58, lid 1, van de
associatieovereenkomst moet dus aldus worden uitgelegd, dat de daarbij
ingevoerde vestigingsregeling voor de lidstaat van ontvangst niet de
verplichting omvat om aan Poolse onderdanen een recht op toelating tot en
verblijf op zijn grondgebied te verlenen, omdat voor de uitoefening van dit
recht de grenzen gelden die door de lidstaat van ontvangst aan toelating,
verblijf en vestiging van Poolse onderdanen worden gesteld.

C – De voorwaarde van voldoende middelen van bestaan die aan het recht
op toelating en verblijf is verbonden

69. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de voorwaarden waaraan
het Koninkrijk der Nederlanden de binnenkomst en het verblijf van
vreemdelingen op zijn grondgebied onderwerpt, waaronder het vereiste dat de
buitenlandse onderdaan over voldoende middelen van bestaan beschikt.
(27)

70. Van de andere voorwaarden voor toegang en verblijf noemt de verwijzende
rechter het principe van de Nederlandse wet, dat de vreemdelingen geen gevaar
mag opleveren voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de
volksgezondheid. De Nederlandse rechter verklaart evenwel, dat gelet op
artikel 58, lid 1, van de associatieovereenkomst, deze bepaling niet in de
vraag is begrepen. (28)

71. Ik zal dus enkel de voorwaarde van voldoende middelen van bestaan
onderzoeken; bij de behandeling van de andere prejudiciële vragen zal ik
ingaan op de door de nationale wetgeving gestelde voorwaarden voor het recht
van vestiging, doch niet meer op het verblijf van vreemdelingen.

72. Met de tweede prejudiciële vraag wil de Nederlandse rechter in wezen dus
weten, of de artikelen 44, lid 3, en 58, lid 1, van de associatieovereenkomst
zich verzetten tegen een nationale wetgeving die voor het recht op toelating
en verblijf van een Pools onderdaan die in de lidstaat van ontvangst toegang
wil hebben toteen economische activiteit en deze als zelfstandige wil
uitoefenen, als voorwaarde stelt dat hij door de uitoefening van deze
activiteit over voldoende middelen van bestaan kan beschikken. (29)

73. Artikel 58, lid 1, van de associatieovereenkomst maakt uitdrukkelijk een
voorbehoud betreffende de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van de
toelating en het verblijf van de onderdanen van de respectieve
overeenkomstsluitende partijen, zodat het duidelijk is dat de nationale
wetgeving op dit gebied de norm is.

74. De lidstaten mogen hun bevoegdheid inzake de toelating en het verblijf
van vreemdelingen echter niet volstrekt vrij uitoefenen. Zoals ik al zei,
stelt artikel 58, lid 1, voor deze uitoefening als voorwaarde dat de
voordelen die voor een partij uit een specifieke bepaling van de overeenkomst
voortvloeien, daardoor niet teniet worden gedaan of beperkt.

75. Onderzocht moet daarom worden, of de voorwaarde van voldoende middelen in
de nationale wetgeving van dien aard is, dat de voordelen die de Republiek
Polen aan het bepaalde in artikel 44, lid 3, van de associatieovereenkomst
ontleent, daardoor in het gedrang komen. (30)

76. Om zeker te zijn dat deze maatregel de voordelen die de Republiek Polen
aan het recht van vestiging ontleent, niet teniet doet of beperkt, moet
worden nagegaan of de maatregel die het recht van toelating en verblijf
beperkt krachtens artikel 58, lid 1, van de associatieovereenkomst, niet van
dien aard is dat dit recht in zijn kern wordt aangetast.

77. De voorwaarde van voldoende middelen vormt stellig een beperking voor
zowel het verblijf als voor de vestiging, want de niet-naleving daarvan
verhindert een Pools onderdaan het grondgebied van die lidstaat te betreden
om aldaar welke activiteit dan ook, met name een zelfstandige, uit te
oefenen.

78. Ook moet deze maatregel, wil hij toelaatbaar zijn, een legitiem doel
nastreven. Bovendien moet hij geschikt zijn om het bereiken van dit doel te
verzekeren, zonder verder te gaan dan daartoe noodzakelijk is.

79. Dat de staat van ontvangst erop toeziet dat de onderdaan van een derde
land die te kennen geeft zich op zijn grondgebied te willen vestigen, over
een minimum van middelen beschikt, kan volgens mij niet onrechtmatig afbreuk
doen aan het recht van vestiging, omdat deze maatregel moet waarborgen dat de
Poolse onderdaan werkelijk van zins is zich in de lidstaat van ontvangst te
vestigen zonder op zoek te gaan naar arbeid in loondienst. Zoals bekend
bepaalt artikel 44, lid 4, sub a-i, van de associatieovereenkomst, dat de
toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst zich niet uitstrekt tot
het zoeken naar of het aannemen van werk op de arbeidsmarkt van de
ontvangende staat.

80. Het vereiste van voldoende middelen maakt het dus mogelijk om zich ervan
te vergewissen dat de Poolse onderdaan werkelijk, zoals hij heeft verklaard,
de bedoeling heeft om een activiteit als zelfstandige uit te oefenen en dat
het, als hij zich eenmaal op Nederlands grondgebied heeft geïnstalleerd, ook
een reële activiteit betreft.
Wanneer de betrokkene niet over voldoende middelen beschikt op het moment
waarop hij de lidstaat van ontvangst binnenkomt, zou hij immers in de
verleiding kunnen komen om aanvullende inkomsten te behalen uit arbeid in
loondienst of uit de openbare middelen. Evenzeer, en zelfs in sterkere mate,
bestaat dit risico wanneer pas nadat betrokkene het land is binnengekomen
wordt vastgesteld dat het door de nationale wetgeving vereiste
bestaansminimum niet wordt gehaald, wat erop zou duiden dat zijn onderneming
is mislukt en de betrokkene vermoedelijk naar andere middelen van bestaan zal
omzien. (31)

81. Daarbij komt, dat de betrokken bepaling moeilijk als excessief kan worden
aangemerkt in verhouding tot het nagestreefde doel, omdat het om een
eenvoudige objectieve constatering gaat, die betrouwbare aanwijzingen zal
verschaffen omtrent het realiteitsgehalte van de ondernomen activiteit.

82. Derhalve ben ik van mening dat de artikelen 44, lid 3, en 58, lid 1, van
de associatieovereenkomst zich niet verzetten tegen een nationale wetgeving
die het recht op toelating en verblijf voor een Pools onderdaan die op het
grondgebied van de lidstaat van ontvangst toegang tot een economische
activiteit wil hebben en deze als zelfstandige wil uitoefenen, afhankelijk
stelt van de voorwaarde dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt.

83. De verwijzende rechter vraagt vervolgens, wat het begrip economische
activiteiten anders dan in loondienst in artikel 44, lid 4, sub a-i, van de
associatieovereenkomst inhoudt.

V – De reikwijdte van het begrip economische activiteit anders dan in
loondienst [vraag vier en vraag vijf, sub a.

84. Deze prejudiciële vragen zijn gesteld naar aanleiding van het argument
van de Nederlandse regering, dat het begrip economische activiteit anders dan
in loondienst in de associatieovereenkomst moet worden onderscheiden van het
begrip werkzaamheden anders dan in loondienst in artikel 52, tweede alinea,
van het Verdrag.

85. De Nederlandse regering stelt in wezen, dat de vrijheid van vestiging die
bij de associatieovereenkomst is ingevoerd, is voorbehouden aan echte
zelfstandigen, waarmee bedoeld wordt professioneel geschoolde onderdanen die
in de lidstaat van ontvangst een onderneming willen oprichten. De
associatieovereenkomst is niet bedoeld voor personen die ongeschoold werk
willen verrichten, die geen enkel ondernemingsplan hebben en generlei
investering hebben gedaan. (32)

86. De Nederlandse regering noemt de associatieovereenkomst een eerste stap
op weg naar een proces van integratie van de geassocieerde landen in de
Gemeenschap. De door haar voorgestane uitleg doet volgens haar recht aan de
problemen die voortvloeien uit de economische en sociale verschillen tussen
deze grootheden.

87. Daarom vraagt de verwijzende rechter in zijn vierde vraag, of er
onderscheid moet worden gemaakt tussen de begrippen werkzaamheden anders dan
in loondienst en economische activiteiten anders dan in loondienst. In de
door de Nederlandse regering gevolgde redenering vallen bepaalde ongeschoolde
werkzaamheden, waaronder prostitutie, wel onder de werkingssfeer van artikel
52, tweede alinea, van het Verdrag maar niet noodzakelijkerwijze onder die
van artikel 44, lid 4, sub a-i, van de associatieovereenkomst. Dat is de
strekking die aan de vijfde vraag, sub a, moet worden toegeschreven, die
betrekking heeft op de minimumvoorwaarden die de nationale wetgeving stelt en
die door de Nederlandse rechter als restrictief worden aangemerkt.
(33) Artikel 44, lid 4, sub a-i, van de associatieovereenkomst heeft
volgens haar dus een minder ruime werkingssfeer dan artikel 52, tweede
alinea, van het Verdrag.

88. Met deze vragen wil de verwijzende rechter weten, of het begrip
economische activiteit anders dan in loondienst in de zin van artikel 44, lid
4, sub a-i, van de associatieovereenkomst, aldus moet worden uitgelegd dat
dit begrip alleen doelt op economische activiteiten anders dan in loondienst
die een professionele scholing vergen en door een ondernemer, ingezetene op
het grondgebied van de lidstaat van ontvangst, worden uitgeoefend volgens
bepaalde nader omschreven modaliteiten, zoals het bestaan van een
ondernemingsplan, van investeringen en van langlopende verplichtingen,
waarbij de ondernemer zich zowel met de bedrijfsvoering als met de productie
van goederen of diensten moet bezighouden.

89. Deze bepaling moet worden uitgelegd met inachtneming van haar
bewoordingen en van het doel van de handeling waarin zij is opgenomen.
(34)

90. Artikel 44, lid 4, sub a-i, van de associatieovereenkomst spreekt van het
recht op toegang tot en uitoefening van economische activiteiten anders dan
in loondienst, alsmede het recht ondernemingen, met name vennootschappen
(…) op te richten en te beheren. Hierin wordt dus geen enkel onderscheid
gemaakt dat steun zou bieden voor de gedachte dat de vrijheid van vestiging
zou zijn beperkt tot een nader omschreven categorie van economische
activiteiten anders dan in loondienst. (35)

91. Volgens de tekst van de bepaling valt elke activiteit onder de
werkingssfeer van de vrijheid van vestiging, zodra die activiteit een
economisch karakter heeft en anders dan in loondienst wordt uitgeoefend.
(36) Ook al omschrijft artikel 44, lid 4, sub a-i, van de
associatieovereenkomst de onder de vrije vestiging vallende activiteiten
anders dan artikel 52 van het Verdrag, de tekst van deze bepaling leent zich
niet voor een restrictieve uitlegging van haar werkingssfeer wat de aard van
die activiteiten betreft. Want evenmin als het begrip economische activiteit
anders dan in loondienst stelt het begrip werkzaamheden anders dan in
loondienst voor de betrokken activiteit een van de hiervoor genoemde
modaliteiten als voorwaarde. Het genot van deze vrijheid blijkt dus niet
afhankelijk te zijn van de naleving van enige voorwaarde omtrent scholing,
woonplaats of wijze van beroepsuitoefening.

92. Dat er identieke, gelijksoortige of verwante bewoordingen worden
gebruikt, geeft bovendien, zoals ik reeds meerdere malen heb opgemerkt, geen
waarborg dat het juridisch regime hetzelfde is, wanneer de betrokken
handelingen niet hetzelfde doel nastreven. (37) Zelfs indien in het
Verdrag en in de associatieovereenkomst dezelfde woorden worden gebruikt, dan
nog mogen daaruit dus geen specifieke conclusies worden getrokken omtrent het
toepasselijke juridisch regime. (38)

93. Daarom moeten, overeenkomstig de zojuist aangehaalde rechtspraak alsook
de rechtspraak waarin is uitgemaakt dat bij verschillen tussen de
verschillende taalversies van de communautaire tekst de betrokken bepaling
moet worden uitgelegd in het licht van de algemene opzet en de doelstelling
van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (39), deze laatste
aspecten van de betrokken tekst worden onderzocht.

94. Door de doelstelling van de associatieovereenkomst, namelijk de
voorwaarden scheppen voor een toekomstige toetreding van een derde land tot
de Gemeenschap, kan inderdaad de gedachte voor de hand liggen dat de daarbij
ingevoerde vestigingsregeling niet even volkomen zal zijn als in het Verdrag.

95. De situatie van het derde land zou in niets verschillen van die van een
lidstaat van de Gemeenschap, als de communautaire beginselen reeds in alle
opzichten voor dat land golden.

96. Men mag dus niet a priori uitsluiten dat de situatie van dat land door
andere regels wordt beheerst, ook al beantwoorden die regels aan hetzelfde
beginsel van vrije vestiging. Daar komen nog bij de economische en sociale
verschillen tussen de Gemeenschap en het derde land, die door de
associatieovereenkomst met behulp van passende bepalingen moeten worden
verminderd. (40)

97. Gezien die doelstellingen is het op zich niet onwaarschijnlijk dat er een
verschil is tussen het Verdrag en de associatieovereenkomst dat van invloed
zal zijn op het juridisch regime van de vrije vestiging.

98. Dit kan echter, waar een aanwijzing in de tekst van de
associatieovereenkomst ontbreekt, alleen zo zijn als inderdaad de bedoeling
van de overeenkomstsluitende partijen is om een tussenvorm voor het
vestigingsrecht in te voeren, hetgeen allerminst vaststaat.

99. Evenmin als de bepalingen van de associatieovereenkomst inzake het recht
van vestiging, geeft de preambule van deze overeenkomst enige aanwijzing dat
partijen de werkingssfeer van dit recht restrictief hebben willen definiëren.

100. De door de ondertekenende staten nagestreefde doelstellingen worden in
algemene bewoordingen omschreven en bevatten geen precieze verwijzing naar
een vestigingsrecht van beperkte omvang. Ik zou het op zijn minst willekeurig
willen noemen om uit het enkele feit dat de associatieovereenkomst de
verschillen beoogt te verkleinen en de banden tussen de overeenkomstsluitende
staten te versterken met het oog op de integratie van een van hen in de
Gemeenschap, af te leiden dat aanéén van de naast andere in die overeenkomst
geformuleerde rechten (41) een beperkte betekenis zou toekomen. Er
zou nog minder reden zijn om zonder serieuze, aan de associatieovereenkomst
ontleende aanwijzing te stellen dat de restrictieve uitlegging van dit
beginsel specifiek betrekking heeft op de aard of de wijze van uitoefening
van de activiteit of de voorwaarde van woonplaats van de ondernemer.

101. Voor het standpunt van de Nederlandse regering is dus in de
associatieovereenkomst geen enkele steun te vinden.

102. Het argument dat het voor de lidstaten van belang is middelen te hebben
om te voorkomen, dat onderdanen van derde landen zich op het recht van
vestiging beroepen om, in strijd met artikel 44, lid 4, sub a-i, van de
associatieovereenkomst, op het grondgebied van de Gemeenschap arbeid in
loondienst te zoeken, heeft wel enige kracht. De wens van de Nederlandse
autoriteiten om schijnconstructies aan het licht te brengen door concreet te
kijken naar de feitelijke verhoudingen tussen de marktdeelnemers en niet
zozeer naar de juridische kwalificatie die betrokkenen aan die verhoudingen
geven, beantwoordt stellig aan de vereisten van een nauwgezette toepassing
van de associatieovereenkomst (42).

103. Daarbij moet dan wel de tekst van de overeenkomst in acht worden
genomen, die weliswaar verbiedt dat de hoedanigheid van zelfstandige wordt
gebruikt om arbeid in loondienst te verrichten, maar de overeenkomst
sluitende staten niet toestaat om dit verbod zodanig te handhaven dat
daardoor de vrijheid van vestiging wordt beperkt.

104. Met andere woorden, de ontvangende staat heeft het recht om na te gaan
of de feitelijke beroepsverhoudingen overeenkomen met de opgegeven juridische
verhoudingen om daarop het passende rechtsregime toe te passen. Hij mag
daarbij in geen geval zodanige beperkingen opleggen dat een zelfstandig
ondernemer die niet over een minimale professionele scholing beschikt of niet
voldoet aan andere voorwaarden omtrent de wijze waarop hij een economische
activiteit anders dan in loondienst verricht, daardoor wordt gelijkgesteld
met een werknemer in loondienst.

105. Het is bovendien ongerechtvaardigd om uit het feit dat een buitenlands
onderdaan geen beroepsopleiding heeft, geen ondernemingsplan heeft en ook
geen investeringen heeft gedaan, automatisch af te leiden, dat hij de
vestigingsprocedure misbruikt om zich in werkelijkheid in de staat van
ontvangst op de arbeidsmarkt te begeven.

