Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem, 29 maart 2001

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem

Samenvatting


Eiseres is in 1994 getrouwd. In januari 2000 zou haar man tegen een
opsporingsambtenaar van de Sociale Dienst verklaard hebben dat zijn vrouw
alleen met hem getrouwd is om een verblijfsvergunning te krijgen. Op grond
hiervan is de aanvraag van eiseres voor een vergunning tot verblijf bij
echtgenoot afgewezen. De president overweegt dat uit het bepaalde in Vc 1994,
B1/1.2.1 niet kan worden afgeleid dat het vermoeden dat het huwelijk – mede –
is aangegaan met het oogmerk toelating tot Nederland te verkrijgen grond is
voor weigering van (voortgezette) toelating indien sprake is van een
rechtsgeldig huwelijk. Evenmin kan uit enige wettelijke regeling worden
afgeleid dat het enkele feit dat het vermoeden bestaat dat een huwelijk
slechts in stand wordt gelaten met de bedoeling verblijf in Nederland te
verkrijgen grond kan zijn voor weigering van verblijf. Voorzover verweerder
bedoeld heeft aan te geven dat niet aan de eis van samenwoning is voldaan is
de motivering onvoldoende overtuigend. Voorts laat de tekst van Vc B1/1.2.1
en 1.2.2 onduidelijkheid bestaan of samenwonen in de zin van samen een huis
bewonen voldoende is, of dat verdergaande eisen aan de (gemeenschappelijkheid
van de ) huishouding worden gesteld. Het verzoek om een voorlopige
voorziening wordt toegewezen.

Volledige tekst

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende de
behandeling van het bezwaarschrift van verzoekster van 31 maart 2000 tegen de
beschikking tot niet inwilliging van het verzoek om verlening van een
vergunning tot verblijf met als doel: verblijf bij C (hierna te noemen:
referent) van 6 maart 2000. Verzocht wordt om schorsing van de beslissing van
verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het
bezwaarschrift is beslist.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en
in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek met
toepassing van artikel 33b Vw.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 18
januari 2001. Ter zitting hebben verzoekster en verweerder bij monde van hun
gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts zijn verzoekster, haar
zoon en referent ter zitting verschenen.

1.4 Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de
gelegenheid te stellen zijn standpunt nader schriftelijk toe te lichten. De
gemachtigde van verweerder heeft bij schrijven van 31 januari 2001 zijn
zienswijze toegezonden aan de rechtbank. Bij brief van 21 februari 2001 heeft
de gemachtigde van verzoekster daarop gereageerd. Met instemming van partijen
is het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan -onder meer- indien voorafgaand aan
een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt,
de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak,
op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet
op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, Vw blijft uitzetting
achterwege, indien het bezwaar tegen de niet inwilliging van de aanvraag een
redelijke kans van slagen heeft. Voorts dient uitzetting achterwege te
blijven ingeval deze anderszins in strijd is met het recht.

2.3 De president gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
Verzoekster is op 16 juli 1993 Nederland ingereisd in het bezit van een
toeristenvisum, geldig tot 16 oktober 1993. Op 26 september 1994 is zij
gehuwd met referent. Op 5 oktober 1994 heeft verzoekster een aanvraag
ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: verblijf
bij echtgenoot, welke op dezelfde datum buiten behandeling is gesteld wegens
het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. Het op 18 oktober
1994 ingediende bezwaar is bij beschikking van 2 februari 1995 gegrond
verklaard. Bij beschikking van 19 oktober 1995 is verzoeksters aanvraag niet
ingewilligd, omdat referent niet voldeed aan het middelenvereiste. Het op 15
februari 1996 ingediende bezwaarschrift is bij beschikking van 6 december
1996 ongegrond verklaard. Het ingediende beroep van 20 januari 1997 is bij
uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem van 16 juli 1997
(AWB 97/841 en 97/840 VRWET H) ongegrond verklaard en het connexe verzoek om
een voorlopige voorziening is afgewezen.

Op 9 december 1998 heeft verzoekster, mede ten behoeve van haar zoon, B
(geboren op […] 1984, van Marokkaanse nationaliteit) onderhavige aanvraag
om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij
referent ingediend.
Op 21 januari 2000 is verzoekster bij de Korpschef verschenen en aldaar
gehoord in verband met door referent op 4 januari 2000 bij de Dienst Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam afgelegde verklaringen.
Op 4 januari 2000 heeft referent tegenover een opsporingsambtenaar van de
dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam onder meer
verklaard: “Als u mij vraagt of mijn vrouw met mij getrouwd is om een
verblijfsvergunning te krijgen dan kan ik u hierop antwoorden dat zij alleen
met mij is getrouwd voor die stempel. Dan kan zij in Nederland blijven. Als u
mij vraagt wie er op mijn adres wonen dan kan ik u hierop antwoorden dat mijn
vrouw en haar twee kinderen, B en D bij mij wonen.”

2.4 In de bestreden beschikking van 6 maart 2000 heeft verweerder –
samengevat en voor zover hier van belang – het volgende overwogen. Hoewel er
een naar Nederlands (internationaal privaat-) recht geldig huwelijk is
gesloten, is grond aanwezig om aan te nemen dat dit huwelijk slechts is
aangaan om voor verzoekster verblijf in Nederland te realiseren. Mitsdien
wordt de vergunning tot verblijf geweigerd.

2.5 Namens verzoekster is – samengevat – hiertegen aangevoerd, dat referent
zich niet kan herinneren dat hij hetgeen door verweerder in de bestreden
beslissing is aangehaald, heeft verteld bij de Dienst Sociale Zaken en
Werkgelegenheid te Rotterdam. Indien referent deze verklaringen zou hebben
afgelegd, kan dit hem (en verzoekster) niet worden tegengeworpen, aangezien
hij, als gevolg van een straatoverval, medicaties gebruikte die invloed
hadden op zijn psychische gesteldheid.
Ook kan verzoekster niet worden tegengeworpen dat zij relevante informatie
over referent en hun huwelijk niet uit haar hoofd weet. Verzoekster is een
vrouw op leeftijd en kan (met name) cijfermatige gegevens slecht onthouden.
Het oplezen van relevante informatie van een briefje kan derhalve niet leiden
tot de conclusie dat er sprake is van een schijnhuwelijk. Voorts heeft
verzoekster de afgelopen jaren een gespannen en gestresste periode
meegemaakt, onder andere veroorzaakt door de langdurige onzekerheid omtrent
verblijf hier te lande. Tevens spreekt verzoekster slechts matig Nederlands.
De weigering verzoekster verblijf toe te staan vormt een schending van het
recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (ingevolge artikel 8
EVRM) tussen verzoekster, haar zoon en referent. Verzoekster en haar zoon
zijn hier te lande ingeburgerd. Haar zoon is niet bekend met de Marokkaanse
samenleving en terugkeer zou van onevenredige hardheid getuigen.

2.6 Na de behandeling van de zaak ter zitting is verweerder in de gelegenheid
gesteld schriftelijk antwoord te geven op de vraag of de enkele omstandigheid
dat er sprake zou zijn van een schijnhuwelijk in die zin dat het huwelijk
slechts zou zijn aangegaan om voor verzoekster hier te lande verblijf te
realiseren, doch overigens andere verplichtingen van het huwelijk worden
nagekomen, zoals het samenwonen van de echtgenoten, grond kan vormen een
vergunning tot verblijf te weigeren.

2.7 Bij schrijven van 31 januari 2001 heeft verweerder – samengevat – het
navolgende aangegeven. Onder verwijzing naar B1/1.2.1 van de
Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc.) wordt een schijnhuwelijk als volgt
gedefinieerd: “Een schijnhuwelijk is een huwelijk dat wordt aangegaan met als
enige oogmerk de (nog) niet (meer) tot Nederland toegelaten buitenlandse
partner een verblijfsrecht te verschaffen”.
Verweerder betwist niet dat het op 26 september 1994 gesloten huwelijk een
rechtsgeldige huwelijkssluiting betrof. Doch van een huwelijk, op grond
waarvan toelating aan de orde is, kan eerst gesproken worden wanneer sprake
is van een reëel huwelijk, dat wil zeggen geen schijnhuwelijk. Nu uit de
verklaringen van referent uitdrukkelijk kan blijken dat het huwelijk louter
is gesloten met een verblijfsrechtelijk oogmerk, kan in casu niet gesproken
worden van een huwelijk op grond waarvan toelating aan de orde is.
Weliswaar is in de Vc. niet expliciet vermeld dat het bestaan van een
schijnhuwelijk een weigeringsgrond behelst, maar het is voldoende duidelijk
dat deze omstandigheid aan verzoekster kan worden tegengeworpen. Temeer nu
het adagium “kwade trouw wordt niet beloond” in het algemeen duidelijk deel
uitmaakt van verweerders toelatingsbeleid. Alsdan dient naar de mening van
verweerder te worden aangenomen dat nimmer een huwelijk heeft bestaan op
grond waarvan verblijf aan verzoekster hier te lande kan worden toegestaan.
Nu wel sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, doch deze is aangegaan om
verzoekster verblijfsrecht te verschaffen en overigens ook geen sprake is van
het voeren van een gemeenschappelijke huishouding in de zin van de Vc., daar
referent geen enkele financiële verantwoording ten aanzien van verzoekster en
haar kinderen aflegt, stelt verweerder zich op het standpunt dat op goede
gronden aan verzoekster een vergunning tot verblijf is geweigerd.
De onder 2.6 gestelde vraag dient volgens verweerder bevestigend te worden
beantwoord.

2.8 Namens verzoekster is in de brief van 21 februari 2001 in reactie op het
vorenstaande – samengevat – aangevoerd dat in het onderhavige geval geen
sprake is van een schijnhuwelijk tussen verzoekster en referent. De Vc.
vermeldt niet dat, voor zover al sprake zou zijn van een schijnhuwelijk
(hetgeen nog immer wordt betwist), dit als uitdrukkelijke weigeringsgrond
geldt. Door verweerder wordt niet weersproken dat wordt voldaan aan de
voorwaarden dat er een geldig huwelijk is en dat de echtgenoten feitelijk
samenwonen. Nu in de Vc. een definitie van het begrip “gemeenschappelijke
huishouding” ontbreekt, meent verzoekster dat, indien sprake is van feitelijk
samenwonen, sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Zulks geldt
temeer nu verzoekster en referent op hetzelfde adres staan ingeschreven in
het bevolkingsregister. Het door verweerder gebruikte begrip “reëel huwelijk”
staat in de Vc. niet aangeduid als voorwaarde. Nu verzoekster voldoet aan
alle voorwaarden zoals neergelegd in de Vc. kan een vergunning tot verblijf
niet worden geweigerd op basis van verweerders stelling dat sprake is van een
schijnhuwelijk.

De president overweegt als volgt.

2.9 Voor zover verweerder heeft bedoeld te stellen dat de enkele intentie
omtrent het aangaan of voortduren van het huwelijk in de onderhavige zaak
beslissend kan zijn, verdraagt dat standpunt zich niet met zijn eigen beleid.
Uit het bepaalde in de Vreemdelingencirculaire 1994, B1/1.2.1 kan niet worden
afgeleid dat het vermoeden dat het huwelijk – mede – is aangegaan met het
oogmerk toelating tot Nederland te verkrijgen grond is voor weigering van
(voortgezette) toelating indien sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Niet
in geschil is dat het huwelijk tussen verzoekster en referent rechtsgeldig
tot stand is gekomen en dat nietigverklaring van het huwelijk niet is
gevorderd. Evenmin kan uit enige (wettelijke) regeling worden afgeleid dat
het enkele feit dat het vermoeden bestaat dat een huwelijk slechts in stand
wordt gelaten met de bedoeling verblijf in Nederland te verkrijgen grond kan
zijn voor weigering van verblijf.

2.10 Voor zover verweerder met de stellingname in het bestreden besluit, het
verweerschrift en de schriftelijke toelichting van 31 januari 2001 bedoeld
heeft aan te geven dat niet aan de eis van samenwoning is voldaan als bedoeld
in B1/1.2.2 Vc. is de motivering tot heden onvoldoende overtuigend en
verdraagt die zich niet met de bewijsmiddelen in het dossier. De betiteling
“schijnhuwelijk” in de verhoren heeft buiten de context van de Wet voorkoming
schijnhuwelijken en B1/1.2.1 onvoldoende feitelijke betekenis om de conclusie
te rechtvaardigen dat niet aan de eis van samenwoning als bedoeld in B1/1.2.2
Vc. is voldaan. De tekst van zowel de aanhef van B1/1.2 derde liggende
streepje, als B1/1.2.2 Vc. laat voorts onduidelijkheid bestaan omtrent de
precieze reikwijdte van dit vereiste. Onduidelijk is of samenwonen in de zin
van samen een huis bewonen voldoende is, of dat verdergaande eisen aan de
(gemeenschappelijkheid van de) huishouding worden gesteld.
Daarnaast is niet in geschil is dat verzoekster en referent dezelfde woning
bewonen. In het dossier bevinden zich voorts tegenstrijdige verklaringen over
de invulling van de samenwoning en de gemeenschappelijke huishouding. Ten
aanzien van de financiën is in het proces-verbaal van het verhoor van 4
januari 2000 van referent als zijn verklaring opgenomen dat hij niets betaald
voor zijn vrouw of voor haar kinderen maar dat hij ƒ 400 van zijn vrouw
krijgt. Voorts is in de processen-verbaal van de verhoren van 11 januari 2000
van de heren Van
L. en D. als hun verklaring opgenomen dat verzoekster huur betaalt en dat
referent schoolboeken van de zoon en diens ziekenfonds betaalt. Van L.
verklaart voorts dat verzoekster alleen maar geld kost en dat zij alleen komt
als ze eten nodig heeft.

2.11 Verweerders standpunt dat referent niet duurzaam en zelfstandig beschikt
over voldoende middelen van bestaan, kan voorts zonder nadere motivering
evenmin als enkele afwijzingsgrond worden gebezigd. Daarbij heeft de
fungerend president in aanmerking genomen dat het dossier aanknopingspunten
bevat voor de conclusie dat referent mogelijk valt onder één van de
categorieën die worden vrijgesteld van het middelenvereiste, omdat in
voornoemde verklaring van Van L. gewag wordt gemaakt van de omstandigheid dat
referent wegens alcoholafhankelijkheid werk niet kan volhouden. Nadere
onderbouwing door verzoekster en onderzoek zijdens verweerder terzake is
derhalve geïndiceerd.

2.12 Een en ander brengt mee dat nader onderzoek in bezwaar nodig is naar de
vraag of aan B1/1.2.2 Vc. wordt voldaan. Op basis van de thans voorhanden
zijnde gegevens moet worden geconcludeerd dat het bezwaar een redelijke kans
van slagen niet kan worden ontzegd, zodat de uitzetting zolang niet op het
bezwaar is beslist, achterwege moet blijven.

2.13 De president acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 33b Vw.

2.14 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van
artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoekster gemaakte
proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde
Besluit vastgesteld op ƒ 1.420 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor
het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van
verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand,
dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit
bedrag te geschieden aan de griffier.

2.15 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82,
vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoekster het voor het
verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht ad ƒ 225 zal
vergoeden.

3. BESLISSING

De president:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in dier voege dat
verweerder uitzetting van verzoekster achterwege dient te laten totdat op het
bezwaarschrift van 31 maart 2000 is beslist;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier
van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.3 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door verzoekster betaalde griffierecht ad ƒ 225.

Rechters

Mr. Bruin

Instantie: Kantonrechter Groningen, 23 maart 2001

Instantie

Kantonrechter Groningen

Samenvatting


Werkneemster wil na haar zwangerschaps- en bevallingsverlof drie dagen per
week gaan werken. Werkgever stelt dat dit niet mogelijk is, omdat de klanten
bij wie zij
systeembeheerders als werkneemster detacheert, geen systeembeheerder voor
drie dagen willen. Werkneemster vraagt nu in rechte een voorlopige
voorziening tot vermindering van haar arbeidsduur. De kantonrechter overweegt
dat, als er daadwerkelijk geen werk zou zijn voor een deeltijdwerknemer, dit
een zwaarwegend belang is dat zich tegen vermindering van de arbeidsduur
verzet. In onderhevig geval is dit echter niet aannemelijk gemaakt. De
kantonrechter ziet niet in waarom bij werkgever geen behoefte zou zijn aan
een systeembeheerder die drie dagen werkt. De behoefte kan immers verschillen
al naar
gelang de grootte van een organisatie en het aantal systeembeheerders dat
daar werkzaam is. De taken van een systeembeheerder kunnen voorts op
verschillende tijdstippen gebeuren, als zij maar regelmatig gedaan worden.
Als werkgever geen werk heeft, dient bij zijn acquisitie daarop te richten.
Pas als zou blijken dat een inzet beneden de 90% economisch gezien niet
haalbaar is vanwege de kosten van acquisitie en
het feit dat er voor een deeltijder te weinig werk blijkt te zijn, kan een
zwaarwegend bedrijfsbelang aanwezig geacht worden. Werkneemster moet dus drie
dagen kunnen werken. Wel moet haar wens om vaste dagen te werken wijken voor
het belang van werkgever om te voorkomen dat niet inactief ‘op de bank’ zit.
Werkgever moet in echter niet van de ene dag op de andere en naar willekeur
werkdagen vaststellen, maar dient ernaar te streven dat er gedurende langere
tijd een vast patroon in de werkdagen zit.

Volledige tekst

OVERWEGINGEN

1. De gang van zaken
(…)

2 De feiten
Het volgende kan, gezien het over en weer aangevoerde, tussen partijen als
vaststaand worden aangemerkt.

2.1. Gedaagde is een landelijk opererend automatiseringsbedrijf. De
ondernemingsactiviteit bestaat uit het detacheren van
automatiseringsspecialisten bij bedrijven en instellingen; het gaat daarbij
om o.a. helpdesk-medewerkers, systeembeheerders en programmeurs. Vrijwel alle
medewerkers verrichten arbeid ge durende 40 uur per week, het minimale dienst
verband dat met gedaagde aangegaan kan worden is er een van 36 uur.
Medewerkers worden doorgaans in eerste instantie voor drie maanden ‘weggezet’
(zoals het jargon luidt) bij opdrachtgevers; veelal volgt er een verlenging.
Systeembeheerders werken daardoor gemiddeld 6 tot 9 maanden bij één
opdrachtgever.
In een door gedaagde naar buiten gebrachte ‘gebruikersondersteuning’ worden
de werkzaamheden van een systeem-/netwerkbeheer der in algemene zin aangeduid
als:
– na overleg met betrokkenen, installeren en beheren van apparatuur en
programmatuur van bestaande en in te voeren netwerkomgevingen
– zorg dragen voor de dagelijkse ondersteuning, beveiliging en
troubleshooting
– administreren en documenteren van complete systemen
In gedaagde’s regio Noord (omvattend een deel van Gelderland, geheel
Overijssel en de drie Noordelijke provincies) werken ongeveer 180
personeelsleden, waarvan ongeveer 70 personen arbeid verrichten als
gedetacheerd systeembeheerder’

2.2. Eiseres woont in Delfzijl. Zij was sinds 1 oktober 1998 in loondienst
van een vennootschap, welke per 1 maart 2000 is opgegaan in gedaagde. De
functie van eiseres is die van te detacheren systeembeheerder. De afgelopen
twee jaren heeft zij gedurende 40 uur per week gewerkt bij één inlener (de
gemeente Winschoten). Met ingang van 4 november 2000 is eiseres met
zwangerschapsverlof gegaan; in december is zij bevallen van een dochter.

2.3. Op 11 oktober 2000 heeft eiseres een schriftelijk verzoek ingediend bij
haar leidinggevenden. Zij wenste na beëindiging van haar zwangerschapsverlof
gedurende drie dagen in de week te gaan werken.
Op 26 november 2000 wees gedaagde dit ver zoek af. De bereidheid werd
uitgesproken om het dienstverband te beperken tot vier dagen in de week, met
dien verstande dat niet gegarandeerd zou kunnen worden dat de vrije dag
steeds op dezelfde dag in de week zou vallen.
Nadien is er nog correspondentie gevoerd over de kwestie, maar gedaagde bleef
bij haar stand punt.

2.4. Half maart 2001 heeft eiseres zich ziek gemeld.

3. De standpunten van partijen
3.1. Eiseres stelt dat het door gedaagde gehanteerde starre beleid dat iedere
gedetacheerde werknemer een arbeidsduur van tenminste 90% moet hebben, in
strijd is met de WAA; uitgangspunt van die wet is immers dat werk nemers er
recht op hebben vermindering van het arbeidsduur te vragen.
Eiseres wil drie dagen per week werken; een oppas zorgt dan voor haar
dochtertje. De andere twee dagen wil zij met het kind thuis zijn. In verband
met die oppas moeten de werkdagen
vaste dagen zijn; eiseres prefereert als vrije dagen de dinsdag en de
vrijdag.
Indien gedaagde haar verkoopactiviteiten daar op richt, zal het zeer wel
mogelijk zijn parttime gedetacheerden ‘weg te zetten’ bij afnemers; er zijn
in feite ook enkele ook part-time
detacheringen. Bovendien ligt er het gegeven, dat gedaagde wél wil instemmen
met een 80% functie; niet valt in te zien waarom een 60% functie niet zou
kunnen.
Er bestaan geen zwaarwegende bedrijfsbelangen die zich verzetten tegen
inwilliging van het verzoek. Bij gedaagde is sprake van onwil, niet van
onmacht.
Eiseres stelt dat haar ziekte zich beperkt tot een ‘griepje’, zij verwacht
spoedig hersteld te zijn.
Tot 1 april 2001 heeft zij oppas geregeld; vanaf die datum moet zij weten of
zij part-time kan werken.

3.2. Gedaagde stelt dat er geen mogelijkheiden zijn voor detachering van een
60%-systeem beheerder. Gedaagde is volledig afhankelijk van haar
opdrachtgevers. Die opdrachtgevers huren alleen systeembeheerders in voor
100%. Als een netwerk bij de opdrachtgever plat gaat, wenst de opdrachtgever
dat er een systeembeheerder aanwezig is om de zaak weer vlot te trekken. Men
wil ook geen systeembeheerder die voor drie dagen komt, met een collega die
de resterende twee dagen ingezet wordt. Van de systeembeheerders in de regio
Noord zijn er slechts drie werkzaam op een 90%-functie, alle anderen op een
100%-functie. Het is op de sterk concurrerende IT-markt onmogelijk op
drachten binnen te halen voor minder dan 100%.
Bij de enkele part-time detacheringen die er nu zijn, gaat het om bijzondere
gevallen (zoals een detachering van een systeembeheerder voor drie dagen en
aanvullend voor twee dagen de zelfde persoon als help-desk medewerker), aldus
gedaagde; eiseres kan daaraan geen argumenten ontlenen ten gunste van haar
standpunt.
Hoewel er binnen de organisatie nog geen ervaring is opgedaan met
systeembeheerders met een 80%-functie, is gedaagde bereid zich voor eiseres
in te zetten en een ad hoc-oplossing te zoeken.
Er is, zo stelt gedaagde, sprake van zwaarwichtige bedrijfsbelangen die zich
verzetten tegen inwilliging van het verzoek. Met een werkweek van 80% is het
al moeilijk genoeg, daar is misschien nog een mouw aan te passen, maar met
60% lukt dat niet.
De aanwezigheid van zwaarwichtige bedrijfsbelangen kan nader bewezen worden,
omdat dergelijk bewijs zich bezwaarlijk laat inpassen in een procedure tot
het vaststellen van voorlopige voorzieningen, zou alleen al op deze grond de
vordering moeten worden afgewezen.
Indien het verzoek al zou worden toegewezen wat betreft de omvang van de
werkzaamheden, ligt er het probleem van de spreiding van de uren over de
werkweek. Zoals eiseres wil – standaard de dinsdag en de vrijdag vrij – gaat
het hoe dan ook niet-, de klant zal moeten kunnen aangeven wat gewenst wordt,
eiseres dient zich daaraan aan te passen.
Gedaagde vraagt zich, tot slot, af of een verzoek überhaupt wel ingewilligd
kan worden gedurende een periode dat de werknemer arbeidsongeschikt is.

4. Beoordeling

4.1. De procedurele context waarin het verzoek van eiseres behandeld wordt,
is die van een spoedprocedure. Regel in een dergelijk geding is dat een
vordering slechts toewijsbaar is, indien aannemelijk is dat de vordering ook
in een bodemprocedure toegewezen zal worden.

4.2. Uitgangspunt voor de beoordeling van het verzoek is art. 2 WAA. In de
lid 4 van dat wetsartikel is verwoord – voor zover hier relevant – dat een
verzoek om aanpassing van de arbeidsduur zoals dat van eiseres, ingewilligd
wordt tenzij zwaarwegende bedrijfsbelangen zich daartegen verzetten. In lid 6
worden enkele voorbeelden gegeven van zulke zwaarwegende bedrijfsbelangen,
maar het door gedaagde aangevoerde valt hier niet onder.
Het is echter vanzelfsprekend dat indien voor een werknemer wiens arbeidsduur
verminderd is, in het geheel geen werk voorhanden is, er gesproken moet
worden van zwaarwegende bedrijfsbelangen als bedoeld in art. 2 lid 4 WAA.
(Verwezen kan in dit verband worden naar art. 2 lid 9 WAA, waarin verwoord is
dat indien er voor vermeerdering van de arbeidsduur onvoldoende werk
voorhanden is, een zwaarwegend bedrijfsbelang zich verzet tegen aanpassing
van de arbeidsduur.)
Gedaagde heeft gesteld dat zij eiseres niet ‘weg kan zetten’ als deze
werkneemster slechts voor 60% inzetbaar is. Gelet op de formulering van art.
2 lid 4 WAA, rust op gedaagde de bewijslast van de door haar ingenomen
stelling.
Gedaagde heeft niet aannemelijk gemaakt dat in een bodemprocedure zal blijken
dat er voor eiseres geen werk zal zijn, althans niet zal kunnen zijn. In
verband hiermee wordt het volgende overwogen.
a. Gedaagde doet het voorkomen dat bij op drachtgevers de organisatie altijd
zo ingericht is, dat er behoefte is aan óf detachering van een full-time
systeembeheerder, óf dat er geen vraag naar detachering is. Deze stellingname
overtuigt niet.
Vooropgesteld moet worden dat ‘systeembeheer’ niet per definitie één
veertig-urige taak betreft: in een kleine organisatie kan die functie in
aanzienlijk minder uren vervuld worden, in een grote organisatie zijn er
meerdere systeembeheerders actief (die – als de organisatie participeert in
de 24-uurs economie – deels gelijktijdig werken, deels elkaar afwisselen).
Het lijkt waarschijnlijk dat er bij opdrachtgevers met regelmaat behoefte
zal zijn aan de inzet van een part-time systeembeheerder, om dat met de eigen
mensen het werk nét niet af komt, dan wel omdat eigen medewerkers tijdelijk
gedeeltelijk niet inzetbaar zijn door ziekte, vakantie, ouderschapsverlof,
enzovoorts.
De behoefte aan de inzet van een part-time systeembeheerder kan ook
verondersteld worden aanwezig te zijn als gekeken wordt naar de taken van een
systeembeheerder (zie onder 2. l).
Voor de activiteit ’trouble shooting’ mag weliswaar verondersteld worden dat
permanente aanwezigheid van ‘een’ systeembeheerder noodzaak is, maar voor de
ándere taken (instaleren en beheren, alsmede administreren en documenteren)
geldt dat het min of meer onverschillig lijkt op welke tijdstippen het ge
beurt, als het maar met regelmaat plaatsvindt.
Afsluitend: het gezond verstand zegt dat het niet zo kan zijn dat gedaagde
met geen mogelijkheid part-timers ‘weg kan zetten’.
De opgave van gedaagde dat zij – met moeite een 80%-functie zal kunnen
invullen, welke functie niet principieel verschilt van een 60% functie, geeft
ook grond voor de twijfel aan de
juistheid van het standpunt van gedaagde.
b. Gedaagde heeft ter onderbouwing van haar stelling dat er geen vraag is
naar part-time gedetacheerden louter overgelegd een overzicht van (de
werkzaamheden van) haar eigen systeembeheerders. Van die personen is echter
bekend dat zij tenminste 90%, maar bijna allen 100% werken; daar zijn zij
immers op aangenomen. Gedaagde heeft echter niet overgelegd informatie van
een branchevereniging of marktgegevens waaruit blijkt dat niet alleen bij
gedaagde, maar ook elders in de sector er niet part-time gedetacheerd wordt.

4.3. Indien het juist is dat gedaagde op dit moment geen aanvragen ontvangt
voor de inzet van part-time systeembeheerders, zal zij haar acquisitie daarop
moeten gaan richten. Een dergelijke inspanning mag van gedaagde worden
verwacht. De WAA legt immers werkgevers de verplichting op om zo mogelijk mee
te werken aan aanpassing van arbeidsduur, waar bij door de wetgever
(gedurende de discussie over de zwaarwegende bedrijfsbelangen) bedacht is dat
extra kosten door de werkgevers (niet: door de overheid) gedragen worden.
Eerst als blijkt dat – gelet op de kosten van acquisitie enerzijds, de
onevenredige ‘leegloop’ (perioden van inactiviteit) van part-timers
anderzijds – inzet beneden de 90% economisch niet haalbaar is, kan een
zwaarwegend bedrijfsbelang aanwezig geacht worden.

4.4. Doordat nu bij voorlopige voorziening gedaagde – die onwillig lijkt het
experiment van part-timers binnen haar bedrijf aan te gaan verplicht wordt de
arbeidsduur van eiseres aan te passen, zal ervaring kunnen worden opgedaan;
indien een bodemprocedure volgt, zal die ervaring ingebracht kunnen worden,
opdat er door de rechter rekening mee gehouden kan
worden.