106. Deze criteria kunnen stellig als aanwijzingen voor de werkelijke
bedoeling van de betrokkene worden gehanteerd, maar zij kunnen alleen zinvol
worden geduid indien zij worden gerelateerd aan de aard van de zelfstandige
werkzaamheden die deze verklaart te willen uitoefenen. Men kan immers niet
dezelfde eisen stellen met betrekking tot een voorgenomen oprichting van een
vennootschap waarvan de activiteit grote investeringen en een bijzondere
opleiding vergt als ten aanzien van een activiteit waarvan de uitoefening,
gezien de kenmerken ervan, niet van deze voorwaarden afhankelijk is.

107. Het komt mij voor dat de discussie op dit punt wordt beïnvloed door de
bijzondere aspecten van de activiteit die hier in geding is, zodat deze door
overwegingen van openbare orde of openbare zedelijkheid wordt vertekend.

108. Ofschoon de lidstaten zich in hun beleid op dit gebied door zulke
overwegingen kunnen laten leiden, zoals artikel 53, lid 1, van de
associatieovereenkomst hun toestaat, mag dit mijns inziens geen voorwendsel
zijn om het bij deze overeenkomst ingestelde recht zonder specifieke redenen
restrictief op te vatten.

109. Het is niet geheel uit te sluiten dat de door de Nederlandse regering
voorgestane uitlegging andere beroepsactiviteiten dan prostitutie in hun
uitoefening belemmert. (43)

110. Het is nogal hachelijk om a priori ervan uit te gaan dat alle
economische activiteiten die anders dan in loondienst worden uitgeoefend, een
bepaalde scholing of investeringen vergen.

111. Ik weet niet zeker of het bij de in de nationale wetgeving gestelde
voorwaarden om cumulatieve dan wel om alternatieve voorwaarden gaat. Hoe ook
geïnterpreteerd, zij zijn duidelijk restrictief.

112. Zouden zij als cumulatief moeten worden opgevat, dan zouden bepaalde
activiteiten die een hoog opleidingsniveau vereisen zonder noodzakelijk ook
bijzondere investeringen te vergen, zonder reden verboden kunnen worden.

113. In het andere geval is niet geheel uit te sluiten dat een – zelfs
beperkt – aantal volstrekt oirbare activiteiten, zonder rechtsgeldige reden
wordt verboden.

114. De voorwaarde betreffende het niveau van de middelen, die voor het recht
op toelating en verblijf legitiem kan worden gesteld, geeft de bevoegde
autoriteiten reeds uitsluitsel of onderdanen van derde landen niet van plan
zijn zich op de arbeidsmarkt te begeven.

115. Ik wil daaraan toevoegen dat de rechtszekerheid op een zo gevoelig
gebied als het personenverkeer zich slecht verdraagt met een zo vage grens
als het onderscheid tussen geschoolde werkzaamheden en andere. Bij gebreke
van een objectief criterium aan de hand waarvan geschoolde personen kunnen
worden onderscheiden van anderen of geschoolde activiteiten van ongeschoolde,
lijkt het mij wenselijk om niet een dergelijk onderscheid te hanteren.

116. Wat de verplichting betreft van de hoofdverblijfplaats in Nederland, die
volgens de verwijzende rechter gerechtvaardigd is om de continuïteit van de
onderneming te verzekeren, deze door de Nederlandse regering overgenomen
grond lijkt mij niet overtuigend.
Deze maatregel levert een beperking van de vrijheid van vestiging op,
aangezien zij een in Polen gevestigde marktdeelnemer belet om in de lidstaat
van ontvangst op vaste en duurzame wijze een economische activiteit uit te
oefenen zonder de in Polen uitgeoefende activiteit op te geven. De
continuïteit van een activiteit komt niet reeds in gevaar wanneer de
ondernemer zijn activiteiten over meerdere centra spreidt. Die continuïteit
hangt af van het vermogen van die ondernemer zijn activiteiten te
organiseren, een vermogen dat niet mag worden onderschat. De rechtspraak van
het Hof betreffende de verdragsbepalingen op dit punt is eenduidig en moet
hier worden overgenomen, nu uit de associatieovereenkomst niet van een reden
voor het tegendeel blijkt. (44)

117. Een en ander betekent dat het begrip economische activiteit anders dan
in loondienst in de zin van artikel 44, lid 4, sub a-i, van de
associatieovereenkomst aldus moet worden uitgelegd, dat dit begrip niet
alleen doelt op economische activiteiten anders dan in loondienst die een
professionele scholing vergen en die door een ondernemer, ingezeten op het
grondgebied van de lidstaat van ontvangst, worden uitgeoefend volgens
bepaalde nader omschreven modaliteiten, zoals het vereiste van een
ondernemingsplan, van investeringen en van langlopende verplichtingen,
waarbij de ondernemer zich zowel met de bedrijfsvoering als met de productie
van goederen of diensten moet bezighouden.

VI – De kwalificatie van prostitutie als economische activiteit anders dan in
loondienst [vraag drie en vraag vijf, sub b.

118. Met deze vragen informeert de verwijzende rechter of onder het begrip
economische activiteit anders dan in loondienst in de zin van artikel 44, lid
4, sub a-i, van de associatieovereenkomst de prostitutie begrepen is.

119. Eerst wil ik stilstaan bij de bijzondere aard van de activiteit waar het
hier om gaat. Hoewel prostitutie een oude praktijk is en in de meeste landen
van West-Europa wordt getolereerd, wordt deze activiteit door de publieke
moraal nog steedsafgekeurd en door de handhavers van de openbare orde in de
gaten gehouden. De opvatting omtrent de menselijke persoon die in dit bedrijf
lijkt te worden gepersonifieerd en de banden met een bepaalde vorm van
criminaliteit die het bevordert (45), roepen in de maatschappij
reacties op die nochtans zelden de vorm van een algeheel verbod aannemen.
Zo wordt dit beroep ook thans nog in een groot aantal lidstaten getolereerd,
erkend en zelfs geregeld. (46) Vaststaat dat de bevoegdheid hiertoe
niet een van de bevoegdheden van de Gemeenschap is. Volgens vaste rechtspraak
staat het niet aan het Hof om zijn beoordeling in de plaats te stellen van
die van de wetgever van de lidstaten waar deze activiteit legaal wordt
bedreven. (47)

120. Zodra evenwel een lidstaat van oordeel is dat een beroepsactiviteit op
zijn grondgebied mag worden uitgeoefend, is het legitiem om, in geval van een
geschil betreffende de uitoefening van het vrije verkeer van personen die
zich met die activiteit bezig houden, te onderzoeken welke juridische
kwalificatie aan deze activiteit kan worden gegeven. Daarom kan aan
overwegingen op zedelijk gebied geen argument worden ontleend voor de
juridische kwalificatie die in het licht van de relevante bepalingen van het
gemeenschapsrecht voor de betrokken activiteit moet gelden.

121. Om uit te maken of het juridisch regime van de vrijheid van vestiging,
zoals in de associatieovereenkomst geregeld, van toepassing is op de
activiteit van prostituee, moet eerst worden nagegaan of prostitutie een
economische activiteit is in de zin van artikel 44, lid 4, sub a-i, van deze
overeenkomst, en moet vervolgens worden onderzocht of zij ook als een
zelfstandige activiteit in de zin van deze bepaling kan worden beschouwd.

A – De vraag of prostitutie een economische activiteit
is

122. Artikel 44, lid 4, sub c, van de associatieovereenkomst definieert
economische activiteiten als activiteiten van industriële aard, activiteiten
van commerciële aard, activiteiten van het ambacht en activiteiten van de
vrije beroepen.

123. Evenals de regering van het Verenigd Koninkrijk ben ik van mening dat
prostitutie, als het enkel op de juridische kwalificatie aankomt, een
activiteit van commerciële aard is.

124. In de gangbare betekenis wordt het woord commercieel gebruikt voor zowel
handel in goederen als levering van diensten. (48)

125. In verschillende arresten van het Hof waarin het begrip commerciële
activiteit wordt gebruikt ten aanzien van uiteenlopende communautaire
beginselen, is de bevestiging te vinden dat diensten in beginsel een
dergelijke activiteit zijn. Zo is de exploitatie van gokmachines als een
commerciële activiteit aangemerkt (49), evenals de exploitatie van
een discotheek (50).

126. Seksuele diensten die door een prostituee worden verleend, lijken mij
juridisch duidelijk als het verrichten van diensten te moeten worden
gekwalificeerd.

127. In de regeling van het Verdrag omvat een economische activiteit in de
zin van artikel 2, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 2 EG) in
loondienst verrichte arbeid en tegen een beloning verrichte diensten.
(51)

128. Ditzelfde vereiste van een tegenprestatie moet in het kader van de
associatieovereenkomst worden gezien als een bestanddeel van de definitie van
zowel economische activiteit in de zin van artikel 44, lid 4, sub c, van de
associatieovereenkomst als van activiteit van commerciële aard, een onderdeel
van het begrip economische activiteit.

129. De verschillen in doelstelling waardoor de vestigingsregeling van het
Verdrag kan verschillen van die van de associatieovereenkomst, vormen op het
eerste gezicht geen beletsel om dit aspect van de definitie te transponeren.

130. Mocht het Hof prostitutie echter niet als economische activiteit willen
aanmerken omdat het geen activiteit van commerciële aard is in de zin van
artikel 44, lid 4, sub c, van de associatieovereenkomst, dan zou het Hof op
grond van de bewoordingen zelf van dit artikel moeten vaststellen dat zij om
een andere reden toch binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt.

131. Bij grondige lezing van de verschillende taalversies van deze bepaling
blijkt, dat in de meeste daarvan geen limitatieve opsomming van de als
economisch omschreven activiteiten wordt gegeven. Met uitzondering van de
Spaanse en Franse versie, komt namelijk in alle andere versies een woord voor
als in het bijzonder, met name of speciaal, wat eenduidig bevestigt dat het
de bedoeling van de overeenkomstsluitende partijen was om de juridische
kwalificatie van economische activiteiten niet tot enkel de opgesomde
activiteiten te beperken.

132. Volgens vaste rechtspraak mag aan één taalversie niet meer gewicht
worden toegekend dan aan alle andere taalversies. (52) Dezelfde
conclusie lijkt mij in dit geval geboden, waarin twee taalversies door alle
andere worden tegengesproken. De uniforme uitlegging van de
gemeenschapsbepalingen vereist immers dat die geïsoleerde versies worden
uitgelegd en toegepast in het licht van de in de andere gemeenschapstalen
geredigeerde versies. Nu er geen gegevens zijn die wijzen op enige bedoeling
van de ondertekenende staten om de werkingssfeer van de regeling van het
vestigingsrecht in de associatieovereenkomst te beperken, moet de betrokken
bepaling naar de letter worden gevolgd.

133. Daarom moet worden aangenomen, dat indien prostitutie geen activiteit
van commerciële aard is in de zin van de associatieovereenkomst, zij
niettemin als een economische activiteit moet worden aangemerkt wegens het
winstoogmerk dat uit het bedingen van een financiële tegenprestatie blijkt.

B – Het als zelfstandige beoefenen van de prostitutie

134. De vraag of het bij de prostitutie om zelfstandige activiteiten gaat,
kan verbazing wekken. Uit de omstandigheid dat in talloze lidstaten het
souteneurschap wordt veroordeeld, blijkt reeds dat in feite bij de beoefening
van de prostitutie de vrijheid van de prostituee meestal beperkt is.
(53)

135. Toch kan niet geheel eraan worden voorbijgegaan, dat sommigen van hen
deze activiteit uitoefenen zonder automatisch in de greep van een derde
persoon te zijn.

136. Het is waar dat, zoals de verwijzende rechter onderstreept, de
omstandigheden waaronder prostituees hun activiteiten uitoefenen, moeilijk te
controleren zijn, in het bijzonder wanneer moet worden vastgesteld of er een
souteneur in het spel is en hoe groot hun handelingsvrijheid tegenover hem
is. (54)

137. Dat het voor de bevoegde autoriteiten moeilijk is om te handelen, mag
voor ons geen reden zijn om de onwetendheid betreffende de omstandigheden
waaronder deze activiteit wordt uitgeoefend, te verbloemen door als zeker aan
te nemen dat elke activiteit in de prostitutie een verhouding van
afhankelijkheid van een derde impliceert.

138. Bij deze uitlegging van de associatieovereenkomst zou een economische
activiteit in haar geheel buiten de regeling van vrije vestiging vallen,
zonder dat dit wordt gelegimiteerd door enige wilsuiting van de
overeenkomstsluitende partijen of door de bewoordingen zelf van de
overeenkomst, terwijl diezelfde activiteit op het grondgebied van de lidstaat
van ontvangst door onderdanen van de Gemeenschap vrijelijk wordt uitgeoefend.

139. Daarom moeten de criteria worden gepreciseerd aan de hand waarvan de
verwijzende rechter de voor de oplossing van het geschil in het hoofdgeding
benodigde juridische kwalificatie kan geven.

140. De voorwaarde dat de activiteit op een of andere wijze als zelfstandige
wordt uitgeoefend, is vastgelegd in artikel 44, lid 4, sub a-i, van de
associatieovereenkomst.

141. Zoals reeds verklaard kon dit in de verschillende taalversies niet
alleen worden weergegeven door het begrip zelfstandigheid, maar ook door
begrippen als economische activiteit anders dan in loondienst, voor eigen
rekening of in eigen onderneming. (55)

142. Deze diversiteit in uitdrukkingen is grotendeels terug te vinden in de
verschillende taalversies van artikel 52, tweede alinea, van het Verdrag,
zodat het nuttig lijkt de uit de rechtspraak van het Hof af te leiden
uitleggingsgegevens van deze bepaling te vermelden.

143. Het begrip activiteit anders dan in loondienst – of zelfstandige
activiteit – is door het Hof aldus uitgelegd, dat er geen sprake mag zijn van
een verhouding van ondergeschiktheid tussen het economisch subject en degene
die hem betaalt. De definitie van activiteiten die zelfstandig of anders dan
in loondienst worden uitgeoefend, is dus negatief geformuleerd, er moet
namelijk zijn aangetoond dat er geen relatie van werknemer in de zin van
artikel 48 van het Verdrag bestaat. (56)

144. Weer terugkerend naar de context van de associatieovereenkomst, waarvan
de doelstellingen en de bewoordingen van de relevante bepalingen geen reden
geven om de regeling van vrije vestiging van de overeenkomst op dit punt
anders uit te leggen dan de overeenkomstige regeling van het Verdrag, moet de
mogelijkheid van overdracht van deze definitie op artikel 44, lid 4, sub a-i,
van de overeenkomst worden bestudeerd.

145. De noodzaak van een uitlegging van het criterium van onafhankelijkheid
om de werkingssfeer van de regeling van vrije vestiging af te bakenen, lijkt
hier groter.

146. Immers, onder de regeling van vrije vestiging in het Verdrag kan met
behulp van dit criterium worden bepaald welke activiteiten binnen de
reikwijdte van het vrije verkeer van werknemers vallen, welke laatste
vrijheid evenwel op een vergelijkbaar regime van non-discriminatie berust.
(57)
In de bepalingen van de associatieovereenkomst inzake de werknemers
daarentegen wordt echter geen beginsel van vrij verkeer erkend. Zoals reeds
gezegd, verzet artikel 44, lid 4, sub a-i, zich ertegen, dat een zelfstandige
ondernemer zich met een beroep op deze hoedanigheid toegang tot de
arbeidsmarkt verschaft. Het verbod van discriminatie in artikel 37 van de
associatieovereenkomst beperkt zich bovendien tot alleen de
arbeidsvoorwaarden, de beloning of het ontslag. (58) Voor dit recht
geldt ook nog het voorbehoud van de in elke lidstaat geldende voorwaarden en
modaliteiten, hetgeen de lidstaten een aanzienlijke beoordelingsvrijheid laat
voor de vaststelling van criteria voor toegang tot de arbeidsmarkt.

147. Met andere woorden, de vrijheid van een onderdaan van een derde land die
tot het grondgebied van een lidstaat wil worden toegelaten, wordt beperkt
door het oogmerk dat de nationale wetgeving aan zijn voornemen toeschrijft.
Indien toegang tot een zelfstandige activiteit onmogelijk is, kan hem het
recht om op een activiteit in loondienst terug te vallen worden ontzegd, al
naargelang hetgeen in de lidstaat van ontvangst is geregeld. Aldus blijkt
duidelijk het belang van de afbakening van het criterium van zelfstandigheid
van de betrokken activiteit in het oog.

148. In het bijzonder bij prostitutie weegt dit belang nog zwaarder. Het
ontbreken van zelfstandigheid kan hier immers tot uiting komen in
verhoudingen van dwang en onderwerping, ten aanzien waarvan overwegingen van
openbare orde en bescherming van de waardigheid en de integriteit van de
persoon spelen.

149. Na hiermee te hebben duidelijk gemaakt hoezeer de vaststelling van de
mate van zelfstandigheid van een prostituee hier van specifiek belang is,
dienen thans de twee daarvoor geldende criteria te worden onderzocht,
namelijk het bestaan van een verhouding van ondergeschiktheid en de betaling
van een beloning.