4.5. Resteert nog de kwestie van de spreiding van de werkzaamheden van
eiseres over de week.
Hier geldt de regel van art. 2 lid 6 WAA: de werkgever stelt de werktijden
vast overeenkomstig de wensen van de werknemer, maar hij kan anders beslissen
‘indien hij daarbij een zodanig belang heeft dat de wens van de werknemer
daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken ‘.
Het is begrijpelijk dat eiseres vastigheid wil, opdat zij afspraken met haar
oppas kan maken.
Evident is evenwel dat inzetbaarheid die zich geheel en al beperkt tot de
maandag, woensdag en donderdag, het voor gedaagde moeilijker zal maken
eiseres te detacheren. Honorering van de wens van eiseres zou alle lusten bij
haar leggen, slechts de lasten bij gedaagde.
Indien part-time detachering slechts op dinsdag en/of vrijdag kan, moet de
wens van eiseres om op die dagen niet te werken naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid wijken voor
het belang van gedaagde dat deze werknemer niet inactief ‘op de bank’ zit.
Eiseres zal het met de oppas zó moeten regelen, dat eventueel ook op andere
dagen voor het dochtertje gezorgd kan worden. Eiseres en oppas mogen slechts
van gedaagde verwachten, dat deze niet van de ene dag op de andere en naar
willekeur werkdagen vaststelt, ook gedaagde moet er ook naar streven dat
gedurende langere tijd er een vast patroon in de werkdagen zit, in beginsel
(zie art. 2 lid 6 WAA) overeenkomstig de wensen van de werknemer.

4.6. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid staat er niet aan in de weg dat een
verzoek krachtens de WAA ingewilligd wordt.

4.7. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient gedaagde te
worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING EX ART. 116 WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING

De kantonrechter:
1. veroordeelt gedaagde om binnen twee weken na betekening van dit vonnis mee
te werken aan vermindering van de arbeidsduur van eiseres van 40 uur per week
naar 24 uur per week, met zo mogelijk de navolgende spreiding van die uren:
maandag, woensdag en donderdag telkens acht uren, dinsdag en vrijdag nul
uren;
2. veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen voor elke dag dat gedaagde
in gebreke blijft om aan het onder 1 besliste te voldoen, een dwangsom van ƒ
250 met een maximum van ƒ 50.000;
3. veroordeelt gedaagde om de kosten van deze procedure te voldoen,
4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Dijkers

Instantie: Rechtbank Leeuwarden, 21 maart 2001

Instantie

Rechtbank Leeuwarden

Samenvatting


De man heeft verzocht om vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en
het minderjarige kind K. (hij heeft K. verwekt maar niet erkend). In geschil
hierbij is onder meer de vraag of er sprake is van een nauwe persoonlijke
betrekking tussen de man en de minderjarige in de zin van artikel 1:377f BW.
Gebleken is dat de man K. maar één keer kort heeft gezien, toen deze twee
weken oud was, bij welk contact hij K. zelfs niet heeft aangeraakt. Ook is
hij niet betrokken geweest bij de geboorte. Daarom concludeert de rechtbank
dat de man geen band met de minderjarige zelf heeft opgebouwd die kan worden
aangemerkt als een nauwe persoonlijke betrekking. De enkele omstandigheid dat
hij de verwekker is levert die betrekking ook niet op.
Ook de relatie die de man en de vrouw voor de geboorte van de minderjarige
hadden brengt niet mee dat er een nauwe persoonlijke betrekking als hiervoor
bedoeld moet worden aangenomen.

Volledige tekst

PROCESGANG

De man heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoekschrift ertoe
strekkende dat een omgangsregeling zal worden vastgesteld tussen hem en de
minderjarige [personalia minderjarige]. De vrouw heeft een verweerschrift
ingediend. Behandeling vond plaats ter terechtzitting met gesloten deuren van
deze enkelvoudige kamer op 11 januari 2001 en 8 februari 2001.
Bij de stukken bevinden zich brieven d.d. 15 november 2000, 4 december 2000
en 11 december 2000, van mr. J.F. Rouwé-Danes, brieven d.d. 20 november 2000,
8 januari 2001 en 9 januari 2001, van mr. L.C. Bruggink-de Bruyn Kops, en een
brief d.d. 21 december 2000, van mr. P. Stehouwer.

RECHTSOVERWEGINGEN

Naar aanleiding van het ter terechtzitting verhandelde en gelet op de
aanwezige bescheiden overweegt de rechtbank het volgende.
1. In geschil is onder meer de vraag of er sprake is van een nauwe
persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarige in de zin van
artikel 1:377f BW.
2. Gebleken is dat de man de minderjarige maar één keer kort op een
politiebureau heeft gezien, toen deze twee weken oud was, bij welk contact
hij de minderjarige zelfs niet heeft aangeraakt. Ook is de man niet betrokken
geweest bij de geboorte. Ook de enkele omstandigheid dat de man de verwekker
is van de minderjarige levert niet een dergelijke betrekking op.
3. Ten aanzien van de vraag of de relatie die de man en de vrouw voor de
geboorte van de minderjarige hadden met zich meebrengt dat er een nauwe
persoonlijke betrekking als bovenbedoeld moet worden aangenomen overweegt de
rechtbank als volgt. Partijen verschillen van mening over de aard en de
intensiteit van de relatie die zij hebben gehad. De man stelt dat partijen
anderhalf jaar feitelijk hebben samengewoond in die zin dat hij meerdere
dagen per week bij de vrouw verbleef. Niet geheel duidelijk is op welke
periode hij precies doelt. Ook stelt hij dat partijen in oktober 1998 een
Islamitisch huwelijk hebben gesloten. De vrouw ontkent dat er sprake is van
een dergelijk huwelijk. Zij heeft gesteld dat partijen een min of meer hechte
relatie hebben gehad van 27 juli 1998 tot 24 december 1998 en vervolgens tot
26 februari 1999 een “knipperlichtrelatie” waarbij het ongeveer de helft van
de tijd “aan” was tussen hen. Na 26 februari 1999 zagen partijen elkaar niet
meer. Op 21 mei 1999 hadden zij evenwel, na een toevallige ontmoeting,
geslachtsgemeenschap, waardoor de vrouw zwanger raakte. Volgens de vrouw is
zij op 7 juli 1999 door de man bedreigd met een mes en mishandeld. Hierna is
de vrouw uit angst voor de man bij haar ouders gaan wonen en heeft zij
contact met hem vermeden. De man ontkent de gestelde bedreiging en
mishandeling en beweert gedurende de zwangerschap buiten medeweten van de
ouders van de vrouw nog intiem contact met haar te hebben gehad.
4. Dat partijen elkaar in de periode voor 21 mei 1999 gedurende bijna drie
maanden niet hebben gezien is door de man niet weersproken. Ook heeft hij
geen feiten aangevoerd die impliceren dat partijen in die maanden wel contact
hebben gehad. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat ten tijde van de
verwekking geen sprake was van een zodanige relatie tussen partijen dat deze
in voldoende mate op één lijn kan worden gesteld met een huwelijk.
5. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, voor zover er sprake is geweest
van contacten tussen partijen tijdens de zwangerschap, zoals de man beweert,
dit niet kan leiden tot de
gevolgtrekking dat partijen toen een in voldoende mate met een huwelijk
gelijk te stellen relatie onderhielden, althans een relatie waaruit een nauwe
persoonlijke betrekking tussen
de man en de minderjarige zou kunnen ontstaan.
6. Voor zover moet worden aangenomen dat er sprake is van een Islamitisch
huwelijk tussen partijen -de man heeft geen enkel zinnig bewijsstuk terzake
overgelegd- heeft dit geen rechtskracht hier te lande. Weliswaar zegt het
iets over de intenties die partijen in oktober 1998 hadden, maar het doet
niets af aan de omstandigheid dat de aard van hun verhouding zich nadien
ingrijpend heeft gewijzigd.
7. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de
omstandigheden voor en na de geboorte van de minderjarige, zowel afzonderlijk
als in onderlinge samenhang bezien, niet de conclusie kunnen dragen dat er
een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan tussen de man en de
minderjarige in de zin van artikel 1:377f BW.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding in te gaan op het door de man gedane
bewijsaanbod, nu bewijs van zijn stellingen niet zal kunnen leiden tot een
ander oordeel.
9. Op grond van het bovenstaande zal de man niet-ontvankelijk worden
verklaard.
10. De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden, nu het een
familierechtelijke kwestie betreft.

BESLISSING

De rechtbank:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Brons

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 20 maart 2001

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Beide ouders hebben de rechtbank in 1997 verzocht om in het belang van het kind (Z.) de vader, respectievelijk de moeder alleen te belasten met het gezag over het kind. In de loop van de procedure is de verblijfplaats van het kind gewijzigd en inmiddels verblijft het al geruime tijd bij de vader in Marokko. Het Hof stelt dat niet de Nederlandse rechter, maar de rechter van het land waar het kind zijn gewone verblijf heeft, bevoegd is. Het Hof past daartoe het Hkv analoog toe nu Marokko geen verdragsland is.

Volledige tekst

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE TOT DEZE BESCHIKKING

1.1. Voor het geding in eerste aanleg en het verloop van de procedure in hoger beroep tot deze beschikking verwijst het hof naar zijn beschikking van 21 oktober 1997.

1.2. Bij de hiervoor genoemde beschikking heeft het hof (onder meer) de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo (verder: “de Raad”) verzocht een nader onderzoek in te stellen als in die beschikking onder 4.9 omschreven en daaromtrent te rapporteren.

1.3. Het hof heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder een brief van de raad van 29 juni 1999 met bijlagen, een brief van mr s. Nauta, advocaat te Enschede en voormalig kantoorgenoot van de advocaat van de vader, van 29 juli 1999 en een brief van mr. O.J. Steenaert, advocaat van de moeder, van 30 juli 1999.

2. DE MOTIVERING VAN DE BESLISSING

2.1 Uit de brief van de raad van 29 juni 1999, met de daarbij gevoegde stukken, blijkt dat de raad geen contact heeft kunnen (doen) leggen met de vader. Een onderzoek zoals door het hof verzocht heeft de raad derhalve niet kunnen (doen) instellen.

2.2 Zoals uit de hiervoor genoemde beschikking onder 4.5 blijkt, verbleef Z. ten tijde van die beschikking al geruime tijd bij de vader in Marokko. Mede gelet op de inhoud van de brief van mr. Nauta van 29 juli 1999 gaat het hof ervan uit dat in die situatie sindsdien geen wijziging is opgetreden.

2.3 Allereerst dient daarom de vraag te worden beantwoord of het hof bevoegd is gebleven kennis te nemen van het verzoek op grond van artikel 1:251 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder: ‘BW’) dat zowel de moeder – bij haar inleidend verzoekschrift in eerste aanleg – als de vader- bij zijn verweerschrift in eerste aanleg, zij het subsidiair – elk afzonderlijk hebben gedaan om in het belang van het kind te bepalen dat het gezag over (onder meer) Z. alleen aan haar respectievelijk alleen aan hem toekomt. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

2.4 In het algemeen is voor de bevoegdheid van de rechter beslissend het tijdstip waarop in eerste aanleg zijn tussenkomst wordt ingeroepen. Dit betekent dat wanneer, beoordeeld naar dat tijdstip, bevoegdheid bestaat, een latere wijziging in de omstandigheden welke die bevoegdheid bepalen, in het algemeen aan die bevoegdheid geen afbreuk meer kan doen. Als hiervan wordt uitgegaan, komt aan het hof derhalve rechtsmacht toe.

2.5 Het hof oordeelt evenwel dat op het onder 2.4 bedoelde beginsel in het onderhavige geval een uitzondering moet worden gemaakt. Het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen van 5 oktober 1961 (Trb. 1968, 101) (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961: hierna: ‘HKV’) is hier op grond van artikel 13 HKV formeel weliswaar niet meer van toepassing – Z. heeft, nu Marokko geen partij is bij het HKV, zijn gewone verblijfplaats immers niet meer in een Verdragsluitende Staat – doch het hof acht het aangewezen het HKV niettemin ook in het onderhavige geval, zij het analogisch, toepasselijk te achten, nu het hof de aan het HKV ten grondslag liggende uitgangspunten ten volle onderschrijft.

2.6 Die in artikel 1 HKV vervatte uitgangspunten komen, kort samengevat, hierop neer dat het belang van de minderjarige doorslaggevend is, ook in bevoegdheidsvragen, en dat het belang van de te beschermen minderjarige het beste wordt gediend wanneer de autoriteiten van diens gewone verblijf tot het nemen van zo’n maatregel bevoegd zijn. Hieruit vloeit de in artikel 5 HKV neergelegde regel voort, te weten dat de verandering van dat gewone verblijf ipso facto leidt tot overgang van bevoegdheid, hetgeen betekent dat de autoriteiten van het oude gewone verblijf daardoor hun bevoegdheid tot het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 1 verliezen terwijl die van het nieuwe gewone verblijf de bevoegdheid daartoe verkrijgen. Die regel moet ook toepassing vinden wanneer de verandering van het gewone verblijf zich voordoet in de loop van een rechtsgeding waarvan het nemen van een maatregel als in artikel 1 bedoeld (mede) de inzet is.

2.7 Naar het oordeel van het hof bestaat in elk geval goede grond die regel in het onderhavige geval van toepassing te achten. Het hof betrekt daarbij dat Z. – die zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit heeft – ten tijde van voornoemde beschikking van dit hof, die dateert van 21 oktober 1997, al geruime tijd bij de vader in Marokko verbleef, sindsdien reeds meer dan drie jaren zijn verstreken en in voornoemde brief van mr. Nauta onder meer wordt gesteld dat de vader en Z. ‘zeer bewust’ naar Marokko zijn vertrokken en destijds van plan waren ‘nimmer naar Nederland terug te keren’. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat de belangen van Z., die thans reeds gedurende een langdurige periode in Marokko verblijft en kennelijk niet op korte termijn naar Nederland terug zal keren, het best kunnen worden gekend door de rechter ter plaatse en beslissingen omtrent het gezag derhalve het best kunnen worden genomen door de Marokkaanse rechter.

2.8 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan de Nederlandse rechter te dezen geen rechtsmacht meer toekomt en dat het hof zich derhalve onbevoegd zal moeten verklaren om van het verzoek van de moeder respectievelijk de vader, voor zover betrekking hebbend op de gezagsvoorziening over Z., kennis te nemen.

2.9 Nu partijen gewezen echtgenoten zijn zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren als na te melden.

3. DE BESLISSING

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart zich onbevoegd om van het verzoek van de moeder respectievelijk de vader, voor zover betrekking hebbend op de gezagsvoorziening over Z., kennis te nemen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Van der Kwaak, Fokker, Katz-Soeterboek

Instantie: President Rechtbank Haarlem, 16 maart 2001

Instantie

President Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Er is door de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld met veroordeling van
de vrouw tot nakoming van de omgangsregeling op straffe van een dwangsom. Aan
de omgangsregeling wordt echter geen uitvoering gegeven. De man is vervolgens
de dwangsommen gaan innen. In dit kort geding vordert de vrouw staking van de
executie van het vonnis waarbij de dwangsommen werden vastgesteld alsmede
terugbetaling van de reeds geïncasseerde dwangsommen.
De vrouw baseert haar vordering onder meer op de stelling dat zij in de
onmogelijkheid heeft verkeerd om aan de veroordeling tot nakoming van de
omgangsregeling te voldoen. Het kind heeft iedere medewerking aan de
omgangsregeling geweigerd. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij
altijd de mogelijkheid van omgang tussen het kind en de man heeft
opengehouden en dat zij de wens van de man om contact met het kind te hebben
herhaaldelijk met het kind heeft besproken. Twee maal heeft de vrouw de man
in haar woning ontvangen en het kind gevraagd bij zijn vader te komen. Beide
malen heeft het kind geweigerd de man te ontmoeten.
De President overweegt nog dat, in de gegeven omstandigheden, aan de vrouw
tegengeworpen zou kunnen worden dat het ouderlijk gezag haar de bevoegdheid
geeft beperkingen op te leggen aan de wil van het kind. Echter, zo vervolgt
de President, de wijze waarop de ouderlijke gezagsbevoegdheid tegen de onwil
van een kind kan worden ingezet is niet onbegrensd. In dit geval heeft de
vrouw gedaan wat binnen haar mogelijkheden lag en zou het onredelijk zijn
meer inspanning van haar te vergen.
Dit leidt ertoe dat de vrouw in het gelijk wordt gesteld en haar vorderingen
worden toegewezen.

Volledige tekst

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1. Ter terechtzitting van 15 december 2000 heeft de vrouw overeenkomstig de
dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna onder 3. weergegeven.

1.2. Na toelichting op de vordering van de zijde van de vrouw, verweer van de
man en verder debat in tweede termijn heeft de president de zaak aangehouden
in afwachting van een proefcontact tussen de man en het kind van partijen.

1.3. Nadat dat contact had plaatsgevonden is de behandeling van de zaak
voortgezet ter terechtzitting van 5 februari 2001. Bij die gelegenheid hebben
partijen hun standpunten nader toegelicht en desgevraagd inlichtingen
verstrekt.

1.4. Vervolgens is de zaak pro forma aangehouden om partijen in de
gelegenheid te stellen hun geschil in der minne te regelen. Partijen zijn
daarin niet geslaagd. De vrouw heeft onder overlegging van de stukken vonnis
gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan.

a. Partijen hebben met elkaar samengewoond. Uit hun relatie is op 7 februari
1989 geboren het kind P. De man heeft P. erkend. De vrouw heeft het gezag
over P.

b. Bij beschikking van 23 april 1996 heeft deze rechtbank een omgangsregeling
vastgesteld, inhoudende dat de man en P. gedurende de eerste drie maanden
nadat de beschikking in kracht van gewijsde zou zijn gegaan, gerechtigd zijn
eenmaal per twee weken omgang met elkaar te hebben op een in overleg met en
onder begeleiding van de Raad voor de Kinderbescherming vast te stellen
plaats en tijdstip en dat daarna de man en P. gerechtigd zijn eenmaal twee
weken gedurende een dag in het weekend van 10.00 uur tot 1.6.00 uur omgang
met elkaar te hebben.

c. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft voormelde beschikking bij beschikking
van 14 november 1996 bekrachtigd.

d. Bij vonnis in kort geding van 1 juli 1997 heeft de president van deze
rechtbank de vrouw op verbeurte van een dwangsom van ƒ 250 per overtreding
veroordeeld de bij de beschikking van 23 april 1996 vastgestelde
omgangsregeling na te komen. Dat vonnis is door het gerechtshof te Amsterdam
bij arrest van 4 december 1997 bekrachtigd.

e. Aan de vastgestelde omgangsregeling is geen uitvoering gegeven.

f. Het vonnis van 1 juli 1997 is op 7 mei 1998 aan de vrouw betekend met
bevel om aan de inhoud ervan te voldoen.

g. Op 2 november 1998 heeft de man aan de vrouw bevel gedaan om ƒ 2.500
(vermeerderd met kosten) aan verbeurde dwangsommen te voldoen wegens het niet
nakomen van de omgangsregeling in de periode van 7 mei 1998 tot en met 24
september 1998. Voormeld bedrag is door middel van beslag onder de werkgever
van de vrouw geïncasseerd.

h. Op 8 november 2000 heeft de man aan de vrouw bevel gedaan om ƒ 22.500
wegens verbeurde dwangsommen te voldoen.

i .Op 10 november 2000 heeft de-vrouw een verzoekschrift ingediend, daartoe
strekkende dat de thans geldende omgangsregeling wordt stopgezet.

j. Op 28 november 2000 heeft de man ten laste van de vrouw onder de Stichting
Nova College, alsmede onder de maatschap Notaris Maatschap Batenburg en de
stichting Stichting Derdengelden Notaris Maatschap Batenburg executoriaal
derdenbeslag gelegd voor een bedrag ƒ 22.815 wegens verbeurde dwangsommen en
bijkomende kosten.

k. Na de behandeling van deze zaak ter terechtzitting van 1 5 december 2000
heeft op 6 januari 2001 een contact tussen de man en P. plaatsgehad. De
raadsman van de vrouw heeft hieromtrent aan de president het volgende
bericht:
(…)
Op 6 januari j.l. heeft er een kontact plaatsgevonden tussen de heer
Jorritsma en zijn zoon ten huize van cliënte. Dit contact heeft ongeveer 3
kwartier geduurd. Het is rustig verlopen. Maar P. heeft aan zijn moeder
kenbaar gemaakt voorlopig geen contact meer te willen. Hij weet nu wie zijn
vader is.
(…)

3. DE VORDERING EN DE GRONDSLAG DAARVAN

3.1. De, vrouw vordert dat de president bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad
de man op verbeurte van een dwangsom zal bevelen de executie van het vonnis
van de president van deze rechtbank van 1 juli 1997 binnen 24 uur na
betekening van het te wijzen vonnis te staken en de man zal veroordelen om
aan eiseres de somma van ƒ 2.731, althans ƒ 23l te betalen wegens ten
onrechte geïncasseerde dwangsommen

3.2. De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat:
– de man in de situatie dat geen omgang plaats vond heeft berust;
– de vrouw in de onmogelijkheid verkeerde aan de veroordeling te voldoen,
omdat P. zeer afwijzend stond tegenover contact met de man;
– de verbeurde dwangsommen, althans een deel daarvan, zijn verjaard.

4. HET VERWEER

De man heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd. Hierop zal, voor
zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

5.1. De vrouw baseert haar vordering- onder meer op de stelling dat zij in de
onmogelijkheid heeft verkeerd om aan de veroordeling tot nakoming van de
omgangsregeling te voldoen, doordat P. iedere medewerking aan de
omgangsregeling weigerde. Gelet op het bepaalde in art. 611 g Rv. Komt het
bij de beoordeling van deze stelling aan op de vraag, of er in de zes maanden
voorafgaand aan de sub 2.h. genoemde aanzegging sprake is geweest van
onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen.

5.2. Naar heersende rechtsopvatting mag de in artikel 611 d Rv. bedoelde
“onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen” in subjectieve zin worden
opgevat. Dat brengt mee dat rekening wordt gehouden met de omstandigheden
waarin de veroordeelde verkeerde en met zijn mogelijkheden. Hierbij spelen
ook de redelijkheid en billijkheid een rol.

5.3. De vrouw heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de mogelijkheid van
omgang tussen de man en P. altijd heeft opengehouden en dat zij de wens van
de man om contact met P. te hebben herhaaldelijk met P. heeft besproken. P.
heeft daarop altijd afwijzend gereageerd. In maart 1998 is de man, na zijn
bezoek per brief te hebben aangekondigd, twee maal naar de woning van de
vrouw gekomen om P. te ontmoeten. De vrouw heeft de man in haar woning
ontvangen en heeft P. gevraagd bij zijn vader te komen. Beide malen heeft hij
P. niet gezien omdat deze, ook na herhaald verzoek van de vrouw, weigerde de
man te ontmoeten.

5.4. Ook na het contact tussen de man en P. in januari jl. heeft P. te kennen
gegeven voorlopig geen contact meer te willen.

5.5. In de gegeven omstandigheden zou, wat betreft de relevante periode, aan
de vrouw kunnen worden tegengeworpen dat het ouderlijk gezag haar de
bevoegdheid heeft beperkingen op te leggen aan de wil van P.. De wijze waarop
de ouderlijke gezagsbevoegdheid tegen de onwil van een kind kan worden
ingezet is echter niet onbegrensd. In de onderhavige situatie is voldoende
aannemelijk geworden dat de vrouw in de evenbedoelde periode heeft gedaan wat
binnen haar mogelijkheden lag om tot uitvoering van de omgangsregeling te
komen en dat het onredelijk zou zijn meer inspanning van haar te vergen. De
president stelt in dit verband vast dat niet bestreden is dat P. na het
proefcontact heeft laten weten voorlopig geen contact meer te willen. Dat
rechtvaardigt de conclusie dat de vrouw gedurende genoemde periode in de
onmogelijkheid heeft verkeerd aan de veroordeling om mee te werken aan de
uitvoering van de omgangsregeling te voldoen.

5.6. Het voorgaande betekent dat de vordering toewijsbaar is. De
omstandigheid dat partijen gewezen levenspartners zijn is aanleiding om de
kosten van het geding tussen hen te compenseren als na te melden.

6. BESLISSING

De president:

6.2. Gelast gedaagde om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de
executie van het door de president van deze rechtbank op 1 juli 1997 tussen
partijen gewezen vonnis ten aanzien van de daarbij vastgestelde dwangsom te
staken.

6.3. Veroordeelt gedaagde de uit hoofde van voormeld vonnis in het kader van
de onderhavige executie geïncasseerde dwangsommen binnen 14 dagen na
betekening van dit vonnis aan eiseres terug te betalen.

6.3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

6.4. Compenseert de kosten van het geding tussen partijen aldus dat ieder de
eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Schotman

Instantie: Rechtbank Arnhem, 15 maart 2001

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


De inhoud van de met A. gesloten behandelingsovereenkomst hield in dat H.
(gynaecoloog in het Ziekenhuis Velp) verloskundige bijstand aan A. zou
verlenen tijdens de bevalling. Een dergelijke behandelingsovereenkomst wordt
zowel ten behoeve van het kind als ten behoeve van de moeder afgesloten. H.
is bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst jegens A.
tekort geschoten met als gevolg dat het kind tijdens de uitdrijving dan wel
enige minuten daarna is overleden. De dood van het kind kan als rechtstreeks
gevolg hiervan worden beschouwd. De schade die A. ten gevolge daarvan leidt
komt daarom in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge het bepaalde
in art. 7:462 BW is het ziekenhuis (mede) aansprakelijk voor die schade.
Zowel immateriële als materiële schade wordt toegewezen, voor een
totaalbedrag van ƒ 68.810.

Volledige tekst

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn. gewisseld:
1. conclusie van eis;
2. conclusie van antwoord;
3. conclusie van repliek;
4. conclusie van dupliek.
Vervolgens hebben partijen hun standpunten doen bepleiten. De pleitnotities
zijn als gedingstuk overgelegd. Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 Op 13 mei 1996 heeft A. zich op verwijzing van de verloskundige vervoegd
bij het door gedaagde geëxploiteerde ziekenhuis te Velp, afdeling
gynaecologie. Zij heeft toen een geneeskundige behandelingsovereenkomst
gesloten met een of meerdere in het ziekenhuis werkzame leden van de
maatschap gynaecologie voor het verlenen van verloskundige bijstand. Tijdens
de uitdrijving van het kind althans enige minuten na de uitdrijving is het
kind overleden.

2.2 A. heeft het Ziekenhuis op 18 juli 1997 op grond van artikel 7:462 lid 1
BW aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van een tekortkoming bij
de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De verzekeraar van het
Ziekenhuis, MediRisk, heeft na het inwinnen van medische inlichtingen bij
brief van 26 september 1997 namens het Ziekenhuis aansprakelijkheid erkend
voor onvoldoende zorg tijdens c.q. na de bevalling leidend tot het overlijden
van het kind van A. Op 10 oktober 1997 heeft de Inspecteur voor de
Gezondheidszorg voor Gelderland en Overijssel en op 27 oktober 1997 hebben A.
en haar echtgenoot bij het Medisch Tuchtcollege te Zwolle een klacht
ingediend tegen de gynaecoloog, die A. bij de bevalling heeft bijgestaan. Bij
beslissingen van 28 november 1998 heeft dit college de klachten afgewezen.
Van deze beslissingen zijn de genoemde Inspecteur voor de Gezondheidszorg
alsmede A. en haar echtgenoot in hoger beroep gekomen bij het Centraal
Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Bij beslissing van 16 maart 2000 heeft
het Centraal Tuchtcollege de beslissingen van het Medisch Tuchtcollege te
Zwolle vernietigd en de klachten tegen de gynaecoloog, J. gegrond verklaard
met oplegging van de maatregel van berisping.

2.3 Op 7 november 1997 heeft MediRisk in verband met de
aansprakelijkheidserkenning
ƒ 4.000 aan A. uitgekeerd.

3. HET GESCHIL EN DE BEOORDELING DAARVAN

3.1 Na wijziging van eis, waartegen het Ziekenhuis zich niet heeft verzet,
vordert A. veroordeling bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, het ziekenhuis te veroordelen tot betalen aan A. van:
1. ƒ 3.819,60, zoals nader berekend in alinea 16 van repliek, verhoogd met de
wettelijke rente vanaf 14 mei 1996, subsidiair vanaf 1 september 1997,
subsidiair vanaf de dag der dagvaarding, subsidiair vanaf de datum van
repliek;
2. ƒ 25.000 wegens smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14
mei 1996, subsidiair vanaf 1 september 1997, subsidiair vanaf de datum der
dagvaarding,
3. ƒ 52.500 wegens tijdelijk verlies van arbeidsvermogen, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 1 januari 1997, subsidiair vanaf 1 september 1997,
meer subsidiair vanaf de datum der dagvaarding;
4. ƒ 16.655,62 wegens buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 1 september 1997 c.q. datum van de dagvaarding, met
veroordeling van het Ziekenhuis in de proceskosten.

3.2 A. baseert haar vorderingen op het navolgende.

Het Ziekenhuis heeft aansprakelijkheid erkend voor onvoldoende zorg tijdens
c.q. na de bevalling, wat geleid heeft tot het overlijden van de dochter van
A., Marjolein. De behandelende gynaecoloog is ernstig jegens A.
tekortgeschoten, terwijl er ook sprake is van een slechte
ziekenhuis-organisatie en gebrekkige apparatuur, als gevolg waarvan Marjolein
bij de bevalling is overleden. Het ziekenhuis is daarom op grond van artikel
7:446 BW en volgende in samenhang met artikel 7:462 lid 1 BW aansprakelijk
voor de schade, die A. hierdoor lijdt.

Ad schadeonderdeel 1
Deze schade specificeert A. als volgt:
A. materiële schade ƒ 2.100
B. opgenomen vakantiedagen – 624,60
C. crematiekosten e.a. – 5.095
++++++++++++
Totaal ƒ 7.819,60
Reeds betaald – 4.000
++++++++++++
Totaal ƒ 3.819,60

Ad schadeonderdeel 2
Wat smartengeld betreft stelt A. dat zij heeft geleden aan een
posttraumatische stressstoornis met verlaat begin. Dit rechtvaardigt een
smartengeld van ƒ 25. 000.

Ad schadeonderdeel 3
Er is sprake geweest van een pathologisch rouwproces. A. heeft haar werkgever
toen onbetaald verlof gevraagd wat is afgewezen. Zij kon toen de
oppasproblemen, die ontstaan waren omdat haar oppas had opgezegd, niet meer
pareren als gevolg van haar psychische toestand. Bovendien werd zij bij haar
werk als wijkverpleegkundige in de jeugdzorg geconfronteerd met blije baby’s
en dito ouders. In verband met een en ander heeft zij haar werk als
wijkverpleegkundige met ingang van 1 januari 1997 opgezegd. Zij lijdt
derhalve schade wegens tijdelijk verlies van arbeidsvermogen. Een looptijd
van 30 maanden is redelijk. Uitgaande van een netto inkomen (inclusief
vakantiegeld) van ƒ 1.750 per maand komt dat uit op ƒ 52.500.