150. Volgens de rechtspraak van het Hof moet als werknemer in de zin van
artikel 48 van het Verdrag worden beschouwd, degene die gedurende een
bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als
tegenprestatie een vergoeding ontvangt. (59)

151. Vanzelfsprekend is deze definitie voor ons slechts van belang voorzover
daarmee de activiteiten anders dan in loondienst via een a contrario
redenering kunnen worden gekwalificeerd. De vaststelling dat er geen sprake
is van een activiteit anders dan in loondienst, verplicht de lidstaat van
ontvangst niet om wat in de meeste gevallen een relatie van onderworpenheid
of zelfs dwang zal zijn tussen een prostituee en een souteneur, als arbeid in
loondienst aan te merken. Zodra het niet een activiteit anders dan in
loondienst betreft en de regeling inzake vestiging niet daarvoor geldt, hangt
de vraag van de juridische kwalificatie van deze activiteiten volledig af van
de beoordeling van de lidstaten van dit soort relaties, hoeveel deze ook
mogen afwijken van een normale arbeidsverhouding.

152. Hoe dan ook moet ervan worden uitgegaan dat prostitutie als een
zelfstandige economische activiteit in de zin van artikel 44, lid 4, sub a-i,
van de associatieovereenkomst kan worden aangemerkt, zodra vaststaat dat de
prostituee haar werk verricht tegen een beloning die haar integraal en
rechtstreeks wordt betaald, zonder dat de keuze voor dat werk of de wijze
waarop dit wordt uitgeoefend, door een derde kan worden gedicteerd.

153. De nationale rechter dient per geval, aan de hand van het hem verstrekte
bewijsmateriaal, na te gaan of aan die vereisten is voldaan.

154. Volledigheidshalve zij herinnerd aan de beoordelingsmarge waarover de
lidstaat van ontvangst ten aanzien van de uitoefening van een activiteit die
de openbare orde kan verstoren of ten aanzien van onderdanen van andere
landen die die activiteit uitoefenen, beschikt overeenkomstig de traditionele
rechtspraak van het Hof betreffende de verdragsbepalingen, welke om de reeds
eerder genoemde redenen, hierop kan worden getransponeerd.

155. Wat de nationale maatregelen betreft die een specifieke activiteit
beogen te reglementeren, doen de modaliteiten voor het als zelfstandige
uitoefenen van de prostitutie, wat bepalend is voor de erkenning van het
recht van toegang tot deze activiteit op het grondgebied van de lidstaat van
ontvangst, niet af aan de vrijheid van die lidstaat om een ander standpunt in
te nemen, wanneer naar zijn oordeel om redenen van openbare orde het
uitoefenen van prostitutie strenger moet worden gereglementeerd of zelfs
verboden.
Evenals bij andere activiteiten die de openbare orde kunnen aantasten, kan
men niet voorbijzien aan de overwegingen van zedelijke, religieuze of
culturele aard die ten aanzien van de prostitutie gelden. (60) De
eerder genoemde risico’s die met prostitutie zijn verbonden (61),
rechtvaardigen dat de nationale autoriteiten over voldoende
beoordelingsruimte beschikken om te bepalen wat de bescherming van de
maatschappelijke orde vereist, met name wat de wijze van uitoefening van deze
activiteit betreft. In die omstandigheden is het niet alleen hun taak om te
beoordelen of die activiteit moet worden beperkt, maar ook om deze te
verbieden, mits die beperkingen niet discriminerend zijn. (62)

156. Bovendien kunnen de overeenkomstsluitende partijen dankzij het
voorbehoud van de openbare orde in artikel 53, lid 1, van de
associatieovereenkomst grenzen uit hoofde van overwegingen van openbare orde
stellen jegens onderdanen van andere partijen. Evenals onder de regeling van
het Verdrag kan worden aanvaard, dat de lidstaat van ontvangst gerechtigd is
om jegens de derde staat, partij bij de associatieovereenkomst, maatregelen
te nemen die hij niet op zijn eigen onderdanen kan toepassen, in die zin dat
hij niet de bevoegdheid heeft om eigen onderdanen van het nationaal
grondgebied te verwijderen of hen weigeren toe te laten. (63)

157. Een dergelijk recht bestaat daarentegen wel jegens onderdanen van derde
landen, zolang bij de uitoefening van dat recht geen willekeurig onderscheid
wordt gemaakt. (64)

158. Volgens vaste rechtspraak van het Hof mag een nationaal overheidsorgaan
de openbare orde alleen inroepen, wanneer er sprake is van een werkelijke,
voldoende ernstige bedreiging die een wezenlijk belang van de maatschappij
raakt. Ofschoon het gemeenschapsrecht de lidstaten voor de beoordeling van
mogelijkerwijs met de openbare orde strijdige gedragingen geen uniforme
waardenschaal voorschrijft, kan een gedraging van een onderdaan van een derde
land niet als ernstig genoeg worden beschouwd om beperkingen op de toelating
tot of het verblijf op het grondgebied van een lidstaat te rechtvaardigen,
wanneer de lidstaat van ontvangst ten aanzien van hetzelfde gedrag van eigen
onderdanen of onderdanen van andere lidstaten geen repressieve of andere
reële en doelmatige maatregelen neemt om deze te bestrijden. (65)

159. De bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst om de betrokken activiteit
te reglementeren en om de toelating tot zijn grondgebied voor buitenlandse
onderdanen die die activiteit uitoefenen, om redenen van openbare orde te
beperken, is dus strikt begrensd door de vereisten van consistentie en
non-discriminatie die in de rechtspraak van het Hof zijn geformuleerd.

Conclusie

160. Op grond van deze overwegingen geef ik het Hof in overweging de vragen
van de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage te beantwoorden als volgt:

1) Artikel 44, lid 3, van de Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot
stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten,
enerzijds, en de Republiek Polen anderzijds, en artikel 45, lid 3, van de
Europa-overeenkomst van 4 oktober 1993 waarbij een associatie tot stand wordt
gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de
Tsjechische Republiek, anderzijds, hebben rechtstreekse werking, zodat de
justitiabelen zich hierop voor de nationale rechter kunnen beroepen.

2) Artikel 44, lid 3, van de associatieovereenkomst EG-Polen, gelezen in het
licht van artikel 58, lid 1, van deze associatieovereenkomst, en artikel 45,
lid 3, van de associatieovereenkomst EG-Tsjechische Republiek, gelezen in het
licht van artikel 59, lid 1, van deze associatieovereenkomst, moeten aldus
worden uitgelegd dat de vestigingsregeling die hierbij wordt ingevoerd, voor
de lidstaat van ontvangst niet de verplichting omvat om aan Poolse
respectievelijk Tsjechische onderdanen een recht op toelating tot en verblijf
op zijn grondgebied te verlenen, aangezien voor de uitoefening van dit recht
de door de lidstaat van ontvangst gestelde grenzen met betrekking tot de
toelating, het verblijf en de vestiging van die onderdanen moeten worden
geëerbiedigd.

3) De artikelen 44, lid 3, en 58, lid 1, van de associatieovereenkomst
EG-Polen, en de artikelen 45, lid 3, en 59, lid 1, van de
associatieovereenkomst EG-Tsjechische Republiek verzetten zich niet tegen een
nationale wetgeving die het recht op toelating en verblijf van een Pools
respectievelijk Tsjechisch onderdaan die op het grondgebied van de lidstaat
van ontvangst toegang wil hebben tot een economische activiteit en deze als
zelfstandige wil uitoefenen, aan de voorwaarde onderwerpen dat hij over
voldoende middelen van bestaan beschikt.

4) Het begrip .economische activiteit anders dan in loondienst in de zin van
artikel 44, lid 4, sub a-i, van de associatieovereenkomst EG-Polen en artikel
45, lid 4, sub a-i, van de associatieovereenkomst EG-Tsjechische Republiek
moet aldus worden uitgelegd dat dit begrip niet alleen doelt op economische
activiteiten anders dan in loondienst die een professionele scholing vergen
en die door een ondernemer, ingezeten op het grondgebied van de lidstaat van
ontvangst, worden uitgeoefend volgens bepaalde nader omschreven modaliteiten,
zoals het vereiste van een ondernemingsplan, van investeringen en van
langlopende verplichtingen, waarbij de ondernemer zich zowel met de
bedrijfsvoering als met de productie van goederen of diensten moet
bezighouden.

5) Het begrip .economische activiteit anders dan in loondienst, in de zin van
artikel 44, lid 4, sub a-i, van de associatieovereenkomst EG-Polen en artikel
45, lid 4, sub a-i, van de associatieovereenkomst EG-Tsjechische Republiek
moet aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op prostitutie, indien
is aangetoond dat de prostituee haar activiteit uitoefent tegen een beloning
die haar integraal en rechtstreeks wordt betaald, zonder dat de keuze voor
dat werk of de wijze waarop dit wordt uitgeoefend, door een derde kan worden
gedicteerd.

2. De associatie-overeenkomst moet alle ruimte bestrijken tussen handelsverdrag
en toetredingsverdrag (Hallstein, W., aangehaald door Blumann, C., in de
algemene conclusies tijdens het colloquium Le concept d’association dans les
accords passés par la Communauté: essai de clarification, Actes du
colloque
, Bruylant, 1999, blz. 319). Blumann, voegt daaraan toe dat de
associatie-overeenkomst in de oorspronkelijke opzet alles moest bestrijken
wat verder gaat dan de handelsovereenkomst maar halt houdt bij uitbreiding
(ibidem).

3. Flamand-Lévy, B., Essai de typologie des accords externes, Actes du colloque,
reeds aangehaald, blz. 66.
4. PB 1964, 217, blz. 3687, hierna: overeenkomst EEG-Turkije.
5. Ook aangeduid als eiseressen.
6. Hierna: staatssecretaris.
7. Hierna: IND.
8. PB 1993, L 348, blz. 2, hierna: overeenkomst EG-Polen.
9. PB 1994, L 360, blz. 2, hierna: overeenkomst EG-Tsjechische Republiek.
10. De tweede, twaalfde en vijftiende overweging van de preambule.
11. Tweede, vijftiende en achttiende overweging van de considerans.
12. Hierna: vreemdelingenwet.
13. Hierna: vreemdelingencirculaire.
14. Volgens de Nederlandse regering geldt de voorwaarde dat de aanvraag voor een
verblijfsvergunning een wezenlijk Nederlands economisch belang dient, niet
ten aanzien van onderdanen van de verdragspartijen die economische
activiteiten [anders dan in loondienst. verrichten (punt 28 van haar
schriftelijke opmerkingen).
15. Hoofdstuk B 12, paragraaf 4.2.3.
16. Gezien de gelijkenis tussen de twee associatie-overeenkomsten moeten de
overwegingen in deze conclusie inzake de overeenkomst EG-Polen (hierna:
associatie-overeenkomst) eenvoudigheidshalve worden geacht tevens te gelden
voor de overeenkomstige bepalingen van de overeenkomst EG-Tsjechische
Republiek.
17. Zie de conclusie van advocaat-generaal Alber in de zaken Gloszczuk (C-63/99),
aanhangig voor het Hof, betreffende de associatie-overeenkomst EG-Polen, en
Kondova (C-235/99), aanhangig voor het Hof, betreffende de
associatie-overeenkomst EG-Bulgarije, alsook de conclusie van de
advocaat-generaal Mischo in de zaak Barkoci en Malik (C-257/99), aanhangig
voor het Hof, betreffende de associatie-overeenkomst EG-Tsjechische
Republiek.
18. Zie bijvoorbeeld de arresten van 30 september 1987, Demirel (12/86, Jurispr.
blz. 3719, punt 14); 20 september 1990, Sevince (C-192/89, Jurispr. blz.
I-3461, punt 15); 5 juli 1994, Anastasiou e.a. (C-432/92, Jurispr. blz.
I-3087, punt 23); 16 juni 1998, Racke (C-162/96, Jurispr. blz. I-3655, punt
31); 4 mei 1999, Sürül (C-262/96, Jurispr. blz. I-2685, punt 60), en 11 mei
2000, Savas (C-37/98, Jurispr. blz. I-2927, punt 39).
19. Zie onder meer arresten van 4 april 1974, Commissie/Frankrijk (167/73,
Jurispr. blz. 359), betreffende artikel 48, EG-Verdrag (thans, na wijziging,
artikel 39 EG); 21 juni 1974, Reyners (2/74, Jurispr. blz. 631), betreffende
artikel 52 van het Verdrag, en 31 januari 1991, Kziber (C-18/90, Jurispr.
blz. I-199), betreffende het beginsel van non-discriminatie, zoals dat
voorkomt in een associatie-overeenkomst.
20. Zie arrest Sürül, reeds aangehaald, punt 63.
21. Zie als voorbeeld van recente rechtspraak, het arrest Savas, reeds
aangehaald, punt 53.
22. Zie het arrest van 8 april 1976, Royer (48/75, Jurispr. blz. 497, punten 31
en 32), waarin het Hof verklaarde dat het recht van de onderdanen van een
lidstaat om het grondgebied van een andere lidstaat binnen te komen en er te
verblijven met de in het Verdrag genoemde oogmerken – met name om er al dan
niet in loondienst een beroepsactiviteit te zoeken of uit te oefenen, of om
zich bij hun echtgenote of hun gezin te voegen – rechtstreeks door het
Verdrag wordt toegekend. Zie eveneens het arrest van 5 februari 1991, Roux
(C-363/89, Jurispr. blz. I-273, punt 9) en het arrest Savas, reeds
aangehaald, punt 60, inzake het vrije verkeer van werknemers uit hoofde van
de overeenkomst EEG-Turkije.
23. Zie als recent voorbeeld van een vaste rechtspraak het arrest van 1 juli
1993, Metalsa (C-312/91, Jurispr. blz. I-3751, punt 11) en als voorbeeld voor
een vergelijking tussen twee associatie-overeenkomsten het arrest van 2 maart
1999, Eddline El-Yassini (C-416/96, Jurispr. blz. I-1209, punt 61).
24. Artikel 3, sub c, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub c,
EG).
25. Artikel 1, lid 2, associatie-overeenkomst.
26. Artikelen 8 A, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 18, lid 1,
EG), en artikel 52 van het Verdrag. Zie arrest van 29 februari 1996, Skanavi
en Chryssanthakopoulos (C-193/94, Jurispr. blz. I-929).
27. Volgens de Nederlandse regering is het vereiste van voldoende middelen van
bestaan een algemeen toelatingsvereiste dat in beginsel voor alle
vreemdelingen geldt die op grond van een regulier verblijfsdoel voor
toelating in aanmerking willen komen (dat wil zeggen niet-asielzoekers) (punt
27 van haar schriftelijke opmerkingen).
28. Punt 4.4 van de verwijzingsbeschikking.
29. Hierna: de voorwaarde van voldoende middelen of de maatregel.
30. De rechtspraak van het Hof op het gebied van het vrije verkeer van
werknemers, zoals geregeld bij het Verdrag, heeft reeds lang uitsluitsel
gegeven over de vraag of een lidstaat van een gemeenschapsonderdaan mag
verlangen, dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt. De onderdaan
van een lidstaat die op het grondgebied van een andere lidstaat werkzaamheden
in loondienst uitoefent waaruit hij inkomsten verkrijgt die lager zijn dan
het in die laatste staat geldende bestaansminimum, is een werknemer in de zin
van artikel 48 van het Verdrag, zodat hij zich op die bepaling kan beroepen
om van het vrije verkeer op het communautaire grondgebied gebruik te maken
(arrest van 23 maart 1982, Levin, 53/81, Jurispr. blz. 1035, punt 18). Zie
eveneens de arresten van 3 juni 1986, Kempf (139/85, Jurispr. blz. 1741) en
14 december 1995, Megner en Scheffel (C-444/93, Jurispr. blz. I-4741).
Overeenkomstig de hiervoor geciteerde rechtspraak (punt 59 van deze
conclusie), hangt de vraag of de uitlegging van een verdragsbepaling mag
worden uitgebreid tot een vergelijkbare bepaling in een door de Gemeenschap
met een derde land gesloten overeenkomst, af van de doelstelling van elk van
die bepalingen in hun respectieve kader. Ik heb reeds gewezen op de
verschillen in doelstelling tussen het Verdrag en de associatie-overeenkomst,
die zich verzetten tegen een eenvoudige overeenkomstige toepassing van de
uitlegging van het Verdrag op die overeenkomst, en op de tekst zelf van
artikel 58, lid 1, van de associatie-overeenkomst, waaruit blijkt dat onder
bepaalde voorwaarden de nationale wetgeving van de lidstaten op het gebied
van toelating en verblijf onverlet wordt gelaten.
31. Op dit punt sluit ik mij aan bij het standpunt van advocaat-generaal Alber in
zijn conclusie in de zaak Kondova, reeds aangehaald (punt 105), en van
advocaat-generaal Mischo in diens conclusie in de zaak Barkoci en Malik,
reeds aangehaald (punt 84).
32. Punten 32 en 33 van haar schriftelijke opmerkingen.
33. De Nederlandse wetgeving verlangt van een vreemd onderdaan dat hij geschoold
werk verricht, dat hij een ondernemingsplan heeft uitgewerkt, dat hij zowel
de bedrijfsvoering als de feitelijke productie op zich neemt, dat hij zijn
hoofdverblijf in Nederland heeft teneinde de continuïteit van de onderneming
te verzekeren, dat hij investeringen doet en dat hij langlopende
verplichtingen aangaat.
34. Zie voor een recent voorbeeld van deze uitleggingsmethode in de rechtspraak:
arrest van 23 maart 2000, Berliner Kindl Brauerei (C-208/98, Jurispr. blz.
I-1741, punt 18).
35. Niet alle taalversies van deze bepaling gebruiken het begrip zelfstandige
economische activiteiten, zoals de Franse, de Duitse, de Deense, de Engelse,
de Italiaanse en de Finse versie doen. Maar in de andere versies wordt
dezelfde gedachte uitgedrukt door verwante begrippen als economische
activiteiten anders dan in loondienst (Griekse, Nederlandse en Portugese
versie), economische activiteiten voor eigen rekening (Spaanse versie) of
economische activiteiten in eigen onderneming (Zweedse versie).
36. Op de begrippen economische activiteit en activiteit anders dan in loondienst
kom ik hierna nog terug wanneer ik inga op de kwalificatie van de
prostitutie-activiteit.
37. Punt 59 en voetnoot 29 van deze conclusie.
38. Bij vergelijking tussen de taalversies van artikel 52, tweede alinea, van het
Verdrag en van artikel 44, lid 4, sub a-i, van de associatie-overeenkomst
blijkt geen bijzondere tendens in de al dan niet verschillende
uitdrukkingswijze in het Verdrag respectievelijk de associatie-overeenkomst.
De bewoordingen zijn soms strikt identiek (Duitse en Deense versies die het
begrip zelfstandige economische activiteit gebruiken) of liggen zeer dicht
bij elkaar (Engelse, Nederlandse, Griekse, Portugese, Finse en Zweedse
versies). De bewoordingen verschillen in het Frans zoals we hebben gezien,
maar ook in het Italiaans en het Spaans. Ik wijs erop dat ingevolge artikel
120 van de associatie-overeenkomst, aan alle taalversies van de overeenkomst
hetzelfde gezag toekomt (artikel 122 van de overeenkomst EG-Tsjechische
Republiek).
39. Een recent voorbeeld van een vaste jurisprudentie is het arrest van 7
december 2000, Italië/Commissie (C-482/98, Jurispr. 2000, blz. I-0000, punten
47-49).
40. Twaalfde overweging van de preambule.
41. De associatie-overeenkomst handelt ook over het verkeer van werknemers en het
verrichten van diensten. Het is veelzeggend dat de wijze waarop die
beginselen zijn omschreven, ditmaal geen enkele twijfel laten bestaan, dat
zij restrictief zijn gedefinieerd. De bepalingen inzake de dienstverrichting
bijvoorbeeld voorzien niet in een regime van vrije dienstverrichting dat
gelijkwaardig is aan dat van het Verdrag: terwijl artikel 44, lid 3, bepaalt:
elke lidstaat verleent vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst (…)
een behandeling die niet minder gunstig is (…), preciseert artikel 55, lid
1: de partijen verbinden zich (…) de nodige stappen te ondernemen om
geleidelijk het verrichten van diensten mogelijk te maken (…). In het ene
geval schept de associatie-overeenkomst een resultaatsverplichting terwijl in
het andere eerder sprake is van een inspanningsverbintenis voor de
overeenkomstsluitende partijen, zodat: Central and Eastern European Countries
nationals are entitled to a real right of establishment and none of them
benefit from the right to supply services in the Community (Martin, D.,
Association Agreements with Mediterranean and with Eastern Countries:
Similarities and Differences, Assoziierungsabkommen der EU mit
Drittstaaten
, Manz Verlag, Wien, 1998, blz. 39). De preambule van de
associatie-overeenkomst kondigt dit verschil niet aan, zodat de bepalingen
inzake vestiging en die inzake dienstverrichting paradoxaal genoeg alle
moeten worden geacht in het recht van de overeenkomstsluitende staten
dezelfde doelstellingen weer te geven van harmonisatie, vermindering van
verschillen in ontwikkelingsniveau en toekomstige toetreding.
42. Punten 37-39 van haar schriftelijke opmerkingen.
43. Er zijn vele andere beroepsactiviteiten waarvan aannemelijk is dat er geen
bijzondere scholing voor nodig is en die dus mogelijkerwijze niet voldoen aan
de voorwaarde van geschoold werk zoals door de nationale wetgeving vereist
(marktkooplieden bijvoorbeeld). Er zijn ook activiteiten waarvan de
uitoefening, gelet op hun aard, niet altijd afhankelijk hoeft te worden
gesteld van een bepaald opleidingsniveau, zoals sommige artistieke
werkzaamheden (zie bijvoorbeeld het geval van een kunstschilder, in het
arrest van 18 juni 1985, Steinhauser, 197/84, Jurispr. blz. 1819). Zulke
activiteiten vergen ook geen ondernemingsplan of bijzondere investeringen.
44. Zie onder meer arresten van 12 juli 1984, Klopp (107/83, Jurispr. blz. 2971);
29 oktober 1998, Commissie/Spanje (C-114/97, Jurispr. blz. I-6717), en 18
januari 2001, Commissie/Italië (C-162/99, Jurispr. blz. I-0000). In het
specifieke geval van prostitutie is de kwestie van de meervoudige woonplaats
evenwel van secundair belang. Het is duidelijk dat deze activiteit zich naar
haar aard niet leent voor vestigingen op meerdere plaatsen. Het geval dat de
prostituee haar voornaamste verblijf niet kiest op het grondgebied van de
staat van ontvangst, maar zich regelmatig daarheen begeeft, valt veeleer
onder de vrijheid van dienstverrichting als bedoeld in het Verdrag, waarmee
men zich kan afvragen hoe de situatie zou zijn onder het hiervoor geldende
juridisch regime van de associatie-overeenkomst, waarvan men weet dat dit
minder strenge verplichtingen aan de overeenkomstsluitende partijen oplegt
(zie voetnoot 40).
45. Het spreekt vanzelf dat de grens tussen prostitutie en mensenhandel niet
altijd gemakkelijk is te trekken, omdat moeilijk is na te gaan of degenen die
actief zijn in de prostitutie er ook werkelijk mee instemmen. Het
souteneurschap staat in de lidstaten bovendien vaker in het centrum van de
belangstelling van de autoriteiten die de openbare orde moeten handhaven,
evenals de seksuele uitbuiting van kinderen. Tenslotte is het
prostitutiemilieu vaak verbonden met het drugsmilieu.
46. Anders dan de verwijzende rechter vermeldt, is prostitutie niet in de meeste
associatielanden verboden. Volgens de informatie waarover ik beschik, is de
individuele beoefening van de prostitutie geen strafbaar feit in tenminste
tien lidstaten van de Gemeenschap (Koninkrijk België, Koninkrijk Denemarken,
Bondsrepubliek Duitsland, Koninkrijk Spanje, Franse Republiek, Italiaanse
Republiek, Groothertogdom Luxemburg, Koninkrijk der Nederlanden, Koninkrijk
Zweden, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland). Het
bijzondere van de situatie in Zweden is, dat wel de klanten van prostituees
maar niet de prostituees zelf strafbaar zijn (Le régime juridique de la
prostitution féminine
, Les documents de travail du Sénat, série:
Législation comparée, N°. LC 79, 11 oktober 2000, Parijs).
47. Arrest van 24 maart 1994, Schindler (C-275/92, Jurispr. blz. I-1039, punt
32). De Raad van de Europese Unie heeft op 24 februari 1997 op grond van
artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie een
gemeenschappelijk optreden aangenomen ter bestrijding van mensenhandel en
seksuele uitbuiting van kinderen (PB L 63, blz. 2).
48. Zie het lemma commerce in Le Petit Larousse Grand Format,
Dictionnaire encyclopédique, Éditions Larousse, Paris, 1993, en in Le
Petit Robert,
Dictionnaire de la langue franççaise, Éditions
Dictionnaires Le Robert, Paris, 1999, waarin zowel van koop en verkoop van
goederen als van levering van diensten wordt gesproken.
49. Arrest van 4 juli 1985, Berkholz (168/84, blz. 2251, punt 19).
50. Arrest van 5 oktober 1988, Steymann (196/87, Jurispr. blz. 6159, punten 3 en
4).
51. De definitie van economische activiteit in de zin van artikel 2 van het
Verdrag is algemeen. Zij is niet gebonden aan een van de verkeersvrijheden,
dat wil zeggen van het personen- of dienstenverkeer (arrest van 11 april
2000, Deliège, C-51/96 en C-191/97, Jurispr. blz. I-2549, punt 53). Hetzelfde
geldt ingevolge artikel 60, eerste alinea, EG-Verdrag (thans artikel 50,
eerste alinea, EG) voor de definitie van dienstverrichting, omdat volgens die
bepalingen als diensten zijn te beschouwen de verrichtingen die gewoonlijk
tegen vergoedingen geschieden (arrest Deliège, reeds aangehaald, punt 55).
Hetzelfde vereiste van een tegenprestatie geldt voor het verrichten van
diensten in het kader van de vrijheid van vestiging (arrest van 30 november
1995, Gebhard, C-55/94, Jurispr. blz. I-4165, punt 20, en arrest Deliège,
reeds aangehaald, punt 55).
52. Een recent voorbeeld uit de vaste rechtspraak: arrest van 17 juli 1997,
Ferriere Nord/Commissie (C-219/95 P, Jurispr. blz. I-4411, punt 31).
53. Het reeds aangehaalde verslag van de Franse Senaat vermeldt dat van de acht
staten waarvan de wetgeving is bestudeerd, er zes alle vormen van
souteneurschap veroordelen. Aan deze zes staten moeten de Franse Republiek en
het Groothertogdom Luxemburg worden toegevoegd.
54. Derde prejudiciële vraag.
55. Zie voetnoot 34.
56. Zie onder meer arresten van 27 juni 1996, Asscher (C-107/94, Jurispr. blz.
I-3089, punten 25 en 26) en 8 juni 1999, Meeusen (C-337/97, Jurispr. blz.
I-3289, punt 15).
57. Artikel 48 van het verdrag.
58. Hetzelfde geldt voor artikel 38 van de associatie-overeenkomst EG-Tsjechische
Republiek.
59. Arrest Asscher, reeds aangehaald, punt 25.
60. Zie arresten Schindler, reeds aangehaald, punt 60, en arrest van 21 september
1999, Lärä e.a. (C-124/97, Jurispr. blz. I-6067, punt 13).
61. Zie punt 119 van deze conclusie en voetnoot 44.
62. Arresten Schindler, reeds aangehaald, punt 61, en Lärä e.a, reeds aangehaald,
punt 14.
63. Arrest van 18 mei 1982, Adoui en Cornuaille (115 en 116/81, Jurispr. blz.
1665, punt 7).
64. Ibidem.
65. Ibidem, punt 8.

Rechters

Mrs. Rodríguez Iglesias, Jann, Macken, Colneric, Gulmann, Edward, La Pergola,Sevón, Wathelet, Skouris, Timmermans; A-G: mr. Léger

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 16 november 2001

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Beide kinderen van een tweeling zijn overleden voor en tijdens een keizersnede. Door een deskundige is de dood van beide kinderen vermijdbaar geacht. De rechtbank acht noch het zieknhuis, noch de gedaagde gynaecoloog aansprakelijk voor het overlijden van het eerste kind. De maatschap gynaecologie, waarbinnen destijds veel problemen bestonden en die mogelijk wel aansprakelijk gehouden zou kunnen worden voor het overlijden van dit kind, was in de procedure niet aangesproken. De gedaagde gynaecoloog is wel aansprakelijk voor het overlijden van het tweede kind. De rechtbank oordeelt dat een doodgeboren kind geen zelfstandig rechtssubject is, zodat het veroorzaken van de dood van de vrucht gezien moet worden als een aantasting van het lichaam van de moeder. Er wordt echter geen immateriële schadevergoeding toegekend, omdat de moder geen lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Affectieschade en verdriet komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Volledige tekst

1. DE PROCEDURE

Het verloop van het geding blijkt onder meer uit de volgende stukken:
– de dagvaarding;
– de conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek, tevens houdende vermeerdering van eis;
– de conclusie van dupliek, tevens houdende uitlating over de vermeerdering van eis.

De partijen hebben vonnis gevraagd.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1. Op grond van de zich bij de gedingstukken bevindende medische stukken, voor zover die door partijen niet of onvoldoende zijn weersproken, kunnen onder meer de navolgende feiten als vaststaand worden aangenomen.
a) Eiseres is in het voorjaar van 1992 in verwachting geraakt. Aangezien Eiseres in verwachting bleek te zijn van een tweeling heeft haar verloskundige haar voor verdere begeleiding van de zwangerschap en bevalling doorverwezen naar gynaecoloog X, verbonden aan het ziekenhuis.
b) Binnen het samenwerkingsverband van aan het ziekenhuis verbonden gynaecologen, waaronder X en Gedaagde sub 2, bestonden op dat moment problemen en conflicten, onder meer over de verdeling van het maatschapsinkomen en over het te voeren medische beleid.
c) In de periode tot en met 3 november 1992 zijn bij gelegenheid van poliklinische controles in totaal vier echoscopieën gemaakt van de tweeling van Eiseres. Bij gelegenheid van deze echo’s bleek dat er een groeiachterstand was bij beide kinderen, waarbij het gewicht van een der kinderen nog achterbleef bij het gewicht van het andere kind.
d) Aangezien op 3 november 1992 de groeiachterstand bij een van de kinderen werd gekwalificeerd als “ernstig” en bij het andere kind als “matig” werd Eiseres op die dag opgenomen op de afdeling verloskunde. Zij was toen circa 32,5 week zwanger. De behandeling bestond uit bedrust, waarbij dagelijkse controles plaatsvonden naar onder meer de hartactiviteit van de kinderen.
e) Op 10 november 1992 (één week na de opname, bij een zwangerschap van circa 33,5 week) bleek de groeiachterstand onveranderlijk aanwezig. De cardiotocografieën (registratie van onder meer de hartactiviteit, hierna aan te duiden als CTG’s) van de kinderen waren op deze dag in orde.
f) Op 12 november 1992 vertoonde het in de ochtend gemaakte CTG van het kleinste kind een strak patroon (afwezigheid van variaties in de hartfrequentie), hetgeen kon duiden op een verslechtering van de conditie van dit kind. Dit CTG is omstreeks 12.00 uur getoond aan de dienstdoende arts-assistent. Deze arts-assistent heeft op dat moment de dienstdoende gynaecoloog niet gewaarschuwd. Omstreeks 17.00 uur, aan het einde van de middagdienst van behandelend gynaecoloog X, heeft de arts-assistent het CTG met X besproken. Afgesproken werd dat een nieuw CTG gemaakt zou moeten worden, welk CTG dan besproken zou moeten worden met Gedaagde sub 2, die avond- en nachtdienst had. X is hierna naar huis gegaan, omdat zijn middagdienst voorbij was.
g) Omstreeks 18.00 uur is het CTG door de arts-assistent besproken met Gedaagde sub 2, die inmiddels aan zijn dienst was begonnen. Tussen X en Gedaagde sub 2 heeft in het kader van de dienstoverdracht geen contact plaatsgevonden.
h) Omstreeks 21.00 uur vond het hernieuwde CTG-onderzoek plaats. De dienstdoende arts-assistent betwijfelde of hij ten aanzien van beide kinderen een strak hartritme registreerde, danwel of nog slechts één (strak) hartritme geregistreerd werd. De geregistreerde hartfrequentie was in ieder geval te hoog. Gedaagde sub 2 werd ingelicht doch kwam niet zelf de CTG’s beoordelen. Hij gaf het advies de volgende dag een keizersnede te laten plaatsvinden en anders X maar te raadplegen. De arts-assistent heeft hierna getelefoneerd met X die meedeelde de volgende dag te zullen beoordelen of een keizersnede zou moeten plaatsvinden.
i) Omstreeks 01.00 uur (inmiddels 13 november 1992) zijn de vliezen gebroken en liep vruchtwater af. Aangezien zowel rechtsboven als linksonder een identieke hartfrequentie werd geregistreerd besprak de arts-assistent met Gedaagde sub 2 nogmaals het vermoeden dat nog slechts de hartactiviteit van één kind wordt geregistreerd. Gedaagde sub 2 ondernam ook op dit moment geen verdere actie.
j) Om 02.25 uur werd een sterk teruggelopen hartfrequentie geregistreerd, waarna een spoedkeizersnede plaatsvond. Nadien bleek dat het kind met de ernstige groeiachterstand (Roy) tenminste meerdere uren voor de keizersnede al was overleden. In het obductieverslag betreffende het kind met de matige groeiachterstand (Kevin), welke verslag is genoemd in het zich bij de gedingstukken bevindende strafvonnis, is geconcludeerd dat Kevin voor of tijdens de keizersnede is overleden (“ante/durante partu”).