A. heeft voorts een aantal vakantiedagen opgenomen, die onder
‘ouderschapsverlof’ zouden zijn gevallen als Marjolein was blijven leven. In
totaal zijn 132 vakantie-uren opgenomen in 1996. Het is redelijk om 32 uur
daarvan toe te rekenen aan de pathologische rouwverwerking als gevolg van de
medische fouten.

Tenslotte is er overlijdensschade van ƒ 7.819,60 totaal. Naast de kosten van
crematie ad.
ƒ 5.095, heeft A. nog een aantal kosten in verband met het overlijden van
Marjolein gemaakt, welke vallen onder de criteria van artikel 6: 108 BW.

Ad schadeonderdeel 4
A. vordert buitengerechtelijke kosten ten bedrage van ƒ 16.655,62. Deze
kosten betreffen de kosten van haar raadsvrouw, mr.Smits, in verband met haar
werkzaamheden vanaf 15 augustus 1996 t/m 7 juni 1999 in zowel de
tuchtprocedure als de onderhavige civiele procedure. In totaal heeft haar
raadsvrouw 60 uren hieraan besteed, waarvan redelijkerwijs 30 uur zijn toe te
rekenen aan de tuchtprocedure in eerste aanleg en 30 uur aan het vaststellen
van de aansprakelijkheid en schade. Een uurtarief van ƒ 304 (1999) en ƒ 327
(2000) exclusief 5 % kantoorkostenopslag en BTW is redelijk, gezien de
specialistische kennis van mr. Smits.

3.2 Het Ziekenhuis heeft een aantal verweren tegen de vordering aangevoerd,
die hieronder, voor zoveel nodig, aan de orde zullen komen,

4. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1 Tussen partijen is niet in geschil, dat op 13 mei 1996 een
behandelingsovereenkomst is gesloten tussen A. en de aan het ziekenhuis Velp
verbonden gynaecologenmaatschap. De rechtbank verwerpt de stelling van het
ziekenhuis, dat A. deze overeenkomst niet voor zichzelf, maar uitsluitend ten
behoeve van Marjolein heeft gesloten. Een vrouw die een
behandelingsovereenkomst sluit ter zake van een bevalling doet dit zowel voor
zichzelf als voor haar kind, omdat een bevalling zich nu eenmaal niet laat
denken zonder betrokkenheid van de moeder. Zowel de moeder als het kind zijn
derhalve partij bij de een dergelijke behandelingsovereenkomst.

Niet in geschil is, dat op 14 mei 1996 de bevalling van A. heeft plaats
gevonden onder leiding van de tot die maatschap behorende gynaecoloog H. De
inhoud van de met A. gesloten behandelingsovereenkomst hield naar het oordeel
van de rechtbank in, dat H. verloskundige bijstand aan A. zou verlenen
tijdens de bevallingen. A. mocht dus rekenen op een adequate behandeling van
haar en haar kind. H. heeft toen de waarschuwingssignalen, die konden duiden
op foetale nood bij het kind, bestaande uit een combinatie van aanzienlijke
en langdurige deceleratie van de kinderlijke harttoon op liet CTG, en aflopen
van meconiumhoudend vruchtwater miskend, heeft niet meteen ingegrepen en
heeft onvoldoende de regie van de bevalling ter hand genomen maar heeft in
plaats daarvan de moeder verlaten om op de polikliniek een patiënt te gaan
zien. Deze gang van zaken acht de rechtbank met het Centraal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg een ernstige tekortkoming in de algehele regievoering
bij deze bevalling. De rechtbank is daarom van oordeel, dat H. bij de
uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst jegens A. ernstig is
tekortgeschoten met als gevolg, dat het kind tijdens de uitdrijving dan wel
enige minuten daarna is overleden. De dood van Marjolein kan daarom als een
rechtstreeks gevolg van het tekortschieten van gynaecoloog H. jegens A.
worden beschouwd. De schade die zij ten gevolge daarvan leidt, komt daarom in
beginsel voor vergoeding in aanmerking. In gevolge het bepaalde in artikel
7:462 BW is het Ziekenhuis daarom (mede) aansprakelijk voor die schade. De
rechtbank zal hieronder de gevorderde schadeonderdelen nader bespreken.

4.2 Smartengeld.
Uit de brief van 2 februari 2000 van de huisarts van A., mevrouw Nahuijzen,
leidt de rechtbank af, dat twijfels rond het medisch handelen rond de
geboorte en het overlijden van Marjolein een gezonde rouwverwerking in de weg
zouden kunnen staan. Doordat het vertrouwen van A. in artsen was geschaad
bleek A. als het ware te blijven steken in de rouwverwerking, aldus mevrouw
Nahuijzen. De diagnose van de huisarts werd toen gesteld op een reactieve
depressie ten gevolge van een pathologische rouwverwerking. In verband
daarmee verwees de huisarts A. met spoed naar de eerste lijnspsychologe
mevrouw Puntman. Uit een brief d.d. 15 februari 2000 van deze psychologe aan
de raadsvrouw van A.concludeert de rechtbank, dat de diagnose van mevrouw
Puntman luidde: posttraumatische stressstoornis met verlaat begin. A. is toen
tien keer bij deze psychologe geweest. Adequate rouwverwerking duurt volgens
mevrouw Puntman zo’n drie a vier maanden. Volgens haar bestaat er een relatie
tussen de psychische klachten van A. en de medische fout, waardoor een vorm
van pathologische rouw is ontstaan. Op grond van deze twee brieven komt de
rechtbank tot de slotsom, dat er sprake is van geestelijk letsel bij A. als
gevolg van een toerekenbare tekortkoming van H.. Zij kan daarom aanspraak
maken op immateriële schade.

Mede gelet op het feit dat Marjolein zonder congenitale afwijkingen is
geboren, welk feit in psychisch opzicht extra bezwarend voor A. moet zijn en
(mede) met het oog op de pathologische rouwverwerking, is de rechtbank van
oordeel, dat een smartengeld van
ƒ 25.000 in dit geval op zijn plaats is. De rechtbank zal dit bedrag dan ook
toewijzen.

4.3 Schade wegens verlies van arbeidsvermogen ad. ƒ 52.500
Het Ziekenhuis betwist primair, dat A. deze schade heeft geleden; de
grondslag van de vordering is bovendien niet duidelijk, aldus het Ziekenhuis.
Daarnaast betwist het Ziekenhuis, dat er causaal verband zou bestaan tussen
toerekenbaar tekortschieten en deze gestelde schade. Het Ziekenhuis verwijst
in dit verband naar de brief van 22 oktober 1996 van A. aan haar werkgever,
de stichting Thuiszorg Midden-Gelderland, waarbij A. haar dienstverband per 1
januari 1997 opzegt en naar de daarin aangegeven motivering voor deze
opzegging. Er is dus sprake van een zelf gekozen beëindiging van het
dienstverband, aldus het Ziekenhuis.

De rechtbank oordeelt over dit verweer als volgt.
In vorengenoemde brief geeft A. als beweegredenen voor de opzegging aan, dat
die deels zijn gelegen in het persoonlijk vlak en deels in het thans niet
naar wens kunnen regelen van de opvang van haar aanstonds schoolgaande
dochter. Tevens gaf zij daarin aan graag bereid te zijn vanaf maart 1997 haar
diensten aan te bieden in het kader van vervangwerkzaamheden ten behoeve van
de JGZ.. Gezien de inhoud van de in r.o. 4.2 vermelde twee brieven van haar
huisarts en haar behandelend psychologe alsmede op de door A. zelf gegeven
toelichting op haar psychische situatie, die leidde tot het schrijven van
vorengenoemde opzeggingsbrief acht de rechtbank het aannemelijk, dat de
psychische gesteldheid van A. in verband met de pathologische rouwverwerking
van dien aard is geweest, dat zij in ieder geval vanaf 1 januari 1997 niet
meer in staat was haar werkzaamheden als wijkverpleegkundige JGZ(= Jeugd
Gezondheids Zorg) te verrichten. Voorts is A. tot 31 maart 1998 onder
behandeling geweest van de psychologe mevrouw Puntman. De rechtbank vindt in
een en ander aanleiding om ervan uit te gaan dat A. tot 31 maart 1998 in
verband met het door haar opgelopen psychisch letsel niet heeft kunnen
werken. Voor de periode na die datum heeft A. onvoldoende gesteld en is ook
onvoldoende gebleken, dat zij nog gedurende een jaar wegens haar psychische
situatie niet heeft kunnen werken.
Het Ziekenhuis heeft niet betwist, dat A.(afgerond) ƒ 1.750 per maand netto
inclusief vakantiegeld zou hebben verdiend. De rechtbank zal daarom 15 x ƒ
1.750 = ƒ 26.250 toewijzen.

4.4 Materiële uitgaven ad. ƒ 2.100.
Uit de door A. overgelegde brief van huisarts Nahuijzen d. d. 2 februari 2000
blijkt, dat het in de zomer van 1997 in psychisch opzicht steeds minder ging
met A. die tijdens de vakantiewaarneming diens collega Schonk consulteerde.
Na terugkomst van huisarts Nahuijzen heeft die de diagnose reactieve
depressie ten gevolge van een pathologische rouwverwerking, gesteld met
verwijzing naar psychologe mevrouw Puntman. De rechtbank acht het in verband
hiermee aannemelijk, dat A. vanaf medio augustus 1997 genoodzaakt was
huishoudelijke hulp in te roepen voor 2 1/2 uur per week. Een beloning van ƒ
15 per uur daarvoor is naar huidige maatstaven redelijk.

Nu A. op 3 maart 1998 mevrouw Puntman voor het laatst heeft bezocht is het
aannemelijk, dat A. naar zij stelt, vanaf medio augustus 1997 tot februari
1998 in verband met haar geestelijke situatie huishoudelijke hulp voor 2 1/2
uur per week nodig had. Dit houdt in, dat de rechtbank de gevorderde 24 x ƒ
37,50 = ƒ 975 zal toewijzen.

Uit de bij repliek als productie 22A overgelegde productie (besluit van IZA
d.d. 12 maart 1998) blijkt, dat de kosten van behandeling door de psychologe
slechts gedeeltelijk worden vergoed. De rechtbank acht het aannemelijk, dat
ook andere nota’s van mevrouw Puntman (producties 18 t/m 21 bij conclusie van
repliek) slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking zijn gekomen.
Ditzelfde geldt voor de overige in productie 14 door het IZA genoemde
bedragen. De rechtbank zal in verband hiermee het in productie 14 genoemde
bedrag van ƒ 725,16 alsmede de gevorderde ƒ 50 van productie 22A toewijzen.

Nu uit de overgelegde brief van haar huisarts is gebleken, dat A. in de zomer
van 1997 acute angst en paniekaanvallen heeft gehad, in verband waarmee zij
naar de psychologe werd verwezen, en mede gelet op de inhoud van de bij
repliek overgelegde producties 24 t/m 28 is het aannemelijk, dat A. in
verband met haar geestelijke toestand na een verblijf van één dag op camping
Tempelhof te Callandsoog weer naar huis moest terugkeren en haar echtgenoot
een extra reis Arnhem – Callandsoog heeft moeten maken om de op de camping
achter-gebleven caravan op te halen. De hoogte van het daarmee gemoeide
bedrag van ƒ 144 heeft het Ziekenhuis niet betwist en komt de rechtbank
redelijk voor. Zij zal daarom het ter zake gevorderde bedrag van ƒ l44
toewijzen.

De rechtbank acht het voorts aannemelijk, dat A. in verband met de
afwikkeling van haar vordering organisatiekosten oppaskosten heeft moeten
maken. De hiervoor gevorderde kosten van respectievelijk ƒ 135 en ƒ 60 komen
de rechtbank redelijk voor. Zij zal deze kosten derhalve toewijzen.

4.5 Opgenomen vakantiedagen
Het Ziekenhuis heeft niet betwist, dat in 1996 in totaal 132 vakantie-uren
zijn opgenomen door A. waarvan in de periode van 4 november 1996 t/m 1
december 1996 32 uur. A. stelt, dat zij in de laatstgenoemde periode haar
latente depressie niet herkende en zij zich achteraf gezien ten onrechte niet
ziek heeft gemeld. Nu in de zomer van 1996 feitelijk al sprake was van een
pathologische rouwverwerking is het aannemelijk, dat A. in laatstgenoemde
periode niet in staat is geweest haar werkzaamheden te verrichten als gevolg
van haar psychische situatie en zij zich ten onrechte niet ziek heeft gemeld,
maar zich wel gedwongen zag om in verband met haar geestelijke situatie 32
vakantie-uren op te nemen. Tegen de berekening van de schade, die daardoor
het gevolg is, heeft het Ziekenhuis geen verweer gevoerd. De rechtbank zal
daarom voor dit schadeonderdeel de gevorderde ƒ 624,60 toewijzen.

4.6 Overlijdensschade.
Op grond van liet bepaalde in artikel 6:108 BW vordert A. in totaal ƒ 5.095.
Deze kosten worden nader gespecificeerd in productie 30 van repliek en
betreffen (geschatte) reiskosten per auto, kinderopvang van de toen 3-jarige
dochter Karin en een groot aantal andere kosten, zoals in die productie nader
omschreven.

Voor zover deze kosten niet direct onder de kosten als bedoeld in artikel
6:108 BW vallen, dienen zij naar het oordeel van de rechtbank beschouwd te
worden als kosten die voortvloeien uit de jegens A. gepleegde wanprestatie,
die de dood van Marjolein tot gevolg heeft gehad. Mede gelet op de
aansprakelijkheidserkenning van het ziekenhuis jegens A. zoals hiervoor reeds
is beschreven, komen deze kosten dus ook voor vergoeding in aanmerking. Deze
kosten, die bovendien niet excessief hoog zijn, zullen door de rechtbank
daarom onder aftrek van de door Dela Uitvaartverzorging B.V. gedane betaling
van ƒ 248,67 worden toegewezen.

4.7 Buitengerechtelijke kosten.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:96 BW vordert A. op de in r. o. 3.2
aangevoerde
fl 16.655,62. Het Ziekenhuis voert hiertegen aan, dat de gevorderde
buitengerechtelijke kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van
genoemd artikel. Het Ziekenhuis heeft immers al op 26 september 1997
aansprakelijkheid erkend. Van noodzaak tot professionele bijstand in verband
met de ‘waarheidsvinding’, zoals A. stelt, is naar de mening van het
Ziekenhuis niet gebleken.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Na de aansprakelijkheidsstelling
van het Ziekenhuis op 18 juli 1997 heeft de verzekeraar van gedaagde,
MediRisk, bij brief van 26 september 1997 namens het Ziekenhuis
aansprakelijkheid erkend voor onvoldoende zorg tijdens c.q. na de bevalling,
leidend tot het overlijden van Marjolein. Op 10 oktober 1997 heeft de
Inspecteur voor de Gezondheidszorg bij het Medisch Tuchtcollege te Zwolle een
klacht ingediend tegen gynaecoloog H. waarna A. en haar echtgenoot op 27
oktober 1997 eveneens tegen H. een klacht hebben ingediend. Op zichzelf is
het indienen van een klacht tegen H. door A. en haar echtgenoot niet
onbegrijpelijk, maar zeker nu de Inspecteur voor de Gezondheidszorg al ruim
veertien dagen eerder een klacht had ingediend was het voor de
‘waarheidsvinding’, waaronder de rechtbank verstaat het komen vaststaan van
de feiten, niet nodig, dat de ouders zelf een klacht indienden. Van de
advocaatkosten, die gemoeid waren met de behandeling van de tuchtzaak tegen
H. bij het Medisch Tuchtcollege en de behandeling van de tuchtzaak tegen H.
bij het Medisch Tuchtcollege en bij het Centraal Medisch Tuchtcollege kan
daarom niet gezegd worden, dat zij vallen onder de redelijke kosten ter
vaststelling van schade en aansprakelijkheid dan wel redelijke kosten ter
verkrijging van voldoening buiten rechte.