3. HET GESCHIL

3.1. Eiseres vordert na haar eisvermeerdering – kort gezegd – :
hoofdelijke veroordeling van gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan Eiseres van een bedrag ad ƒ 145.441,93, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2. Eiseres legt naast de genoemde vaststaande feiten (voor zover door haar aangedragen) aan deze vorderingen – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag.
Eiseres heeft terzake de begeleiding van haar tweelingzwangerschap met het ziekenhuis een geneeskundige behandelovereenkomst gesloten. Het ziekenhuis heeft ter uitvoering van deze overeenkomst onder meer gebruik gemaakt van X en Gedaagde sub 2. Eiseres mocht er in ieder geval vanuit gaan dat dit de contractuele situatie was, nu gedaagden geen andersluidende mededelingen hebben gedaan.
Een gynaecoloog van normale bekwaamheid had op 12 november 1992 omstreeks 21.00 uur een keizersnede moeten laten verrichten. Dat Gedaagde sub 2 pas na 02.25 uur tot de keizersnede is overgegaan was uitermate onzorgvuldig. Als gevolg hiervan zijn beide kinderen, althans één van hen, overleden. Beide kinderen, althans één van hen, zouden immers levensvatbaar zijn geweest indien eerder een keizersnede was verricht.
Het op deze wijze veroorzaken van de dood van de vrucht van Eiseres staat gelijk met het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan Eiseres.
Beide gedaagden zijn aansprakelijk voor de schade die Eiseres hierdoor heeft geleden. Gedaagden zijn immers tekortgeschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelovereenkomst en zij hebben bovendien onrechtmatig gehandeld jegens Eiseres.
Ook indien de medische behandelovereenkomst slechts gold tussen Eiseres en de gynaecoloog, en aangenomen zou moeten worden dat Eiseres met het ziekenhuis slechts een verzorg-/verpleegcontract had, dan nog is het ziekenhuis aansprakelijk voor de schade van Eiseres. In dat geval moet immers worden vastgesteld dat:
– het verplegend personeel na de op 12 november 1992 in de ochtenduren afgenomen CTG onvoldoende voortvarend heeft gereageerd op de zorgwekkende ontwikkelingen in de zwangerschap van Eiseres;
– het ziekenhuis op verwijtbare wijze een situatie heeft laten voortbestaan waarin iedere vorm van professionele communicatie tussen de gynaecologen onderling en tussen de gynaecologen en de ziekenhuisorganisatie ontbrak, waardoor levering van verantwoorde zorg niet mogelijk was en waardoor het laten verlenen van gynaecologische zorg niet verantwoord was.
Aldus is het ziekenhuis tekortgeschoten in de nakoming van de verpleeg- en verzorgovereenkomst. Bovendien heeft het ziekenhuis op deze wijze onrechtmatig gehandeld jegens Eiseres.

3.3. De door Eiseres gevorderde schadevergoeding van ƒ 145.441,93 valt uiteen in de navolgende posten:
– extra huurkosten ƒ 5.322,19;
– extra verhuiskosten ƒ 10.000;
– inrichting babykamer ƒ 10.000;
– loonderving ƒ 9.017,17;
– extra verlofdagen in verband met consulten, gesprekken etc. ƒ 1.066,07;
– reiskosten ƒ 400;
– immateriële schadevergoeding ƒ 100.000;
– buitengerechtelijke incassokosten ƒ 8.234;
– kosten behandeling door psycholoog ƒ 1.402,50.

3.4. Het ziekenhuis en Gedaagde sub 2 voeren als verweer – kort gezegd – onder meer het volgende aan.
Het ziekenhuis was geen partij bij de medische behandelovereenkomst tussen Eiseres en X. Eiseres heeft met het ziekenhuis slechts een verpleeg- en verzorgovereenkomst gesloten. Het ziekenhuis is niet tekortgeschoten in de nakoming van die overeenkomst en het ziekenhuis heeft evenmin onrechtmatig gehandeld jegens Eiseres.
Gedaagde sub 2 is inderdaad aansprakelijk voor het overlijden van Kevin. Voor het overlijden van Roy is Gedaagde sub 2 echter niet aansprakelijk. Roy is immers met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid reeds op 12 november 1992 vóór 21.00 uur overleden.
De door Eiseres gevorderde schadeposten komen niet voor vergoeding in aanmerking aangezien deze schadeposten niet het gevolg zijn van aan Eiseres zelf toegebracht lichamelijk letsel maar van het feit dat Kevin levenloos ter wereld is gekomen. Aangezien Kevin een zelfstandig rechtssubject was volgt uit het stelsel van de artikelen 6:107 en 6:108 van het BW dat aan Eiseres geen vergoeding voor de door haar genoemde schadeposten kan worden toegekend.
Voorts hebben gedaagden de verschillende schadeposten gemotiveerd bestreden.

3.5. De rechtbank zal de stellingen van partijen in het navolgende onder “De beoordeling” voor zover nodig nader weergeven.

4. DE BEOORDELING

Omvang aansprakelijkheid Gedaagde sub 2
4.1. Tussen partijen staat vast dat Gedaagde sub 2 aansprakelijk is voor het overlijden van Kevin (het kind met de matige groeiachterstand).

4.2. Naar het oordeel van Eiseres is Gedaagde sub 2 ook aansprakelijk voor het overlijden van Roy (het kind met de ernstige groeiachterstand). Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat een arts van normale bekwaamheid op 12 november 1992 omstreeks 21.00 uur een keizersnede had moeten verrichten en dat, indien op dat moment een keizersnede had plaatsgevonden, niet alleen Kevin maar ook Roy levensvatbaar had kunnen zijn geweest.
Gedaagden hebben betwist dat Gedaagde sub 2 aansprakelijk is voor het overlijden van Roy.

De rechtbank komt ten aanzien van het overlijden van Roy tot de volgende bevindingen.
De van Roy op de ochtend van 12 november 1992 gemaakte CTG vertoonde een strak beeld. Hieruit volgt dat Roy op die ochtend nog in leven is geweest.
In de zich bij de gedingstukken bevindende rapportage d.d. 13 december 1994 van prof. De Haan, gynaecoloog bij het Academisch Ziekenhuis te Maastricht, is geconcludeerd dat Roy vervolgens, gelet op de bij hem opgetreden huidloslating, tenminste meerdere uren voor de keizersnede reeds was overleden. Deze omstandigheid, bezien in verband met het feit dat bij de CTG van 21.00 uur twijfel ontstond over de vraag of nog wel twee afzonderlijke hartritmes werden geregistreerd, voert de rechtbank tot de slotsom dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te kunnen aannemen dat Roy omstreeks 21.00 uur nog in leven is geweest.
In rechte moet daarom worden aangenomen dat de uitvoering van een keizersnede omstreeks 21.00 uur Roy niet meer had kunnen redden. Aangezien Eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat een gynaecoloog van normale bekwaamheid in de gegeven situatie omstreeks 21.00 uur een keizersnede had moeten verrichten, kan Gedaagde sub 2 voor het overlijden van Roy niet aansprakelijk worden geacht.

Aansprakelijkheid ziekenhuis?
4.3. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat niet alleen Gedaagde sub 2, maar ook het ziekenhuis aansprakelijk is voor het overlijden van Kevin en Roy. Ten aanzien van de argumenten die Eiseres daartoe heeft aangevoerd oordeelt de rechtbank als volgt.

4.4. Uit de gedingstukken blijkt dat de aan het ziekenhuis verbonden gynaecologen hun praktijk aldaar als zelfstandige specialisten, derhalve voor eigen rekening, uitoefenden. Hieruit volgt dat het ziekenhuis geen partij was bij de geneeskundige behandelovereenkomst tussen Eiseres en haar behandelend gynaecoloog.
In het huidige artikel 7:462 van het BW is bepaald dat een ziekenhuis dat geen partij is bij een geneeskundige behandelingsovereenkomst desondanks mede aansprakelijk is voor tekortkomingen bij verrichtingen die in dat ziekenhuis ter uitvoering van de behandelingsovereenkomst plaatsvinden. Deze regeling, die in het belang van de patiënten is ingevoerd, gold echter nog niet in november 1992. Eiseres kan het ziekenhuis derhalve niet aansprakelijk achten op de enkele grond dat de behandelend gynaecoloog tekort geschoten is in de nakoming van de behandelingsovereenkomst.

4.5. Eiseres heeft voorts gesteld dat het ziekenhuis op verwijtbare wijze de afdeling gynaecologie in bedrijf heeft gehouden terwijl, vanwege de aldaar bestaande conflicten, het daar verlenen van gynaecologische zorg niet verantwoord was.
De rechtbank komt dienaangaande tot de volgende vaststellingen:
– blijkens het zich bij de gedingstukken bevindende rapport van de Inspectie van de Volksgezondheid van 28 februari 1994 is reeds in april 1990 door de directie aan de geneeskundige inspectie gemeld dat er problemen waren binnen de maatschap gynaecologie;
– X heeft op 31 augustus 1995 ten overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken verklaard dat hij reeds in mei, juni of juli 1992 contact heeft opgenomen met de directie van het ziekenhuis om de directie te attenderen op het feit dat overdracht bij opeenvolging van diensten niet goed plaatsvond;
– In het zojuist genoemde rapport van de Inspectie van de Volksgezondheid is geconcludeerd dat iedere vorm van (professionele) communicatie tussen de gynaecologen onderling en tussen gynaecologen en derden ontbrak, dat geen sprake was van continuiteit in de medisch specialistische zorg, en dat geen sprake was van supervisie en begeleiding van de arts-assistenten die zelf de deskundigheid misten om medische zorg te verlenen van specialistisch niveau.
Op grond van deze feiten en omstandigheden is het alleszins mogelijk dat het ziekenhuis deze situatie, waarin een verantwoorde zorgverlening volgens de Inspectie voor de Volksgezondheid niet mogelijk was, te lang heeft laten voortbestaan.

Ten aanzien van Kevin
4.6. Naar het oordeel van de rechtbank kan – zo al zou moeten worden aangenomen dat het ziekenhuis aldus verwijtbaar heeft gehandeld – dit echter niet leiden tot aansprakelijkheid van het ziekenhuis voor het overlijden van Kevin. Vast staat immers dat Kevin is overleden door het feit dat Gedaagde sub 2, tijdens zijn dienst, heeft nagelaten om (tijdig) een keizersnede uit te voeren in een situatie waarin een keizersnede wel was geïndiceerd. Er is aldus sprake van een verwijtbare medische fout, die géén gevolg is van een onjuiste of gebrekkige overdracht tussen twee diensten en die evenmin een gevolg was van het feit dat de arts-assistenten onvoldoende begeleiding of supervisie kregen. De door Gedaagde sub 2 gemaakte fout staat derhalve in een te ver verwijderd verband van het aan het ziekenhuis verweten nalaten om in te grijpen in de gang van zaken op de afdeling gynaecologie. Er zijn voorts ook geen omstandigheden aangevoerd die maken dat het ziekenhuis destijds rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat een van de gynaecologen in een situatie waarin een keizersnede geïndiceerd was, daarvan desondanks zou afzien. Het overlijden van Kevin kan daarom niet aan het ziekenhuis worden toegerekend.

Ten aanzien van Roy
4.7. Ten aanzien van eventuele aansprakelijkheid van het ziekenhuis voor het overlijden van Roy komt de rechtbank tot de volgende bevindingen.

Eiseres heeft ter staving van deze aansprakelijkheid onder meer aangevoerd dat het verplegende personeel onvoldoende voortvarend heeft gereageerd op de zorgwekkende ontwikkelingen in de zwangerschap van Eiseres. Eiseres heeft daartoe gewezen op het feit dat de CTG die in de ochtend van 12 november 1992 is gemaakt pas om 17.00 uur aan een gynaecoloog is voorgelegd, hetgeen naar haar oordeel als een ernstige tekortkoming in de verpleging moet worden beschouwd.
Het ziekenhuis heeft gesteld dat aan haar verplegend personeel geen verwijt te maken is. Het ziekenhuis heeft daartoe onder meer gesteld dat de in de ochtend van 12 november 1992 gemaakte CTG door het verplegend personeel omstreeks 12.00 uur aan de arts-assistent is voorgelegd.

De rechtbank stelt voorop dat het hartritme van Roy zoals dat uit deze CTG bleek niet optimaal was. Ten overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken heeft X op 31 augustus 1995 verklaard dat hij, toen hij aan het eind van zijn middagdienst bekend raakte met dit CTG, opdracht gaf het onmiddellijk te herhalen. Als reden daarvoor noemde hij dat, hoe eerder bekend zou zijn welk beeld een nieuw CTG zou geven, hoe eerder een eventueel nieuw beleid, bijvoorbeeld het uitvoeren van een operatie, zou kunnen worden ingezet. Dit argument om de CTG op korte termijn te herhalen komt de rechtbank, mede gelet op de overige medische bescheiden, plausibel voor.
Uit hetgeen de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen volgt dat Roy ten tijde van de CTG in de ochtend van 12 november 1992 hoogst waarschijnlijk nog in leven was (zijn CTG vertoonde een strak patroon) terwijl hij om 21.00 uur vrijwel zeker was overleden. Er valt derhalve niet uit te sluiten dat, indien de ‘s-morgens gemaakte CTG aan het begin van de middag was herhaald, daarbij een verslechtering in de conditie van Roy was vastgesteld die aanleiding had kunnen zijn om op dat moment operatief in te grijpen. Niet weersproken is dat Roy dan nog een niet te verwaarlozen overlevingskans had gehad. De rechtbank wijst in dit verband nog op het feit dat tegen een keizersnede bij een zwangerschap van circa 34 weken blijkens de reeds genoemde rapportage van prof. De Haan nauwelijks contra-indicaties bestaan. Voorts stelt de rechtbank vast dat prof. De Haan het overlijden van Roy heeft gekwalificeerd als “vermijdbaar”.

Het voorgaande kan echter niet tot aansprakelijkheid van het ziekenhuis leiden.
Uit het door Eiseres als produktie 15 bij repliek overgelegde gespreksverslag d.d. 4 mei 1993 blijkt dat de betreffende CTG op 12 november 1992 omstreeks 12.00 uur is voorgelegd aan de arts-assistent. Gesteld noch gebleken is dat op de verpleging een verdergaande verplichting rustte. Dat sprake was van een tekortkoming van het verplegend personeel kan op basis van de voorhanden gegevens niet worden gesteld. In zoverre is dus geen sprake van een tekortkoming van het ziekenhuis.

Mogelijk heeft de arts-assistent een fout begaan door de dienstdoende gynaecoloog niet tijdig opmerkzaam te maken op de GTG – op dat punt zijn overigens geen gegevens voorhanden en heeft Eiseres ook niets gesteld – doch gesteld noch gebleken is dat het ziekenhuis verantwoordelijk is voor zo’n fout. De arts-assistenten waren blijkens het zojuist genoemde gespreksverslag immers werkzaam voor de maatschap van gynaecologen, en hun salaris kwam ook ten laste van die maatschap. Hetzelfde blijkt uit het als produktie 6 bij repliek overgelegde rapport van de Inspectie van de Volksgezondheid. Voorts is in dit rapport vastgesteld dat fouten van de arts-assistenten voortvloeien uit onvoldoende begeleiding en supervisie door de in de maatschap werkzame gynaecologen. Deze gegevens duiden er veeleer op dat het ziekenhuis geen zeggenschap had over gedragingen van voor de maatschap van gynaecologen werkzame arts-assistenten.

In de door Eiseres aangevoerde stellingen vindt de rechtbank voorts onvoldoende aanknopingspunten op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat een eventuele fout van de arts-assistent, indien daarvan sprake is geweest, een gevolg is geweest van de zorgelijke situatie die op de afdeling gynaecologie bestond.
Aldus zijn onvoldoende aanknopingspunten aangevoerd op grond waarvan het ziekenhuis voor het overlijden van Roy mede aansprakelijk zou kunnen worden geacht.

De schadevergoeding
4.8. Uit het voorgaande volgt dat Gedaagde sub 2 aansprakelijk moet worden geacht voor het overlijden van Kevin. Voor het overlijden van Roy kunnen noch het ziekenhuis, noch Gedaagde sub 2 aansprakelijk worden geacht. De maatschap van gynaecologen is in de onderhavige procedure geen partij.
Gedaagde sub 2 dient derhalve de voor vergoeding in aanmerking komende schade te voldoen die Eiseres door het dood ter wereld komen van Kevin heeft geleden.

4.9. De rechtbank stelt met betrekking tot de aanspraak van Eiseres op schadevergoeding het volgende voorop.
Ingevolge artikel 6:108 van het BW komt, indien iemand overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, aan de in lid 1 onder a tot en met d van dat artikel genoemde personen een schadevergoeding toe terzake het derven van levensonderhoud. Voorts bevat het tweede lid van dit artikel een schadevergoedingsverplichting ten aanzien van de kosten van lijkbezorging.
In artikel 6:107 is voorts een schadevergoedingsplicht opgenomen ten aanzien van kosten die derden anders dan krachtens verzekering ten behoeve van de gekwetste hebben gemaakt. Andere bepalingen op basis waarvan terzake het overlijden van iemand schadevergoeding aan een derde zou kunnen worden toegekend zijn er in de betreffende afdeling van het BW niet. Uit dit wettelijk stelsel volgt dat een moeder geen vergoeding kan vorderen van materiële schade (anders dan aangaande levensonderhoud, lijkbezorging en ten behoeve van de overledene gemaakte kosten) en immateriële schade, voor zover deze schades zijn veroorzaakt door de dood van haar kind.

4.10. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of dit wettelijke stelsel ook dient te worden toegepast ten aanzien van de moeder van een kind dat dood ter wereld komt.
Gedaagden zijn kennelijk van oordeel dat dit het geval is. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de doodgeboren kinderen beschouwd moeten worden als zelfstandige rechtssubjecten.
Eiseres heeft echter gesteld dat het veroorzaken van de dood van de kinderen waarvan zij in verwachting was ingevolge artikel 82a (bedoeld is kennelijk artikel 82) van het Wetboek van Strafrecht gezien moet worden als zware mishandeling van Eiseres zelf, hetgeen haar een zelfstandige aanspraak op schadevergoeding geeft.

4.11. De rechtbank stelt vast dat voor het standpunt van Eiseres steun gevonden kan worden in artikel 1:2 van het BW. In dat artikel is ondermeer bepaald dat een kind dat dood ter wereld komt, geacht wordt nooit te hebben bestaan. Hieruit volgt dat de artikelen 6:107 en 6:108 in het onderhavige geval naar de letter genomen geen toepassing kunnen vinden. Tevens dient, nu de wetgever aan de doodgeboren vrucht geen zelfstandige rechtspositie toekent, het veroorzaken van de dood van de vrucht gezien te worden als een aantasting van het lichaam van de moeder, hetgeen ook uitdrukking heeft gevonden in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

4.12. Tegen de achtergrond van deze uitgangspunten zal de rechtbank thans eerst de door Eiseres gevorderde immateriële schadevergoeding bespreken. Daarna zal de rechtbank de overige door Eiseres opgevoerde schadeposten beoordelen.

Immateriële schadevergoeding
4.13. Ingevolge artikel 6:95 van het BW komt immateriële schade uitsluitend voor vergoeding in aanmerking voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft.
De vergoeding van immateriële schade is vervolgens nader uitgewerkt in artikel 6:106 van het BW. Ingevolge dat artikel bestaat een recht op vergoeding voor dergelijke schade (nadeel dat niet in vermogensschade bestaat) uitsluitend:
a) indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b) indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c) indien het nadeel is gelegen in aantasting van de nagedachtenis van – voor zover hier van belang – een overleden bloedverwant tot in de tweede graad.

4.14. Vast staat dat de gevallen a en c zich in het onderhavige geval niet voordoen. Het geval sub b kan echter wel aan de orde zijn. Het overlijden van Kevin in de laatste fase van de zwangerschap moet immers, zoals in het voorgaande reeds is overwogen, mede beschouwd worden als een mishandeling van Eiseres zelf.

4.15. De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag welke aspecten van het dood ter wereld komen van Kevin bij het bepalen van de aan Eiseres toe te kennen immateriële schadevergoeding in aanmerking moeten worden genomen.
De rechtbank tekent daarbij aan dat de wetgever er bij de totstandkoming van de huidige wettelijke regeling uitdrukkelijk voor heeft gekozen zogeheten affectieschade, dat wil zeggen het verdriet wegens het overlijden van dierbaren, niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Deze keuze van de wetgever was mede ingegeven uit beduchtheid voor een “commercialisering” van verdriet.
De rechtbank acht geen reden aanwezig om op dit punt een onderscheid te maken tussen een kind dat op jonge leeftijd overlijdt, en een ongeboren vrucht die in een vergevorderd stadium van de zwangerschap overlijdt. Ook in het laatste geval spelen onverkort de argumenten van de wetgever om vergoeding van zogeheten affectieschade niet mogelijk te maken.
Het feit dat ingevolge artikel 1:2 van het BW een dood ter wereld gekomen kind geacht moet worden nimmer te hebben bestaan kan de rechtbank niet tot een ander oordeel brengen. Dat artikel heeft niet de strekking of bedoeling om vergoeding van affectieschade in die gevallen mogelijk te maken. Ook het feit dat in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw begrepen dient te worden onder de elders in dat wetboek gebruikte term “zwaar lichamelijk letsel” heeft niet tot gevolg dat vergoeding van affectieschade in deze gevallen mogelijk zou zijn.

4.16. Het voorgaande laat onverlet dat vergoeding van immateriële schade wel mogelijk is voor zover Eiseres zelf – in de woorden van artikel 6:106, sub b, van het BW – lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Daarbij dient dan echter geabstraheerd te worden van de reeds genoemde affectieschade.

4.17. Een dergelijke aantasting van Eiseres in haar persoon, die te onderscheiden is van haar affectieschade en verdriet om het verlies van Kevin, is in het onderhavige geval niet komen vast te staan. In de door Eiseres overgelegde brief van psycholoog Peeters is daarentegen gesteld dat het psychische lijden van Eiseres een gevolg is van de dood van haar kinderen.
Er zijn onvoldoende aanknopingspunten geboden om te concluderen dat de door Eiseres overigens nog naar voren gebrachte omstandigheden, zoals de publiciteit die er rondom de onderhavige zaak is geweest, hebben geleid tot een aantasting van Eiseres in haar persoon, anders dan door het overlijden van de tweeling.

4.18. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat het verlies van haar kinderen voor Eiseres een groot lijden heeft veroorzaakt. Het is ingevolge het huidige wettelijke stelsel van schadevergoedingsrecht echter niet mogelijk daarvoor een financiële schadevergoeding toe te kennen.

Extra huurkosten
4.19. Eiseres heeft gesteld dat zij in augustus 1992 in verband met de te verwachten geboorte van haar tweeling verhuisd is van een kleine bovenwoning naar een ruimere benedenwoning, hetgeen meer huurkosten met zich heeft gebracht in de periode tot juli 1995. Aangezien deze kosten achteraf bezien onnodig zijn gemaakt, wenst Eiseres de vergoeding daarvan door gedaagden.
Gedaagden hebben gesteld dat geen oorzakelijk verband bestaat tussen deze kosten en de aan gedaagden verweten nalatigheden.

4.20. De rechtbank acht de gevorderde vergoeding van de extra huurkosten toewijsbaar. Gedaagden hebben niet bestreden dat de verhuizing in augustus 1992 plaatsvond vanwege de te verwachten gezinsuitbreiding. Aangenomen kan worden dat de verhuizing ook wenselijk was geweest indien alleen Kevin levend ter wereld zou zijn gekomen. Nu echter niet alleen Roy maar ook Kevin dood ter wereld zijn gekomen kan worden gezegd dat de hogere woonlasten in de betreffende periode achteraf bezien onnodig zijn gemaakt. Deze schade is als een direct gevolg van de aan Gedaagde sub 2 verweten gedraging te beschouwen.

Extra verhuiskosten
4.21. Deze schadepost ziet volgens de stellingen van Eiseres op het feit dat zij in juli 1995, toen zij wederom in verwachting bleek van een tweeling, nogmaals is verhuisd.
De rechtbank volgt gedaagden in hun stelling dat de kosten van deze verhuizing in een te ver verwijderd verband staan tot de aan gedaagden verweten gedragingen, om nog voor vergoeding in aanmerking te kunnen komen. De rechtbank tekent daarbij aan dat Eiseres onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat deze verhuizing mede verband hield met het feit dat haar huwelijk met haar echtgenoot was geëindigd, waarna zij een relatie met een nieuwe man is aangegaan. Dat die relatie pas in 1998 tot een huwelijk heeft geleid laat onverlet dat de relatie, mede gelet op hetgeen Eiseres in produktie 4 bij repliek heeft verklaard, kennelijk reeds in 1994 bestond en heeft geleid tot de zwangerschap van medio 1995.

Inrichting babykamer
4.22. Eiseres heeft gesteld dat zij het psychisch niet kon opbrengen om de tweeling, waarvan zij op 23 januari 1996 beviel, te laten slapen in een kamer met dezelfde babymeubels als zij voor de in 1992 dood ter wereld gekomen tweeling had gekocht.
De rechtbank acht deze post ten dele toewijsbaar. Aangenomen kan worden dat Eiseres de babykamer zou hebben gebruikt indien Kevin levend ter wereld was gekomen. Hieruit volgt dat het aan Gedaagde sub 2 kan worden toegerekend dat Eiseres de babykamer niet (voor Kevin) heeft kunnen gebruiken. Gedaagden hebben echter terecht aangevoerd dat de betreffende zaken na november 1992 nog enige geldelijke waarde vertegenwoordigden, en dat Eiseres had kunnen trachten de spullen te (laten) verkopen.
De rechtbank zal deze schadepost daarom schattenderwijs verminderen met 20%, en vaststellen op ƒ 8.000.

Loonderving
4.23. Eiseres heeft het causaal verband tussen de door haar opgevoerde loonderving en het aan gedaagden verweten handelen niet voldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze schadepost daarom afwijzen.

Extra verlofdagen
4.24. Het door Eiseres gevorderde bedrag van ƒ 1.066,07, dat door haar overigens niet is gespecificeerd, zal slechts ten dele worden toegewezen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat Eiseres heeft erkend dat zij op de betreffende dagen deels verlof kreeg van haar werkgever. De rechtbank zal de aan Eiseres toekomende schadevergoeding op dit punt derhalve vaststellen op ƒ 750. Gedaagde sub 2 kan voor dit bedrag geheel aansprakelijk worden geacht.

Reiskosten
4.25. De door eiseres in produktie 14 bij repliek genoemde reiskosten ten bedrage van ƒ 216 ten behoeve van bezoeken aan haar psychotherapeut acht de rechtbank toewijsbaar. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in het navolgende over de kosten van de behandeling door de psycholoog nog zal overwegen.
Voorts acht de rechtbank genoegzaam aannemelijk dat Eiseres ook andere voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten heeft gemaakt, onder meer terzake het afleggen van een verklaring bij de politie in Beek en Donk op drie verschillende data, en terzake de verdere afwikkeling van de strafzaak tegen Gedaagde sub 2.
Het door Eiseres gevorderde bedrag van in totaal ƒ 400 (met inbegrip van parkeergelden) komt de rechtbank niet onredelijk voor en zal derhalve worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten
4.26. Eiseres heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, berekend volgens het (niet meer bestaande) incassotarief van de Nederlandse orde van Advocaten. Ter staving van haar stelling dat het uit dit tarief voortvloeiende bedrag van ƒ 8.234 redelijk is, heeft zij een specificatie overgelegd van de door haar raadsman bestede tijd. De rechtbank stelt vast dat de op de specificatie voorkomende uren voor het overgrote deel betrekking hebben op werkzaamheden na de aanvang van de onderhavige procedure, die is ingeleid bij dagvaarding van 16 juli 1997. Die uren kunnen niet als buitengerechtelijk worden aangemerkt doch vallen onder een eventueel uit te spreken proceskostenveroordeling.
De andere op de specificatie voorkomende uren, die grotendeels besteed zijn in 1995, komen wel voor vergoeding in aanmerking. Uit de specificatie blijkt dat het hier gaat om 6 uren en 18 minuten tegen een tarief van ƒ 280 exclusief BTW per uur. De rechtbank zal de door gedaagden aan Eiseres hiervoor te betalen vergoeding vaststellen op ƒ 1.764 exclusief BTW, hetgeen neerkomt op ƒ 2.099 inclusief BTW. Dat bedrag kan geheel voor rekening van Gedaagde sub 2 worden gebracht.

Kosten behandeling door psycholoog
4.27. Eiseres heeft gesteld dat zij onder behandeling is van een psycholoog en dat de terzake die behandeling gemaakte kosten ad ƒ 1.402,50 een gevolg zijn van het door haar in november 1992 doorgemaakte trauma.
Gedaagden hebben bestreden dat deze behandeling uitsluitend het gevolg zou zijn van het levenloos ter wereld komen van de tweeling van Eiseres.

4.28. De rechtbank acht deze schadepost toewijsbaar. In de door Eiseres als produktie 16 bij repliek overgelegde brief van haar behandelend psycholoog Peeters is gesteld dat de psychische klachten van Eiseres passen in een verstoord en moeizaam rouwproces, en dat het psychische lijden een gevolg is van de dood van de tweeling.
Dat Eiseres zich voor hulp bij de rouwverwerking tot een psycholoog heeft gewend acht de rechtbank niet onredelijk. De gemaakte kosten kunnen voor rekening van Gedaagde sub 2 worden gebracht nu genoegzaam is komen vast te staan dat de aan hem verweten gedraging deze schade kan hebben veroorzaakt.

Conclusie
4.29. Uit het bovenstaande volgt dat aan Eiseres in verband met het overlijden van Kevin de navolgende schadevergoeding kan worden toegewezen:
– extra huurkosten ƒ 5.322,19
– inrichting babykamer ƒ 8.000
– extra verlofdagen in verband met consulten, gesprekken etc. ƒ 750
– reiskosten ƒ 400
– buitengerechtelijke incassokosten ƒ 2.099
– kosten behandeling door psycholoog ƒ 1.402,50
TOTAAL: ƒ 17.973,69
Gedaagde sub 2 dient die schade aan Eiseres te vergoeden.

4.30. Over de schadevergoeding is wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat de verschillende schades zijn geleden. In het onderhavige geval is een deel van de schade pas een aantal jaren na het dood ter wereld komen van de tweeling ontstaan. De rechtbank zal, rekening houdend met de hoogte van de verschillende schadeposten, omwille van de eenvoud een “gemiddelde datum” bepalen vanaf welk moment de wettelijke rente over de totale schadevergoeding kan worden berekend. De rechtbank stelt deze datum vast op 1 juli 1995.

4.31. Nu partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

5. DE BESLISSING

De rechtbank:

veroordeelt Gedaagde sub 2 om tegen kwijting aan Eiseres te betalen een bedrag van ƒ 17.973,69 (zegge zeventienduizendnegenhonderddrieënzeventig gulden en 69 cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juli 1995 tot aan de dag der voldoening;

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Noot

Smartengeld voor moeder van voor en tijdens keizersnede overleden tweeling?
In de rechtspraak beginnen er mogelijkheden te komen voor vergoeding van shockschade aan nabestaanden of directe verwanten van slachtoffers. Dit geldt niet voor vergoeding van affectieschade. Voor vergoeding van affectieschade is een wetsvoorstel ingediend. In het voorstel wordt aan inwonende gezinsleden van slachtoffers die overlijden of ernstig gewond raken door onrechtmatig handelen van een derde, een vast bedrag van ƒ 10.000 toegekend. Zie hierover o.a. Letsel & Schade 2002 nr. 2.
De Hoge Raad heeft op 22 februari 2002 een belangrijk arrest gewezen inzake vergoeding van shockschade aan de moeder van een overleden meisje. Haar dochtertje van 7 jaar was op straat voor de woning door een autobusje aangereden en ter plekke overleden. Zij werd direct erna geconfronteerd met de uitermate gruwelijke gevolgen (het shockschade-arrest, NJ 2002, 240 met noot J.B.M. Vranken en uitgebreid artikel in NJB 2002 nr 23, pag. 1102 door Prof. mr. G.E. van Maanen).

De Hoge Raad stelt vast dat zij als moeder geen andere schade kan vorderen dan overlijdensschade (6:108 BW) en verplaatste schade (6:107 BW). Echter, zo stelt de Hoge Raad, de chauffeur die een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, handelt niet alleen onrechtmatig jegens degene die gewond raakt of overlijdt, maar ook jegens degene bij wie door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele shock wordt veroorzaakt, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name voor zal doen bij iemand tot wie de getroffene in een nauwe affectieve relatie staat. Daarmee is de moeder zelf benadeelde geworden en is weg naar art. 6:106 BW geopend. Directe schade als gevolg van de confrontatie komt voor vergoeding in aanmerking. Affectieschade, dat is verdriet wegens het lijden van het slachtoffer, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Wel vergoeding wegens ernstig geestelijk letsel als gevolg van de directe confrontatie met het ongeval. Dit letsel moet in het algemeen blijken uit de vaststelling van een erkend psychiatrische ziektebeeld.