Door de erkenning van aansprakelijkheid kort na de aansprakelijkheidstelling
van het Ziekenhuis kan ook niet gezegd worden, dat er aan de zijde van A.
kosten van grote omvang ten behoeve van de vaststelling van aansprakelijkheid
gemaakt zijn.
Zoals het Ziekenhuis ook opmerkt, houdt de omvang van de schade partijen
verdeeld, waarbij diverse principiële punten ook in de procedure naarvoren
zijn gekomen. De rechtbank acht het aannemelijk dat dit aanleiding is geweest
voor langdurige discussies tussen partijen, waarmee de nodige tijd van mr.
Smits gemoeid zal zijn geweest.

Ook op toepassing van een specialisten-tarief door mr. Smits acht de
rechtbank gezien hetgeen A. daarover gesteld heeft juist. Voldoende is
voorts, dat A. deze kosten aan haar raadsvrouw verschuldigd is; niet hoeft
komen vast te staan, dat zij die ook betaald heeft. Als deze kosten door
‘derden’ betaald zouden zijn (bv. door een rechtsbijstandverzekeraar), zoals
het Ziekenhuis lijkt te suggereren, is het gebruikelijk, dat dit onder het
voorbehoud van ongelijk in de procedure geschiedt.

Alles overziende zal de rechtbank terzake van dit schade-onderdeel ex aequo
en bono een bedrag van ƒ 10.000 toewijzen.

4.8 Aan de hand van al hetgeen hiervoor is overwogen komt het volgende voor
toewijzing in aanmerking:
Smartengeld ƒ 25.000
Tijdelijk verlies arbeidsvermogen 26.250
Materiële uitgaven 2.089,16
Opgenomen vakantiedagen 624,60
Overlijdensschade 4.846,33
Buitengerechtelijke kosten 10.000
Totaal ƒ 68.810,09

Hierop moet nog in mindering worden gebracht het door MediRisk namens het
Ziekenhuis betaalde bedrag van ƒ 4.000. Het uiteindelijk toe te wijzen
schadebedrag is derhalve
ƒ 64.810,09.

4.9 Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente overweegt de rechtbank het
volgende.
De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het ogenblik, dat de schade
opeisbaar is. De wettelijke rente over het smartengeld is opeisbaar vanaf de
dag van overlijden van Marjolein, dus 14 mei 1996.
De crematiekosten c.a. zijn voor het overgrote deel kort na het overlijden
van Marjolein opeisbaar geworden. De rechtbank vindt hierin aanleiding de
wettelijke rente daarover toe te wijzen vanaf 1 september 1997.
De wettelijke rente over het verlies van arbeidsvermogen wordt toegewezen
vanaf het einde van de maand waarover het maandbedrag verschuldigd is,
gerekend vanaf l januari l997.

4.10 De wettelijke rente over de toegewezen buitengerechtelijke kosten wordt
toegewezen vanaf de datum van opeisbaarheid.
Het voorschot van ƒ 4.000 zal nog wel invloed hebben op de toekenning van de
wettelijke rente. De rechtbank zal dit in mindering brengen op het
smartengeld. Dit houdt in, dat de wettelijke rente over het smartengeld vanaf
de betaling van het voorschot slechts berekend mag worden over ƒ 21.000.
Voor alle schadeonderdelen geldt, dat de wettelijke rente berekend dient te
worden tot aan de dag der voldoening.

4. 11 Het Ziekenhuis zal als de voor een aanzienlijk deel in het ongelijk
gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. DE BESLISSING

De rechtbank rechtdoende

1. veroordeelt het Ziekenhuis tot betaling aan A. van ƒ 64.810,09,
vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals nader bepaald in r.o. 4.9;

2. veroordeelt het Ziekenhuis in de proceskosten en begroot die aan de zijde
van A. tot heden op ƒ 1.935,74 aan verschotten en ƒ 6.800 aan salaris
procureur;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mrs. Boonekamp, Teeuwissen-van der Valk en Van Dam

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Arnhem, 8 maart 2001

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Arnhem

Samenvatting


Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor vergunning tot verblijf bij
echtgenoot D. Deze wordt afgewezen. Volgens verweerder betreft het door
betrokkenen gesloten huwelijk een schijnhuwelijk, nu verzoeksters echtgenoot
nog samenwoont met zijn ex-echtgenote. Hieruit heeft verweerder afgeleid dat
verzoekster niet woonachtig is op hetzelfde adres en dus geen sprake is van
feitelijke samenwoning, alsmede dat het huwelijk tussen hen is gesloten om
voor betrokkene verblijf in Nederland te realiseren. Deze redenering kan de
president voorshands echter niet volgen, aangezien concrete aanwijzingen dat
verzoekster en haar kinderen niet op het genoemde adres wonen ontbreken in
het dossier, terwijl er wèl aanwijzingen zijn dat verzoekster en haar beide
kinderen óók op dat adres wonen. Bij de huidige stand van zaken is dus
voldoende aannemelijk dat verzoekster (en haar kinderen) feitelijk samenwonen
met referent, zodat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De
gevraagde voorziening wordt toegewezen.

Volledige tekst

HET PROCESVERLOOP

Op 5 augustus 1998 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om een machtiging
tot voorlopig verblijf met als doel: ‘verblijf bij Nederlandse echtgenoot D’.
Bij brief van 13 oktober 1998 is verzoeksters aanvraag om een machtiging tot
voorlopig verblijf ingewilligd, mede ten behoeve van haar minderjarige
kinderen B. en C.
Op 21 december 1998 zijn verzoekster en haar twee kinderen Nederland
ingereisd.
Op 24 december 1998 heeft verzoekster een aanvraag om verlening van een
vergunning tot verblijf met als doel “GV bij echtgenoot D.” gedaan.
Verweerder heeft de aanvraag verstaan als een aanvraag met als doel verblijf
van verzoekster bij Nederlandse echtgenoot D. plus arbeid, en voor wat de
kinderen betreft als een aanvraag met als doel ‘verblijf bij moeder E’ en
deze aanvraag bij beschikking van 31 maart 2000 niet ingewilligd.

Verzoekster en haar kinderen hebben daartegen bij bezwaarschrift van 14 april
2000 bezwaar gemaakt.

Aan hen is medegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar niet in
Nederland mogen afwachten.

Bij verzoekschrift van 31 juli 2000 heeft verzoekster de president verzocht
de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting van verzoekster en haar
kinderen achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 22
februari 2001. Verzoekster is daarbij verschenen, bijgestaan door haar
gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. V. Berg.

DE BEOORDELING

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de president van de rechtbank die
bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de
rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep
bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld,
op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet
op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In de onderhavige procedure staat ter beoordeling of uitzetting gedurende
de behandeling van het bezwaar niet achterwege zal worden gelaten. In het
kader van de uitzetting moet daarbij worden beoordeeld of het bezwaar tegen
de beslissing tot het niet inwilligen van verzoeksters aanvraag om verlening
van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij Nederlandse partner D. plus
arbeid, respectievelijk met betrekking tot de kinderen verblijf bij moeder,
een redelijke kans van slagen heeft.

3. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan verlening van een
vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan
het algemeen belang ontleend.

4. De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en
werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van deze bepaling
een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichtingen
voortvloeiende uit internationale overeenkomsten – slechts voor verlening van
een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid
hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake
is van klemmende redenen van humanitaire aard.

5. Ingevolge hoofdstuk A4/5.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (hierna:
Vc) kan aan de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, uit
het oogpunt van rechtszekerheid, slechts in uitzonderlijke gevallen een
vergunning tot verblijf worden geweigerd. Hiervan is sprake indien de
vreemdeling:
– onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de
machtiging tot voorlopig verblijf;
– niet meer beschikt over voldoende middelen van bestaan;
– inbreuk heeft gemaakt op de openbare rust of de openbare orde, dan wel een
gevaar vormt voor de nationale veiligheid;
– niet langer voldoet aan de voor toelating gestelde vereisten.

6. De algemene vereisten om in aanmerking te komen voor een vergunning tot
verblijf op grond van het door verweerder gevoerde beleid inzake de toelating
van echtgenoten zijn ingevolge hoofdstuk B1/1.2 van de Vc:
– geldigheid van het huwelijk;
– gelegaliseerde huwelijksakte;
– samenwoning;
– voldoende middelen van bestaan;
– passende huisvesting;
– geen gevaar voor de openbare rust, de openbare orde of de nationale
veiligheid.

7. Ingevolge hoofdstuk B1/1.2.2 van de Vc dienen echtgenoten feitelijk samen
te wonen. Naast het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, dienen
beiden op hetzelfde adres in het bevolkingsregister te zijn ingeschreven. Ook
dient naar buiten toe éénzelfde adres te worden gevoerd.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster geen recht kan
ontlenen aan het beleid inzake de toelating van echtgenoten, aangezien
verzoekster onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de
verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf. Verweerder is van oordeel
dat het huwelijk dat op 29 juli 1998 tussen verzoekster en referent is
gesloten een schijnhuwelijk is, aangezien D. met zijn ex-echtgenote op het
adres […]straat 5 te F samenwoont, verzoekster niet woonachtig is op dit
adres en er derhalve geen sprake is van feitelijke samenwoning.

9. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor
een vergunning tot verblijf op grond van het door verweerder gevoerde
toelatingsbeleid voor echtgeno(o)t(e), aangezien zij samen met haar
echtgenoot D., haar twee kinderen en een pleegkind woonachtig is op het adres
[…]straat 5 te F. De ex-echtgenote van haar echtgenoot woont met het gezin
van haar dochter uit het huwelijk met referent op het adres […]straat 3 te
F.

De president overweegt als volgt.

10. Verweerder stelt zich blijkens de beschikking van 31 maart 2000 op het
standpunt dat aan verzoekster, houdster van een machtiging tot voorlopig
verblijf, een vergunning tot verblijf kan worden geweigerd, aangezien zij
onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de
machtiging tot voorlopig verblijf. Verweerder is van oordeel dat D. met zijn
ex-echtgenote op het adres […]straat 5 samenwoont en dat verzoekster niet
woonachtig is op dit adres. De president is met verweerder voorshands van
oordeel dat de schijn is gewekt dat (ook) de ex-echtgenote van D. op het
adres […]straat 5 te F woont en dat D. met zijn ex-echtgenote de slaapkamer
deelt. De president heeft bij zijn beoordeling betrokken dat zich op 10 mei
1999 op het nachtkastje in de slaapkamer van D. medicijnen bevonden op naam
van zijn ex-echtgenote. Tevens werd een tweetal afspraakkaarten en een
ponskaartje van de polikliniek van het Westeinde Ziekenhuis op naam van de
ex-echtgenote van D. met als adres […]straat 5 in die slaapkamer
aangetroffen en zijn er tegenstrijdige verklaringen afgelegd door verzoekster
en (aan)verwanten. De verklaring die is gegeven voor de aanwezigheid van de
medicijnen van de ex-echtgenote in de slaapkamer die verzoekster naar haar
zeggen met D. deelt, komt voorshands niet overtuigend over.

11. Uit zijn vaststelling dat D. nog feitelijk samenwoont met zijn
ex-echtgenote op het adres van […]straat 5 heeft verweerder afgeleid dat
verzoekster niet woonachtig is op het adres […]straat 5 en dat er dus geen
sprake is van feitelijke samenwoning tussen verzoekster en D., alsmede dat
het huwelijk tussen hen slechts is gesloten om voor betrokkene verblijf in
Nederland te realiseren.
Deze redenering kan echter voorshands niet worden gevolgd. Concrete
aanwijzingen dat verzoekster en haar kinderen niet op de […]straat 5 wonen
ontbreken in het dossier, terwijl er wèl aanwijzingen zijn dat verzoekster en
haar beide kinderen óók op dat adres wonen. Uit het proces verbaal van het
onderzoek op 10 mei 1999 blijkt immers, dat verzoekster toen omstreeks 15:35
uur wel aanwezig was op dat adres. D. was afwezig; volgens de verklaring van
verzoekster was hij op het werk. Desgevraagd kan verzoekster niet alleen haar
eigen paspoort tonen, maar ook het paspoort van D. en giroafschriften van D.
Ook heeft zij in de slaapkamer herenkleding getoond die volgens haar
verklaring van D. was, en dameskleding, die van haar zou zijn. Uit het
proces-verbaal blijkt niet, dat de ambtenaren van de Vreemdelingendienst
hebben vastgesteld dat de dameskleding niet van verzoekster is c.q. haar niet
past. Verder vermeldt het proces-verbaal, dat de ambtenaren ook de andere
twee slaapkamers hebben bekeken. Daarvan is vermeldt, dat de ene slaapkamer
was van dochter C. en G., een dochter van D., en de andere slaapkamer van de
zoon M. Deze aanwijzingen zijn niet kenbaar in de beoordeling, c.q. de
motivering daarvan, meegewogen.

12. Bij de huidige stand van zaken is dus voldoende aannemelijk dat
verzoekster (en haar kinderen) feitelijk samenwonen met D., zodat het bezwaar
een redelijke kans van slagen heeft. De gevraagde voorziening dient derhalve
te worden toegewezen.

13. Gelet op het bovenstaande bestaat geen aanleiding om toepassing te geven
aan artikel 33b van de Vw.

14. Gezien het voorgaande bestaat aanleiding om met toepassing van artikel
8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoekster betaalde
griffierecht wordt vergoed door de Staat der Nederlanden alsmede om
verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, j° artikel 8:75,
eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband
met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.

DE BESLISSING

De president:

wijst het verzoek toe;

treft de voorlopige voorziening dat uitzetting achterwege blijft tot de
beslissing op het bezwaar is bekendgemaakt;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde
griffierecht ad ƒ 225 aan verzoekster te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van ad ƒ 1.420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier
dient te vergoeden.

Rechters

Mr. Van Hoof

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 7 maart 2001

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Na een poging tot doodslag (22 messteken) en bedreigingen door haar
ex-echtgenoot heeft een vrouw ernstig letsel opgelopen waardoor zij
jarenlange medische behandeling heeft moeten ondergaan en waaraan zij
ontsierende littekens en functionele klachten heeft overgehouden. Tevens is
er sprake van een posttraumatische stress-stoornis. De rechtbank stelt de
immateriële schade vast op ƒ 50.000. Beroepen op verjaring, rechtsverwerking
en matiging worden verworpen.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij voornoemde dagvaarding is P. in verzet gekomen tegen door deze rechtbank
op 1 december 1999 bij verstek tussen partijen gewezen vonnis. Bij conclusie
van eis in oppositie heeft P. gesteld en gevorderd overeenkomstig deze
dagvaarding. Bij conclusie van antwoord in oppositie, met bewijsstukken,
heeft J. de vordering bestreden.