Voor toewijzing van een vordering voor vergoeding van immaterieel nadeel aan een verwant of nabestaande van het slachtoffer is derhalve vereist:
– dat de aansprakelijkheid jegens de nabestaande zelf wordt gevestigd, er moet sprake zijn van onrechtmatig handelen jegens de verwant/nabestaande;
– vervolgens dient vast komen te staan dat er niet uitsluitend sprake is van affectieschade (dat is verdriet wegens het overlijden) maar van shockschade door de confrontatie, dat zich uit in geestelijk lijden, vastgesteld door een erkend psychiatrisch ziektebeeld.

In de praktijk leiden deze criteria tot verschillende uitkomsten in zaken die zo op het eerste gezicht erg op elkaar lijken.
In de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 maart 2001 (Nemesis 2002 nr.1, RN 1416) was sprake van een tijdens de uitdrijving of enige minuten daarna overleden kind. Aan moeder wordt een smartengeld toegekend van ƒ 25.000.
In de hier gepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Den Bosch overlijdt een tweeling vlak voor en tijdens de uitdrijving. Aan de moeder wordt geen smartengeld toegekend.
Waar zit het verschil? Hieronder wordt eerst de zaak van Rechtbank Den Bosch toegelicht. Daarna volgt een vergelijking en conclusie. Voor een uitgebreide toelichting op de zaak van Rechtbank Arnhem wordt verwezen naar Nemesis 2002 nr. 1.

Rechtbank Den Bosch, De feiten
Mevrouw X is zwanger van een tweeling Roy en Kevin. Roy vertoont tijdens de zwangerschap een ernstige groeiachterstand. Kevin een matige. Na opname in het ziekenhuis voor bedrust worden regelmatig CTG’s gemaakt. Op een dag vertoont het ene CTG een afwijking. De arts-assistent vraagt advies aan de dienstdoende gynaecoloog. Waarschijnlijk als gevolg van problemen tussen de gynaecologen in de maatschap wordt echter niet adequaat gehandeld. Aan het einde van de middag verwijst de dienstdoende gynaecoloog naar de gynaecoloog die vanaf 18.00 uur dienst heeft en laat in de avond verwijst de dienstdoende gynaecoloog naar zijn opvolger in dienst. Uiteindelijk volgt ’s nachts een spoedkeizersnede. Roy bleek tenminste enige uren voor de keizersnede te zijn overleden, Kevin overlijdt voor of tijdens de keizersnede.

De vordering
Moeder stelt zowel het ziekenhuis als de vanaf 18.00 uur dienstdoende gynaecoloog aansprakelijk en vordert schadevergoeding van ƒ 145.441,93. Dit bedrag bestaat uit: extra huurkosten, verhuiskosten, inrichting babykamer, loonderving, verlofdagen, reiskosten, buitengerechtelijke kosten, therapiekosten en smartengeld van ƒ 100.000.
Zij baseert haar vordering op de volgende stelling. Zij heeft met het ziekenhuis een geneeskundige behandelingsovereenkomst afgesloten. Het ziekenhuis maakt ter uitvoering daarvan gebruik van de maatschap gynaecologen. De gynaecoloog heeft niet gehandeld zoals van een vakbekwaam gynaecoloog mocht worden verwacht. Daardoor zijn de beide kinderen overleden. Dit staat gelijk aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan haar. Beiden gedaagden, zowel het ziekenhuis als de gynaecoloog die dienst had vanaf 18.00 uur, zijn tekort geschoten in de uitvoering van de overeenkomst en hebben onrechtmatig gehandeld jegens moeder.

De beoordeling door de rechtbank
De gynaecoloog heeft aansprakelijkheid voor het overlijden van Kevin erkend. Zijn aansprakelijkheid voor het overlijden van Roy betwist hij en wordt door de rechtbank niet aangenomen, nu blijkens de medische informatie een eerder op de avond uitgevoerde keizersnede Roy niet meer had kunnen redden.
Aansprakelijkheid van het ziekenhuis voor het overlijden van Kevin wordt afgewezen (de casus speelde voor invoering van art. 7:462 BW) nu de door de arts gemaakte fout in een te ver verwijderd verband staat tot het ziekenhuis verweten gedrag (onvoldoende ingrijpen in gang van zaken afdeling gynaecologie).
Aansprakelijkheid van het ziekenhuis voor het overlijden van Roy wordt afgewezen nu er geen sprake is van een tekortkoming van het verplegend personeel. Een eventuele fout van de arts-assistent komt voor rekening van de maatschap gynaecologen, waar deze arts-assistent in loondienst was. Deze eventuele fout is geen gevolg van de zorgelijke situatie die mogelijk op de afdeling gynaecologie bestond.
Samenvattend is de gynaecoloog uitsluitend aansprakelijk voor het overlijden van Kevin. Het ziekenhuis is noch aansprakelijk voor het overlijden van Roy noch van Kevin.

Wat betreft de schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende.
In het wettelijk stelsel komt aan een nabestaande ingevolge art. 6:108 BW schadevergoeding toe ter zake van het derven van levensonderhoud. Op grond van art. 6:107 kunnen de kosten worden gevorderd die de derde/nabestaande ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt. De rechtbank vraagt zich af of deze bepalingen van toepassing zijn ten aanzien van een moeder wiens kind dood ter wereld komt.
Op grond van art. 1:2 BW stelt de rechtbank vast dat een kind dat dood ter wereld komt geacht wordt nooit te hebben bestaan. Dit kind is derhalve geen zelfstandig rechtssubject. Het veroorzaken van de dood van de vrucht dient derhalve gezien te worden als een aantasting van het lichaam van de moeder, als bedoeld in art. 82 Wetboek van Strafrecht.

Geeft dit de moeder aanspraak op vergoeding van immateriële schade?
Art. 6:106 BW maakt vergoeding van immateriële schade mogelijk uitsluitend:
1. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
2. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
3. indien het nadeel is gelegen in aantasting van de nagedachtenis van -voor zover hier van belang- een overleden bloedverwant tot in de tweede graad.
Het overlijden van Kevin kan worden gezien als de situatie bedoelt in sub 2. Het overlijden moet immers gezien worden als een mishandeling van eiseres zelf.

Welke aspecten spelen volgens de rechtbank dan een rol bij het beoordelen van de omvang van de schadevergoeding wegens immaterieel nadeel? Affectieschade, dat wil zeggen het verdriet door het overlijden, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Bij het beoordelen van de omvang dient derhalve geabstraheerd te worden van deze affectieschade. De rechtbank Den Bosch wijst de vordering wegens immaterieel nadeel af omdat niet zou zijn gebleken dat er behalve affectieschade, sprake is van geestelijk letsel.

De juridische grondslag die de rechtbank in dat geval aanneemt is gelijk aan die in de uitspraak van de rechtbank Arnhem en het arrest van de Hoge Raad, te weten jegens de nabestaande (in dit geval de moeder) is onrechtmatig gehandeld. De rechtbank Arnhem concludeert echter dat er sprake is van geestelijk letsel. In de casus die hierboven is beoordeeld door de rechtbank Den Bosch strandt de vordering op de aard van het gestelde geestelijk letsel. Op grond van de beschikbare informatie van de behandelend psycholoog van moeder komt de rechtbank tot de conclusie dat er, geabstraheerd van het verdriet door het overlijden van Kevin, geen sprake is van een ‘aantasting in de persoon’. De rechtbank acht het derhalve niet mogelijk aan moeder een immateriële schadevergoeding toe te kennen.
Wat betreft de gevorderde materiele schade wordt (deels) toegewezen de extra huurkosten, de inrichting babykamer, verlofdagen, reiskosten, buitengerechtelijke kosten, therapiekosten. Afgewezen worden de vorderingen wegens verhuiskosten (te ver verwijderd verband), loonderving (onvoldoende onderbouwd). De proceskosten worden gecompenseerd.

Conclusie
Alhoewel er ontwikkelingen zijn in positieve zin, die maken dat toekenning van smartengeld aan nabestaanden of verwanten van een slachtoffer mogelijk is, toont de rechtspraak aan dat de daarbij gestelde criteria soms toch tot onevenredige verschillen kunnen leiden. Bij overtreding van verkeersnormen, waardoor een ernstig ongeval wordt veroorzaakt en bij het mislukken van een bevalling als gevolg van nalatig handelen van de arts, kan vestiging van aansprakelijkheid jegens de nabestaande worden aangenomen. Voor de vraag of er aanleiding is voor het toekennen van smartengeld is het erg belangrijk om ter zake van het geestelijk letsel de vordering goed te onderbouwen door een deskundigenrapport. Daarbij lijkt met name de vraagstelling aan de deskundige van belang. Duidelijk moet immers worden dat het geestelijk lijden het gevolg is van een trauma door de mislukte behandeling c.q. confrontatie met het ongeval en niet alleen wordt veroorzaakt door verdriet om het overlijden.

Jannie Hommes

Rechters

Mrs. Bik, Geurtsen-van Eeden, Keizer

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 15 november 2001

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Beklag wegens niet vervolging van belaging, bestaande uit het veelvuldig
telefonisch, mondeling en schriftelijk lastigvallen door de ex-partner in
samenhang met een problematische omgangsregeling. In tegenstelling tot het
Openbaar Ministerie, dat de vastgestelde gedragingen te ver af vond staan van
de voorbeelden welke volgens de Memorie van Toelichting bij art. 285B Sr als
strafbare gedragingen voor belaging in aanmerking komen, oordeelt het hof dat
een bewezenverklaring vermoedelijk haalbaar is en zeker ook opportuun.

Volledige tekst

1. PROCEDURE

Klaagster heeft bij klaagschrift van 16 januari 2001 beklag gedaan over de
beslissing van de officier van justitie te Zutphen tot het niet vervolgen van
beklaagde ter zake van belaging, gepleegd te Apeldoorn op of omstreeks de
periode van 12 juli 2000 tot en met 7 september 2000.
Ingevolge opdracht van het hof heeft de advocaat-generaal schriftelijk
verslag gedaan, ingekomen ter griffie van het hof op 11 juni 2001. In dat
stuk komt de advocaat-generaal tot het advies het beklag ongegrond te
verklaren en het af te wijzen.
Ter zitting van het hof in raadkamer op 4 oktober 2001 zijn gehoord
klaagster, bijgestaan door mr (…) advocaat te (…), beklaagde, alsmede de
advocaat-generaal.

2. OVERGELEGDE STUKKEN

Het hof heeft kennis genomen van de voormelde stukken en voorts onder meer
van:
– een proces-verbaal van politie District Apeldoorn/Team Zuid Oost, nummer
PLO620/00-204694, van 26 september 2000, met bijlagen,
– een door klaagster opgesteld logboek betreffende de periode van 12
september 1998 tot en met 29 september 2001,
– een ambtsbericht van H.J.T. Verlaan, parketsecretaris bij het
arrondissementsparket te Zutphen, van 26 februari 2001.

3. DE FEITEN

Uit de stukken en het besprokene ter zitting is het volgende gebleken.

3.1. Klaagster en beklaagde zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn twee
kinderen geboren, te weten
– A. geboren op 23 juli 1987 en
– B. geboren op 26 oktober 1988. Op 5 september 1994 is hun huwelijk door
echtscheiding geëindigd. A. en B. werden aan klaagster toegewezen. Tussen
klaagster en beklaagde werd onderling (mondeling) een omgangsregeling
vastgesteld. Deze omgangsregeling hield na medio 1998 niet langer stand,
volgens klaagster omdat de kinderen niet meer naar hun vader toewilden.
Vervolgens zijn diverse procedures met betrekking tot de omgangsregeling
gevoerd. Op 13 april 1999 heeft de Raad voor de Kinderbescherming
dienaangaande advies uitgebracht. Zowel de arrondissementsrechtbank te
Zutphen, als later het gerechtshof te Arnhem hebben dit advies, inhoudende
onder meer dat beklaagde zich aan een aantal leefregels moet houden, in hun
beslissingen overgenomen.

3.2. Op 7 september 2000 heeft klaagster klacht en aangifte gedaan van
overtreding van artikel 285B van het Wetboek van Strafrecht door beklaagde.
Klaagster stelt dat beklaagde zich niet houdt aan de (op de terechtzittingen)
gemaakte afspraken en dat hij ondanks de afgesproken leefregels vaak aan de
deur komt, veel belt en veel brieven schrijft.
Ter adstructie van haar stelling dat beklaagde zich aan overtreding van
genoemd artikel schuldig maakt heeft zij ter zitting van het hof in raadkamer
een zogenaamd logboek overgelegd waaruit blijkt dat beklaagde in de periode
van 12 september 1998 tot 29 september 2001 veelvuldig telefonisch contact
met klaagster dan wel met A. en B. heeft gezocht, veelvuldig brieven of
kaarten aan hen heeft geschreven dan wel op andere wijze contact met
klaagster dan wel de kinderen heeft gezocht.

3.3. Beklaagde is op de aangifte gehoord. Hij heeft toegegeven veelvuldig
telefonisch, mondeling en/of schriftelijk contact met klaagster en de
kinderen te zoeken. Hij is echter van mening dat hij zich daarmee niet
schuldig maakt aan een strafbaar feit. Beklaagde stelt dat het hem alleen
maar gaat om structuur te verkrijgen in de informatievoorziening over de
kinderen en dat de omgangsregeling met de kinderen wordt hersteld.

3.4. De officier van justitie te Zutphen heeft de zaak tegen beklaagde op 15
december 2000 geseponeerd met als reden dat beklaagde ten onrechte als
verdachte is aangemerkt. Op 20 december 2000 heeft klaagster hiervan bericht
gekregen.

4. BEOORDELING

Het hof is door het horen van klaagster en het lezen van de door haar ter
zitting overgelegde stukken alsmede de houding van beklaagde van oordeel dat
voldoende aannemelijk is dat een bewezenverklaring ter zake van belaging
vermoedelijk haalbaar is en zeker ook opportuun. De invulling van de belaging
is – naar ’s hofs oordeel – ook mogelijk door feiten en omstandigheden die
zich na indiening van het beklag hebben voorgedaan. Gelet op het vorenstaande
bestaat er voldoende grond om beklaagde strafrechtelijk te vervolgen ter zake
van overtreding van artikel 285B van het Wetboek van Strafrecht.

5. SLOTSOM

Het beklag is gegrond en het gevraagde bevel zal derhalve worden verleend,
hetgeen leidt tot de volgende beslissing.

6. BESLISSING

Het hof:
Beveelt dat door de officier van justitie te Zutphen een strafvervolging
tegen [beklaagde] geboren op (…) 1962 en wonende te [woonplaats], zal
worden ingesteld terzake van overtreding van artikel 285B van het Wetboek van
Strafrecht en dat hij ter zake ter terechtzitting wordt gedagvaard.

Rechters

Mrs. Lauwaars, Vegter en Van Ditzhuijzen

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 14 november 2001

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Seksuele intimidatie en verkrachting door leidinggevende. Nu laatstgenoemde de beschuldigingen gemotiveerd heeft betwist kan niet in kort geding een vordering tot betaling van (een voorschot op) schadevergoeding worden toegewezen. Er is niet voldaan aan waarborgen ten aanzien van de bewijsvoering nu de conclusies uit het rapport van Bezemer en Kuiper voor een belangrijk deel zijn gebaseerd op verklaringen die verschillende getuigen hebben afgelegd, zonder dat die getuigen onder ede ten overstaan van een rechter-commissaris zijn gehoord én zonder dat de advocaat van de dader vragen heeft kunnen/mogen stellen aan die verschillende getuigen.