Bij conclusie van repliek in oppositie heeft P. zijn standpunt nader
toegelicht en gehandhaafd. Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Bij oorspronkelijke dagvaarding heeft J. gevorderd P. te veroordelen tot
betaling van een bedrag van ƒ 35.642 plus wettelijke rente terzake van door
J. geleden materiële en immateriële schade ten gevolge van onrechtmatig
handelen van P. op 18 februari 1991, te vermeerderen met in de toekomst nog
te maken kosten ten gevolge van door P. gepleegde onrechtmatige daden, nader
op te maken bij staat, onder veroordeling van P. in de kosten van de
procedure.

2. Bij voornoemd vonnis van deze rechtbank is het gevorderde toegewezen, met
dien verstande dat de wettelijke rente is toegewezen met ingang van 3 juni
1999, met veroordeling van P. in de kosten van het geding, tot aan die
uitspraak aan de zijde van J. begroot op ƒ 1.658,97.

3. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van
overgelegde bewijsstukken staat het volgende vast:
a. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Op 7 september 1987 is het
echtscheidingsvonnis van 17 juni 1987 ingeschreven in de registers van de
Burgerlijke Stand.
b. Sedert eind 1990, nadat P. had vernomen dat J. een relatie had met een
andere man, heeft P. veelvuldig gedreigd J. te vermoorden.
c. Op 18 februari 1991 heeft P. getracht J. in haar eigen woning te doden. P.
heeft haar 22 messteken toegebracht. De eerste steek heeft hij in de rug
geplaatst, waarna hij haar door het huis heeft achtervolgd en verder heeft
toegestoken.
d. De Rechtbank Utrecht heeft P. bij vonnis van 7 juni 1991 veroordeeld voor
poging tot doodslag van J. tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 6
maanden voorwaardelijk.
e. In 1992 en 1993 is P. in kort geding een plaats- en contactverbod opgelegd
jegens J. wegens voortdurende bedreigingen. P. heeft deze verboden
verschillende malen overtreden.
f. Bij vonnis van 29 januari 1993 heeft de rechtbank Utrecht P. veroordeeld
tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, wegens bedreiging
van J. met een misdrijf tegen het leven gericht.
g. P. heeft J. 15 steekwonden in een arm toegebracht, 4 in de buik, 2 in de
rechterflank en 1 bij het rechterschouderblad. J. verkeerde hierdoor in
direct levensgevaar.
h. J. is vervolgens gedurende enkele weken opgenomen geweest in het
ziekenhuis. Zij heeft diverse operaties moeten ondergaan. Zij had onder meer
letsel in de onderste holle lichaamsader, de dunne darm en had een klaplong.
i. Uiteindelijk waren ongeveer 50 ziekenhuisbezoeken nodig en onderging zij
een intensieve behandeling bij de plastisch chirurg gedurende een periode van
3 jaar.
j. J. heeft ten gevolge van de toegebrachte steken en de operaties een aantal
blijvende littekens op haar lichaam, waaronder een ontsierend litteken lopend
vanaf het borstbeen tot aan het schaambeen.
k. Ten gevolge van een zenuwdoorsnijding is het normale gebruik van de
rechterhand van J. aangetast. Aan de pinkzijde is een blijvend gevoelloos
gebied. In februari 1999 heeft hiertoe nog een operatie plaatsgevonden.
l. Door de diverse operaties is er littekenweefsel in de buikstreek van J.,
waardoor darmklachten zijn ontstaan.
m. J. is in 1991 preventief behandeld voor de mogelijke gevolgen van de
traumatische ervaring dat jaar. Zij had toen last van een posttraumatische
stress-stoornis. Sedert 1998 is J. in therapie bij het RIAGG omdat zij er
niet in is geslaagd op eigen kracht de gebeurtenissen te verwerken.
n. Bij vonnis in kort geding van 17 augustus 1995 van de president van de
rechtbank te Amsterdam is P. bij verstek veroordeeld tot het betalen van een
voorschot op een schadevergoeding ter hoogte van ƒ 21.180,50 vermeerderd met
de wettelijke rente vanaf 25 juli 1995. Bij vonnis van 30 oktober 1996 is het
daartegen gerichte verzet van P. afgewezen Vervolgens heeft P. het toegewezen
bedrag in termijnen voldaan aan J..

4. P. vordert van de tegen hem uitgesproken veroordeling te worden ontheven,
met veroordeling van J. in de kosten van het verzet.

5. J. heeft allereerst aangevoerd dat P. niet ontvankelijkheid moet worden
verklaard, aangezien hij niet tijdig in verzet is gekomen nadat op 21
december 1999 het verstekvonnis aan hem is betekend.

6. P. heeft gesteld dat zijn zoon op 28 januari 2000, tijdens verblijf van P.
in het buitenland, stukken heeft ontvangen van de deurwaarder waaronder het
onderhavige verstekvonnis, dat P. voor die datum nog niet onder ogen had
gekregen.

7. De rechtbank verwerpt het verweer van J. als onvoldoende onderbouwd. Uit
het door haar overgelegde betekenisexploit blijkt dat geen betekening in
persoon heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft J. geen andere feiten en
omstandigheden gesteld waaruit een daad van bekendheid van P. vóór 28 januari
2000 blijkt. P. wordt dan ook ontvankelijk geacht in zijn verzet.

5. J. heeft aan haar oorspronkelijke vordering onrechtmatig handelen van P.
ten grondslag gelegd.

6. P. heeft zich beroepen op verjaring van de vordering aangezien deze niet
binnen vijf jaar ná 18 februari 1991 is ingesteld. Indien aangenomen zou
worden dat de verjaring is gestuit door het door J. in augustus 1995
aanhangig gemaakte kort geding, dan brengt artikel 3:316 BW mee dat J. binnen
6 maanden nadat het geding was geëindigd op 30 oktober 1997, een vordering
had moeten instellen, aldus P..

7. J. heeft hier tegen ingebracht dat ingevolge artikel 3:317 BW de verjaring
is gestuit doordat zij bij aangetekende en per gewone post verzonden brief
van 1 februari 1996, met kopie aan de raadsman van P., P. heeft bericht dat
zij zich het recht voorbehield om in een aan te spannen bodemprocedure een
eindbedrag te vorderen.

8. Het beroep van P. op verjaring gaat niet op. Anders dan P., oordeelt de
rechtbank dat J. in de brief van 1 februari 1996 zich ondubbelzinnig het
recht heeft voorbehouden om in een bodemprocedure schadevergoeding te
vorderen ter zake van de door P. op 18 februari 1991 gepleegde onrechtmatige
daad. Hieraan doet niet af dat de verjaring tevens tijdelijk is gestuit door
de kort geding procedure en dat deze stuiting op grond van het bepaalde in
artikel 3:316 lid 2 BW, na het verstrijken van de daarin genoemde termijn van
6 maanden, niet langer effect sorteerde.

9. P. heeft voorts aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen omdat J.
heeft berust in het kort geding vonnis en zij gezien het tijdsverloop en het
uitblijven van enig bericht dat ze nog een nadere vordering zou indienen,
haar recht heeft verwerkt om dit alsnog te doen.

10. De rechtbank oordeelt dat de hierboven onder 9 weergegeven feiten en
omstandigheden niet kunnen gelden als voldoende onderbouwing voor een beroep
op rechtsverwerking, zodat ook dit verweer moet worden verworpen. Bovendien
heeft J. in de hiervoor reeds besproken stuitingsbrief van 1 februari 1996 P.
wel degelijk bericht.

11. P. heeft voorts gesteld dat de vordering moet worden afgewezen als
voldoende onderbouwd aangezien de motivering vrijwel gelijk is aan die in de
kort geding procedure.

12. J. heeft zich op het standpunt gesteld dat zij haar vordering genoegzaam
heeft onderbouwd en dat P. daarentegen zijn betwisting niet heeft voorzien
van enige onderbouwing of documentatie.

13. Ook dit laatste verweer van P. wordt verworpen. Dat J. haar vordering in
de kort gedingprocedure heeft gestoeld op vrijwel dezelfde grondslag als in
de huidige procedure maakt nog niet dat deze moet worden afgewezen als
onvoldoende onderbouwd.

14. Waar P. voor het overige de hierna onder 17 nader te bespreken stellingen
van J. met betrekking tot de toedracht van de gebeurtenissen op 18 februari
1991 en de gevolgen ervan niet inhoudelijk heeft betwist worden deze als
vaststaand aangenomen.

15. Niet in geschil is voorts dat P. onrechtmatig heeft gehandeld jegens J..

16. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de aan J. toe te
kennen immateriële schadevergoeding. P. erkent de verschuldigdheid van het
reeds door hem betaalde bedrag van ƒ 6.822,50 terzake van materiële schade.
Hij betwist dat hij ter zake van immateriële schade een hogere vergoeding
verschuldigd is dan het door hem betaalde bedrag van ƒ 15.000.

17. De rechtbank acht de door J. gevorderde immateriële schadevergoeding van
ƒ 50.000 billijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat P. welbewust heeft
getracht om J. op uiterst gewelddadige wijze om het leven te brengen in haar
eigen woning, dat hij haar ook nadien nog tot december 1994 bleef bedreigen
en achtervolgen en hij J. kenbaar heeft gemaakt dat hij het betreurde dat hij
er niet in was geslaagd haar te doden. J. heeft hierdoor in doodsangst en in
levensgevaar verkeerd en heeft ernstig letsel opgelopen. Zij heeft diverse
operaties en jarenlange intensieve behandelingen moeten ondergaan. Zij heeft
zeer hevige pijn geleden en ondervindt nog steeds pijnklachten ten gevolge
van de verwondingen. Zij heeft een aantal blijvende, ontsierende littekens en
functionele klachten, zoals hiervoor omschreven onder 3. Door toedoen van P.
heeft J. zich gedurende een aantal jaren uiterst bedreigd gevoeld, ook in
haar eigen woning. In december 1998 heeft zij zich moeten wenden tot het
RIAGG voor therapeutische begeleiding omdat zij er niet in slaagde op eigen
kracht de traumatische gebeurtenissen te verwerken.

18. De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van P. tot matiging van
de schadevergoeding te honoreren. P. heeft geen concrete feiten en
omstandigheden gesteld die maken dat de toekenning van genoemde vergoeding
tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

19. P. heeft geen inhoudelijke weren opgeworpen tegen de door J. gevorderde
en bij verstek toegewezen veroordeling in de toekomstige kosten ten gevolge
van de door P. gepleegde onrechtmatige daden, nader op te maken bij staat,
zodat ook dit deel van het verstekvonnis in stand kan blijven.

20. Het voorgaande brengt met zich dat het verzet ongegrond zal worden
verklaard.

21. Als de in het ongelijk gestelde partij zal P. worden veroordeeld in de
kosten van het geding.

BESLISSING

De rechtbank:
– verklaart het verzet ongegrond;
– veroordeelt P. in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de
zijde van J. begroot op ƒ 860;
– verklaart de bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Terwee

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 6 maart 2001

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De man verzoekt de rechter zijn alimentatieplicht te beëindigen met ingang
van de dag waarop de vrouw gerechtigd zal zijn tot de nalatenschap van haar
ouders en in elk geval per 1 mei 2004 dan wel met ingang van een zodanige
datum als de rechtbank redelijk en billijk acht, met de bepaling dat na
verloop van deze termijn verlenging van de verplichting van de man niet
mogelijk zal zijn. Voorts verzoekt de man de rechtbank de alimentatie
jaarlijks te verlagen met 25% tot nihil per einddatum 1 mei 2004.
Bij de beoordeling of deze maatregelen van zo ingrijpende aard zijn dat deze
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kunnen
worden gevergd neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De vrouw is 61
jaar en heeft geen relevante arbeidservaring. Hoewel zij recentelijk is
afgestudeerd heeft zij realiter zeer beperkte verdienmogelijkheden. Zij heeft
tijdens het huwelijk niet gewerkt en heeft na het huwelijk voor de kinderen
gezorgd. Partijen zijn 17 jaar gehuwd geweest; door het huwelijk en de zorg
voor de kinderen heeft de vrouw nadien een achterstand in haar
carrièremogelijkheden opgelopen. De vrouw heeft geen pensioenrechten; zij
leeft van alleen de alimentatie en heeft behoudens haar huis geen vermogen.
Beëindiging van de alimentatie op het moment dat de vrouw AOW-gerechtigd zou
zijn betekent een relatief niet onbetekenende inkomensachteruitgang (van ruim
ƒ 58.000 naar ƒ 22.000 bij een volledig AOW-pensioen). De rechtbank houdt
geen rekening met de te verwachten erfenis omdat dit een onzekere factor is.
De rechtbank betrekt ook in haar beoordeling dat wellicht gezegd kan worden
dat de vrouw zich eerder had moeten realiseren dat zij betaald werk had
dienen te verwerven. De rechtbank meent echter dat nu geen beëindiging op
termijn gevraagd kan worden gezien de leeftijd van de vrouw destijds tijdens
de echtscheiding (40 jaar) en de maatschappelijke omstandigheden toen (1979),
de zorg die de vrouw na het huwelijk der partijen aan de kinderen heeft
gegeven en het feit dat de man de vrouw nimmer eerder erop gewezen heeft dat
beëindiging van de alimentatie, althans vermindering in de rede lag omdat van
de vrouw gevergd zou kunnen worden dat zij werk zocht. Ook telt mee dat de
inkomenspositie van de man geen enkele belemmering voor voortzetting van de
alimentatie oplevert.

Volledige tekst

FEITEN

Bij echtscheidingsvonnis van de arrondissementsrechtbank te Groningen d.d. 11
december 1979 is de man veroordeeld om aan de vrouw, ten titel van
levensonderhoud, te betalen een bedrag van ƒ 3.500 per maand, bij
vooruitbetaling te voldoen, vanaf de dag af, dat het echtscheidingsvonnis zal
zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het echtscheidingsvonnis is op 4 januari 1980 ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand.

De alimentatie voor de vrouw is inmiddels ten gevolge van de indexering
verhoogd tot een bedrag van ƒ 4.882,90 per maand.

De man verzoekt -voor zover thans nog van belang- zijn verplichting om bij te
dragen in het levensonderhoud van de vrouw te beëindigen met ingang, van de
dag waarop de vrouw gerechtigd zal zijn tot de nalatenschap van haar ouders
c.q. haar moeder en in elk geval met ingang van 1 mei 2004 dan wel met ingang
van een zodanige datum als de rechtbank redelijk en billijk acht, met de
bepaling dat na verloop van deze termijn verlenging van de verplichting van
de man niet mogelijk zal zijn.
Tevens verzoekt de man te bepalen dat de door hem te betalen bijdragen in het
levensonderhoud van de vrouw gedurende de termijn van vier jaar met ingang
van 1 juli 2000 telkens verlaagd zal worden met 25% per jaar tot nihil per
einddatum 1 mei 2004. Tenslotte verzoekt de man de proceskosten te
compenseren in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De man heeft als grond voor dit verzoek een beroep gedaan op artikel 11 van
de Wet limitering alimentatie na scheiding en voert hiertoe aan dat hij in
totaal 24 jaar aan zijn alimentatieverplichting heeft voldaan en van hem niet
gevergd kan worden dat hij langer alimentatie betaalt dan hij met de vrouw
getrouwd is geweest.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. Zij verzoekt de man
niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dan wel zijn verzoek af te
wijzen. Tevens verzoekt de vrouw te bepalen dat de alimentatieplicht van de
man voortduurt zolang partijen in leven zullen zijn, althans voortduurt tot
2010 met mogelijkheid van verlenging van deze termijn; kosten rechtens. De
vrouw voert -voor zover thans nog van belang- aan dat een beperkte verlenging
-met afbouw- zoals door de man is verzocht te ingrijpend is.
Beide partijen hebben bescheiden in het geding gebracht.
Op 23 januari 2001 is de zaak ter terechtzitting behandeld.

BEOORDELING

1. Ingevolge artikel II lid 2 van de Wet van 28 april 1994, STB. 324, zoals
gewijzigd nadien, beëindigt de rechter op verzoek van degene, die op grond
van een vóór de inwerkingtreding van de Wet op 1 juli 1994 gewezen
rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te
verstrekken, deze verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of
meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat zulks van zo
ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd. In dat geval stelt de
rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een termijn vast.

2. Nu de alimentatieplicht van de man op 4 januari 1980 is ingegaan, heeft
deze meer dan 15 jaren voortgeduurd. De alimentatieplicht is derhalve in
beginsel voor limitering vatbaar.

3. Getoetst dient te worden of beëindiging van de uitkering met ingang van de
dag dat de vrouw tot de nalatenschap van haar ouders c.q. haar moeder
gerechtigd zal zijn dan wel of de
alimentatie met ingang van 1 juli 2000 telkens verlaagd kan worden met 25%
per jaar tot nihil per de einddatum 1 mei 2004, van zo ingrijpende aard is
dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van, de vrouw niet
kan worden gevergd.

De rechtbank neemt de volgende omstandigheden in aanmerking.

De vrouw (geboren 4 mei 1939) woonde voor het huwelijk in de Verenigde Staten
van Amerika. Daar heeft zij haar ‘Bachelors Degree’ in ‘International
Relations’ gehaald aan de University of North Carolina. Partijen zijn gehuwd
op 29 november 1962 te New York (USA). De vrouw is na de huwelijkssluiting de
man gevolgd naar Nederland.
De vrouw had te maken met een taalbarrière, alsmede met niet op elkaar
aansluitende opleidingen. Zij werkte in het begin van het huwelijk gedurende
korte tijd als secretaresse. Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen
geboren, geboren op (…)1965 en op (…)1967. De vrouw had tijdens haar
huwelijk in overwegende mate zorg voor de kinderen van partijen en een
ondersteunende rol bij het carrièreverloop van de man. Het huwelijk heeft 17
jaar geduurd. De echtscheiding heeft zowel bij de vrouw als bij de kinderen,
met name het jongste, problemen teweeggebracht, die met moeite en inzet van
de vrouw konden worden overwonnen. Ten tijde van de echtscheiding was de
vrouw 40 jaar.
Partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Aan de vrouw is bij de
verdeling toegedeeld ƒ 125.000.
Op 7 november 2000 is de vrouw afgestudeerd in de sociale wetenschappen aan
de Vrije Universiteit. Het studietraject heeft 19 jaar (inclusieƒ
onderbrekingen en inclusief vooropleidingen) geduurd. De vrouw heeft vanaf de
geboorte van de kinderen van partijen geen betaalde baan gehad. Zij heeft
momenteel geen ander inkomen dan de geldende alimentatie. De vrouw heeft haar
woning in eigendom. Op deze woning rust een hypotheek van ƒ 50.000. Over de
waarde van de woning van de vrouw verschillen partijen van mening. De man
heeft overgelegd een taxatierapport van oktober 2000 waarin de woning is
opgenomen voor een onderhandse verkoopwaarde van ƒ 550.000 (geveltaxatie).
De vader van de vrouw is overleden. De moeder van de vrouw woont in de
Verenigde Staten, is vermogend en is 91 jaar. De vrouw is thans 61 jaar.
Vanaf 4 mei 2004 zal zij een AOW-uitkering ontvangen
De vrouw heeft geen pensioenvoorziening opgebouwd. Voorts heeft zij geen
recht op een door de man opgebouwd pensioen.

De man was ten tijde van de echtscheiding hoogleraar. Na de echtscheiding is
de man commerciële activiteiten gaan ontwikkelen. De man is hertrouwd en
heeft een derde kind gekregen. Hij is advocaat en heeft een praktijkinkomen
en een winstaandeel als lid van de maatschap B.
De man is thans 65 jaar. Hij zet zijn werk voort. De man is gerechtigd tot
een AOW-uitkering en pensioen. De draagkracht van de man staat niet ter
discussie.
De alimentatieplicht van de man aan de vrouw bedraagt thans afgerond 21 jaar.

4. Voor de toetsing als vermeld in rechtsoverweging 3 dienen alle
omstandigheden aan de zijde van de man en aan de zijde van de vrouw in
aanmerking genomen waarbij aangetekend zij dat in geval van beëindiging er
sprake is van een relatief niet onbetekende inkomensachteruitgang (immers de
vrouw valt terug van een inkomen van ruim ƒ 58.000, naar een inkomen van in
principe, immers afhankelijk van de vraag of zij een volledig AOW-pensioen
opgebouwd heeft,ƒ 22.000 over drie jaar).

In aanmerking wordt genomen dat de vrouw 61 jaar oud is en geen relevante
arbeidservaring heeft. Hoewel zij recent is afgestudeerd, heeft zij realiter
zeer beperkte verdienmogelijkheden. Zij heeft tijdens het huwelijk niet
gewerkt en zij heeft na het huwelijk voor der partijen kinderen gezorgd.
Partijen zijn 17 jaar gehuwd geweest; de vrouw heeft door dat huwelijk en de
zorg voor de kinderen nadien achterstand opgelopen in haar ontwikkeling en
carrièremogelijkheden. De vrouw heeft geen pensioenrechten. De vrouw leeft
van alleen de alimentatie en zij heeft behoudens haar woning geen vermogen.
De inkomenspositie van de man staat niet ter discussie, zodat de rechtbank
ervan uitgaat dat daarin geen enkele belemmering voor voortzetting van de
alimentatie gelegen is.

Op grond van het hiervoor genoemde is de rechtbank van oordeel dat
beëindiging van de alimentatie op een termijn van drie jaar (met afbouw) niet
in redelijkheid van de vrouw gevergd kan worden. De rechtbank houdt geen
rekening met een door de vrouw te verwachten erfenis, omdat zulks uit de aard
der zaak onzeker is. Bovendien heeft de vrouw toegezegd de man over opkomende
erfenissen en de omvang daarvan te informeren waarbij zij aangetekend heeft
dat herziening van de alimentatie dan redelijk is.
De rechtbank heeft voorts in haar beoordeling betrokken dat wellicht gezegd
kan worden dat de vrouw zich eerder had moeten realiseren dat zij betaald
werk had dienen te verwerven. Gezien de leeftijd van de vrouw tijdens de
echtscheiding (40 jaar) en de maatschappelijke omstandigheden toen (1979), de
zorg die de vrouw na het huwelijk aan der partijen kinderen
heeft gegeven en het feit dat de man de vrouw nimmer eerder erop gewezen
heeft dat beëindiging van de alimentatie, althans vermindering in de rede lag
omdat van de vrouw gevergd zou kunnen worden dat zij werk zocht, kan nu, nu
de vrouw 61 oud is niet beëindiging van de alimentatie op termijn gevraagd
worden, te meer daar de inkomenspositie van de man geen enkele belemmering
voor voortzetting van de alimentatie oplevert.

Zoals hierboven vermeld heeft de vrouw toegezegd dat de alimentatie herzien
kan worden indien zij tot een erfenis gerechtigd wordt. Daarnaast heeft zij
toegezegd dat de alimentatie verminderd kan worden met hetgeen zij eventueel
uit betaalde arbeid zal verdienen en met hetgeen zij in de toekomst uit
AOW-uitkering zal ontvangen. In deze onzekerheden ziet de rechtbank
aanleiding een beperkte termijn voor voortzetting van de alimentatie te
bepalen en wel tot 1 januari 2010, met bepaling dat na ommekomst verlenging
mogelijk is.

De rechtbank is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden op grond
waarvan aanleiding bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat ieder der
partijen de eigen proceskosten draagt.

BESLISSING, met wijziging in zoverre van het echtscheidingsvonnis
van de Arrondissementsrechtbank te Groningen d.d. 11 december 1979;

De rechtbank:

bepaalt dat de alimentatieverplichting van de man wordt beëindigd per 1
januari 2010;

bepaalt dat verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan
mogelijk is.

Wijst het meer of anders verzochte af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten zal dragen.

Rechters

Mr. Paris

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 5 maart 2001

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De ouders wilden aanvankelijk dat de zonen de naam van de vader en de
dochters de naam van de moeder zouden krijgen. Na de negatieve uitspraak van
het EHRM (27 april 2000, nr. 42973/87, RN 2001/6, nr. 1393) omtrent dit
verzoek besluiten de ouders om alle kinderen de achternaam van de moeder te
geven.

Volledige tekst

FEITEN

De ouders zijn op 15 april in de gemeente Leiden met elkander gehuwd.
Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
H., J.P., geboren te Leiderdorp op (…)1988 te Leiderdorp;
H., G.C.F., geboren op (…) 1991 te Leiden;
H., E.R., geboren op (…)1994 te Leiden;
H., B.B., geboren op (…)1997 te Leiden.

PROCEDURE

De ouders verzoeken de rechtbank aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
van de gemeente Leiden te gelasten een akte van naamskeuze op te maken van de
door verzoekers te zijnen overstaan afgelegde gemeenschappelijke verklaring
betreffende hun keuze voor de geslachtsnaam B. ten behoeve van hun vier
minderjarige kinderen:
– J.P., geboren te Leiderdorp op (…)1988,
– G.C.F., geboren te Leiden op (…)1991;
– E.R., geboren te Leiden op (…)1994;
– B.B., geboren te Leiden op (…)1997.
Voorts verzoeken de ouders voornoemde ambtenaar van de burgerlijke stand te
gelasten deze naamswijziging als latere vermelding toe te voegen in de
burgerlijke stand overeenkomstig het bepaalde in artikel BW e.v.

Bij brief van 7 september 2000 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand te
Leiden medegedeeld dat hij geen verweer wenst te voeren. Voorts conformeert
hij zich aan het oordeel van de rechtbank.

Bij brief van 21 september 2000 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand
te Leiderdorp medegedeeld dat hij geen verweer wenst te voeren.

De officier van justitie, heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek
van de ouders.

Op 15 januari 2001 is de behandeling van de zaak ter terechtzitting
behandeld.

Ingekomen is een brief van 15 januari 2001 van de procureur van de ouders.

BEOORDELING

Gelet op het feit dat het oudste kind is geboren te Leiderdorp beschouwt de
rechtbank het verzoek betreffende dit kind als gedaan aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand te Leiderdorp.

Ingevolge artikel IV lid 1 van de Overgangsbepalingen van de Wet van 10 april
1997, Stb. 1997, 161, houdende wijziging van de artikelen 5 en 9 van boek 1
van het Burgerlijk Wetboek (naamrecht) en in verband daarmede van enige andere
artikelen van dit wetboek, kunnen tot twee jaar na het inwerkingtreding van
deze wet de minderjarige kinderen van dezelfde ouders krachtens een
gemeenschappelijke verklaring van hun ouders de geslachtsnaam van hun moeder
verkrijgen.

De ouders stellen dat, ondanks dat de overgangstermijn is verstreken, zij
kunnen worden ontvangen in hun verzoek. Zij menen kort gezegd dat strikte
toepassing van bedoelde overgangstermijn ingevolge de Overgangsbepaling in
strijd is met artikel 26 IBVP, nu onderhavig artikel ondermeer het recht van
ouders waarborgt op een door ben te kiezen geslachtsnaam voor hun kinderen.
De ouders beroepen zich eveneens op het recht op eerbiediging van hun
familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM in samenhang met artikel
14 EVRM. Tevens achten de ouders een rigide toepassing van de
overgangstermijn strijdig met artikel 16 van het Verdrag inzake Uitbanning
van alle Discriminatie van Vrouwen, nu dit tot gevolg zou hebben dat
onderscheid wordt gemaakt naar geslacht hetgeen in het onderhavige geval
alleen ten gunste van de man zou werken.

De rechtbank is uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting het
volgende gebleken. In eerste instantie was de wens van de ouders dat de
geslachtsnaam van de beide zonen ongewijzigd “H.’ zou luiden en dat de
geslachtsnaam van de beide dochters zou worden gewijzigd in de geslachtsnaam
van de moeder ‘B.”. De ouders hebben alle juridische wegen bewandeld om beide
dochters op ‘naam van de moeder te stellen”. De laatste beschikking in dezen
is in mei 2000 door het Europese Hof gegeven. Alstoen was inmiddels de
overgangstermijn ex artikel IV lid 1 van de Overgangsbepalingen van de Wet
van 10 april 1997 verstreken, welke termijn eindigde op 1 januari 2000. Tot
dan konden na 1 januari 1998 minderjarige kinderen van dezelfde ouders
krachtens een gemeenschappelijke verklaring de geslachtsnaam van de moeder
krijgen. Zoals gezegd wensten de ouders primair dat de beide zonen de
geslachtsnaam van de vader en de dochters die van de moeder zouden krijgen en
zijn zij pas toen dat niet mogelijk bleek (dus na mei 2000) hun gedachten
gaan vormen over het huidige verzoek.
De ambtenaar van de burgerlijke stand wenst geen verweer te voeren tegen het
verzoek en de Officier van Justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van
het verzoek.
De rechtbank is van oordeel dat, in het onderhavige geval de overgangstermijn
van twee jaar niet te strikt dient te worden toegepast en zal de ouders
ontvangen in hun verzoek. Vaststaat dat in dit geval is voldaan om de
voorwaarden genoemd in lid 1 van artikel IV van voormelde Wet van 10 april
1997, zodat het verzoek van de ouders kan worden toegewezen. Daarbij speelt
voor de rechtbank een grote rol dat het huidige verzoek mogelijk zou zijn
geweest indien de ouders voor 1 januari 2000 een dergelijke
gemeenschappelijke verklaring zouden hebben afgelegd en dat hen geen verwijt
kan worden gemaakt van het feit dat de beslissing van de Europese Commissie
na 1 januari 2000 is gekomen (het klaagschrift is gedateerd 23 maart 1998).

BESLISSING

De rechtbank:

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand te Leiderdorp een akte van
naamskeuze op te maken van de door de ouders te zijnen overstaan afgelegde
gemeenschappelijke verklaring betreffende hun keuze voor de geslachtsnaam
‘B.” ten behoeve van hun kind:
H., J.P., geboren op (…)1988 te Leiderdorp;
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand te Leiden een akte van de
naamkeuze op te maken van de door de ouders te zijnen overstaan afgelegde
gemeenschappelijke verklaring betreffende hun keuze voor de geslachtsnaam
“B.’ ten behoeve van hun kinderen:
– H., G.C.F., geboren op (…) 1991 te Leiden;
– H., E.R., geboren op (…) 1994 te Leiden;
– H. B.B., geboren op (…) 1997 te Leiden.

gelast voornoemde ambtenaren van de burgerlijke stand deze
geslachtsnaamwijziging als latere vermelding toe te voegen in de burgerlijke
stand overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1:20 BW e.v.

Rechters

mr. Dam