Volledige tekst

(Â…)

4. BEOORDELING

4. l. Het gaat in deze zaak – zakelijk samengevat – om het volgende.
4.1.1. G. is in de periode van 15 maart 1999 tot 15 november 1999, ingevolge een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, in loondienst werkzaam geweest bij (Â…) B.V. (hierna ook: Van M.) te Amsterdam. Haar direct leidinggevende was M..
4.1.2. Kort na 17 september 1999 heeft G. bij Van M. een klacht ingediend over seksueel intimiderend gedrag door M. en G. heeft zich tevens ziek gemeld.
4.1.3. In juli 2000 heeft Van M. aan bureau Bezemer en Kuiper opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen naar het gestelde seksueel intimiderende gedrag van M. jegens G.. Bureau Bezemer en Kuiper heeft op 19 oktober 2000 een rapport van zijn bevindingen uitgebracht. Hierin staat onder meer:
“Op grond van haar bevindingen ( … ) acht de commissie het aannemelijk geworden dat de heer M. zich jegens mevrouw G. schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie op het werk. (… ) Voor wat betreft het gebeurde op 17 september 1999 is de commissie tot de conclusie gekomen dat aannemelijk is geworden dat het door mevrouw G. beschreven incident (het hof: de verkrachting) is voorgevallen. (. ..) Naar het oordeel van de commissie is vast komen te staan dat de heer M. misbruik heeft gemaakt van zijn positie bij Van M. (… ) De commissie adviseert op grond van haar bevindingen en conclusies, het dienstverband met de heer M., voor zover er nog sprake is van een dienstverband tussen Van M. en de heer M., niet te continueren. (… )”
4.1.4. De kantonrechter heeft op 6 oktober 2000 de arbeidsovereenkomst tussen M. en Van M. ontbonden met toekenning van een vergoeding aan M. van ƒ 65.000.
4.1.5. Bij in kort geding gewezen vonnis op 22 februari 2001 is Van M. veroordeeld om G. een voorschot op de door haar geleden immateriële schade van ƒ 10.000 te betalen, omdat – kort gezegd – bij Van M. beleid ontbrak ter bescherming – van haar werknemers tegen seksuele intimidatie en Van M. ook na de klacht van G. onvoldoende oog heeft gehad voor haar belangen.
4.2. G. heeft in dit geding gevorderd dat M. zal worden veroordeeld om haar bij wijze van voorschot een schadevergoeding van ƒ 15.000 te betalen. G. heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat M. haar seksueel heeft geïntimideerd en haar op 17 september 1999 heeft verkracht, als gevolg waarvan G. zowel materiële als immateriële schade heeft geleden en nog lijdt. M. is uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor die schade.
4.3. De president heeft in het vonnis de vordering van G. afgewezen. Tegen deze beslissing van de president richten zich de twee grieven van G..
4.4. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. beogen het geschil in volle omvang aan de orde te stellen.
4.5. Met de president, wiens overwegingen het hof in zoverre overneemt, is het hof van oordeel dat M. de stellingen van G. dat M. onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, alsmede de conclusies van de commissie, voldoende gemotiveerd heeft betwist. M. heeft gemotiveerd betwist. M. heeft gemotiveerd betwist dat hij G. heeft verkracht en seksueel heeft geïntimideerd. Hij heeft voorts bestreden dat de verklaringen die door de commissie gehoorde personen hebben afgelegd juist en betrouwbaar zijn. Op voorhand kan het hof niet van de juistheid van de conclusies van de commissie uitgaan. Hierbij is tevens het volgende van belang. Bepaalde waarborgen ten aanzien van de bewijsvoering dienen in een civiele procedure in acht te worden genomen. Nu de conclusies uit het rapport van Bezemer en Kuiper voor een belangrijk deel zijn gebaseerd op verklaringen die verschillende getuigen hebben afgelegd, zonder dat die getuigen onder ede ten overstaan van een rechter-commissaris zijn gehoord én zonder dat de advocaat van M. vragen heeft kunnen/mogen stellen aan die verschillende getuigen, is aan die waarborg niet voldaan. Omtrent de verkrachting hebben getuigen geen verklaringen afgelegd. In deze omstandigheden kan niet zonder nader feitelijk onderzoek, waartoe dit kort geding zich niet leent, op voorhand worden aangenomen dat het gelijk aan de zijde van G. ligt.
4.6. Voorts heef t de president terecht overwogen dat G. onvoldoende spoedeisend belang aannemelijk heeft gemaakt bij het door haar gevorderde voorschot op de schadevergoeding, mede gezien het feit dat G. al een voorschot op haar immateriële schade – zij het van Van M. – heeft toegekend gekregen. Het gestelde belang van erkenning van het haar door M aangedane leed als middel om haar psychisch leed te helen kan geen argument zijn tot toekenning van een voorschot over te gaan, indien, zoals in dit geval, niet op voorhand van de juistheid van de feiten, waarop zij haar vordering grondt, kan worden uitgegaan. De vordering van G. dient dan ook te worden afgewezen.
4.7. Gezien het bovenstaande falen de grieven.
(Â…)

Rechters

Mrs. Van Schendel, Van Zandwijk-Hillebrands en Arisz

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 14 november 2001

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Partijen zijn in 1967 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is in 1984 ontbonden. De man heeft tijdens het huwelijk een pensioen bij het ABP opgebouwd. Na de echtscheiding is over de verdeling van de gemeenschap en de verrekening van de pensioenrechten tussen de raadslieden gecorrespondeerd. Zij hebben geen overeenstemming tussen partijen weten te bewerkstelligen, waarna de zaak in handen is gelegd van de boedelnotaris. Op verzoek van de notaris heeft de man in 1986 zijn pensioengegevens aan de notaris verstrekt.Daarna heeft de man tot 1999 niets meer van de vrouw over de pensioenkwestie vernomen. De man heeft op 6 oktober 1998 de pensioengerechtige leeftijd bereikt. De helft van de contante waarde van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen bedroeg op 24 augustus 2000 ƒ 4.156,26. In 1999 stapt de vrouw naar de rechter en vordert verrekening van het pensioen. De man stelt dat de vordering is verjaard, zich daarbij kennelijk baserend op de verjaringstermijn van vijf jaar, zoals genoemd in art. 3:307 BW (rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst) en/of art. 3:308 BW (periodieke vorderingen). De vrouw stelt dat de vordering onderworpen is aan de twintigjaarstermijn van art. 3:306 BW. Voorts stelt de man dat de vrouw haar recht op pensioenverrekening heeft verwerkt.
De rechtbank volgt het standpunt van de man waar het betreft de verjaringstermijn. De rechtbank gaat ervan uit dat de keuze van partijen voor een algehele huwelijksgoederengemeenschap te zien is als een overeenkomst waaruit de verbintenis tot pensioenverrekening voortvloeit en het pensioen door periodieke betalingen kan worden verrekend. De opeisbaarheid van de periodieke betalingen gaat in vanaf het moment dat de man zijn pensioen ontvangt, dus vanaf 6 oktober 1998. Op de dag na de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden vangt de verjaringstermijn van vijf jaar aan. De vrouw heeft dus tijdig de vordering ingesteld. Ook het beroep van de man op rechtsverwerking wordt niet gehonoreerd. Het enkele feit dat de man gedurende dertien jaren van de vrouw niets meer over pensioenverrekening heeft vernomen, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende, ook al was aanvankelijk pensioenverrekening tussen partijen een punt van discussie.

Volledige tekst

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:
– het exploit van dagvaarding van 21 februari 2001;
– de conclusie van eis, met een productie;
– de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;
– het tussenvonnis van deze rechtbank van 30 mei 2000, waarbij een comparitie na antwoord is gelast;
– het proces-verbaal van comparitie van 5 juli 2000;
– de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met een productie;
– de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie, met producties;
– de conclusie van-dupliek in reconventie.

RECHTSOVERWEGINGEN
in conventie en in reconventie
1. Tussen partijen staat het volgende vast.
a. Partijen zijn op 22 mei 1967 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is op 11 november/december 1984 ontbonden. Tijdens de huwelijkse periode heeft de man bij het ABP een pensioen opgebouwd.
b. Na de echtscheiding is tussen de raadslieden van partijen gecorrespondeerd over de verdeling van de gemeenschap en over de verrekening van de pensioenrechten van de man. In een brief van 29 maart 1985 heeft de advocaat van de man, mr W.K. Anema, aan de advocaat van de vrouw, im F.B. Kloppenburg, het volgende geschreven:
Behalve dat aan uw cliënte het huurrecht is toegekend, heeft zij ook de gehele inboedel van de echtelijke woning behouden, zodat verdeling van de pensioenrechten op basis van de situatie slechts tot verdergaande overbedeling van uw cliënte zal leiden en reeds daarom afgewezen wordt.
Mijn cliënt is op dit moment niet van zins de afkoopwaarde van het pensioen op te vragen. Daarnaast zou mijn cliënt een lening moeten afsluiten om de afkoopsom te kunnen voldoen, hetgeen zou leiden tot een forse inkomensdaling van cliënt (.. ).

c. Genoemde raadslieden hebben geen overeenstemming tussen partijen weten te bewerkstelligen. De zaak is daarom in handen gelegd van de boedelnotaris, mr J.M.M. Koeken (hierna: de notaris), bij wie de vrouw de kwestie van de pensioenrechten van de man heeft aangekaard. De notaris heeft de man verzocht om zijn pensioengegevens bij het ABP op te vragen en aan hem toe te sturen. Aan dit verzoek heeft de man in 1986 gehoor gegeven. Daarna heeft de man, die op 6 oktober 1998 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, van de vrouw niets meer over de pensioenkwestie vernomen, zulks tot in 1999, toen de vrouw wederom aanspraak heeft gemaakt op pensioenverrekening.
d. De helft van de contante waarde van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen bedroeg op 24 augustus 2000 ƒ 4.156,26.

2. De vrouw heeft in de dagvaarding in conventie gevorderd:
– een verklaring voor recht dat de door de man tijdens het huwelijk bij het ABP opgebouwde pensioen verrekend dient te worden;
– veroordeling van de man om het ABP het maandelijkse bedrag waarop zij uit dien hoofde vanaf 6 oktober 1998 recht heeft, te laten berekenen;
– veroordeling van de man om de vanaf 6 oktober 1998 te verrekenen (maand)bedragen aan de vrouw te betalen, met wettelijke rente over het verleden.
Ter comparitie is tussen partijen echter afgesproken dat zij ernaar streven de pensioenverrekening(en) te doen plaatsvinden door betaling van (een) bedrag(en) ineens. Kennelijk naar aanleiding van deze afspraak heeft de vrouw bij repliek aangegeven dat de te verrekenen waarde van het pensioen van de man met rente, en rente op rente, inmiddels is te stellen op ƒ 10.164,64. De rechtbank begrijpt dat de vrouw thans verrekening door betaling van dit bedrag ineens vordert.

3. De man heeft de vordering van de vrouw betwist en in reconventie, kort gezegd, verrekening van het door de vrouw tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen gevorderd.

4. De vordering van de man in reconventie is niet toewijsbaar nu de vrouw bij repliek in conventie/antwoord in reconventie gemotiveerd en onweersproken heeft gesteld dat zij tijdens het huwelijk geen pensioen heeft opgebouwd. Dat, zoals de man stelt, de vrouw om reparatie van een eventueel pensioen had kunnen verzoeken, is niet relevant omdat zij dat niet heeft gedaan.

5. In de visie van de man is de vordering van de vrouw in conventie verjaard, althans heeft zij haar recht op pensioenverrekening verwerkt.

6. Volgens de vrouw gaat het beroep van de man op verjaring niet op omdat haar vordering onderworpen is aan de 20 jaren-termijn van artikel 3:306 BW en deze termijn, ook wanneer de verjaring in 1986 zou zijn aangevangen, nog (lang) niet is verstreken. De man is echter van mening dat de verjaringstermijn 5 jaren bedraagt. Hij heeft daarbij kennelijk het oog op artikel 3:307 BW, dat betrekking heeft op rechtsvorderingen tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst, en/of op artikel 3:308 BW, dat betrekking heeft op periodieke vorderingen. Voor het standpunt van de man lijkt wel iets te zeggen nu de (impliciete) keuze van partijen voor een algehele huwelijksgoederengemeenschap wellicht is te zien als een overeenkomst waaruit de verbintenis tot pensioenverrekening voortvloeit en bovendien pensioen door periodieke betalingen kan worden verrekend. De rechtbank zal veronderstellenderwijs aannemen dat de man hier het gelijk aan zijn zijde heeft.

7. Verrekening terzake van ouderdomspensioen vindt vaak plaats door aan de pensioengerechtigde (hier: de man) een voorwaardelijke uitkering op te leggen die opeisbaar wordt naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden. Zou dat ook hier het geval zijn, dan zou de (eerste termijn van de) vordering van de vrouw opeisbaar zijn geworden op dezelfde dag als waarop de pensioentermijnen van de man opeisbaar zijn geworden, dus op 6 oktober 1998. Ingevolge de artikelen 3:307 en 3:308 BW vangt de verjaringstermijn van 5 jaar aan op de dag na de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden. In voormeld geval zou deze termijn nog niet zijn verstreken.

8. Onder omstandigheden kan pensioenverrekening ook vóór het opeisbaar worden van de pensioentermijnen plaatsvinden, bijvoorbeeld door betaling van een bedrag ineens (een afkoopsom). Wanneer er sprake is van een rechtsplicht van de pensioengerechtigde om reeds voor de datum van zijn pensionering zijn pensioen te verrekenen, dan is de vordering van de andere echtgenoot tot pensioenverrekening reeds daarvoor opeisbaar en begint ook de verjaringstermijn reeds daarvoor te lopen. De man heeft echter niet gesteld dat op hem de rechtsplicht rustte om reeds voor de datum van zijn pensionering de waarde van zijn pensioen met de vrouw te verrekenen – in 1985 heeft zijn advocaat betaling van een afkoopsom zelfs nadrukkelijk afgewezen (zie rov. I.b) – terwijl de vrouw evenmin van zodanige rechtsplicht uitgaat; in de dagvaarding heeft zij immers verrekening vanaf 6 oktober 1998 gevorderd. Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat de vordering van de vrouw voor 6 oktober 1998 opeisbaar is geworden, zodat deze vordering – ook wanneer het standpunt van de man over de verjaringstermijn juist zou zijn – niet is verjaard. Het beroep van de man op verjaring treft dan ook geen doel.

9. De man heeft niet gesteld dat zijn positie onredelijk is verzwaard door het feit dat de vrouw haar recht alsnog geldend maakt. Bij de beoordeling van zijn beroep op rechtsverwerking komt het er dan ook op aan of bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw haar recht niet meer zou inroepen. Het enkele in dit verband door de man gestelde feit, dat hij na 1986 gedurende 13 jaren van de vrouw niets meer over pensioenverrekening heeft vernomen, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende, ook al was aanvankelijk pensioenverrekening tussen partijen een punt van discussie. In aanmerking genomen dat, naar de man geacht moet worden te hebben geweten, pensioenverrekening vaak pas kan worden geëffectueerd na de ingangsdatum van het pensioen – hetgeen temeer klemt in dit geval, waar de advocaat van de man in 1985 verrekening door middel van een afkoopsom had afgewezen (zie rov. I.b) – kon het plotselinge stilzwijgen van de vrouw immers ook zo worden uitgelegd dat zij om haar moverende redenen de kwestie tijdelijk wilde laten rusten. In dit licht kan niet worden gezegd dat de man, louter vanwege dit plotselinge stilzwijgen, er redelijkerwijs van uit kon gaan dat de vrouw haar recht op pensioenverrekening prijsgaf. De man heeft ook niet aangevoerd dat hij daar redelijkerwijs van uit mocht gaan, maar alleen dat hij daarvan uit ging. Het beroep van de man op rechtsverwerking faalt derhalve eveneens.

10. De man heeft verder het verweer gevoerd dat hij is onderbedeeld bij de verdeling die destijds tot stand is gekomen. Uit de – zeer summiere – feiten die de man ter onderbouwing hiervan heeft aangevoerd, is evenwel niet af te leiden dat hij in zodanige mate is onderbedeeld dat verrekening van de (gehele) waarde van zijn ouderdomspensioen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Ook dit verweer kan daarom niet slagen.

11. Dat de man zijn pensioen met de vrouw moet verrekenen is niet op andere gronden bestreden. Ter comparitie is tussen partijen afgesproken dat deze verrekening zo mogelijk door betaling van een bedrag ineens zal plaatsvinden. De man zal daarom in ieder geval de helft van de huidige contante waarde van zijn pensioen – derhalve ƒ 4.156,26 – aan de vrouw moeten betalen.

12. De vrouw vordert, zo begrijpt de rechtbank, echter het bedrag van ƒ 10.164,64. Zij is tot dit, door de man betwiste, bedrag gekomen door op de helft van de contante waarde van het pensioen per 1985 (ƒ 3.448) rente en rente op rente te berekenen (zie ook rov. 2). De rechtbank merkt dienaangaande op dat rente eerst is verschuldigd bij verzuim en dat van verzuim eerst sprake kan zijn wanneer de vordering opeisbaar is. Voor 6 oktober 1998 was – zoals onder 8 is overwogen – de vordering van de vrouw evenwel nog niet opeisbaar, zodat over de periode voor die datum geen rente kan worden gerekend. Na 6 oktober 1998 zijn alleen opeisbaar geworden de sindsdien verschenen termijnen van een periodieke uitkering. Blijkens het onder 2 overwogene moet het er echter voor worden gehouden dat de vrouw inmiddels geen periodieke uitkering meer wenst, maar verrekening door betaling van een bedrag ineens. De daartoe strekkende vordering van de vrouw is als opeisbaar te beschouwen vanaf de dag waarop partijen de afspraak hebben gemaakt om verrekening door betaling van een bedrag ineens na te streven, derhalve vanaf de dag van de comparitie (5 juli 2000). Het verzuim is ook op die dag ingetreden nu de man in deze procedure heeft medegedeeld niet te willen nakomen. De man dient, zo volgt uit het voorgaande, aan de vrouw te voldoen ƒ 4.156,26, met wettelijke rente vanaf 5 juli 2000.

13. Omdat partijen gewezen echtelieden zijn zullen de proceskosten van de procedures in conventie en in reconventie worden gecompenseerd in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.

BESLISSING
De rechtbank:
in conventie
– veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen het bedrag van ƒ 4.156,26, met wettelijke rente vanaf 5 juli 2000 tot aan de dag der voldoening;
– verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
– wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie
– wijst de vordering af;

In conventie en in reconventie
– compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Bonneur